Verordening voor de fysieke leefomgeving Urk 2022De raad van de gemeente Urk, op voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Urk d.d. 4 april 2023, gezien het advies van Commissie II d.d. … besluit: De Verordening Fysieke Leefomgeving Urk vast te stellen. Te besluiten dat de Verordening Fysieke Leefomgeving Urk in werking treedt op de dag van bekendmaking. 1Algemene bepalingen Artikel1.1.1Begripsbepalingen Bijlage 1 bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening. Artikel1.1.2Toepassingsbereik Deze verordening gaat over: De fysieke leefomgeving, en; Activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval: Bouwwerken; Infrastructuur; Watersystemen; Water; Bodem; Lucht; Landschappen; Natuur; Cultureel erfgoed; Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in ieder geval aangemerkt gevolgen die kunnen voortvloeien uit: Het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan; Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; Activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt; Het nalaten van activiteiten. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt, of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving. Deze verordening is niet van toepassing op bijzondere markten en/of braderieën waarvoor het gebruiken van gemeentegrond op grond van privaatrecht met het college is geregeld en/of waarvoor op grond van de Algemene plaatselijke verordening een evenementenvergunning is verleend. De APV blijft tevens de grond waarop een evenementenvergunning wordt verleend. De randvoorwaarden voor de toetsing zijn te vinden in het Evenementenbeleid Urk. Artikel1.1.3Doel van deze verordening Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu gericht op het in onderlinge samenhang: Bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en Doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel1.1.4Wijze van meten Onder peil wordt verstaan: Voor bouwwerken die in of op het water worden gebouwd: het gemiddelde waterpeil ter plaatse van het bouwwerk; Voor bouwwerken waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met 2 cm; In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein vermeerderd met 2 cm. Artikel1.1.5Meest recente versie Bij het toepassen van artikelen uit deze verordening die verwijzen naar documenten buiten deze verordening, wordt steeds uitgegaan van de meest recente versie van die documenten, tenzij anders is aangegeven. 2Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling2.1: Regels ter instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving Artikel2.1.1Doel van de regels Het doel van dit hoofdstuk is om algemene regels te formuleren voor instandhouding, behoud en bescherming van de fysieke leefomgeving. Iedereen dient bij zijn of haar activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht te nemen en toe te staan dat maatregelen getroffen worden om de fysieke leefomgeving te beschermen en te behouden. Artikel2.1.2Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving Een ieder is verantwoordelijk en draagt voldoende zorg voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Artikel2.1.3Zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht: Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd. Artikel2.1.4Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats Degene die een object heeft geplaatst op een openbare plaats, houdt het in goede staat en ruimt het op zodra de activiteit waarvoor het geplaatst is wordt gestaakt. Afdeling2.2: Openbaar water en waterstaatswerken Artikel2.2.1Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4.Van de melding wordt kennis gegeven in het gemeenteblad en op de in de gemeente overigens gebruikelijke wijze van bekendmaking. 5.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, of bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel2.2.2Beschadigen van waterstaatswerken 1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening of bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Afdeling2.3: Groen Artikel2.3.1Doel van aanwijzen waardevolle bomen en/of boomstructuren Het doel van de regels in deze afdeling is het verlenen van de bevoegdheid aan college om bomen aan te wijzen, die hiermee een beschermde status krijgen. Dit draagt bij aan het behouden en beschermen van bomen. Wanneer de boom beschermd is, is voor het kappen van een boom een vergunning nodig. Ook is een vergunning nodig voor andere handelingen waardoor de boom beschadigd kan raken. De gemeente wil bomen zoveel als mogelijk behouden, omdat bomen een belangrijke bijdrage leveren aan een goede en gezonde fysieke leefomgeving. Artikel2.3.2Aanwijzing als beschermde boom 1.Een boom wordt aanwezen als beschermde boom op grond van: de cultuurhistorische waarde van de boom; de stedelijke en landschappelijke waarde van de boom; de natuurwaarde van de boom; de recreatieve waarde van de boom; de klimaatwaarde van de boom. 2.De beschermde boom wordt opgenomen op de lijst van beschermde bomen. 3.Op dezelfde gronden als genoemd in het eerste lid worden gebieden aanwezen waarin alle bomen beschermd zijn. De aangewezen gebieden worden opgenomen op de gebiedenkaart beschermde bomen. 4.Voor het vellen van een boom op de lijst beschermde bomen of in een gebied op de gebiedenkaart beschermde bomen is een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand nodig. Artikel2.3.3Bestrijding distels en zaad verspreidend onkruid 1.De gebruikers, of bij het ontbreken daarvan de eigenaren van gronden zijn verplicht deze te zuiveren van distels (in de regel betreft dit Akkerdistel, Speerdistel en Kale Jonker) en zaad verspreidend onkruid (zoals Jacobskruiskruid), niet betreffende de soorten op de rode lijst, voordat deze tot bloei komen. Onder eigenaar wordt in deze verordening ook verstaan, degene, die de eigenaar bij het beheer vertegenwoordigt en voorts eenieder, die krachtens enig zakelijk recht, bezit daaronder begrepen, beschikking heeft over de gronden. 2.Indien naar het oordeel van het college de bij artikel 2.3.3, eerste lid, opgelegde verplichting niet of niet behoorlijk wordt nagekomen, zenden zij aan de gebruiker of, naar onderscheiding in artikel 2.3.3, eerste lid de eigenaar van de desbetreffende grond een schriftelijke lastgeving om zijn grond binnen een in die lastgeving genoemde termijn van distels en/of zaad verspreidend onkruid te zuiveren. 