Individuele verzoeken om woningbouwDe gemeenteraad van Lingewaard heeft op 15 oktober 2020 besloten om het beleid Particuliere woningbouw in Lingewaard vast te stellen. Samenvatting De gemeenteraad heeft gevraagd om meer beleidsruimte voor het verlenen van medewerking aan initiatieven van inwoners om een nieuwe woning te realiseren. Dit document bevat de richtlijnen voor de gevraagde beleidsruimte. Wat willen wij bereiken? Het doel van het beleid is voldoen aan de denklijn in de omgevingswet (meer ruimte voor particuliere initiatieven in de lijn van “Ja mits”) en het voldoen aan de lokale vraag naar meer woningen zonder dat dit leidt tot een aantasting van het Lingewaardse landschappelijke en stedenbouwkundige karakter bestaande uit zichtbare autonome woonkernen gelegen in een groene setting. Wat gaan we daarvoor doen? Dit beleid biedt de mogelijkheid om maatwerk te verrichten met het toetsen van initiatieven. Wij zullen nieuwe en reeds bekeken initiatieven beoordelen volgens de nieuwe richtlijnen. Met het vaststellen van dit beleid ontstaan meer mogelijkheden voor particulieren om een woning te realiseren. Bestaande voorwaarden, zoals bijvoorbeeld het splitsen van een woning, of het toevoegen van een woning op het eigen perceel binnen de kernen worden versoepeld. Daarnaast gaan we het beoordelen van afwijkingen van generiek beleid anders inrichten. Daarbij richten we ons op het principe in de Omgevingswet van “ja, mits”. Dat wil zeggen, als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, dan wordt meegewerkt aan realisatie. Het “anders toetsen” leidt niet tot verruiming van het generieke beleid voor bijvoorbeeld het buitengebied of voor woningbouw. Het leidt tot meer mogelijkheden om, in overleg met de gemeente, binnen richtlijnen die specifiek voor de locatie en het initiatief gelden, een initiatief tot uitvoering te brengen. Het meer locatie-specifiek toetsen en meer vanuit richtlijnen zoeken naar mogelijkheden om een initiatief in te passen, zal met name spelen binnen de woonkernen. In het landelijk gebied, in natuur of in het winterbed van de rivieren, en op bedrijventerreinen, zijn beleid en regels helder: die omgevingen zijn ongeschikt voor meer bebouwing. In het landelijk gebied is nieuwbouw om die reden ook gekoppeld aan sanering van vrijgekomen (agrarische) bedrijfsbebouwing. Dat blijft zo. In Huissen loopt op dit moment een proef met het toestaan van een extra woning op een bouwkavel voor een woning (pilot functieverandering ’t Zand). Op basis van de resultaten van die proef beraden we ons op een mogelijk meer algemeen vervolg hierop. Dit zal mee worden genomen in de evaluatie van dat beleid. Naast nieuwe woningen is soms behoefte aan tijdelijke bewoning. Meestal in verband met mantelzorg of in de aanloop daar naartoe, pré-mantelzorg. Woonruimte in verband met mantelzorg, zorg op basis van medische indicatie, is tijdelijk en vergunning-vrij. Wat mag het kosten? Een initiatief vergt een investering, een initiatief kost geld. Voor initiatiefnemers geldt dat de gemeente verplicht is om kosten die verband kunnen houden met een initiatief, bij de initiatiefnemer neer te leggen. Voor de gemeente zelf geldt dat ook, “meer mogelijk maken” vraagt een investering in capaciteit. Meer begeleiding van initiatieven en meer locatie-specifieke en op het initiatief gerichte voorwaarden opstellen, vraagt een extra 1.5 fte aan personele inzet in het ruimtelijk domein. Voor de begroting van 2021 wordt er €120.000 gevraagd. Hierbij is er rekening mee gehouden dat kleinschalige particuliere woningbouw initiatieven in verhouding tot grootschalige woningbouwinitiatieven