← Nederland

Concept Integrale verordening Jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Middelburg (Middelburg)

Concept Integrale verordening Jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente MiddelburgIntegrale verordening Jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Gemeente Middelburg nhoud 1. Algemeen deel 6 Artikel 1. Zorgplicht college voor integrale toegang en intake. 6 Artikel 2. Afstemming met andere vormen van hulp en ondersteuning. 6 Artikel 3. Betrekken van ingezetenen bij beleid. 7 Artikel 4. Toezichthouders. 7 Artikel 5. Meldcode. 7 Artikel 6. Machtiging. 7 2. Jeugdhulp. 7 Artikel 7. Definities. 7 Artikel 8. Vormen van jeugdhulp. 8 Artikel 9. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. 8 Artikel 10. Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. 8 Artikel 11. Toegang jeugdhulp via het college. 9 Artikel 12. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan. 9 Artikel 13. Criteria voor individuele voorziening. 9 Artikel 14. Afstemming met andere voorzieningen. 10 Artikel 15. Inhoud beschikking. 11 Artikel 16. Regels voor persoonsgebonden budget 11 Artikel 17. Onderscheid formele en informele hulp. 12 Artikel 18. Hoogte pgb. 12 Artikel 19. Kwaliteitseisen. 13 Artikel 20. Privacy en gegevensverwerking. 13 Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. 13 Artikel 22. Voorkoming en bestrijding van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet 13 Artikel 23. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s. 14 Artikel 24. Opschorting betaling uit het pgb. 14 3. Maatschappelijke ondersteuning. 14 Artikel 25. Definities. 14 Artikel 26. Jaarlijkse waardering mantelzorgers. 15 Artikel 27. Melding en onderzoek. 15 Artikel 28. Aanvraag. 15 Artikel 29. Voorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening. 16 Artikel 30. Uitgangspunten van een algemene voorziening. 17 Artikel 31. Aanbod van algemene voorzieningen. 17 Artikel 32. Beschermd wonen en opvang. 17 Artikel 33. Inhoud beschikking. 17 Artikel 34. Regels voor persoonsgebonden budget 18 Artikel 35. Onderscheid formele en informele hulp. 18 Artikel 36. Hoogte pgb. 18 Artikel 37. Opschorting betaling uit het pgb. 19 Artikel 38. Financiële tegemoetkoming. 19 Artikel 39. Bijdrage in de kosten voor voorzieningen en pgb’s. 20 Artikel 40. Hoogte bijdrage in de kosten. 20 Artikel 41. Voorkoming en bestrijding van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet 20 Artikel 42. Onderzoek naar kwaliteit, recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s. 21 Artikel 43. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning. 21 Artikel 44. Privacy en gegevensverwerking. 21 Artikel 45. Meldingsregeling calamiteiten en geweld. 21 Artikel 46. Klachtregeling aanbieders van maatschappelijke ondersteuning. 21 Artikel 47. Medezeggenschap. 21 Artikel 48. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden. 21 4. Slotbepalingen. 22 Artikel 49. Evaluatie. 22 Artikel 50. Hardheidsclausule. 22 Artikel 51. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 22 Artikel 52. Inwerkingtreding en citeertitel 22 Toelichting op de verordening Wmo en Jeugd gemeente Middelburg. 22 Algemeen deel 23 Artikel 1. Zorgplicht college voor integrale toegang en intake. 23 Artikel 2. Afstemming met andere vormen van hulp en ondersteuning. 23 Artikel 3. Betrekken van ingezetenen bij beleid. 25 Artikel 4. Toezichthouders. 25 Artikel 5. Meldcode. 25 Artikel 6. Machtiging. 25 Jeugdhulp. 25 Artikel 7. Definities. 25 Artikel 8. Vormen van jeugdhulp. 27 Artikel 9. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. 27 Artikel 10. Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. 27 Artikel 11. Toegang jeugdhulp via het college. 28 Artikel 12. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan. 28 Artikel 13. Criteria voor individuele voorziening. 28 Artikel 14. Afstemming met andere voorzieningen. 30 Artikel 15. Inhoud beschikking. 31 Artikel 16. Regels voor persoonsgebonden budget 32 Artikel 17. Onderscheid formele en informele hulp. 32 Artikel 18. De hoogte van het persoonsgebonden budget 33 Artikel 19 Kwaliteitseisen. 34 Artikel 20. Privacy en gegevensverwerking. 34 Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. 34 Artikel 22. Voorkoming en bestrijding van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet 35 Artikel 23. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s. 35 Artikel 24. Opschorting betaling uit het pgb. 35 Maatschappelijke ondersteuning. 36 Artikel 25. Definities. 36 Artikel 26. Jaarlijkse waardering mantelzorgers. 37 Artikel 27. Melding en onderzoek. 37 Artikel 28. Aanvraag. 38 Artikel 29. Voorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening. 38 Artikel 30. Uitgangspunten van een algemene voorziening. 42 Artikel 31. Aanbod van algemene voorzieningen. 42 Artikel 32. Beschermd wonen en opvang. 42 Artikel 33. Inhoud beschikking. 42 Artikel 34. Regels voor persoonsgebonden budget 42 Artikel 35. Onderscheid formele en informele hulp. 43 Artikel 36. Hoogte pgb. 43 Artikel 37. Opschorting betaling uit het pgb. 45 Artikel 38. Financiële tegemoetkoming. 45 Artikel 39. Bijdrage in de kosten voor voorzieningen en pgb’s. 45 Artikel 40. Hoogte bijdrage in de kosten. 45 Artikel 41. Voorkoming en bestrijding van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet 46 Artikel 42. Onderzoek naar kwaliteit, recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s. 47 Artikel 43. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning. 47 Artikel 44. Privacy en gegevensverwerking. 47 Artikel 45. Meldingsregeling calamiteiten en geweld. 47 Artikel 46. Klachtregeling aanbieders van maatschappelijke ondersteuning. 48 Artikel 47. Medezeggenschap. 48 Artikel 48. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden. 48 Slotbepalingen. 49 Artikel 49. Evaluatie. 49 Artikel 50. Hardheidsclausule. 49 Artikel 51. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 50 Artikel 52. Inwerkingtreding en citeertitel 50 Integrale verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Middelburg 2024 Intitulé Integrale verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Middelburg 2024 De raad van de gemeente Middelburg; Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [datum]; Gelet op het bepaalde in artikel 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, 2.1.6 en 2.6.6 van de Wmo 2015 en artikel 2.9, 2.10. 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet; B e s l u i t: Vast te stellen de volgende Integrale verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Middelburg 2024 Algemeen deel Artikel1.Zorgplicht college voor integrale toegang en intake 1. Het college zorgt er in ieder geval voor dat ouders, jeugdigen en cliënten die daar om verzoeken: a. kosteloos en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte; b. kosteloos worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van: i. het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de wettelijke taken op het gebied van de Wmo 2015 en de Jeugdwet, en ii. hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd; c. worden doorverwezen naar de passende instanties voor verdere ondersteuning, en d. dat degene die een melding of aanvraag indient wordt gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning. 2. Het college zorgt ervoor dat meldingen en aanvragen integraal worden onderzocht en beoordeeld, wat betekent dat de hulpbehoefte breed wordt geïnventariseerd en aan de hand daarvan passende ondersteuning wordt ingezet dan wel doorverwijzing plaats vindt. Artikel 2. Afstemming met andere vormen van hulp en ondersteuning 1. Wanneer in een hulpvraag of behoefte aan ondersteuning van een cliënt of jeugdige en/of diens ouders niet kan worden voorzien binnen één wettelijk kader als bedoeld in deze verordening, draagt het college verantwoordelijkheid voor goede afstemming van de hulp en ondersteuning. 2. De afstemming als bedoeld in het eerste lid heeft in ieder geval betrekking hulp en ondersteuning vanuit: a. de Jeugdwet, b. de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, c. de Participatiewet, d. de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, e. de Wet langdurige zorg, f. passend onderwijs, g. de Leerplichtwet, h. de Wet Publieke Gezondheid, i. de Zorgverzekeringswet. 3. De afgestemde hulp en ondersteuning wordt zodanig ingezet dat dit (indien van toepassing) leidt tot: a. Opheffen van een situatie die voor cliënt, jeugdige en/of zijn ouders en/of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; b. Stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; c. Voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van cliënt of jeugdige en/of zijn ouders, voor zover dat binnen het vermogen ligt; d. Voldoende mate van meedoen in de (lokale) samenleving voor cliënt, jeugdige en/of zijn ouders, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 4. Het college weegt bij de afstemming van hulp en ondersteuning de volgende aspecten mee: a. de behoefte aan hulp en ondersteuning van de inwoner of het gezin, almede de eigen kracht en mogelijkheden van het sociale netwerk; b. welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; c. welke (informele) hulp en ondersteuning leidt tot de minste kosten op lange termijn. 5. Het college ondersteunt een cliënt of de jeugdige en/of zijn ouders richting het Centrum Indicatiestelling Zorg, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt of de jeugdige in aanmerking komt voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. 6. Indien de cliënt of de jeugdige en/of zijn ouders weigeren mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het vorige lid, is het college niet gehouden een individuele voorziening of maatwerkvoorziening toe te kennen of voort te zetten op grond van deze verordening. 7. Indien een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de Jeugdwet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld onder lid 2 sub a tot en met e, is het college verantwoordelijk om: a. voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn, en b. de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. Artikel 3. Betrekken van ingezetenen bij beleid Het college vraagt advies van de Adviesraad Sociaal Domein bij de voorbereiding van het beleid over jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Artikel4.Toezichthouders 1. Het college wijst op basis van deze verordening (voor zover het gaat om de Jeugdwet) dan wel op grond van artikel 6.1 lid 1 Wmo 2015 personen aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wetten, alsmede het toezicht op de kwaliteit van voorzieningen die de gemeente op grond van de Wmo aanbiedt volgens de geldende kwaliteitscriteria. 2. De toezichthouder geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015 aan de gemeente. Artikel5.Meldcode Bij de uitvoering van deze verordening handelt het college naar de verplichte Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Artikel6.Machtiging 1. Indien ouders, jeugdigen en cliënten zich willen laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, dan dienen zij hiervoor een schriftelijke machtiging in. 2. Het college kan bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde weigeren indien tegen de gemachtigde ernstige bezwaren bestaan. 