← Nederland

Huisvestingsverordening Delft 2023 (Delft)

lege van Burgemeester en Wethouders van Delft d.d. 16 mei 2023 gelet op artikel 2 van de Huisvestingswet 2014, artikel 147 eerste lid van de gemeentewet en artikel 149 van de Gemeentewet; BESLUIT vast

Artikel 8

van de Huisvestingswet 2014; huurder: de huurder zoals bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Woningwet; huurprijs: de huurprijs zoals omschreven in Artikel 1, tweede lid onder a, van de Huisvestingswet 2014; huurprijsgrens: de huurprijsgrens zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a van de Wet op de Huurtoeslag;Artikel 2 Besluit huurprijzen woonruimte; ingezetene: degene die volgens de inschrijving in de BRP woonachtig is in een gemeente in de regio en diens hoofdverblijf heeft in een voor bewoning aangewezen woonruimte; indicatie: een door een onafhankelijke, ter zake deskundig persoon of orgaan opgesteld document waaruit de specifieke fysieke of andere beperking(en) van een woningzoekende blijkt en waarin staat, of op basis waarvan, kan worden bepaald hoe de huisvesting van de woningzoekende dient te worden afgestemd; inschrijfduur: de periode dat een woningzoekende aaneensluitend staat ingeschreven in het register zoals bedoeld in artikel 3:3, eerste lid; inwoning: het bewonen van een deel van een woonruimte die door een ander huishouden als hoofdbewoner in gebruik is genomen; kamer: verblijfsruimte zoals bedoeld in Bijlage I Besluit bouwwerken leefomgeving; Kinderopvangtoeslagenaffaire (KOTA): De situatie waarbij ouders van kinderen in de kinderopvang ten onrechte door de belastingdienst als fraudeur zijn aangemerkt. KOTA-gedupeerde: Persoon die als gevolg van een besluit van de Belastingdienst is aangemerkt als gedupeerde KOTA en in aanmerking komt voor een tegemoetkoming van € 30.000,--. leegstand: leegstand zoals bedoeld in Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d van de Leegstandwet; maatschappelijke binding: binding aan de regio zoals bedoeld in Artikel 14, derde lid, aanhef en onder b van de Huisvestingswet 2014; mantelzorg: zorg zoals omschreven in Artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; mantelzorgrelatie: de uitdrukkelijke of stilzwijgende afspraak tussen de ontvanger en de verlener over de te verlenen mantelzorg; middeldure huurwoonruimte: woonruimte zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Huisvestingswet. Voor de puntenvaststelling van woonruimten van in de gemeente wordt met het oog op efficiëntie en effectiviteit (mede) uitgegaan van gegevens van de woonruimten die de gemeente zelf heeft verkregen ten behoeve van het vaststellen van de waarde onroerende zaakbelasting; NHG-kostengrens: de voor dat jaar vastgestelde NHG-kostengrens van woonruimte zonder energiebesparende maatregelen, volgens de voorwaarden en normen van de NHG; ondersteuning: noodzakelijke hulp die wordt geleverd in het kader van het voeren van een zelfstandig huishouden; ondersteuningsvraag: de vraag naar ondersteuning in verband met een ernstige beperking in de zelfredzaamheid die het gevolg is van een lichamelijke of verstandelijke beperking, een chronische ziekte of psychische problemen; onttrekkingsvergunning:

Artikel 21

van de Huisvestingswet 2014; onzelfstandige woonruimte: woonruimte die geen eigen toegang heeft en niet door een huishouden kan worden bewoond zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte; prestatieafspraken: afspraken zoals bedoeld in Artikel 44 van de Woningwet; regio: het woningmarktgebied bestaande uit de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer; register: het regionale register van woningzoekenden; register van standplaatszoekenden: gemeentelijk register van standplaatszoekenden; SHH de vereniging Samenwerkende Huurdersorganisaties Haaglanden; Short Stay Shortstay is het tijdelijk bewonen van een zelfstandige eenheid voor een periode van minimaal 7 nachten en maximaal 6 maanden. Short stay kenmerkt zich doordat het complex niet de woonbestemming heeft. Inschrijving BRP is niet toegestaan. Short Stay is uitdrukkelijk niet bedoeld voor het onderbrengen van toeristen. splitsingsvergunning:

Artikel 22

van de Huisvestingswet 2014; standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn, waardoor een woonwagen op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of de gemeente kan worden aangesloten; standplaatszoekende: degene die in het register van standplaatszoekenden is ingeschreven; starter: een woningzoekende die op de dag dat het woningaanbod wordt gepubliceerd niet als huurder over een zelfstandige woonruimte binnen de regio beschikt; statushouders: de in Artikel 12, vierde lid van de Huisvestingswet 2014 bedoelde categorie vergunninghouders; SVH: de vereniging Sociale Verhuurders Haaglanden; toeristische verhuur het door de bewoner in een woonruimte tegen betaling bieden van verblijf aan personen die niet als ingezetene zijn ingeschreven met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen van de gemeente Delft. Delft onderscheidt 2 vormen van toeristische verhuur: vakantieverhuur en bed & breakfast; toetsingscommissie: de door burgemeester en wethouders ingestelde commissie die burgemeester en wethouders adviseert ter zake van de uitvoering van artikel 4:1; urgentieverklaring een besluit dat een woningzoekende indeelt in een urgentiecategorie zoals bedoeld in Artikel 12 van de Huisvestingswet 2014; vakantieverhuur het door de hoofdhuurder/eigenaar-bewoner verhuren van (een gedeelte van) de woonruimte aan een persoon die niet is ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente Delft op het adres van de woning terwijl de hoofdhuurder/eigenaar-bewoner afwezig is; wettelijke taakstelling: de voor de gemeente geldende taakstelling op grond van Artikel 28 van de Huisvestingswet 2014; Wonen Wonen in de zin van de Huisvestingswet is het gebruik van een woning met als doel aldaar gedurende langere tijd de meeste tijd hoofdverblijf te houden met als verdere kenmerken: inschrijving in de basisregistratie persoonsgegevens, binding met en zorg voor de woonomgeving en gebruik door dezelfde personen volgens een vast patroon woningcorporatie: een toegelaten instelling zoals omschreven in Artikel 19 van de Woningwet; woningzoekende: het huishouden dat zich heeft ingeschreven in het regionale register van woningzoekenden; woningvorming: het verbouwen tot twee of meer woonruimten zoals bedoeld in Artikel 21 van de Huisvestingswet 2014; woonduur: de onafgebroken periode gedurende welke een huurder de huidige woonruimte binnen de regio zelfstandig bewoont, conform de gegevens van de basisregistratie personen; woongroep een groep van tenminste twee of meer meerderjarige personen die de bedoeling hebben om bestendig, voor onbepaalde tijd, een met een gezinsverband vergelijkbaar samenlevingsverband met elkaar aan te gaan. De woongroep is aangemeld bij de gemeente door de huurders woonoppervlakte: oppervlakte bepaald aan de hand van NEN 2580; woonruimte: woonruimte zoals bedoeld in Artikel 1, eerste lid, onder l. van de Huisvestingswet 2014; zelfstandige woonruimte: zoals omschreven in Artikel 234 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel1:2Reikwijdte verordening Deze verordening is van toepassing op woonruimten gelegen in de gemeente Delft. Artikel1:3Actiegebied Burgemeester en wethouders kunnen gebieden aanwijzen met het doel de daarin gelegen woonruimten vrij van bewoning te maken, zodat sloop of verbetering van deze woonruimten kan plaatsvinden. Hoofdstuk2Huisvestingsvergunning Artikel2:1Reikwijdte 1.De artikelen in dit hoofdstuk zijn van toepassing op woonruimten met een huurprijs beneden de huurprijsgrens. 2.Dit hoofdstuk is niet van toepassing op: woonruimten, bestemd voor inwoning; onzelfstandige woonruimten; woonruimten verhuurd op basis van een campuscontract; woonruimten waarvoor burgemeester en wethouders een vergunning als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet hebben verleend. Artikel2:2Huisvestingsvergunning 1.Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een woonruimte zoals bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, in gebruik te nemen voor bewoning. 2.Het is verboden de in artikel 2:1, eerste lid, bedoelde woonruimte voor bewoning in gebruik te geven aan een huishouden, dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning. Artikel2:3Aanvrager huisvestingsvergunning 1.Voor een huisvestingsvergunning komen in aanmerking personen die: 18 jaar of ouder zijn; of op grond van Artikel 235 of Artikel 253ha van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bevoegd zijn verklaard. 2.In aanvulling op het eerste lid komen woningzoekenden slechts in aanmerking voor een huisvestingsvergunning als alle leden van het huishouden de Nederlandse nationaliteit bezitten of rechtmatig in Nederland verblijven in de zin van Artikel 8 onder a. tot en met e. of l. van de Vreemdelingenwet 2000. 3.In aanvulling op het eerste en tweede lid komen woningzoekenden slechts in aanmerking voor een huisvestingsvergunning voor woonruimte met een aanvangshuurprijs onder de huurprijsgrens, als het huishoudinkomen over het inkomenstoetsjaar niet hoger is dan de voor het huishouden geldende inkomensgrens zoals vermeld in Artikel 16 Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015. 4.In aanvulling op het derde lid, kunnen toegelaten instellingen gebruik maken van de vrije ruimte zoals bedoeld in Artikel 48 lid 1 van de Woningwet. 5.In aanvulling op het derde lid wordt er bij de huisvesting van personen met een indicatie zoals bedoeld in Artikel 57 Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 geen maximum inkomensgrens gesteld. Artikel2:4Aanvragen huisvestingsvergunning 1.De aanvraag van een huisvestingsvergunning wordt ingediend bij burgemeester en wethouders met behulp van een door burgemeester en wethouders vastgesteld aanvraagformulier, inclusief de hierin aangegeven verplichte documenten. 2.Bij de aanvraag van een huisvestingsvergunning dient de aanvrager een schriftelijke verklaring van de eigenaar te overleggen, waaruit blijkt dat deze bereid is de woonruimte in gebruik te geven. Artikel2:5Verlenen huisvestingsvergunning 1.Burgemeester en wethouders besluiten op de in artikel 2:4 bedoelde aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de ontvankelijke aanvraag en berichten de aanvrager hierover schriftelijk. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing zoals bedoeld in het eerste lid voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager. 3.In de huisvestingsvergunning wordt in ieder geval vermeld: de aanduiding van de woonruimte waarop de vergunning betrekking heeft; de naam van de persoon of personen aan wie de huisvestingsvergunning is verleend; het aantal personen dat de woonruimte in gebruik neemt. 4.De woonruimte waarvoor de huisvestingsvergunning is verleend dient binnen drie maanden na afgifte door de aanvrager als hoofdverblijf in gebruik te zijn genomen . Artikel2:6Criteria toewijzen woonruimten onder de huurprijsgrens 1.De grootte van het huishouden moet in een, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, redelijke verhouding staan tot de grootte van de woonruimte, waarbij woonruimten met een woonoppervlakte van minimaal 80 m² worden toegewezen aan huishoudens met minimaal drie leden. 2.De criteria genoemd in het eerste lid zijn niet van toepassing op woonruimten met een hogere mate van toegankelijkheid, zoals omschreven in bijlage I. 3.Een woonruimte met een hogere mate van toegankelijkheid wordt uitsluitend passend geacht, als: er op grond van een gemeentelijke indicatiestelling op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning een functiebeperking van het huishouden is vastgesteld; en de functiebeperking naar het oordeel van de burgemeester en wethouders daardoor in redelijke verhouding staat tot de hogere mate van toegankelijkheid van de woonruimte. Artikel2:7Weigeringsgronden huisvestingvergunning 1.Burgemeester en wethouders kunnen de huisvestingsvergunning weigeren, als: het huishouden niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 2:3; het huishouden als gevolg van het verlenen van de huisvestingsvergunning meer dan één woonruimte in gebruik zal krijgen, tenzij burgemeester en wethouders toestaan dat het huishouden vanwege verkoop van een woonruimte tijdelijk twee woonruimten in gebruik mag hebben waarvan feitelijk slechts één woonruimte wordt bewoond; het niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in gebruik zal nemen; de woonruimte is gelegen in een actiegebied; burgemeester en wethouders bepalen dat het een woonruimte betreft waarvoor, gezien de fysieke inrichting of de ruimtelijke positie van de woonruimte een specifieke indicatie noodzakelijk is en de aanvrager niet over deze indicatie beschikt; de woonruimte niet passend is op grond van artikel 2:6. Artikel2:8Intrekken huisvestingsvergunning 1.Burgemeester en wethouders kunnen de huisvestingsvergunning intrekken, als de vergunning is verleend op grond van de door de vergunninghouder verstrekte gegevens, waarvan de vergunninghouder wist of redelijkerwijs had moeten weten dat deze gegevens onjuist of onvolledig waren. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de huisvestingsvergunning intrekken, als de woonruimte waarvoor de huisvestingsvergunning is verleend niet in gebruik is genomen binnen de gestelde termijn van artikel 2:5, vierde lid. Artikel2:9Beschikbaar komen voor verhuur 1.De eigenaar van een woonruimte, zoals bedoeld in artikel 2:1, meldt het ter beschikking komen van die woonruimte onverwijld aan burgemeester en wethouders. 2.Een woonruimte komt ter beschikking, wanneer: degene die de woonruimte in gebruik heeft aan de eigenaar het gebruik daarvan heeft opgezegd; de woonruimte is ontruimd; de woonruimte als zodanig niet langer in gebruik is, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit slechts korte tijd het geval is; op een andere wijze is gebleken dat de woonruimte te huur is. 3.de eigenaar aan een in het eerste lid bedoelde woonruimte onderhouds- of verbeteringswerkzaamheden wil uitvoeren, waardoor de woonruimte tijdelijk niet bewoond kan worden, is de eigenaar verplicht: de noodzakelijke geplande tijdsduur voor deze werkzaamheden aan burgemeester en wethouders te melden; en de beëindiging van deze werkzaamheden te melden. 