Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk houdende regels omtrent planologische afwijkingen (Beleidsregels planologische afwijkingen Noordwijk 2023)Hoofdstuk1 1.1Toelichting en systematiek van de beleidsregels De gemeenteraad is verantwoordelijk voor het ruimtelijke beleid van een gemeente. Dit doet hij door het vaststellen van onder andere bestemmingsplannen op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).Het gemeentelijke ruimtelijke ordeningsbeleid is vastgelegd in door de gemeenteraad vastgestelde structuurvisies, omgevingsvisie en bestemmingsplannen. De Wro schrijft daarbij voor dat deze beleidsstukken met het oog op een goede ruimtelijke ordening bestemmingen aanwijzen en hieraan regels verbinden. Het bestemmingsplan is het instrument waarin de ruimtelijke regels van de gemeente vastgelegd wordt. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is een gedegen afweging gemaakt. In het bestemmingsplan wordt - voor standaardsituaties - aangegeven waar kan worden gebouwd, met welke afmetingen en hoe percelen grond en gebouwen mogen worden gebruikt. Het toekennen van het mogelijke gebruik van gronden en bouwmogelijkheden zoals de maximale bouwhoogtes, maximale inhoudsmaten van woningen en maximale oppervlaktes van bijgebouwen bij woningen is op het moment van vaststelling een weloverwogen beleidsafweging geweest. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kent ingevolge artikel 2.12, 1e lid, onder a, aan het college van burgemeester en wethouders (hierna ‘het college’) de bevoegdheid toe om af te wijken van een bestemmingsplan. Artikel 4 van bijlage II Besluit omgevingsrecht (Bor) beschrijft de categorieën van gevallen waarvoor het college voor bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, van de wet kunnen verlenen. Voor deze afwijkingen geldt onder de Wabo de reguliere procedure en is de beslistermijn 8 weken. De beslistermijn kan worden verlengd met 6 weken. Bezwaar, beroep en hoger beroep zijn mogelijk tegen het besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Bovendien kan bovenop de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, op grond van het Bor (artikel 2 en 3 van Bijlage II) ook nog een behoorlijke oppervlakte aan vergunningvrije bebouwing worden gerealiseerd. 1.2Doelstelling In deze beleidsregels wordt vastgelegd in welke gevallen het college wel of niet gebruik wil maken van deze bevoegdheid en of het college wil meewerken aan een aanvraag die niet past binnen het bestemmingsplan maar wel binnen categorieën van gevallen die zijn opgesomd in artikel 4 van bijlage II Bor. (‘kruimelgevallenregeling’). Als het college gebruik wil maken van de door de wetgever toegekende beleidsvrijheid om van het in de bestemmingplannen vastgelegde raadsbeleid af te wijken dan moet dat zorgvuldig gebeuren. Het college wenst niet van alle bevoegdheden gebruik te maken. De bestemmingsplannen (de standaardregels) zijn in principe het uitgangspunt. Door de verruiming van het omgevingsvergunningvrije bouwen is de druk op de ruimtelijke kwaliteit van de gebieden toegenomen. Te ruimhartige beleidsregels kunnen deze druk nog verder verhogen. Het oorspronkelijke nieuwe afwijkingenbeleid dat op 10-02-2020 was vastgesteld, was daarom strikter dan het voorheen geldende beleid van Noordwijk/Noordwijkerhout. Na evaluatie bleek echter dat dit beleid stringenter was dan wenselijk. Daarom is het beleid op 10 december 2020 aangepast en op onderdelen versoepeld. Wederom is er behoefte aan een beperkte verruiming van de beleidsregels in relatie tot de toepassing van het beleid in geval van dakkapellen aan de voorzijde van woningen. Bovendien is een grotere mate van differentiatie in de beleidsregel aangebracht om in voorkomende gevallen een betere belangenafweging te maken en een zorgvuldige motivering van besluiten te realiseren. Dit beleid wil bijdragen aan verduurzaming en behoud/versterking van erfgoed, het behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit en uitstraling. 