Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Meerssen 2023DE RAAD VAN DE GEMEENTE MEERSSEN; Gelezen het voorstel van het college van 25-04-2023, strekkende tot vaststelling van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Meerssen 2023; gelet op de bepalingen van de Gemeentewet; B E S L U I T : Vast te stellen de navolgende Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Meerssen 2023, De Algemene Plaatselijke Verordening Meerssen 2020 in te trekken. Aanwijzingsbesluiten vastgesteld door college van B&W Aanwijzingsbesluit speelterreinen en natuurgebieden o.g.v. artikel 2:57 APV; Aanwijzingsbesluit toezichthouders o.g.v. artikel 6:2 APV. HOOFDSTUK1.ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1:1Definities In deze verordening wordt, tenzij in enig artikel anders is bepaald, verstaan dan wel mede verstaan onder: - Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet; - Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit; - Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; - College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen; - Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; - Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; - Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; - Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; - Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; - Vaartuig: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten; - Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - Weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel1:2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. Artikel1:3(vervallen) Artikel1:4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel1:6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; op grond van een van de in artikel 1:8, tweede lid, onder a tot en met d, bedoelde belangen; of indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. Artikel1:7Termijnen 1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij in deze verordening of bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel1:7aVervallen van vergunning of ontheffing Een vergunning of ontheffing vervalt, wanneer: Sinds haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of ontheffing; Gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of ontheffing; De verlening van een vergunning of ontheffing, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning of ontheffing, van kracht is geworden. Artikel1:8Weigeringsgronden 1.De vergunning wordt geweigerd als: de aanvrager geen belang heeft bij de vergunning; door gebruikmaking van de vergunning duidelijk strijd ontstaat met andere wettelijke voorschriften. 2.Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 3.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als: de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is; of indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt. 4.Het bevoegde bestuursorgaan of het bevoegd gezag kan, onverminderd het elders in deze verordening bepaalde, een vergunning of ontheffing weigeren, indien de aanvrager voorschriften, verbonden aan een eerdere vergunning of ontheffing voor een soortgelijke activiteit of beperkingen waaronder zo’n vergunning of ontheffing is verleend, niet heeft nageleefd en het vermoeden gerechtvaardigd is dat indien de gevraagde vergunning of ontheffing wordt verleend, hij ook daaraan verbonden voorschriften of beperkingen waaronder zij zou worden verleend, niet zal naleven. HOOFDSTUK2.OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU AFDELING1. VOORKOMEN OF BESTRIJDEN VAN ONGEREGELDHEDEN Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2.Degene die op een openbare plaats: aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.De burgemeester kan voor een openbare plaats of weg voor een beperkte periode een samenscholingsverbod afkondigen indien naar het oordeel van de burgemeester op deze openbare plaats of weg de openbare orde of veiligheid ernstig wordt verstoord door veelvuldige en structurele hinder of andere vormen van door een groep veroorzaakte overlast. 4.Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 5.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het vierde lid. 6.Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel2:1aOrdeverstorende, gevaarlijke of verhullende voorwerpen Het is verboden op een openbare plaats een voorwerp of stof: te vervaardigen, te transformeren, voor derden te herstellen; en over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen of te vervoeren, waarvan gelet op zijn aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp of die stof wordt aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit is bestemd of gebruikt voor verstoring van de openbare orde of veiligheid, dan wel voor het beletten, belemmeren of verijdelen van herkenning. Artikel2:1bGebruik lasers 1.Het is verboden of aan de weg of op een openbare plaats zodanig met laserlicht te schijnen dat daardoor de openbare orde of veiligheid wordt verstoord of overlast wordt veroorzaakt. 2.Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, lasers, laserpennen of dergelijke apparatuur in bezit te hebben of met zich mee te voeren, anders dan voor professioneel gebruik. Artikel2:1cVerbod oplaten ballonnen 1.Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen, of te doen laten opstijgen. 2.Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, sfeerballon, geluks-lampion, Thaise wensballon, papierballon en geluks-ballon, dan wel een voorwerp dat door middel van open vuur of gas opstijgt en zonder sturing wegdrijft. 3.Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing op vaartuigen als bedoeld in de Wet luchtvaart, of een ballon ten behoeve van wetenschappelijk of meteorologisch onderzoek. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel2:1dVerbod op het voorhanden hebben van modelluchtvaartuig of RPA 1.In dit artikel wordt verstaan onder: Modelluchtvaartuig: modelluchtvaartuig als bedoeld in artikel 1 van de Regeling modelvliegen en artikel 1 van de Regeling op afstand bestuurde luchtvaartuigen; Remotely piloted aircraft (RPA): RPA als bedoeld in artikel 1 van de Regeling op afstand bestuurde luchtvaartuigen. 2.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of veiligheid gebieden aanwijzen waar het verboden is om een modelluchtvaartuig of RPA voorhanden te hebben. 3.Het is verboden om een modelluchtvaartuig of RPA voorhanden te hebben in een door de burgemeester aangewezen gebied. 4.Het verbod in het derde lid is niet van toepassing op de Koninklijke Marechaussee, de politie en andere overheidsdiensten die met hulpverlening zijn belast. Artikel2:2(vervallen) Artikel2:3Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2.De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3.Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4.Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel2:4(vervallen) Artikel2:4aBetreden van afzettingen 1.Het is verboden zich te begeven op terreinen, wegen of weggedeelten die door het bevoegde bestuursorgaan zijn afgezet vanwege de openbare orde of veiligheid, de verkeersveiligheid of een ander algemeen belang. 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel2:5(vervallen) Artikel2:6Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2.Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:6aBeperking aanbieden goederen 1.Het is verboden goederen, niet zijnde gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, aan te bieden aan het publiek op door burgemeester en wethouders aangewezen openbare plaatsen. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:7(vervallen) Artikel2:8(vervallen) Artikel2:9Vertoningen op openbare plaatsen 1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2.De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. AFDELING2. (Artikel 2:10 – 2:23) (verplaatst naar Verordening Fysieke Leefomgeving) AFDELING3. EVENEMENTEN Artikel2:24Definities 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoop- en theatervoorstellingen in een daartoe bestemde inrichting; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39 van deze verordening; sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder h. 2.Onder evenement wordt mede verstaan: herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; een straatfeest of buurtbarbecue; een wielertoertocht vanaf 101 deelnemers; een fietspelotonstocht vanaf 30 deelnemers; een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of –gala’s. 3.In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen; de activiteiten plaatsvinden tussen 10.00 en 24.00 uur; de geluidsproductie is niet hoger dan 90 dB(A) bronvermogen, gemeten op 3 meter afstand van de bron; de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; er geen gebiedsontsluitingswegen en/of doorgaande wegen worden afgesloten voor het verkeer; het evenement is niet gericht op specifieke, risicovolle groepen waarvan algemeen bekend is dat er een verhoogd risico op gebruik van riskante middelen (drugs); er wordt geen vechtsport in wedstrijdverband bedreven; er is geen sprake van het gebruik van wapens, het werpen van ontvlambare of explosieve voorwerpen of het schieten met wapens met luchtdruk of gasdruk met uitzondering van het schieten met traditionele wapens op daartoe aangewezen schietterreinen of het dragen van wapens door schutterijen en gilden conform categorie III en IV Regeling wapens en munitie tijdens optochten, défilés, processies en herdenkingen; er geen gebruik wordt gemaakt van gemotoriseerde (model)voertuigen, gemotoriseerde (model)vaartuigen of gemotoriseerde (model)vliegtuigen anders dan het op grond van de Wegenverkeerswet toegestane gebruik van een voertuig op de openbare weg; indien het een wielertoertocht betreft, het aantal deelnemers is gemaximeerd op 250. Artikel2:25Evenementenvergunning 1.Het is verboden zonder of in afwijking van de vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3.Geen vergunning is vereist voor een klein evenement: als de organisator ten minste 4 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan bij de gemeente met gebruikmaking van het daartoe bestemde elektronische formulier; of als de organisator van een wielertoertocht of pelotonstocht ten minste 6 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan door middel van het “aanvraagformulier wielertoertochten Euregio” bij het coördinatiepunt wielertoertochten Zuid-Limburg-Euregio. 4.De burgemeester kan binnen tien werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5.De burgemeester kan de vergunning weigeren als de organisator in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 6.De burgemeester kan besluiten om een wielertoertocht als bedoeld in artikel 2:24 te verbieden als de aanvraag in strijd is met het vigerende Beleid Wielertoertochten Zuid Limburg – Euregio. 