4.De eigenaar stelt, de door burgemeester en wethouders aan te wijzen, ambtenaren in de gelegenheid de woonruimte te inspecteren ter vaststelling van de vorige leden. Hoofdstuk3Woonruimteverdeling Artikel3:1Reikwijdte 1.Dit hoofdstuk is van toepassing op woonruimten die onder de huurprijsgrens verhuurd worden door een woningcorporatie. 2.Dit hoofdstuk is niet van toepassing op: woonruimten, bestemd voor inwoning; onzelfstandige woonruimten; woonruimten verhuurd op basis van een campuscontract; woonruimten waarvoor burgemeester en wethouders een vergunning als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet hebben verleend; standplaatsen. Artikel3:2Nadere normen van toewijzing 1.Ten behoeve van de in Artikel 48, eerste lid, van de Woningwet aan de woningcorporaties gestelde voorwaarden, kunnen burgemeester en wethouders, op verzoek van de woningcorporaties nadere normen stellen ten aanzien van: het (maximum) huishoudinkomen in relatie tot de hoogte van de huur; de grootte van het huishouden in relatie tot de grootte van de woonruimte. 2.Burgemeester en wethouders informeren de gemeenten in de regio over de wijze waarop het eerste lid wordt ingevuld en monitoren jaarlijks de realisatie van de toewijzing. Artikel3:3Inschrijving als woningzoekende 1.Huishoudens die in aanmerking willen komen voor een huurwoning van een woningcorporatie schrijven zich in in het regionale register van woningzoekenden. 2.Huishoudens worden op hun verzoek ingeschreven wanneer de aanvrager 18 jaar of ouder is of op grond van Artikel 235 of Artikel 253ha van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bevoegd is verklaard. 3.Woningcorporaties hanteren een gezamenlijk register en stellen ten aanzien van inschrijving in dat register een uniform protocol op, dat ten minste aan de volgende uitgangspunten moet voldoen: het protocol wordt openbaar gemaakt; onderdeel van de inschrijving is de registratie van een eventuele urgentieverklaring; woningcorporaties stemmen het te hanteren protocol af met burgemeester en wethouders van de gemeenten waar zij werkzaam zijn. 4.het protocol naar het oordeel van burgemeester en wethouders onvoldoende voldoet aan de uitgangspunten in het vorige lid treden zij binnen zes weken in overleg. 5.Woningcorporaties zullen een inschrijving laten vervallen als: de woningzoekende een woonruimte heeft aanvaard; de woningzoekende niet meer aan de vereisten voor inschrijving voldoet; de woningzoekende daarom verzoekt; de woningzoekende is overleden; de woningzoekende het inschrijfgeld niet binnen de betalingstermijn heeft voldaan; de woningzoekende doelbewust fraudeert met zijn inschrijvingsgegevens. 6.In afwijking van het gestelde in het vijfde lid, onder a, zal een inschrijving en daarmee de opgebouwde inschrijfduur niet vervallen als de woningzoekende dat verzoekt binnen een jaar na verhuizing, waarbij de woningzoekende: tijdelijk in een wisselwoning verblijft, of een tijdelijke woonruimte of flexwoning huurt; een andere woonruimte accepteert op basis van een huurovereenkomst voor een bepaalde tijd; na inschrijving op een ander woonadres in de BRP niet over zelfstandige woonruimte beschikt; een huurovereenkomst voor bepaalde tijd zoals bedoeld in artikel 228, eerste lid, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is aangegaan; een 1-kamerwoning accepteert. 7.In aanvulling op het vijfde lid kan de inschrijving van een herstructureringskandidaat tijdelijk, voor een periode tot twee jaar na de eerste verhuizing, worden hersteld, als aan lid a én b wordt voldaan: deze een woning heeft moeten verlaten en hiervoor een andere woning heeft geaccepteerd; en deze binnen twee jaar na de eerste woningacceptatie daarom verzoekt. Artikel3:4Publicatie vrijkomende woonruimte 1.Woningcorporaties bieden hun voor verhuur vrijkomende woonruimten aan op een uniform medium. 2.Bij de publicatie van de voor verhuur vrijkomende woonruimte geven de woningcorporaties inzicht in de toegankelijkheid van de woonruimte, zoals opgenomen in bijlage I, aansluitend bij de werkwijze vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning. 3.Woonruimten die op grond van artikelen 3:9, 3:10 of 3:11 zijn aangeboden en niet worden gepubliceerd moeten achteraf worden verantwoord. Artikel3:5Rangorde voor woningaanbod 1.Woningcorporaties dienen de woningzoekende, die voor een overeenkomstig artikel 3:4, eerste lid, aangeboden woonruimte in aanmerking komt, te selecteren uit de woningzoekenden die op de betreffende woonruimte hebben gereageerd en aan de in artikel 2:6 bedoelde voorwaarden voldoen. Zij nemen daarbij de volgende rangorde in acht: woningzoekenden met een urgentieverklaring zoals bedoeld in artikel 4:3; woningzoekenden die vallen in de categorie regionaal en lokaal maatwerk als omschreven in artikel 3.7 en 3:8; overige woningzoekenden. 2.Met in achtneming van de rangorde in categorieën woningzoekenden als bepaald in het eerste lid wordt de volgorde van belangstellenden als volgt nader vastgesteld: in de gevallen waarin meerdere woningzoekenden hebben gereageerd, gaat de woningzoekende met de langste inschrijfduur of inschrijfduur plus woonduur voor; in de gevallen waarin meerdere woningzoekenden met een urgentieverklaring hebben gereageerd, gaat de woningzoekende van wie de urgentieverklaring het eerst eindigt voor; er meerdere woningzoekenden reageren met een gelijk aflopende urgentieverklaring is voor de onderlinge volgorde de langste inschrijfduur of woonduur bepalend; in afwijking van het gestelde onder c gaat in het geval dat twee kandidaten met herstructureringsvoorrang een urgentieverklaring met gelijke vervaldatum hebben, de kandidaat waarvan de (CBS-)wijkcode van het huidig adres gelijk is aan de (CBS-)wijkcode van de geadverteerde woonruimte voor; in aanvulling op het gestelde onder d is voor de onderlinge volgorde de langste woonduur bepalend, in het geval er meerdere kandidaten met een herstructureringsvoorrang zijn waarvan de (CBS-)wijkcode van het huidige adres gelijk is aan de (CBS-)wijkcode van de geadverteerde woonruimte. in aanvulling op het gestelde onder a. wordt er zowel binnen de categorie lokaal- als regionaal maatwerk een onderlinge volgorde gehanteerd. Hierbij is de invloed van de regel op het terugdringen van schaarste leidend. Burgemeester en wethouders spreken deze volgorde regionaal af, in overleg met de woningcorporaties en zorgen dat deze in ieder geval gepubliceerd wordt op een uniform medium. Artikel3:6Categorieën woningzoekenden 1.Voor een starter geldt bij de toewijzing van woonruimte de inschrijfduur als criterium. 2.Voor een doorstromer geldt bij de toewijzing van woonruimte de inschrijfduur en de woonduur op het moment van inschrijving in het register van woningzoekenden, met een maximum van vijf jaar, als criterium. Artikel3:7Regionaal maatwerk 1.Woonruimten genoemd in artikel 3:1 kunnen binnen het wettelijk maximaal toegestane percentage met voorrang worden toegewezen aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de regio, ten behoeve van het oplossen van, door burgemeester en wethouders in afstemming met betrokken partijen, te benoemen regionale categorieën knelpunten. 2.Van in het eerste lid omschreven regionaal maatwerk is ieder geval sprake bij: grote gezinnen die doorstromen binnen de regio en een corporatiewoning achterlaten kunnen met voorrang in aanmerking komen voor woonruimten gelijk aan of groter dan 80 m² woonoppervlakte; huishoudens die een corporatiewoning achterlaten met een woonoppervlakte groter of gelijk aan 65 m² bij een eengezinswoning en groter of gelijk aan 80 m² voor overige woningtypen, kunnen met voorrang in aanmerking komen voor woonruimten kleiner dan 80 m² die niet zijn gekenmerkt als eengezinswoning; doorstromers binnen de regio die een schaarse grote corporatiewoning achterlaten, kunnen met een maximum van 5% van het vrijkomende aanbod direct worden bemiddeld naar een “niet eengezinswoning” kleiner dan 80 m² en een huur tot en met de huurprijsgrens die gelabeld is voor een kleiner passend huishouden. Artikel3:8Lokaal maatwerk 1.Woonruimten genoemd in artikel 3.1 kunnen binnen het wettelijk maximaal toegestane percentage met voorrang worden toegewezen aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de gemeente. 2.De in het eerste lid omschreven woonruimten kunnen met voorrang worden toegewezen ten behoeve van het oplossen van door burgemeester en wethouders, in afstemming met betrokken partijen, te benoemen lokale categorieën knelpunten op de woningmarkt. 3.Burgemeester en wethouders geven nadere invulling aan de onder het tweede lid genoemde categorieën knelpunten, waarbij: de regels transparant en inzichtelijk zijn voor woningzoekenden; er aantoonbaar sprake is van schaarste en verdringing in de benoemde categorieën knelpunten. 4.Burgemeester en wethouders informeren de gemeenten in de regio over de wijze waarop aan de voorgaande leden invulling wordt gegeven en monitoren jaarlijks de realisatie van toewijzing. Artikel3:9Huisvesten zorg-doelgroepen 1.Burgemeester en wethouders maken jaarlijks afspraken, met onder andere de woningcorporaties, over de hoeveelheid van de voor verhuur vrijkomende woonruimte, die uitsluitend in het kader van de uitstroom uit instellingen voor Maatschappelijke Opvang, Beschermd wonen, residentiele instellingen voor verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg, Housing First, Jeugdzorg (met verblijf) en de huisvesting van ex-gedetineerden gericht worden toegewezen. 2.In aanvulling op het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders nadere regels stellen. 3.De woningcorporaties maken de afspraken uit het eerste lid openbaar, voordat gericht wordt toegewezen. 4.Burgemeester en wethouders informeren de regio over de wijze waarop het eerste lid wordt ingevuld en monitoren jaarlijks de realisatie. Artikel3:10Afwijkend aanbieden 1.Een woningcorporatie kan op basis van een besluit van haar bestuur, in zwaarwegende gevallen, ten aanzien van de zorgplicht als verhuurder een voor verhuur beschikbaar gekomen woonruimte uit eigen beheer aanbieden aan een eigen huurder. 2.Een woningcorporatie kan op basis van een besluit van haar bestuur in overleg met de gemeente, in naar het oordeel van burgemeester en wethouders zwaarwegende gevallen, een ter beschikking voor verhuur gekomen woonruimte toewijzen. 3.Voor plaatsing op de in het tweede lid bedoelde voordracht komen in aanmerking de woningzoekenden met een, naar het oordeel van burgermeester en wethouders, zeer hoge mate van urgentie. 4.Een woningcorporatie kan op basis van verhuurresultaten na overleg met burgemeester en wethouders alternatieve voorrangsbepalingen hanteren. 5.In het algemeen belang van volkshuisvesting, in het bijzonder de doorstroming, kunnen woningcorporaties in overleg met en toestemming van burgemeester en wethouders beslissen dat voor aangewezen woonruimten artikel 3:5, eerste lid onder a, niet van toepassing is. 6.Een woningcorporatie kan, direct na voltooiing van de werken voor een ingrijpend verbeterde of nieuwgebouwde woning, besluiten om een eenmalig aanbod van die woning te doen aan een woningzoekende die als herstructureringskandidaat het gebied van die woning heeft moeten verlaten, en waarmee volgens het sociaal plan voorafgaand aan die ingrijpende verbetering of nieuwbouw is overeengekomen dat deze kan terugkeren. 7.Op bovenstaande leden is een afwijkende wijze van aanbieden en andere rangordebepaling dan die in artikel 3:4 en 3:5 van toepassing. Artikel3:11Directe aanbieding 1.In afwijking van artikel 3:4 en 3:5 kunnen uitsluitend woonruimten direct worden aangeboden als: een passend aanbod moet worden gedaan aan statushouders, die op grond van en volgens een wettelijke taakstelling in de gemeente een woonruimte aangeboden moeten krijgen; burgemeester en wethouders kunnen een passend aanbod binnen de gemeente doen aan statushouders die door de gemeente direct uit een COA-opvanglocatie zijn gehuisvest in een tijdelijke woonvoorziening, in afwachting op definitieve huisvesting; personen op grond van artikel 3:7, 3:8 of 3:9 passend moeten worden gehuisvest; er sprake is van een aanbod op grond van artikel 3:10; woningzoekenden die op grond van artikel 4:8, vierde of vijfde lid, een urgentieverklaring hebben toegewezen gekregen. 2.Voor de woningzoekenden bedoeld in het eerste lid, onder d, dragen woningcorporaties regionaal zorg voor een uniforme bemiddelingslijst en het doen van een éénmalig passend woningaanbod. Artikel3:12Afwijken van de rangorde van woningaanbod 1.Woonruimte kunnen in afwijking van het aanbodmodel op basis van woon inschrijfduur, via andere rangordecriteria van artikel 3:5 worden aangeboden, met een maximum van 10% van het vrijkomende aanbod van woonruimte zoals bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, deze door de woningcorporatie op een wijze zoals bedoeld in artikel 3:4, dertien weken vruchteloos of ten minste vijftigmaal tevergeefs is aangeboden aan woningzoekenden; of, de woonruimte in lokale afspraken tussen gemeenten, huurdersorganisaties en woningcorporaties wordt aangemerkt als geschikt voor afwijking van artikel 3:4 en 3:5 Artikel3:13 Verantwoording toewijzing woonruimte 1. Woningcorporaties dienen openbaar te maken: de inschrijfduur of de duur van de urgentieverklaring van de woningzoekende, waaraan het gepubliceerde woningaanbod uiteindelijk is toegewezen; de woonruimten die zijn toegewezen anders dan op grond van artikel 3:5. Artikel3:14Afhandeling klachten 1.Burgemeester en wethouders stellen een klachtencommissie in voor klachten over de uitvoering van regels over woonruimteverdeling. 2.Burgemeester en wethouders dragen zorg voor een uniform protocol ten aanzien van de klachtenafhandeling. 3.Burgemeester en wethouders kunnen de bevoegdheden uit het eerste en tweede lid mandateren aan de woningcorporaties. 4.Bij de klachtenafhandeling gelden de volgende uitgangspunten: de klachtencommissie functioneert onafhankelijk van de woningcorporaties; in de regio Haaglanden wordt een uniform klachtenprotocol gehanteerd; jaarlijks, maar uiterlijk 1 maart, rapporteert de klachtencommissie over de ingediende klachten en de afhandeling hiervan aan burgemeester en wethouders; de klachten en afhandeling hiervan worden openbaar gemaakt. 5.Het oordeel van de klachtencommissie is bindend voor woningcorporaties en voor de klager. 6.Verhuurders overleggen op verzoek alle noodzakelijke gegevens voor beoordeling van de klacht aan de klachtencommissie. Hoofdstuk4Urgentie Artikel4:1Bevoegdheid tot beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring 1.Burgemeester en wethouders beslissen slechts op de aanvraag, nadat de toetsingscommissie over de aanvraag een advies heeft uitgebracht. 