Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden Gemeente SluisARTIKEL3.BELEIDSREGELS Voor aanvragen voor activiteiten die in strijd zijn met het bestemmingsplan, een beheersverordening of een inpassingsplan hanteren Burgemeester en wethouders de in dit artikel 3 genoemde regels bij het verlenen van een omgevingsvergunning conform artikel 2.12 lid 1 sub a onder 2 van de Wabo en verwijzend naar artikel 4 van Bijlage II van het Bor. 3.1.Algemene regels De volgende voorwaarden gelden voor alle gevallen: Bestaand ruimtelijk beleid De aanvraag is uitvoerbaar volgens de geldende of in ontwerp neergelegde wet- en regelgeving van rijk, provincie, waterschap en gemeente: Anticiperen nieuw bestemmingsplan Bij ieder verzoek dat in strijd is met het geldende bestemmingsplan en valt onder de in artikel 4 bijlage II Bor opgenomen gevallen, wordt onderzocht of een herziening wordt voorbereid en in welk stadium dit plan zich bevindt. In de afweging wordt meegenomen of het verzoek zal passen binnen het nieuwe bestemmingsplan en geanticipeerd kan worden op de nieuwe situatie. Op het moment dat het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan ter inzage is gelegd, kan in de motivering van de ontheffing daarnaar worden verwezen. Waarborging ruimtelijke kwaliteit In alle gevallen zal er bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid sprake moeten zijn van een verantwoord stedenbouwkundige nieuwe situatie. Hiervan is onder andere sprake indien: het aantal woningen mag niet toenemen; medewerking aan het verzoek niet tot gevolg heeft dat het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld wordt aangetast; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast; de vormgeving/uitvoering voldoet aan de criteria opgenomen in de nota ruimtelijke kwaliteit (bij twijfel kan het plan voorgelegd worden aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, dan is het advies van deze commissie de afweging) Hiertoe kan iedere aanvraag om omgevingsvergunning met ruimtelijke consequenties ter goedkeuring aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit- en aan de monumentencommissie worden voorgelegd en; Er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen en; er geen sprake is van onevenredige toename van de verkeersbelasting en parkeerdruk ten opzichte van het bestaande gebruik en; er moet verzekerd worden dat er voldoende parkeergelegenheid in stand wordt gehouden en/of in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aansluiting gezocht bij de CROW-normen; de verschillende functies in de omgeving geen significante hinder van elkaar zullen ondervinden en/of bestaande toegestane functies belemmerd zullen worden in hun doelmatig gebruik. Afweging individueel en algemeen belang Bij ieder verzoek om af te wijken van het bestemmingsplan wordt onderzocht hoe het individuele belang van de aanvrager zich verhoudt tot het door de gemeente te bewaken algemene belang. Hierbij spelen aspecten als openbare orde, veiligheid (waaronder brandveiligheid, sociale veiligheid, verkeersveiligheid), leefbaarheid, landschapsschoon en natuur een rol. Rechtszekerheid en rechtsgelijkheid Bij de beoordeling van ieder verzoek om af te wijken van het bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Juist omdat het bij dergelijke verzoeken gaat om een individuele concrete situatie in tegenstelling tot de integrale ruimtelijke benadering bij een herziening van een bestemmingsplan wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de consequenties van het verzoek voor de omgeving en omwonenden. De effecten voor de aangrenzende percelen dienen voor zover mogelijk in beeld te worden gebracht. Ook in situaties die niet in het nader beleid worden genoemd, maar waar specifieke omstandigheden aanwezig zijn, op grond waarvan vergunningverlening valt te overwegen, geldt bij de besluitvorming een zwaardere motiveringseis (een nadere ruimtelijke onderbouwing) Bij strijdigheid met één van deze elementen kan in principe géén medewerking worden verleend aan het verzoek, tenzij strikte randvoorwaarden worden verbonden aan de afwijking van het bestemmingsplan en omgevingsvergunning ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit Economische uitvoerbaarheid- planschade Planschade zoals bedoeld in artikel 6.1.van de Wet ruimtelijke ordening, is zowel vermogensschade (waardevermindering van onroerende zaken) als inkomensschade, die ontstaat na wijziging van de planologische situatie. Via die planologische wijziging wordt een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Zo‘n wijziging is bijvoorbeeld het verlenen van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. De omvang van schade wordt bepaald door de nieuwe planologische situatie met de oude te vergelijken. Of er daadwerkelijk schade is en hoe hoog deze uiteindelijk blijkt te zijn, is op voorhand niet voorzienbaar. De gemeente Sluis hanteert het principe dat de veroorzaker van die eventuele schade deze dient te vergoeden. Het is tenslotte niet redelijk om die schade op de maatschappij af te wentelen. Daarom sluit de gemeente bij de aanvraag omgevingsvergunning een planschadeovereenkomst met de initiatiefnemer van de ruimtelijke ontwikkeling (zie bijlage E). Dit om de eventuele schade op deze initiatiefnemer te verhalen. De planschadeovereenkomst dient bij de aanvraag omgevingsvergunning afgesloten te worden (dus voor vergunningverlening). Met deze overeenkomst is dan de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd. Er kunnen zich situaties voordoen waarbij op voorhand vaststaat dat er geen sprake kan zijn van planschade. In die gevallen kan het college afzien van het sluiten van een planschadeovereenkomst. 3.2.Specifieke regels Aanvullend op de algemene regels geldt dat in principe alleen aan een vergunningsaanvraag wordt meegewerkt als ook wordt voldaan aan de van toepassing zijnde specifieke regels. Per onderdeel van artikel 4 van Bijlage II van het Bor (de onderdelen 1 t/m 11) worden in de volgende paragrafen de specifieke regels opgenomen. Hierbij wordt eerst de wettekst in een grijs kader benoemd. Deze wettekst geeft de uiterste grenzen aan waarbinnen afgeweken kan worden. Vervolgens worden de te hanteren specifieke regels benoemd. Dit is de invulling die de Gemeente Sluis geeft aan de mogelijkheden die de wet biedt. 3.3Uitwerking Artikel 4 Bijlage II Bor Onderdeel 1Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding ervan Het wettelijk kader (artikel 4, eerste lid van Bijlage II Bor) luidt als volgt: Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komt een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding ervan, mits voor zover gelegen buiten de bebouwde kom en er wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf; de oppervlakte niet meer dan 150 m². Voor onderstaande specifieke gevallen gelden de volgende beleidsregels: * EEN BIJBEHORENDE BOUWWERK BINNEN DE BEBOUWDE KOM Een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied; Erkers aan een woning op het voorerfgebied, mits het profiel van de straat, respectievelijk het straatbeeld, dit toelaat en voorts wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: de voorgevellijn met niet meer dan 1,50 meter wordt overschreden en; de breedte maximaal 50% van de breedte van de voorgevel van de woning bedraagt met een maximum van 3,5 meter en; de hoogte maximaal 3 meter bedraagt. Luifels mits wordt voldaan aan de voorwaarden: de voorgevellijn met niet meer dan 1,50 meter overschrijden en; de breedte maximaal anderhalf maal de breedte van de bestaande belijning van het deurkozijn bedraagt. Carport mits wordt voldaan aan de voorwaarden: de hoogte maximaal 3,30 meter bedraagt en; de breedte maximaal de breedte van de garage of een daarmee gelijk te stellen bestaand ( gedeelte) bouwwerk bedraagt en; de voorgevellijn met niet meer dan 1,5 meter wordt overschreden. Een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied; Bij vrijstaande woningen bedraagt de afstand van alle gebouwen op het perceel tot de zijdelingse perceelsgrens aan ten minste één zijde minimaal 3 meter en; De afstand tussen een vrijstaand gebouw en het hoofdgebouw bedraagt minimaal 3 meter en ; De totale oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken gelegen op het achtererfgebied is afhankelijk van de totale perceelsgrootte, met dien verstande dat maximaal 40% mag worden bebouwd en: bij aaneengesloten percelen kleiner of gelijk dan 1.000 m2, de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken maximaal 60 m2 bedraagt; bij aaneengesloten percelen met een omvang van meer dan 1.000 m² en kleiner of gelijk dan 2.500 m², de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken maximaal 90 