7.Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994. 8.Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder h, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 9.Voor vergunnings- en meldingsplichtige evenementen gelden in ieder geval de volgende voorschriften: direct na afloop van het evenement dienen het terrein en de openbare weg op kosten van de organisator te worden gereinigd en vrij van afval en in de oude staat (onbeschadigd) te worden opgeleverd; van de organisator wordt verwacht, dat al het (redelijkerwijs) mogelijke wordt gedaan om te voorkomen dat de gemeente dan wel derden schade lijden ten gevolge van het evenement; en overlast voor de omgeving moet zoveel mogelijk worden voorkomen. 10.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:25aBijzondere weigeringsgronden Naast de weigeringsgronden genoemd in artikel 1:8 van deze verordening kan de vergunning ook worden geweigerd indien: de aard en het karakter van de locatie waarvoor een vergunning is aangevraagd zich verzetten tegen het houden van het evenement; door gelijktijdigheid van evenementen door meerdere vergunningaanvragen voor dezelfde periode, dan wel op dezelfde locaties, de woon- en leefsituatie onevenredig belast wordt; indien op de evenementenkalender reeds een ander evenement is opgenomen op dezelfde locatie en in dezelfde periode. Artikel2:26Ordeverstoring 1.Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2.Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren. Artikel2:26aBeëindiging evenement 1.De burgemeester kan, indien het belang van de openbare orde of veiligheid, het voorkomen of beperken van overlast, de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen, de zedelijkheid of gezondheid, dan wel het woon- en leefklimaat dit vordert, het bevel geven een evenement te beëindigen. 2.Degene die een evenement organiseert dan wel bij een evenement feitelijk de leiding heeft, is verplicht: dat evenement onverwijld te beëindigen indien de burgemeester hiertoe een bevel geeft; ervoor te zorgen dat, nadat het onder a bedoeld bevel door de burgemeester is gegeven, geen publiek meer tot het evenement toegelaten wordt; ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie te allen tijde toegang hebben tot het evenement. 3.Indien een evenement gepaard gaat of dreigt te gaan met een ernstige verstoring van de openbare orde of veiligheid is degene die dat evenement organiseert of bij dat evenement feitelijk de leiding heeft, verplicht op bevel van een ambtenaar van politie het evenement onverwijld te beëindigen en geen publiek meer tot het evenement toe te laten. 4.Het is verboden aanwezig te zijn bij een evenement ten aanzien waarvan een bevel, als bedoeld in het eerste lid of in het derde lid, gegeven is. Artikel2:26bVerwijderplicht Indien een evenement is verboden of een bevel tot beëindiging als bedoeld in artikel 2:26a is gegeven, is eenieder die zich op de plaats of in de directe nabijheid van het evenement bevindt, op eerste vordering van een ambtenaar van politie verplicht zich terstond te verwijderen in de door die ambtenaar bevolen richting. AFDELING4. TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN EN ANDERE OPENBARE INRICHTINGEN Artikel2:27Definities 1.In deze afdeling wordt onder horecabedrijven en andere openbare inrichtingen verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis, waterpijpcafé of camping- en recreatieparken of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt; 2.Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. 3.In deze afdeling wordt onder leidinggevende verstaan: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico het horecabedrijf of de openbare inrichting wordt uitgeoefend; de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt uitgeoefend in een of meer inrichtingen; de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van zodanig bedrijf in een inrichting. Artikel2:28Exploitatie horecabedrijven en andere openbare inrichtingen 1.Het is verboden een horecabedrijf of andere openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van het horecabedrijf of de andere openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd indien: de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de andere openbare inrichting of de openbare orde of veiligheid op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; indien de aanvrager geen VOG met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven; de exploitatie van het horecabedrijf of de andere openbare inrichting een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde of veiligheid met zich zal meebrengen; indien uit de ter beschikking staande gegevens kan worden afgeleid dat in een openbare inrichting middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet zullen worden bereid, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of aanwezig zullen zijn; of dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten. 4.Geen vergunning is vereist voor een horecabedrijf of andere openbare inrichting die zich bevindt in: een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van het horecabedrijf of de andere openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit en deze niet meer dan 20 vierkante meter, maar ten hoogste 20% van het vloeroppervlak, bedraagt; een zorginstelling; een museum of bibliotheek; of een bedrijfskantine of –restaurant. 