2.Jeugdhulp Artikel7.Definities 1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening als bedoeld in artikel 8 die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders. b. andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de wet; c. budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet d. budgetplan: pgb-plan als bedoeld in artikel 16 van deze verordening e. cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen f. familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren; g. gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers en opvoeders; h. hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouder aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; i. individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 8, tweede lid; j. ondersteuningsplan: document dat samen met ouders en jeugdige wordt opgesteld waarin de belemmeringen beschreven staan en de manier waarop de belemmeringen aangepakt gaan worden; in het document staan ook de krachten en beschermende factoren en hoe die ingezet worden. k. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken. l. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige of zijn ouders een sociale relatie onderhoudt; m. wet: Jeugdwet 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet, de Regeling Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel8.Vormen van jeugdhulp 1. De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar: a. Informatie en advies b. Lichte vormen van opvoedingsondersteuning c. Kort ambulante ondersteuning d. Trajectgroep/schoolmaatschappelijk werk e. Groepstrainingen f. Jongerenwerk 2. De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar; a. Persoonlijke verzorging b. Dagbehandeling c. Behandeling en diagnose van Ernstige Dyslexie d. Vervoersdiensten (inclusief vervoer van en naar de locatie waar de ambulant specialistische jeugdhulp wordt geboden) e. Jeugdhulp verblijf (inclusief en exclusief behandeling) f. Jeugdhulp ambulant g. Jeugdhulp crisis h. Jeugd-ggz i. Gesloten jeugdhulp j. Jeugdreclassering k. Jeugdbescherming 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de vormen van jeugdhulp en de uitwerking daarvan. Artikel9.Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, voor zover de jeugdhulpaanbieder door de gemeente gecontracteerd is en de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel e van de wet en in lid 1 van dit artikel, plaatsvindt. 3. Wanneer een jeugdige of zijn ouders zich bij een aanbieder meldt met een verwijzing van een medisch verwijzer, dan meldt de aanbieder dit voordat hij de jeugdhulp start, bij de gemeentelijke toegang. 4. Tussen de aanbieder en de gemeentelijke toegang is afstemming met betrekking tot: a. het woonplaatsbeginsel, b. contract met de jeugdhulpaanbieder, c. de productcategorie en/of productcode, d. de eenheid/frequentie, e. leeftijd van de jeugdige, f. de relatie met reeds toegewezen jeugdhulp, g. de termijn voor jeugdhulp en evaluatiemoment(

  1. en)bepaald. 5. Het college legt de inzet van de betreffende jeugdhulp door een jeugdhulpaanbieder na een verwijzing genoemd in het eerste lid van dit artikel vast in een beschikking als bedoeld in artikel 15. Artikel10.Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Tevens draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) of de selectiefunctionaris van de JJI nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing. 2. Hiervoor verleent het college geen beschikking. Artikel11.Toegang jeugdhulp via het college 1. De voorzieningen die worden geregeld in deze verordening zijn toegankelijk voor jeugdigen en ouders die, conform de Jeugdwet, onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Middelburg vallen. 2. Voor jeugdigen of hun ouders met een hulpvraag zijn algemene voorzieningen vrij toegankelijk. 3. Jeugdigen of ouders met een hulpvraag dienen bij het college een schriftelijke aanvraag in om een besluit te nemen voor een individuele voorziening. 4. Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking. 5. Wanneer de veiligheid van de jeugdige in het geding is, kan een jeugdhulpaanbieder de hulpverlening starten zonder zorgtoewijzing. De aanbieder dient de eerstvolgende werkdag alsnog bij de gemeentelijke toegang te melden dat er jeugdhulp gestart is zodat er een aanvraag gedaan kan worden. 6. Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Het college geeft daarbij aan op welke wijze het jeugdigen en ouders informeert over de mogelijkheid en het belang om in bepaalde gevallen een beroep op jeugdhulp te doen. Artikel12.Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan 1. Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouders zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige of zijn ouders en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c. het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden; d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e. de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden door het inzetten van een algemene voorziening; f. de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; g. de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige en/of ouder in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze; h. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; i. hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. 2. Het college kan, met instemming van de jeugdige of zijn ouders, informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen hulp. 3. Het college en de jeugdige of zijn ouders leggen de zaken genoemd in het eerste lid vast in het ondersteuningsplan. 4. Met toestemming van de jeugdige of zijn ouders worden in het ondersteuningsplan afspraken opgenomen over het moment en de wijze waarop de resultaten van het ondersteuningsplan met de jeugdige en of zijn ouder, het gemeentelijke toegangsteam en de jeugdhulpaanbieder besproken worden. 5. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. Artikel13.Criteria voor individuele voorziening 1. Jeugdigen of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag: a. Binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder geval wordt verstaan: I. Gebruikelijke hulp van ouders en hulp van andere personen uit het sociale netwerk; II. Bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen overbelasting oplevert, de ouder de bovengebruikelijke hulp zonder vergoeding blijft bieden en de ouder daardoor niet in de problemen komt. III. Het aanspreken van een aanvullende verzekering als die is afgesloten. b. Door gebruik te maken van een algemene voorziening, of; c. Door gebruik te maken van een andere voorziening. 2. Voor dat deel van de belemmeringen dat de jeugdige of zijn ouders binnen de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen kunnen oplossen, hoeft geen individuele voorziening te worden verstrekt. 3. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate en tijdig beschikbare voorziening. 4. Het college kent geen voorziening toe als het gaat om kosten die gemaakt zijn vóór de aanvraag. Gaat het om hulp die na de aanvraag en vóór de datum van het besluit is ingezet, dan verstrekt het college hier enkel een voorziening voor als het daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 5. Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de algemene criteria, zoals genoemd in het eerste lid, waaronder de richtlijn gebruikelijke hulp of ter bepaling van specifieke criteria voor bepaalde individuele voorzieningen. 6. Het college kan daarnaast zorgdragen voor een individuele voorziening in de vorm van een vervoersvoorziening voor het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van jeugdvervoer. Artikel14.Afstemming met andere voorzieningen 1. Afstemming met gezondheidszorg a. het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel e van de wet en artikel 7 van deze verordening, plaatsvindt; b. het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen, en hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijk kader; c. het college draagt er zorg voor dat de jeugdige of zijn ouders ondersteund worden richting het CIZ, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. 2. Afstemming met gecertificeerde instellingen a. het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de samenwerking bij de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering en inzet van het preventief justitieel kader met betrekking tot: i. de aanmelding dat een maatregel is geïnitieerd; ii. het inzetten van de hulp door de gecertificeerde instelling; iii. het afronden van de hulp door de gecertificeerde instelling en de overdracht naar het lokale veld; iv. afronden van inzet op basis van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering naar inzet vanuit het preventief justitieel kader; v. eventuele verlenging van de inzet vanuit het preventief justitieel kader. b. het college en de gecertificeerde instellingen leggen de afspraken vast in een protocol. 3. Afstemming met het justitiedomein a. het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering; b. het college en de betrokken instellingen leggen de afspraken vast in een samenwerkingsprotocol als bedoeld in artikel 3.1 lid 5 van de wet. 4. Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht a. het college zorgt ervoor dat alle locaties voor kinderopvang, primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij de gemeentelijke toegang; b. het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de onder a genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren; c. afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige of zijn ouders. 5. Afstemming met Veilig Thuis Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en individuele voorzieningen. 6. Afstemming met Wmo-voorzieningen a. het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen dan wel ouders op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; b. het college draagt zorg voor continuïteit van zorg onder zijn verantwoordelijkheid wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt. 7. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen Het college draagt zorg dat de gemeentelijke toegang, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen bij de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen – te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen. Artikel 15. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura wordt verleend of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven dat en hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt 2. In de beschikking wordt vastgelegd dat een jeugdige of zijn ouders zich binnen 3 maanden moet melden bij de beoogde jeugdhulpaanbieder, dan wel binnen 3 maanden een start moet maken met de besteding van het pgb. Als dat niet gebeurt kan de beschikking worden ingetrokken. 3. Bij het verlenen van een voorziening in natura wordt in de beschikking voor zover van toepassing vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat of doel daarvan is; b. wat de ingangsdatum en de duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt; d. welke andere voorzieningen relevant (kunnen) zijn. e. hoe en wanneer de toekenning geëvalueerd wordt. 4. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking voor zover van toepassing vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe dit is bepaald; d. welke voorwaarden aan het pgb zijn verbonden; e. voor welke periode het pgb wordt verstrekt; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het budget. g. hoe en wanneer de toekenning geëvalueerd wordt 5. Als een ondersteuningsplan is opgesteld, maakt het ondersteuningsplan onderdeel uit van de beschikking. In het geval dat een pgb wordt toegekend, maakt ook het budgetplan als bedoeld in artikel 16 onderdeel uit van de beschikking. Artikel16.Regels voor persoonsgebonden budget 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet en legt dit vast in een beschikking bedoeld als in artikel 15 van deze verordening. 2. Als een jeugdige of zijn ouders in aanmerking komt voor een individuele voorziening, maar de ondersteuning wenst in te kopen door middel van een pgb, dient hij daartoe een budgetplan in volgens een door het college vastgesteld format. In het budgetplan is in ieder geval opgenomen: a. de motivering waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend en gewenst is; b. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorzieningen en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; c. op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp gewaarborgd is; d. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in eenheden en tarief. 3. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp, uitgezonderd ggz-behandeling, betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, mits deze persoon: a. meerderjarig is, en b. veilige, doelmatige en cliëntgerichtheid jeugdhulp verleent, die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of zijn ouders, en c. deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de jeugdige of ouders voor hem niet tot overbelasting leidt. 4. Onder personen van het sociaal netwerk wordt verstaan: a. familie van de jeugdige of zijn ouders tot en met bloed –of aanverwantschap in de derde graad; b. andere betrokkenen bij het gezin, zoals vrienden, buren, studenten, collega’s. 5. Een pgb dient door de jeugdige of zijn ouders binnen drie maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt. Als dat niet gebeurt kan de beschikking worden ingetrokken. 6. Het college kan nadere regels stellen over de aan een pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel 17. Onderscheid formele en informele hulp 1. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandigen zonder personeel, die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van Jeugdhulp. 2. Indien de hulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is er altijd sprake van informele hulp. 3. Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c, is er sprake van informele hulp. Artikel18.Hoogte pgb 1. Het pgb voor formele hulp bedraagt ten hoogste het tarief voor de meest goedkoop adequate individuele voorziening van zorg in natura. 2. In afwijking van het eerste lid kan het college een hoger pgb toekennen wanneer het hier genoemde tarief niet toereikend is om de bij de hulpvraag passende jeugdhulp in te kopen. Het tarief wordt dan zodanig aangepast dat hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder de passende hulp kan worden ingekocht. 3. De toegekende pgb’s worden ieder kalenderjaar geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van de consumentenprijsindex (cpi). 4. De hoogte van het pgb voor dienstverlening kan opgebouwd zijn uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie en verzekeringen. De volgende kosten zijn in ieder geval uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb e. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering f. reiskosten van de hulpverlener g. bijkomende zorgkosten, zoals cursuskosten of entreegeld h. overlijdensuitke6yring. 5. De hoogte van een pgb voor informele hulp bedraagt het minimumuurloon, inclusief vakantietoeslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. 6. Bij jeugdhulp die wordt verleend op basis van een verklaring als bedoeld in artikel 8ab lid 1 Regeling Jeugdwet bedraagt het pgb: a. de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 8ab lid 1 van de Regeling Jeugdwet, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming, en b. de tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 8ab lid 1 van de Regeling Jeugdwet. De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de door het college vastgestelde vergoedingenlijst die waar mogelijk gebaseerd is op richtbedragen van het Nibud. 7. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de hoogte van de tarieven. Artikel 19. Kwaliteitseisen 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen. 3. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op aanbieders van zorg in natura en aanbieders van met pgb ingekochte formele hulp. 4. Het college is te allen tijde bevoegd om (de uitvoering van) het budgetplan te evalueren. 5. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel20.Privacy en gegevensverwerking 1. Het college verwerkt uitsluitend persoonsgegevens van een jeugdige of ouders, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wet. 2. Het college legt de afspraken over het verwerken van persoonsgegevens vast in een protocol. Artikel21.Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel. Artikel22.Voorkoming en bestrijding van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet 1. Het college informeert de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening. 3. Het college kan een besluit, aangaande een individuele voorziening of pgb beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, of b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of pgb zijn aangewezen, of c. de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten, of d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb, of e. de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 4. Als het college een besluit op grond van het tweede en/of derde lid, onderdeel a, heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb. Artikel23.Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel24.Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jeugdwet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als de jeugdige of ouder langer dan een door het college vastgestelde periode verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. 3.Maatschappelijke ondersteuning Artikel25.Definities 1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijk: diensten of middelen die niet speciaal zijn bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar zijn en niet of niet veel duurder zijn dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen en gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau; b. algemene voorziening: voorziening die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de cliënt. c. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wmo 2015; d. bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 lid 1 en artikel 2.1.4a lid 1 Wmo 2015; e. budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Wmo 2015; f. budgetplan: pgb-plan als bedoeld in artikel 34 van deze verordening; g. cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; h. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft; i. ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Middelburg; j. maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen (o.a. beschermd wonen). k. melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet; l. ondersteuningsplan: document dat samen met de cliënt, zijn gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger wordt opgesteld waarin de belemmeringen beschreven staan en de manier waarop de belemmeringen aangepakt gaan worden; m. persoonlijk plan: plan als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015; n. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 Wmo 2015; o. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; p. Uitvoeringsbesluit: het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 q. wet: Wmo 2015; r. woonvoorziening: bouwkundige of niet-bouwkundige maatwerkvoorziening in de woning van een cliënt, waardoor de cliënt in zijn woning kan blijven wonen. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit, de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel26.Jaarlijkse waardering mantelzorgers Het college stelt bij besluit regels over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel27.Melding en onderzoek 1. Een hulpvraag kan door of namens de cliënt vormvrij bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de melding per mail of brief. 3. Het college onderzoekt met de degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. welke belemmeringen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie; c. welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de cliënt om voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. d. de mogelijkheden om op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere voorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen en opvang. 4. De factoren genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid van de Wmo, maken in elk geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek. 5. Als de cliënt een persoonlijk plan heeft opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek. 6. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding zo spoedig mogelijk een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek als bedoeld in lid 3. 7. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen. 8. De cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 9. De cliënt is verplicht om medewerking te verlenen aan het college voor de uitvoering van de Wmo, waaronder tevens wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een onderzoek door een of meerdere deskundigen als het college dit noodzakelijk acht voor de uitvoering van deze wet. 10. Op basis van het onderzoek wordt een verslag gemaakt, in het format van het ondersteuningsplan. 11. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. Artikel28.Aanvraag 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 2. Een door de cliënt ondertekend ondersteuningsplan kan ook als aanvraag dienen. 3. Als een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger de voorziening zelf wenst in te kopen met een pgb, moet hij daarvoor een budgetplan indienen zoals bedoeld in artikel 34. Artikel29.Voorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening 1. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 2. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt. 3. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. als de cliënt de problemen kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen; b. als voor de belemmeringen die aanleiding geven voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; c. als de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen; d. als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; e. als de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt; f. als deze niet hoofzakelijk op het individu is gericht; g. als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. h. als de cliënt niet voldoet aan de verplichting als bedoeld in artikel 27 lid 6 en 7 en het voor het college daardoor niet mogelijk is om vast te stellen of een voorziening verstrekt moet worden. i. als voor de cliënt nog behandelmogelijkheden open staan en hij zich niet inspant om de behandeling goed te laten verlopen. 4. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als: a. deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden, begeleiding of kortdurend verblijf; b. de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Middelburg, met uitzondering van beschermd wonen en opvang; c. de cliënt geen ingezetene is van Nederland en in aanmerking wil komen voor opvang. 5. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving (tot 30 kilometer van het hoofdverblijf) met een maximum van 2000 kilometer op jaarbasis. 6. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b. als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; c. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; d. als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; e. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; f. als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; g. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten gerealiseerd kan worden. Artikel30.Uitgangspunten van een algemene voorziening 1. Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk zonder tussenkomst van de gemeente; 2. Een algemene voorziening kan ingericht zijn voor alle inwoners van Middelburg of voor een specifieke doelgroep, en is rechtstreeks toegankelijk voor mensen die maatschappelijke ondersteuning behoeven en/of tot de doelgroep van de voorziening behoren; 3. Het college bevordert en treft de algemene voorzieningen die naar zijn oordeel bijdragen aan de zelf- en samenredzaamheid en de participatie van ingezetenen en aan de ondersteuning van mantelzorg en vrijwilligerswerk daarvoor, waaronder in elk geval de in dit hoofdstuk vermelde voorzieningen; 4. Een algemene voorziening bevordert het doel zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen; 5. De algemene voorziening geldt als preventief en als voorliggend op de maatwerkvoorziening. Artikel31.Aanbod van algemene voorzieningen Algemene voorzieningen zijn: a. inloopvoorzieningen b. welzijnswerk c. maatschappelijke dienstverlening d. sociaal team e. slachtofferhulp f. onafhankelijke cliëntondersteuning g. mantelzorgondersteuning h. vrijwilligersondersteuning Artikel32.Beschermd wonen en opvang 1. Het college verstrekt de voorzieningen opvang conform het daartoe vastgestelde beleid van de centrumgemeente Vlissingen, de geldende verordening en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels van Vlissingen. 2. Het college verstrekt de voorzieningen beschermd wonen conform deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regels. Artikel33.Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura wordt verleend of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven dat en hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt 2. In de beschikking wordt vastgelegd dat een cliënt zich binnen 3 maanden moet melden bij de beoogde aanbieder, dan wel binnen 3 maanden een start moet maken met de besteding van het pgb. Als dat niet gebeurt kan de beschikking worden ingetrokken. 3. Bij het verlenen van een voorziening in natura wordt in de beschikking voor zover van toepassing vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat en doel daarvan is; b. wat de ingangsdatum en de duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt; d. welke andere voorzieningen relevant (kunnen) zijn. e. hoe en wanneer de toekenning geëvalueerd wordt. 4. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking voor zover van toepassing vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe dit is bepaald; d. welke voorwaarden aan het pgb zijn verbonden; e. voor welke periode het pgb wordt verstrekt; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het budget. g. hoe en wanneer de toekenning geëvalueerd wordt. 5. Het ondersteuningsplan maakt onderdeel uit van de beschikking. In het geval dat een pgb wordt toegekend, maakt ook het budgetplan als bedoeld in artikel 34 onderdeel uit van de beschikking. Artikel34.Regels voor persoonsgebonden budget 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet en legt dit vast in een beschikking bedoeld als in artikel 33 van deze verordening. 2. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, maar de ondersteuning wenst in te kopen door middel van een pgb, dient hij daartoe een budgetplan in volgens een door het college vastgesteld format. In het budgetplan is in ieder geval opgenomen: a. de motivering waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend en gewenst is; b. de voorgenomen uitvoerder van de maatwerkvoorzieningen en de wijze waarop de ondersteuning georganiseerd wordt; c. op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning gewaarborgd is; d. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in eenheden en tarief. 3. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de ondersteuning betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, mits deze persoon: a. meerderjarig is, en b. veilige, doelmatige en cliëntgericht ondersteuning verleent, die is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en c. deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de cliënt voor hem niet tot overbelasting leidt. 4. Onder personen van het sociaal netwerk wordt verstaan: a. familie van de cliënt tot en met bloed –of aanverwantschap in de derde graad; b. andere betrokkenen waarmee hij een sociale relatie onderhoudt, zoals vrienden, buren, studenten, collega’s. 5. Een pgb dient door de cliënt binnen drie maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt. 6. Het college kan nadere regels stellen over de aan een pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel35.Onderscheid formele en informele hulp 1. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt: a. Personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. Personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en rust op hen de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid op basis van de professionele standaard. 2. Informele hulp is: a. Hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in het eerste lid; b. Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in het eerste lid, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt. Artikel36.Hoogte pgb 1. De hoogte van het pgb voor een zaak wordt maximaal vastgesteld op: a. Het bedrag van de goedkoopst adequate voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of; b. Het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten. 2. De hoogte van het pgb voor vervoer bedraagt de kilometerprijs die de gemeente betaalt voor het collectief vervoer, waarbij het uitgangspunt geldt dat 2000 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. Er dient verantwoording te worden afgelegd voor het daadwerkelijk reizen van de kilometers. Het college stelt in nadere regels vast hoe deze verantwoording dient plaats te vinden. 3. De hoogte van het pgb voor formele hulp in de vorm van diensten bedraagt ten hoogste het tarief voor de goedkoopst adequate voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. 4. In afwijking op lid 3 geldt voor huishoudelijke ondersteuning het laagste tarief waarvoor de hulp bij een particuliere aanbieder kan worden ingekocht. 5. De hoogte van het pgb voor informele hulp is gelijk aan het minimum bruto uurloon, inclusief vakantiebijslag en vakantie uren, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. 6. De totale kosten voor informele hulp in de vorm van kortdurend verblijf bedragen maximaal het tarief voor deze zorg in natura. 7. De hoogte van het pgb voor dienstverlening kan opgebouwd zijn uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie en verzekeringen. De volgende kosten zijn in ieder geval uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb e. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering f. reiskosten van de hulpverlener. g. bijkomende zorgkosten, zoals cursuskosten of entreegeld. h. overlijdensuitkering 8. Indien het op basis van lid 1, lid 2 en lid 3 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht. 9. Bij maatschappelijke ondersteuning die wordt verleend op basis van een verklaring als bedoeld in artikel 2ab lid 1 Uitvoeringsregeling Wmo 2015 bedraagt het pgb: a. de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 2ab lid 1 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming en b. de tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 2ab lid 1 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de door het college vastgestelde vergoedingenlijst die waar mogelijk gebaseerd is op richtbedragen van het Nibud. 10. De toegekende pgb’s worden ieder kalenderjaar geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van de consumentenprijsindex (cpi). 11. Het college kan bij besluit regelen hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Artikel 37. Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als de cliënt langer dan een door het college vastgestelde periode verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Artikel38.Financiële tegemoetkoming 1. Het college bepaalt in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming wordt verstrekt. Ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt, als een cliënt aantoonbare of aannemelijke meerkosten heeft die direct het gevolg zijn van beperkingen of (chronisch)-psychische problemen of psychosociale problemen. 2. De tegemoetkoming kan in ieder geval worden verstrekt voor meerkosten in verband met: • vervoer; • zich verplaatsen in en om de woning. 3. Bij het vaststellen van de tegemoetkoming weegt het eigen aandeel mee in het vaststellen van de hoogte van het bedrag en de wijze van verstrekken. 4. Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken voor verhuizing en inrichting. Zij stellen de hoogte hiervan vast bij besluit. Artikel39.Bijdrage in de kosten voor voorzieningen en pgb’s 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. Als een maatwerkvoorziening of pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd door: a. de onderhoudsplichtige ouders en; b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. Artikel40.Hoogte bijdrage in de kosten 1. Voor de maatwerkvoorzieningen die niet genoemd worden in lid 2 t/m 3 bedraagt de hoogte van de bijdrage voor een of meerdere voorzieningen tezamen het abonnementstarief van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 opgenomen tarief. De maatwerkvoorziening Noodfonds Mantelzorg is uitgezonderd. Hiervoor is geen bijdrage verschuldigd. 2. De hoogte van de bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor vervoer is per rit gelijk aan het in de regio voor het reguliere openbaar vervoer geldende basistarief plus het kilometertarief vermenigvuldigd met het aantal gereisde kilometers. 3. De bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en opvang worden vastgesteld conform het uitvoeringsbesluit. 