m² bedraagt; bij aaneengesloten percelen met een omvang van meer dan 2.500 m2, de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken maximaal 120 m2 bedraagt; de goothoogte bedraagt maximaal 3,30 meter en de totale hoogte maximaal 5 meter. het achtererfgebied ( inclusief het zijerfgebied) niet meer dan 50% wordt volgebouwd. Deze specifieke beleidsregels gelden (in principe) voor gronden die voor bebouwing in aanmerking komen; Het beoogde gebruik van het bijbehorend bouwwerk mag niet afwijken van het bestaand gebruik van het hoofdgebouw; tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 9. Aan deze afwijking wordt meegewerkt indien aan de algemene regels ( zie artikel 3.1) wordt voldaan en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig worden onderbouwd. * EEN BIJBEHOREND BOUWWERK BUITEN DE BEBOUWDE KOM Een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied; Erkers aan een woning op het voorerfgebied, mits het profiel van de straat respectievelijk het straatbeeld dit toelaat en voorts wordt voldaan aan de volgende voorwaarden de voorgevellijn met niet meer dan 1,50 meter wordt overschreden en; de breedte maximaal 50% van de breedte van de voorgevel van de woning bedraagt met een maximum van 3,5 meter en; de hoogte maximaal 3 meter bedraagt. Luifels mits wordt voldaan aan de voorwaarden: de voorgevellijn met niet meer dan 1,50 meter overschrijden en; de breedte maximaal anderhalf maal de breedte van de bestaande belijning van het deurkozijn bedraagt. Carport mits wordt voldaan aan de voorwaarden: de hoogte maximaal 3,30 meter bedraagt en; de breedte maximaal de breedte van de garage of een daarmee gelijk te stellen bestaand ( gedeelte) bouwwerk bedraagt en; de voorgevellijn met niet meer dan 1,5 meter wordt overschreden. Overige typen bouwwerken zijn enkel in het achter- en zijerfgebied toegestaan conform de voorwaarden zoals gesteld in dit beleid; Een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied; bij vrijstaande woningen bedraagt de afstand van alle gebouwen op het perceel tot de zijdelingse perceelsgrens aan ten minste één zijde minimaal 3 meter en; de afstand tussen een vrijstaand gebouw en het hoofdgebouw bedraagt minimaal 3 meter en ; de totale oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken gelegen op het achtererfgebied is afhankelijk van de totale perceelsgrootte, met dien verstande dat en: bij percelen kleiner of gelijk dan 1.000 m2, de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken maximaal 60 m2 bedraagt; bij percelen groter dan 1.000 m² en kleiner of gelijk dan 2.500 m², de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken maximaal 90 m² bedraagt; bij percelen groter dan 2.500 m2, de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken maximaal 120 m2 bedraagt; de goothoogte bedraagt maximaal 3,30 meter en de totale hoogte maximaal 5 meter. het achtererfgebied ( inclusief het zijerfgebied) niet meer dan 50% wordt volgebouwd. Een uitbreiding van het hoofdgebouw of een bijbehorend bouwwerk BINNEN EN BUITEN DE BEBOUWDE KOM Uitbreiding van het hoofdgebouw MITS: de inhoud van een woning, inclusief bijbehorende bouwwerken, ten hoogste 1000 m³ bedraagt, mits de woning stedenbouwkundig goed past in zijn omgeving; de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 meter bedraagt; bij vrijstaande woningen de afstand van alle gebouwen op het perceel tot de zijdelingse perceelsgrens aan ten minste één zijde minimaal 3 meter bedraagt; de goothoogte en bouwhoogte voldoen aan de bouwregels voor een hoofdgebouw volgend uit het vigerende bestemmingsplan voor het betreffende perceel; de oppervlakte van de uitbreiding niet meer dan 150 m2 bedraagt ; Een uibreiding van het hoofdgebouw of een bijbehorende bouwwerk BINNEN EN BUITEN DE BEBOUWDE KOM uitbreiding van een recreatiewoning is uitsluitend toegestaan indien deze gelegen is op een verblijfsrecreatief park dat als zodanig is bestemd in het vigerende bestemmingsplan; de recreatiewoning is gelegen op een verblijfsrecreatief terrein dat in aanmerking komt voor uitbreiding van de recreatiewoningen zoals aangeduid in de Kadernota recreatief verblijf; de maatvoering van de uitbreiding qua oppervlakte en inhoud van de recreatiewoning en de toegestane aantal uit te breiden recreatiewoningen voldoen aan de Kadernota recreatief verblijf; de goothoogte en bouwhoogte