ontwikkeld door professionele ontwikkelaars, meer personele inzet vragen. Hoofdstuk1Inleiding en probleemstelling Regionaal en ook binnen onze gemeente is er behoefte aan het stimuleren van het tot stand komen en uitvoeren van plannen voor (extra) woningbouw. Woningbouw vindt plaats op projectbasis en naar aanleiding van particulier initiatief. Met particulier initiatief bedoelen we het individuele initiatief van inwoners voor het toevoegen van één of twee woningen op eigen terrein, voor het splitsen van een woning in meerdere wooneenheden en voor het functieverandering van een bestaand gebouw in woningen. Het gaat dan om het toevoegen van woningen op een plek waar het geldende bestemmingsplan dat nu niet toelaat. Probleemstelling Het toelatingsbeleid voor particuliere woningbouw zoals dat nu is vinden we te beperkt en het is niet voor iedereen overzichtelijk. Het houdt onvoldoende rekening met de “ja, mits” benadering vanuit de Omgevingswet. Er ontbreekt één overzichtelijke notitie waarin staat in welke situaties de gemeente bereid is om een bestemmingsplan aan te passen en wat daar allemaal bij komt kijken. Vandaar dat gevraagd is om het toelatingsbeleid te verruimen. Dit op een manier die ook recht doet aan de benadering in de Omgevingswet, die uitgaat van: “Ja, mits…..”. Doel Verruiming van het huidige toelatingsbeleid voor particuliere woningbouw. Criteria Gebaseerd op de “ja, mits” benadering vanuit de Omgevingswet; Overzichtelijk zodat een initiatiefnemer zelf het initiatief kan toetsen; Zoveel mogelijk eenduidig onderbouwd; Onderscheid tussen woonkernen en landelijk gebied. Opbouw van deze notitie In het volgende hoofdstuk leggen we eerst uit welk beleid en welke regelingen nu bestaan. Vervolgens geven we aan welke verschillende omgevingen we onderscheiden. Bouwen in het dorpscentrum heeft immers een heel ander effect op de omgeving dan bijvoorbeeld in het buitengebied. In hoofdstuk 3 komt de “ja, mits” aan bod. Wat bedoelt de Omgevingswet, wat verwacht die van de gemeente en van een initiatiefnemer en wat betekent “ja, mits”? Welke voorwaarden horen bij die mits en wat is daar nieuw aan? Hoofdstuk 4 formuleert het “nieuwe beleid oftewel de nieuwe richtlijnen”. Het slothoofdstuk bevat een beschrijving van het proces dat initiatiefnemers moeten doorlopen en geeft inzicht in het kostenverhaal. Hoofdstuk2Bestaand beleid Dit hoofdstuk geeft een beknopt overzicht van hetgeen we op dit moment hebben aan beleid en regels. Beleid legt uit “wat we graag willen” en regels geven aan “wat mag en wat is verboden”. Mogelijkheden voor particulieren om een woning te realiseren worden in hoofdzaak bepaald door beleidsmatige uitgangspunten in de zin van “waar kan worden gebouwd” en “waar kan niet worden gebouwd”. Dit beleid wordt vervolgens vertaald in de regels in bestemmingsplannen. Die regels zijn generiek en vaak voor het hele bestemmingsplan hetzelfde. Op grond van beleid kan worden afgeweken van die algemeen geldende planregels. Planregels zijn immers voor het hele plangebied gelijk, de situatie “ter plekke” kan bijzonder genoeg zijn om van algemene regels af te wijken. Handvat daarvoor is het beleid. Het gemeentelijk woonbeleid gaat vooral over hoeveel en voor wie wordt er in de toekomst gebouwd. Dit beleid (Woonvisie, Nota Wonen, woningbouwnotitie e.d.) zijn minder van belang als het gaat om de vraag of wel of geen medewerking wordt verleend aan een initiatief. Ook de kwaliteitseisen die aan de orde komen in het vergunning-proces, de beoordeling bij commissie Ruimtelijke kwaliteit en Omgevingsdienst, zijn niet bepalend voor de beginvraag “ja of nee” bij