2.Burgemeester en wethouders kunnen in een reglement criteria stellen die de onafhankelijkheid van de toetsingscommissie waarborgen. 3.Burgemeester en wethouders kunnen hun bevoegdheid zoals bedoeld in het eerste lid mandateren aan een toetsingscommissie. Artikel4:2Aanvraag om een urgentieverklaring 1.Een urgentieverklaring wordt aangevraagd: bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager volgens de BRP diens woonadres heeft; of, bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager wil gaan wonen, als de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6, onder a; of bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de te verlenen zorg dient plaats te vinden, bij een aanvraag op grond van artikel 4:6, onder b. 2.Voor de aanvraag van een urgentieverklaring stellen burgemeester en wethouders een verplicht formulier vast, dat de aanvrager dient in te vullen bij de aanvraag. 3.Burgemeester en wethouders kunnen het ontvangen van de onder het eerste lid genoemde aanvragen mandateren aan de woningcorporatie of een door het college aan te wijzen instantie. 4.Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste zes weken en maken hun besluit daartoe bekend binnen de in de vorige zin genoemde termijn. 5.De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van de volgende gegevens en bescheiden: een inschrijfnummer waaruit blijkt dat de aanvrager als woningzoekende is ingeschreven in het regionale register van woningzoekenden; en informatie over de aard en de oorsprong van het huisvestingsprobleem dat aan de aanvraag ten grondslag ligt; en een toelichting over welke handelingen de aanvrager heeft verricht en op welke wijze de aanvrager heeft geprobeerd het huisvestingsprobleem op te lossen alvorens een aanvraag in te dienen; en informatie over het inkomen en de samenstelling van het huishouden van de aanvrager; en de aanvraag is gedaan op verwijzing van een instelling waar aanvrager is opgenomen dient een advies van de instantie te worden toegevoegd. 6.Burgemeester en wethouders stellen beleidsregels vast voor het verlenen van een urgentieverklaring aan woningzoekenden. 7.Burgemeester en wethouders stemmen deze beleidsregels af met de regio. Artikel4:3Inhoud van de urgentieverklaring 1.De urgentieverklaring bevat een zoekprofiel voor passende woonruimte. 2.Het zoekprofiel geeft aan welke woonruimte voor deze aanvrager passend wordt geacht. 3.Het zoekprofiel van een urgentieverklaring dat is toegewezen op grond van artikel 4:6 en artikel 4:7, eerste en tweede lid, bevat qua grootte en aard de meest eenvoudige woningtypen die naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk zijn voor het oplossen van het huisvestingsprobleem. 4.Een urgentieverklaring die is toegewezen op grond van artikel 4:7, derde lid, zal de hierbij passende woningtypen bevatten. 5.Een urgentieverklaring die is toegewezen op grond van artikel 4:7, vierde lid zal de hierbij passende woningtypen bevatten die zijn gerelateerd aan de als gevolg van de KOTA verlaten woonruimte. 6.Het zoekprofiel bevat het zoekgebied waarvoor de urgentieverklaring geldig is. 7.De urgentieverklaring bevat naast het zoekprofiel de volgende informatie: de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager; het in artikel 4:2, vijfde lid, onder a, bedoelde inschrijfnummer van de aanvrager; de periode gedurende welke de urgentieverklaring geldig is; voor hoeveel leden van het huishouden de urgentieverklaring geldig is. Artikel4:4Het zoekgebied 1.Een urgentieverklaring is geldig in de regio. 2.Burgemeester en wethouders kunnen in beleidsregels het gebied waarin de urgentieverklaring geldig is beperken. Artikel4:5Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring als naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden: de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 2:3; er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem; de aanvrager kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen; het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of was te voorzien; het huisvestingsprobleem kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening; het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een aan de aanvrager of lid van diens huishouden toe te rekenen handelen of nalaten; het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem niet of in onvoldoende mate opgelost kan worden met verhuizing naar een zelfstandige woonruimte of een ándere zelfstandige woonruimte; de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager of een lid van zijn huishouden verleende urgentieverklaring is vervallen of ingetrokken met toepassing van artikel 4:8 of artikel 4:9; de aanvrager niet in staat is om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien; het huishoudinkomen is hoger dan het inkomen genoemd in artikel 2:3, derde lid; de aanvrager naar verwachting bij toepassing van de in artikel 3:5, eerste lid, rangorde binnen drie maanden een andere woonruimte kan krijgen; de aanvrager woont in een onderkomen dat formeel geen zelfstandige woonruimte is, tenzij de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6, eerste lid, onder a; de aanvrager heeft niet eerst direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf of na het ontstaan van het huisvestingsprobleem aantoonbaar gereageerd op het beschikbare woningaanbod, tenzij: de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6; of er sprake is van een acute onvoorzienbare noodsituatie, waardoor de aanvrager niet heeft kunnen reageren, of waarbij het zeer onwenselijk is om direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden te reageren. de aanvrager niet ten minste al twee jaar voorafgaand aan de aanvraag aansluitend staat ingeschreven in de Basisregistratie personen van de gemeenten in de regio Haaglanden tenzij de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6. Artikel4:6Wettelijke urgentiecategorieën 1. Een urgentieverklaring kan worden verleend, indien: geen van de in artikel 4:5, onder a tot en met k, genoemde omstandigheden zich voordoen; en de aanvrager tot de volgende urgentiecategorie behoort: woningzoekenden die tenminste twee maanden verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang van personen, die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten en waarvan de uitstroom uit die voorziening aanstaande is; en indien de behoefte aan in de desbetreffende regiogemeente gelegen woonruimte als gevolg van die uitstroom naar het oordeel van burgemeester en wethouders dringend noodzakelijk is; 2. Een urgentieverklaring kan worden verleend indien: geen van de in artikel 4:5, onder a tot en met l, genoemde omstandigheden zich voordoen; en de aanvrager tot de volgende urgentiecategorie behoort: woningzoekenden waarvan de voorziening in de behoefte aan woonruimte als gevolg van het verlenen of ontvangen van mantelzorg naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor de aanvrager dringend noodzakelijk is, waarbij: de afstand tussen mantelzorgverlener en mantelzorgontvanger meer is dan 5 kilometer en de afstand door verhuizing kan worden teruggebracht tot minder dan 5 kilometer; en, de te verlenen mantelzorg meer is dan 8 uur per week, verspreid over tenminste 4 dagen per week. Artikel4:7Overige urgentiecategorieën 1.Een urgentieverklaring kan worden verleend als zich geen van de in artikel 4:5 genoemde omstandigheden voordoet en een woonsituatie binnen de gemeente naar het oordeel van burgemeester en wethouders door sociale of medische omstandigheden zodanig is verstoord dat: levensgevaar voor één of meer leden van het huishouden dreigt; of één of meer leden van het huishouden zodanig geestelijk, emotioneel of lichamelijk belast is, dat volledige ontwrichting van het huishouden optreedt en de leden zelf niet in staat zijn dit op te lossen; 2.Een urgentieverklaring kan worden verleend als zich geen van de in artikel 4.5, onder a tot en met l, genoemde omstandigheden voordoet en een woningzoekende een door burgemeester en wethouders toegewezen woonkostentoeslag ontvangt die structureel is en noodzaakt tot verhuizing; 3.Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een herstructureringskandidaat, als zich geen van de in artikel 4:5, onder a tot en met l genoemde omstandigheden voordoet en er niet al eerder voor de in het actiegebied gelegen woonruimte van de herstructureringskandidaat een urgentieverklaring is afgegeven. 4.Een urgentieverklaring kan worden verleend zich geen van de in artikel 4:5, onder a, i, j, of de in artikel 4:9 genoemde omstandigheden voordoet, aan een KOTA-gedupeerde die als gevolg van de daardoor ontstane problemen woonruimte heeft moeten verlaten en niet langer over passende woonruimte beschikt. 5.De urgentieverklaring als bedoeld in het vierde lid is uitsluitend geldig in de gemeente Delft. 6.Burgemeester en wethouders stellen beleidsregels vast voor het verlenen van een urgentieverklaring aan woningzoekenden als bedoeld in het vierde lid. Artikel4:8Geldigheid van de urgentieverklaring 1.Een urgentieverklaring is geldig voor de termijn van drie maanden. 2.Voor herstructureringskandidaten en KOTA-gedupeerden geldt een afwijkende geldigheidstermijn van maximaal twaalf maanden. 3.De urgentieverklaring vervalt: nadat de houder ervan niet meer behoort tot de urgentiecategorie die aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring; of, bij aanvaarding van vervangende woonruimte; of, van rechtswege na verloop van de termijn genoemd in het eerste of tweede lid. 4.Binnen twee weken na afloop van de geldigheidstermijn van een toegewezen urgentieverklaring kan een aanvraag worden ingediend voor een éénmalig woningaanbod, de aanvrager kan aantonen dat deze urgentieverklaring niet binnen de termijn waarvoor deze geldig was kon worden benut en de toetsingscommissie dit bevestigend adviseert. 5.In afwijking van de bovenstaande leden kunnen burgemeester en wethouders besluiten, op advies van de toetsingscommissie, om een urgentieverklaring toe te wijzen voor een éénmalig woningaanbod. 6.Op het moment het passend éénmalig woningaanbod wordt geweigerd door de houder van de urgentieverklaring, vervalt de urgentieverklaring. 7. Een bezwaar gericht tegen het bij de urgentieverklaring behorende zoekprofiel, schorst de geldigheid van de urgentieverklaring totdat er op dat bezwaarschrift is beslist. De schorsende werking van bezwaar geldt niet als de urgentieverklaring is verleend op grond van artikel 4.7 lid 3. Artikel4:9Wijzigen en intrekken van de urgentieverklaring 1.Burgemeester en wethouders trekken de urgentieverklaring in, als: bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de urgentieverklaring zou zijn geweigerd, als de juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest; de houder van de urgentieverklaring daartoe verzoekt. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de urgentieverklaring wijzigen, als bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de urgentieverklaring niet zou zijn geweigerd maar anders op de aanvraag zou zijn besloten, juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest. 3.Ter voorbereiding van een besluit tot intrekking of wijziging van de urgentieverklaring kunnen burgemeester en wethouders zich laten adviseren door een ter zake deskundig persoon. Hoofdstuk5Wijzigingen in de woonruimtevoorraad Paragraaf5aSplitsing Artikel5:1Toepassing categorieën woonruimte met betrekking tot splitsing Het verbod op splitsing in appartementsrechten, als bedoeld in artikel 22 van de Huisvestingswet 2014, is uitsluitend van toepassing op gebouwen, bevattende woonruimte, die behoren tot de in bijlage III van deze verordening opgenomen categorieën woonruimte. Artikel5:2Aanvraag splitsingsvergunning 1.Voor het verkrijgen van een splitsingsvergunning moet een aanvraag worden ingediend bij burgemeester en wethouders met een daarvoor aangewezen formulier. 2.De aanvraag moet inhouden: naam en correspondentieadres in Nederland van de aanvrager; een gemachtigde is aangewezen de naam en het correspondentieadres in Nederland van de gemachtigde; straat en huisnummer; de kadastrale ligging en het jaar van het tot stand komen van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft; de aard en het huidige gebruik van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft; de namen en de adressen van de bewoners van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft. 3.Bij de aanvraag moet worden een splitsingsplan worden bijgevoegd dat voldoet aan de vereisten als neergelegd in artikel 109 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek. 4.Als burgemeester en wethouders daartoe verzoeken, moet een taxatierapport worden overlegd, betreffende het gebouw en de tot afzonderlijke woonruimte bestemde gedeelten van het gebouw, opgemaakt door een beëdigd taxateur. 5.Als burgemeester en wethouders daartoe verzoeken, moet een beschrijving en een beoordeling worden overlegd, die inzicht geeft in de onderhoudstoestand van het gebouw en de maximale huurprijzen van de tot afzonderlijke woonruimte bestemde gedeelten. Artikel5:3Beslissing over aanvraag 1.Burgemeester en wethouders beslissen over de aanvraag om een splitsingsvergunning binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.Deze beslissing kan voor ten hoogste 6 weken worden uitgesteld. Wanner er sprake is van uitstel, wordt de aanvrager hierover schriftelijk op de hoogte gebracht. Artikel5:4Weigeringsgronden splitsingsvergunning 1.Burgemeester en wethouders kunnen de gevraagde splitsingsvergunning weigeren, : het gebouw, of het gedeelte van een gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, één of meer woonruimten bevat die verhuurd worden of recent verhuurd zijn geweest, en de huurprijs van één of meer van die woonruimten of voormalige woonruimten lager is dan de huurprijsgrens, en niet gewaarborgd is dat die woonruimte of woonruimten na de voorgenomen splitsing bestemd blijven voor verhuur ter bewoning, en het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad, voor zover die voor verhuur is bestemd. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de gevraagde splitsingsvergunning eveneens weigeren, : het gebouw of het gedeelte van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft geheel of gedeeltelijk verhuurd is geweest voor bewoning, maar zonder de juiste toestemming* geheel of gedeeltelijk voor een ander doel dan voor bewoning in gebruik is genomen, en de huurprijs van één of meer van die voormalige woonruimte(

