tabel 2.1), terwijl bij gebiedspecifiek getoetst wordt aan de vastgestelde lokale maximale waarde (gehalten) van de ontvangende bodem. Deze LMW kunnen gelijk zijn aan de maximale waarden van de functieklasse van de ontvangende bodem, maar dat hoeft niet. Nuttig en functioneel Partijen grond en baggerspecie mogen alleen volgens de regels van het Besluit bodemkwaliteit worden toegepast als er sprake is van een nuttige toepassing. Is dit niet het geval, dan wordt de toepassing gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden op grond van de Europese kaderrichtlijn afvalstoffen strengere regels. Artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit geeft een overzicht van de toepassingen die als nuttig worden beschouwd, zoals: toepassen van grond en baggerspecie in bouw- en wegconstructies; ophogen van industrieterreinen en woningbouwlocaties; afdekken van saneringslocaties; verspreiden van baggerspecie op het aangrenzende perceel; toepassen van baggerspecie, op een niet aan de watergang grenzende percelen als ophoging of grondverbetering; tijdelijke opslag van grond en baggerspecie. De toepasser van grond moet aannemelijk maken dat sprake is van een nuttige toepassing. Naast nuttig moet de toepassing op grond van artikel 5 van het besluit ook functioneel zijn. Dit houdt in dat er niet meer grond of baggerspecie mag worden toegepast dan voor de toepassing noodzakelijk is. Grootschalige toepassingen Binnen het Bbk is een verbijzondering opgenomen: het toetsingskader voor het toepassen van grond en baggerspecie in grootschalige toepassingen. Er hoeft dan niet te worden getoetst aan de kwaliteit en de functie van de ontvangende bodem. Wel moet worden voldaan aan de kwaliteitseisen en toepassingsvoorwaarden van dit toetsingskader zodat het milieu in voldoende mate is beschermd. Grootschalige toepassingen hebben een minimaal volume van 5.000 m3 en een minimale toepassingshoogte van 2 meter. Voor (spoor)wegen geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5 meter. Van dit toetsingskader kunnen toepassers van grond gebruik maken; het is niet verplicht. In het Besluit (artikel 63) zijn toepassingen benoemd die als grootschalige toepassingen gedefinieerd mogen worden: toepassingen van grond en baggerspecie in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen; toepassingen van grond en baggerspecie voor het afdekken van een saneringslocatie of een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving; toepassingen van grond en baggerspecie in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart; toepassing van grond en baggerspecie in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen. Het ophogen van een industrie/bedrijventerrein of een woonwijk mag niet als een grootschalige toepassing worden beschouwd. Kwalibo Onder de naam Kwalibo regelt het Bbk de kwaliteitsborging in het bodembeheer. Het betreffen regels voor de uitvoering van het bodembeheer. Het doel van Kwalibo is de kwaliteit te verhogen en de integriteit van de uitvoerders te verbeteren. Kwalibo richt zich vooral op de bodemintermediairs. Dat zijn ondermeer de adviesbureaus, laboratoria, aannemers, grondbanken, producenten van bouwstoffen en bedrijven die grond en baggerspecie reinigen en verwerken. Overheden mogen aanvragen voor het uitvoeren van wettelijke taken alleen nog maar in behandeling nemen als deze gegevens afkomstig zijn van een erkend bedrijf. Op de website van AgentschapNL (www.agentschapnl.nl) staat vermeld welke instellingen en personen erkend en geregistreerd zijn. Richtlijn bodemkwaliteitskaarten De landelijke Richtlijn voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten is voorgeschreven als een bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld die wordt gebruikt voor hergebruik van grond en baggerspecie onder het Besluit bodemkwaliteit. Deze Richtlijn schrijft onder andere voor de te hanteren normen; hoe om te gaan met afwijkingen in bodemkwaliteit (zgn. uitbijters); de vergelijkbaarheid van oude en recente bodemgegevens; hoe om te gaan met ‘bijzondere omstandigheden’; het op kaart weergeven van de bodemkwaliteit en kwalitatieve toepassingseisen voor grond en bagger in het beheergebied. 2.2.2BEVOEGD GEZAG BESLUIT BODEMKWALITEIT De gemeenten zijn bevoegd gezag voor het toepassen van grond en bagger op landbodem. Binnen inrichtingen Wet milieubeheer is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de opslag en toepassing van grond en bagger op landbodem. Voor het verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater is het waterschap of een andere waterkwaliteitsbeheerder (bijv. Rijkswaterstaat) het bevoegde gezag. 2.2.3PROVINCIALE MILIEUVERORDENING In de Provinciale Milieu Verordening (PMV) zijn waterwin- en grondwaterbeschermings¬-gebieden in de provincie opgenomen. Aan het toepassen van verontreinigde grond en baggerspecie in waterwingebieden, kwetsbare en zeer kwetsbare beschermingsgebieden zijn extra voorwaarden verbonden. Naast de waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden zijn ook andere beschermings-gebieden door de provincie aangewezen: Provinciale Ecologische Hoofdstructuur gebieden (PEHS), aardkundig waardevolle gebieden, archeologisch waardevolle gebieden en gebieden met cultuur-historische waarden. Als de provincie voor de voornoemde beschermingsgebieden specifiek grond- en baggerstromenbeleid heeft opgesteld moet voorafgaand aan het ontgraven en toepassen van grond en baggerspecie in deze beschermingsgebieden altijd afstemming plaatsvinden met de provincie. 2.2.4TRANSPORT VERONTREINIGDE GROND Voor het transport van verontreinigde grond is sinds 1 januari 2005 een landelijke regeling van kracht geworden: Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke stoffen. Deze regeling gaat over de inzameling van bepaalde categorieën afvalstoffen, waaronder verontreinigde grond en baggerspecie. Volgens deze regeling moet ten behoeve van het transport van verontreinigde grond en baggerspecie naar een meldingplichtige inrichting (reiniger, stortplaats of vergunningplichtig depot) een melding worden gedaan en een afval-stroomnummer worden aangevraagd. De melding wordt aangevraagd door de ontdoener van de verontreinigde grond en geschied via het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen, die de uitvoering hiervan heeft uitbesteed aan stichting LMA (http://www.lma.nl/ ). De stichting LMA is door de Minister van Infrastructuur en Milieu (I&M) aangewezen als landelijke meldinstantie en door de twaalf provincies als dienstverlenende organisatie voor het verwerken en distribueren van meldinformatie. In paragraaf 4.5.1. wordt hierop nader ingegaan. 2.2.5OVERIGE WETGEVING BIJ GRONDVERZET Vanuit overig wet- en regelgeving kunnen bij grond- en baggerspecieverzet (ontgraven en toepassen) aanvullende voorwaarden worden gesteld. Hierbij moet worden gedacht aan: Wet ruimtelijke ordening (Wro). Bij tijdelijke gronddepots moet op basis van het bestemmingsplan eventueel een ‘omgevingsvergunning voor de activiteit uitvoeren van een werk’ (vroeger: aanlegvergunning) worden aangevraagd. Ontgrondingenwet. De ontgrondingenwet en -verordening reguleren de winning van oppervlaktedelfstoffen als zand, klei en grind voor de bouwproductie. Wet milieubeheer. Vergunning voor bijvoorbeeld een langdurige of omvangrijke opslag van grond. Waterwet. Deze wet is op 22 december 2009 in werking getreden. In de Waterwet wordt het beheer van oppervlaktewater en grondwater geregeld. De saneringsregeling voor waterbodems is ook in deze wetgeving opgenomen. Woningwet. In deze wet wordt het bouwen op verontreinigde bodem (grond en grondwater) getoetst of geregeld (