een initiatief om een woning te realiseren, maar gaan over het hoe, op welke manier moet de woning of de woningen worden gebouwd. Terug dus naar het beleid en de regels die aangeven “waar bouwen we voor de woonfunctie” en “waar bouwen we niet voor de woonfunctie”. Omgezet naar de gedachtegang in de Omgevingswet: ja mits de kwaliteit van de omgeving geschikt is voor (de nieuwe) woning(en): Waar wel en waar niet? De woonkernen Zijn uiteraard geschikt voor wonen, dus “ja mits”. Omdat de woonkernen bestaand uit historisch gegroeide bebouwings- en stratenpatronen en planmatig opgezette woonwijken, past een nieuwe woning niet zonder meer overal tussen. Met andere woorden: er zijn een aantal mitsen. We bouwen niet op achtererven, een woning moet een eigen ontsluiting op de openbare weg hebben, wonen brengt auto’s en parkeren met zich mee en die extra parkeerbehoefte die hoort bij een extra woning moet kunnen worden opgevangen. In de bijlage zijn kaarten opgenomen waarop de begrenzing van de woonkernen is opgenomen. Het buitengebied Is in beginsel landelijk, groen, open en agrarisch. Beleid is hier gericht op het minimaliseren van bebouwing. Om die reden hebben agrarische bedrijven ook binnen alle grond die bij het bedrijf hoort een bouwperceel. Zo’n bouwperceel is bedoeld om de bedrijfsgebonden bebouwing compact bij elkaar te houden. Om die reden hebben we ook jarenlang ingezet op het concentreren van kassencomplexen in NEXTgarden, en versnipperd glas verminderd. Toch wordt er ook gewoond in het buitengebied. En dat kan ook, het buitengebied is vooral agrarisch maar niet “uitsluitend agrarisch”. Vanwege de kwaliteit van de omgeving die we landelijk en groen willen houden geldt: ja, mits wonen niet leidt tot meer bebouwing en mits wonen geen belemmering oplevert voor agrarische bedrijven. Het realiseren van een woning is daarom gekoppeld aan het gebruik maken van bestaande gebouwen of aan sloop en vervangende nieuwbouw. Daarmee voorkomen we dat de bebouwing in het buitengebied in grote mate toeneemt. Voor initiatiefnemers van woningrealisatie in het buitengebied hebben we bestaand beleid voor functieverandering. Dit beleid is opgenomen als bijlage. Bedrijventerreinen, het winterbed van de rivieren, natuur. Die omgevingen zijn ongeschikt voor nieuwe woningen. Ja mits de kwaliteit van de omgeving niet wordt aangetast betekent hier nagenoeg altijd: Nee, dat is niet mogelijk. Wettelijke beschermingszones of hinderzones Specifieke functies hebben een zone die nodig is om die functie te beschermen: rivierdijken, drinkwater-beschermingsgebieden, e.d.. In die zones verdraagt de te beschermen kwaliteit géén nieuwe bebouwing. Weer andere functies hebben een zone die nodig is om een goede woonkwaliteit te waarborgen. Binnen die zone is de woonkwaliteit onvoldoende: geluidzones langs hoofdwegen, hinderzones vanwege geluid of geurhinder rondom bedrijven, e.d.. Binnen die zones kan géén goed woonklimaat worden gewaarborgd. Glastuinbouw Lingewaard heeft een concentratiegebied voor glastuinbouw: NEXTgarden. Binnen NEXTgarden is een deel de afgelopen jaren planmatig uitgegeven voor glastuinbouw en een ander deel van oudsher gevuld met onder andere glas, maar ook met andere bedrijfsfuncties en woningen. In de extensiveringsgebieden is het toevoegen van een woning onder dezelfde voorwaarden mogelijk als in het buitengebied. Zoals eerder genoemd, geldt voor het gebied ’t Zand een pilot voor functieverandering. In het concentratiegebied is functieverandering op dit moment niet mogelijk. Uitgangspunt is dat geen andere functies dan glas toegevoegd worden. Door het toevoegen van een