5.Leidinggevenden van een horecabedrijf of andere openbare inrichting voldoen aan de volgende eisen: zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt; zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en zij mogen niet onder curatele staan. 6.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de vergunning worden ingetrokken indien de vergunninghouder geen VOG met betrekking tot de nieuwe of gewijzigde leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de leidinggevende is gestart met zijn werkzaamheden, is afgegeven. 7.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:28aBeperking verstrekking sterke drank 1.Het is verboden sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een horecabedrijf of andere openbare inrichting: waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in hoofdzaak geringe eetwaren, zoals bijvoorbeeld belegde broodjes, patates frites en kroketten, worden verkocht; die uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor het geven van onderwijs. 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, gesteld in het eerste lid. Artikel2:29Sluitingstijd 1.Horecabedrijven en andere openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 06.00 uur. 2.Het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod geldt: op nieuwjaarsdag van 03.00 uur tot 06.00 uur; op carnavalsmaandag, -dinsdag en woensdag van 03.00 uur tot 06.00 uur. 3.Het is verboden een horecabedrijf of andere openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 5.Voor een horecabedrijf of andere openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 6.Het eerste, tweede en het vierde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 7.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:30Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer horecabedrijven of andere openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b Opiumwet voorziet. Artikel2:31Verboden gedragingen Het is verboden in een horecabedrijf of andere openbare inrichting: de orde te verstoren; zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid. Artikel2:31aGevaarlijk drinkgerei en verpakkingen 1.Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door de burgemeester aangewezen gebied, drinkgerei van glas of geopende glazen verpakkingen, kennelijk bestemd voor het bewaren van dranken, bij zich te hebben of met zich mee te voeren. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet of in artikel 2:27 tweede lid; de plaats waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. 3.Het is de exploitant van een horecabedrijf of andere openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 eerste lid en degene die het winkelbedrijf of slijtersbedrijf uitoefent, welke inrichting, winkel of slijterij is gelegen aan een door de burgemeester aangewezen gebied, verboden dranken in door de burgemeester aangewezen verpakkingen, en/of drinkgerei van glas of blik te verstrekken gedurende een door de burgemeester aangewezen periode. De burgemeester wijst het gebied, verpakkingen en drinkgerei en de periode aan in het belang van de openbare orde en/of veiligheid indien en voor zover de genoemde belangen dit dringend noodzakelijk maken en dat ook in een aantoonbaar verband staat tot deze aanwijzing. Artikel2:32Handel binnen horecabedrijven of andere openbare inrichtingen De exploitant van een horecabedrijf of andere openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel2:33Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een horecabedrijf of andere openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 Gemeentewet, treedt het college bij toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel2:34(vervallen) AFDELING5. REGULERING PARACOMMERCIËLE RECHTSPERSONEN EN OVERIGE AANGELEGENHEDEN UIT DE ALCOHOLWET Artikel2:34aDefinities In deze afdeling wordt verstaan onder: Alcoholhoudende drank; Horecabedrijf; Horecalokaliteit; Inrichting; Paracommerciële rechtspersoon; Sterke drank; Slijtersbedrijf; Zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Artikel2:34bRegulering paracommerciële rechtspersonen 1.Een horecabedrijf behorend bij een paracommerciële rechtspersoon is enkel geopend indien er activiteiten plaatsvinden. Hierbij gelden de volgende openingstijden: 1 uur voor aanvang van de eerste activiteit, maar op zijn vroegst vanaf 09.00 uur tot uiterlijk 00.00 uur. 2.Een paracommerciële rechtspersoon kan uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken tijdens de volgende tijdstippen: 1 uur voor aanvang van de eerste activiteit, maar op zijn vroegst vanaf 11.00 uur tot uiterlijk 00.00 uur. Artikel2:34cBeperking verstrekking sterke drank Het is een paracommerciële rechtspersoon verboden sterke drank te verstrekken. Artikel2:34dBijeenkomsten bij een paracommerciële rechtspersoon, niet behorende bij de uitoefening van de hoofdfunctie 1.Het is een paracommerciële rechtspersoon verboden alcoholhoudende drank te verstrekken: tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften, feesten, partijen, recepties, jubilea, verjaardagen, bedrijfsfeesten, koffietafels, condoleancebijeenkomsten, etc.; of tijdens bijeenkomsten van niet-persoonlijke aard die geen direct verband houden met de doelstelling van de paracommerciële rechtspersoon. 