3.Bij nalatigheid van de gebruiker, onderscheidenlijk de eigenaar, om binnen de krachtens het vorige lid gestelde termijn gevolg te geven aan de hem verstrekte last, kan het college op grond van artikel 125 van de Gemeentewet besluiten op kosten van de nalatige de grond van distels en/of zaad verspreidend onkruid te doen zuiveren. 4.Met het opsporen van overtredingen van deze verordening zijn behalve de bij of krachtens artikel 141 Wetboek van Strafvordering aangewezen personen en de ambtenaren van de Algemeen Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij, belast de door het college aangewezen personen. Zij hebben daartoe tussen zonsop- en ondergang het recht van vrije toegang tot alle gronden. Afdeling 2.4: Terrassen Artikel2.4.1Algemene regel voor terrassen 1.Het college kan gebieden aanwijzen waar het niet is toegestaan een terras te hebben. 2.Het college is bevoegd nadere regels te stellen ten aanzien van terrassen. Afdeling2.5: Standplaatsen & Markten Artikel2.5.1.Vaste, incidentele of seizoensgebonden standplaatsen – niet zijnde marktstandplaatsen. 1.Het college is bevoegd nadere regels te stellen ten aanzien van vaste, incidentele, of seizoensgebonden standplaatsen – niet zijnde marktstandplaatsen. Artikel2.5.2Inrichting van de markten 1.Het college bepaalt ten aanzien van de markt: het aantal standplaatsen; de afmetingen van de standplaatsen; de opstelling en indeling van de markt; welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerkersplaats. 2.Het college kan voor de markt vaststellen: een lijst met artikelengroepen of branches; een maximumaantal standplaatsen per branche 3.Het college is bevoegd nadere regels te stellen ten aanzien van markten. Afdeling2.6 Cultureel erfgoed Artikel2.6.1Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed Het doel van de regels in deze paragraaf is het verlenen van de bevoegdheid aan het college om gemeentelijk onroerend cultureel erfgoed aan te wijzen. Dit draagt bij aan het behouden en beschermen van onroerend cultureel erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en daarbij onvervangbaar. Door de aanwijzing als gemeentelijk monument, archeologisch monument of beschermd stads- of dorpsgezicht krijgt het betreffende erfgoed een beschermde status. Artikel2.6.2Aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermd gemeentelijke verzameling 1.Het college kan ambtshalve besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, aan te wijzen als beschermd gemeentelijk cultuurgoed. 2.Het college kan ambtshalve besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, aan te wijzen als beschermde gemeentelijk verzameling. 3.Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat, of een verzameling die, aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, is toestemming van de eigenaar vereist. 4.Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling of over het afstand doen van de zorg, vraagt het college advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. 5.Dit artikel is niet van toepassing op: Beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel2.6.3Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling 1.Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.6.2, eerste of tweede lid, ambtshalve wijzigen of intrekken. 2.Artikel 2.6.2, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: Beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of Beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 4.Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel2.6.4De aanwijzing tot gemeentelijk monument 1.Het college kan besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2.Dit artikel is niet van toepassing op: Rijksmonumenten, en monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel2.6.5Voornemen tot aanwijzing 1.Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.6.4 wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel2.6.6Voorbescherming 1.De bescherming van gemeentelijk monument is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 2.6.5 is bekendgemaakt. 2.De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel2.6.7Advies commissie ruimtelijke kwaliteit 1.Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.6.4 advies aan een gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Van de adviescommissie maken de leden van het gemeentebestuur geen deel uit. 2.De gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3.De gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit brengt binnen 8 weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Artikel2.6.8Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel2.6.9Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1.De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel2.6.10Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1.In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 2.6.7 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2.Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 2.6.4. 3.De bescherming van een gemeentelijk monument is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 2.6.9 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel2.6.11Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2.Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 2.6 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel2.6.12Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel2.6.13Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: Te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of Te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: De uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of Inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. 3.Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. Artikel2.6.14De aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht Het college kan een dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, wanneer een groep van onroerende zaken van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en zich in deze groep één of meer monumenten bevinden. Artikel2.6.15Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.6.14, wijzigen of intrekken. 2.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: Beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of Beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3.Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel2.6.16Verbodsbepaling en aanvraag vergunning 1.Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerk te slopen. 