  1. n)lager is dan de huurprijsgrens, en niet gewaarborgd is dat de voormalige woonruimte of woonruimten na de voorgenomen splitsing opnieuw bestemd zullen worden voor verhuur te bewoning, en het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad, voor zover die voor verhuur is bestemd. 3.Burgemeester en wethouders kunnen de gevraagde splitsingsvergunning eveneens weigeren : voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, een bestemmingsplan van kracht is, of voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, een herziening van het bestemmingsplan in procedure is, of een ontwerp voor een bestemmingsplan in procedure is het ontwerp voor dat plan, dan wel voor de herziening daarvan ter inzage is gelegd voordat de aanvraag om vergunning is ingediend, dan wel, de aanvraag krachtens het tweede lid is aangehouden, voordat die aanhouding is geëindigd, de voorgenomen splitsing nadelige gevolgen kan hebben voor de in het plan gestelde doeleinden, en het belang dat de vergunningsaanvrager bij splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van belemmering van de modernisering of vervanging. 4.Burgemeester en wethouders kunnen de gevraagde splitsingsvergunning ten slotte weigeren : de toestand van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, splitsing uit een oogpunt van indeling of de staat van onderhoud niet toelaat, en de desbetreffende gebreken niet door het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen kunnen worden opgeheven, dan wel onvoldoende verzekerd is, dat die gebreken zullen worden opgeheven. 5.Van gebreken als bedoeld in het vierde lid is in ieder geval sprake, burgemeester en wethouders ingevolge artikel 1 b en/of artikel 13 van de Woningwet een aanschrijving hebben uitgevaardigd en nog niet aan deze aanschrijving is voldaan of een aanschrijving kunnen uitvaardigen. in strijd met de voorschriften van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 dan wel een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2006, 566) of met enig wettelijk voorschrift Artikel5:5Aanhouden aanvraag om splitsingsvergunning 1.Burgemeester en wethouders houden de beslissing op de aanvraag om een splitsingsvergunning aan : voor de datum van ingang van de vergunningaanvraag voor het gebied waarin het gebouw, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, is gelegen een voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening van kracht is geworden met het oog op de voorbereiding van een herstructureringsplan of van herziening daarvan; redelijkerwijs verwacht mag worden dat de in het herstructureringsplan op te nemen maatregelen nadelig kunnen worden beïnvloed door de voorgenomen splitsing. naar het oordeel van burgemeester en wethouders redelijkerwijs verwacht mag worden dat het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van belemmering van de herstructurering. 2.De aanhouding als bedoeld in het eerste lid duurt tot het moment dat het voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 21 van de Wet ruimtelijke ordening is vervallen. 3.Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing op de aanvraag om een splitsingsvergunning tevens aanhouden de aanvrager aannemelijk kan maken dat hij binnen een redelijke termijn de gebreken als bedoeld in artikel 41, vierde lid, met het oog op de voorgenomen splitsing zal opheffen. 4.Burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om een splitsingsvergunning op grond van het derde lid aanhouden, vermelden zij in het besluit tot aanhouding welke gebreken met het oog op de voorgenomen splitsing moeten worden hersteld en binnen welke termijn zij dit redelijk achten. de, in het besluit tot aanhouding vermelde, gebreken zijn hersteld binnen de in datzelfde besluit aangegeven termijn wordt de vergunning verleend. Artikel5:6Geldigheidsduur afgegeven splitsingsvergunning Een door burgemeester en wethouders afgegeven splitsingsvergunning heeft een geldigheidsduur van 1 jaar, tenzij op de splitsingsvergunning een andere geldigheidsduur is vermeld. Artikel5:7Overschrijven splitsingsvergunning Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning op verzoek van degene op wiens naam de splitsingsvergunning is gesteld of van zijn rechtverkrijgende, overschrijven op naam van een ander dan degene op wiens naam de splitsingsvergunning is gesteld. Paragraaf5bOnttrekking Artikel5:8Toepassing categorieën woonruimte in relatie tot onttrekking en omzetting Het verbod op onttrekking en samenvoeging, als bedoeld in artikel 21, eerste lid aanhef en onder a en b van de Huisvestingswet 2014, is uitsluitend van toepassing op gebouwen, bevattende woonruimte, die behoren tot de in bijlage IV van deze verordening opgenomen categorieën. Artikel5.9:Aanvraag onttrekkingsvergunning 1.Voor het verkrijgen van een onttrekkingsvergunning moet een aanvraag worden ingediend bij burgemeester en wethouders door middel van een daartoe door de gemeente aangewezen formulier. 2.De aanvraag moet inhouden: naam en correspondentieadres in Nederland van de aanvrager en tevens van de eigenaar deze niet de aanvrager is; een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentieadres in Nederland; gegevens over de huidige situatie: het adres van de woning; de huur- of koopprijs; het aantal kamers; de gebruiksoppervlakte; de staat van onderhoud; gegevens over de beoogde situatie: de bestemming; de bouwtekening / de bouwvergunning; het compensatievoorstel; de gronden waarop de aanvraag berust. gegevens bij voorgenomen samenvoeging: de verwachte huur- of koopprijs; de naam van de toekomstige bewoner; de omvang van het huishouden van de toekomstige bewoner Artikel5:10Beslissing over aanvraag 1.Burgemeester en wethouders beslissen op de aanvraag om een onttrekkingsvergunning binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid voor ten hoogste 6 weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager. 3.De onttrekkingsvergunning wordt gevraagd ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf dan kunnen burgemeester en wethouders advies inwinnen bij de Kamer van Koophandel. 4.De onttrekkingsvergunning wordt gevraagd ten behoeve van de praktijkuitoefening door officieel erkende medici of paramedici dan kunnen burgemeester en wethouders advies inwinnen bij de Adviescommissie Huisvesting Beoefenaars van Medische en Paramedische Beroepen. Artikel5:11Verlenen onttrekkingsvergunning 1.Burgemeester en wethouders verlenen of weigeren de onttrekkingsvergunning met inachtneming van artikel 21 van de Huisvestingswet 2014. 2.Burgemeester en wethouders verlenen de onttrekkingsvergunning naar het oordeel van burgemeester en wethouders het met de onttrekking en samenvoeging gediende belang groter is dan het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad en/of het belang van de leefbaarheid. Artikel5:12Tijdelijke woonruimteonttrekking 1.Burgemeester en wethouders kunnen voor tijdelijke woonruimteonttrekking alleen een onttrekkingsvergunning verlenen de aanvrager aantoont dat een situatie bestaat die een tijdelijke woonruimteonttrekking rechtvaardigt en waarbij vast staat dat die woonruimteonttrekking niet langer dan vijf jaar zal duren. 2.Burgemeester en wethouders nemen in de vergunning een termijn op, waarna de onttrekking moet zijn beëindigd. Deze termijn bedraagt ook na verlenging niet meer dan vijf jaar. Artikel5:13Gebruik zonder onttrekkingsvergunning sprake is van het gebruik van woonruimte zonder onttrekkingsvergunning anders dan voor permanente bewoning of kantoor of praktijkruimte door de eigenaar, kunnen burgemeester en wethouders de woonruimte verzegelen. Deze verzegeling wordt opgeheven op het moment dat de woonruimte in gebruik wordt genomen voor bewoning, of dat de woonruimte door verhuur of verkoop opnieuw voor bewoning wordt bestemd, of alsnog een onttrekkingsvergunning wordt verleend. Artikel5:14Overschrijven onttrekkingsvergunning Burgemeester en wethouders kunnen de toestemming tot onttrekking op verzoek van degene op wiens naam de toestemming is gesteld of van zijn rechtverkrijgende, overschrijven op naam van een ander dan degene op wiens naam de toestemming is gesteld. Paragraaf5cOmzetting Artikel5:15Vergunningsvereiste Het verbod op omzetting, als bedoeld in artikel 21, eerste lid aanhef en onder c van de Huisvestingswet 2014, is uitsluitend van toepassing op gebouwen, bevattende woonruimte, die behoren tot de in bijlage V van deze verordening opgenomen categorieën. Artikel5:16Aanvraag omzettingsvergunning 1.Voor het verkrijgen van een vergunning tot omzetting moet een aanvraag worden ingediend bij burgemeester en wethouders door middel van een daartoe door de gemeente aangewezen formulier. 2.De aanvraag moet in ieder geval bevatten: de naam en het correspondentieadres in Nederland van de aanvrager en tevens van de eigenaar deze niet de aanvrager is; een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentieadres in Nederland; gegevens over de huidige situatie: het adres van de woning; de gebruiksoppervlakte. gegevens over de beoogde situatie: de bestemming; de gebruiksoppervlakte; beoogd aantal toekomstige bewoners; de gronden waarop de aanvraag berust. 3.Burgemeester en wethouders stellen nadere regels waarin uitleg en uitvoering aan deze bepaling wordt gegeven. Artikel5:17Voorschriften voor omzetting 1.Aan het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de huisvestingswet 2014 kunnen door burgemeester en wethouders voorschriften worden verbonden over onder meer: de leefbaarheid in en rondom het gebouw; het voorkomen van overlast; goed verhuurderschap. 2.Burgemeester en wethouders stellen nadere regels met betrekking tot goed verhuurderschap als bedoeld in het eerste lid onder c. Artikel5:18Beslissing over de aanvraag 1.Burgemeester en wethouders beslissen op de aanvraag om een omzettingsvergunning binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid eenmalig voor ten hoogste 6 weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager. Artikel5:19Weigeringsgronden Een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 21 van de huisvestingswet wordt geweigerd, : naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de omzetting gediende belang (volkshuisvestelijke toets); het verlenen van de vergunning zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefklimaat in de omgeving van het betreffende gebouw (leefbaarheidstoets); het onder a en b genoemde belang niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de vergunning; vergunningverlening zou leiden tot strijdigheid met het bestemmingsplan, of met een omgevingsvergunning op grond waarvan afgeweken mag worden van het bestemmingsplan. Artikel5.20:Leefbaarheidstoets 1.De leefbaarheidstoets als bedoeld in artikel 5:19 onder b heeft betrekking op: fysieke leefbaarheidseisen en; algemene leefbaarheidseisen in de omgeving van het betreffende gebouw. 2.Burgemeester en wethouders stellen nadere regels met betrekking tot de fysieke en de algemene leefbaarheidseisen als bedoeld in het eerste lid. Artikel5:21Intrekkingsgronden De vergunning als bedoeld in artikel 5:15 kan door de burgemeester en wethouders worden ingetrokken, : de vergunninghouder niet binnen één jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is overgegaan tot omzetting; de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist, of redelijkerwijs kon vermoeden dat het onjuiste of onvolledige gegevens waren; de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd. Paragraaf5dWoningvorming Artikel5:22Vergunningvereiste Het verbod op woningvorming, als bedoeld in artikel 21, eerste lid aanhef, onder e van de Huisvestingswet 2014, is uitsluitend van toepassing op gebouwen, bevattende woonruimte, die behoren tot de in bijlage VI van deze verordening opgenomen categorieën. Artikel5:23Aanvraag woningvormingsvergunning 1.Voor het verkrijgen van een vergunning tot woningvorming moet een aanvraag worden ingediend bij burgemeester en wethouders door middel van een daartoe door de gemeente aangewezen formulier. 2.De aanvraag moet in ieder geval bevatten: de naam en het correspondentieadres in Nederland van de aanvrager en tevens van de eigenaar deze niet de aanvrager is; een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentieadres in Nederland; gegevens over de huidige situatie: het adres van de woning; de gebruiksoppervlakte gegevens over de beoogde situatie: de bestemming; de gebruiksoppervlakte; de gronden waarop de aanvraag berust; bouwtekening van de huidige, alsook de beoogde situatie. 3.Burgemeester en wethouders stellen nadere regels vast waarin uitleg en uitvoering aan deze bepaling wordt gegeven. Artikel5:24Voorschriften voor woningvorming 1.Aan het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 21 aanhef en onder d van de Huisvestingswet 2014 kunnen door burgemeester en wethouders voorschriften worden verbonden over onder meer: de leefbaarheid in en rondom het gebouw; het voorkomen van overlast; goed verhuurderschap. 2.Burgemeester en wethouders stellen nadere regels met betrekking tot goed verhuurderschap als bedoeld in het eerste lid onder c. Artikel5:25Beslissing over de aanvraag 1.Burgemeester en wethouders beslissen op de aanvraag om een woningvormingsvergunning binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid eenmalig voor ten hoogste 6 weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager. Artikel5:26Weigeringsgronden Een woningvormingsvergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 wordt geweigerd, : naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de woningvorming gediende belang (volkshuisvestelijke toets); vergunningverlening zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefklimaat in de omgeving van het betreffende gebouw (leefbaarheidstoets); het onder a en b genoemde belang niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de vergunning; het gebouw waarvoor de vergunning wordt aangevraagd niet een minimale woonoppervlakte van 180m2 heeft; de woonoppervlakte van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft in de afgelopen 10 jaar, al dan niet op basis van een verleende omgevingsvergunning, is uitgebreid. Artikel5:27Leefbaarheidstoets 1.De leefbaarheidstoets als bedoeld in artikel 5:26 onder b heeft betrekking op: fysieke leefbaarheidseisen en; algemene leefbaarheidseisen in de omgeving van het betreffende gebouw. 