2.De burgemeester kan maximaal 12 keer per jaar ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor: bijeenkomsten van persoonlijke aard gericht op een persoon die rechtstreeks bij de activiteiten van de rechtspersoon betrokken is, mits deze bijeenkomsten onlosmakelijk zijn verbonden met de statutaire doelstelling, maar niet in de statuten van de paracommerciële rechtspersoon zijn genoemd; of bijeenkomsten van niet-persoonlijke aard voor zover deze gericht zijn op personen die rechtstreeks bij de activiteiten van de paracommerciële rechtspersoon zijn betrokken. Artikel2:34eProcedure ter verkrijging van een ontheffing 1.De rechtspersoon die één van de onder artikel 2:34d lid 2 genoemde activiteiten wil organiseren, dient hiervoor een aanvraag in bij het college. 2.Deze aanvraag dient – behoudens bij een (periode)kampioenschap – tenminste vier weken voorafgaand aan de datum van de te organiseren activiteit te worden ingediend. 3.De ontheffing houdt in ieder geval de verbindende voorwaarden in aangaande de in artikel 2:34b vermelde sluitingstijden en schenktijden. Artikel2:34fProeverijen in slijtlokaliteiten 1.Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit. 2.De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld. AFDELING6. TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN NACHTVERBLIJF Artikel2:35Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel2:36Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel2:37(vervallen) Artikel2:38Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. AFDELING7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel2:38aDefinities 1.In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel2:39Speelgelegenheden 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde of veiligheid op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:40Kansspelautomaten 1.In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee speelautomaten (kansspel-, dan wel, behendigheidsautomaat) toegestaan. 2.In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan. AFDELING8. MAATREGELEN TER VOORKOMING VAN OVERLAST, GEVAAR OF SCHADE Artikel2:41Betreden gesloten woning of lokaal 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende redenen noodzakelijk is. 4.De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde verboden ontheffingen te verlenen. Artikel2:41aSluiting van voor het publiek toegankelijke gebouwen 1.De burgemeester kan de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar: is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel verworven of overgedragen; discriminatie zoals bedoeld in artikel 90quater van het Wetboek van Strafrecht heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of zich andere feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid. 2.De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen. 3.De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan. 4.De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht. 5.Het is verboden een krachtens dit artikel gesloten gebouw, inrichting of ruimte te betreden. 6.Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten. 7.Het verbod uit het vijfde lid is niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende redenen noodzakelijk is. 8.De burgemeester is bevoegd van de in het vijfde lid van dit artikel bedoelde verbod ontheffingen te verlenen. Artikel2:42Plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het verbod, bedoeld in het tweede lid is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5.Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6.Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. Artikel2:43Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1.Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Dit verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. Artikel2:44Vervoer inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Artikel2:44aVervoer geprepareerde voorwerpen 1.Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel2:45(verplaatst naar Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel 2:46 (verplaatst naar Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel2:47Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.Het is verboden op een openbare plaats: te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; of zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:47aVerplichte route 1.Het is door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken. 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel2:48Verboden drankgebruik 1.Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde of veiligheid verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken. 2.Het is verboden op speelweiden en speelplaatsen, en op overige door het college aangewezen gebieden, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 3.Het verbod uit het tweede lid is niet van toepassing op: een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet of in artikel 2:27 tweede lid; een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel2:49Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden zonder redelijk doel zich: in een portiek of poort op te houden; in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel2:50Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel2:50aMessen en andere voorwerpen als wapen 1.Het is verboden op een openbare plaats of in voor publiek toegankelijke gebouwen messen of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te hebben. 