woning, kan de glastuinbouw worden belemmerd. Er zou in een uitzonderingssituatie een woning toegevoegd kunnen worden. Dus Ja, mits wonen niet leidt tot meer bebouwing en mits wonen geen belemmering oplevert voor (agrarische) bedrijven én wonen niet leidt tot een belemmering voor de glastuinbouw. Hoe ontstaat een nieuwe woning? Hierboven wordt benoemd waar een nieuwe woning wel of niet mag ontstaan en hieronder benoemen we op welke manier dit gerealiseerd kan worden. Woningen realiseren kan op verschillende manieren. Grofweg kan komt het hierop uit: Een bestaande woning splitsen in twee of meer woningen; Het realiseren van meer woningen dan een bestaande woonbestemming toestaat bijvoorbeeld 2 i.p.v. 1; Een bestaande gebouw (winkel, kantoor, stal, kas, schuur) geschikt maken voor de woonfunctie; Een bestaand gebouw slopen en vervangen door nieuwbouw van een woning; Nieuwbouw op een plek die nu nog onbebouwd is. Bijvoorbeeld door van een bestaand woonperceel een deel van de tuin af te splitsen voor een nieuw woonperceel of een vrij perceel te bebouwen. Welke regels gelden er nu in de bestemmingsplannen? Op dit moment is het toevoegen van een woning in de kernen door woningsplitsing, functieverandering, nieuwbouw, sloop en nieuwbouw niet mogelijk. Ditzelfde geldt voor het buitengebied. Met dien verstande dat voor functieverandering en voor woningsplitsing in geval van een monument er een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen. Het college kan in die gevallen binnen de voorwaarden opgenomen in de planregels, de bestemming wijzigen. Hoofdstuk3Omgevingswet en “ja, mits…..” De Omgevingswet Januari 2022 wordt zoals het er naar uitziet de omgevingswet ingevoerd. Doel van de wet is tweeledig: Een initiatiefnemer wordt nu geconfronteerd met veel regels en procedures die de weg naar realisatie van een initiatief ondoorzichtig en onzeker maken. De Omgevingswet is gericht op makkelijker en duidelijker: één loket en één antwoord van de overheid gebaseerd op een integrale afweging van het initiatief. Het tweede doel is het antwoord van de overheid op een initiatief minder in te steken vanuit zekerheden en meer vanuit “flex en duurzame groei”. De benadering wordt “ja, mits…”. De “mits” bevat een relatie met de gewenste kwaliteit van de omgeving. Rol van de gemeente De gemeente beoordeelt initiatieven integraal. Daarmee wordt bedoeld vanuit alle relevante invalshoeken en vanuit de verschillende overheidsbelangen. Voor zover bijvoorbeeld provinciale- of waterschapsbelangen spelen is het antwoord van de gemeente inclusief en afgestemd met die andere overheden. Een initiatiefnemer krijgt zo één integraal antwoord. Rol van de initiatiefnemer Ook de rol van een initiatiefnemer wordt meer integraal. Een initiatiefnemer kan niet volstaan met het indienen van het initiatief bij de gemeente. Deze heeft zelf een belangrijke rol in o.a. de communicatie met de omgeving en belanghebbenden over het initiatief en het verwerken van de resultaten daarvan. Ook zal een initiatiefnemer moeten nagaan of het initiatief zodanig kan worden uitgevoerd, dat het voldoet aan de voorwaarden die de gemeente meegeeft om de gewenste omgevingskwaliteit te waarborgen. “Ja, mits….” Crux is natuurlijk, wat staat er achter de “mits…”? Het omgevingsplan regelt, net als nu het bestemmingsplan, een “evenwichtige toedeling van functies aan locaties”. Wat “evenwichtig” is hangt samen met de kwaliteit die we voor een bepaalde omgeving willen waarborgen. Het toelaten van een initiatief dat afwijkt van het omgevingsplan wordt dan: ja, mits de kwaliteit van de omgeving blijft gewaarborgd. Het waarborgen van