2.Burgemeester en wethouders stellen nadere regels met betrekking tot de fysieke en de algemene leefbaarheidseisen als bedoeld in het eerste lid. Paragraaf5eUitzonderingen vergunningvereiste omzetting en woningvorming Artikel5:28Ontheffing verbod onttrekken woonruimte ten behoeve van omzetting en woningvorming 1.Van de verboden als bedoeld in de artikelen 5:15 en 5:22 kan door burgemeester en wethouders ontheffing worden verleend en voor zover de omzetting of woningvorming bedoeld is voor: het huisvesten van woongroepen, of; huisvestingsoplossingen in relatie tot de maatschappelijke opgave Langer & weer thuis. 2.De in het eerste lid bedoelde ontheffing wordt aangevraagd door of namens de eigenaar van het gebouw dat de betreffende woonruimten bevat; 3.De in het eerste lid genoemde ontheffing wordt afgegeven voor de duur dat de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft in gebruik wordt gegeven voor het in de ontheffingsbeschikking omschreven doel; 4.De in het derde lid genoemde termijn vervalt in ieder geval op het moment dat de woonruimte wordt verkocht. 5.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de toepassing van dit artikel. Artikel5:29Aanvraag ontheffing 1.Voor het verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 5:28, eerste lid, moet een aanvraag worden ingediend bij burgemeester en wethouders door middel van een daartoe door de gemeente aangewezen formulier. 2.De aanvraag moet in ieder geval bevatten: de naam en het correspondentieadres in Nederland van de aanvrager en tevens van de eigenaar deze niet de aanvrager is; een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentieadres in Nederland; gegevens over de huidige situatie: het adres van de woning; de gebruiksoppervlakte. gegevens over de beoogde situatie: beschrijving van de bestemming (huisvesting van een woongroep, of huisvestingsoplossing in het kader van Langer & Weer Thuis); verwachte duur van de bestemming; de gebruiksoppervlakte; de gronden waarop de aanvraag berust; bouwtekening van de huidige, alsook de beoogde situatie. 3.Burgemeester en wethouders stellen nadere regels vast waarin uitleg en uitvoering aan deze bepaling wordt gegeven. Artikel5:30Voorschriften ontheffing verbod onttrekken woonruimte ten behoeve van omzetting en woningvorming 1.Aan een ontheffing als bedoeld in artikel 5:28, eerste lid worden de volgende voorschriften verbonden: de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft kan uitsluitend in gebruik worden gegeven de ontheffing is niet overdraagbaar. Artikel5:31Beslissing over de aanvraag 1.Burgemeester en wethouders beslissen op de aanvraag om een ontheffing binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid eenmalig voor ten hoogste 6 weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager. Artikel5:32Weigeringsgronden ontheffing verbod onttrekken woonruimte ten behoeve van omzetting en woningvorming Een ontheffing als bedoeld in artikel 5:28, eerste lid wordt geweigerd als: naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de (tijdelijke) omzetting of woningvorming gediende belang (volkshuisvestelijke toets); het verlenen van de ontheffing leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het betreffende gebouw (leefbaarheidstoets); het onder a en b gedoelde belang niet of niet voldoende wordt gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de ontheffing. Artikel5:33Intrekken ontheffing verbod onttrekken woonruimte ten behoeve van omzetting en woningvorming 1.Burgemeester en wethouders kunnen een ontheffing als bedoeld in artikel 5:28, eerste lid intrekken : die ontheffing is verleend op grond van door de houder van die ontheffing verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren; het doel waartoe ontheffing is verleend niet langer wordt gediend met de ontheffing; de aan de ontheffing verbonden voorschriften niet worden nageleefd; de houder van die ontheffing daartoe verzoekt. Paragraaf5fOpkoopbescherming Artikel5:34Verhuurvergunning opkoopbescherming, aanwijzing beschermde woonruimte 1.Vanaf de datum van inschrijving van het eigendomsrecht in de openbare registers, is het binnen de periode van vier jaren verboden beschermde woonruimte te verhuren zonder verhuurvergunning opkoopbescherming van burgemeester en wethouders. 2.Als beschermde woonruimte wordt aangewezen iedere woonruimte: die is gelegen in de gemeente Delft met een WOZ-waarde lager of gelijk aan de NHG-kostengrens, geldend in het jaar waarin de datum van inschrijving in het openbare register van de akte van levering van de betreffende woonruimte aan nieuwe eigenaar valt. die op de datum van inschrijving: vrij was van huur en gebruik; in verhuurde staat was voor een periode van minder dan zes maanden, of werd verhuurd met een verhuurvergunning opkoopbescherming; waarvan de datum van inschrijving na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel ligt; en die niet in eigendom is van de gemeente of een woningcorporatie. 3.Onder WOZ-waarde wordt verstaan: waarde van de woonruimte, vastgesteld overeenkomstig de Wet waardering onroerende zaken en geldend op de datum van inschrijving. Artikel5:35Aanvraag verhuurvergunning opkoopbescherming 1.Een aanvraag om een verhuurvergunning opkoopbescherming wordt door of namens de eigenaar ingediend door gebruikmaking van een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. Daarop staat vermeld welke gegevens moeten worden verstrekt. 2.Ten minste wordt verstrekt: de naam (of namen) van de eigenaar(s); het adres van de woning of wooneenheid; bewijs van eigendom van de woning of wooneenheid. 3.Indien van toepassing worden aanvullend verstrekt: nadere bescheiden waar het bloed- of aanverwantschap in de eerste of tweede graad van de woningzoekende met de eigenaar(
  2. s)uit blijkt; een schriftelijke overeenkomst waaruit blijkt dat de woning of wooneenheid voor een termijn van ten hoogste twaalf maanden, anders dan voor toeristische verhuur, in gebruik worden gegeven, mede aangeleverd. nadere bescheiden waaruit blijkt dat de woning of wooneenheid onlosmakelijk deel uitmaakt van een winkel-, kantoor of bedrijfsruimte. nadere bescheiden waaruit blijkt dat de woning of wooneenheid onlosmakelijk deel uitmaakt van een winkel-, kantoor of bedrijfsruimte. 4.Burgemeester en wethouders kunnen het overleggen van andere bescheiden verlangen, die zij voor de beoordeling van de aanvraag nodig achten. Artikel5:36Gevallen waarin de verhuurvergunning opkoopbescherming wordt verleend 1.De verhuurvergunning opkoopbescherming wordt in elk geval verleend als: de woonruimte in gebruik wordt gegeven aan een woningzoekende die een bloed- of aanverwantschap in de eerste of tweede graad heeft met de eigenaar; de woonruimte ter beschikking gesteld wordt aan een derde op basis van bruikleen als bedoeld in artikel 7A:1777 BW. de eigenaar na de datum van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering van die woonruimte aan hem, ten minste twaalf maanden zijn woonadres als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel o, onder 1°, van de Wet basisregistratie personen, in die woonruimte heeft en de eigenaar met een woningzoekende schriftelijk overeenkomt dat de woningzoekende de woonruimte voor een termijn van ten hoogste twaalf maanden, anders dan voor toeristische verhuur, in gebruik neemt; of, de woonruimte onlosmakelijk deel uitmaakt van een winkel-, kantoor of bedrijfsruimte. 2.In de gevallen, genoemd in het eerst lid, onder a en b, wordt de persoon aan wie de beschermde woonruimte wordt verhuurd en die de huurder is op grond van wiens hoedanigheid er recht is op de vergunning, in de vergunning genoemd. De vergunning vervalt zodra deze huurder niet de huurder is die in de beschermde woonruimte verblijft. 3.De vergunning als bedoeld in het eerste lid onder c wordt slechts een maal verstrekt in de periode van vier jaar dat de betreffende woonruimte beschermd is. Artikel5:37Gevallen waarin de verhuurvergunning opkoopbescherming kan worden verleend 1.De verhuurvergunning opkoopbescherming kan worden verleend als: de beschermde woonruimte in opdracht van de gemeente is aangekocht; de beschermde woonruimte door een gecertificeerde of door de gemeente of de rijksoverheid gecontracteerde zorgaanbieder is aangekocht om te worden verhuurd aan cliënten met een zorgindicatie; de beschermde woonruimte wordt verhuurd door een woningcorporatie. 2.De verhuurvergunning opkoopbescherming kan verder in bijzondere gevallen worden verleend als het belang dat gediend wordt met het verhuren van de beschermde woonruimte naar het oordeel van burgemeester en wethouders zwaarder moet wegen dan het belang van het behouden van de beschermde woonruimte voor de kopersmarkt. 3.In andere gevallen dan genoemd in het eerste en het tweede lid en artikel 5:36, kan de vergunning worden geweigerd. Artikel5:38Beslistermijn 1.Burgemeester en wethouders beslissen op aanvragen binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Artikel5:39Intrekken van de verhuurvergunning opkoopbescherming De verhuurvergunning opkoopbescherming kan in elk geval worden ingetrokken als blijkt dat de vergunning is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en zou zijn geweigerd als de juiste of de volledige gegevens bekend waren geweest. Paragraaf5gToeristische verhuur van woonruimten Artikel5:40Werkingsgebied Voor de toepassing van de artikelen 23a, eerste lid en derde lid, 23b, eerste en tweede lid en 23e van de Huisvestingswet 2014 en de artikelen uit deze paragraaf zijn alle woonruimten gelegen in de gemeente Delft aangewezen. Artikel5:41Vormen van toeristische verhuur 1.Deze paragraaf is van toepassing op de volgende vormen van toeristische verhuur: vakantieverhuur; en bed & breakfast. 2.Deze paragraaf is niet van toepassing op recreatiewoningen, woningruil en huisbewaring, en short stay. Artikel5:42Registratienummer 1.Het is verboden woonruimte als bedoeld in artikel 5:40 aan te bieden voor toeristische verhuur zonder daarbij het registratienummer van die woonruimte te vermelden bij iedere aanbieding van die woonruimte voor toeristische verhuur. 2.Voor elk van de te verhuren woonruimten wordt door diegene die een woonruimte aanbiedt voor toeristische verhuur een registratienummer aangevraagd door middel van een door burgemeester en wethouders voorgeschreven elektronisch formulier. Artikel5:43Nachtencriterium en meldplicht vakantieverhuur 1.Onverminderd artikel 5:42, eerste lid is het verboden om een woonruimte als bedoeld in artikel 5:40 voor meer dan zestig nachten per kalenderjaar in gebruik te geven voor vakantieverhuur. 2.Onverminderd artikel 5:42, eerste lid, en artikel 5:43, eerste lid is het verboden om een woonruimte als bedoeld in artikel 5:40 in gebruik te geven voor vakantieverhuur zonder dat degene die de woonruimte in gebruik geeft voor vakantieverhuur dit tevoren aan burgemeester en wethouders heeft gemeld, middels een door de burgemeester en wethouders voorgeschreven elektronisch formulier. Een melding kan meer dan één nacht betreffen. 3.Als burgemeester en wethouders iemand die een dienst verleent gericht op het publiceren van aanbiedingen voor vakantieverhuur van woonruimte, er schriftelijk van in kennis hebben gesteld dat een woonruimte al voor het toegestane aantal nachten in dat jaar in gebruik is gegeven voor vakantieverhuur, is het die dienstverlener voor de rest van het jaar verboden voor die woonruimte aanbiedingen voor toeristische verhuur te tonen. 4.Burgemeester en wethouders kunnen gebieden aanwijzen waar een nachtencriterium van nul nachten geldt, betekende een verbod op vakantieverhuur. Hoofdstuk6Standplaatsen Artikel6:1Gemeentelijk register standplaatszoekenden 1.Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het aanleggen en bijhouden van een gemeentelijk register van standplaatszoekenden. 2.In het register worden op hun verzoek als standplaatszoekenden ingeschreven de huishoudens die voldoen aan de volgende voorwaarden: de aanvrager is 18 jaar of ouder; de leden van het huishouden bezitten de Nederlandse nationaliteit dan wel beschikken over een geldige verblijfstitel in Nederland; het inschrijvingsformulier is correct en volledig ingevuld, inclusief de daarin gevraagde bijlagen. 3.Het gemeentelijk register vermeldt de standplaatszoekenden met inschrijvingsduur en/of herstructureringsvoorrang. Artikel6:2Toewijzing 1.De zittende bewoners van het kamp mogen iemand voordragen voor de vrijgekomen standplaats. De voorgedragen persoon moet ten minste 6 maanden zijn ingeschreven in het register van de gemeente Delft De voordracht moet onderschreven worden door ten minste 50% van de zittende bewoners 2.geen (geldige) voordracht wordt gedaan, vindt de verdeling van standplaatsen plaats op volgorde van inschrijving in het gemeentelijk register of op basis van herstructurering. 3.Bij gelijke registratieduur gaat de standplaatszoekende met de langste woonduur voor. 4.Bij gelijke registratieduur en woonduur gaat de standplaatszoekende met de hoogste leeftijd voor. 5.Bij toewijzing kan rekening gehouden worden met het samenleven in familieverband. Artikel6:3Inschrijving 1.Het verzoek om in de gemeente als standplaatszoekende te worden ingeschreven in het register wordt gericht aan burgemeester en wethouders op een door burgemeester en wethouders opgesteld inschrijvingsformulier en gaat vergezeld van: een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie, als de inschrijving plaatsvindt in een andere gemeente dan de huidige woonplaats; zo nodig andere bescheiden die door burgemeester en wethouders voor beoordeling van de aanvraag nodig geoordeeld worden. 2.Het inschrijvingsformulier bevat minimaal de volgende gegevens: de naam, burgerlijke staat en personalia van de aanvrager en van de eventueel tot het huishouden behorende personen; het huidige woonadres. 3.Burgemeester en wethouders bepalen of de standplaatszoekende voldoet aan de voorwaarden in artikel 6.1, tweede lid, en gaat over tot inschrijving in het register als aan deze voorwaarden is voldaan. 4.Inschrijving als standplaatszoekende kan ook ambtshalve plaatsvinden. 5.Burgemeester en wethouders dragen in ieder geval zorg voor het laten registreren van de standplaatszoekenden waaraan ambtshalve herstructureringsvoorrang is toegekend. Bij gewijzigde omstandigheden kan de toegekende herstructureringsvoorrang ambtshalve komen te vervallen. Artikel6:4Bewijs van inschrijving 1.Burgemeester en wethouders verstrekken aan standplaatszoekenden die (ambtshalve) zijn ingeschreven een bewijs van inschrijving waarop de volgende gegevens worden vermeld: naam van de aanvrager en het aantal meeverhuizende personen; adresgegevens; inschrijvingsdatum; voorranggegevens van toepassing. 2.Als datum van inschrijving geldt de datum waarop aan de voorwaarden in artikel 6.1, tweede lid, is voldaan. 3.Als datum van een ambtshalve inschrijving geldt de datum waarop de standplaatszoekende aan de voorwaarden in artikel 6.1, tweede lid, onder a en b, voldoet en burgemeester en wethouders de standplaatszoekende heeft ingeschreven. Artikel6:5Geldigheidsduur van inschrijving in het register 1.De inschrijving in het Register blijft met uitzondering van het gestelde in artikel 6.7 twee jaar geldig. 2.De inschrijving wordt telkens na twee jaar ambtshalve met twee jaar verlengd tenzij de standplaatszoekende niet heeft gereageerd op een aanschrijving van burgemeester en wethouders aangaande de inschrijving in het Register, binnen vier weken na de datum van de aanschrijving. Artikel6:6Wijziging van inschrijving in het register 1.Ingeval van bijschrijving in verband met een bestaand(
