Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beverwijk 2023De raad van de gemeente Beverwijk; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 25 april 2023, documentkenmerk D-087848; gehoord de raadscommissie; gelet op artikel 2.1.3 lid 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning besluit: de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beverwijk 2023 vast te stellen (D-087686); de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beverwijk 2023 in werking te laten treden op de eerste dag na bekendmaking. de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beverwijk 2021 (INT-20-56861) in te trekken op de eerste dag na bekendmaking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beverwijk 2023. Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsomschrijving 1.In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: algemeen gebruikelijke voorziening: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau; algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; beperking: aan de persoon verbonden factoren die er toe leiden dat deze niet (volledig) in staat is tot deelname aan de maatschappij; bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4, eerste lid, en 2.1.4a van de wet; budgetplan: een plan opgesteld door (of namens) de cliënt waaruit blijkt dat de besteding van het persoonsgebonden budget voldoet aan alle voorwaarden; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk; gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(
- n)van een woongebouw, niet behorend tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om de woonruimte van de cliënt waar deze zijn hoofdverblijf heeft vanaf de toegang van het woongebouw te bereiken; hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven, op korte termijn zal zijn ingeschreven of het feitelijk woonadres. Indien de cliënt met een briefadres in de BRP ingeschreven staat, gaat het om de feitelijke woon- en verblijfplaats; hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; ingezetene: cliënt, die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Beverwijk; inloopvoorziening: een algemene voorziening in de vorm van een aanbod van laagdrempelige activiteiten in het kader van de Wmo voor mensen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen; jongvolwassene: cliënt tussen de leeftijd van 18 tot en met 23 jaar; mantelzorger: persoon, die mantelzorg in het kader van de wet levert; meerkosten: kosten van een voorziening, voor zover dit deel van de kosten uitgaat boven voor de cliënt als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van de voorziening; melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet; normaal gebruik van de woning: het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken), het verrichten van belangrijke huishoudelijke taken, horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning waaronder ook de toegang tot de woning. Daaronder kan onder omstandigheden tevens de berging, de toegang tot tuin of balkon van de woning worden verstaan; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; professionele ondersteuner: een beroepsmatige ondersteuner die in het bezit is van relevante diploma’s en werkervaring heeft op het desbetreffende zorgterrein en hier referenties van kan overleggen; voorliggende voorziening: een algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag tegemoet wordt gekomen; wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; woonvoorziening: een aanpassing aan de woning of een verhuisvoorziening, die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een inwoner bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt. 2.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel2Reikwijdte verordening 1.Deze verordening regelt de maatschappelijke ondersteuning voor ingezetenen van de gemeente Beverwijk. 2.In afwijking van het eerste lid geldt voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang dat alle rechtsgeldige inwoners van Nederland die behoefte hebben aan maatschappelijke ondersteuning in de vorm van deze voorzieningen zich kunnen melden bij het college. Hoofdstuk2Procedurele bepalingen Artikel3Melding en bevestiging 1.Een hulpvraag kan door of namens een cliënt worden gemeld bij het college. 2.Het college registreert en bevestigt de ontvangst van een melding. 3.Na ontvangst en bevestiging van de melding start het college een onderzoek. Artikel4Onderzoek 1.Als het college heeft vastgesteld dat de melding past binnen de wet, stelt deze een onderzoek in zoals omschreven in artikel 2.3.2 van de wet. Daarnaast worden ook de volgende onderwerpen onderzocht: het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; de mogelijkheid om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2.Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie en/of personen uit zijn sociale netwerk en eventuele deskundigen. 3.Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om, voor zover dit in het kader van het onderzoek noodzakelijk is, zijn persoonsgegevens te verwerken. 4.In afwijking van artikel 2.3.2 van de wet en lid 1 van dit artikel, hoeft een onderzoek niet plaats te vinden of wordt het onderzoek beperkt, als de situatie bij het college al voldoende bekend is door eerdere meldingen of onderzoeken. Artikel5Cliëntondersteuning Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. Artikel6Schriftelijke weergaven van de uitkomsten 1.Het college verstrekt uiterlijk binnen zes weken na de melding van de cliënt aan de cliënt of diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. 2.De schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, kan in de vorm van een gespreksverslag zijn. Opmerkingen of aanvullingen van de cliënt kunnen aan het verslag worden toegevoegd. 3.De cliënt stuurt het verslag zo spoedig mogelijk getekend aan het college terug. Dat kan voor gezien en akkoord of voor gezien en niet akkoord, eventueel met toelichting. Artikel7Aanvraag 1.Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan, nadat het onderzoek in de meldingsfase is uitgevoerd of na zes weken, een aanvraag indienen bij het college voor een maatwerkvoorziening. 2.De aanvraag om een maatwerkvoorziening kan ook worden ingediend door middel van het ondertekenen van het gespreksverslag, als bedoeld in artikel 6; 3.Indien voor de beoordeling van de aanspraak op, dan wel welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage kan leveren een deskundigenadvies nodig is, en als gevolg hiervan het voor het college niet mogelijk is om binnen de wettelijke termijn een besluit te nemen, dan deelt het college dit zo spoedig mogelijk aan de cliënt mede. Hierbij noemt het college een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Artikel8Deskundigenadvies 1.Het college wint een deskundigenadvies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2.Het college is bevoegd om de cliënt uit te nodigen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip voor een onderzoek door één of meer daartoe aangewezen deskundigen. Gaat het om gebruikelijke hulp, dan geldt dit lid ook voor de huisgenoten van cliënt; 3.De cliënt dan wel zijn huisgenoot verleent zijn medewerking aan het onderzoek als bedoeld in het eerste lid voor zover die redelijkerwijs kan worden gevergd. Artikel9Inhoud beschikking 1.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: om welke voorziening het gaat en wat het beoogde resultaat daarvan is; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; hoe de voorziening wordt verstrekt. 2.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: het doel waaraan de cliënt het pgb moet uitgeven; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe die is vastgesteld; welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; de ingangsdatum, de looptijd van het pgb en, indien van toepassing, de termijn waarbinnen de cliënt het pgb moet uitgeven; en de manier waarop cliënt het pgb moet verantwoorden. 3.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening geeft het college aan of de cliënt een eigen bijdrage moet betalen en de daarbij gehanteerde kostprijs van de voorziening. 4.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening wordt in de beschikking vermeld dat de cliënt zich moet houden aan een eventueel van toepassing zijnde bruikleenovereenkomst. Hoofdstuk3Maatwerkvoorzieningen Artikel10Criteria voor een maatwerkvoorziening 1.Een client komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: Op eigen kracht Met een algemeen gebruikelijke voorziening Met gebruikelijke hulp Met mantelzorg Met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk Met gebruikmaking van voorliggende en/of algemene voorzieningen 2.De maatwerkvoorziening als bedoeld in het eerste lid levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. 3.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. Artikel11Criteria algemene voorzieningen 1.Een algemene voorziening kan ingericht zijn voor alle inwoners van Beverwijk of voor een specifieke doelgroep. 2.Algemene voorzieningen zijn in ieder geval: Hulp bij het huishouden, algemeen; Hulp bij het huishouden voor mantelzorgers; Inloopvoorzieningen. 3.De algemene voorziening geldt als voorliggend op de maatwerkvoorziening. 4.Bij een algemene voorziening kan een eenvoudige toegangstoets toegepast worden. Onder anderen om vast te stellen of: De inwoner tot de Wmo doelgroep behoort; en De algemene voorziening voldoende compensatie biedt en passend is voor de hulpvraag. Artikel12Aanvullende criteria begeleiding ambulant 1.Het college kan een maatwerkvoorziening verlenen in de vorm van begeleiding ambulant, welke ofwel individueel ofwel in groepsverband wordt verleend; 2.Bij de indicatie wordt gebruik gemaakt van het normenkader begeleiding en het protocol gebruikelijke hulp, welke onderdeel uitmaken van deze verordening. Artikel13Aanvullende criteria dagbesteding 1.Het college kan een maatwerkvoorziening verlenen in de vorm van dagbesteding, welke in groepsverband wordt uitgeoefend. 2.Onder dagbesteding als bedoeld in dit artikel wordt tevens het noodzakelijke vervoer, inclusief de eventuele tijdens het vervoer noodzakelijke begeleiding, verstaan. 3.Het vervoer als bedoeld in het vorige lid wordt in ieder geval noodzakelijk geacht wanneer: eigen oplossingen inzake vervoer niet mogelijk zijn; en er sprake is van een vastgestelde (medische) noodzaak. Artikel14Aanvullende criteria kortdurend verblijf 1.In aanvulling op artikel 10 van deze verordening kan een cliënt gedurende maximaal drie etmalen per week in aanmerking komen voor kortdurend verblijf als: de cliënt aangewezen is op ondersteuning met constant toezicht, niet zijnde het bieden van geneeskundige zorg; en de mantelzorger door het overstijgen van het gebruikelijke, redelijkerwijs van hem te verwachten hulp, overbelast is of dreigt te worden; en huishoudelijke ondersteuning al dan niet met begeleiding niet als passende bijdrage kan worden aangemerkt; en de maximale zorg zoals geboden vanuit de Zorgverzekeringswet niet toereikend is. 2.Per jaar kan maximaal 156 etmalen op basis van het eerste lid toegekend worden. Deze kunnen alleen in het toegekende jaar worden opgenomen en kunnen niet worden meegenomen naar een volgend jaar. 3.In afwijking van lid 1 mag per jaar maximaal 21 dagen aaneengesloten worden opgenomen. Artikel15Aanvullende criteria vervoersvoorziening 1.In aanvulling op artikel 10 van deze verordening kan een cliënt in aanmerking komen voor collectief vervoer als de cliënt door beperkingen niet of onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer. 2.In aanvulling op het voorgaande lid kan een cliënt eerst in aanmerking komen voor een andere individuele vervoersvoorziening dan het collectief vervoer indien deze langdurig noodzakelijk is en het collectief vervoer niet afdoende is. 3.In aanvulling op het eerste en tweede lid van dit artikel kan, indien dit gelet op de aard van de beperkingen van de cliënt noodzakelijk is, een combinatie van het collectief vervoer en een individuele vervoersvoorziening worden verstrekt. 4.Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de woon- en leefomgeving. 5.Bij de vervoersvoorziening collectief vervoer als bedoeld in het eerste lid van dit artikel hanteert het college een omvang van maximaal 1.500 kilometer op jaarbasis. Artikel16Aanvullende criteria woonvoorziening 1.In aanvulling op artikel 10 van deze verordening kan een cliënt in aanmerking komen voor een woonvoorziening als hij: aantoonbaar niet in staat is tot het normale gebruik van de (eigen) woning, en alles heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen, of een aantoonbare beperking of aanwezige gedragsstoornis heeft met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met beperkingen tot rust kan komen. 