die kwaliteit leidt tot voorwaarden waarvan we afspreken: binnen die voorwaarden, ja. Wordt niet aan die voorwaarden voldaan, dan nee. Omgevingskwaliteit We zijn bezig met het opstellen van een omgevingsvisie. Die beschrijft kernwaarden en vertaalt die naar een gewenste omgevingskwaliteit. Omgevingswaarden, normen waarmee we kunnen meten of een gewenste kwaliteit wordt behaald, landen straks in de omgevingsplannen (nu nog bestemmingsplannen). Echter, de omgevingsvisie is nog volop “in bewerking” en nog niet vastgesteld. Wat straks precies in omgevingsplannen landt is dus nog niet bekend. Maar, omgevingskwaliteit en omgevingswaarden komen niet “uit de lucht vallen”. Er zijn al basisdocumenten en beleidsdoelen die iets zeggen over kwaliteit en waarden in de fysieke leefomgeving. Hiervoor kijken we in eerste instantie naar de hoofddoelen van onze programmabegroting. Veiligheid We willen een veilige omgeving. Een aspect dat daarbij hoort is dat vrijkomende bebouwing niet in verval raakt of gebruikt gaat worden voor dubieuze activiteiten die de veiligheid en leefbaarheid van de omgeving aantasten. Functieverandering van vrijkomende gebouwen kan dus bijdragen een leefbare veilige omgeving. Verkeer We willen goed en veilig bereikbaar zijn. Daarom letten we op de ontsluiting vanaf de openbare weg, hebben we parkeernormen, e.d.. Het is ook een reden waarom we bouwen op achtererven niet toestaan. Economie We willen levendige woonkernen en een goed ondernemersklimaat dat voor werkgelegenheid zorgt. Bedrijven moeten goed kunnen functioneren en hebben voor de toekomst vaak “ontwikkelruimte” nodig. Dus, geen woningen op bedrijventerreinen, geen woningen in het buitengebied als die agrarische bedrijven in de weg gaan zitten, en behoud van voldoende andere functies zoals kantoor- en winkelruimte in de centrumgebieden van woonkernen. Onderwijs Dit programma heeft geen directe relatie met het wel of niet toestaan van een woning. Sport, cultuur en recreatie Dit programma heeft geen directe relatie met het wel of niet toestaan van een woning. De zorg voor groen en landschap kan leiden tot voorwaarden aan de inpassing van een woning. Sociaal domein Vergrijzing en de behoefte om langer zelfstandig te kunnen wonen leidt tot een groeiende behoefte aan tijdelijke voorzieningen op het gebied van mantelzorg. Deze notitie gaat niet over tijdelijke woonruimte. Woonruimte in verband met mantelzorg is geregeld. Zo’n tijdelijke woning is vergunning-vrij maar voor mantelzorg bestaan zeer strikte voorwaarden, niet iedereen kan daar een beroep op doen. Gezondheid en milieu Is geregeld via de milieuwetgeving en het vergunning-proces. Wonen en ruimtelijke ordening Dit programma omvat de zorg voor voldoende woningen en een goede ruimtelijke inpassing van (nieuwe) woningen in de omgeving, het waarborgen van de kwaliteit van de omgeving. Die kwaliteit en ruimtelijke inpassing kan leiden tot de conclusie dat de omgevingskwaliteit geen nieuwe woning verdraagt (op bedrijventerreinen of in de natuur) of tot voorwaarden die vallen onder “ja, mits…..” (in de bebouwde kom en in het buitengebied). Bestuur Dit programma heeft geen directe relatie met het wel of niet toestaan van een woning. Wat wél speelt is dat ook vanuit dit programma de lijn wordt gevolg dat een initiatiefnemer meer mogelijkheden krijgt om te proberen zijn of haar initiatief tot uitvoering te brengen. Dus “ja, mits….”