  3. e)dan wel voorgenomen huwelijk c.q. samenwoning, kan de inschrijving op naam van de beide partners worden gesteld. 2.Wordt de relatie als bedoeld in het vorige lid beëindigd, anders dan bij overlijden, dan kunnen de beide partners zich afzonderlijk laten inschrijven. De hoofdinschrijver behoudt de registratieduur van de inschrijving. Voor de partner die geen hoofdinschrijver is, geldt het moment van bijschrijven bij de hoofdinschrijver of de partner al voorafgaand aan de bijschrijving inschrijftijd had opgebouwd, het moment van de oorspronkelijke inschrijving van de partner, als registratieduur. 3.Wordt de relatie beëindigd door overlijden van een van de partners dan blijft de inschrijving van de nog levende overgebleven partner zijn geldigheid behouden. 4.Wordt de relatie beëindigd en is er sprake van een ambtshalve inschrijving, dan beslissen burgemeester en wethouders of beide partners apart worden ingeschreven. 5.De ingeschrevenen als bedoeld in het eerste lid worden door burgemeester en wethouders van de wijziging van inschrijving schriftelijk in kennis gesteld. Artikel6:7Doorhaling van inschrijving 1.Burgemeester en wethouders halen een inschrijving door in het register : de standplaatszoekende naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet meer aan de vereisten voor inschrijving voldoet; de standplaatszoekende daarom verzoekt, met uitzondering van de ambtshalve ingeschrevenen; de standplaatszoekende komt te overlijden; de standplaatszoekende een standplaats in Nederland krijgt toegewezen en deze accepteert; de standplaatszoekende een standplaats achterlaat bij toewijzing en acceptatie van een woning; de standplaatszoekende al dan niet opzettelijk foutieve gegevens verstrekt heeft bij de inschrijving of verzuimd heeft belangrijke wijzigingen bijtijds door te geven; de standplaatszoekende niet reageert op een aanschrijving van burgemeester en wethouders over de inschrijving of bedoeld als een controle op de inschrijving in het register, binnen vier weken na de datum van de aanschrijving. 2.Voor zover mogelijk worden ingeschrevenen als bedoeld in het eerste lid door burgemeester en wethouders van de doorhaling van inschrijving schriftelijk in kennis gesteld. 3.Bij inschrijving in verband met een bestaand(
  4. e)dan wel voorgenomen huwelijk c.q. samenwoning, kan de inschrijving op naam van de beide partners worden gesteld. Hoofdstuk7Overige bepalingen Artikel7:1Monitoring, verslaglegging en evaluatie 1.Burgemeester en wethouders en eigenaren van woonruimten, in het bijzonder woningcorporaties, zorgen jaarlijks voor een monitor van de huisvesting van nader aan te geven categorieën woningzoekenden. 2.Jaarlijks voor 1 april brengen eigenaren van woonruimten ten behoeve van de monitor verslag uit aan burgemeester en wethouders. 3.In aanvulling op het tweede lid leveren eigenaren van woonruimten voor 1 april ook de voorraadgegevens en aanbodgegevens aan bij burgemeester en wethouders, conform de in een overeenkomst vastgelegde afspraken. 4.Burgemeester en wethouders overleggen met eigenaren van woonruimten, in het bijzonder woningcorporaties, en woonconsumentenorganisaties elk jaar voor 1 juli over de werking en eventuele aanpassing van de woonruimteverdeling. Artikel7:2Bestuurlijke boete 1.Voor overtreding van de artikelen 8, 21, of 22, 23a, eerste en derde lid, 23b, eerste en tweede lid, 23e of 41, eerste lid van de Huisvestingswet 2014, of het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 26 van de Huisvestingswet 2014, kunnen burgemeester en wethouders een bestuurlijke boete opleggen. 2.Bij toepassing van het gestelde in het eerste lid hanteren burgemeester en wethouders de boetes als vermeld in bijlage II van deze verordening. Artikel7:3Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders kunnen een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing ervan gelet op het belang van de bestrijding van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Artikel7:4Innovatieve ontwikkeling In geval van experimenten met een looptijd van ten hoogste één jaar, naar aanleiding van innovatieve ontwikkelingen, kan in het belang van de bestrijding van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste worden afgeweken van de bepalingen over woonruimteverdeling in deze verordening. Artikel7:5Mandatering 1.Krachtens artikel 19 van de Huisvestingswet 2014 kunnen burgemeester en wethouders de bevoegdheden krachtens de artikelen 15 tot en met 17 mandaat verlenen aan eigenaren of beheerders van woonruimte voor zover het die woonruimte betreft. 2.Mandatering wordt openbaar gemaakt. Hoofdstuk8Overgangs- en slotbepalingen Artikel8:1Overgangsbepaling bezwaar en beroep De Huisvestingsverordening Delft 2019 blijft van toepassing op bezwaar- en beroepsprocedures betreffende bezwaar- en beroepschriften die vóór de dag van inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend, dit voor bezwaarmaker gunstiger is. Artikel8:2Overgangsbepaling urgentieverklaring, huisvestings-, woningvorming- of onttrekkingsvergunning 1.Vergunningen, urgentieverklaringen en besluiten verleend of genomen op grond van de Huisvestingsverordening Delft 2019 zoals deze gold voor de dag van inwerkingtreding van de onderhavige verordening

(2023), gelden als vergunningen, urgentieverklaringen en besluiten, als bedoeld in deze verordening. 2.De Huisvestingsverordening Delft 2019 blijft van toepassing op aanvragen van woningzoekenden voor een urgentieverklaring of voor een huisvestingsvergunning die vóór de dag van inwerkingtreding van deze
(2023)verordening zijn ingediend, dit voor de belanghebbende gunstiger is. 3.De Huisvestingsverordening Delft 2019 blijft van toepassing op aanvragen van een vergunning op grond van artikel 21 of 22 van de Huisvestingswet 2014, die vóór de dag van inwerkingtreding van deze verordening
(2023)zijn ingediend, dit voor de belanghebbende gunstiger is. Artikel8:3Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Huisvestingsverordening Delft 2023 Artikel8:4Inwerkingtreding 1.De verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking in het elektronische gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2023. 2.De Huisvestingsverordening Delft 2023 vervalt op 1 juli 2027. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 juni 2023. J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart,voorzitter. J. Mimpen,griffier. BijlageI Woningen naar mate van toegankelijkheid Gelijkvloerse woning (*) Gelijkvloerse woning op de begane grond of bereikbaar via een lift. Bereikbaar zonder treden. Drempels zijn terug te brengen tot maximaal 2 cm. Rollatorwoning (**) Drempels maximaal 2 cm. Breedte van toegangspaden, gangen etc. naar de woning is minimaal 1.20 m. met een maximale helling van 1:12 (geldt tot 25 cm hoogteverschil). Toegangsdeuren van het gebouw en liftdeuren openen automatisch. Vrije doorgang van de complexdeur, tussendeuren en de voordeur is minimaal 85 cm. De doorgang van deuren in de woning is minimaal 0,75 m. De lift meet inwendig minimaal 1,05 x 1,35 m. en heeft een leuning. Rolstoelwoning (***) Bedieningselementen bevinden zich tussen 0,90 en 1,20 m. boven de vloer en 0,50 m. horizontaal uit een inwendige hoek. Alle binnendeuren hebben een vrije doorgang van meer dan 0,85 m. Alle gangen zijn breder dan 1,10 m. De lift meet inwendig minimaal 1,05 x 2,05 m. en heeft een leuning. Opstelruimte voor en achter de deur minimaal 0,90 bij 1.10 cm. De vrije opstelruimte naast de voordeur is minimaal 0,35 cm. Toegankelijke badkamer zonder douchebak, met toilet, douchevloer en wastafel. Minimale maat: 2,15 bij 2,15 m. of 1,70 bij 2,70 m. De draaicirkel in de keuken is 1,50 m. en de afstand tussen de wand achter het aanrecht en de tegenoverliggende wand is minimaal 1,80 m. Extra ruime rolstoelwoning (****) De afmeting van de hoofdslaapkamer is minimaal 15 m² en de breedte is minimaal 3,0 m. De afmeting van de woonkamer is minimaal 24 m², bij een minimale breedte van 3,0 m. BijlageII Als bestuurlijke boetes als bedoeld in artikel 7:2, van deze verordening , gelden de maximale bedragen uit het Wetboek van Strafrecht zoals vastgesteld in Artikel 35 Huisvestingswet 2014 en Artikel 45 Huisvestingswet 2014. Onderscheid niet-bedrijfsmatige exploitatie en bedrijfsmatige exploitatie Van een bedrijfsmatige exploitatie is in de volgende gevallen sprake: De overtreder verhuurt aantoonbaar meerdere woonruimten. Uit de omvang van de exploitatie blijkt het bedrijfsmatige aspect. Iemand die zich bedrijfsmatig bezig houdt met exploitatie behoort de regelgeving te kennen. De overtreder houdt zich beroepsmatig bezig met regelgeving omtrent huisvesting en exploitatie van onroerend goed. Hieronder vallen in ieder geval: vastgoedontwikkelaars, makelaars, woning- en kamerbemiddelingsbureaus en bedrijven die zich bezig houden met huisvesting van hun eigen werknemers. Het bedrijfsmatige aspect van de exploitatie vloeit voort uit de aard van het bedrijf of beroep van de overtreder. Uit de omvang van onzelfstandige bewoning kan ook een bedrijfsmatig karakter van de exploitatie blijken: bij meer dan vier personen, kan dit aangemerkt worden als kamerverhuur in de zin van het Besluit bouwwerken leefomgeving. De exploitant dient bij een exploitatie van die omvang ook te zorgen voor een brandveilig gebruik en op de hoogte te zijn van de overige regelgeving. Onttrekking van woonruimte is enkel bedrijfsmatig dit vanuit commercieel oogpunt plaatsvindt. Onttrekking in het kader van het voeren van een bedrijf (opslag supermarkt, meelsilo voor een bakkerij, of een logiesfunctie), maar ook het in gebruik hebben van woonruimte met een hennepkwekerij, is als een onttrekking vanuit commercieel oogpunt te beschouwen. Samenvoeging van een woonruimte is niet bedrijfsmatig, tenzij de overtreder zich beroepsmatig bezig houdt met huisvesting en exploitatie van onroerend goed. Hieronder vallen in ieder geval: vastgoedontwikkelaars, makelaars, woning- en kamerbemiddelingsbureaus en bedrijven die zich bezig houden met huisvesting van hun eigen werknemers. Het bedrijfsmatige aspect van de exploitatie vloeit voort uit de aard van het bedrijf of beroep van de overtreder. Recidive Van recidive is sprake binnen een tijdvak van vier jaar voorafgaand aan de constatering van de nieuwe overtreding een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van hetzelfde artikel. BijlageIII Categorieën gebouwen als bedoeld in artikel 5.1 Alle gebouwen bevattende woonruimte onder huurprijsgrens. BijlageIV Categorieën woonruimten als bedoeld in artikel 5:8 Alle gebouwen bevattende woonruimten met uitzondering van utiliteitsgebouwen; Woonruimte onder beheer van een toegelaten instelling, gelegen in een actiegebied, of een gebied dat de afgelopen 24 maanden actiegebied is geweest en waarbij de onttrekking, of samenvoeging is beschreven in een goedgekeurd sociaal plan; BijlageV Categorieën woonruimten als bedoeld in artikel 5.15 Alle gebouwen bevattende woonruimten met uitzondering van utiliteitsgebouwen; nieuwbouw; gereguleerde studentenhuisvestingspanden in beheer bij toegelaten instellingen; omzetting van een zelfstandige woonruimte naar niet meer dan twee onzelfstandige woonruimten; woonsituaties waarbij maximaal 1 persoon inwoont bij een ander huishouden; Woonsituaties waarbij de bewoner, of bewoners, die (tezamen) tevens 100% eigenaar is/zijn, of huurder(
  1. s)handelend met toestemming van de verhuurder en die ten minste reeds 5 jaar aangesloten ingeschreven heeft gestaan op het betreffende adres, niet meer dan 2 personen laat inwonen in een woning die een minimale woonoppervlakte heeft van 180m2. BijlageVI Categorieën woonruimten als bedoeld in artikel 5:22 Alle gebouwen bevattende woonruimten met uitzondering van utiliteitsgebouwen; nieuwbouw. Algemene toelichting 0. Algemeen / inleiding De Huisvestingswet 2014 (hierna ‘de wet’) is het wettelijke kader waarbinnen de gemeente een huisvestingsverordening kan vaststellen. Het uitgangspunt van de wet is de vrijheid van vestiging. Iedereen die rechtmatig in Nederland verblijft, heeft het recht om zich vrijelijk te verplaatsen en te vestigen. Dit grondrecht kan alleen worden beperkt noodzakelijk voor het algemeen belang in een democratische samenleving. Dat belang kan volgens de wet gelegen zijn in het tegengaan van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan betaalbare woonruimte. De wet biedt de gemeenteraad de mogelijkheid om gebruik te maken van zijn bevoegdheden om deze effecten te bestrijden met de verschillende instrumenten van de huisvestingsverordening, dit noodzakelijk en geschikt is. De Huisvestingswet 2014 maakt het niet mogelijk om regels te stellen aan de toewijzing en de verdeling van koopwoningen. Ook zijn andere beperkende voorwaarden met betrekking tot verdeling, zoals leefbaarheid van en in de wijk, niet toegestaan. De Huisvestingsverordening Delft 2023 is opgebouwd uit de volgende onderdelen: Hoofstuk 1: Algemene bepalingen (begripsomschrijvingen) Hoofstuk 2: Huisvestingsvergunning Hoofstuk 3: Woonruimteverdeling Hoofstuk 4: Urgentie Hoofstuk 5: Wijzigingen in de woonruimtevoorraad 5A: Splitsing 5B: Onttrekking 5C: Omzetting 5D: Woningvorming 5E: Uitzonderingen vergunningsvereiste omzetting en woningvorming 5F: Opkoopbescherming 5G: Toeristische verhuur van woonruimten Hoofstuk 6: Standplaatsen Hoofstuk 7: Overige bepalingen Hoofstuk 8: Overgangs- en slotbepalingen Ondertekening Bijlage I – Woningtypen naar mate van toegankelijkheid Bijlage II – Bestuurlijke Boetes Bijlagen III t/m V – Nadere duiding categorieën gebouwen/woonruimten Toelichting: Algemene toelichting Artikelsgewijze toelichting De verordening staat niet op zichzelf maar maakt onderdeel uit van een breder stelsel samen met de Woonvisie, Woonagenda en prestatieafspraken en regionale woningmarktafspraken. Waar de verordening geldt als middel om effecten van schaarste tegen te gaan, is de inzet van dit bredere stelsel nadrukkelijk ook om de schaarste zelf te bestrijden door toevoegingen aan de woningvoorraad te realiseren. Woonvisie De basis voor de gemeentelijke invulling van zowel de verordening als de prestatieafspraken met de woningcorporaties ligt in de lokale woonvisie en de provinciale visie op Ruimte en Mobiliteit. Hierin wordt uitgestippeld wat het woonbeleid is voor de langere termijn en wordt benoemd of en waar het knelt op de woningmarkt, welke groepen effecten van schaarste ondervinden en hoe de gemeente wil sturen op het verminderen van de schaarste. Daarbij worden uitspraken gedaan over de gewenste ontwikkeling in de beschikbaarheid van de sociale voorraad, als basis voor nadere prestatieafspraken. Op grond van de Woningwet is de gemeentelijke woonvisie sinds 1 januari 2022 verplicht. Na het vaststellen van de woonvisie 2023-2030 medio 2023 wordt deze nader geconcretiseerd in een uitvoeringsagenda. Prestatieafspraken In de prestatieafspraken worden tussen de gemeenten en de woningcorporaties afspraken gemaakt over de uitvoering van het woonbeleid voor wat betreft de sociale woningvoorraad. Dit gebeurt zowel op lokaal als op regionaal niveau. De prestatieafspraken zijn daarmee dé plek waar gemeente en woningcorporatie(