ook paragraaf 5.2). Meststoffenbesluit. Bij het toepassen van compost of zwarte grond worden (aanvullende) kwaliteitseisen gesteld. Monumentenwet. In deze wet is het verdrag van Malta opgenomen. Bij grondverzet dient rekening te worden gehouden met archeologische waarden. Op kaart moet de gemeente een overzicht geven van bekende archeologische vindplaatsen. Bij grondverzet moeten andere bronnen zoals de stads- of regionale archeoloog worden geraadpleegd. Flora- en faunawet. Deze wet vereist dat in planvorming rekening wordt gehouden met de aanwezige flora en fauna. Voor een groot aantal expliciet beschermde soorten is bepaald welke handelingen niet zijn toegestaan. Daarnaast is in de wet een algemene zorgplicht opgenomen, die aangeeft dat de negatieve gevolgen van ieders handelen op de aanwezige (beschermde) flora en fauna voorkomen of zo veel mogelijk beperkt dienen te worden. 2.3BODEMKWALITEIT IN RUIMTELIJKE WETGEVING 2.3.1WET RUIMTELIJKE ORDENING De toelichting van een bestemmingsplan bevat altijd een paragraaf over de bodemkwaliteit. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel staat een verwijzing naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht. Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij zijn besluitvorming de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. In de toelichting van het bestemmingsplan moet terug te vinden zijn wat de overwegingen zijn geweest met betrekking tot de functie die wordt toegestaan en de bodemkwaliteit. Indien blijkt dat de bodemkwaliteit niet direct geschikt is voor de gewenste bestemming dan zal een afweging gemaakt moeten worden. Hierbij speelt het kostenaspect een belangrijke rol. In het kader van het bestemmingsplan moet namelijk ook de economische uitvoerbaarheid aangetoond worden. In een enkel geval zullen de kosten voor sanering niet opwegen tegen de opbrengsten. Mede daarom is het belangrijk om vroeg in het planproces eventuele kosten samenhangend met het aspect bodem (zoals saneringskosten en grondverzetskosten) in beeld te brengen. In artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is geregeld dat de kosten van nieuwe ontwikkelingen moeten worden verhaald op de grondeigenaar. Hiertoe stelt het gemeentebestuur een exploitatieplan op. De kosten van bodemonderzoek en -sanering kunnen in het exploitatieplan worden opgenomen (artikel 6.2.4 onder a en b Bro). Het opstellen van een exploitatieplan is verplicht, tenzij de kosten anderszins kunnen worden verhaald, bijvoorbeeld via een privaatrechtelijke overeenkomst. Een bodemverontreiniging hoeft niet altijd belemmerend te zijn voor het opnemen van een (woon)bestemming. Op basis van historische informatie, beschikbare bodemonderzoeken en eventueel de bodemkwaliteitskaart, kan een inschatting worden gemaakt of de bodem geschikt is voor het gewenste gebruik of functie en/of dat dit mogelijk wordt gemaakt door middel van het nemen van maatregelen. Indien de bodemkwaliteit risico's (humaan) met zich mee brengt of indien er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de herziening van het bestemmingsplan om bepaalde nieuwe functies toe te staan geen doorgang vinden tot de risico's zijn beheerst of weggenomen door sanering. 2.3.2WONINGWET Een doelstelling van de Woningwet (Ww, artikel 8, tweede lid, onder c) is dat bouwen op verontreinigde bodem wordt tegengegaan. Om hieraan te kunnen voldoen dient bij de aanvraag van een vergunning voor bouwactiviteiten vaak een bodemonderzoeksrapport te worden overgelegd. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Inmiddels is de Wabo van belang voor de beoordeling van een bouwaanvraag. De Wabo bundelt diverse vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen en meldingen die nodig zijn voor het realiseren van een fysiek object (bouw, aanleg, oprichting, gebruik en sloop) zodanig dat één besluit overblijft, namelijk de omgevingsvergunning. Ook de bouwvergunning valt onder deze procedure, waardoor onder andere de termijnen veranderen die nu nog in de Woningwet worden gehanteerd. Indien uit het bodemonderzoek blijkt dat sprake is van een bepaalde mate van bodemver-ontreiniging, kan samenloop ontstaan tussen de Woningwet en de Wet bodembescherming. In onderstaande tabel is weergegeven in welke situaties de Ww en in welke situaties de Wbb van toepassing is. Tabel 2.3 Wbb - Ww? Mate van bodemverontreiniging Wbb van toepassing? Ww van toepassing? ernstige bodemverontreiniging, spoedeisend Ja Ja ernstige bodemverontreiniging, niet spoedeisend Ja Ja niet-ernstige bodemverontreiniging Nee Mogelijk „schone‟ bodem (voldoet aan achtergrondwaarden) Nee Nee Ministeriële regeling omgevingsvergunning (Mor) Op grond van de Ministeriële regeling omgevingsvergunning (Mor) gelden landelijk uniforme indieningsvereisten bij de aanvraag om een omgevingsergunning. Op basis van de aanvraag van een omgevingsvergunning toetst de gemeente of de bodemkwaliteit geschikt is om op te bouwen. In artikel 2.4 Mor wordt de aanvrager van een omgevingsvergunning verplicht een ‘onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid in te dienen. Deze onderzoeksplicht is uitsluitend van toepassing op omgevingsvergunningsplichtige bouwwerken, die specifiek bedoeld zijn voor het verblijf van mensen (
kader), en die de grond raken, of waarvan het huidige gebruik wijzigt. Als hiervan geen sprake is geldt een vrijstelling van de onderzoeksplicht. Gebouwen waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven In de wetgeving (art 8, lid 3 Woningwet) is aangegeven dat alleen bodemonderzoek nodig is bij „gebouwen waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven‟. Hiermee wordt bedoeld een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat daarbij niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een structureel (over een langere periode dan een dag) verblijven van dezelfde mensen in een gebouw. Achterliggende gedachte is dat het bouwwerk bestemd moet zijn voor het verblijf van mensen. In artikel 2.4, lid d van de Mor zijn nadere eisen gesteld aan het (bodem)onderzoek. Hierin is onder andere bepaald dat de bodemgesteldheid door middel van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 dient te worden vastgesteld. Afhankelijk van de resultaten kan ook nog een Nader Onderzoek of asbestonderzoek noodzakelijk zijn. Ook is in de toelichting aangegeven dat iedere gemeente de bestuurlijke vrijheid heeft om vrijstelling te verlenen voor het uitvoeren van een bodemonderzoek. Deze vijstelling kan op basis van artikel 2.1.5, lid 3 en 4 van de bouwverordening worden verleend. Het is niet altijd wenselijk om een bodemonderzoek te verlangen, omdat dit onnodige lasten bij het bouwen met zich meebrengt. In de bouwverordening legt de gemeente vast voor welke situaties en onder welke voorwaarden een vrijstelling wordt verleend. De gemeente bepaalt zelf wanneer voldoende inzicht is in de bodemgesteldheid. In de praktijk is dit afhankelijk van de historische (verdachte) bodembedreigende activiteiten en van de lokale bodemkwaliteit. In de toelichting op de Modelbouwverordening wordt als voorbeeld van voldoende gegevens genoemd: een recent verkennend onderzoek dat kwalitatief gelijkwaardige informatie heeft opgeleverd (bodemonderzoek in het kader van aan- en verkoop of een bodemonderzoek uitgevoerd voor een eerdere bouw- of omgevingsvergunning op het perceel). Ook een bodemkwaliteitskaart (BKK) in combinatie met een Nota bodembeheer is als voldoende onderzoeksresultaat te beschouwen. Aangezien een BKK niets zegt over een lokale verontreiniging is het aan te bevelen om voor de betreffende locatie dan nog wel een historisch vooronderzoek uit te (laten) voeren 2.4BODEMKWALITEIT EN SANEREN 2.4.1WET BODEMBESCHERMING De regelgeving voor bodemsanering is vastgelegd in de Wet bodembescherming (Wbb) die op 1 januari 1987 inwerking is getreden. Op 1 januari 2006 is de Wet bodembescherming voor het laatst gewijzigd. De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem ‘schoon' is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. Inmiddels zijn wetsvoorstellen voor het mogelijk maken van gebiedsgericht beheer en van beleid voor de ondergrond (ontwerp algemene maatregel van bestuur bodemenergie) in een vergevorderd stadium. De verwachting is dat deze wijzigingen van de Wbb in 2012 in werking treden. De saneringsparagraaf waterbodems is reeds uit de Wbb gehaald en opgenomen in de Waterwet. Circulaire bodemsanering Op 1 mei 2006 is de Circulaire Bodemsanering 2006 in werking getreden. In deze Circulaire staat de uitwerking van het saneringscriterium centraal (vanuit artikel 37 Wbb), dat bepaald of bij een geval van ernstige verontreiniging aanleiding is voor een vorm van saneren of beheren. De Circulaire gaat ook in op de uitwerking van de sanerings-doelstelling zoals die is opgenomen in de gewijzigde tekst van artikel 38 van de Wet bodembescherming, en de wijze waarop de ernst en spoedeisendheid van een geval van bodemverontreiniging worden vastgesteld. Wijzigingen van de Circulaire hebben zich voorgedaan per 1 oktober 2008 en per 1 april