2.De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 12, 13a of 13b van de Woningwet. Afdeling2.7: Recreatie Artikel2.7.1Paardenverbod strand Staverse kade Ter voorkoming van overlast en schade aan de openbare gezondheid is het verboden om in de in Bijlage 2 aangewezen gebieden paarden aanwezig te hebben. 3Activiteiten in de fysieke leefomgeving Afdeling3.1: Algemene bepalingen Artikel3.1.1Toepassingsbereik Dit hoofdstuk gaat over activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Artikel3.1.2Vergunningplicht Activiteiten waarvoor op grond van deze verordening een vergunning nodig is, mogen niet worden uitgevoerd zonder of voordat die vergunning is verleend, of in afwijking van de verleende vergunning. Bepalingen ten aanzien van vergunningen Artikel3.1.3Beslistermijn 1.Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste zes weken verlengen. Artikel3.1.4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel3.1.5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden. Artikel3.1.6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder dit verzoekt. Artikel3.1.7Termijnen 1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel3.1.8Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Afdeling3.2: Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten Artikel3.2.1Indeling van het gebied van de gemeente 1.Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente: het gebied binnen de bebouwde kom; Zie kaart onder. het gebied buiten de bebouwde kom; Zie kaart onder. het gebied dat is uitgesloten van welstandstoezicht: Alle wijken behalve Kom Urk, Zeewijk en Oranjewijk. Voor Zeeheldenwijk en Port of Urk wordt getoetst aan aparte beeldkwaliteitsplannen. Artikel3.2.2Bodemonderzoek 1.Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl. Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015 nl. 2.De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 of 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. De hoogtebepalingen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht zijn niet van toepassing op deze verordening. 3.Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toe als voor toepassing van artikel 3.2.3 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn als bedoeld in artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl niet rechtvaardigen. 5.Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel3.2.3Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel3.2.4Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.3 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Afdeling3.3: Standplaatsen & Markten Artikel3.3.1Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een (vaste, incidentele of seizoensgebonden) standplaats in te nemen of te hebben. 2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1.8. kan de vergunning worden geweigerd: indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Artikel3.3.2Marktstandplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een marktstandplaats in te nemen of te hebben. 2.Een vergunning voor een marktstandplaats wordt verleend op basis van het geldende ‘Marktreglement Urk’. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1.8. kan de vergunning worden geweigerd: indien de marktstandplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een marktstandplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Artikel3.3.3Toestemming rechthebbenden Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college een (vaste/incidentele/seizoensgebonden) standplaats, of een marktstandplaats wordt of is ingenomen. Artikel3.3.4Afbakeningsbepalingen 1.De verboden van artikel 3.3.1 eerste lid en artikel 3.3.2. eerste lid gelden niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. 2.De weigeringsgronden van artikel 3.3.1, derde lid, onder a, en 3.3.2. derde lid onder a, gelden niet voor bouwwerken. Afdeling3.4: Activiteiten ten aanzien van de weg Artikel3.4.1Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg, in strijd met de publieke functie van de weg 1.Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 3.In afwijking van het eerste lid beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij een horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. 4.Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel3.4.2Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen 1.Het verbod in het eerste lid van artikel 3.4.1 geldt niet voor standplaatsen als bedoeld in artikel 3.3.1. 2.Het verbod in het eerste lid van artikel 3.4.1 geldt tevens niet voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 3.Het verbod in het eerste lid van artikel 3.4.1 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal Wegenreglement. 4.De weigeringsgrond van artikel 3.4.1, vierde lid, onder a, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. 5.De weigeringsgrond van artikel 3.4.1, eerste lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken; 6.De weigeringsgrond van artikel 3.4.1, eerste lid, onder c, geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel3.4.3Maken, veranderen van een uitweg 1.Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg: indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2.Van de melding wordt kennis gegeven in het gemeenteblad en op de in de gemeente overigens gebruikelijke wijze van bekendmaking. 3.Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg: indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 4.De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 5.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement. Artikel3.4.4Hinderlijke beplanting of voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel3.4.5Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Afdeling3.5: Milieubelastende activiteiten Bepalingen ten aanzien van geluidhinder Artikel3.5.1Geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer op een zodanige wijze toestellen of geluids-apparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of krachtens een provinciale verordening. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Bepalingen ten aanzien tegen ontsiering en stankoverlast Artikel3.5.2Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens een provinciale verordening. Artikel3.5.3Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden. 3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of krachtens een provinciale verordening. Afdeling3.6: Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente Urk Algemene bepalingen met betrekking tot ligplaatsvergunningen Artikel3.6.1Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of krachtens een provinciale verordening. Artikel3.6.2Aanwijzingen ligplaats 1.Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 3.7.1 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. 3.Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of krachtens een provinciale verordening. Artikel3.6.3Verbod innemen ligplaats Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens het in artikel 3.6.2, tweede lid bepaalde. Afdeling3.7: Activiteiten met betrekking tot houtopstanden Artikel3.7.1Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1.Het college stelt een Bomenlijst vast waarop de monumentale en andere beschermingswaardige bomen in de gemeente worden vermeld. 2.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de in het eerste lid genoemde Bomenlijst. 3.In afwijking van artikel 3.1.8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: de natuurwaarde van de houtopstand; de landschappelijke waarde van de houtopstand; de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; de beeldbepalende waarde van de houtopstand; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 4.Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang of een direct gevaar voor personen of goederen. 5.Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. 6.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel3.7.2Melding voornemen kappen 1.Het is verboden houtopstanden, die niet staan vermeld op de in artikel 3.7.1 eerste lid bedoelde Bomenlijst, te vellen of te doen vellen zonder voorafgaande melding aan het college. 2.De houtopstand kan worden geveld indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste velling wordt verboden. 3.Het college kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden buiten de bebouwde kom in de zin van de Wet Natuurbescherming indien het betreft: populieren en wilgen als wegbeplatingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouw gronden, tenzij deze zijn geknot; fruitbomen en windschermen om boomgaarden; fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; kweekgoed; houtopstand, die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouw-ondernemingen en niet gelegen is binnen een bebouwde kom tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt en, ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, ofwel ingeval van rijbeplanting, gerekend over het totaal aantal rijen, niet meer bomen bevat dan 20. 5.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor: de boom welke op 1.30 m boven het maaiveld een stamomtrek heeft van minder dan 60 cm; houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het college; het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten; hierbij hebben aangegeven dat de gemelde boom c.q. houtopstand een boom c.q. houtopstand is als bedoeld in dit artikellid; wanneer niet binnen acht weken na indiening van de melding als bedoeld onder e. een schriftelijke bevestiging is verzonden door het college, mag tot vellen van de dode houtopstand of de Amerikaanse vogelkers worden overgegaan. Het college kan de termijn waarbinnen de bevestiging dient te zijn verzonden met maximaal zes weken verlengen. Afdeling3.8: Stadsschoon en handelsreclame Artikel3.8.1Plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5.Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud ervan. 7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Bepalingen ten aanzien van (handels)reclame Artikel3.8.2Vergunningsplicht lichtreclame 1.Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan een onroerende zaak verlicht handelsreclame te maken of te voeren die vanaf de weg zichtbaar is. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1.8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd: indien de handelsreclame, op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 3.De weigeringsgrond van het tweede lid onder a geldt niet voor bouwwerken; de weigeringsgrond van het tweede lid, onder b geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel3.8.3Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteiten-besluit milieubeheer. Bepalingen ten aanzien van afval Artikel3.8.4Aanwijzing van de inzameldienst 1.Het college wijst de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2.Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissing) is niet van toepassing. 3.Het college kan nadere regels stellen over de voorbereiding van de aanwijzing en over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel3.8.5Regulering van andere inzamelaars 1.Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: daartoe is aangewezen door het college; bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld; of verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer. 2.Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Artikel3.8.6Aanwijzing van inzamelplaats Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Artikel3.8.7Algemene verboden afvalinzameling Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.8.5, eerste lid; over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.8.5., eerste lid; of achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 3.8.6. Artikel3.8.8Afvalscheiding 1.Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel. 2.In ieder geval de volgende bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld: Groente-, fruit- en tuinafval; Papier en karton; Glas; Textiel; Kunststof verpakkingsmateriaal; Elektrisch of elektronisch apparatuur; Klein chemisch afval; Artikel3.8.9Gescheiden aanbieding 1.Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.8.8, anders dan afzonderlijk: ter inzameling aan te bieden; achter te laten op de inzamelplaats, bedoeld in artikel 3.8.6. 2.Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel3.8.10Tijdstip van aanbieding Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dagen en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. Artikel3.8.11Wijze en plaats van aanbieding 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over het gebruik van: inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel; inzamelvoorzieningen voor het aanbieden te inzameling nabij een perceel. 2.Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de tijden, bedoeld in artikel 3.8.10, buiten een perceel te laten staan. 