. Duurzaamheidsparagraaf Nieuwe woningen zijn gasloos en voldoen aan het Bouwbesluit en aan de voorwaarden voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Grondbeleid Is geregeld in het verplichte kostenverhaal van de gemeente op de initiatiefnemer. Zie ook hoofdstuk 5 van dit document. Beheer en onderhoud omgeving Is geregeld in het verplichte kostenverhaal van de gemeente op de initiatiefnemer. Hoofdstuk4De beleidsverruiming In dit hoofdstuk worden de nieuwe richtlijnen/voorwaarden beschreven waardoor het toevoegen van woningen mogelijk is. Deze richtlijnen geven meer ruimte voor het toevoegen van woningen echter laat het ook de voorwaarden zien waaraan nog steeds voldaan moet worden. Dit hoofdstuk is ingedeeld op de manieren hoe woningen kunnen worden toegevoegd. Waarna er specifiek op de richtlijnen wordt ingegaan en ten slotte zijn er nog enkele zaken genoemd waar rekening mee gehouden moet worden. 4.1Waar beleidsverruiming toepasbaar is De beleidsverruiming voor toevoegen van wooneenheden voor particulieren heeft het meeste effect op de mogelijkheid voor het toevoegen van wooneenheden in de kernen. In het buitengebied is door middel van functieverandering het toevoegen van woningen mogelijk. Zie bijlage 2 voor kaarten met begrenzing van de kernen. Met particulier initiatief bedoelen we het individuele initiatief van inwoners voor het toevoegen van één of twee woningen op eigen terrein; voor het splitsen van een woning in meerdere wooneenheden én voor het functieverandering van een bestaand gebouw in woningen. Bij meer wooneenheden zal het door een ontwikkelende partij als een project opgepakt dienen te worden. Binnen de kernen zal verruiming van wooneenheden mogelijk zijn via: Splitsen van een woning Toevoegen woning op woonperceel Functieverandering binnen bestaande bebouwing Functieverandering via sloop en nieuwbouw Nieuwbouw op onbebouwd perceel Woningen voor specifieke groepen zoals zorgwoningen In het buitengebied zal verruiming van wooneenheden mogelijk zijn via: Woningsplitsing (dus niet alleen bij monumenten) Functieverandering pilot ‘t Zand (extra mogelijkheden bij functieverandering) Functieverandering Tijdelijke zorgwoningen Bij beleidsverruiming denken we aan: Splitsing van een woning Het splitsen van een bestaande woning in twee of meer zelfstandige woningen is nu zeer beperkt mogelijk. Enkel onder de volgende voorwaarden: uitsluitend in en ter behoud van een gemeentelijk of rijksmonument; de te splitsen woning, inclusief inpandige bedrijfsruimten, een minimale inhoud heeft van circa 1.000 m3; de gesplitste woningen elk een minimale inhoud hebben van 400 m3; splitsing niet gepaard gaat met uitbreiding van het hoofdgebouw of de bijgebouwen; nabije functies en waarden niet onevenredig in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad; belangen van eigenaren of gebruikers van nabije gronden niet onevenredig worden geschaad; voldaan wordt aan de Wet geluidhinder. De eis dat alleen monumenten in aanmerking kunnen komen voor woningsplitsing vervalt. Ook ander grote woningen, bijvoorbeeld in beeldbepalende of karakteristiek voor de wederopbouwperiode grote panden of voormalige boerderijen kunnen in aanmerking komen voor woningsplitsing. Bij een (agrarisch) bedrijf betekent “geen onevenredig nadeel voor nabije functies” wel dat de bedrijfsvoering moet zijn beëindigd. Een nieuwe woning als op het perceel ook nog een bedrijf wordt uitgeoefend, belemmert het bedrijf én het woonklimaat. Ook in de bebouwde kom kunnen grote woonpanden staan die gesplitst kunnen worden. Bijvoorbeeld een oude dorpsvilla of pastorie kan geschikt zijn en groot genoeg zijn voor een extra woning. Daarbij wordt naast de al genoemde voorwaarden ook bekeken of aan de parkeernormen van de gemeente wordt voldaan Of de extra woning(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.