Spoorgebonden gronden: terreinen in eigendom van Rail-Infra-Trust (ProRail) èn NS Vastgoed (NS Poort). Saneringslocaties in het kader van de Wet Bodembescherming, exclusief locaties die multifunctioneel zijn gesaneerd of waarvan de saneringsput is opgevuld met schone of (kwalitatief) gebiedseigen grond. Alle gebieden en terreinen die niet historisch onverdacht zijn, vallen onder de verdachte gebieden. De bodemkwaliteit van deze gebieden en terreinen zijn dan ook niet meegenomen bij het opstellen van de bodemkwaliteitskaarten. Om vast te kunnen stellen of een gebied, perceel of terrein verdacht, danwel onverdacht is, is bodeminformatie nodig. Het vooronderzoek moet voldoen aan de meest recente versie van de NEN 5725 2. Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek, NEN . 3.1.3 QUICK SCAN VOORONDERZOEK [vervallen] 3.2BODEMKWALITEIT MARN-REGIO De bodemkwaliteit van onverdachte gebieden in de MARN-regio is goed tot uitstekend te noemen. De kwaliteit van de bovengrond (0-0,5 m-mv) in de MARN-regio is voor het grootste deel te karakteriseren als ‘Schoon’. Alleen in de woongebieden die recent ontwikkeld zijn of nog ontwikkeld gaan worden op landbouwgronden, is de bovengrond gemiddeld licht belast met bodemverontreinigende stoffen, waardoor deze woongebieden in de kwaliteitsklasse Wonen vallen. De kwaliteit van de ondergrond van 0,5 tot 2 m-mv valt in de gehele regio gemiddeld in de klasse AW2000 (Schoon). 3.3BODEMFUNCTIEKLASSENKAART De bodemfunctieklassenkaart van de gemeenten in de MARN-regio is tot stand gekomen door te kijken naar de huidige gebruiksfuncties van gebieden, naar gebieden met een bijzonder karakter en gebruik en de toekomstige ontwikkelingen die leiden tot functieverandering (bijvoorbeeld landbouw-natuur wordt wonen of industrie wordt wonen). Hierbij is uitgegaan van de bebouwingsgeschiedenis en de bodemkwaliteitskaart. Zo is het bebouwde of nog te bebouwen gedeelte van het gemeentelijk grondgebied ingedeeld in de functieklassen wonen of industrie. Om de bodemfunctieklassenkaart leesbaar te houden zijn lijnvormige (bijv. wegen en spoorlijnen) en kleine gebieden (bijv. solitaire woningen in het buitengebied) niet apart in de kaart aangegeven. De uitgangspunten voor de indeling in de bodemfunctieklassenkaart zijn aangegeven in een toelichting bij de kaart. De bodemfunctieklassenkaart heeft alleen betrekking op de landbodem. Percelen en gebieden met functie oppervlaktewater of waterbodem (zoals sloten, vijvers en plassen, maar ook de uiterwaarden, zandwinputten en kleigaten) maken geen deel uit van de bodemfunctieklassenkaart. Voor deze gebieden/percelen is het bevoegd gezag gelegen bij het waterschap of Rijkswaterstaat. 3.4KANSEN EN BEDREIGINGEN Kansen Omdat het grootste deel van de bodem in de MARN-regio als schoon te karakteriseren is, kan het meeste grondverzet plaatsvinden zonder het uitvoeren van partijkeuringen op de grond; er kan vrij grondverzet plaatsvinden. Belemmeringen Als uit de woongebieden grond uit de bovengrond vrijkomt, dan kan dit alleen in de andere woongebieden in de bovengrond worden verwerkt. Echter omdat op het moment van vrijkomen van deze grond er vaak geen project in deze woongebieden voorhanden is, waar deze grond verwerkt kan worden in de bovengrond, zal deze grond meestal afgevoerd moeten worden naar een grootschalige bodemtoepassing of een verwerkingsbedrijf, zoals grondbanken. Ook bij het vrijkomen van grond met de klasse Industrie, vastgesteld met een partijkeuring, is men in de MARN-regio aangewezen op verwerking in grootschalige bodemtoepassingen of afvoer naar grondverwerkingsbedrijven. 3.5VISIE OP CHEMISCHE BODEMKWALITEIT IN MARN-REGIO De bodemkwaliteit van de onverdachte gebieden in de MARN-regio is over het algemeen van een goed tot uitstekend niveau. In de onverdachte gebieden is daardoor het risico verwaarloosbaar dat de bodemkwaliteit dermate slecht is dat een bodemsanering noodzakelijk is voordat op het perceel gebouwd mag worden, of dat door grondverzet andere gebieden in de MARN-regio een slechtere bodemkwaliteit krijgen. In deze nota wordt voor de chemische bodemkwaliteit onderscheid gemaakt tussen onverdachte en verdachte terreinen (
paragraaf 3.2). Onverdachte terreinen (vastgesteld met een Quickscan Vooronderzoek of een vooronderzoek conform de NEN 5725) worden beschouwd als terreinen waar voor ruimtelijke activiteiten (grondverzet, wijziging bestemming en bouwplannen) geen aanleiding bestaat om de bodemkwaliteit op voorhand met een onderzoek vast te stellen. Hierdoor is er voor deze gebieden vaak minder aanleiding voor het stellen van regels voor grondverzet en bouwactiviteiten en ligt de nadruk op het behoud van de goede bodemkwaliteit . Voor de onverdachte gebieden in de MARN-regio geldt daarom een vrijstelling voor het uitvoeren van een bodemonderzoek voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten. Omdat de bodem in de onverdachte gebieden in de MARN-regio van een goede chemische kwaliteit is, kan de focus in de voorbereiding op ruimtelijke activiteiten hierdoor met name gericht zijn op het vaststellen van de bodemkwaliteit op de verdachte terreinen. Op deze terreinen is de grootste kans/risico dat de bodemkwaliteit niet voldoet aan de (toekomstige) functie die het heeft of zal krijgen. Bodem¬onderzoek voorafgaand aan de ruimtelijke activiteit op verdachte terreinen is hierdoor noodzakelijk. Indien noodzakelijk wordt de bodem geschikt gemaakt voor de (toekomstige) functie door middel van het treffen van bodemsaneringsmaatregelen. Ook bij afvoer van grond vanaf dergelijke terreinen, zonder dat er een goed inzicht is in de bijbehorende chemische kwaliteit, is het risico het grootst dat dit leidt tot negatieve gevolgen elders in de MARN-regio of zelfs daarbuiten. Grondverzet vanaf verdachte terreinen en andere terreinen die uitgesloten zijn van de Bodemkwaliteitskaarten mag daarom alleen plaatsvinden met partijkeuringen als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit. Een historisch vooronderzoek (NEN 5725) maakt deel uit van een partijkeuring. Schematisch kan deze visie als volgt worden weergegeven: Afbeelding 3.1 Visie op bodemkwaliteit bij ruimtelijke activiteiten Hoofdstuk4Grondverzet in de MARN-regio 4.1GENERIEKE REGELS IN GEBIEDSPECIFIEK BELEID In de MARN-regio past de bodemkwaliteit in de onverdachte gebieden en terreinen goed op de bodemfuncties die in de bodemfunctieklassenkaart zijn gedefinieerd. Hierdoor ontstaan is er bij grondverzet geen grote knelpunten. Grondverzet kan daarom in de MARN-regio plaatsvinden op basis van de landelijke regels hiervoor, het zogenaamde generieke beleid. De deelnemende gemeenten in de MARN-regio hebben afgesproken een gezamenlijk grondverzetbeleid op te stellen en elkaars bodemkwaliteitskaarten te accepteren. Hierdoor kan het grootste deel van het grondverzet vanuit onverdachte gebieden op relatief eenvoudige wijze plaatsvinden zonder keuringskosten. Verder heeft de regio enkele regels opgesteld over het omgaan met asbest en andere bodemvreemde materialen. Het accepteren van elkaars bodemkwaliteitskaarten, en het vaststellen van regels die afwijken van het landelijke kader wordt binnen het Besluit bodemkwaliteit gezien als gebiedspecifiek beleid. Dit betekent dat deze nota door de gemeenteraden van de verschillende gemeenten moet worden vastgesteld en dat inspraak geregeld moet zijn conform de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 4.2GRONDVERZET IN ONVERDACHTE GEBIEDEN 4.2.1BODEMKWALITEITSKAART ALS BEWIJSMIDDEL Voor de gebieden en terreinen die (bijvoorbeeld op basis van de Quickscan Vooronderzoek of een historisch vooronderzoek conform de NEN 5725) als onverdacht beschouwd mogen worden mag de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel gebruikt worden, mits de toepassing als nuttig en functioneel is (