2.Het verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor dadelijk gebruik gereed zijn. 3.Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie. Artikel2:50bDetectieverbod 1.Het is verboden op de weg, openbaar water of op een voor het publiek toegankelijke plaats een (metaal)detector of enig ander voorwerp, waarmede explosieven en/of wapens kunnen worden opgespoord, bij zich te hebben. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op de Explosieven Opruimingsdienst. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op degene die in het bezit is van een certificaat als bedoeld in Hoofdstuk 5 van de Erfgoedwet. 4.Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod onder het eerste lid van dit artikel, ontheffing verlenen. 5.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:50cMagneetvissen 1.Het is verboden in openbare wateren met behulp van magneten te zoeken naar metalen voorwerpen. 2.Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het in eerste lid bedoelde verbod. Artikel2:50dNatuurlijke behoefte doen Het is verboden op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel2:50e(Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen Het is verboden buiten daarvoor bestemde plaatsen op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden. Artikel2:51(verplaatst naar Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel2:52(verplaatst naar Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel2:53Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen 1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden. 2.Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden. 3.Het is verboden op of aan de openbare weg dan wel in een voor publiek toegankelijke ruimte een persoon heimelijk te filmen of heimelijk te fotograferen door middel van een technisch hulpmiddel wanneer dit een aantasting van de eerbaarheid of een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert. Artikel2:54(vervallen) Artikel2:55(vervallen) Artikel2:56(vervallen) Artikel2:57Loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd; op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3.Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel2:58Verontreiniging door honden 1.Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Artikel2:59Gevaarlijke honden 1.Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en mijlkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel2:59aGevaarlijke honden op eigen terrein 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. 2.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en het terrein voorzien is van een zodanig hoge, dichte en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen of gevaar voor de omgeving kan veroorzaken. Artikel2:60Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: aanwezig te hebben; aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. 2.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats, ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid. Artikel2:60aVerbod voeren van dieren op openbare plaats of openbaar water 1.Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water dieren te voeren. 2.Dit verbod geldt niet: voor personen die dieren voeren in opdracht van de beheerder van de openbare plaats of het openbaar water; ten aanzien van door het college aan te wijzen van gevallen; in door het college aan te wijzen gebieden. Artikel2:61(vervallen) Artikel2:62Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel2:63Duiven 1.De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 08.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het gebod. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de landelijke ophok- en afschermplicht. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:64Bijen 1.Het is verboden bijen te houden: binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven; binnen een afstand van dertig meter van de weg. 2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid. 3.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Provinciale Omgevingsverordening. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:65Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden. Artikel2:65aHandhaving bij diverse vormen van overlast 1.In het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen en goederen, de verkeersvrijheid, of veiligheid en de gezondheid of zedelijkheid kan het college een gebied aanwijzen waarvoor door politieambtenaren aan een persoon, die zich bevindt op de weg of plaats binnen dit gebied, gedurende de uren daarbij genoemd, het bevel kan worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan: de burgemeester aan de persoon aan wie tenminste een maal een bevel is gegeven als bedoeld in het eerste lid, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op de weg of plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid, gedurende de tijden daarin genoemd; de burgemeester aan de persoon aan wie eerder een verbod als bedoeld onder a is opgelegd een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste zes maanden, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op de weg of plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid, gedurende de uren daarin genoemd. 