voldoen aan de bouwregels voor een hoofdgebouw volgend uit het vigerende bestemmingsplan voor het desbetreffende perceel. Deze specifieke beleidsregels gelden (in principe) voor gronden die voor bebouwing in aanmerking komen Het beoogde gebruik van het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan mag niet afwijken van het bestaand gebruik van het hoofdgebouw. Aan deze afwijking wordt meegewerkt indien aan de algemene regels ( zie artikel 3.1) wordt voldaan en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig worden onderbouwd. Onderdeel 2 een gebouw ten behoeve van infrastructurele of openbare voorzieningen Het wettelijk kader (artikel 4, tweede lid van Bijlage II Bor) luidt als volgt: Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komt in aanmerking: een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 5 m, en de oppervlakte niet meer dan 50 m²; Aan deze afwijking wordt meegewerkt indien aan de algemene regels ( zie artikel 3.1) wordt voldaan en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig worden onderbouwd. Onderdeel 3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Het wettelijk kader (artikel 4, derde lid van Bijlage II Bor) luidt als volgt: Een afwijking van het bestemmingsplan is alleen mogelijk voor bouwwerken , geen gebouwen zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk die voldoen aan de volgende eisen: niet hoger dan 10 m, en de oppervlakte niet meer dan 50 m²; De categorie 'bouwwerken, geen gebouwen zijnde' ziet op een veelheid aan bouwwerken, waarvoor niet in algemene zin beleidsregels zijn op te stellen. Daarom is ervoor gekozen om enkel voor bepaalde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waar regelmatig aanvragen voor binnenkomen beleid op te stellen. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarvoor geen beleidsregels zijn opgesteld zal per aanvraag worden beoordeeld of afwijken van het bestemmingsplan noodzakelijk en aanvaardbaar is. Hierbij zal onder meer naar de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van het initiatief gekeken worden. Voor de onderstaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn beleidsregels opgenomen: 1. Boomhut Voor een boomhut geldt de volgende voorwaarde: a. de hoogte mag niet meer bedragen dan 4 m. 2. Erfafscheiding Voor erfafscheidingen hoger dan 1,25m voor de voorgevelrooilijn wordt niet afgeweken, met uitzondering op gronden met een bedrijfsbestemming. 3. Overkapping Voor een overkapping kan afwijking van het bestemmingsplan worden verleend als voldaan is aan de criteria voor overkappingen, zoals opgenomen in de op dat moment geldende nota ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Sluis. Voor horeca terrasoverkappingen gelden de volgende eisen: er mag geen sprake zijn van een permanent gesloten dak; indien gecombineerd met een wind-/terrasscherm moet de ruimte tussen de bovenzijde van het wind-/terrasscherm en de onderzijde van het uitvalscherm minimaal 1 meter bedragen; de totale hoogte bedraagt maximaal 4 meter; voor de terrasoverkapping is advies nodig van de commissie ruimtelijke kwaliteit; de overkapping is enkel toegestaan indien voor het terras een exploitatievergunning is verleend op grond van de Algemene plaatselijke verordening. Voor horeca parasols gelden de volgende eisen: de parasol mag enkel boven het terras worden geplaatst (de parasol mag niet uitsteken boven de openbare weg) en niet mag niet uitsteken buiten het terras; de totale hoogte bedraagt maximaal 4 meter; de kleur van de parasol mag niet conflicteren met de kleurstelling van het horecapand; Het uiterlijk van de parasols dient te voldaan aan eisen die het geldende Terrassenbeleid gemeente Sluis hieraan stelt; de parasol is enkel toegestaan indien voor het terras een exploitatievergunning is verleend op grond van de Algemene plaatselijke verordening; Voor horeca terrasschermen gelden de volgende eisen: het terrasscherm wordt in geheel doorzichtige uitvoering of met een lage borstwering van maximaal 1 meter en daarboven geheel doorzichtig materiaal uitgevoerd; de totale hoogte bedraagt maximaal 2 meter boven het straatniveau; de terrasschermen mogen niet parallel langs de straat worden geplaatst. de terrasschermen zijn enkel toegestaan indien voor het terras een exploitatievergunning is verleend op grond van de Algemene plaatselijke verordening. het