paragraaf 2.2.1). Op de ontgravingskaarten zijn de kwaliteitsgegevens weergegeven van de te ontgraven boven- en ondergrond. Op de toepassingskaarten voor de boven- en ondergrond zijn de toepassingseisen gegeven die gelden voor een gebied als een partij grond wordt toegepast. Om snel en eenvoudig te kunnen vaststellen of vrij grondverzet mogelijk is, zijn de gegevens van de ontgravingskaarten en de toepassingskaarten in een matrix geplaatst, de zogenaamde grondstromenmatrix. Op de horizontale as van de grondstromenmatrix staan de gegevens uit de toepassingskaart en op de verticale as de gegevens uit de ontgravingskaarten. Met een kleurcodering is te
n waar grondverzet tussen gebieden binnen de MARN-regio mogelijk is (groen), en waar dit niet kan (rood) Tabel 4. 1 Grondstromenmatrix MARN-regio 4.2.2BEWIJSMIDDEL TOEPASSINGSLOCATIE BIJ NIET-ONVERDACHTE LOCATIES Het kan voorkomen dat de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit van de ontvangende bodem kan worden gebruikt omdat deze locatie verdacht is voor het voorkomen van bodemverontreiniging of dat de locatie anderszins uitgesloten is van de bodemkwaliteitskaart. Tenzij de grond die wordt toegepast als ‘schoon’ mag worden beschouwd op basis van een partijkeuring of de ontgravingskaart, moet de ontvangende bodem in dat geval worden onderzocht om te kunnen vaststellen of vrij grondverzet mogelijk is. Als een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd om de chemische kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen, is een bodemonderzoek conform de laatste versie van de NEN5740 toegestaan als bewijsmiddel. Is de aldus vastgestelde bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem gelijk of slechter dan die van de ontgravingslocatie (op basis van de ontgravingskaart) èn is de kwaliteit voldoende bij de gesteld bodemgebruiksfunctie (de zgn. dubbeltoets) , dan is vrij grondverzet naar deze toepassingslocatie toegestaan. 4.2.3OMGAAN MET ASBEST EN BODEMVREEMD MATERIAAL De aanwezigheid van bodemvreemd materiaal kan niet altijd vooraf worden vastgesteld. Als tijdens de ontgraving van de bodem blijkt dat bodemvreemde materialen (asbest, plastic, slakken, huisvuil e.d.) of andere zintuiglijke afwijkingen, zoals afwijkende geuren, worden geconstateerd, moet worden gestopt met de werkzaamheden en moet contact worden opgenomen met de gemeente. Mogelijk is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en moet dit in het kader van de Wet bodembescherming worden opgepakt. Ook in verband met ARBO en de veiligheid en gezondheid van de mensen die in de grond werken is het van wettelijk verplicht de risico’s te inventariseren en passende maatregelen te treffen, conform de CROW-publicatie 1323CROW-publicatie 132 ‘Werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water’. Als bij het graven in de grond significante hoeveelheden bodemvreemd materiaal worden aangetroffen of als er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van asbest(verdacht) materiaal, dan wordt de grond niet meer als onverdacht beschouwd. De regio MARN beschouwt meer dan 5 volumeprocenten bodemvreemd materiaal (puin, koolas, glas, tempex e.d.) in de grond als significant. Een nadere invulling: grond met meer dan een zwakke/lichte bijmenging met bodemvreemde materialen betekent, meer dan 5 volumeprocenten bodemvreemd materiaal en dus verdacht. Ook in de volgende gevallen mag grond niet meer als onverdacht worden beschouwd: als in de grond visueel asbest(verdacht) materiaal wordt aangetroffen; indien in de grond asfaltbrokken worden aangetroffen; als sprake is van afwijkende geuren (olie, teer e.d.) en kleuren; bij alle overige aanwijzingen die wijzen op mogelijke verontreiniging van de bodem. Als de grond als verdacht is, zal minimaal een partijkeuring op de af te voeren grond plaats moeten vinden en is er mogelijk een reden zijn voor (nader) bodemonderzoek op deze locatie. Op grond van de Wet bodembescherming moet van dergelijke onverwachte verontreinigingsgevallen melding worden gemaakt bij de gemeente of de provincie. 4.3GRONDVERZET IN VERDACHTE GEBIEDEN 4.3.1HISTORISCH VOORONDERZOEK Voor de gebieden en terreinen die op basis van de Quickscan Vooronderzoek als (mogelijk) verdacht beschouwd moeten worden, moet eerst een historisch vooronderzoek plaatsvinden op basis van de NEN 5725, verminderd basisniveau. Het onderzoek dient zich te richten op het perceel waar de ontgravingslocatie zich bevindt en de belendende percelen tot een maximum van 25 meter buiten het perceel van de ontgravingslocatie. Dit historisch vooronderzoek heeft als mogelijk resultaat: De ontgravingslocatie kan alsnog als onverdacht worden beschouwd op basis van de extra informatie die verzameld is (ga naar paragraaf 4.2), of De ontgravingslocatie betreft een verdachte locatie. Op de (te) ontgraven grond moet een partijkeuring plaatsvinden. 4.3.2PARTIJKEURING IS BEWIJSMIDDEL Voor grond die vrijkomt van een verdachte locatie is een partijkeuring het bewijsmiddel voor de toepassing van de grond. Voor de toepassing van grond met een partijkeuring dient de dubbele toets (
paragraaf 2.2.1) van het generieke beleidskader. Dat betekent dat de kwaliteit van de partij gekeurde grond moet voldoen aan de bodemfunctieklasse van de toepassingslocatie én aan de kwaliteit van de ontvangende bodem van de toepassings¬locatie (de zogenaamde dubbele toets). Een NEN-bodemonderzoek geldt niet als bewijsmiddel voor de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de toe te passen grond, met uitzondering van onderzoeksstrategieën TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE. 4.3.3BEWIJSMIDDEL TOEPASSINGSLOCATIE Als bewijsmiddel voor de bodemkwaliteit op onverdachte toepassingslocaties mogen de Toepassingskaarten worden gebruikt. Als de toepassingslocatie verdacht is of om een andere reden niet opgenomen is in de Bodemkwaliteitskaart, dan mag deze kaart niet als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit van de ontvangende bodem worden gebruikt. Tenzij de grond die wordt toegepast als ‘schoon’ mag worden beschouwd op basis van een partijkeuring of de ontgravingskaart, moet de ontvangende bodem in dat geval worden onderzocht om te kunnen vaststellen of vrij grondverzet mogelijk is. Voor het met een bodemonderzoek vaststellen van de chemische kwaliteit van de ontvangende bodem is een alleen bodemonderzoek conform de laatste versie van de NEN5740 toegestaan als bewijsmiddel, voorafgegaan door een vooronderzoek conform de NEN
paragraaf 3.1.2); Alle wegen buiten de verkeerskundige bebouwde kom (na het verkeersbord ‘einde bebouwde kom’). De bodemkwaliteitskaarten zijn voor grondverzet vanuit (de bermen van) deze wegen niet van toepassing en geldt dan ook niet als bewijsmiddel. Voor vrijkomende grond uit deze bermen, taluds e.d. en bij reconstructies van deze wegen is voor hergebruik een partijkeuring (AP04) vereist. Het kan voorkomen dat de chemische bodemkwaliteit van een weg(berm) buiten de bebouwde kom op basis van historie, verkeersintensiteit, gebruik verhardingsmateriaal e.d. zeer waarschijnlijk niet zal afwijken van de zonekwaliteit van het buitengebied (schoon/AW 2000). De bodemmedewerker kan , als hiervoor voldoende aanwijzingen zijn, akkoord gaan met het hanteren van de zonekwaliteit buitengebied als kwaliteit van de grond uit de berm. De bewijslast hiervoor ligt bij degene die het initiatief neemt voor grondverzet vanuit deze berm. Voor het toepassen van grond in bermen en taluds van alle bovengenoemde ‘verdachte’ wegen mag het beleid worden gehanteerd zoals neergelegd in deze Nota bodembeheer, mits de beheerder/eigenaar de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel accepteert en bij ontgraving en toepassing de regels uit deze Nota bodembeheer worden gehanteerd. Grond van onder of afkomstig uit bermen van alle overige gemeentelijke wegen mag worden hergebruikt zonder partijkeuring. De bodemkwaliteitskaarten mogen daarbij worden gehanteerd als bewijsmiddel, waarbij aangesloten moet worden bij de kwaliteitszone (wonen, industrie) waarin de weg(berm) is gelegen. Let wel op afwijkingen in de ontgraven grond! Met nadruk wordt hierbij wel gesteld dat als er afwijkende materialen of geuren in of aan de grond wordt waargenomen (
paragraaf 4.2.2.), deze grond als verdacht moet worden beschouwd, en vrij grondverzet met de bodemkwaliteitskaart niet meer aan de orde is. 4.5.2GRONDVERZET IN EEN GROOTSCHALIGE BODEMTOEPASSING Deze vorm van toepassing is beschreven in paragraaf 2.2.