1.3Reikwijdte afwijkingenbeleid De reikwijdte van dit beleid beperkt zich tot het in eerste instantie een keuze maken in welke gevallen er wel of geen medewerking wordt verleend aan het toepassen van de door de wet toegekende bevoegdheid. Dit wil niet zeggen dat als een plan past in deze beleidsregels, er altijd medewerking wordt verleend. Er is in dit beleid namelijk niet gekeken naar andere vakgebieden, sectoren of regelgeving. Als een plan past in deze beleidsregels, maar niet voldoet aan andere wet- of regelgeving of ander beleid, zoals bijvoorbeeld het Bouwbesluit, Milieuregelgeving, de dubbelbestemmingen t.a.v. archeologie, grondwater of waterkeringen, welstands-, parkeer- of groenbeleid, dan kan het plan op basis daarvan geweigerd worden. 1.4Status afwijkingenbeleid De beleidsregels krijgen na vaststelling door het college de status van beleidsregels als bedoeld in artikel 1.3 juncto 4.81 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat voor de motivering van positieve besluiten in principe kan worden volstaan met het verwijzen naar deze beleidsregels. Motivering van negatieve besluiten vindt plaats overeenkomstig afdeling 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdstuk2 2.1Begripsbepalingen In de beleidsregels worden diverse begrippen gehanteerd. Voor de begrippen wordt primair aansluiting gezocht bij artikel 1.1 Bor ten tijde van de vaststelling van dit beleid en secundair bij het voor het betreffende perceel vigerende bestemmingsplan. De begrippen van Bijlage II van het Bor gaan voor op die van het bestemmingsplan voor zover deze betrekking hebben op deze beleidsregels. Standaardregels: de algemene standaard bestemmingsplanregels zoals deze herhaaldelijk zijn opgenomen in de laatst vastgestelde bestemmingsplannen. Als in dit beleid over welstandsadvies gesproken wordt, wordt daar ook de sneltoets welstandscriteria onder verstaan. 2.2Wijze van meten In de beleidsregels zijn maataanduidingen opgenomen. Voor de wijze van meten wordt verwezen naar Bijlage II van het Bor en het op het betreffende perceel geldende bestemmingsplan. De wijze van meten van Bijlage II van het Bor gaat voor op die van het bestemmingsplan voor zover deze betrekking heeft op deze beleidsregels. 2.3.Bebouwde kom/buiten bebouwde kom In artikel 4 onderdelen 1 en 9 van bijlage II Bor wordt onderscheid gemaakt tussen binnen en buiten de bebouwde kom. Voor de gronden die binnen de bebouwde kom liggen biedt het Bor bijvoorbeeld voor bijbehorende bouwwerken (onderdeel 1) meer mogelijkheden om van het bestemmingsplan af te wijken. Daarnaast is het voor de gronden binnen de bebouwde kom in meer gevallen mogelijk om af te wijken van het bestemmingsplan/beheersverordening voor planologische gebruiksactiviteiten (onderdeel 9). Voor de uitvoering van deze bepalingen is het daarom nodig om het begrip ‘bebouwde kom’ te concretiseren. Volgens vaste rechtspraak is het antwoord op de vraag of een perceel in de bebouwde kom is gelegen, van feitelijke aard, waarbij de aard van de omgeving bepalend is en van belang is waar de bebouwing nagenoeg feitelijk ophoudt. De komgrens volgens bijvoorbeeld de Wegenverkeerswet is hierbij niet van belang. Om te spreken van een bebouwde kom moet er sprake zijn van een op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing die geconcentreerd is tot een samenhangende structuur. Als indicatie kan hiervoor grofweg gesteld worden dat de bestemmingsplannen “Landelijk Gebied Noordwijk”, “Buitengebied Noordwijkerhout”, “Zee, Strand en Duin (m.u.v. de jaarrond paviljoens)”, “De Duinrand”, “Oosterduinse Meer” en “Reparatieplan Oosterduinse Meer” buiten de bebouwde kom vallen en de overige bestemmingsplannen de bebouwde kom vormen. 