3.Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod in houden. Artikel3.8.12Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die wordt aangewezen krachtens artikel 3.8.4, in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens de Verordening afvalstoffenheffing verschuldigde heffing is voldaan. Artikel3.8.13Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 3.8.12 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden, aan de inzameldienst over te dragen of bij de inzamelplaats, bedoeld in artikel 3.8.6, achter te laten. Artikel3.8.14Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen 1.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 3.8.13 aangewezen bedrijfsafvalstoffen. 2.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het tweede lid, inhouden. Artikel3.8.15Dumpingsverbod 1.Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: Het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; Het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- en tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; Het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; Handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit. 3.Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. 4. Artikel3.8.16Zwerfafval in de openbare ruimte 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht, die ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van afvalstoffen. 2.Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakkingen daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte worden weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3.Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of deze anderszins te behandelen. Artikel3.8.17Zwerfafval rondom inrichtingen 1.Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2.Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting. 3.Het eerste en tweede lid gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel3.8.18Afval en verontreiniging op de weg 1.Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. 2.Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever, zorgt terstond na beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel3.8.19Geen opslag van afval in de open lucht Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met artikelen 3.8.4. tot 3.8.11. van deze verordening aanbieden of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Afdeling3.9: Toeristisch verhuur, kamperen en recreatie Artikel3.9.1Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het geldende plan is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1.8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; de bescherming van een stadsgezicht. Artikel3.9.2Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 3.9.1, eerste lid niet geldt. 2.Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 3.9.1 vierde lid. Afdeling3.10: Voertuigen en parkeren Artikel3.10.1Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen; dan wel de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 2.Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 3.Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon. 4.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictievebeschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel3.10.2Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden op door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen. Artikel3.10.3Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel3.10.4Voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel3.10.5Kampeermiddelen e.a. 1.Het is verboden een voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; op een andere door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of krachtens een provinciale verordening. 4.Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel3.10.6Parkeren van grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3.Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4.De verboden in het eerste en tweede lid zijn voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 5.Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. 6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel3.10.7Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel3.10.8Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2.Dit verbod is niet van toepassing: op de weg; op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel3.10.9Overlast van fiets of bromfiets Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 4Beheer en onderhoud Afdeling4.1: Groen Artikel4.1.1Kabel en/of leidingwerkzaamheden in de nabijheid van bomen 1.Bij kabel en/of leidingwerkzaamheden in de nabijheid van bomen wordt de minimale graafafstand tot stabiliteitskluit conform de actuele versie van het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen in acht genomen; 2.De schade aan bomen wordt achteraf vastgesteld op basis van de meest actuele richtlijnen van de NVTB (Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen). De aansprakelijkheidsstelling voor de schade vindt plaats conform het civiele aansprakelijkheidsrecht. Het totale schadebedrag wordt opgebouwd uit de getaxeerde schade inclusief taxatiekosten, beredderingskosten en overige bijkomende kosten zoals voor verhalen van schade. Afdeling4.2: Ondergrondse infrastructuren Artikel4.2.1Instemmingsvereiste werkzaamheden ondergrondse infrastructuren 1.Het is verboden werkzaamheden te verrichten zonder of in afwijking van een door het college genomen instemmingsbesluit. 2.Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een melding vooraf aan het college. De raad is bevoegd om redenen van veiligheid delen van het grondgebied aan te wijzen waarvoor het voorgaande niet van toepassing is. 3.De werkzaamheden dienen binnen een jaar na de datum waarop het instemmingsbesluit onherroepelijk is geworden te zijn voltooid. 4.Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente. 5.Behoudens in geval van spoedeisende werkzaamheden is bij extreme weersomstandigheden en/of evenementen het college bevoegd een breekverbod in te stellen. De vaststelling dat er sprake is van extreme weersomstandigheden is een bevoegdheid van het college. De termijn zoals bedoeld in het derde lid wordt automatisch verlengd met de periode van het breekverbod. Uiterlijk een dag voor beëindiging van het breekverbod, zal het college de betrokken uitvoerende partij(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.