terrasscherm wordt in geheel doorzichtige uitvoering of met een lage borstwering van maximaal 1 meter en daarboven geheel doorzichtig materiaal uitgevoerd; de totale hoogte bedraagt maximaal 2 meter boven het straatniveau; de terrasschermen zijn enkel toegestaan indien voor het terras een exploitatievergunning is verleend op grond van de Algemene plaatselijke verordening. Pinboxen / stand alone Voor pinboxen / stand alone kan afwijking van het bestemmingsplan verleend worden als voldaan wordt aan de algemene criteria zoals opgenomen in de op dat moment geldende nota ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Sluis. Verkoopautomaat t.b.v. verkoop agrarische producten Voor het verkopen van (zelf geteelde, verbouwde of bewerkte) land- en tuinbouwproducten alsmede streekproducten op een agrarisch bouwvlak of in de directe nabijheid hiervan (indien het bouwvlak niet goed te bereiken is voor bezoekers) kan afgeweken worden mits wordt voldaan aan; Het betreft een agrarisch bouwvlak met agrarische bedrijfsvoering ter plaatse; Het betreft een bouwwerk geen gebouw zijnde; De toe te passen materialen moeten passen bij het gebied en voldoen aan de algemene criteria uit de op dat moment geldende nota ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Sluis; In de nabijheid van het bouwwerk moet voldoende parkeerruimte zijn; De verkeersveiligheid gegarandeerd is. Voor het plaatsen van een verkoopautomaat buiten het agrarische bouwvlak geldt tevens dat deze bij de oprit van het agrarische bouwvlak gesitueerd moet worden. Aan deze afwijking wordt meegewerkt indien aan de algemene regels ( zie artikel 3.1) wordt voldaan en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig worden onderbouwd. Onderdeel 4 Dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw Het wettelijk kader (artikel 4, vierde lid van Bijlage II Bor) luidt als volgt: Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken komt een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw in aanmerking. Aan deze mogelijkheid wordt volledig toepassing gegeven op voorwaarde dat het bouwplan voldoet aan de criteria zoals opgenomen in de op dat moment geldende nota ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Sluis. Aan deze afwijking wordt meegewerkt indien aan de algemene regels ( zie artikel 3.1) wordt voldaan en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig worden onderbouwd. Onderdeel 5 Antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 meter Het wettelijk kader (artikel 4, vijfde lid van Bijlage II Bor) luidt als volgt: Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken komt een antenne-installatie in aanmerking, mits niet hoger dan 40 meter. Afwijking van het bestemmingsplan voor een antenne-installatie is mogelijk, indien voldaan is aan de criteria voor antennemasten zoals opgenomen in de op dat moment geldende nota ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Sluis en voorts onder de volgende voorwaarden: het aantal zendmasten mag niet meer bedragen dan noodzakelijk is voor de realisering van een adequaat dekkend netwerk van voldoende capaciteit. Dit wordt aangetoond via een zogeheten vlekkenplan; bij plaatsing van een antenne-installatie dienen de verschillende operators gebruik te maken van elkaars opstelpunten (sitesharing), tenzij uit een technische schouwing /onderbouwing blijkt dat dit niet mogelijk is; zendmasten enkel toegestaan op bestaande hoge bouwwerken, of op bedrijventerreinen of sportterreinen; mits door aanvrager is aangetoond dat dit echt niet mogelijk is. per concrete aanvraag om af te wijken van het bestemmingsplan moet een goede afweging gemaakt worden waar exact de mast, met het oog op landschappelijke inpassing, het beste geplaatst kan worden en welke hoogte van de mast hierbij passend is (mede afhankelijk van de hoogte van bouwwerken in de directe omgeving)- De commissie ruimtelijke kwaliteit brengt hier advies over uit; reclames en felle kleuren zijn niet toegestaan, omdat de antenne-installaties een zo onopvallend mogelijk uiterlijk moeten hebben; antennemasten mogen alleen worden geplaatst in beschermde stads- of dorpsgezichten of op/bij monumenten bij een positief advies van de monumentencommissie. Aan deze afwijking wordt meegewerkt indien aan de algemene regels ( zie artikel 3.1) wordt voldaan en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig worden onderbouwd. Onderdeel 6 Installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling Het wettelijk kader (artikel 4, zesde lid van Bijlage II Bor) luidt als volgt: Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken komt een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Electriciteitswet 1998 in aanmerking. Afwijking is mogelijk indien voldaan wordt aan onderstaande criteria: er wordt voorzien in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een gemiddelde breedte van tenminste 10 m; op basis van een landschapsplan, opgesteld door een gecertificeerde landschapsarchitect of goedgekeurd door de landschaps- en natuurdeskundige, kan volstaan worden met een landschappelijke inpassing waarbij voldaan wordt aan de 'Richtlijn landschappelijke inpassing gemeente Sluis' zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Sluis ; medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing; wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen; indien de afstand tot gronden met de bestemming Natuur minder dan 100 m bedraagt wordt medewerking uitsluitend verleend indien geen onevenredige aantasting van de landschaps- of natuurwaarden van het natuurgebied plaatsvindt; er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden; burgemeester en wethouders vragen hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen. Aan deze afwijking wordt meegewerkt indien aan de algemene regels ( zie artikel 3.1) wordt voldaan en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig worden onderbouwd. Onderdeel 7 Installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren Het wettelijk kader (artikel 4, zevende lid van Bijlage II Bor) luidt als volgt: Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken komt een installatie bij een agrarisch bedrijf in aanmerking waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen. Afwijking is mogelijk indien voldaan wordt aan onderstaande criteria: er wordt voorzien in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een gemiddelde breedte van tenminste 10 m; op basis van een landschapsplan, opgesteld door een gecertificeerde landschapsarchitect of goedgekeurd door de landschaps- en natuurdeskundige, kan volstaan worden met een landschappelijke inpassing waarbij voldaan wordt aan de 'Richtlijn landschappelijke inpassing gemeente Sluis' zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Sluis ; medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing; wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen; indien de afstand tot gronden met de bestemming Natuur minder dan 100 m bedraagt wordt medewerking uitsluitend verleend indien geen onevenredige aantasting van de landschaps- of natuurwaarden van het natuurgebied plaatsvindt; er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden; burgemeester en wethouders vragen hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen. Aan deze afwijking wordt meegewerkt indien aan de algemene regels ( zie artikel 3.1) wordt voldaan en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig worden onderbouwd. Onderdeel 8 Het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied Het wettelijk kader (artikel 4, achtste lid van Bijlage II Bor) luidt als volgt: Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken komt het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied, in aanmerking. Burgemeester en wethouders kunnen omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan voor het gebruiken van gronden voor niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied. Afwijking is mogelijk voor onderstaande niet-ingrijpende herinrichtingen: wijzigen / toevoegen/ verwijderen van een gering aantal parkeerplaatsen ( max. 10 stuks); het aanleggen / verleggen van trottoirs; het aanbrengen van groenvoorzieningen; het verbreden van een rijbaan ( met maximaal 1,5 meter); de aanleg van ondergrondse afvalcontainers. Aan deze afwijking wordt meegewerkt indien aan de algemene regels ( zie artikel 3.1) wordt voldaan en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig worden onderbouwd. Onderdeel 9 Wijzigen gebruik bouwwerken eventueel in samenhang met bouwactiviteiten Het wettelijk kader (artikel 4, negende lid van Bijlage II Bor) luidt als volgt: Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken komt in aanmerking