2.4Opbouw beleidsregels De beleidsregels zijn als volgt opgebouwd. Eerst wordt in hoofdstuk 3 per onderdeel van artikel 4, bijlage II Bor de regel beschreven en toegelicht. De tekst uit de Bor is in een kader aangegeven. Daarna volgen er in hoofdstuk 4 nog een aantal uitzonderingen op de regels van hoofdstuk 3. Deze regels betreffen specifieke uitzonderingen voor bepaalde belangen en algemene regels ten behoeve van de flexibiliteit. Hoofdstuk3De beleidsregels Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking; 3.1Bijbehorend bouwwerk, artikel 4, onderdeel 1 een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 5 meter, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, de oppervlakte niet meer dan 150 m2; NB: De wettelijke voorwaarde is dat het aantal woningen niet toeneemt, tenzij het huisvesting betreft in verband met mantelzorg. Dit is geregeld in artikel 5, onderdeel 1, bijlage II Bor (onderdelen 9 en 11). 1. De mogelijkheden van dit onderdeel worden bij woningen in principe niet gebruikt, behalve de onder 3.1.a t/m 3.1.e beschreven gevallen. 2. Voor niet-woningen geldt dat dit onderdeel gebruikt kan worden. Er sprake is van een maatwerkbeoordeling. 3. Verder geldt dat als een bouwplan onder zowel artikel 4, onderdeel 1, als onder artikel 4, onderdeel 4 valt, de beleidsregels onder 3.4. gelden. Toelichting In de standaardregels, met inbegrip van toepassing van de hierin opgenomen binnenplanse afwijkingen, zijn de meest recente planologische inzichten geregeld over hetgeen ruimtelijk aanvaardbaar is. Voor woningen is al veel mogelijk in het bestemmingsplan of vergunningvrij. Bebouwing in de voortuin, meer bebouwing op het perceel of hogere bebouwing is niet wenselijk. Er is daarom geen aanleiding om verder af te wijken dan de standaardregels. Bouw van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding hiervan, binnen en buiten de bebouwde kom, is mogelijk voor zover dit voldoet aan de voorwaarden voor vergunningvrij bouwen conform artikel 2, Bijlage II Bor of de standaardregels. Voor niet-woningen ligt dat anders. Bij niet-woningen speelt namelijk het algemeen belang direct of indirect een rol. Bijvoorbeeld als het gaat om uitbreidingen van of bijbehorende bouwwerken bij gezondheidscentra, dokterspraktijken of scholen. Ook kan er sprake zijn van een afgeleid algemeen belang, zoals detailhandel, toerisme, bedrijvigheid of economie. Vaak zijn de vergunningvrije mogelijkheden onvoldoende, omdat er geen achtererf is, of het terrein gebruikt moet worden voor parkeren, of er anderszins geen reële opties zijn. Uitgangspunt is echter wel dat áls er vergunningvrij mogelijkheden zijn, deze de voorkeur hebben. Verder geldt dat het college terughoudend is met vergunningverlening indien het uitbreidingen betreft met een grote impact, zoals een extra verdieping (verticale uitbreiding) of een meerlaagse horizontale uitbreiding. Zie ook 4.5. Ad.3. Het kan voorkomen dat een bouwplan met zowel artikel 4, onderdeel 1, als met artikel 4, onderdeel 4 te vergunnen is. Voorbeelden hiervan zijn een extra verdieping op een plat dak of een duiventil op een schuin dak. Dergelijke plannen zijn namelijk te karakteriseren als dakopbouw, maar ook als uitbreiding van een hoofdgebouw. In dat geval gelden de beleidsregels voor dakopbouwen . Dat zijn namelijk specifiekere regels. 3.1.a.Herhalingsplan 1. Medewerking wordt verleend aan een herhalingsplan, indien het plan identiek is aan een legaal gerealiseerd bouwplan binnen hetzelfde blok*. Grotere afwijkingen worden niet toegestaan. 