  2. s)met elkaar vaststellen wie er specifiek tot de doelgroep van het woonbeleid behoort, welke groepen door schaarste in de knel komen en welke inspanningen gemeente en woningcorporatie(
  3. s)leveren om dit aan te pakken. De gemeenteraad Delft acht deze verordening noodzakelijk en geschikt om onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimten te bestrijden. De huisvestingsverordening is in samenwerking en in afstemming met de acht andere Haaglandse regiogemeenten opgesteld. 1. Schaarste Volgens de Huisvestingswet 2014 mag de gemeente het instrument van de huisvestingsverordening inzetten in het schaars bevonden deel van de lokale woningvoorraad. Hiertoe dient de gemeente deze schaarste te onderbouwen (Uitspraak ECLI:NL:RVS:2023:484, 201106290/1/H3 en 2011060290/2/H3). Deze onderbouwing legitimeert de verschillende regels die de huisvestingsverordening stelt voor de sociale woningvoorraad en de Delftse koopwoningen. In het vervolg van deze toelichting wordt eerst aangetoond dat er sprake is van schaarste, op regionaal niveau en lokaal niveau (1.1 en 1.2). Vervolgens worden onder het kopje ‘verdringingseffecten’
(2)de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van deze schaarste benoemd. Tot slot worden de verschillende sturingsmiddelen besproken, die bedoeld zijn om onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van deze schaarste te bestrijden (3.1 t/m 3.3). De verordening maakt onderscheid tussen regionale en lokale schaarste. In de regio Haaglanden wordt de sociale verhuur gezamenlijk geregeld door 9 gemeenten, onder andere door middel van het verhuurplatform woonnet-haaglanden. De regels voor woonruimteverdeling van de sociale woningen worden voor zover mogelijk door deze 9 gemeenten gezamenlijk afgestemd. Daarom is er een regionale schaarsteonderbouwing nodig die de schaarste van de sociale voorraad in de Haaglanden gemeenten aantoont. Voor de specifiek Delftse regels in de verordening is een lokale onderbouwing noodzakelijk, aangezien deze regels alleen voor de Delftse woningvoorraad gelden. Hieronder wordt eerst ingegaan op regionale schaarste en daarna op lokale schaarste. 1.1 Regionale Schaarste De Huisvestingswet 2014 stelt dat gemeenten binnen de regio hun huisvestingsverordeningen op elkaar afstemmen. De Provincie Zuid-Holland stelt daarbij ook dat de schaarste regionaal moet worden aangetoond. Aanvullend stelt de provincie Zuid-Holland in de Visie Ruimte en Mobiliteit (vastgesteld in 2014 en laatstelijk gewijzigd op 30 mei 2018 en in werking getreden op 29 juni 2018) dat er sprake moet zijn van een voldoende aanbod van sociale woonruimten. De huisvestingsverordening is een instrument om de schaarste te verdelen. Gemeenten moeten maatregelen nemen om de schaarste te beperken en als het kan te laten verdwijnen, in de vier jaar dat de huisvestingsverordening geldig is. In de woningmarktregio Haaglanden zijn goedkope huurwoningen tot de huurprijsgrens (€ 808,06 in 2023) schaars. Daarom is in de huisvestingsverordening van alle regiogemeenten opgenomen dat het verplicht is voor deze woningen een huisvestingsvergunning aan te vragen. Het is immers binnen dat deel van de regionale woningvoorraad dat zich onevenwichtige en onrechtvaardige gevolgen voordoen. De samenwerkende gemeenten in Haaglanden hebben ervoor gekozen het schaarste-begrip voor de hele regio te definiëren. De mate waarin specifieke woonruimte schaars is kan per gemeente verschillen. Wanneer de schaarste niet op regionaal niveau wordt gedefinieerd, maar op gemeentelijk niveau, zou dit ertoe kunnen leiden dat sommige groepen huishoudens in de ene gemeente van de regio wel in aanmerking komen voor een bepaalde categorie woonruimte onder de huurprijsgrens en in een andere gemeente niet. Dit is in strijd met het principe van een ongedeelde woningmarktregio, die toegankelijk is voor alle huishoudens uit de doelgroep, uit alle gemeenten. Om de woningmarktregio zo open en toegankelijk te houden voor de doelgroep is er daarom voor gekozen om het schaarste begrip niet verder te definiëren. Uitgebreid - cijfermatig - inzicht in de schaarste op de woningmarkt in Haaglanden is een afzonderlijke rapportage opgenomen (Regionale Schaarsteonderbouwing Haaglanden 2023). 1.2 Lokale schaarste De gemeente kan een huisvestingsverordening vaststellen als deze noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van schaarste en/of voor het behoud van de leefbaarheid van de woonomgeving. De Huisvestingswet 2014 verplicht de gemeente in dat geval om aan te tonen dat er sprake is van schaarste in de woningvoorraad, voordat het instrument huisvestingsverordening in het schaars bevonden deel van de woningvoorraad mag worden ingezet. In algemene zin overstijgt de vraag het aanbod voor alle woningtypes, deze schaarste geldt expliciet voor koopwoningen tot de NHG grens en corporatie huurwoningen. Ten behoeve van de opkoopbescherming, toeristische verhuur, woningvorming en omzetting (voor koopwoningen) en de woonruimteverdeling (voor corporatie huurwoningen) wordt de schaarste in deze segmenten hieronder verder beargumenteerd. 1.2.1 Schaarste in de corporatievoorraad Onderzoeksbureau Explica voert jaarlijks uitgebreide monitoring en rapportage uit voor de Sociale Verhuurders Haaglanden (SVH). De Jaarmonitor en Aanbodrapportage/Tabellenboek die dat oplevert, bieden goed inzicht in de schaarse corporatievoorraad. De volgende kerngegevens daaruit zijn illustratief voor deze schaarste, en geven daarmee inzicht in het Delftse component van de regionaal onderbouwde schaarste: De vier grote lokale woningcorporaties bezitten in 2023 ongeveer 19.250 zelfstandige huurwoningen, ongeveer 16.750 daarvan hebben een huur onder de liberalisatiegrens (€808,6, prijspeil 2023) en zijn dus bereikbaar voor de eenpersoonshuishoudens met een inkomen tot € 44.035 of meerpersoonshuishoudens met en inkomen tot €48.
  1. In 2022 in Delft kwamen 1.004 corporatiewoningen vrij voor verhuur, het laagste aantal in 5 jaar. Ruim 33.000 woningzoekenden hebben in 2020 op het woningaanbod in Delft gereageerd. Van de huishoudens die actief reageerden, woonden in 2022 ruim 4.300 reeds in Delft. Uit anderen gemeenten waren ruim 29.000 huishoudens actief op zoek naar een woning in Delft. Uit de Aanbodrapportage 2022 van Explica blijkt dat de kans dat een woningzoekende in Delft ook een woning bemachtigde in 2022 3.0% was. In 2019 was dit nog 4,2%. De mutatiegraad in de sociale voorraad loopt sterk terug, terwijl het aantal woningzoekenden hoog blijft, hierdoor is de kans op een woning teruggelopen van 7.5% in 2013 tot 3.0% in
  2. Per vrijgekomen corporatie woning reageerden ongeveer 250 woningzoekenden in 2022 en
  3. In 2020 lag dit aantal weliswaar nog hoger, maar desondanks is het aantal reacties substantieel hoger dan vijf jaar geleden (164 in 2018). 1.2.2 Schaarste in de koopwoningvoorraad De gemeente Delft benadert schaarste zowel vanuit woningoppervlakte (irt woningvorming) als betaalbaarheid (irt opkoopbescherming). De gemeente toont deze schaarste aan op basis van CBS en Kadasterdata, aangevuld door onderzoek/analyse van onderzoeksbureau Explica en van onderzoeksbureau Rigo. Woningoppervlakte: Delft is een aantrekkelijke stad om te wonen en te werken, ook voor gezinnen. De vraag naar woningen, en in het bijzonder gezinswoningen is dan ook groot. Mede om de voorraad gezinswoningen te beschermen is over de lijn van woningoppervlakte het vergunningsstelsel ‘woningvorming’ van toepassing. Wanneer gekeken wordt naar oppervlakte van woningen maken we onderscheid tussen woningen groter en kleiner dan 180 m
  4. Het argument hiervoor is dat woningen groter dan 180m2 dusdanig groot zijn, dat dit oppervlakte niet direct noodzakelijk is om een gezin of groot huishouden te huisvesten. Verdringingseffecten specifiek voor grote huishoudens (gezinnen) zijn in dit segment dus minder aanwezig en beschermen ook niet betaalbare woningen maar dure koop. Grote huishoudens kunnen goed terecht in woningen tot 180m2: dit deel van de voorraad bestaande uit kleinere en middelgrote woningen is vanzelfsprekend ook betaalbaarder. Voor dit deel van de voorraad t/m 180 m2 kiest de gemeente er voor om omvorming naar kleinere woningen tegen te gaan. In Delft is zo’n 4,3% van de woningen 180 vierkante meter of groter. Bron: Data op maat – Gemeente Delft Betaalbaarheid: De gemeente Delft hanteert de volgende onderverdeling met betrekking tot de betaalbaarheid van de koopwoningen in de gemeente; Tot een WOZ-waarde van € 200.000 (goedkope koop) Tot een WOZ-waarde van €355.000 (betaalbare koop conform Rijk en Provincie, oude NHG grens prijspeil 2022) Tot een WOZ-waarde van € 405.000 (betaalbare koop, nieuwe NHG grens prijspeil 2023) Tot een WOZ-waarde van € 520.000 (middel-duur) Vanaf een WOZ-waarde van € 520.000 (duur) Er wordt aan de NHG-grens gerefereerd omdat dit een objectieve maatstaf is die goed aansluit bij de financierbaarheid van de woningen en deze voor een jaar stabiel is (zie verder artikelsgewijze toelichting). De bovengenoemde met de indeling van de provincie Zuid-Holland. De woningvoorraad in bovengenoemde categorieën is als volgt verdeeld: Bron: Data op maat – Gemeente Delft Bovenstaande tabel laat zien dat in de periode 2019 t/m 2022 het aanbod betaalbare koopwoningen sterk is afgenomen. Dit is niet veroorzaakt door onttrekkingen aan de woningvoorraad, maar vanwege koopprijsontwikkeling. Vanaf 2019 is de gemiddelde WOZ woningwaarde van €210.014 opgelopen naar €291.714 in 2022, een stijging van ruim 38%. Koopwoningen stegen naar nog hogere waarde in die periode (gemiddelde WOZ waarde koopwoningen steeg tussen 2019 en 2021 gestegen van €294.160 naar €373.890 (+27%). Meer recent is van 2022 tot 2023 een stijging van 8% gemeten. Onderstaande tabel laat zien dat ook op wijkniveau de waarde van koopwoningen sterk is gestegen, en daarmee het aanbod in betaalbare koopwoningen sterk is afgenomen. Bron: Data op maat – Gemeente Delft Jaarlijks wordt landelijk de NHG-grens vastgesteld, hetgeen een bruikbare maatstaf is voor de betaalbaarheid van de koopwoningvoorraad. Uit onderstaand overzicht blijkt hoe de woningvoorraad onder en boven de NHG-kostengrens van €405.000 is opgebouwd. Ruim 12.000 woningen in Delft hebben een WOZ-waarde onder de €405.000, ruim 7.300 woningen zitten boven deze grens (NHG-grens peiljaar 2023). Verdeling koopwoningen in 2022 onder en boven WOZ-waarde van €405.000 per wijk (NHG-kostengrens 2023) Wijk Onder WOZ €405.000 Boven WOZ €405.000 onbekend totaal Binnenstad
(11)1.056 1.590 59 2.705 Vrijenban
(12)1.000 656 5 1.661 Hof van Delft
(13)1.690 1.159 49 2.898 Voordijkshoorn
(14)982 1.945 3 2.930 Delftse Hout
(16)1 15 0 16 Tanthof-West
(22)1.853 172 22 2.047 Tanthof-Oost
(23)1.382 37 0 1.419 Voorhof
(24)1.824 96 0 1.920 Buitenhof
(25)1.427 377 0 1.804 Abtswoude
(26)0 6 1 7 Schieweg
(27)80 297 3 380 Wippolder
(28)685 932 28 1.645 Ruiven
(29)43 29 2 74 totaal 12.023 7.311 172 19.506 Bron: Data op maat – Gemeente Delft Parrallel aan bovengenoemde stijgingen van WOZ waarde, is de gemiddelde verkoopprijs van bestaande woningen eveneens gestegen. Deze is tussen 2019 en 2021 met 27% gestegen van €311.229 naar €395.478 (bron: Data op maat – Gemeente Delft). De verwachting voor 2022 en 2023 is dat deze groei niet meer zo hard zal zijn, wellicht iets zal dalen. Schaarse voorraad, hoge vraag De vraag naar woningen in Delft overstijgt het aanbod, met name in het betaalbare segment. Onderzoek in het kader van de woonvisie 2023-2030 door onderzoeksbureau RIGO laat dit in de rapportage ‘De woningmarkt van Delft’ uitgebreid zien. De volgende ontwikkelingen en feiten zijn hiervoor exemplarisch: De druk op de woningmarkt is sinds 2015 (kantelpunt huisprijsontwikkeling na huizencrisis 2008) sterk toegenomen. De (rand)stad en daarmee ook de stad Delft blijft een gewilde plek om te willen of blijven wonen. Het aantal (buitenlandse) studenten in Delft blijft groeien. De instroom van statushouders blijft hoog, waarbij door het stijgen van het aandeel gezinshereniging de druk op grotere woningen toeneemt. Deze grote woningen zijn extra schaars in Delft, waardoor het verdringende effect sterker is dan bij de eerdere instroom van voornamelijk alleenstaanden. Hoewel Delft werkt aan de bouw van nieuwe woningen is dit nog niet voldoende om de toegenomen vraag op te vangen. De investeringscapaciteit van de corporaties staat onder druk, zowel landelijk maar zeker ook bij de corporaties die in Delft actief zijn. Deze ligt onder het landelijk gemiddelde. Dit heeft een negatief effect op de ontwikkeling van nieuwe sociale woningen en op het realiseren van de duurzaamheidsopgave in dat segment.