tabel 4.1). Wel moet aan voorwaarden worden voldaan: De kwaliteit van de grond/baggerspecie moet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem. De grond/baggerspecie mag maximaal gedurende een in het Besluit vastgestelde periode worden opgeslagen. De eindbestemming van de grond/baggerspecie moet binnen zes maanden bekend zijn. Na afloop van de termijn van het gebruik van de tijdelijke opslagplaats moet alle daar opgeslagen grond van de locatie verwijderd zijn. In tabel 4.1 is een overzicht gegeven van de verschillende vormen van tijdelijke opslag en welke voorwaarden Tabel 4.1 Vorm van tijdelijke opslag Voorwaarden van het Besluit Maximale duur van de opslag Kwaliteitseisen Meldingplicht Kortdurende opslag 6 maanden - Ja Tijdelijke opslag op landbodem 3 jaar Kwaliteit moet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem4conform de bodemkwaliteitskaart Ja, met voorziene duur van opslag en eindbestemming Tijdelijke opslag in waterbodem 10 jaar Kwaliteit moet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende waterbodem Ja, met voorziene duur van opslag en eindbestemming Weilanddepot: opslag van baggerspecie over aangrenzend perceel 3 jaar Alleen baggerspecie die voldoet aan de normen voor verspreiding over aangrenzende percelen Ja, met voorziene duur van opslag en eindbestemming Verwerking van meldingen door de gemeenten De meldingen van grond- en/of baggerstromen (inclusief bijlagen) worden door de gemeente bij binnenkomst geregistreerd en gearchiveerd. Binnenkomende meldingen worden door de gemeenten waar de grond wordt toegepast beoordeeld. Als meldingen naar oordeel van de gemeente onduidelijk, onvolledig of anderszins niet toereikend zijn, vraagt de gemeente nadere gegevens aan de melder. Zolang de gevraagde gegevens niet in bezit van de gemeente zijn kan het grondverzet niet plaatsvinden, ook niet als de meldingstermijn verstreken is Verantwoordelijkheden van de opdrachtgever De verantwoordelijkheid voor het naleven van de regels rond grond- en baggerverzet, waaronder het tijdig melden, ligt bij de opdrachtgevers van grond- en/of baggertoepassing. Als achteraf blijkt dat er foutief is gehandeld, kan de opdrachtgever zich niet beroepen op de gedane melding, of eventueel het uitblijven van een reactie van het bevoegde gezag binnen de bepaalde termijn. Ook na toepassing mag de gemeente nog optreden tegen overtredingen van de regelgeving als blijkt dat niet de juiste gegevens zijn verstrekt of sprake is van toepassen van grond en/of baggerspecie van onjuiste kwaliteit. Alle gegevens moeten minimaal vijf jaar bewaard blijven, ook indien geen melding verricht hoefde te worden. Transport van grond en bagger Naast het melden van het toepassen van grond en/of baggerspecie bij het centrale meldpunt moet ook het vervoer van verontreinigde grond worden gemeld. Soms moeten dus twee meldingen worden verricht. Voor het vervoer van verontreinigde grond is sinds 1 januari 2005 een landelijke regeling van kracht geworden: Regeling melden van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke stoffen. Deze regeling gaat over de inzameling van bepaalde categorieën afvalstoffen, waaronder verontreinigde grond en baggerspecie. De initiatiefnemer voor transport van verontreinigde grond (de ontdoener) moet zorgen dat bij het transport van de grond of baggerspecie over de openbare weg de vereiste documenten aanwezig zijn. Vervoerders, inzamelaars, handelaars en/of bemiddelaars dienen landelijk geregistreerd te zijn. Deze bedrijven krijgen een zogenaamd VIHB nummer. Als de grond/baggerspecie wordt afgevoerd naar een meldingsplichtige inrichting (reiniger, stortplaats of depot voor het opslaan van verontreinigde grond/baggerspecie), dan moet deze inrichting een afvalstroomnummer verstrekken voordat de grond getransporteerd kan worden. Tevens moet zij aan het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA, www.lma.
paragraaf 5.3). Bepaal of de diffuse bodemkwaliteit voldoet aan de toekomstige bodemfuncties van het plangebied. Als de diffuse bodemkwaliteit na beide onderdelen geschikt is voor het toekomstig gebruik/functie kan het bestemmingsplan zonder verdere maatregelen doorgang vinden. Als de diffuse bodemkwaliteit onvoldoende geschikt is voor het toekomstig gebruik wordt bepaald of sprake is van gebruiksbeperkingen en wordt de financiële haalbaarheid van het bestemmingsplan voor het thema Bodem getoetst in stap 4. Lokale verontreinigingen Beoordeel of voldoende bodemgegevens beschikbaar zijn over de lokale verontreinigingen binnen het plangebied om een uitspraak te kunnen doen over de aanwezigheid, aard en omvang van de verontreiniging. Bij onvoldoende gegevens dient een nader bodemonderzoek uitsluitsel te geven. Toets vervolgens de bestaande bodemgegevens over verontreinigingen aan de criteria in de Circulaire bodemsanering om te bepalen in hoeverre sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en/of onaanvaardbare risico’s aanwezig zijn. Aan de hand van de Circulaire Bodemsanering wordt bepaald of het saneringscriterium wordt overschreden en in welke mate de verontreiniging spoedeisend is. Op basis hiervan moet worden bepaald of er gesaneerd moet worden of dat kan worden volstaan met beheersmaatregelen. Er kunnen twee situaties worden onderscheiden: er is geen sprake van een geval van (ernstige) bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming. Daarnaast is de huidige diffuse bodemkwaliteit vergelijkbaar of schoner dan de regionale vastgestelde bodemkwaliteit (die is vastgesteld in de Bodemkwaliteitskaart). Dit betekent dat er geen belemmering is voor het toekomstig gebruik. Beschrijf de uitkomsten van de bodemtoets in een bodemparagraaf bij het bestemmingsplan; er is wel sprake van een geval van (ernstige) bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming of een diffuse bodemkwaliteit die slechter is dan de regionaal vastgestelde bodemkwaliteit. De aanwezigheid van een lokale verontreiniging, als gevolg van een puntbron, kan bij de realisatie van het bestemmingsplan aanleiding zijn voor het uitvoeren van sanering. Toets dan de financiële haalbaarheid van het bestemmingsplan. Stap 4 - Is het plan financieel haalbaar? De kosten van het verwerken van de bij het voorgenomen bestemmingsplan vrijkomende (diffuus) verontreinigde grond (denk aan aanleg/bouw van wegen en huizen) moet in de exploitatie van het bestemmingsplan worden opgenomen. Indien het voornamelijk gaat om diffuus verontreinigde grond is het vooral van belang om in de planfase rekening te houden met het streven naar een gesloten grondbalans. Daarvoor moeten vraag en aanbod van grond- en baggerstromen in kaart worden gebracht. Als sprake is van een lokale verontreiniging moet de saneringskosten in de exploitatieopzet van het bestemmingsplan zijn verwerkt. Het gaat om het identificeren en kwantificeren van de (financiële) risico’s. Daarnaast kan de bodemmedewerker een advies uitbrengen over uitgangspunten die meegenomen kunnen worden in het ontwerp om tot een efficiënte oplossing te komen voor de omgang met verontreinigde bodem. Neem een beschrijving van de uitkomsten van de bodemtoets op in een bodemparagraaf bij het bestemmingsplan. 5.1.3PROCEDURELE VEREISTEN Bij de vaststelling van het bestemmingplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De resultaten van de bodemtoets (inclusief de resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoeken) moeten in de plantoelichting (bodemparagraaf), of in een aparte bijlage bij het plan, worden opgenomen. 5.2BODEM BIJ (VER)BOUWEN 5.2.1INLEIDING Vaak vloeien uit een ruimtelijk plan (bijv. bestemmingsplan) bouwwerkzaamheden voort. De gemeente moet bij een omgevingsvergunning toetsen of de bodemkwaliteit van een locatie geschikt is om op te bouwen. Het primaire doel van de bodemtoets bij de omgevingsvergunning is het tegengaan dat gebouwd wordt op verontreinigde grond waarbij nadelige gevolgen kunnen optreden voor de (gezondheid van de) gebruikers van het bouwwerk. Ook kan de aanwezigheid van bouwwerken toekomstige bodemsanering bemoeilijken. De gemeente dient bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning5Bij vergunningsvrij bouwen geldt geen bodemonderzoekplicht. Als echter bekend is dat op de locatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en van een bouwwerk waarin mensen verblijven, dan kan vanuit de zorgplicht handhavend worden opgetreden. te beoordelen of de bodemkwaliteit op de bouwlocatie risico’s oplevert voor de gebruikers van het bouwwerk. Dit alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwwerk te verlenen. 