2. Medewerking kan worden verleend aan een herhalingsplan op een ander blok*, indien het plan identiek is aan een legaal gerealiseerd bouwplan op een identiek huis in dezelfde wijk én dit vanuit welstandelijk oogpunt niet onwenselijk is. Toelichting Ad 1. Het gaat hierbij om een plan waarvoor een vergunning is verleend bij hetzelfde type woning in hetzelfde bouwblok. Uiteraard moet het wel gaan om legale zaken. Vanuit stedenbouwkundig en welstandelijk oogpunt is het fraaier als binnen een bouwblok een zeker mate van eenheid aanwezig is. Dat geldt voor dakkapellen, dakopbouwen , maar ook voor tweelaagse uitbreidingen aan de achterzijde en erkers aan de voorzijde. Met identiek wordt in dit geval bedoeld de maatvoeringen. Het welstandsadvies zal bepalen in hoeverre de vormgeving/kozijnindeling e.d. ook identiek moet zijn. Er is géén sprake van een herhalingsplan in die gevallen waarbij vanuit stedenbouwkundig oogpunt alleen op de hoeken van het blok sprake is van een afwijking, die samenhangt met het feit dat het een hoekpand betreft. Bijvoorbeeld de vormgeving van het (vrijstaande) bijgebouw. Of een bouwhoogte/ goothoogteaccent of de kaprichting van het hoofdgebouw. Huizen in het midden zijn dan geen identieke gevallen. Ad 2. Met de regel kan vergunning worden verleend als het plan identiek is aan een reeds vergund bouwplan bij een identieke woning, maar deze niet in hetzelfde blok ligt. Maar wel bijvoorbeeld tegenover, of een naastgelegen blok, of een blok verderop in dezelfde wijk. Uiteraard moet het wel gaan om legale zaken. Omdat het niet in hetzelfde blok ligt, is het effect van herhaling van mindere invloed op de ruimtelijke kwaliteit; het betreft immers een bouwplan op een nieuw blok en wordt daarmee bepalend voor de rest van dat blok. Het welstandsadvies beperkt zich dan niet alleen tot de vormgeving maar zal ook nadrukkelijk moeten ingaan op de vraag of dit herhalingsplan nog steeds past bij die nieuwe woning/dat nieuwe blok. Medewerking aan zo’n herhalingsplan is dus minder vanzelfsprekend dan een herhalingsplan in hetzelfde blok. * Met blok wordt hier bedoeld een aaneengesloten rij woningen. Twee blokken worden meestal door een straat of brandgang gescheiden. Soms is er echter sprake van twee aaneengebouwde blokken (meestal is er dan sprake van een duidelijke rooilijnverspringing); er dan is sprake van twee blokken. Ook een twee-onder-een-kap valt onder het begrip blok. Links en rechts worden dan identiek (eventueel gespiegeld) behandeld. Voorbeelden van een blok (links) en twee aaneengebouwde blokken (rechts) 3.1.b.Bedrijfswoningen en woningen die vergund zijn via een (uitgebreide) omgevingsprocedure, maar nog niet opgenomen zijn in een bestemmingsplan Medewerking wordt verleend, mits geheel wordt voldaan aan de eisen en maatvoeringen in art. 2 en 3 bijlage II Bor of de regels in het bestemmingsplan bij een wél bestemde woning. Toelichting Bedrijfswoningen zijn formeel gesproken bijbehorende bouwwerken (en dus géén hoofdgebouw). Daarom kan daar veel minder vergunningvrij . M.b.v. het afwijkingenbeleid worden voor bedrijfswoningen dezelfde zaken mogelijk gemaakt als vergunningvrij bij woningen kan (dus voldoen aan maatvoeringen en voorwaarden overeenkomstig art 2 en 3 bijlage II Bor ). Als woningen vergund zijn (via de uitgebreide procedure of kruimelgeval), maar nog niet zijn opgenomen in een bestemmingsplan is vergunningvrij bouwen niet mogelijk wegens conflict met de definitie erf (art.1 bijlage II Bor ). Met deze regeling kan toch medewerking verleend worden. 3.1.c.Algemene voorzieningen bij appartementencomplexen Medewerking kan worden verleend aan algemene voorziening bij een appartementencomplex, indien er geen andere mogelijkheden zijn en er geen andere belangen onevenredig geschaad worden. Toelichting In afwijking van art. 3.1, lid 1 geldt dat bij appartementencomplexen t.b.v. algemene voorzieningen én als er vergunningvrij geen mogelijkheden zijn, bijvoorbeeld wegens ontbreken van een achtererfgebied medewerking kan worden verleend indien er geen andere belangen onevenredig geschaad worden, zoals bijvoorbeeld de verkeersveiligheid. 