2.Voor zover de cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning in de gemeente Beverwijk of in de nabijheid van gemeente Beverwijk liggende gemeente, zal deze mogelijkheid eerst beoordeeld worden. De beoordeling vindt alleen plaats indien de kosten van het aanpassen van de woning het in de nadere regels genoemde bedrag te boven gaan. 3.Een cliënt kan alleen voor een woonvoorziening in aanmerking komen wanneer deze langdurig noodzakelijk is en verhuizing niet de goedkoopst adequate voorziening is of naar het oordeel van het college niet mogelijk of niet wenselijk is. 4.Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken, gericht op de verhuizing van de cliënt op wie het primaat als bedoeld in het tweede lid van toepassing is. 5.Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt als de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen 6.Indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een erkende zorginstelling, kan één woning bezoekbaar worden gemaakt. De bezoekbaar te maken woning dient in de gemeente Beverwijk te staan. De aanpassing wordt zodanig uitgevoerd dat de woning kan worden betreden en de woonkamer en één toilet kan worden bereikt. 7.Geen woonvoorziening wordt verstrekt: voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; als de ondervonden problemen komen door achterstallig onderhoud of doordat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. Tenzij: de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te laten wegnemen; en met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt is er binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op het wegnemen van de gebreken; ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woning, vakantie‐ en recreatiewoningen, ADL‐clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke of dringende reden voor verhuizing aanwezig is, tenzij voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming is verleend door het college; indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming is verleend door het college. Artikel17Aanvullende criteria hulp bij het huishouden 1.In aanvulling op artikel 10 en 11 van deze verordening kan een cliënt in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden ingeval er aantoonbare beperkingen zijn waardoor cliënt niet in staat is tot het hebben van een schoon en leefbaar huis in relatie tot het normaal gebruik van de woning. 2.Hulp bij het huishouden is gericht op: een schoon en leefbaar huis; en/of het beschikken over schone was; en/of het kunnen beschikken over benodigdheden om te voorzien in primaire levensbehoeften (boodschappen); en/of het klaarzetten of bereiden en zo nodig aanreiken van maaltijden. 3.Hulp bij het huishouden gericht op het schoonhouden van de woning wordt slechts geboden indien dit betrekking heeft op de ruimten die gericht zijn op het normale gebruik van de woning. 4.Bij de indicatie wordt gebruik gemaakt van het normenkader hulp bij het huishouden en het protocol gebruikelijke hulp, welke onderdeel uitmaken van deze verordening. Artikel18Aanvullende criteria opvang en beschermd wonen 1.In aanvulling op artikel 10 van deze verordening kan een cliënt in aanmerking komen voor opvang als hij: feitelijk of residentieel dakloos is, al dan niet voorafgegaan aan opname in een (psychiatrische)kliniek, of aan detentie, en beperkt zelfredzaam is op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden, en niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid opheffen. 2.Een slachtoffer van huiselijk geweld kan voor opvang in aanmerking komen als hij: slachtoffer van huiselijk geweld is, en vanwege aspecten van veiligheid de thuissituatie moet verlaten, of indien er sprake is van kindermishandeling en opvang van kind(eren) met de beschermende ouder/verzorger in de opvang noodzakelijk is, en 18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen, en geen mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige situatie te creëren, of in alternatieve huisvesting te voorzien. 3.Een cliënt kan in aanmerking komen voor beschermd wonen als hij: een psychisch of psychosociaal probleem heeft, en er voor hem sprake is van noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit een psychisch of psychosociaal probleem, en hij niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen kunnen opheffen. 4.Het college kan, naar aanleiding van afspraken met andere gemeenten over wederzijdse overdracht van cliënten en inzake prioritering van doelgroepen bij de toegang, nadere regels stellen inzake toelating tot de opvang en beschermd wonen. Artikel19Weigeringsgronden 1.Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; indien de beperkingen van de cliënt met een voor hem als algemeen gebruikelijk te beschouwen voorziening kunnen worden opgelost dan wel verminderd; voor zover er aan de zijde van de client geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan de hulpvraag; indien het een voorziening betreft die de cliënt voor de melding reeds heeft gerealiseerd; indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding dan wel vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij: het college voorafgaand aan de realisatie schriftelijk toestemming heeft verleend; en/of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij: de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning; voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; als deze niet langdurig noodzakelijk is, behoudens hulp bij het huishouden; als deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande beperkingen; indien de cliënt in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om zelf of met hulp van anderen voor een passende oplossing te zorgen voor de beperkingen; indien de maatwerkvoorziening, gezien de beperkingen van de cliënt, niet veilig voor hemzelf of zijn omgeving zou zijn, dan wel gezondheidsrisico’s met zich mee brengt; indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Beverwijk met uitzondering van beschermd wonen en maatschappelijke opvang. 2.Het college stelt in nadere regels de afschrijftermijnen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f van dit artikel vast. Hoofdstuk4Persoonsgebonden budget Artikel20Criteria aanspraak en verplichtingen pgb 1.Het college verstrekt een pgb met in achtneming van artikel 2.3.6 van de wet. 2.Voor de cliënt die in aanmerking wenst te komen voor een pgb voor diensten geldt de verplichting om een budgetplan op te stellen. In het budgetplan dient opgenomen te zijn: waarom de cliënt een pgb wenst, en; op welke wijze de ondersteuning zal bijdragen tot de doelen, waarvoor de maatwerkvoorziening bedoeld is, en; waar middels het pgb de ondersteuning zal worden ingekocht en tegen welk tarief en in geval er sprake is van een (professionele) aanbieder, de aanbieder akkoord gaat met het aangaan van een derdenbeding, en; hoe de kwaliteit van de ondersteuning wordt gewaarborgd. 3.Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 4.Aanvullend geldt bij een pgb voor diensten als voorwaarden: de cliënt wordt bekwaam geacht een pgb te beheren als aan de volgende criteria wordt voldaan: de cliënt is, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat de eigen situatie te overzien, zelf de zorg te kiezen, zelf zorg te regelen en aan te sturen, en de kwaliteit en voortgang van de zorg te bewaken; de cliënt is, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, goed op de hoogte van de rechten en plichten die horen bij het beheer van een pgb en hij is in staat de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. Deze taken omvatten onder andere het opstellen van een budgetplan, het afsluiten van een zorgovereenkomst, het nakomen van werkgeversverplichtingen en het afleggen van verantwoording over de besteding van het pgb; de volgende omstandigheden niet op de cliënt of vertegenwoordiger van toepassing zijn: aantoonbare schuldenproblematiek, aantoonbare gok- of drugsverslaving, aantoonbare fraude in het verleden, aantoonbaar analfabetisme of onvoldoende taal- of rekenvaardigheid, medisch aantoonbare sterke vergeetachtigheid/ verstandelijke beperking/ psychische stoornis, het leiden van een zwervend bestaan (welke een belemmering oplevert voor het beheer van een pgb); naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren en die de cliënt van het budget wil betrekken, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. 5.Indien de cliënt niet zelf in staat wordt geacht zijn pgb te beheren, kan hij gebruik maken van een (wettelijke) vertegenwoordiger. 6.Aan het pgb zijn de volgende verplichtingen verbonden: het pgb mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt; het pgb mag niet worden besteed aan tussenpersonen of belangenbehartigers; het pgb mag niet worden besteed aan het beheer van het pgb; een professionele ondersteuner mag het pgb niet beheren; het pgb wordt binnen zes maanden na toekenning aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Het college kan al dan niet op verzoek een langere termijn hanteren; de cliënt sluit met degene aan wie het pgb voor diensten wordt besteed een door het college en de Sociale Verzekeringsbank goedgekeurde schriftelijke overeenkomst. Daarbij wordt (bij voorkeur) gebruik gemaakt van de toepasselijke modelovereenkomst die de Sociale Verzekeringsbank ter beschikking stelt; Het pgb mag niet besteed worden voor reiskosten van de zorgverlener of vertegenwoordiger; de besteding van het pgb dient verantwoord te worden zoals opgenomen in de beschikking. 7.Het college kan een pgb weigeren als de cliënt het beheer uitvoert met hulp van de betrokken ondersteuner zelf of daaraan verbonden personen en daarmee ongewenste belangenverstrengeling kan ontstaan. 8.Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de verantwoording van het pgb en de kwaliteitseisen. Artikel21Criteria voor het betrekken van diensten, hulpmiddelen, aanpassingen en andere maatregelen uit het sociale netwerk van cliënt 1.Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woonvoorzieningen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk: wanneer de ondersteuning de gebruikelijke hulp overstijgt; dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt; aantoonbaar doelmatiger is dan zorg in natura; als de dienst zorg omvat waarvoor krachtens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, beschikt de persoon over de desbetreffende kwalificatie; deze persoon heeft aangegeven dat de ondersteuning aan de cliënt hem niet te zwaar valt; deze persoon op geen enkele wijze druk op de ontvanger van het pgb heeft uitgeoefend bij diens besluitvorming. 2.Het college bepaalt voor gezinsleden binnen hetzelfde huishouden in hoeverre sprake is van gebruikelijke hulp op basis van het protocol gebruikelijke hulp. 3.Het college houdt rekening met de belastbaarheid van de mantelzorger van de cliënt. Artikel22Hoogte van het pgb 1.De hoogte van een pgb: wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld budgetplan; en wordt vastgesteld op basis van het aantal geïndiceerde uren, dan wel een tijdseenheid naar rato daarvan of het aantal geïndiceerde dagdelen of etmalen in natura; en wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woonvoorzieningen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; en bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. 2.De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor: een zaak: op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten; huishoudelijke hulp door een niet daartoe opgeleid persoon, een daartoe opgeleid persoon of waarvoor bijzondere deskundigheid is vereist: op basis van het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; individuele begeleiding: uitgevoerd door een niet daartoe opgeleid persoon: op basis van het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat voor dergelijke hulp uitgevoerd door informele hulpverleners wordt gehanteerd bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg; uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon of waarvoor bijzondere deskundigheid is vereist: op basis van het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat voor dergelijke hulp zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; dagbesteding: op basis van het laagste toepasselijke tarief voor dergelijke begeleiding door een daartoe opgeleide persoon dat zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; kortdurend verblijf: op basis van het laagste toepasselijke tarief dat voor dergelijke begeleiding, uitgevoerd door een daartoe opgeleide beroepskracht, zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief zoals gehanteerd bij de inkoop van dagbesteding; (taxi- en rolstoeltaxi)vervoer: op basis van de autokosten (miniklasse) zoals geadviseerd door het Nibud, waarbij als uitgangspunt geldt dat maximaal 1500 kilometer per jaar binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd; collectief vervoer: op basis van vergelijkbaar alternatief vervoer, waarbij als uitgangspunt geldt dat maximaal 1500 kilometer per jaar binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd; een autoaanpassing: op basis van de laagste offerte van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd wanneer de voorziening in natura zou worden verstrekt; verhuiskosten: op basis van de laagste offerte en rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende verhuizer; aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening: op basis van de laagste prijs en het laagste tarief die hiervoor zouden worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde leverancier; het bezoekbaar maken van een woning: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer. 3.Bij de vaststelling van de hoogte van het pgb geldt dat ten aanzien van de personen die worden betrokken gedifferentieerde tarieven worden gehanteerd, te weten professionele ondersteuners: 100% van de in de nadere regels genoemde pgb-bedragen; niet professionele ondersteuners als bedoeld onder a behorend tot het sociale netwerk van de cliënt: het tarief voor informele hulpverleners, conform artikel 3.3.3, lid 6, Wet langdurige zorg en artikel 5.22 Regeling langdurige zorg, waarbij geldt dat de tarieven onder b in ieder geval lager zijn dan de tarieven onder a. Tenzij de kostprijs lager is dan het gehanteerde tarief. In dat geval wordt de kostprijs gehanteerd. 