  1. Verdringingseffecten. Een hoge vraag in een schaarse woningvoorraad heeft logischerwijs verdringing tot gevolg. Delft heeft een atypische bevolkingsopbouw (relatief veel jongeren/studenten en ouderen) tegelijkertijd is ook de woningvoorraad atypisch. Vraag en aanbod is mede daardoor niet met elkaar in evenwicht. Analyse door onderzoeksbureau RIGO in 2022 in het kader van het opstellen van de Delftse Woonvisie bevestigt deze disbalans. Met name de -betaalbare- huisvesting voor o.a. gezinnen komt in de knel. Delft behoort tot de top drie in Nederland van de kleinste woningen. In ondermeer de woonmonitor 2020 is dit uitgewerkt. Door ontwikkelingen in de afgelopen 10 jaar zoals AirBnB, buy-to-letomzettingen en woningvorming/verstudioïsering worden de koopwoningen, die qua prijs en omvang aantrekkelijk zijn voor gezinnen, aan de koopvoorraad onttrokken. en omgezet naar kleinere units. al schaarse voorraad wordt nog schaarser. In de meest betaalbare WOZ-klassen is het aanbod het vaakst omgezet naar een huurwoning. Vooral koopstarters komen hierdoor in de problemen. In de Huisvestingsverordening 2019 is reeds aangetoond, dat nieuwbouwtoevoegingen niet in staat zijn om de afname als gevolg van deze ontwikkelingen te keren, of zelfs maar bij te houden. Er is aangetoond dat dit in alle wijken aan de hand is. Het opkopen van woningen om vervolgens te verhuren heeft afgelopen jaren een aanzienlijk deel van de met name betaalbare voorraad aan het koopsegment onttrokken (buy-to-let). Uit analyse van Onderzoeksbureau Explica blijkt dat het vrijkomende aanbod aan koopwoningen in de jaren 2019-2020 uit 2.361 woningen bestond. Hiervan zijn er 1.531 koopwoningen die zijn verkocht en na verkoop nog steeds koopwoning zijn. Bij 419 woningen is de woning verkocht om te verhuren. 411 woningen zijn door de eigenaren niet verkocht, maar nog aangehouden na de aankoop van een andere woning. Een deel hiervan kan na een verhuis/verbouw-periode alsnog verkocht worden, een ander deel zal als zogenaamd ‘keep-to-let’ woning in het huursegment terechtkomen. Uit onderstaande tabel blijkt dat dit een stadsbreed fenomeen is, dat in alle wijken van Delft voorkomt. Boven de WOZ-grens van €400.000 wordt procentueel gezien aanzienlijk minder gekocht of gehouden om te verhuren dan woningen onder die grens. Voor koopstarters/doorstromers met een beperkter budget, vindt er daarmee overduidelijk verdringing plaats in het toch al beperkt beschikbare betaalbare segment. Bron: explica rapportage opkoopbescherming – gemeente Delft
  2. Sturingsmiddelen Dit onderdeel beargumenteert voor de verschillende sturingsmiddelen uit de verordening waarom deze effectief zijn in het tegengaan van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste. Dit moet in samenhang gelezen worden met de artikelsgewijze toelichtingen op de woonruimteverdeling (h3) en wijzigingen in woonruimtevoorraad (h5). Het uitgangspunt van zowel de Huisvestingswet 2014 als deze verordening is de vrijheid van vestiging van woningzoekenden en een open regionale woningmarkt. Niettemin legitimeren de aanwezigheid van groepen in de knel en de aanwezigheid van specifieke groepen woningzoekenden, dat er door de gemeente Delft en de andere gemeenten in de regio Haaglanden tijdelijk wordt (bij-)gestuurd. Dit alles met het besef dat de meer structurele oplossing van het vraagstuk in de ontwikkeling van de woningvoorraad (zowel kwantitatief als kwalitatief) in brede zin ligt en niet in de verdeling ervan. Met het oog op het voorgaande is er noodzaak om via een vergunningstelsel voor opkoopbescherming, toeristische verhuur, splitsing, samenvoeging, woningvorming en onttrekking van woonruimte grip te houden op aanpassingen of wijzigingen in de gehele woningvoorraad. Met deze verordening kan geborgd worden dat verkoop, aanbieden en/of toewijzen van woningen op een evenwichtige, rechtvaardige en op een transparante wijze gebeurt en dat wijzigingen in de woningvoorraad weloverwogen plaatsvinden. Doordat de verordening een publiekrechtelijke basis kent en bestuurlijk wordt vastgesteld, is bovendien geborgd dat de bepalingen omtrent het sturingsinstrumentarium alsmede het vergunningstelsel democratisch gelegitimeerd zijn. De inzet van de volgende instrumenten achten wij noodzakelijk en geschikt: 3.1 Woonruimteverdeling sociale voorraad In de woningmarktregio Haaglanden zijn goedkope huurwoningen tot de huurprijsgrens (€ 808,06 in 2023) schaars. Daarom is in de huisvestingsverordening van alle regiogemeenten opgenomen dat het verplicht is voor deze woningen een huisvestingsvergunning aan te vragen. Het geheel aan regels waaronder de verdeelsystematiek is opgenomen in hoofdstuk 3 van de verordening, welke in samenhang gelezen dient te worden met de artikelsgewijze toelichting van datzelfde hoofdstuk. Voor woningzoekenden in de regio Haaglanden waaronder Delft, zijn de regels die effect hebben op hun slaagkansen samengevat door de SVH in het document ‘Spelregels woonruimteverdeling’. Regionaal maatwerk: Gezien de gedeelde woningmarkt in het sociale segment is de druk in de regio ook van grote invloed op de kansen van woningzoekenden in Den Haag. In de woningmarktregio Haaglanden zijn grote woningen over het algemeen schaarser dan kleine woningen. Om die reden reserveren we grotere woningen ook voor grotere huishoudens en zijn er normen voor het minimumaantal leden dat een huishouden moet tellen om bepaalde grotere woningen te mogen betrekken. In de regio Haaglanden doet zich schaarste voor, waardoor er verdringing van woningzoekenden met een maatschappelijke of economische binding aan de gemeente door woningzoekenden van buitenaf plaatsvindt. De algehele schaarste, en de beschikbaarheid van bepaalde woningtypes en ook de uitbreidingsmogelijkheden in de gehele woningmarktregio, waartoe een gemeente behoort, zijn relevant. Op regionaal niveau vindt verdringing van regionale woningzoekenden met grote huishoudens plaats. Uit het Tabellenboek 2022 Delft, van Explica, blijkt dat de regionale mutatiegraad voor woonruimten vanaf 80 m² maar 2,9% bedroeg, ten opzichte van een regionale mutatiegraad van 8,0% voor woonruimten tot 50 m². Deze grotere woonruimten bedroegen in 2022 daarmee slechts 5% van het totale vrijkomend aanbod. De uitbreidingsmogelijkheden om deze verdringing op korte termijn op regionaal niveau te verlichten zijn zeer beperkt. Dit noodzaakt de inzet van regionaal maatwerk voor woningzoekenden met economische en maatschappelijke binding. Aan de omschrijving van deze economische en maatschappelijke binding is door de regio nadere invulling gegeven. Lokaal maatwerk In het woonruimteverdeelsysteem zijn naast regionale voorrangsregels, ook lokale voorrangsregels mogelijk. Het gaat daarbij om maximaal 25% van het totaal aantal verhuringen. Door inzet van lokaal maatwerk kan voorrang worden gegeven op basis van maatschappelijke of economische binding, wanneer sprake is van schaarste aan categorieën goedkope woonruimte met onrechtvaardige of onevenwichtige effecten tot gevolg. Delft maakt hier de komende vier jaar gebruik van waarbij doorstroming en lokale binding twee belangrijke principes zijn. Het college herziet daartoe in samenspraak met de Delftse corporaties het besluit lokaal maatwerk
  3. Volgorde lokaal en regionaal maatwerk Naast in de inhoudelijke regelingen van lokaal en regionaal maatwerk, wordt gezien de grote schaarste binnen de regio Haaglanden, met de Huisvestingsverordening 2023 de rangorde wat betreft lokaal en regionaal maatwerk aangepast. Het doel hiervan is dat maatregels die zich in het bijzonder richten op terugdringen van schaarste (bijvoorbeeld door het bevorderen van doorstroming) voorgaan op maatregels die in mindere mate dat effect hebben. De volgorde wordt binnen de regio bepaald aan de hand van de dan bestaande lokaal maatwerkregels. 3.2 Omzetting en woningvorming Sinds oktober 2017 geldt er in Delft een vergunningsplicht wanneer een woning wordt omgezet naar onzelfstandige woningen (in de volksmond verkamering genoemd). Sinds die ingreep is het aantal woningen dat met vergunning is omgezet zeer beperkt gebleven. Hiermee is de gemeente er in geslaagd woningen met minimaal 3 slaapkamers, in met name het goedkope en middeldure prijssegment, te behouden voor gezinnen. Wel is zichtbaar dat het aantal woningen dat wordt verbouwd tot meerdere zelfstandige woningen (woningvorming) een vlucht heeft genomen. Ruim 70 woningen werden verbouwd in de periode 2017-2021, waarmee ruim 250 extra woningen zijn gecreëerd. Omzetting en woningvorming kennen voor- en nadelen. Het is voordelig dat er extra woningen en woonplekken worden gecreëerd. De nadelen zijn dat er veel gezinswoningen hierdoor niet meer als zodanig beschikbaar zijn in de markt. Daarbij heeft het een prijsopdrijvend effect. Ook ervaren omwonenden vaak leefbaarheidsproblemen door omzetting en woningvorming, zeker als de verhouding tussen gezinsbewoning en andere vormen van bewoning in een straat of buurt doorslaat. Hierdoor ontstaat verdringing. De gemeente constateert dat, hoewel er nog een grote behoefte is aan extra studentenwoningen, er voldoende plannen zijn voor de bouw van extra studentenkamers en -woningen. Om die reden is verantwoord om omzetting zeer vergaand te beperken. Voor jongeren, net afgestudeerden en bijvoorbeeld buitenlanders die in Delft komen werken aan de universiteit als promovendus bestaat er een behoefte aan kleinere betaalbare woningen. In die behoefte kan onder meer voorzien worden door woningvorming in de bestaande voorraad. Wij vinden het echter belangrijk dat dit niet concurreert met de grote behoefte aan gezinswoningen en dat er geen “verhokking” optreedt. Samenvattend legitimeert dit de inzet van een woonvormingsvergunning (zie paragraaf 5d van Hoofdstuk 5 Wijzigingen in de woonruimtevoorraad) om de bestaande bouw te kunnen reguleren. Delft zet het instrument woonvorming proportioneel in door niet de totale woningvoorraad grote woningen op slot te zetten. Woningen groter dan 180m2 kunnen worden vergund om bouwkundig te worden gesplitst in meerdere zelfstandige eenheden van minimaal 40m2 en 2 kamers. De gedachte hierachter is dat ruime woningen tot de 180m2 in alle denkbare prijsklassen beschikbaar moeten blijven voor diverse doelgroepen, en de ruimere woningen daarbinnen dan met name voor gezinnen. Zoals eerder in deze toelichting genoemd heeft Delft verhoudingsgewijs kleine woningen, de daarmee schaarse grotere gezinswoningen zijn cruciaal voor een gezonde demografische opbouw van de stad en dus het beschermen waard. Hiermee blijven er zo veel mogelijk voor gezinnen geschikte woningen beschikbaar, en er is ook een voldoende aantal eventueel te splitsen woningen. Twee- of drie kamerwoningen, die te splitsen woningen van boven de 180 m2 kunnen opleveren, zijn zeer geschikt voor starters en ook een periode voor beginnende stellen aantrekkelijk zijn. Deze gevormde woningen voorzien daarmee in een behoefte waarin ook relatief weinig aanbod beschikbaar is in Delft. 3.3 Opkoopbescherming In het bovenstaande is schaarste en verdringing geconstateerd in het betaalbare deel van de voorraad koopwoningen, t/m de NHG-grens (€405.000, prijspeil 2023). Het fenomeen van ‘buy-to-let’ doet zich in alle wijken in Delft voor, en verkleint daarbij de kansen voor starters en doorstromers die op zoek zijn naar een betaalbare woning. Met de druk die hierdoor ontstaat op de woningmarkt komt ook de leefbaarheid in wijken onder druk te staan. Hoewel leefbaarheid zonder de toepassing van de ‘Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek’ (wetten.nl - Regeling - Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek - BWBR0019388 (overheid.nl)) geen onderdeel uitmaakt van de woonruimteverdeling, vormt leefbaarheid wel een belangrijke afweging bij regulering van de samenstelling van de woonruimtevoorraad (Uitspraak 201502455/1/A3). Een doelmatige, rechtvaardige en evenwichtige verdeling van de woningvoorraad staat hiermee onder druk en overheidsingrijpen is daarmee vereist. Op 1 januari 2022 is hoofdstuk 7, Tijdelijke regeling inzake opkoopbescherming, van de wet in werking getreden. Dit hoofdstuk maakt het mogelijk om in de Huisvestingsverordening een regeling op te nemen om in aangewezen gebieden van de gemeente koopwoningen in het goedkope en middeldure segment te beschermen tegen het opkopen door ondernemingen of particulieren die dergelijke woningen willen omzetten in (veelal dure) huurwoningen. Door deze omzetting gaan de woningen verloren voor de meeste starters en andere niet zeer bemiddelden die op zoek zijn naar een betaalbare koopwoning. Voor het verhuren van aangewezen koopwoningen wordt daarom een vergunningstelsel ingevoerd, waarmee kan worden verzekerd dat de omzetting van een koopwoning in een verhuurwoning alleen wordt toegestaan in gevallen waarin dat alleszins redelijk is. Zo’n vergunningenstelsel wordt aangeduid als een stelsel van opkoopbescherming. Daarom is voor het gehele grondgebied van de gemeente Delft een stelsel van opkoopbescherming ingevoerd door een nieuwe paragraaf 5g ‘opkoopbescherming’ in de Huisvestingsverordening op te nemen met dit stelsel. Duur van het stelsel en aanpassingen Voor de Huisvestingsverordening zegt artikel 4 van de wet dat die voor maximaal vier jaren kan worden vastgesteld. Verlenging of nieuwe vaststelling is echter mogelijk. Dat geldt ook voor het hoofdstuk over opkoopbescherming. Voor dit hoofdstuk geldt echter nog een specifieke bijzonderhe

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.