3.1.d.Het bouwen van bijbehorende bouwwerken op aangekocht snippergroen t.b.v. tuin Medewerking wordt verleend, mits geheel wordt voldaan aan de maatvoeringen in art. 2 en 3 bijlage II Bor dan wel de regels in het bestemmingsplan bij een wél bestemd erf/tuin bij de woning. Toelichting Als er van de gemeente snippergroen is aangekocht t.b.v. de bestemming tuin of wonen, maar het bestemmingsplan daar nog niet op is aangepast, kan nog niet vergunningvrij gebouwd worden wegens conflict met de definitie erf (art.1 bijlage II Bor ). Met deze regeling kan toch medewerking worden verleend. Daarbij geldt wel dat het plan moet voldoen aan de maatvoeringen en voorwaarden overeenkomstig art 2 en 3 bijlage II Bor als ware het bestemmingsplan al aangepast, dan wel aan de eisen en maatvoeringen die vanuit het bestemmingsplan zouden gelden als ware het bestemmingsplan al aangepast. Oftewel: bij toetsing wordt getoetst alsof de bestemming al Wonen of Tuin zou zijn, overeenkomstig de systematiek van het bestemmingsplan. Dat geldt voor zowel het bepalen van het achtererfgebied, als de m2 erf, als de hoeveelheid toegestane bebouwing. 3.1.e.Ondergrondse uitbreidingen van/onder woningen 1.Medewerking wordt verleend aan een kruipruimte onder een woning, mits niet groter dan het hoofdgebouw. 2.Medewerking kan worden verleend aan één ondergrondse bouwlaag onder een woning, indien er geen andere belangen onevenredig geschaad worden. Daarbij geldt: a. Maximaal één laag, behalve bij appartementencomplexen; b. onder én niet groter dan het hoofdgebouw plus aanbouwen/uitbouwen. Ondergeschikte zaken als een ingang, een auto- of fietshelling en koekkoeken zijn wel toegestaan. c. In afwijking van b. mag de ondergrondse bouwlaag max. 4m uitsteken aan zijkant resp. achterzijde indien de ondergrondse bouwlaag door hoogteverschillen aan de zijkant resp. achterzijde feitelijk de begane grondlaag is. De max. bebouwingsoppervlakten uit het bestemmingsplan dan wel volgens het vergunningvrij bouwen blijven wel gelden. Toelichting Een regeling voor ondergronds bouwen is niet altijd opgenomen in het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat een kruipruimte altijd mag. Een volledige ondergrondse bouwlaag is mogelijk als daardoor geen andere belangen onevenredig geschaad worden, zoals de grondwaterstromen (zie paraplubestemmingsplan Grondwater), archeologie, waterkering of de verkeersveiligheid (bij een in/uitrit). De grootte van de kelder wordt bepaald door de grootte van het hoofdgebouw plus aan/uitbouwen (verticale projectie). Wel is er ruimte voor ondergeschikte zaken als daglichtvoorzieningen en voor de voorzieningen die nodig zijn om de ruimte te kunnen bereiken. Ook als de kelder wat uitsteekt (bijv. 0,4m) wegens een technische reden, is dat toegestaan. Voor woningen waarbij de achtertuin één bouwlaag lager ligt dan de voortuin mag deze ondergrondse bouwlaag (souterrain) wel 4m uitgebouwd worden, maar wel conform de max. maatvoeringen van het bestemmingsplan en de vergunningvrije regeling. Bijvoorbeeld max. 50% van het achtererf tot een max. van 50m2. Het is niet de bedoeling dat een perceel voor een groot deel uit kelder bestaat, terwijl het huis aanzienlijk kleiner is. Een ondergrondse ruimte aan de zijkant hoeft niet 1m uit de voorgevel gerealiseerd te worden, maar mag gelijk lopen met de voorgevel. 3.2.Gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening, artikel 4, onderdeel 2 een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 5 meter, en de oppervlakte niet meer dan 50 m2; De standaardregels zijn maatgevend. Aan andere plannen wordt in principe geen medewerking verleend, tenzij sprake is van een openbaar belang en er geen redelijk alternatief is. In dat geval dient een maatwerk beoordeling plaats te vinden. Toelichting De meeste gebouwen voor de in dit onderdeel genoemde categorie voldoen aan de kenmerken genoemd in artikel 2 onderdeel 18 van bijlage II en zijn daardoor vergunningvrij voor zowel de activiteit bouwen als handelen in strijd met ruimtelijke regels. In een enkele geval en ten dienste van het algemeen belang, kan medewerking worden verleend. 