4. De hoogte van de bijdrage voor een hulpmiddel, woningaanpassing, de in lid 2 genoemde maatwerkvoorziening voor vervoer, overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. 5. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt. 6. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 7. De bijdragen in de kosten voor de maatwerkvoorziening opvang worden volgens de centrumgemeenteconstructie door het CAK vastgesteld en geïnd. 8. In afwijking van de bepalingen in dit artikel kan een cliënt op grond van hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen bijdrage verschuldigd zijn. Lid 9 = OPTIE ALS GEKOZEN WORDT VOOR INVOERING MINIMABELEID BINNEN DE EIGEN BIJDRAGEN WMO 9. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor: a. de ongehuwde/alleenstaande cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en een netto-inkomen heeft dat lager is dan 130% van de bijstandsnorm op 1 januari van het geldende jaar. b. de ongehuwde/alleenstaande cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en een netto-inkomen heeft dat lager is dan 130% van de bijstandsnorm van het geldende jaar. c. de gehuwde/samenwonende cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en een netto-inkomen heeft dat lager is dan 130% van de bijstandsnorm van het geldende jaar. Artikel41.Voorkoming en bestrijding van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet 1. Het college informeert de cliënt, of dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een maatwerkvoorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening. 3. Het college kan een besluit, aangaande een maatwerkvoorziening of pgb beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, of b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen, of c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten, of d. de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb, of e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 4. Als het college een besluit op grond van het tweede en/of derde lid, onderdeel a, heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb. Artikel42.Onderzoek naar kwaliteit, recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel43.Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen. 3. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op aanbieders van zorg in natura en aanbieders van met pgb ingekochte formele hulp. 4. Door het college via pgb verstrekte hulpmiddelen en woningaanpassingen dienen geschikt te zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. 5. Het college is te allen tijde bevoegd om (de uitvoering van) het budgetplan te evalueren. 6. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel44.Privacy en gegevensverwerking 1. Het college verwerkt uitsluitend persoonsgegevens van een cliënt diens echtgenoot, ouders, inwonende kinderen en andere huisgenoten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wet 2. Het college legt de afspraken over het verwerken van persoonsgegevens vast in een protocol. Artikel45.Meldingsregeling calamiteiten en geweld Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder. Artikel46.Klachtregeling aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten. Artikel47.Medezeggenschap Door de gemeente gecontracteerde aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, ten aanzien van alle voorzieningen. Artikel48.Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. De voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; b. Een redelijke toeslag voor overheadkosten; c. Kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. Reis- en opleidingskosten; e. Indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. Overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Slotbepalingen Artikel49.Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd. Artikel50.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige, ouders en cliënten afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel51.Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De verordening Wmo en Jeugd gemeente Middelburg 2021 wordt ingetrokken. 2. Een jeugdige en/of ouder of cliënt houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de verordening Wmo en Jeugd gemeente Middelburg 2021 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de verordening Wmo en Jeugd gemeente Middelburg 2021 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de verordening Wmo en Jeugd gemeente Middelburg 2021 geschiedt op grond van de verordening Wmo en Jeugd gemeente Middelburg 2021, die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Artikel52.Inwerkingtreding en citeertitel Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024. Deze verordening wordt aangehaald als: Integrale verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Middelburg 2024 Toelichting op de verordening Wmo en Jeugd gemeente Middelburg Algemeen Gemeenten hebben de opdracht gekregen om in het sociaal domein te komen tot de – door het Rijk beoogde – integrale uitvoering "over de wetten heen" (ook wel bekend onder het motto 'Eén gezin, één plan, één regisseur'). Het huidige stelsel regelt echter weinig voor een situatie waarop verschillende afzonderlijke wetten van toepassing zijn. Elke afzonderlijke wet stelt eisen aan de te doorlopen procedures en bevat bepalingen over de verwerking van persoonsgegevens voor de uitvoering van die specifieke wet. Gemeenten moeten de verschillende taken in het sociaal domein in samenhang met elkaar kunnen uitvoeren, maar een bekend signaal is dat deze wetten onvoldoende voorzien in een regeling voor een integrale taakuitvoering. Een overkoepelende wettelijke regeling ontbreekt. Met deze gecombineerde verordening Wmo en Jeugd geeft de gemeente Middelburg uitvoering aan de opdracht van het Rijk om zo veel mogelijk te komen tot een integrale uitvoering van de betreffende wetten. Uitgangspunt van deze gecombineerde verordening Wmo en Jeugd Er is gekeken naar de mogelijkheid en wenselijkheid om te komen tot een gecombineerde uitvoering van de Wmo 2015 en Jeugdwet. Wat betreft de mogelijkheid is gebleken dat er weliswaar serieuze belemmeringen bestaan om vergaand te integreren, maar dat er zeker mogelijkheden zijn die – mits goed uitgewerkt – van meerwaarde kunnen zijn in aanvulling op het optimaliseren van de uitvoeringspraktijk. Deze meerwaarde zit dan bijvoorbeeld niet in mogelijkheden om gegevens uit te wisselen, maar in de uitdrukkelijke (erkenning van
  2. de)zorgplicht om zo integraal mogelijk te werken (met name bij de ‘toegang’). Artikelsgewijze toelichting Algemeen deel Artikel1.Zorgplicht college voor integrale toegang en intake Lid 1 en 2 De afzonderlijke wetten die het sociaal domein bestrijken voorzien niet in een wettelijke basis voor een uniforme en integrale, domeinbrede taakuitoefening met een uniforme en integrale, domeinbrede procedure. Om toch tegemoet te komen aan het beleidsvoornemen van de gemeente om zo veel mogelijk integraal te werken is het college hier de zorgplicht opgelegd om te zorgen voor een integrale toegang en intake. Deze integrale intake moet onderscheiden worden van de gesprekken die gevoerd worden in het kader van een onderzoek dat uitgevoerd wordt als er een meer concrete ondersteuningsbehoefte blijkt te zijn en duidelijk is binnen welk domein in de eerste plaats een oplossing gevonden kan worden. Het is aan het college om te bepalen hoe aan deze zorgplicht precies invulling gegeven wordt. In ieder geval moet bereikt worden dat inwoners op laagdrempelige wijze – en onafhankelijk van hun specifieke ondersteuningsbehoefte – bij de gemeente aan kunnen kloppen. Zowel voor informatie als voor hulp bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte. Zodra de ondersteuningsbehoefte duidelijk is worden ze doorgeleidt naar de passende instantie voor het verdere ondersteuningstraject. In die fase scheiden de wegen; er zijn aparte wettelijke kaders en daarom aparte trajecten, maar wel met een integrale toegang voor jeugdhulp (hoofdstuk 2) en maatschappelijke ondersteuning (hoofdstuk 3). Inwoners met een ondersteuningsvraag Met de begrippen ‘ouders, jeugdigen en cliënten’ wordt aangesloten bij de betreffende definities die volgen uit de Jeugdwet en de Wmo 2015. Voor wat betreft deze verordening wordt met de begrippen gedoeld op inwoners van de gemeente Middelburg met een ondersteuningsvraag. Artikel2.Afstemming met andere vormen van hulp en ondersteuning Lid 1 Gemeenten hebben de opdracht gekregen om in het sociaal domein te komen tot de – door het Rijk beoogde – integrale uitvoering "over de wetten heen" (ook wel bekend onder het motto 'Eén gezin, één plan, één regisseur'). Daar waar sprake is van een ondersteuningsbehoefte van een persoon of gezin die voortvloeit uit meerdere wetten, draagt het college de verantwoordelijkheid de hulp en ondersteuning op elkaar af te stemmen. Het doel hiervan is effectieve ondersteuning vorm te geven en onnodige of dubbele uitgaven aan ondersteuning te vermijden. Lid 2 Om specifieker aan te geven over welke wettelijke kaders het gaat, is in het tweede lid een opsomming opgenomen. Enerzijds is dit bedoeld om de afstemming in te kaderen, zodat het niet ondersteuning betreft bij bijvoorbeeld de aanvraag van een rijbewijs of omgevingsvergunning. Anderzijds is het tweede lid bedoeld om de afstemming nadrukkelijk breder te leggen dan alleen de wetten waarover deze verordening gaat. Ook andere wettelijke kaders zijn van belang in het bevorderen van zelfredzaamheid en mogelijkheden mee te doen in de samenleving; zo is bij veel kwetsbare huishoudens sprake van schuldproblematiek die een belemmering kan vormen bij aanpak van andere ondersteuningsvraagstukken. De Wet langdurige zorg (Wlz) is genoemd omdat afstemming hiermee noodzakelijk is bij zeer kwetsbare inwoners, die mogelijk te zwaar zijn om onder gemeentelijk regime te worden ondersteund. Om een voor de inwoner goede overgang van gemeentelijk regime naar Wlz mogelijk te maken, is afstemming noodzakelijk. Lid 3 Het derde lid geeft een volgordelijkheid aan in de urgentie van hulp en ondersteuning. Dat wil zeggen dat wanneer hulp en ondersteuning vanuit verschillende wettelijke kaders met elkaar conflicteert, of onduidelijk is wat eerst ingezet moet worden, de in dit lid genoemde volgorde bepaalt welke hulp en ondersteuning prevaleert. Hierbij staat veiligheid voorop. Ook zal een crisis eerst gestabiliseerd moeten worden, voordat andere vormen van hulp en ondersteuning enig effect kunnen hebben. Hierom is stabilisatie van crisis belangrijker dan inzet van andere hulp en ondersteuning wanneer sprake is van samenloop. Als de situatie is gestabiliseerd is zelfredzaamheid het belangrijkste doel van hulp en ondersteuning, zoals het verkrijgen van eigen inkomen, het kunnen zorgen voor je eigen kinderen of het kunnen voeren van een eigen huishouden. Meedoen in de samenleving is ook een doel, dat veelal gelijktijdig met hulp en ondersteuning voor zelfredzaamheid wordt ingezet. Het is echter van onderschikt belang aan het verkrijgen van voldoende zelfredzaamheid. Dus mochten hier conflicten ontstaan, dan wijkt hulp en ondersteuning voor meedoen in de samenleving ten gunste van eerder genoemde doelen. Lid 4 Bij het bepalen welke hulp en ondersteuning wanneer nodig is, beziet het college