5.2.2STAPPENPLAN BODEMTOETS BOUWEN Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten wordt voor de Bodemtoets door de gemeente het onderstaande stappenplan gebruikt: Stap 1 Is een bodemonderzoek noodzakelijk? De eerste stap is de beoordeling of gebruik gemaakt kan worden van een vrijstelling voor een bodemonderzoek. Hiervoor moet historisch onderzoek conform NEN 5725 worden uitgevoerd. Als uit het historisch onderzoek conform de NEN 5725 blijkt dat het bouwwerk wordt gerealiseerd op een terrein dat geheel onverdacht is, dan hoeft voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten geen bodemonderzoek worden uitgevoerd. Ook voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van bijgebouwen (niet verblijfsgebouwen), bouwwerken geen gebouw zijnde, tijdelijke gebouwen en kleine verblijfsgebouwen (<50 m2), hoeft geen bodemonderzoek uitgevoerd te worden. In alle andere gevallen moet een bodemonderzoek plaatsvinden. Wanneer er een bodemonderzoek aan de gemeente wordt overhandigd moet er ook een xml-bestand worden bijgevoegd wat voldoet aan de meest actuele versie van de SIKB0101 standaard en de Basisdataset onderzoeksgegevens. Stap 2 toets resultaten bodemonderzoek Als voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten het uitvoeren van een bodemonderzoek noodzakelijk is, worden de onderzoeksresultaten voor afgifte van de omgevingsvergunning getoetst op de (diffuse) bodemkwaliteit en op eventuele aanwezige lokale verontreinigingen. De uitkomst van deze toets kun de volgende zijn: De vergunning kan worden verleend. In het bodemonderzoek zijn voor de geanalyseerde stoffen in de grond geen concentraties gemeten die de klasse ‘wonen’ overschrijden. In het grondwater overschrijdt geen van de stoffen de tussenwaarde8 en is er geen aanleiding om een geval van ernstige grondwaterverontreiniging te verwachten. De vergunning wordt onder voorwaarden verleend. Dit kan leiden tot de volgende scenario’s. In het bodemonderzoek: overschrijden stoffen in de grond de klasse ‘wonen’, maar de interventiewaarden worden niet overschreden. De stoffen die voorkomen boven de klasse ‘wonen’ moeten worden getoetst met de Risicotoolbox (www.risicotoolboxbodem.nl/) op humane risico’s. Als uit deze toets komt dat de risico-index (RI) voor humane risico’s hoger is dan 1 en dit risico geldt voor het bebouwde deel, dan moet een plan van aanpak worden opgesteld dat ter goedkeuring aan de gemeente wordt overgelegd (voor eisen aan het plan,
hoofdstuk 6). In dit plan van aanpak moet door de initiatiefnemer aangegeven worden hoe met het risico wordt omgegaan. Dit kan zijn door het treffen van saneringsmaatregelen, of door het afspreken van gebruiksbeperkingen of beheermaatregelen. Voor het onbebouwde deel van het terrein kan bij een RI>1 geen plan van aanpak worden afgedwongen, maar kan de gemeente besluiten een advies in de omgevingsvergunning op te nemen (
stap 3). Als de risico-index lager is dan 1, dan kan de omgevingsvergunning zonder beperkingen worden afgegeven. overschrijden stoffen de interventiewaarden, maar is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging6Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging als de interventiewaarde wordt overschreden in meer dan 25 m³ grond of 100 m³ grondwater. In dat geval worden die stoffen die de interventiewaarde overschrijden getoetst met het programma Sansrit (www.risicotoolboxbodem.nl/sanscrit). Als uit de risicobeoordeling met Sanscrit blijkt dat er sprake is van een actueel risico, dan moet net als onder punt a) een plan van aanpak worden opgesteld dat ter goedkeuring aan de gemeente wordt overgelegd. In dit plan van aanpak moet door de initiatiefnemer aangegeven worden hoe met het risico wordt omgegaan. Dit kan zijn door het treffen van saneringsmaatregelen, of door het afspreken van gebruiksbeperkingen of beheersmaatregelen. Als er op basis van Sanscrit geen sprake is van een actueel risico, dan kan de omgevingsvergunning zonder beperkingen worden afgegeven. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De omgevings-vergunning voor de bouwactiviteit wordt op grond van artikel 52a Ww aangehouden tot het bevoegd gezag Wbb (provincie Gelderland) de BUS-melding op de te nemen saneringsmaatregelen7Als het geval van ernstige bodemverontreiniging geen onaanvaardbare risico’s met zich meebrengt, geldt formeel aanhouding tot acceptatie BUS-melding of beschikking Ernst en Spoedeisendheid (ESP). Omdat in de praktijk een saneringsplan nodig is in het kader van het bouwplan, wordt gewacht tot de beschikking op het saneringsplan is genomen. heeft geaccepteerd, of een beschikking op het saneringsplan heeft afgegeven. Artikel 52 is niet van toepassing op nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. Als er in het geheel geen zicht is op sanering is de conclusie dat de bodem niet geschikt is. De omgevingsvergunning wordt dan geweigerd. Wanneer voldoende zicht bestaat op het binnen redelijke termijnen beschikbaar komen van een goedgekeurd saneringsplan, kan de omgevingsvergunning worden verleend onder voorwaarden dat vooruitlopend op de bouw een bodemsanering plaatsvindt (tot die tijd geldt dan ook de aanhoudingsplicht). Bestaat hierover onvoldoende zekerheid en zijn de risico’s te groot, dan geldt het advies de omgevingsvergunning te weigeren. Op pagina 45 wordt deze toetsing nog eens schematisch weergegeven: Aanhoudingsplicht artikel 52 a Woningwet In situaties met een redelijk vermoeden dat sprak is van een geval van ernstige bodemverontreiniging kunnen burgemeester en wethouders de bouwaanvraag aanhouden op grond van artikel 52a van de Woningwet (Ww). Conform artikel 8 Ww dient dan wel sprake te zijn van bouwwerken waarin mensen verblijven. Artikel 52 is niet van toepassing op nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. Er is sprake van een vermoedelijk geval van ernstige bodemverontreiniging bij een overschrijding van de tussenwaarde8(AW2000+interventiewaarde)/2 in een verkennend bodemonderzoek. De tussenwaarde is in beginsel de grens waarboven nader onderzoek moet worden uitgevoerd, teneinde onder andere vast te stellen wat de omvang en daarmee de ernst van een verontreinigingsgeval is. Het besluit tot aanhouding van de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning moet worden genomen binnen 2 weken na ontvangst daarvan. Als de beslissing niet binnen deze termijn is genomen en uit een onderzoeksrapport blijkt dat de bodem (mogelijk) ernstig verontreinigd is, dan wordt omgevingsvergunningsaanvraag van rechtswege aangehouden. In de volgende situaties kan de aanhoudingsplicht worden opgeheven: het bevoegd gezag Wbb heeft ingestemd met de BUS-melding9Zodra een BUS-melding door het bevoegd gezag Wbb is geaccepteerd, moet het college van B&W de omgevingsvergunning verlenen. Zij kan aan die vergunning de voorwaarde verbinden dat met de uitvoering van de bouwplannen pas mag worden gestart na goedkeuring van het evaluatieverslag van de sanering. Dit is van belang omdat bij het verlopen van de geldigheid van de BUS-melding de omgevingsvergunning niet kan worden ingetrokken.; het bevoegd gezag Wbb heeft in een beschikking vastgesteld dat er sprake is van een geval van ernstige, maar niet spoedeisende, bodemverontreiniging; het bevoegd gezag Wbb heeft in een beschikking vastgesteld dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, waarvan sanering spoedeisend is. Verder heeft het bevoegd gezag Wbb beschikt op een (deel)saneringsplan. het bevoegd gezag Wbb heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Stap 3 advies bodemmedewerker voor bouwvergunning De conclusie van de bodemtoets formuleert de bodemmedewerker als bindend advies, zodat de bouwvergunningverlener vervolgens kan bepalen of de vergunning kan worden verleend of moet worden aangehouden. Als de bodemkwaliteit alleen voor de beoogde functie geschikt is onder voorwaarden, dan zal de bodemmedewerker dat in zijn advies aangeven wat de voorwaarden zijn waaronder de bouwvergunning kan worden verleend. Als er sprake is van humane risico’s op basis van de Risicotoolbox, zijn de risico’s veelal niet voor het gebruik van het bebouwde gedeelte, de contactmogelijkheden worden door de bebouwing immers afgeschermd, maar voor het overige terreindeel. Voor het overige terreindeel kunnen geen maatregelen worden afgedwongen, maar vervuld de gemeente een adviserende rol. Zo kan men bij het optreden van humane risico’s adviseren geen groente te telen in de tuin, of een leeflaag aan te brengen. Afbeelding 5.1 Stroomschema toets bodemonderzoeken Hoofdstuk6Saneren in de MARN-regio 6.1INLEIDING Als binnen een bodemverontreiniging het volume, grond waarin het gehalte boven de interventiewaarde ligt, meer dan 25 m3 bedraagt is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Dit is ook zo als het bodemvolume, waarin de interventiewaarde voor grondwater wordt overschreden, meer dan 100 m3 bedraagt. Bij (mogelijke) gevallen van bodemverontreiniging is de provincie Gelderland het bevoegde gezag op grond van de Wet bodembescherming (Wbb). In de volgende gevallen mag/moet de gemeente optreden als bevoegd gezag voor het saneren van bodemverontreiniging: Bij nieuwe gevallen van bodemverontreiniging (ontstaan na 1-1-1987). Bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging. Bij bodemverontreiniging in inrichtingen met een milieuvergunning waarbij de gemeente het bevoegd gezag is. In de volgende paragraaf worden deze gevallen toegelicht. In paragraaf 6.3 is aangegeven wat de gemeente aan randvoorwaarden stelt bij sanering van de drie bovengenoemde verontreinigingsgevallen. 