3.De burgemeester beperkt het in het tweede lid, onder a en b genoemde verbod of de daarin genoemde termijnen indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 4.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het tweede lid, onder a en b. AFDELING9. BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN Artikel2:66Definitie In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:67Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend een door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, voor zover daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2.De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3.Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:68Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen; dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Artikel2:69(vervallen) Artikel2:70(vervallen) AFDELING10. CONSUMENTENVUURWERK, CARBIDSCHIETEN EN KLAPHAMERS Artikel2:71Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: Carbidschieten: het in een (melk)bus, container, opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen; Consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit. Artikel2:72Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1.Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college. 2.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:73Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2.Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3.De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:73aCarbidschieten en klaphamers 1.Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden. 2.Het is verboden om gebruik te maken van een knalhamer, klaphamer of knalijzer, waarbij door middel van een poeder (zoals een mengsel van zwavel en kaliumchloraat, kaliumnitraat of kaliumcarbonaat) een knal of ontploffing wordt veroorzaakt. 3.Het college kan in het kader van een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van deze verordening een ontheffing verlenen van het verbod, met uitzondering van de periode van 31 december en 1 januari van het daaropvolgende jaar. 4.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:73bVervoeren of bij zich hebben van carbid, klaphamers of soortgelijke stoffen of voorwerpen 1.Het is verboden op een openbare plaats stoffen of voorwerpen als bedoeld in artikel 2:73a eerste en tweede lid te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in artikel 2:73a. 2.Het verbod is niet van toepassing op degenen aan wie deze stoffen of voorwerpen zijn afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij de stoffen of voorwerpen nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf. 3.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht. AFDELING11. DRUGSOVERLAST Artikel2:74Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel2:74aOpenlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Artikel2:74bVerzamelingen van personen in verband met drugs 1.Het is verboden op of aan een openbare plaats, aan een verzameling van meer dan twee personen deel te nemen, indien deze verzameling verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet, of indien deze verzameling verband houdt met de handel in middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet. 2.Eenieder die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van de politie zijn weg te vervolgen of zich in de aangewezen richting te verwijderen. Artikel2:74cWeggooien van spuiten en dergelijke Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers en dergelijke of daarop gelijkende voorwerpen op een openbare plaats dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen. AFDELING12. BIJZONDERE BEVOEGDHEDEN VAN DE BURGEMEESTER Artikel2:75Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in: de artikelen 2:1, 2:3, 2:4a, 2:26, 2:31, 2:41, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:50a, 2:73, 2:73a, en 5:34; en de artikelen 3.28, 3.32, 3.31 en 3.35 Verordening Fysieke Leefomgeving; groepsgewijs niet naleven. Artikel2:76Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde of veiligheid door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en de daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel2:77Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2.De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van de volgende andere voor het publiek toegankelijke plaatsen: Parkeerplaatsen en parkeerterreinen; en Stations en stationsterreinen. Artikel2:78Gebiedsontzeggingen 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of veiligheid, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten pleegt of openbare orde of veiligheid verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3.Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde of veiligheid verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4.De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. Artikel2:79Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2.De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; of intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. AFDELING12A. TOEZICHT OP BEDRIJFSMATIGE ACTIVITEITEN EN GEBOUWEN Artikel2:80Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, of daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; exploitant: natuurlijke persoon of personen, de bestuurder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.