in ieder geval de in het vierde lid genoemde zaken. Dat betekent dat gekeken wordt wat iemand zelf kan, of eventueel met behulp van zijn eigen netwerk kan oplossen. De volgorde van hulp en ondersteuning is ook van belang, omdat een voorziening randvoorwaardelijk kan zijn voor succes van een andere voorziening. Daar waar hulp en ondersteuning gelijktijdig ingezet kan worden, gebeurt dit, tenzij dit de effectiviteit van de totale inspanningen vermindert. Daar waar voorzieningen gelijktijdig ingezet moeten worden, bijvoorbeeld om voldoende zelfredzaamheid te houden, gebeurt dit uiteraard. Ook wordt gekeken naar welke hulp op lange termijn de minste kosten met zich meebrengt. Als lange termijn moet gezien worden een tijdspanne van in ieder geval enkele jaren. Onder kosten wordt verstaan die kosten die de lokale samenleving moet dragen. Het college is immers verantwoordelijk voor de lokale samenleving. Dit betekent dus niet dat ernstig beperkte personen onthouden moet worden een beroep te doen op de Wet langdurige zorg. Sterker, het regime van de Wlz moet worden toegepast wanneer dit kan, omdat hierdoor middelen voor de lokale samenleving beschikbaar komen. Inwoners met zware zorg, drukken immers sterk op het gemeentelijk budget in het sociaal domein en wanneer zij onder de Wlz kunnen vallen, kan dit budget anders worden ingezet ten gunste van inwoners van Middelburg. Dat is geen afwenteling, aangezien de Wlz een eigen toegang kent met een strenge selectie die niet door het college kan worden beïnvloed. Alleen personen die ook echt aan de criteria van de Wlz voldoen, zullen worden toegelaten. Lid 5 Deze motivering is ook reden voor het opnemen van het vijfde lid van deze verordening. Het is geen keuzevrijheid van inwoners in hoeverre zij gebruik maken van de Wlz. De Wlz is voorliggend, ook al is het een voorziening voor de meest hulpbehoevenden. Uiteraard is het ingaan van een traject voor aanvraag van Wlz een ingrijpende beslissing, die veelal afweging vergt. Vandaar dat het college de in het vijfde lid genoemde ondersteuning bieden. Tevens is een aanvraag een ingewikkeld traject en heeft het college belang bij een goed onderbouwde aanvraag. De ondersteuning is daarom ook niet vrijblijvend. Als de ondersteuning nodig geacht wordt, wordt deze ingezet. In de praktijk zijn inwoners vaak blij met de geboden ondersteuning in dit ingewikkelde traject. Lid 6 De in het zesde lid genoemde bepaling is opgenomen om te voorkomen dat de inwoner zelf bepaalt of gebruik wordt gemaakt van de Wlz of van gemeentelijke hulp of ondersteuning. In dit lid staat de mogelijkheid van het college om, ongeacht dat er behoefte is aan ondersteuning, deze toch niet te bieden omdat op een andere wettelijk kader een beroep zou kunnen worden gedaan. Uiteraard kan niet lichtzinnig een beroep worden gedaan op dit lid en zal voorafgaand aan dit besluit een uitgebreid traject moeten zijn doorlopen. Ook zullen de gegronde redenen op basis waarvan wordt verondersteld dat recht is op Wlz goed moeten worden onderbouwd. Lid 7 Tot slot staat in het zevende lid de afstemming tussen het wettelijk kader voor jeugdigen en de wettelijke kaders voor volwassenen. Om bij een hulpbehoevende inwoner een goede overgang te hebben van hulp voor het achttiende levensjaar, naar ondersteuning daarna, wordt al voor het achttiende jaar gekeken naar wat vanaf het achttiende jaar nodig is aan ondersteuning. Dit geldt voor jeugdigen die hulp ontvangen vanuit de Jeugdwet, niet voor alle jongeren. Ook wordt vanaf het zestiende jaar al gekeken welke hulp ingezet moet worden om vanaf het achttiende jaar de ondersteuningsbehoefte zo klein mogelijk te houden. Dit kan bijvoorbeeld gaan om opleiding om de kansen op werk te bevorderen, maar ook om het leren een eigen huishouden te runnen, als de jongere langdurig niet meer bij zijn ouders woont, of om individuele begeleiding om een opleiding af te kunnen ronden. Doel hiervan is een soepele overgang in regimes om te voorkomen dat er overgangsproblemen ontstaan die tot problemen leiden voor de jongere of die resultaten van ingezette hulp voor het achttiende levensjaar deels teniet zou doen. Ook is het doel om langdurige ondersteuning na het achttiende jaar zo minimaal als mogelijk te laten zijn. Wanneer inzet bij de minderjarige kan leiden tot meer zelfredzaamheid vanaf het achttiende jaar, heeft dit de voorkeur. Dit vraagt wel extra bewustwording bij jeugdige, ouders en hulpverleners. Artikel3.Betrekken van ingezetenen bij beleid In dit artikel is vastgelegd dat het college de Adviesraad Sociaal Domein raadpleegt wanneer het college voornemens is nieuw beleid op te stellen over jeugdhulp en/of maatschappelijke ondersteuning. Artikel4.Toezichthouders Lid 1 In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezig houdt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015. Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11). Lid 2 De toezichthouder mag de gemeente gevraagd en ongevraagd advies geven over de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015. Deze adviezen kunnen het college helpen bij de recht- en doelmatige uitvoering van de wetten. Artikel5.Meldcode Met dit artikel maakt het college kenbaar dat zij bij uitvoering van deze verordening rekening houdt met de uit de Wet verplichte meldcode voortvloeiende verplichtingen en hier naar handelt. Artikel6.Machtiging Een inwoner met een ondersteuningsvraag (jeugdige en/of ouders of cliënt) dient in de eerste plaats zelf zijn ondersteuningsvraag in bij het college. Als de inwoner hiertoe niet in staat is dan kan hij zich laten machtigen conform artikel 2:1 Awb. Het college verlangt hiervoor een schriftelijke machtiging. Als volgens het college ernstige bezwaren bestaan tegen de gemachtigde persoon, dan kan het college besluiten deze gemachtigde te weigeren, tenzij sprake is van een advocaat (artikel 2:2 Awb). Jeugdhulp Artikel7.Definities Onderdeel a: algemene voorziening Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. Er vindt geen toegangsbeoordeling plaats. Dit betekent dat voorafgaand geen onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige of ouder(s). Voor een algemene voorziening is in beginsel geen verleningsbeschikking nodig (zie ook artikel 11 lid 2 van deze verordening en de toelichting daarbij). De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9 onderdeel a van 'overige voorziening'. In de memorie van toelichting op de Jeugdwet spreekt de wetgever echter over een ‘algemene’ of ‘vrij toegankelijke voorziening’. Ook de praktijk spreekt vaak over algemene dan wel vrij toegankelijke voorzieningen. Omdat 'algemene voorziening' de meest gangbare term is en bovendien ook binnen de Wmo2015 wordt gehanteerd, is deze overgenomen in de verordening. Onderdeel b: andere voorziening Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Onderdeel c: budgethouder De budgethouder is degene die op grond van de Jeugdwet een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt om daarmee jeugdhulp in te kunnen kopen. Aangezien zowel jeugdigen als ouders jeugdhulp kunnen krijgen, gaat het om de jeugdige of om de ouder(s). Onderdeel d: budgetplan Een plan waarmee de budgethouder toelicht hoe hij het pgb wil gaan besteden. Mede op basis van dit plan kan het college toetsen of aan de voorwaarden voor een pgb voldaan wordt. Zie ook de toelichting bij artikel 15 lid 2. Het college stelt een format beschikbaar voor het budgetplan. Onderdeel e: cliëntondersteuning In de Wmo is vastgelegd dat de gemeente verantwoordelijk is voor het aanbieden van cliëntondersteuning (artikel 2.2.4 Wmo 2015). Uit de definitie van cliëntondersteuning volgt dat de cliëntondersteuner ook een rol heeft bij de toegang tot jeugdhulp. Onderdeel f: familiegroepsplan Het familiegroepsplan zoals bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet. Onderdeel g: gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp in het kader van de Jeugdwet is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Opvoedproblemen horen immers tot de dagelijkse praktijk van veel gezinnen. Onder ‘andere verzorgers of opvoeders’ kunnen ook pleegouders vallen. Jeugdhulp kan slechts ingezet worden voor de hulp die de gebruikelijke hulp te boven gaat. Dat is bepaald in deze verordening. Voor de interpretatie van het begrip gebruikelijke hulp kunnen, indien nodig, beleidsregels worden opgesteld. Uit jurisprudentie blijkt dat, indien er sprake is van meer dan gebruikelijke hulp, dit niet per definitie betekent dat de gemeente een voorziening moet treffen (CRvB 2019/2362 en Rechtbank Rotterdam: ECLI:NL:RBROT:2018:702). Onderdeel h: hulpvraag Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen toelichting. Onderdeel i: individuele voorziening Een individuele voorziening is een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij toegankelijk, er is een individuele beoordeling en ook een verleningsbeschikking nodig. Het gaat hierbij om het aanbod van jeugdhulp dat door het college is gecontracteerd. Onderdeel j: ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan is het resultaat van het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar de hulpvraag van jeugdigen en/of ouders. Het plan beschrijft de bijdragen die zowel het college, de hulpvrager als het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Het ondersteuningsplan beschrijft dus niet noodzakelijk welke individuele voorziening wordt ingezet. Indien een individuele voorziening niet noodzakelijk is volgens het college, dan beschrijft het ondersteuningsplan hoe de ondervonden belemmeringen opgelost kunnen worden door inzet van eigen kracht van de jeugdige en ouders. Onderdeel k: persoonsgebonden budget (pgb) Een jeugdige of ouder kan een individuele voorziening ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Met dit budget kan de jeugdige of ouder zelf de benodigde hulp inkopen. Onderdeel l: sociaal netwerk De Jeugdwet kent geen definitie van ‘sociaal netwerk’. In deze verordening wordt aangesloten bij de wettelijke definitie die de Wmo hanteert. Voor de uitleg van het begrip is verder ook artikel 16 lid 4 van de verordening relevant. Onderdeel m: wet Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen toelichting Artikel8.Vormen van jeugdhulp Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het college regels stelt over de te verlenen individuele en algemene jeugdhulpvoorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de Jeugdwet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Artikel 9. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Lid 1, 2, 3 en 4 In artikel 2.6 lid 1 onderdeel g van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de mogelijkheid bestaat tot directe verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Dit laatste geldt zowel voor de algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen als de individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. De jeugdhulpaanbieder bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouders daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en zorgverzekeraars over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder wordt doorverwezen. De gezamenlijke verplichting om tot dergelijke afspraken te komen volgt uit artikel 2.7 lid 4 Jeugdwet. Lid 5 Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde rechtsbescherming geboden. Artikel10.Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Lid 1 In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet). Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI), en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig achten ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet). Wel geldt als uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Lid 2 Wanneer toegang tot jeugdhulp bestaat via het in lid 1 bedoelde kader, heeft het college geen bevoegdheid om een beschikking af te geven. Vandaar dat hier voor de duidelijkheid is opgenomen dat het college in bovengenoemde situaties geen beschikking afgeeft. Artikel11.Toegang jeugdhulp via het college Lid 1, 2 en 3 Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij het toegangsteam van de gemeente. Het toegangsteam zal dan onderzoeken of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is. Is een individuele voorziening nodig, dan geeft het college daartoe een besluit (beschikking) af. Lid 4 Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verleningsbeschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag. Lid 5 Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet door de aanbieder de eerstvolgende werkdag bij de gemeentelijke toegang gemeld worden zodat het college de noodzaak kan onderzoeken. Artikel12.Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan Om de juiste hulp te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Uitgangspunt is dat persoonlijk contact tussen de gemeente en de jeugdige en/of zijn ouders plaatsvindt. Lid 1 De onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen die in ieder geval aan de orde komen in het onderzoek. Indien de jeugdige of zijn ouders al bij de gemeente bekend zijn, zullen een aantal zaken niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige of zijn ouders en hun situatie te krijgen. Lid 2 Uit het gesprek tussen de jeugdige en zijn ouders en de hulpverlener kan naar voren komen dat er al professionals vanuit andere domeinen betrokken zijn. In dat geval kan de toegangsmedewerker ervoor kiezen informatie op te vragen namens en met instemming van de jeugdige en/of zijn ouders. Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het gesprek aangegaan wordt met deze andere professionals of kan de jeugdige of ouder zelf voor de nodige informatie uit deze domeinen zorgen. Lid 3 De uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan. Uit het plan moet blijken welke doelen er zijn opgesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle partijen verwacht wordt. De in lid 1 van deze bepaling genoemde onderzoeksvragen moeten ook terugkomen in het ondersteuningsplan. Lid 4 Het is van belang dat de gemeente tussentijds kan heronderzoeken of de beoogde resultaten van de ondersteuning behaald worden. Met dit artikel wordt duidelijk gemaakt dat via het ondersteuningsplan afspraken gemaakt kunnen worden over de momenten waarop de resultaten geëvalueerd kunnen worden. Uiteraard gebeurt dit altijd in overleg en met instemming van de jeugdige en zijn ouders. Lid 5 Deze bepaling geeft het college de ruimte nadere regels vast te stellen over de inhoud van het onderzoek en de daarbij te volgen werkwijze. Artikel13.Criteria voor individuele voorziening In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven. Voor de volledigheid wordt hier nog benadrukt dat het college slechts een individuele voorziening toekent, wanneer andere oplossingen ontoereikend zijn. Dit betekent dat het eigen probleemoplossend vermogen van ouders en jeugdigen centraal staat (zoals in lid 1 tot uitdrukking komt). Verder wordt gedurende het onderzoek nadrukkelijk gekeken naar de mogelijkheden voor jeugdigen en ouders om aanspraak te kunnen maken op andere, voorliggende voorzieningen (lid 1 onderdeel c). Lid 1 Bij het beoordelen van de problematiek wordt gekeken in hoeverre de eigen mogelijkheden van de jeugdige, zijn ouders en hun omgeving toereikend zijn om (al dan niet gedeeltelijk) een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Onderdeel van die eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen is gebruikelijke hulp (zie voor dit begrip de toelichting bij artikel 7 onderdeel f van deze verordening). Voor zover gebruikelijke hulp mag worden verwacht, hoeft geen jeugdhulpvoorziening te worden ingezet. In beleidsregels wordt verder uitgewerkt wanneer sprake is van gebruikelijke hulp. Van ouders mag in voorkomende gevallen ook ‘bovengebruikelijke hulp’ verwacht worden. Dit mag in beginsel verwacht worden wanneer zij beschikbaar zijn om de hulp te bieden en in staat zijn de hulp te bieden, dit geen overbelasting oplevert en hierdoor ook geen financiële problemen in het gezin ontstaan. De nadere uitwerking hiervan kan, indien nodig, plaatsvinden in de beleidsregels. De jurisprudentie biedt al handvaten (CRvB 2019/2362). Een aanvullende verzekering wordt ook als onderdeel van het eigen probleemoplossend vermogen gezien. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat jeugdhulp nodig is waarvoor de jeugdige/ouder aanvullend verzekerd is, mag van hen verwacht worden dat ze die verzekering aanspreken. Voor zover de aanvullende verzekering onvoldoende vergoeding biedt, moet het college op grond van de jeugdhulpplicht aanvullen. Een algemene (vrij toegankelijke) voorziening heeft voorrang boven een individuele voorziening (onderdeel b). Met andere woorden: is er een algemene voorziening beschikbaar die volledig tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders, dan hoeft het college geen individuele voorziening meer te treffen. Het college hoeft evenmin een voorziening te verstrekken als jeugdige of zijn ouders gebruik kunnen maken van een andere (voorliggende) voorziening (onderdeel c). Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (bijvoorbeeld Wmo of Wlz). Dit vloeit overigens reeds voort uit artikel 1.2 van de Jeugdwet, maar is voor de volledigheid ook hier opgenomen. Lid 2 In dit artikel wordt bevestigd dat het college geen individuele voorziening verstrekt als de problemen op eigen kracht opgelost kunnen worden. Lid 3 Het college kan volstaan met de voor die situatie goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. Dit betekent dat niet aan alle wensen tegemoet gekomen hoeft te worden. Lid 4 In deze bepaling zijn regels opgenomen voor de situatie dat de jeugdige en/of zijn ouder(
  3. s)reeds zelf jeugdhulp ingeschakeld hebben en daarna pas een aanvraag indienen bij het college voor de betreffende hulp. Het artikel benadrukt dat het college niet gehouden is om met terugwerkende kracht een individuele voorziening toe te kennen voor hulp die al is ingezet voordat er een aanvraag is ingediend. Hulp die is ingezet na het indienen van een aanvraag, maar voor het nemen van het besluit, kan onder de voorwaarden genoemd in het artikel wel toegekend worden. Voorwaarde voor het alsnog verstrekken van een voorziening is dat de jeugdige/ouder op het moment dat ze zich melden, nog steeds tot de doelgroep van de Jeugdwet behoren. Er moet met andere woorden nog steeds sprake zijn van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen. Is dat niet het geval, dan heeft college namelijk ook geen jeugdhulpplicht. Verder moet het college nog in staat zijn de noodzaak en passendheid van de ingeschakelde hulp te beoordelen. Indien het college na onderzoek concludeert dat andere hulp hier meer op zijn plek was geweest, hoeft het geen voorziening te verstrekken. Evenmin hoeft het college nog iets te verstrekken als het niet meer mogelijk is deze beoordeling te maken. Het komt dan voor risico van de jeugdige/ouders zelf dat ze zich niet eerder bij het college hebben gemeld. Lid 5 Deze bepaling geeft het college de mogelijkheid om de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening verder uit te werken in nadere regels. Specifieke voorwaarden en weigeringsgronden van individuele voorzieningen kunnen in nadere regels verder worden uitgewerkt. Lid 6 In deze bepaling zijn de criteria opgenomen voor jeugdvervoer: een vervoersvoorziening voor het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid kan deze worden toegekend. Verder wordt aangegeven dat het college nadere regels kan stellen ten aanzien van jeugdvervoer. Artikel14.Afstemming met andere voorzieningen Lid 1 De gezondheidszorg voor jeugdigen valt gedeeltelijk binnen de verantwoordelijkheid van de gemeente – namelijk als het gaat om preventieve jeugdgezondheidszorg, geestelijke gezondheidszorg, en (licht)verstandelijk gehandicaptenzorg. De gemeente is niet verantwoordelijk voor huisartsenzorg, paramedische zorg (logopedie, fysiotherapie, dieetadvies) en de meeste medisch specialistische (ziekenhuis)zorg. Deze zorg valt onder de Zorgverzekeringswet. Landurige (24-uurs) zorg vanwege (voornamelijk) verstandelijke en/of lichamelijke handicap, valt evenmin onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. De aanspraak op deze zorg is geregeld in de Wet langdurige Zorg (Wlz) en, voor zover het vooral somatische problematiek van minderjarigen betreft, in de Zorgverzekeringswet (Zvw). Gelet op deze afbakening, is het van belang dat er afspraken gemaakt worden tussen de gemeente en de aanbieders van deze zorg (en hun financiers: de zorgverzekeraars/zorgkantoren). De Jeugdwet schrijft dit ook voor (zie artikel 2.7 lid 5 Jeugdwet). Dit artikel beschrijft een aantal onderdelen waarop afspraken nodig zijn, namelijk op het gebied van de doorverwijzing naar (algemene en individuele) jeugdhulpvoorzieningen en op welke wijze een doorverwijzing uiteindelijk wordt vastgelegd in een schriftelijke beschikking voor de jeugdige en/of zijn ouders. Als jeugdigen de leeftijd van 18 jaar bereiken, verandert veelal het wettelijk kader van waaruit zorg geleverd wordt. GGZ-zorg bijvoorbeeld komt na het 18e jaar voor rekening van de Zvw. Om zoveel mogelijk continuïteit van zorg te kunnen bieden, maakt het college afspraken met de zorgverzekeraars en het CIZ (uitvoerder van de Wlz). Uit de Jeugdwet volgt dat het college een voorziening op grond van de Jeugdwet mag weigeren als er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige een Wlz-indicatie zou kunnen krijgen, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit (artikel 1.2 lid 1 sub c Jeugdwet). In deze bepaling is geregeld dat indien dergelijke ‘gegronde redenen’ bestaan, het college in ieder geval zorgdraagt voor ondersteuning van het gezin in het aanvraagproces bij het CIZ. Pas als jeugdigen/ouders weigeren hieraan medewerking te verlenen, kan het college de inzet van jeugdhulp weigeren. Mits het college kan onderbouwen dat inderdaad aanspraak op Wlz-zorg zal bestaan en altijd het belang van het kind in het oog houdend. Lid 2 De gecertificeerde instellingen kunnen zelfstandig jeugdhulp inzetten bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (gedwongen kader). Het is dan ook van belang dat de gemeente, als financier van de gecertificeerde instellingen én de jeugdhulp, goede afspraken maakt met de gecertificeerde instellingen. Dit artikel benoemt een aantal