6.2SANEREN ONDER GEMEENTELIJK BEHEER 6.2.1NIEUWE GEVALLEN VAN BODEMVERONTREINIGING Met de inwerkingtreding van de Wet bodembescherming in 1987 kent Nederland een algemeen beschermingsniveau en is het veroorzaken van bodemverontreiniging verboden. Er is sprake van een nieuwe bodemverontreiniging als de verontreiniging is ontstaan na 1 januari 1987 en de bodemkwaliteit zoals vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart (lokale achtergrondwaarde), wordt overschreden. Als de locatie niet is opgenomen in de bodemkwaliteitskaart geldt de AW 2000-waarde. Het zorgplichtbeginsel verplicht degene die handelingen verricht waardoor de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, om de bodem te saneren en de directe gevolgen zo veel mogelijk ongedaan te maken. Het zorgplichtbeginsel is vastgelegd in artikel 13 Wbb en artikel 1.1a van de Wet milieubeheer (Wm). Ongewoon voorval Als de verontreiniging het gevolg is van een ongewoon voorval (kantelen vrachtauto, stuktrekken leiding e.d.) moeten de maatregelen zo spoedig mogelijk worden genomen. De veroorzaker van het ongewoon voorval, danwel degene die bij de handeling betrokken is, moet dit conform artikel 27 Wbb melden bij het bevoegd gezag Wbb. Het melden van ongewone voorvallen binnen inrichtingen vinden plaats aan het bevoegd gezag Wm, die het bevoegd gezag Wbb hiervan in kennis moet stellen als het ongewone voorval heeft geleid tot verontreiniging of aantasting van de bodem. Als het een geval is waar direct handelen vereist is, dan is het zaak dat de verontreiniging direct wordt ontgraven. Voorafgaand bodemonderzoek kan dan achterwege worden gelaten. De ontgravingsgrenzen worden tijdens de sanering vastgesteld. Indien sprake is van een situatie waar direct handelen niet nodig is, dient de veroorzaker bodemonderzoek uit te voeren geënt op verontreinigingsituatie (maatwerk). Het bureau dat het onderzoek heeft uitgevoerd, moet dan in het kader van de Kwalibo-regeling erkend te zijn door SenterNovem/Bodemplus (thans Agentschap NL). bevoegdheidsverdeling Voor nieuwe gevallen van bodemverontreiniging geldt sinds 2001 dat zowel de gemeente, provincie, rijk als de waterkwaliteitsbeheerder bevoegde gezagen zijn en daarover met elkaar afspraken moeten maken. In het Gelders bodemberaad zijn in 2007 hierover de volgende richtinggevende werkafspraken gemaakt. Deze afspraken zijn opgenomen in de Beleidsnota Bodem 2008, deel 2. Buiten inrichtingen Voor handhaving van onder meer artikel 13 Wbb buiten inrichtingen zijn de overheden gelijkwaardig bevoegd. Daarbij geldt de volgende taakverdeling: Het bevoegd gezag waar de melding binnenkomt is aanspraakpunt. De gemeenten kunnen ter ondersteuning een beroep doen op de provincie. De kwaliteitsbeheerder is aanspreekpunt bij slib op oevers of dammen in watergangen. De provincie is het aanspreekpunt voor het dempen van watergangen. Het ministerie van I&M is aanspreekpunt om handhavend op te treden bij het storten van afval. Binnen inrichtingen De hoofdregel voor de handhaving binnen inrichtingen blijft dat het bestuursorgaan dat het bevoegd gezag is in het kader van de Wm tot taak heeft zorg te dragen voor de handhaving. Dit geldt ook voor nieuwe gevallen van bodemverontreiniging binnen inrichtingen. Saneringsuitvoering De sanering van nieuwe gevallen valt onder de Kwalibo regelgeving. Dat betekent dat de aannemer en de milieukundige begeleiding gecertificeerd dienen te zijn voor de BRL-7000 respectievelijk BRL-6000. In het Gelders bodemberaad is afgesproken dat een nieuwe verontreiniging in principe in zijn geheel moet worden weggenomen tot het niveau van de vastgesteld gebiedseigen bodemkwaliteit (
.5.4), danwel de streefwaarde als de locatie niet is opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Er zijn echter situaties waarbij het niet redelijk is om een volledige sanering te verlangen, bijvoorbeeld als de verontreiniging zich deels of geheel onder een gebouw bevindt. Als de veroorzaker niet bekend is mag worden teruggevallen op de saneringsparagraaf van de Wbb en mag functiegericht en kosteneffectief worden gesaneerd. Als een saneerder niet volledig kan saneren moet een saneringsonderzoek worden opgesteld en aan het bevoegd gezag worden overgelegd. Wanneer restverontreiniging achterblijft, moet in het plan van aanpak worden aangegeven hoe en door wie de verontreiniging op termijn wordt verwijderd en beheerd. 6.2.2GEVALLEN VAN NIET-ERNSTIGE BODEMVERONTREINIGING Als de bodem op een locatie is verontreinigd, maar het betreft geen geval van ernstige bodemverontreiniging, hoeft niet te worden bepaald of er met spoed dient te worden gesaneerd. Verbeteren van de bodemkwaliteit kan niet worden voorgeschreven op grond van de Wet bodembescherming. Er is immers geen sprake van een potentieel risico dat een dergelijke verplichting rechtvaardigt. In bepaalde situaties kan op basis van andere wet- en regelgeving sanering wel noodzakelijk zijn. Hierbij moet worden gedacht aan sanering van tanks, bouwen op verontreinigde grond of hergebruik van grond. Ook is het mogelijk de grond op eigen initiatief en vrijwillig te saneren. De gemeente is bij deze gevallen het bevoegd gezag. Als een geval van niet-ernstige bodemverontreiniging wordt gesaneerd, geldt dezelfde werkwijze als voor een geval van ernstige bodemverontreiniging. Als bodemgevoelige locaties wijzen de gemeenten kinderspeelplaatsen, kinderdagverblijven, basisscholen en volkstuinen met een oppervlakte >200m2 aan. De maximaal toelaatbare kwaliteit wordt bepaald door de interventiewaarden uit de Wet bodembescherming. De gemeenten hebben gekozen om deze waarden voor lood te verlagen op bodemgevoelige locaties. De maximale toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood per gebruiksfunctie is opgenomen in de onderstaande tabel. Deze waarde is bepaald als gemeten gehalte, niet gecorrigeerd voor standaardbodem. De waarden in de tabel gelden voor deze functies ook als de terugsaneerwaarden voor lood. Tabel Maximale toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood. Gebruiksfunctie Waarde (in mg/kg ds) Moestuin >200m2 260 Plaatsen waar kinderen spelen 370 Eisen aan bodemonderzoek Het bodemonderzoek mag niet ouder zijn dan 5 jaar. In situaties dat binnen de onderzochte locatie tussentijds grondwerkzaamheden in de bodem hebben plaatsgevonden, er aanwijzingen zijn voor nieuwe verontreinigingen of er sprake is van mobiele verontreinigingen, hanteert de gemeente een kortere geldigheidsduur (maatwerk). De verontreiniging moet zodanig zijn afgeperkt dat uitgesloten kan worden dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Bodemonderzoek van ná 1 juli 2008 moeten voldoen aan de BRL-2000. De instantie die het onderzoek heeft uitgevoerd, moet in het kader van de Kwalibo-regeling erkend zijn door Agentschap NL (voorheen SenterNovem/Bodemplus). Wanneer er een bodemonderzoek aan de gemeente wordt overhandigd moet ook een xml-bestand worden toegevoegd wat voldoet aan de meest actuele versie van de SIKB0101 standaard en de Basisdataset onderzoeksgegevens. Eisen aan melding voorafgaand aan sanering Minimaal 6 weken voorafgaand aan de sanering meldt de initiatiefnemer de voorgenomen werkzaamheden bij de gemeente. De melding gebeurt via een plan van aanpak. Hierbij willen de gemeenten een kadastrale kaart met de contouren van de gebruiksbeperkingen ontvangen. De gemeente heeft 6 weken om de melding te toetsen en geeft schriftelijke reactie. Eisen aan uitvoering De sanering van niet-ernstige gevallen valt niet onder de Kwalibo regelgeving. Dat betekent dat de aannemer en de milieukundige begeleiding niet gecertificeerd hoeven te zijn voor de BRL-7000 respectievelijk BRL-6000. Dit wordt echter wel sterk aanbevolen. Aangezien de gemeenten in de MARN-regio een voorbeeldfunctie hebben, zullen zij voor gemeentelijke saneringen altijd gebruik maken van conform BRL 6000 en BRL 7000 erkende bedrijven. De gemeente hanteert bij het saneren van niet-ernstige gevallen de vastgestelde gebiedseigen bodemkwaliteit als terugsaneerwaarde (
.5.4.) of de maximale toelaatbare kwaliteit voor lood (
bovenstaande tabel). Eisen aan het evaluatieverslag Binnen 6 weken na afronding van de sanering overhandigt de initiatiefnemer een evaluatieverslag aan de gemeente. De gemeente heeft 6 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke reactie. 6.2.3BINNEN INRICHTING MET MILIEUVERGUNNING Soms worden bij de aanvraag van een milieuvergunning gegevens inzicht gevraagd in (de nulsituatie van) de bodemkwaliteit. Deze verplichting is dan opgenomen in de vergunning-voorschriften. Een bedrijf wordt alleen verplicht een (nulsituatie)¬bodem¬-onderzoek uit te voeren als het bedrijf potentieel bodembedreigende activiteiten heeft. Bij beëindiging van de milieuvergunning (bedrijfswijziging, verplaatsing etc.) is dan tevens een verklaring over de eindsituatie van de bodemkwaliteit nodig. Degene die voornemens is de activiteiten te beëindigingen dient dit te melden aan het Wm-bevoegd gezag. Indien het om een gedeeltelijke beëindiging van de bedrijfsactiviteiten gaat, moet voor dit gedeelte een eindsituatie worden vastgelegd. Het eindsituatie-onderzoek moet qua opzet gelijkwaardig zijn uitgevoerd aan het nulsituatie-onderzoek. In het geval dat er een verschil wordt geconstateerd tussen de bodemkwaliteit vastgesteld tijdens de nulsituatie en die bij de eindsituatie zal de gemeente, in het kader van de zorgplicht Wbb (art. 13 Wbb) en/of de Wet Milieubeheer (art.1.1a Wm), maatregelen eisen dat de bodem in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht. Als terugsaneerwaarde wordt daarbij het concentratieniveau gehanteerd dat vastgesteld is in het nulsituatie onderzoek. De initiatiefnemer dient de sanering te melden bij de gemeente en de gemeente houdt toezicht op de uitvoering. Na afloop van de sanering dient de initiatiefnemer een evaluatieverslag te overleggen. Eisen aan bodemonderzoek Het bodemonderzoek mag niet ouder zijn dan het termijn dat in de Wm-vergunning is opgenomen. Is er geen termijn opgenomen dan geldt een geldigheidsduur van 5 jaar. In situaties dat binnen de onderzochte locatie tussentijds werkzaamheden met grondverzet in de bodem hebben plaatsgevonden, er aanwijzingen zijn voor nieuwe verontreinigingen of er sprake is van mobiele verontreinigingen, hanteert de gemeente een kortere geldigheidsduur (maatwerk). Bodemonderzoeken van na 1 juli 2008 dienen te voldoen aan de BRL-