3.3.Een bouwwerk geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, artikel 4, onderdeel 3 een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 10 meter, en de oppervlakte niet meer dan 50 m2; Voorstel om te wijzigen in: De standaardregels zijn maatgevend. Aan andere plannen wordt in principe geen medewerking verleend, tenzij sprake is van een openbaar belang en er geen redelijk alternatief is. Andere uitzondering hierop zijn de vervanging of nieuwbouw van een noodzakelijk ondergeschikt bouwwerk, zoals een trap, een keerwand of een penant bij een hekwerk of extra vlaggenmasten bij bijvoorbeeld school, hotel, camping en congrescentrum. Bij bovengenoemde uitzonderingen dient een maatwerkbeoordeling plaats te vinden. Toelichting De standaardregels bieden voldoende ruimte. Daarnaast bieden de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen voldoende ruimte. Hiervan wordt niet afgeweken. Er zijn echter ondergeschikte zaken die logischerwijs noodzakelijk zijn, gelet op de ter plaatse aanwezige (maaiveld) situatie. Het gaat dan bijvoorbeeld om vervanging van een bestaande keerwand, of een nieuwe keerwand na herinrichting van het terrein, een toegangstrap of een andere bouwwerk. Een gemetselde penant bij een hekwerk dat toegang geeft tot een perceel kan in bepaalde wijken vanwege de uitstraling wel degelijk gewenst zijn. Bij een school, hotel of congrescentrum kan het plaatsen van meer dan 1 vlaggenmast wenselijk zijn. Bij een school omdat naast de nationale vlag op deze manier ook de schoolvlag kan worden uitgehangen. Bij hotels, campings en congrescentra maakt het uithangen van meerdere landen-vlaggen onderdeel uit van het gastvrijheidsconcept. 3.4.dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding, artikel 4, onderdeel 4 een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw. Voor die gevallen die afwijken van het bestemmingsplan is medewerking in principe alleen mogelijk als die bouwwerken voldoen aan de criteria van het vigerende welstandsbeleid of voldoen aan de redelijke eisen van welstand, of wanneer het een herhalingsplan betreft (zie 3.4.a). In principe wordt geen medewerking verleend aan de realisatie van een dakkapel – of opbouw op een bijbehorend bouwwerk, tenzij het bijbehorende bouwwerk een dienstwoning/bedrijfswoning betreft of wanneer het om een herhalingsplan gaat (zie 3.1.a). Toelichting In veel gevallen zijn bouwwerken als bedoeld in artikel 4, onderdeel 4 Bijlage II Borvergunningvrij. In sommige gevallen is het vanwege welstand of stedenbouwkundige overwegingen toch wenselijk medewerking te verlenen. Dan kan medewerking worden verleend indien voldaan wordt aan de criteria gesteld in het vigerende welstandsbeleid of bij een beoordeling dat sprake is van redelijke eisen van welstand. Voorbeelden hiervan zijn een dakkapel met schuin dakvlak in plaats van met een plat dak of meerdere dakkapellen naast elkaar op een dakvlak. Bedoeling is dat ruimtelijke kwaliteit boven de algemene regel gaat. Dakkapellen en opbouwen op bijgebouwen zijn niet wenselijk. Dergelijke gebouwen komen niet in aanmerking en zijn ook niet bedoeld zijn als ruimte voor langdurig verblijf. Een uitzondering is gemaakt voor dienstwoningen en bedrijfswoningen. 3.4.a.Herhalingsplan 1.Medewerking wordt verleend aan een herhalingsplan, indien het plan identiek is aan een legaal gerealiseerd bouwplan binnen hetzelfde blok*. Grotere afwijkingen worden in principe niet toegestaan. 2.Medewerking kan worden verleend aan een herhalingsplan op een ander blok, indien het plan identiek is aan een legaal gerealiseerd bouwplan op een identiek huis in dezelfde wijk én dit vanuit welstandelijk oogpunt niet onwenselijk is. Toelichting Zie 3.1.a. 3.5.Een antenne-installatie, artikel 4, onderdeel 5 een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 meter. 3.5.aMedewerking aan de bouw van een antenne-installatie ten behoeve van telecommunicatie Medewerking kan worden verleend onder de volgende voorwaarden: a. uit onderzoek, aangeleverd door de aanvrager, moet blijken dat sitesharing bij bestaande antenne-installaties of bestaande hoge(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.