concrete onderwerpen waarover afspraken moeten worden gemaakt. De afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen. De Jeugdwet stelt zo'n samenwerkingsprotocol ook verplicht (zie artikel 3.5 lid 3 Jeugdwet). Lid 3 In de strafrechtelijke beslissing– in het kader van een taakstraf of (gedragsbeïnvloedende) maatregel – kan de rechter besluiten tot de inzet van jeugdhulp. In de regel zal de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) hierover adviseren. Bij (jeugdreclasserings)maatregelen zal de gecertificeerde instelling betrokken zijn bij de uitvoering hiervan. Gaat het om taakstraffen, dan is dat de RvdK. Daarnaast kan de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts, of directeur van de justitiële jeugdinrichting besluiten tot de inzet van jeugdhulp in het kader van het scholings‐ en trainingsprogramma in het nazorgtraject. De gemeente is betrokken in het trajectberaad. Het is van belang dat de gemeente afspraken maakt met deze instanties, zeker ook als het gaat om de afhandeling van de proces‐verbalen van leerplicht. Deze afspraken zijn vastgelegd in het samenwerkingsprotocol met de RvdK. Tevens worden afspraken hierover vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen. Lid 4 Veel kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar bezoeken een kinderdagverblijf, waar ook voorschoolse educatie wordt geboden. De gemeente speelt een belangrijke rol in de bevordering van de pedagogische kwaliteit van deze voorschoolse voorziening en het vergroten van het bereik onder specifieke doelgroepen. Het is daarom van belang om over de relatie tussen de voorschoolse voorzieningen en de algemene (en individuele) voorzieningen op grond van deze verordening afspraken te maken met de aanbieders van kinderopvang en basisscholen. De Jeugdwet draagt de gemeente ook op te overleggen met het onderwijs bij het treffen van een individuele voorziening (zie artikel 2.7 Jeugdwet). Elke school heeft daarom een contactpersoon bij het gemeentelijke jeugdteam, zodat waar nodig makkelijk en snel afstemming gezocht kan worden. Bij schoolverzuim of voortijdig schoolverlaten zal hierbij tevens de leerplichtambtenaar worden betrokken (lid 2). Uiteraard worden de jeugdige/ouders betrokken bij dit overleg en de gemaakte afspraken worden vastgelegd in het individuele ondersteuningsplan van de jeugdige (lid 3). Lid 5 Veilig Thuis (het advies‐ en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling) is beschikbaar voor advies en consult voor professionals. Hoogwaardige specialistische kennis is nodig bij bijvoorbeeld complexe situaties van huiselijk geweld en kindermishandeling, eergerelateerd geweld, seksueel misbruik, achterlating of huwelijksdwang. Veilig Thuis kan passende hulp inschakelen. In het kader hiervan zijn in ieder geval afspraken nodig over de toegang en eventueel doorverwijzing naar jeugdhulpvoorzieningen. Lid 6 Bepaalde voorzieningen, waaronder in ieder geval begeleiding, vallen na het 18e jaar niet meer onder de Jeugdwet, maar onder de Wmo. De gemeente is verantwoordelijk voor een warme overdracht na het 18e jaar. Daarbij is van belang dat tijdig, minimaal een half jaar tevoren, bekeken wordt wat er gaat veranderen na het 18e jaar. Zodat de continuïteit van zorg geborgd is. Sommige ouders van jeugdigen zullen ook te maken hebben met Wmo-ondersteuning (omdat zij minder valide en zelfredzaam zijn). Ook in die gevallen is een goede afstemming tussen voorzieningen voor de jeugdige en voor de ouders gewenst. Lid 7 Soms speelt in gezinnen die jeugdhulp nodig hebben, ook armoede- en schuldenproblematiek. De jeugdhulpverlening kan daardoor niet of veel minder effectief zijn. Het is daarom van belang dit soort problematiek tijdig te signaleren en gezinnen naar de juiste hulp en armoedevoorzieningen te leiden. Ook van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen wordt hierin een actieve houding verwacht. Artikel15.Inhoud beschikking Bij het al dan niet toekennen van jeugdhulp, of het tussentijds wijzigen van de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening, zal het college een schriftelijke beschikking afgeven. Hiertegen kan de jeugdige of zijn ouders bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Uitzonderingen zijn onder meer beschikkingen die inhouden dat gesloten jeugdhulp nodig is of een door de gecertificeerde instelling genomen besluit tot verlening van jeugdhulp op grond van artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet (zie artikel 1 van bijlage 2 bij de Awb). De jeugdige of zijn ouders moeten met de beschikking de informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de jeugdige of zijn ouders goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen. Artikel16.Regels voor persoonsgebonden budget Lid 1 Dit artikel spreekt voor zich. Lid 2 Als een jeugdige/ouder in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij een budgetplan opstellen. In deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken vloeien rechtstreeks voort uit de wet. De Jeugdwet noemt in artikel 8.1.1 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Lid 2 In deze bepaling zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp. Lid 3 Alvorens een pgb toe te kennen is het van belang dat het college toetst aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet (zie ook de toelichting bij lid 1). Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is. In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd. Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen van ggz-behandeling die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk. GGZ-behandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp. Lid 4 In dit artikel wordt uitgelegd wat verstaan wordt onder personen uit het sociaal netwerk. Lid 5 Deze bepaling regelt dat het pgb binnen 3 maanden aangewend moet worden voor het doel waarvoor het verstrekt is. Lid 6 Het college heeft ruimte om nog nadere regels te stellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel17.Onderscheid formele en informele hulp Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staan van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociale netwerk. Bloedverwanten Bloedverwantschap ontstaat door: • geboorte; • afstamming van dezelfde voorvader; • erkenning; • gerechtelijke vaststelling van het vaderschap; • adoptie. Bloedverwanten zijn in de: Eerste graad: • (adoptie)ouders; • (adoptie)kinderen. Tweede graad: • grootouders; • kleinkinderen; • broers en zussen Artikel18.De hoogte van het persoonsgebonden budget In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c van de Jeugdwet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk. In deze verordening wordt het pgb-tarief voor informele hulp daarom vastgesteld op het wettelijk minimumloon (zie de toelichting bij lid 4). Lid 1 en 2 Uit de Jeugdwet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn, dat hiermee passende hulp kan worden ingekocht. Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in het eerste lid, zal nagenoeg altijd aan deze voorwaarde zijn voldaan. Desalniettemin moet het college in ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde hulp kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aangewezen jeugdhulp bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Daarmee wordt aangesloten bij Wmo-jurisprudentie, die naar alle waarschijnlijkheid ook voor de Jeugdwet zal gelden (zie CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO). Lid 3 In deze bepaling zijn een aantal kostenposten genoemd die in ieder geval niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp. Lid 4 Bij het inzetten van een pgb binnen het sociale netwerk, kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Voor beide type overeenkomsten geldt sinds 1 januari 2018 de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In deze bepaling is dan ook geregeld dat het informeel pgb-tarief wordt vastgesteld op het wettelijk minimumloon. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, achten we een tarief op basis van het wettelijk minimumloon ook passend. Lid 5 Op basis van deze bepaling kan het college nadere regels vaststellen over de hoogte van het pgb. Lid 6 De minister van VWS is van mening dat zorg en ondersteuning die vanuit sociale en morele overwegingen wordt verricht via een pgb, niet aangemerkt zou moeten worden als een arbeidsrelatie waarop de Wml van toepassing is. Met de ministeriële regeling voor hulp uit het sociaal netwerk bestaat per 1 mei 2019 de mogelijkheid om de verstrekking van vergoedingen voor informele hulp uit een pgb, zo te regelen dat er niet ongewenst een arbeidsrelatie ontstaat. Op basis van deze regeling kunnen budgethouders aan hun informele hulpverlener, vanuit het pgb een tegemoetkoming of vergoeding voor gemaakte kosten geven. Deze tegemoetkoming/onkostenvergoeding valt niet onder de werking van de Wml of overige wetten van het arbeidsrecht. De gemeente heeft ervoor gekozen om deze regeling toe te passen door aan budgethouders die geen arbeidsrelatie met hun informele hulpverlener wensen, de mogelijkheid te bieden om per kalendermaand een vaste tegemoetkoming en tegemoetkoming voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten te verstrekken. Deze tegemoetkoming valt niet onder de werking van de Wml of overige wetten van het arbeidsrecht. De budgethouder moet een verklaring indienen bij de SVB om de tegemoetkoming uit te laten betalen aan zijn hulpverlener. Een budgethouder mag voor dezelfde hulpverlener niet zowel een verklaring als een overeenkomst bij de SVB indienen. De budgethouder moet dus de keuze maken tussen het verstrekken van een tegemoetkoming/onkostenvergoeding aan zijn informele hulpverlener, of het sluiten van een overeenkomst met zijn hulpverlener waarop de Wml van toepassing is. Lid 7 Op basis van deze bepaling kan het college nadere regels vaststellen over de hoogte van het pgb. Artikel19Kwaliteitseisen Lid 1 en 2 De Jeugdwet kent geen verplichting om in de verordening kwaliteitseisen voor voorzieningen nader uit te werken. In de Jeugdwet zelf staan namelijk al wettelijke kwaliteitseisen opgenomen (in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet). Toch is er in deze verordening in het kader van integraliteit voor gekozen om voor Jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning een vergelijkbare bepaling op te nemen. Zie voor een nadere toelichting ook artikel 41 van deze verordening Artikel20.Privacy en gegevensverwerking Dit artikel benadrukt de verplichting van het college om bij uitvoering van deze verordening te handelen conform de bepalingen die volgen uit de Algemene Verordening Gegevensverwerking (AVG). Lid 2 schept de mogelijkheid voor het college om in het kader van gegevensverwerking een protocol op te stellen. Artikel21.Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de wet door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11 lid 1 van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij moet in ieder geval rekening worden gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering, worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aa

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.