tabel. De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens achtergrondwaarden bedragen. Elke overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens Wonen (excl. nikkel). Klasse wonen: Alle verontreinigingen voldoen aan de klassegrens Wonen, met uitzondering van een aantal overschrijdingen,
tabel. De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Wonen plus de norm voor de klassegrens achtergrondwaarden bedragen. Elke overschrijding is lager dan de norm voor de klassegrens Industrie. Klasse industrie: Als de indeling niet leidt tot de indeling in klasse Wonen of achtergrondwaarden wordt de bodemkwaliteit ingedeeld in de klasse Industrie. Bodemkwaliteitszone Deel van een beheergebied waarvoor geldt dat er sprake is een zelfde gebiedseigen bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is in drie richtingen begrensd: X, Y en Z (dus ook diepte). Bijzondere omstandigheden Voor een binnen een bodemkwaliteitszone liggend gebied geldt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, als voor dat gebied een afwijkende verwachtingswaarde geldt ten opzichte van de verwachtingswaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone. Te denken valt aan verdachte locaties, onderzochte locaties, locaties waar een sanering heeft plaatsgevonden e.d.. Ook beschermde gebieden zoals bijvoorbeeld voor de ecologie, archeologie, aardkundige waarden, cultuurhistorie vallen onder de bijzondere omstandigheden. Deelgebied Deel van een beheergebied waarvoor geldt dat dit op eenduidige wijze kan worden gekarakteriseerd door de voor het beheergebied geldende onderscheidende kenmerken. In tegenstelling tot de bodemkwaliteitszone is voor het deelgebied nog geen toetsing uitgevoerd of het daadwerkelijk een bodemkwaliteitszone is. Ernstig verontreinigde grond Grond waarvan gehalten voor één of meer stoffen de interventiewaarden (I-waarde) overschrijden. Grootschalige (bodem)toepassing Grootschalige toepassingen hebben een minimaal volume van 5.000 m3 en een minimale toepassingshoogte van 2 meter. Voor (spoor) wegen geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5 meter. In het Besluit (artikel 63) zijn toepassingen benoemd die als grootschalige toepassingen gedefinieerd mogen worden: Toepassingen van grond en baggerspecie in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen. Toepassingen van grond en baggerspecie voor het afdekken van een saneringslocatie of een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving. Toepassingen van grond en baggerspecie in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart. Toepassing van grond en baggerspecie in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen. Grond Het geheel van bestanddelen van de aardbodem van natuurlijke oorsprong, dat wil zeggen een mengsel van gesteente en mineraalfragmenten vermengd met organische stof, niet ontstaan door menselijk handelen, dat door ontgraven is vrijgekomen uit de bodem. Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss. Ook verontreinigde grond die is gereinigd en ontwaterde of gerijpte baggerspecie worden als grond beschouwd. Grond die is vermengd met bodemvreemd materiaal kan, afhankelijk van de per situatie toelaatbare hoeveelheid, eveneens als grond worden gedefinieerd. Uitgangspunt hierbij is dat de fysische kwaliteit van de bodem, uitgedrukt in bodemvreemd materiaal, niet mag verslechteren. Interventiewaarde Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde wordt gesproken over een sterke verontreiniging of sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, in werking getreden op 1 april 2009 (Staatscourant 2009, 67). Nota bodembeheer Document behorende bij de bodemkwaliteitskaart waarin dze aspecten aan de orde komen: Eén of meerdere kaarten met de begrenzing van het bodembeheergebied en de bodemfuncties. Een (water)bodemkwaliteitskaart. Een toelichting op de maatschappelijke opgave en het grondverzet en de verwachte ruimtelijke ontwikkelingen in de toekomst. De Lokale Maximale Waarden, inclusief motivatie en de resultaten van de risicotoolbox. (indien van toepassing) De maximale gewichtspercentage bodemvreemd materiaal inclusief onderbouwing en motivatie. Daarnaast kan in een nota bodembeheer aandacht worden besteedt aan duurzaam bodembeheer of de (diepere) ondergrond. Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft de kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond op een niet voor bodemverontreiniging verdachte locatie. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Besluit bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in de ontgravingsklassen Landbouw/natuur (achtergrondwaarden -AW2000), Wonen, Industrie of niet-toepasbaar. Bij de toetsmethodiek voor Landbouw/natuur wordt uitgegaan van een staffel voor het aantal toegestane overschrijdingen van de functiewaarden. Klasse Landbouw/natuur (achtergrondwaarde): Alle verontreinigingen voldoen aan de achtergrondwaarden, met uitzondering van een aantal overschrijdingen,
tabel. De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens achtergrondwaarden bedragen. Elke overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens Wonen (excl. nikkel). Klasse Wonen De verontreinigingen niet voldoen aan de klasse Landbouw/natuur en de norm voor klassegrens Wonen wordt niet overschreden. Klasse Industrie De norm voor klassegrens Wonen wordt overschreden. De norm voor klasse grens Industrie wordt niet overschreden. Klasse Niet toepasbaar De norm voor klassegrens Industrie wordt overschreden. Percentiel/percentielwaarde Waarde waar beneden een bepaald percentage van de waarnemingen gelegen is. Bijvoorbeeld 90-percentiel: 90% van de waarnemingen ligt beneden deze waarde. Saneringscriterium Het saneringscriterium dient er toe om vast te stellen of de sanering van een geval van ernstige verontreiniging met spoed moet worden aangepakt. Wanneer sprake is van spoed, is het nemen van maatregelen verplicht. Wanneer sanering niet met spoed hoeft plaats te vinden kan voor de aanpak van de verontreiniging worden aangesloten bij maatschappelijk gewenste ontwikkelingen. Deze saneringen vinden plaats op initiatief van de eigenaar of andere belanghebbende met het oog op gewenst gebruik van de bodem. Uiteindelijk moet het resultaat van de sanering zijn dat de locatie geschikt is voor het (toekomstig) gebruik. Het saneringscriterium is een instrument voor het bevoegd gezag waarmee zij een (schuldig) eigenaar kan verplichten tot saneren binnen een gestelde termijn. Als de verplichting niet aan een derde kan worden opgelegd moet de overheid zelf maatregelen nemen. Tegelijk maakt het criterium het mogelijk om de aanpak toe te kunnen spitsen op risico’s van het verontreinigde gebied. Bij vaststellen van het moment van volledige sanering wordt nadrukkelijk met economische en ruimtelijke overwegingen rekening te houden. Deze aanpak past in een beleid waarbij beheer van verontreinigde bodems voorop staat. Sanering (de meest vergaande vorm van beheer) wordt hierbij alleen opgelegd als sprake is van een ontoelaatbaar risico. Als de risico’s op een effectieve manier tijdelijk weg zijn te nemen, ontstaat meer ruimte voor uitstel van de volledige sanering. Voor de bepaling van spoedeisendheid van saneren is de webapplicatie Sanscrit beschikbaar op http://www.risicotoolboxbodem.nl/sanscrit. Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond/baggerspecie op of in de bodem Bij de toepassingskaart wordt gekeken naar de vastgestelde bodemkwaliteit en de (toekomstige) functie van de bodem. Hierbij wordt het locatiegebruik ingedeeld in twee klassen: ‘Wonen’ en ‘Industrie’. De bodemkwaliteit wordt ingedeeld in drie klassen: ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. Elke klasse kent een lijst met normwaarden, die de toepassingseisen vormen. Op de in de onderstaande matrix gevolgde wijze wordt aan elke zone/gebied een klasse als toepassingseis toegekend: Bodemfunctieklasse Bodemkwaliteit Toepassingseis Niet ingedeeld Landbouw/natuur Landbouw/natuur Niet ingedeeld Wonen Landbouw/natuur Niet ingedeeld Industrie Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Wonen Wonen Wonen Industrie Wonen Industrie Landbouw/natuur Landbouw/natuur Industrie Wonen Wonen Industrie Industrie Industrie Toepassingskaart Bij de toepassingskaart wordt gekeken naar de vastgestelde bodemkwaliteit en de (toekomstige) functie van de bodem. Op basis van deze dubbele toets, waarbij de strengste toets doorslaggevend is, wordt aan elke zone de toepassingseis vastgesteld waaraan de toe te passen grond of baggerspecie aan moet voldoen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.