4.In afwijking van het bepaalde in lid 3, onder b geldt voor hulp bij het huishouden dat het tarief wordt bepaald op 75% van onder lid 3, sub a, genoemde pgb-bedragen; 5.Het college stelt in Nadere regels per maatwerkvoorziening de pgb-tarieven vast. Hoofdstuk5Eigen bijdrage en kostprijs Artikel23Eigen bijdrage 1.De startdatum van de eigen bijdrage is: Voor hulp bij het huishouden en begeleiding gelijk aan de ingangsdatum als opgenomen in de beschikking; Voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing de eerstvolgende periode na de maand waarin de beschikking is afgegeven. 2.De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen in natura of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het bedrag zoals genoemd in artikel 2.1.4 lid 3 en artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015, per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt samen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a vijfde lid van de wet, hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en artikel 24 lid 2 van deze verordening geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 3.Bij overlijden van de cliënt wordt de eigen bijdrage beëindigd per de laatste dag van de maand waarin de overlijdensdatum valt, dan wel dat de voorziening wordt ingeleverd. 4.Wanneer een voorziening die in eigendom of bruikleen is verstrekt wordt vervangen, heeft dit geen invloed op de duur van de eigen bijdrage. Artikel24Eigen bijdrage algemene voorziening 1.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een voorziening zoals genoemd in artikel 11, zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. 2.In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende algemene voorziening: Inloopvoorzieningen. 3.Voor cliënten met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm wordt de eigen bijdrage, verschuldigd voor de voorziening genoemd in het eerste lid, op nihil gesteld. Artikel25Eigen bijdrage maatwerkvoorziening in natura en pgb 1.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2.In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: woonvoorzieningen aan gemeenschappelijke ruimtes; rolstoelen; aanpassingen aan rolstoelen; voorzieningen ten behoeve van cliënten tot achttien jaar, met uitzondering van een woningaanpassing. Vanaf de dag dat cliënt de leeftijd van achttien jaar bereikt zal voor een voorziening die in huur of bruikleen is verstrekt een eigen bijdrage in rekening worden gebracht overeenkomstig het bepaalde in deze verordening. 3.In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet is een cliënt een bijdrage verschuldigd in de kosten van collectief vervoer. Cliënt betaalt een ritbijdrage die gelijk is aan het tarief dat in het openbaar busvervoer verschuldigd is, omgerekend naar het aantal kilometers. 4.De bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 5.Voor cliënten met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm wordt de eigen bijdrage, verschuldigd voor de voorziening genoemd in het eerste lid, op nihil gesteld. Artikel26Eigen bijdrage bij verblijf in opvang of beschermd wonen 1.Een cliënt is voor verblijf in een opvang of beschermd wonen een bijdrage verschuldigd. 2.Uitgezonderd van het abonnementstarief zijn de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Hiervoor blijven de inkomensafhankelijke eigen bijdragen gelden die door het CAK worden vastgesteld. 3.De bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang worden vastgesteld conform het Landelijk uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel27Kostprijs De kostprijs van een: maatwerkvoorziening in natura of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening in bruikleen, huur of eigendom; pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb; conform het bepaalde in de nadere regels. Hoofdstuk6Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik Artikel28Tegengaan oneigenlijk gebruik 1.Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2.Het college stelt ter nadere uitvoering van de handhaving een handhavingsuitvoeringsplan vast met inachtneming van het gestelde in het handhavingsbeleidskader. 3.Dit handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik en niet-gebruik van de wet alsmede welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast. 4.Het college rapporteert aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebied van handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en -prioriteiten zoals vastgelegd in het handhavingsbeleidskader. Artikel29Beëindiging van een maatwerkvoorziening Om misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen kan het college een maatwerkvoorziening beëindigen of herzien als: het college niet kan vaststellen of een maatwerkvoorziening kan worden voortgezet, omdat de cliënt onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de maatwerk voorziening; de cliënt niet binnen drie maanden gebruik heeft gemaakt van de maatwerk voorziening tenzij hem dat niet te verwijten is; een aanbieder beargumenteerd de bruikleenovereenkomst van een voorziening met een cliënt beëindigt. Artikel30Maatregelen bij wangedrag, misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen 1.Bij herhaald en/of ernstig wangedrag bij het ontvangen van diensten of bij herhaald onzorgvuldig gebruik van een in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening, treft het college – al dan niet tijdelijk – maatregelen jegens cliënt ter bescherming van de medewerker van een aanbieder of ter voorkoming van (verdere) schade aan de in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening. 2.Bij een herhaling van ernstig wangedrag en/of het onzorgvuldig gebruik zal dit leiden tot beëindiging van de toegekende maatwerkvoorziening. Artikel31Opschorting betaling uit het pgb Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. Artikel32Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen in natura en in pgb Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen in natura en in de vorm van pgb met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel33Herziening, intrekking en terugvordering 1.Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken. 2.Onverminderd artikel 2.4.1 van de wet kan het college nadat het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening in natura dan wel in pgb is herzien of ingetrokken: het ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb terugvorderen; de geldwaarde van een maatwerkvoorziening in natura terugvorderen; een in eigendom of bruikleen verstrekte voorziening terugvorderen. Hoofdstuk7Kwaliteitseisen Artikel34Kwaliteitseisen 2.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten, door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel35Verhouding prijs en kwaliteit van de levering van voorzieningen door derden 1.Het college houdt bij de vaststelling van de prijs voor de te leveren diensten, rekening met in ieder geval: de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; een redelijke toeslag voor overheadkosten; een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing, administratieve handelingen en werkoverleg; kosten voor bijscholing van het personeel. 2.Het college houdt bij de vaststelling van de prijs voor de te leveren overige voorzieningen, rekening met: de marktprijs van de voorziening; de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: aanmeten, levering en plaatsing van de voorziening; instructie over het gebruik van de voorziening; onderhoud van de voorziening. 3.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan van de overeenkomst met de derde, en de vaste prijs als bedoeld in onderdeel a. 4.Het college stelt de prijzen, bedoeld in het derde lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet; en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 5.Het college kan het derde lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het eerste, tweede en vierde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 6.Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in dit artikel hij een overeenkomst aangaat. Artikel36Klachtenregeling en medezeggenschap 1.Iedere aanbieder is verplicht te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten. 2.Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. 3.De aanbieder draagt er zorg voor dat de informatie over de medezeggenschap en klachtbehandeling voldoende kenbaar zijn voor de cliënten van zijn organisatie. 4.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Hoofdstuk8Overige bepalingen Artikel37Waardering mantelzorgers Het college bepaalt bij nadere regeling op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel38Betrekken van ingezetenen bij het beleid De wijze waarop ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van deze wet, is vastgelegd in de geldende verordening Participatie Sociaal Domein. Artikel39Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3.De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel40Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Hoofdstuk9Slot- en overgangsbepalingen Artikel41Intrekking oude verordening en overgangsbepalingen 1.De ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beverwijk 1 januari 2021’ wordt ingetrokken. 2.De ‘Nadere regels gemeente Beverwijk’ die zijn vastgesteld onder de werking van de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beverwijk 2021’ worden geacht te zijn gebaseerd op deze verordening. 3.De ‘Beleidsregels Wmo 2022 gemeente Beverwijk’ die zijn vastgesteld onder de werking van de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beverwijk 2021’ worden geacht te zijn gebaseerd op deze verordening. 4.Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beverwijk 1 januari 2021’, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 5.Aanvragen die zijn ingediend onder de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beverwijk 1 januari 2021’ en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 6.Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente ‘Beverwijk , 1 januari 2021’ wordt beslist met inachtneming van die verordening, tenzij de uitkomst op basis van deze verordening gunstiger is. Artikel42Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beverwijk 2023. Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Beverwijk in zijn openbare vergadering van 15 juni 2023.de raad voornoemd,de griffier, de voorzitter,Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijving Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 2. Reikwijdte verordening Lid 1 Het bieden van maatschappelijke ondersteuning heeft betrekking op ingezetenen van de gemeente Beverwijk. Lid 2 Onder maatschappelijke ondersteuning valt ook het bieden van beschermd wonen en opvang. Hoewel in de Wmo 2015, in tegenstelling tot de Wmo 2007, geen centrumgemeenten zijn aangewezen zijn het wel deze gemeenten die de hiervoor genoemde maatwerkvoorzieningen bieden. Daarvoor ontvangen zij ook de middelen van het Rijk. Voor de gemeente Beverwijk treedt de gemeente Haarlem op als ‘centrumgemeente’ voor beschermd wonen en opvang. Middels een mandaatbesluit heeft de gemeente Haarlem de bevoegdheid om de meldingen en bijbehorende aanvragen voor beschermd wonen en opvang namens de gemeente Beverwijk af te handelen. Hoofdstuk 2. Procedurele bepalingen Artikel 3. Melding en bevestiging Lid 1 en 2 Een ieder kan zich bij het college melden. In de meeste gevallen zal dat door de cliënt zelf al dan niet samen met zijn mantelzorger of een andere persoon uit zijn sociaal netwerk gebeuren. Ook kan sprake zijn van een vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 1.1.1, tweede lid, van de wet. Een melding moet op de eerste plaats te kwalificeren zijn als een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Een verzoek om informatie en advies is geen melding. Verwezen wordt naar de begripsbepaling van de verordening. Dit is van belang omdat een melding leidt tot een gesprek. Zoals bij wet is voorgeschreven bevestigt het college de ontvangst van de melding. Hierbij geldt dat de ontvangst niet mondeling bevestigd wordt aan de cliënt. Bij de ontvangstbevestiging wijst het college op de mogelijkheid van kosteloze cliëntondersteuning en de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. De wet bepaalt dat een persoonlijk plan zeven dagen na de melding bij het college kan worden ingediend. Na de melding start het college het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet: er vindt een gesprek plaats (zie verder artikel 5 van de verordening). Het spreekt voor zich dat het college het persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek na de melding. Lid 3 De hoofdregel is dat het college na de melding eerst een gesprek voert met de cliënt. Een uitzondering geldt voor spoedeisende situaties, zie begripsbepaling van de verordening. Het ligt op de weg van degene die zich meldt het spoedeisende karakter van de situatie aannemelijk te maken. Het college zet in voorkomende gevallen (zo spoedig als mogelijk en nodig blijkt) een maatwerkvoorziening in, dit in afwachting van de uitkomsten van het gesprek. Dit zal zich in de praktijk echter niet snel voordoen. Artikel 4. Onderzoek Lid 1 Het is van groot belang dat het onderzoek in goede samenspraak met de cliënt plaatsvindt. Alleen dan kan goed in kaart worden gebracht wat iemands problemen zijn, wat zijn leefomstandigheden betreffen en hoe zijn sociale omgeving (gezin en sociaal netwerk) eruit ziet en wat de mogelijke oplossingen voor de problemen zijn. Bij het gesprek kunnen ook andere personen dan de cliënt aanwezig zijn. Denk bijvoorbeeld aan de mantelzorger of andere personen uit diens sociale netwerk. Het kan zijn dat daarvoor meerdere gesprekken nodig zijn, dat is afhankelijke van het individuele geval. In het gesprek wordt in samenspraak met de cliënt bekeken welk resultaat hij wil bereiken ten aanzien van zijn zelfredzaamheid en participatie en welke oplossingen passend zouden kunnen zijn. Het spreekt voor zich dat aanwezigheid van personen uit het sociale netwerk van een cliënt een meerwaarde hebben. Denk ook aan de oplossingen die zij geheel of gedeeltelijk zouden kunnen bieden waarmee de zelfredzaamheid van de cliënt wordt versterkt of zal kunnen verbeteren. In geval van mantelzorg wordt de mantelzorger altijd uitgenodigd voor het gesprek. Het is namelijk van belang te weten of de mantelzorger ondersteuning behoeft in verband met het verlenen van mantelzorg. Dat is overigens een wettelijke opdracht van het college. Lid 2 De wet bepaalt welke onderwerpen tijdens het onderzoek aan bod dienen te komen. Deze staan benoemd in art. 2.3.2, vierde lid, van de wet, zijnde: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4, verschuldigd zal zijn. Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger onderdeel uitmaken van het onderzoek. Daarbij wordt gekeken naar de behoeften, mogelijkheden en belastbaarheid van de mantelzorger en het sociale netwerk. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, indien een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het college in voorkomende gevallen waarbij wordt afgeweken van de wensen zoals beschreven in het plan, wel nader dienen te motiveren bij de uiteindelijke beslissing op de aanvraag. Verder heeft het college de wettelijke informatieplicht om in begrijpelijke bewoordingen uit te leggen welke mogelijkheden er zijn om te kiezen voor een persoonsgebonden budget en wat de gevolgen van die keuze zijn. Voorts zal benoemd moeten worden wat de (geschatte) eigen bijdrage is en wat de gehanteerde kostprijs is. Lid 3 Het beschikken over persoonsgegevens kan noodzakelijk zijn om tot een goede uitvoering van het onderzoek te komen. Dit kunnen, gelet op de wettelijke opdracht om tot een zo integraal mogelijke benadering te komen, ook gegevens zijn van zorgverzekeraars, zorgaanbieders, jeugdhulp, onderwijs en werk en inkomen. Het is van belang dat de cliënt tijdens het onderzoek op de hoogte wordt gesteld van de verwerking en verstrekking van deze gegevens en dat het college daarvoor aan de cliënt toestemming vraagt. Lid 4 Er zijn situaties denkbaar dat de ondersteuningsbehoefte bekend is bij het college en dat een gesprek daar niets aan toevoegt. Toch mag het college alleen met toestemming van de cliënt afzien van het gesprek. Denk bijvoorbeeld aan de melding van een reparatie aan een rolstoel. Er kan zo nodig een kort verslag worden opgesteld welke door het college kan worden aangemerkt als aanvraag indien de cliënt dat aangeeft. Artikel 5. Cliëntondersteuning Artikel 2.2.4 van de wet draagt het college op in ieder te geval te zorgen voor cliëntondersteuning. Het gaat in alle gevallen om onafhankelijke ondersteuning ten behoeve van de cliënt waarbij zijn belang het uitgangspunt moet zijn. Cliëntondersteuning is overigens domein overstijgend en hoeft niet alleen betrekking te hebben op de Wmo 2015. Dit maakt integrale dienstverlening aan cliënten en/of burgers nog beter mogelijk. Na de melding informeert het college de cliënt en/of diens mantelzorger over deze mogelijkheid. Het college kan deze cliëntondersteuning aanbieden, maar cliënten moeten zich ook kunnen laten bijstaan door andere (externe) ondersteuners. Denk aan een bestaande cliënten- of belangenorganisatie. Van belang is verder nog dat de gemeente er zorg voor moet dragen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner dient immers onpartijdig te zijn en alleen in het belang van de cliënt te handelen. Artikel 6. Schriftelijke weergave van de uitkomsten Lid 1 t/m 3 Overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet wordt van het gesprek een verslag opgesteld dat aan de cliënt wordt verstrekt. Daarin staan het in samenspraak met de cliënt, en indien aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociale netwerk, tot stand gekomen oplossingen die in één of meerdere gesprekken zijn geïnventariseerd. Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger onderdeel uitmaken van het verslag. Het verslag vormt de belangrijkste basis voor de beslissing op de eventueel in te dienen aanvraag. Nadat de cliënt beschikt over het verslag is het zijn verantwoordelijkheid, al dan niet in samenspraak met diens mantelzorger, om zelf te beslissen of een aanvraag wordt ingediend. Ook de cliëntondersteuner kan hierbij een rol spelen. Het kan voorkomen dat de cliënt opmerkingen over of aanvullingen heeft op het verslag zoals het college dat heeft verstrekt. Deze kunnen van belang zijn voor de beslissing op de eventueel in te dienen aanvraag. Daarom kan het college deze toevoegen aan het verslag. Dit is dan ook aanleiding geweest om de mogelijkheid bij het verslag te geven deze te tekenen voor gezien en akkoord, dan wel gezien en niet akkoord. Aangezien het verslag de meeste informatie bevat om uiteindelijk op een aanvraag te beslissen, is het wenselijk om cliënten de mogelijkheid te bieden het verslag als zijnde een aanvraag aan te merken. Immers, cliënten zouden anders dezelfde gegevens meerdere malen in moeten vullen, dit terwijl deze gegevens reeds bekend zijn bij het college. Daarbij scheelt dit in de administratieve lasten. Artikel 7. Aanvraag Lid 1 t/m 3 Om administratieve lasten te voorkomen kan het verslag ook als aanvraag worden aangemerkt indien de cliënt dat op voorgeschreven wijze aangeeft (zie art. 6 van de verordening). Artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet bepaalt dat het college binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag dient te beslissen. Het kan echter voorkomen dat het college in verband met de zorgvuldige voorbereiding van dat besluit een deskundigenadvies nodig heeft zoals bedoeld in artikel 8 van de verordening. Het behoeft geen toelichting dat het college doorgaans niet over een dergelijk advies zal kunnen beschikken binnen de genoemde beslistermijn. Het college heeft op grond van artikel 4:14 van de Awb de bevoegdheid om in dit geval aan de cliënt mede te delen dat het om voormelde reden niet mogelijk is om binnen de wettelijke termijn een besluit te nemen. Het college noemt daarbij een redelijke termijn binnen welke de cliënt de beschikking tegemoet kan zien. Voorts kan de beslissing worden uitgesteld gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met het uitstel heeft ingestemd, artikel 4:15, lid 2, onder a, van de Awb. Uit de wet vloeit verder de mogelijkheid om de beslistermijn op te schorten voort indien de cliënt niet de benodigde gegevens, bescheiden heeft aangeleverd of medewerking heeft verleend aan het onderzoek (als bedoeld in art. 2.3.2, vierde lid, van de wet) voor zover dat van belang is voor het beoordelen van de aanspraak, artikel 4:15, lid 1, onder a, van de Awb. Artikel 8. Deskundigenadvies Lid 1 Voor de uitvoering van de wet vraagt het college advies als het zelf niet ter zake deskundig is. Dat kan het geval zijn tijdens de melding of nadat de aanvraag is ingediend. Aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien de cliënt beperkingen ondervindt die objectiveerbaar zijn vast te stellen aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (vergelijk CRVB:2009:BK4567 en CRVB:2012:BY0324). Bijvoorbeeld in het geval van een woningaanpassing kan het college ook om advies vragen om vast te laten stellen wat de goedkoopst adequate oplossing is. Lid 2 en 3 Uit artikel 2.3.8, derde lid, van de wet vloeit voort dat de cliënt medewerking verleent aan het onderzoek door gehoor te geven aan een oproep van de medisch adviseur of het -via een machtiging- toestemming verlenen om medische informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist. Wordt de bedoelde medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg hebben dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Daarbij geldt wel dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet op andere wijze dan door het verlenen van de medewerking en/of de bedoelde machtiging kan vaststellen (CRVB:2012:BY0448). De hier bedoelde plicht geldt ook voor de huisgenoten als aannemelijk is dat door hen geen of slechts beperkt gebruikelijke hulp kan worden verleend. Naast het oproepen van de cliënt of zijn huisgenoot kan het college ook deskundigen raadplegen op het gebied van bijvoorbeeld een woningaanpassing. Artikel 9. Inhoud beschikking Lid 1 en 2 De minimale onderwerpen die de beschikking dient te bevatten staan in deze leden benoemd. De term “in ieder geval” duidt erop dat dit niet een limitatieve opsomming betreft. Ook andere onderwerpen kunnen in de beschikking worden opgenomen. Voorts dient iedere beschikking voorzien te worden van een rechtsmiddelen clausule. In deze rechtsmiddelenclausule staat uitgelegd dat de cliënt de mogelijkheid heeft om tegen de beschikking in bezwaar te gaan en hoe dit dient te geschieden. Voorts wordt de mogelijkheid tot het vragen van een voorlopige voorziening bij de rechtbank hierin uitgelegd. Lid 3 De gegevens als genoemd in het derde lid worden enkel ter informatie aan de cliënt mede gedeeld. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar daartegen, artikel 2.1.4, lid 6, van de wet. Lid 4 Voor sommige maatwerkvoorzieningen die in natura worden verstrekt geldt, omdat dit zo is aanbesteed, dat deze door de gecontracteerde aanbieders in bruikleen aan de cliënt worden gegeven. Hierbij kan de aanbieder verlangen dat de cliënt een bruikleenovereenkomst ondertekend. De cliënt dient zich dan te houden aan hetgeen in deze bruikleenovereenkomst is bepaald. Hoofdstuk 3. Maatwerkvoorzieningen Met de artikelen in dit hoofdstuk wordt bepaald op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Hiermee wordt voldaan aan het gestelde in artikel 2.1.3, lid 2, aanhef en onder a, van de wet. Artikel 10. Criteria voor een maatwerkvoorziening Lid 1 In het eerste lid wordt verwezen naar de algemene criteria die zijn opgenomen in de artikelen 1.2.1, 1.2.2 en 2.3.5 van de wet. In deze artikelen wordt verwoord dat er sprake moet zijn van: beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen; problemen in de zelfredzaamheid, participatie of het zelfstandig functioneren; en een onvermogen om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende oplossingen te vinden voor deze problemen. Daarnaast moeten ook algemene voorzieningen onvoldoende bijdragen aan een oplossing. Eerst wordt derhalve gekeken naar de eigen kracht en andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn problemen met betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren. Dat kan bijvoorbeeld simpelweg een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van zijn eigen netwerk, kortdurende ondersteuning door het (sociaal) wijkteam of een verwijzing naar een algemene voorziening, zoals de inloop voor drugsverslaafden. De maatwerkvoorziening vormt het (aanvullende) sluitstuk, als dit soort opties niet voldoende zijn. Lid 2 en 3 Als het college vaststelt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, zal het college kiezen voor de goedkoopst doelmatige voorziening. Voorop staat dat de voorziening adequaat (doelmatig) is om bij te dragen aan de ondersteuningsbehoefte. Als er echter meerdere varianten mogelijk zijn, kiest het college voor de goedkoopste variant. Artikel 11. Criteria algemene voorzieningen Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 12. Aanvullende criteria begeleiding ambulant De begeleiding kan zowel individueel als in groepsverband worden gegeven. Het gaat in beide gevallen om individuele begeleiding, waarvan de eerste vorm op individueel niveau wordt gegeven en de tweede vorm in groepsverband. Bijvoorbeeld kooklessen of samen eten worden veelal in groepsverband aangeboden. Het verschil met begeleiding groep zit erin dat het daarbij om een groepsactiviteit gaat, zoals dagbesteding. Artikel 13. Aanvullende criteria dagbesteding De voorziening dagbesteding wordt in groepsverband uitgeoefend. Wanneer het voor een cliënt niet mogelijk is om te voorzien in vervoer, dan kan de cliënt geen gebruik maken van de geboden voorziening. Derhalve wordt in deze gevallen onder de voorziening ook het noodzakelijke vervoer verstaan. Artikel 14. Aanvullende criteria kortdurend verblijf Lid 1 t/m 3 Nadat is vastgesteld dat de mantelzorger ontlast moet of wil worden geldt een specifiek criterium om in aanmerking te komen voor deze maatwerkvoorziening. De cliënt is in voorkomende gevallen door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg aangewezen op ondersteuning. Is de cliënt daar niet op aangewezen, dan zou het aanbieden van een andere voorziening uitkomst kunnen bieden. Voor zover de mantelzorger ‘geneeskundige zorg’ verleend als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw) ligt het voor de hand dat er aanspraak bestaat op eerstelijnsverblijf op grond van de Zvw. Er geldt in die gevallen geen ondersteuningsplicht voor het college. De omvang van de kortdurende verblijfsondersteuning wordt geïndiceerd in een etmaal. Het kan ook voor komen dat de mantelzorger niet voor bijvoorbeeld een etmaal per week ontlast moet worden, maar dat gedurende een langere periode geen mantelzorg geboden kan worden vanwege bijvoorbeeld vakantie. In voorkomende gevallen is er de mogelijkheid om 21 etmalen op te sparen voor een langere aaneengesloten periode. Artikel 15. Aanvullende criteria vervoersvoorziening Lid 1 en 2 In deze leden is bepaald wanneer de cliënt voor een vervoersvoorziening in aanmerking kan komen. De cliënt dient in beginsel gebruik te maken van het openbaar vervoer. Wanneer dit niet mogelijk is, dan kan de cliënt gebruik maken van het collectief vervoer. Indien het voor de cliënt niet mogelijk om hiervan gebruik te maken, dan pas kan de cliënt in aanmerking komen voor een andere individuele vervoersvoorziening. Voorheen stond dit ook wel bekend als het primaat van het collectief vervoer. Lid 3 Het kan voorkomen dat de cliënt voor de korte afstand is aangewezen op een individuele vervoersvoorziening, maar dat deze voorziening niet afdoende is voor de langere afstand. In dat geval is het voor het college mogelijk om verschillende vervoersvoorzieningen aan te bieden. Lid 4 en 5 Met het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving wordt de cliënt in staat gesteld tot participatie. Het uitgangspunt qua omvang is bepaald op 1500 kilometer per jaar. Hiermee wordt de lijn zoals die gold onder de Wmo 2007 geborgd. Dit betekent echter niet dat er in het individuele geval niet meer of minder mogelijk zou kunnen zijn. Het college is immers gehouden maatwerk te leveren en is daarom op grond van de hardheidsclausule bevoegd om in individuele gevallen gemotiveerd af te wijken. Dat zou bijvoorbeeld (ook) het geval kunnen zijn als er meer dan één vervoersvoorziening wordt verleend en met deze voorzieningen tezamen 1500 kilometer op jaarbasis bereikt kan worden. Artikel 16. Aanvullende criteria woonvoorziening Lid 1 en 5 De cliënt wordt op deze manier in staat gesteld tot het normaal gebruik kunnen maken van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft (of zal hebben). Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties. Onder omstandigheden kan het te bereiken resultaat tevens betrekking hebben op de berging, de toegang tuin of balkon van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur. Het moet bij het verlenen van maatwerkvoorzieningen gaan om het kunnen uitvoeren van elementaire woonfuncties gericht op het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Lid 2 t/m 4 (primaat van verhuizen) Volgens dit artikel geldt als hoofdregel het principe van het primaat van verhuizen. Deze beoordeling wordt gedaan indien de kosten van de woningaanpassing of een traplift meer bedraagt dan het in de nadere regels bepaalde bedrag. Kan de cliënt binnen een redelijke en/of medisch aanvaardbare termijn niet verhuizen of zou een verhuizing betekenen dat de ondersteuning vanuit het netwerk niet meer mogelijk is, dan bestaat er aanspraak op een maatwerkvoorziening. Verder is het zo dat het college een maatwerkvoorziening kan verlenen gericht op de verhuizing als het primaat wordt toegepast. Het kan ook zo zijn dat het een maatregel betreft die er op gericht is dat de cliënt kan verhuizen naar de nieuwe woning. Lid 6 Als bijvoorbeeld een kind in een instelling woont, kan de woning ook bezoekbaar worden gemaakt. Bezoekbaar wil niet zeggen dat het geschikt moet zijn zoals wanneer het kind thuis zou wonen. Het kind is echter wel in de gelegenheid de ouders thuis te bezoeken. In principe wordt slechts één woning bezoekbaar gemaakt. In geval van een echtscheiding van de ouders kan het echter noodzakelijk zijn beide woningen aan te passen, zodat het kind beide ouders kan bezoeken. Lid 7 Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 17. Aanvullende criteria hulp bij het huishouden Lid 1 Huishoudelijke hulp heeft betrekking op het overnemen van huishoudelijke taken. Daarmee is hulp bij het huishouden bestemd voor cliënten die niet zelf bijvoorbeeld de schoonmaakwerkzaamheden kunnen uitvoeren door een (lichamelijke) beperking. Lid 2 Dit lid bepaalt de resultaten waar de huishoudelijke hulp op is gericht indien de cliënt daarop is aangewezen. Naast schoonmaakwerkzaamheden vallen bijvoorbeeld ook het bereiden van maaltijden en de wasverzorging binnen het bereik van huishoudelijke hulp. Lid 3 Voor wat betreft het schoonhouden van de woning geldt het uitgangspunt dat de taken alleen betrekking hebben op ruimten die voor de cliënt noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning. In het kader van huishoudelijke hulp gaat het om ruimten die te maken hebben met de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken) en verplaatsingen in de woning (verkeersruimten). Ruimten die niet in gebruik (hoeven
- te)zijn vallen hier dus buiten. Dat wil niet zeggen dat in deze ruimte(
- n)helemaal nooit gestofzuigd of gedweild hoeft te worden. Lid 4 Het normenkader hulp bij het huishouden en het protocol gebruikelijke hulp bieden een zo objectief mogelijk handvat voor de indicatie van hulp bij het huishouden. Artikel 18. Aanvullende criteria opvang en beschermd wonen Lid 1 en 2 Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Lid 3 Een indicatie voor beschermd wonen is slechts aangewezen indien de cliënt is aangewezen op een beschermende woonomgeving (inclusief verblijf) gelet op diens complexe problematiek. Die kan betrekking hebben op het psychisch en psychosociaal functioneren, verwaarlozing of maatschappelijke overlast. Daarnaast is het zo dat een andere maatwerkvoorziening geen passende bijdrage kan bieden. Verder is beschermd wonen primair gericht op personen die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving en daarom zijn aangewezen op verblijf in een beschermende woonomgeving. Daarvoor kan aanleiding bestaan omdat de cliënt er (nog) niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder de directe nabijheid van 24 uur per dag ondersteuning. Het kan zijn dat de cliënt, op termijn, in staat is een meer regulier leven op te bouwen, maar er zullen ook cliënten zijn die levenslang afhankelijk zijn van een beschermende woonomgeving. Lid 4 Zie de toelichting op artikel 2, lid 2 van deze verordening. Artikel 19. Weigeringsgronden Lid 1 aanhef en onder a Wanneer aanspraak op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, is sprake van een voorliggende voorziening waar de cliënt een beroep op dient te doen. Lid 1 aanhef en onder b Het criterium 'algemeen gebruikelijk' komt nog uit de tijd van de WVG en is daarna overgenomen onder de Wmo 2007 en de Wmo 2015. Het is bedoeld om te voorkomen dat de gemeente een voorziening verstrekt, waarvan de kans groot is dat de cliënt er ook over zou beschikken als hij geen beperkingen had (zie bijvoorbeeld CRvB 03-07-2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AI5993, CRvB 16-04-2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0268 en CRvB 14-07-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN1265). Criteria Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel is algemeen gebruikelijk als deze (CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535): niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en; financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Inkomen op minimumniveau Het is de vraag wat een 'inkomen op minimumniveau' precies inhoudt. De CRvB heeft in een uitspraak over een boodschappendienst deze bewoordingen gebruikt voor een cliënt met een bijstandsuitkering (zie CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3690). We gaan er daarom vanuit dat het bij een inkomen op minimumniveau gaat om bijstandsniveau. Lid 1 aanhef en onder c In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren door hen zelf bekostigde voorzieningen en melden zich voor een aanspraak op een maatwerkvoorziening na het optreden van een beperking. In voorkomende gevallen kan dat leiden tot de conclusie dat het optreden van die beperking geen meerkosten met zich meebrengt. Denk bijvoorbeeld aan iemand die al geruime tijd een eigen auto tot zijn beschikking heeft waarmee - gelet op de beperkingen - wordt voorzien in de verplaatsingsbehoefte. Lid 1 aanhef en onder d Wanneer de voorziening voor de melding reeds is gerealiseerd, bestaat er geen noodzaak meer om een beroep op de Wmo te doen. Lid 1 aanhef en onder e Het is denkbaar dat de situatie zich voor doet dat cliënt een voorziening nodig heeft op een kortere termijn dan de termijn waarbinnen het onderzoek en de besluitvorming plaats kan vinden. Derhalve is opgenomen dat ingeval er reeds een melding is gedaan, maar nog geen besluit is genomen toch een voorziening toegekend kan worden. Hierbij gelden de voorwaarden als gesteld in dit lid. Lid 1 aanhef en onder f Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op reeds eerder in het kader van deze of hieraan voorafgaande verordeningen is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn daarvan nog niet is verstreken, dan wordt de aanvraag afgewezen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder wordt ook verstaan het risico dat verzekerd kan worden met bijvoorbeeld de opstalverzekering. Verder wordt van de cliënt die een voorziening meeneemt op vakantie naar het buitenland verwacht dat daarvoor een adequate verzekering wordt afgesloten in geval van schade of verlies. Voor zover een derde verantwoordelijk kan worden geacht voor de schade, zal de cliënt deze derde aansprakelijk moeten stellen. Dat valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Lid 1 aanhef en onder g Omdat een maatwerkvoorziening een individuele voorziening is, spreekt het voor zich dat deze ook in overwegende mate op de cliënt gericht is. Het is echter niet uitgesloten dat tijdelijke ondersteuning aan huisgenoten en/of het sociale netwerk van de cliënt ook tot de mogelijkheden behoort, mits de ondersteuning zoals gezegd in overwegende mate op de cliënt is gericht. De maatwerkvoorziening beoogt aldus de cliënt zelf passend te ondersteunen, rekening houdend met wat hij verder al heeft of mogelijk zou kunnen krijgen aan ondersteuning. Lid 1 aanhef en onder h Langdurig nodig zijn Met langdurig wordt bedoeld dat de cliënt voor langere tijd aangewezen moet zijn op de desbetreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vaststaat dat de beperkingen slechts tijdelijk zijn, niet voor een voorziening in aanmerking komt. Degene die voor 'beperkte of onzekere duur' beperkingen ondervindt kan een beroep doen op Zorgverzekeringswet. Langdurig geeft een grens aan in tijd. Waar de grens van langdurig gelegd moet worden is niet duidelijk aan te geven. Een afbakening die gemaakt kan worden, is te kijken naar andere regelgeving, die voor beperkte duur een voorziening verstrekken. Op grond van de Zvw kunnen rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen zoals draaischijven, patiëntentilliften en transferplanken, toiletverhogers, toilet- en douchestoelen slechts voor beperkte of onzekere duur worden verstrekt (artikel 2.12 lid 2 Regeling zorgverzekering). In de toelichting (Staatscourant 2012, nr. 14946, p. 12) staat uitgelegd wat met 'beperkte of onzekere duur' wordt bedoeld: "In de regel gaat het dan om een uitleentermijn van ten hoogste 26 weken. […] Om te voorkomen dat een hulpmiddel stipt na 26 weken bij de cliënt wordt weggehaald, is de term ‘beperkte of onzekere duur’ geïntroduceerd. Het ligt in de rede dat de zorgverzekeraar als de termijn van 26 weken dreigt te worden overschreden de specifieke situatie in ogenschouw neemt. Afhankelijk van de individuele situatie kan het hulpmiddel zo nodig langer worden uitgeleend." Tijdelijkheid van een beperking Een andere werkwijze gaat uit van de eventuele tijdelijkheid van een beperking. In dit kader is de prognose van groot belang. Zegt de prognose dat de belanghebbende na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag het college van kortdurende noodzaak uitgaan en dus de Wmo-aanvraag afwijzen. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de situatie gevolgd wordt door situaties van terugval, kan worden uitgegaan van een langdurige noodzaak, mits dat wisselend beeld permanent is. Beperkingen langdurig maar wel tijdelijk Een enkele keer komt het voor dat de cliënt als gevolg van een ernstig ongeval een lange revalidatie doormaakt maar uiteindelijk toch weer (nagenoeg) geheel zal herstellen. Als de herstelperiode bijvoorbeeld twee jaar zou zijn, dan moet het college toch een voorziening te treffen. Vervoersvoorzieningen zijn naar hun aard tijdelijk en kunnen ook in de tijd worden begrensd. Anders ligt het bij woonvoorzieningen of woningaanpassingen. Die zijn vaak bouwkundig en moeilijk terug te draaien. In zo'n geval kan het college bij de belangenafweging voor de vraag komen te staan wat te doen. Een kostbare traplift en aangepaste badkamer, een verhuiskostenvergoeding of wellicht iets anders. Gelet op het feit dat de woonvoorziening slechts tijdelijk nodig zal zijn, is het denkbaar dat zowel aanpassen als verhuizen als middel erger is dan de kwaal. Anderzijds heeft de cliënt wel een beperking bij het normale gebruik van zijn woning, ook al is beperking niet permanent. In dat geval zou een voorziening verstrekt kunnen worden in de vorm van het vergoeden van tijdelijke huisvesting. Terminale patiënten De voorwaarde dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn om op grond van de Wmo verstrekt te kunnen worden, betekent niet dat terminale patiënten geen beroep op de Wmo 2015 zouden kunnen doen. Wel zal bij de advisering en de keuze voor de soort voorziening rekening gehouden moeten worden met het feit dat het een terminale patiënt betreft. Lid 1 aanhef en onder i Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Lid 1 aanhef en onder j Met het oog op te verlenen maatwerkvoorzieningen mag het college ook rekening houden met redelijkerwijs te vergen medewerking van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of aanbieder of van anderen uit diens sociale netwerk. Op voorhand kan niet worden gesteld wanneer daarvan sprake is, dat is afhankelijk van de individuele situatie. Te denken valt aan het reorganiseren van taken in het huishouden opdat geen (volledige) aanpassing van de keuken nodig is. Ook kan bijvoorbeeld worden gevergd dat de woning anders wordt ingericht of het huishouden anders wordt georganiseerd opdat geen woonvoorziening hoeft te worden verleend (vergelijk CRVB:2011:BQ8290). Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Lid 1 aanhef en onder k en l Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting. Lid 2 Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting. Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget Artikel 20. Criteria aanspraak en verplichtingen pgb Indien de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, dan geldt dat de cliënt kan verzoeken om dit in de vorm van pgb te verstrekken. Lid 1 De beoordeling of er recht bestaat op een persoonsgebonden budget is op grond van artikel 2.3.6, tweede lid, van de wet voorbehouden aan het college. De aanspraak op een persoonsgebonden budget is wettelijk bepaald voor de cliënt die dat wenst (aanvraagt). Daarmee is echter niet zonder meer gezegd dat er ook recht bestaat op een persoonsgebonden budget. Het college beoordeelt of aan de voorwaarden wordt voldaan. Lid 2 De verplichting tot het overleggen van een budgetplan geldt voor diensten zoals hulp bij het huishouden en begeleiding. Het college zorgt voor toezending van het format budgetplan dat door cliënt gebruikt kan worden. Lid 3 t/m 5 Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Lid 6 aanhef In dit artikel zijn criteria (lees ook voorwaarden) opgenomen die verbonden (kunnen) zijn als het college het recht op een persoonsgebonden budget heeft vastgesteld. Deze bevoegdheid van de gemeenteraad vloeit voort uit de wettelijke opdracht van artikel 2.1.3 om criteria vast te stellen voor de door het college te nemen besluiten zonder dat de gemeenteraad treedt in de bevoegdheden van het college als bedoeld in artikel 2.3.6 van de wet. Lid 6 onder a Een persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt. Dit is in lijn met het bepaalde in artikel 24, lid 1, aanhef en onder b, van de verordening. Lid 6 onder b In geval een huisgenoot naar oordeel van het college wordt geacht gebruikelijke hulp te kunnen bieden mag het persoonsgebonden budget niet aan die huisgenoot worden besteed. Lid 6 onder c Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Lid 6 onder d In deze bepaling is vastgelegd dat een professionele ondersteuner als bedoeld in art 1, niet het beheer mag voeren over het pgb van degene aan wie zorg verleend wordt. Lid 6 onder e In deze bepaling is aangegeven dat het persoonsgebonden budget binnen zes maanden na toekenning dient te zijn aangewend waarvoor het is verleend. In voorkomende gevallen kan het college gebruik maken van de bevoegdheid het toekenningsbesluit in te trekken. Zie verder hoofdstuk 6 van deze verordening. Voor woningaanpassingen kan een langere termijn gelden omdat het realiseren daarvan meer tijd in beslag kan nemen. Lid 6 onder f Het persoonsgebonden budget valt onder het trekkingsrecht. In artikel 2b van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 is sinds 1 augustus 2016 bepaald dat de cliënt (of diens budgethouder) een overeenkomst moet sluiten met iedere derde die hij ten laste van diens budget maatschappelijke ondersteuning wenst te laten verlenen. Verder bepaalt dat artikel dat de overeenkomst goedkeuring behoeft van zowel het college als ook de Sociale verzekeringsbank (Svb). De Svb stelt modelovereenkomsten beschikbaar. Het ligt dan ook voor de hand dat hiervan gebruik wordt gemaakt. Lid 6 onder g Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Lid 6 onder h Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Lid 7 Het college kan een pgb weigeren indien er belangenverstrengeling kan ontstaan doordat ondersteuning aan de cliënt en beheer van het pgb in één hand liggen. Lid 8 Om te controleren hoe het pgb wordt besteedt en of het pgb wordt besteed aan de voorziening waarvoor deze is toegekend, dient de cliënt de pgb besteding aan het college te verantwoorden. Artikel 21. Criteria voor het betrekken van diensten, hulpmiddelen, aanpassingen en andere maatregelen uit het sociale netwerk van cliënt Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 22. Hoogte van het pgb Dit artikel berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. In lid 3 maakt de gemeente onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert. Voor een vrijwilliger of persoon die niet is opgeleid voor de betreffende werkzaamheden, wordt bij het vaststellen van de hoogte van het pgb een lager tarief gehanteerd dan voor een daarvoor opgeleid persoon. Waar bijzondere deskundigheid is vereist, wordt in sommige gevallen nog weer een ander tarief gehanteerd. Het tarief wordt daarbij telkens bepaald op basis het laagste tarief per uur, resultaat of dagdeel dat voor de te leveren hulp – rekening houdende met de kwalificaties van degenen die deze leveren – zou worden gehanteerd als deze door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder zou worden geleverd. In lid 4 wordt de hoogte van het pgb hulp bij het huishouden voor een persoon uit het sociaal netwerk van de cliënt beperkt tot 75% van het laagste bedrag voor een gecontracteerde aanbieder. De reden hiervan is dat een persoon uit het sociaal netwerk niet meer mag ontvangen dan iemand, die de werkzaamheden hulp bij het huishouden in het kader van een zelfstandig ondernemerschap uitoefent. Hoofdstuk 5. Eigen bijdrage en kostprijs Artikel 23. Eigen bijdrage Het abonnementstarief voor de Wmo is 1 januari 2020 definitief van kracht. De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s, bij verordening aangewezen algemene voorzieningen waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de hulpverlener enerzijds en algemene voorzieningen waarbij geen sprake is van een dergelijke duurzame hulpverleningsrelatie anderzijds. Algemene voorzieningen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie met een hulpverlener wordt aangegaan, moeten onder het abonnementstarief worden gebracht. Er is sprake van een duurzame hulpverleningsrelatie als de inwoner voor een langere periode structureel persoonlijke hulpverlening krijgt. Er moet een betrokkenheidsaspect tussen cliënt en hulpverlener zijn waarbij continuïteit van die band van waarde is. Lid 1 bepaalt de startdatum van de eigen bijdrage. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen diensten (hulp bij het huishouden, begeleiding) en eenmalige voorzieningen (hulpmiddelen en woningaanpassing). De startdatum van de eigen bijdrage is de datum die wordt doorgegeven aan het CAK als datum eerste inning eigen bijdrage. In lid 2 staat de hoogte van de eigen bijdrage. Hierbij wordt aangesloten bij het landelijk tarief zoals genoemd in de wet. Artikel 2.1.4 regelt de eigen bijdrage voor algemene voorzieningen, artikel 2.1.4a regelt de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening. Eventuele indexering van dit bedrag wordt landelijk bepaald en aangepast via de wet en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Naast de eigen bijdrage voor algemene voorzieningen kunnen er ook overige kosten zijn. Eventuele overige kosten zoals koffie/thee, maaltijden, deelname aan extra activiteiten komen voor rekening van de inwoner die hiervan gebruikmaakt. Deze kosten zijn algemeen gebruikelijk en vormen geen onderdeel van de eigen bijdrage in de zin van de Wmo. Met andere woorden een eigen bijdrage heeft altijd betrekking op de kosten die gemeenten maken en staan daarom los van het abonnementstarief. Artikel 24. Eigen bijdrage algemene voorziening Bij een algemene voorziening kan een eenvoudige toegangstoets toegepast worden om, onder andere, vast te stellen of inwoner tot de Wmo doelgroep behoort en de algemene voorziening voldoende compensatie biedt voor het probleem. Voor de algemene voorziening voor hulp bij het huishouden is dit het geval. Zonder uitgebreid onderzoek wordt bekeken of deze algemene voorziening passend is. Gemeenten moeten in de verordening regelen of een bijdrage wordt gevraagd voor algemene voorzieningen en zo ja, voor welke voorzieningen en hoe hoog die bijdrage is. De wetgever verplicht het abonnementstarief voor algemene voorzieningen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan. Die moet de gemeente verplicht ‘aanwijzen’ in de verordening als voorzieningen waarvoor het abonnementstarief geldt. Lid 2 bepaalt dat in afwijking van lid 1 voor de inloopvoorziening geen eigen bijdrage wordt opgelegd. In lid 3 is een korting op de eigen bijdrage opgenomen voor cliënten die behoren tot aangewezen categorieën, in dit geval cliënten met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm. Artikel 25. Eigen bijdrage maatwerkvoorziening in natura en pgb Beschermd wonen, opvang en andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen maatwerkvoorzieningen worden uitgezonderd van het abonnementstarief. Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor de maatwerkvoorziening collectief vervoer dat in lid 3 is opgenomen. In lid 5 is een korting op de eigen bijdrage opgenomen voor cliënten die behoren tot aangewezen categorieën, in dit geval cliënten met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm met uitzondering van de maatwerkvoorzieningen verblijf in opvang en beschermd wonen. Artikel 26. Eigen bijdrage bij verblijf in opvang of beschermd wonen Dit wordt uitgevoerd door gemeente Haarlem, zie ook de toelichting op artikel 2, lid 2. De eigen bijdrage wordt geïnd door het CAK conform het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De hoogte van de eigen bijdrage als bedoeld in artikel 26 lid 2 geldt voor indicaties waarin een wooncomponent is opgenomen. Voor indicaties zonder wooncomponent geldt het abonnementstarief. Artikel 27. Kostprijs Dit artikel bepaalt wat onder de kostprijs van een maatwerkvoorziening, in natura of pgb, of een bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt verstaan. De kostprijs is bepalend voor de hoogte van de bijdrage in de kosten die de cliënt verschuldigd is. Hoofdstuk 6. Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik Artikel 28. Tegengaan oneigenlijk gebruik Lid 1 t/m 3 Het behoort tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. De regering vindt het namelijk van groot belang dat misbruik en oneigenlijk gebruik van Wmo-voorzieningen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het college zet daarom in op preventie. Denk daarbij vooral aan goede voorlichting over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Lid 4 Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting. Artikel 29. Beëindiging van een maatwerkvoorziening Dit artikel ligt in het verlengde van artikel 28. In dit artikel zijn een aantal situaties opgenomen waarbij het college de maatwerkvoorziening of het pgb kan herzien of beëindigen, om te voorkomen dat hier misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet wordt gemaakt. Deze bevoegdheid komt naast de bevoegdheid die het college op grond van artikel 2.3.10 van de wet heeft. Artikel 30. Maatregelen bij wangedrag, misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen Het komt voor dat cliënten zich ernstig misdragen tegen medewerkers van zorgaanbieders of oneigenlijk gebruik maken van verstrekte voorzieningen. Voor die gevallen is voorzien in de mogelijkheid van het nemen van al dan niet tijdelijke maatregelen. Uiteraard dient daarbij de ondersteuningsbehoefte van cliënt betrokken te worden. Artikel 31. Opschorting betaling uit het pgb De SVB biedt het college de mogelijkheid om, indien er een ernstig vermoeden van misbruik/oneigenlijk gebruik van het pgb bestaat, een gemotiveerd verzoek tot opschorting van betaling van het pgb in te dienen. De SVB heeft deze bevoegdheid op grond van art. 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. Gedurende de periode van opschorting kan het college dit vermoeden nader onderzoeken. Artikel 32. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorziening in natura en in pgb Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting. Artikel 33. Herziening, intrekking en terugvordering Lid 1 Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Herziening/intrekking van het bedoelde besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Een reden om tot herziening of intrekking over te gaan heeft te maken met het verstrekken van onjuiste inlichtingen die tot een andere besluit zou hebben geleid indien de cliënt wel de juiste inlichtingen had verstrekt. Verder kan het niet of niet volledig voldoen aan de gestelde verplichtingen aan het persoonsgebonden budget leiden tot herziening of intrekking van het toekenningsbesluit. Lid 2 In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen ten aanzien van cliënten (of in dat artikel bedoelde derden). Namelijk indien de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Daarmee heeft de wetgever verzuimd om in gevallen waarin anderszins ten onrechte een maatwerkvoorziening wordt verleend of tot een te hoog bedrag in de vorm van een persoonsgebonden budget is betaald niet kan worden teruggevorderd. Voor die gevallen is een bevoegdheid neergelegd in dit artikel. Uit CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in zo’n geval het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de cliënt kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling worden ook de (gemaakte) kosten van een maatwerkvoorziening in natura verstaan. Daarmee wordt aangesloten bij de wettelijke mogelijkheid van het vorderen van de geldswaarde. Uit de jurisprudentie die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen blijkt dat een terugvorderingsbepaling in de verordening voldoende grondslag biedt om tot terugvordering over te gaan. Als sprake is van onverschuldigde betaling (art. 6:203 e.v. BW) zal het terugvorderen in de praktijk geen problemen opleveren, mits het college een herzienings- of intrekkingsbesluit neemt. Dit artikel biedt ook de bevoegdheid om over te gaan tot verrekening. De bevoegdheid tot terugvordering als bedoeld in dit lid betreft een kan-bepaling. Als het college besluit terug te vorderen moeten daarbij de belangen van alle betrokkenen worden meegewogen. Hoofdstuk 7. Kwaliteitseisen Artikel 34. Kwaliteitseisen en artikel 35. Verhouding prijs en kwaliteit van de levering van voorzieningen door derden De Wmo 2015 maakt de gemeenten integraal verantwoordelijk voor de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning, de handhaving en het toezicht. De wet bevat een basisnorm voor kwaliteit van (maatwerk)voorzieningen die aanbieders direct bindt (zie hoofdstuk 3 van de wet), waaronder begrepen de eisen over de deskundigheid van beroepskrachten. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeente om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Die standaarden kunnen als richtinggevend kader voor gemeenten dienen. Uitgangspunt hierbij is dat deze standaarden de benodigde ruimte voor maatwerk, om goed in te kunnen spelen op de situatie van de cliënt, intact laten. Er is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen in de artikelen uitgewerkt. Zo is het belangrijk dat de verschillende vormen van zorg en ondersteuning goed met elkaar, maar ook met het sociaal netwerk, waaronder de mantelzorger(s), wordt afgestemd. Het jaarlijkse verplichte cliëntervaringsonderzoek draagt eraan bij dat het college kan toezien op de kwaliteit. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening of diensten gelden eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij moet in ieder geval rekening worden gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Het kan ook zijn dat in de (bepaalde) sector erkende keurmerken van toepassing zijn. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering wordt ook een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven rekening moet houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van een reële kostprijs voor de activiteiten die het college door aanbieders wil laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder deskundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Bij de prijs kwaliteitsverhouding kunnen eventuele extra taken in verband met de maatwerkvoorziening een rol spelen. Artikel 36. Klachtenregeling en medezeggenschap Lid 1 Dit artikel bepaalt dat aanbieders van voorzieningen een regeling moeten treffen voor de behandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt. De gemeente laat de aanbieders vrij om de regeling vorm te geven. Lid 2 De aanbieder is ten aanzien van maatwerkvoorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid onder b, van de wet). In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Lid 3 en 4 Het college overlegt periodiek met de gecontracteerde aanbieders. Naast de in dit lid genoemde onderwerpen is ook de klachtenafhandeling onderdeel van de gesprekken. Hoofdstuk 8. Overige bepalingen Artikel 37. Waardering mantelzorgers Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting. Artikel 38. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. Artikel 39. Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het vorenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel 40. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van de verordening. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de cliënt. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet nadrukkelijk worden beschouwd als een uitzondering. Bij de beoordeling van de aanvraag zou het college zelf aanleiding kunnen zien om de hardheidsclausule toe te passen. In het algemeen geldt echter dat de cliënt gemotiveerd moet aangeven dat zijn situatie bijzonder is en zal hij dat desgevraagd ook nader moeten onderbouwen. Hoofdstuk 9. Slot- en overgangsbepalingen Artikel 41. Intrekking oude verordening en overgangsbepalingen Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting. Artikel 42. Inwerkingtreding en citeertitel Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting. Bijlage1Normenkader Hulp bij het huishouden Bij de inzet van hulp bij het huishouden wordt gebruik gemaakt van het Normenkader hulp bij het huishouden 2019. Deze tijdnormering is afgeleid uit het rapport1ND/19/016 | juni 2019 | Bureau HHM Normenkader Huishoudelijke ondersteuning 2019 van het onafhankelijk onderzoek uitgevoerd door KPMG Plexus en Bureau HHM (juli 2016). Definitie van het resultaat Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd2Met opruimen wordt in dit normenkader bedoeld dat de woning voldoende op orde is zodat de hulp direct kan beginnen met schoonmaken en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Indien de situatie rondom het huishouden daarom vraagt kan met goede redenen worden afgeweken.. Activiteiten We onderscheiden de activiteiten in: Basisactiviteiten: Deze activiteiten dienen regelmatig uitgevoerd te worden; en Incidentele activiteiten: Deze activiteiten worden slechts één of enkele malen per jaar uitgevoerd. Basisactiviteiten: stof afnemen nat en droog, stofzuigen, dweilen, keukenblok schoonmaken, badkamer en toilet schoonmaken, bed verschonen, afval opruimen. De activiteit opruimen maakt in principe geen onderdeel uit van de basisvoorziening ‘Schoon Huis’. Incidentele activiteiten: ramen wassen binnenzijde, raambekleding wassen/schoonmaken, meubels schoonmaken, reinigen radiatoren, keukenapparatuur schoonmaken, binnen- en bovenzijde keukenkastjes afnemen, deuren afnemen, deurposten en tegelwanden afnemen. Bepaling van de mate van hulp bij het huishouden Is er geen sprake van gebruikelijke hulp, dan dient de omvang van de hulp bij het huishouden te worden vastgesteld. Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan uitvoeren. Er is gekozen voor normtijden om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten worden. Het aantal uren dat verstrekt wordt én het niveau van schoon dat hiermee behaald kan worden is gebaseerd op het objectieve en onafhankelijke onderzoek, uitgevoerd door KPMG Plexus en Bureau HHM (juli 2016). In december 2018 bevestigde de CRvB in haar uitspraken van 10 december 20183ECLI:NL:CRVB:2018:3835, ECLI:NL:CRVB:2018:3838, ECLI:NL:CRVB:2018:3837 en ECLI:NL:CRVB:2018:3836 dat dit normenkader voldoet aan de eisen die in mei 2016 werden gesteld aan de onderbouwing van normtijden. Kinderverzorging en –opvang bij gehandicapte of zieke ouder Valt de ene ouder uit, dan neemt de andere ouder de zorg voor de kinderen over. Zo nodig met behulp van (buitenschoolse) opvang of door het opnemen van zorgverlof. Heeft iemand alle mogelijkheden benut en krijgt hij/zij het nog niet rond? Dan kan tijdelijk een indicatie worden afgegeven voor hulp bij het huishouden. De indicatie is dan bedoeld om het gezin korte tijd te ontlasten en op zoek te gaan naar een alternatief. Een ziek of gehandicapt gezinslid kan een grote belasting betekenen voor een gezin. Het risico op overbelasting van een gezonde verzorgende ouder is aanwezig; dit kan leiden tot inzet van hulp bij het huishouden ter ontlasting. Ouderlijke zorgplicht bij echtscheiding Bij echtscheiding vervalt de gebruikelijke hulp voor het huishouden van de voormalige partner en de onderlinge persoonlijke verzorging van partners. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt niet. Als de verzorgende ouder, waar de kinderen hun hoofdverblijf hebben, uitvalt moet onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen bij de andere ouder. Hierbij wordt onder meer gekeken naar de door de rechtbank vastgelegde afspraken tussen de ex-echtgenoten. Voor de perioden dat de kinderen bij de verzorgende ouder zijn kan er een indicatie voor opvang zijn, als er geen gebruik kan worden gemaakt van voorliggende voorzieningen. Als de zorgplicht door de niet-verzorgende ouder niet wordt nagekomen, wordt de situatie beschouwd als een eenoudergezin. Hulp bij het huishouden in relatie tot begeleid wonen Hulp bij het huishouden in het RIBW (Regionale Instelling Beschermende Woonvormen) en gezinsvervangend tehuis (GVT): voor het ondersteunen van een cliënt in het uitvoeren van huishoudelijke taken zal vooral begeleiding worden ingezet. Indien overname van taken aan de orde is, is hulp bij het huishouden aan de orde. Hulp bij het huishouden in terminale situaties Als een cliënt een zeer korte levensverwachting heeft (korter dan drie maanden) kan afgeweken worden van de normering gebruikelijke hulp. Het overnemen van huishoudelijke taken indien een persoon terminaal is, kan er voor zorgen dat de gezinsleden minder belast worden. Hulp bij het huishouden boven de vijfenzeventig jaar Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden gesteld dat een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren, zoals soms het geval is bij ouderen, kan hulp bij het huishouden worden ingezet. Indien de cliënt wel tot leren in staat is, wordt slechts kortdurend inzet gepleegd voor het aanleren van de huishoudelijke activiteiten. Het betreft dan instructie. Extra hulp bij het huishouden bij cliënten met huisstofmijtallergie Een vraag naar hulp bij het huishouden is pas aan de orde wanneer sanering van de woning heeft plaatsgevonden. Voor het stofvrij houden van de woning kunnen meer uren worden ingezet dan in een situatie waar huisstofmijtallergie niet aan de orde is. Revalideren Het is van belang om te bekijken of er bij een cliënt die hulp bij het huishouden aanvraagt nog sprake is van herstel. Bij de behandelend arts kan worden geïnformeerd of het verstrekken van voorzieningen verstandig is tijdens een nog lopend behandeltraject. Wanneer de aandoening die de oorzaak vormt voor de beperkingen in het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden volgens een arts nog behandelmogelijkheden biedt, dan kan in de regel geen hulp bij het huishouden alleen worden ingezet. In dat geval kan hulp bij het huishouden namelijk de revalidatie tegenwerken. Wel kan hulp bij het huishouden naast een te volgen behandeling worden ingezet. Dan is uiteraard afstemming met de behandelaar nodig. De inzet heeft dan in principe een korte geldigheidsduur, afgeleid van de duur van het behandel- of revalidatietraject. Technische hulpmiddelen Wanneer er hulpmiddelen zijn die iemand voldoende helpen om zichzelf te kunnen redden, dan komt hij niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden. Hierbij kan worden gedacht aan een afwasmachine of een droogtrommel. Zo nodig kan de cliënt gewezen worden op de mogelijkheid van de eerstelijns ergotherapie voor het leren omgaan met hulpmiddelen/het reorganiseren van het huishouden. Vervuild huishouden Het betreft hier een vrijwillig traject. Er moet sprake zijn van medewerking van de klant. Het doel van dit traject is: vervuiling opheffen, woonruimte weer bewoonbaar maken, ongedierte verwijderen en het aantal huisdieren tot een acceptabel aantal terugbrengen; de woonomstandigheden zijn weer veilig; er is hulp/controle om te voorkomen dat er recidive optreedt. Uitgangspunt hierbij is dat de vervuiler betaalt. Er zal per situatie worden bekeken in hoeverre de woning kan worden schoongemaakt door een aanbieder hulp bij het huishouden of dat inschakeling van een schoonmaakbedrijf noodzakelijk is. Inschakeling schoonmaakbedrijf Een schoonmaakbedrijf wordt ingeschakeld als er sprake is van ongedierte, naalden en natte vervuiling (urine, ontlasting, etensresten). Inschakeling thuiszorg Wanneer wordt gekozen voor inschakeling van een aanbieder hulp bij het huishouden, geeft de gemeente opdracht voor de inzet van hulp bij het huishouden. In beginsel voor een periode van acht weken, daarna wordt de situatie opnieuw bekeken. Stroomschema normenkader in minuten per week: Normenkader: activiteiten en frequenties Woonruimten Schoon en leefbaar huis Woonkamer Slaapkamer(
- s)Keuken Badkamer en toilet Hal Categorie schoonmaakactiviteiten Afnemen nat en droog Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Zitmeubels afnemen (droog/nat) Radiatoren reinigen Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Radiatoren reinigen Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Radiatoren reinigen Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Radiatoren reinigen Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Radiatoren reinigen Stofzuigen en dweilen Stofzuigen Dweilen Stofzuigen Dweilen Stofzuigen Dweilen Stofzuigen Dweilen Trap stofzuigen (binnenshuis) Ramen en gordijnen Gordijnen wassen Lamellen.luxaflex reiniging Ramen binnenzijde wassen Gordijnen wassen Lamellen.luxaflex reiniging Ramen binnenzijde wassen Gordijnen wassen Lamellen.luxaflex reiniging Ramen binnenzijde wassen Gordijnen wassen Lamellen.luxaflex reiniging Ramen binnenzijde wassen Bed Verschonen Bed verschonen Matras draaien Keuken schoonmaken Keukenblok en –apparatuur (buitenzijde) Afval opruimen Keukenkastjes (binnenzijde) Koelkast (binnenzijde) Oven/magnetron Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid) Afzuigkap reinigen (binnenzijde) Bovenkant keukenkastjes Tegelwand (los van keukenblok) Sanitair schoonmaken Badkamer schoonmaken (incl. stofzuigen en dweilen) Toilet schoonmaken Tegelwand badkamer afnemen Opruimen Opruimen Opruimen Tabel 1: Activiteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis Ruimte Basisactiviteit Frequenties Woonkamer (en andere kamers) Stof afnemen hoog incl. luchtfilters 1 x per 2 weken Stof afnemen midden 1 x per week Stof afnemen laag 1 x per week Opruimen 1 x per week Stofzuigen 1 x per week Dweilen 1 x per week Slaapkamer(
- s)Stof afnemen hoog incl. tastvlakken en luchtfilters 1 x per 6 weken Stof afnemen midden 1 x per week Stof afnemen laag 1 x per week Opruimen 1 x per week Stofzuigen 1 x per week Dweilen 1 x per 2 weken Bed verschonen of opmaken 1 x per 2 weken Keuken Stofzuigen 1 x per week Dweilen 1 x per week Keukenblok (buitenzijde) inclusief tegelwand, kookplaat, spoelbak, koelkast, eventuele tafel 1 x per week Keukenapparatuur (buitenzijde) 1 x per week Afval opruimen 1 x per week Afwassen 1x per week Sanitair Badkamer schoonmaken (inclusief stofzuigen en dweilen) 1 x per week Toilet schoonmaken 1 x per week Hal Stof afnemen hoog incl. tastvlakken en luchtfilters 1 x per week Stof afnemen midden 1 x per week Stof afnemen laag 1 x per week Stofzuigen 1 x per week Trap stofzuigen (binnenshuis) 1 x per week Dweilen 1 x per week Tabel 2: Frequenties benodigd voor een schoon en leefbaar huis (basisactiviteiten) Ruimte Incidentele activiteit Frequenties Woonkamer (en andere kamers) Gordijnen wassen 1 x per jaar Reinigen lamellen/luxaflex 2 x per jaar Ramen binnenzijde wassen 4 x per jaar Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten 2 x per jaar Zitmeubels afnemen (droog/nat) 1 x per 8 weken Radiatoren reinigen 2 x per jaar Slaapkamer(
- s)Gordijnen wassen 1 x per jaar Reinigen lamellen/luxaflex 2 x per jaar Ramen binnenzijde wassen 4 x per jaar Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten 2 x per jaar Radiatoren reinigen 2 x per jaar Matras draaien 2 x per jaar Keuken Gordijnen wassen 2 x per jaar Reinigen lamellen/luxaflex 3 x per jaar Ramen binnenzijde wassen 4 x per jaar Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten 2 x per jaar Radiatoren reinigen 3 x per jaar Keukenkastjes (binnenzijde) 2 x per jaar Koelkast (binnenzijde) 3 x per jaar Oven/magnetron (grondig schoonmaken) 4 x per jaar Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid) 1 x per jaar Afzuigkap reinigen (binnenzijde) – vaatwasserbestendig 2 x per jaar Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - niet vaatwasserbestendig 2 x per jaar Bovenkant keukenkastjes 1 x per 6 weken Tegelwand (los van keukenblok) 2 x per jaar Sanitair Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten 2 x per jaar Radiatoren reinigen 2 x per jaar Tegelwand badkamer afnemen 4 x per jaar Gordijnen wassen 1 x per jaar Ramen binnenzijde wassen 4 x per jaar Reinigen lamellen/luxaflex 3 x per jaar Hal Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten 2 x per jaar Radiatoren reinigen 2 x per jaar Tabel 3: Frequentie benodigd voor een schoon en leefbaar huis (incidentele activiteiten) Activiteit Frequenties* Wasgoed sorteren 1x per week Behandelen van vlekken 5x per 2 weken (indien nodig) Was in de wasmachine stoppen (incl. wasmachine aanzetten) 5x per 2 weken Wasmachine leeghalen 5x per 2 weken Sorteren naar droger of waslijn 5x per 2 weken Was in de droger stoppen 5x per 2 weken Droger leeghalen 5x per 2 weken Was ophangen 5x per 2 weken Was afhalen 5x per 2 weken Was opvouwen 5x per 2 weken Was strijken 1x per week Was opbergen/opruimen 5x per 2 weken Tabel 4. Activiteiten en frequenties benodigd voor de wasverzorging * In een tweepersoonshuishouden wordt uitgegaan van een frequentie van 5x per 2 weken voor de was, in een eenpersoonshuishouden is dat 2x per week. Onderdeel Activiteit Frequentie Boodschappen Het opstellen van boodschappenlijst 1x per week Het doen van de boodschappen 1x per week Het opruimen van de boodschappen 1x per week Tabel 5. Activiteiten en frequenties benodigd voor de boodschappen Onderdeel Activiteit Frequentie Maaltijden Broodmaaltijden: tafel dekken, eten en drinken klaarzetten (1 maaltijd op tafel, 1 maaltijd in de koelkast), afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen 1x per dag* Opwarmen maaltijd: maaltijd opwarmen, tafel dekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser in/uitruimen 1x per dag* Tabel 6. Activiteiten en frequenties benodigd voor de maaltijden * Of minder als de cliënt hierin een deel van de week zelf of met behulp van het netwerk kan voorzien. Onderdeel Activiteit Verzorgen van minderjarige kinderen Was verzorgen Kamers opruimen Eten maken Tasjes school Aankleden Wassen Eten geven Structuur bieden Meer tijd huishoudelijke taken Brengen naar school/crèche Naar bed brengen Afstemming met andere hulp/informele zorg Afstemming/sociaal contact (aankomst, vertrek, administratie, contact met cliënt) Tabel 7: Activiteiten voor het verzorgen van minderjarige kinderen Onderdeel Activiteit Advies, instructie en voorlichting Aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van de activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis en de was-verzorging Aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van activiteiten gericht op boodschappen en maaltijden Tabel 8: Activiteiten voor advies, instructie en voorlichting Bijlage2Normenkader begeleiding Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur dan wel het voeren van regie en/of het ondersteunen bij vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid: maximaal 7-10 uur per week Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur dan wel het voeren van regie en/of het ondersteunen bij vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid + oefenen: maximaal 10-13 uur per week Het bieden van toezicht maximaal 2-4 uur per week Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur dan wel het voeren van regie en/of het ondersteunen bij vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid + het bieden van toezicht maximaal 10-13 uur per week Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur dan wel het voeren van regie en/of het ondersteunen bij vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid + het bieden van toezicht + oefenen maximaal 13-16 uur per week Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur dan wel het voeren van regie en/of het ondersteunen bij vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid + het bieden van toezicht. + het bieden van toezicht tijdens onderwijs + oefenen maximaal 16-20 uur per week Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur dan wel het voeren van regie en/of het ondersteunen bij vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid + het bieden van toezicht + zeer ernstige gedragsproblematiek: gemotiveerd toekennen (wel of niet incl. oefenen) maximaal 16-20 uur per week Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur dan wel het voeren van regie en/of het ondersteunen bij vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid + het bieden van toezicht + het bieden van toezicht tijdens onderwijs + zeer ernstige gedragsproblematiek: gemotiveerd toekennen (wel of niet incl. oefenen) maximaal 20-25 uur per week Begeleiding in groepsverband wordt bepaald door het doel van de zorg. Daarbij kan het gaan om: het bieden van een dagprogramma met als doel al dan niet aangepaste vormen van arbeid of school te vervangen gedurende maximaal 9 dagdelen per week of: het bieden van activiteiten met als doel een andersoortige vorm van dagstructurering dan arbeid of school en tevens zelfredzaamheid en cognitieve capaciteiten en vaardigheden zoveel mogelijk te handhaven en/of gedragsproblematiek te reguleren gedurende maximaal 9 dagdelen p