het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen; De categorie ‘wijzigen gebruik bouwwerken' ziet op een veelheid van gebruikswijzigingen, waarvoor niet in algemene zin beleidsregels zijn op te stellen. Daarom is ervoor gekozen om enkel voor bepaalde gebruiksactiviteiten, waar regelmatig aanvragen voor binnenkomen, beleid op te stellen. Voor wijzigen gebruik bouwwerken, waarvoor geen beleidsregels zijn opgesteld zal per aanvraag worden beoordeeld of afwijken van het bestemmingsplan noodzakelijk en aanvaardbaar is. Het centrale uitgangspunt is dat de activiteit niet mag leiden tot onevenredige hinder voor de omgeving. Als algemeen uitgangspunt geldt daarom dat geen hinder en parkeeroverlast optreedt door wijziging van de functies. Aan deze afwijking wordt meegewerkt indien aan de algemene regels ( zie artikel 3.1) wordt voldaan en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig worden onderbouwd. Wijzigen naar detailhandel en/of horeca is uitgesloten (zie ook artikel 3.3.) met uitzondering van het horecabeleid Sluis (Bijlage F). Wijzigen gebruik kan in ieder geval wanneer het bedrijvigheid betreft die valt onder de voorwaarden voor aan-huis-gebonden beroep, kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en bed-en breakfast. Hierop zijn onderstaande beleidsregels van toepassing: Wijzigen voor aan-huis-gebonden beroep of voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten Voor de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep of voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in een woning, onder de volgende voorwaarden: in het pand dient de woonfunctie te zijn toegestaan; ten hoogste 25% van de bruto vloeroppervlakte van een woonhuis tot een maximum van 50 m² mag worden gebruikt ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. het gebruik is ondergeschikt aan de woonfunctie en heeft een kleinschalig karakter. Wonen blijft de hoofdfunctie. Het gebruik dient de woonfunctie te ondersteunen. Degene die de activiteiten in de woning uitvoert is tevens eigenaar/bewoner van de woning; het gebruik moet in overeenstemming zijn met het woonkarakter en de aard van de omgeving en er mogen geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden ontstaan; het gebruik mag niet plaatsvinden in een bijgebouw; de woning moet blijven voldoen aan het Bouwbesluit en de bouwverordening; de uitstraling van de woning moet intact blijven en het gebruik mag geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of de buurt; het gebruik mag geen nadelige gevolgen hebben voor het woon- en leefmilieu; er moet verzekerd worden dat er voldoende parkeergelegenheid in stand wordt gehouden en/of in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aansluiting gezocht bij de CROW-normen; in de tuin of op het erf mogen in de open lucht geen activiteiten plaatsvinden voor het desbetreffende beroep of bedrijf, uitgezonderd parkeren voor bezoekers; er mag geen detailhandel plaatsvinden, uitgezonderd verkoop op kleine schaal in verband met het desbetreffende beroep of bedrijf; reclame-uitingen dienen te voldoen aan de criteria uit de geldende ‘Nota ruimtelijke kwaliteit Sluis’; het gebruik mag geen bedrijvigheid zijn die vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van het Besluit omgevingsrecht en/of het Activiteitenbesluit tenzij het gebruik de woonfunctie niet zal aantasten; er mag geen verstoring plaatsvinden in de evenwichtige opbouw van de voorzieningenstructuur. Voor Bed andBreakfast in een woning, gelden de volgende voorwaarden: in het pand dient de woonfunctie te zijn toegestaan; de hoofdfunctie van het pand is wonen, deze hoofdfunctie dient immer gehandhaafd te worden; de woning dient permanent bewoond te worden; de voorziening ten behoeve van Bed and Breakfast dient binnen de bestaande woning te worden gerealiseerd; het pand moet er blijven uitzien als woning, er mogen geen bouwkundige ingrepen plaatsvinden die afbreuk doen aan het woonkarakter; de voorziening mag door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet functioneren als een zelfstandige woning. Dit betekent ook dat een aparte kookgelegenheid en voordeur niet zijn toegestaan; Bed and Breakfast is niet mogelijk in gestapelde woningen (appartementen), woningen met één slaapkamer, studio’s, of een bijbehorend bouwwerk; er mag niet overnacht worden op bergzolders, of anderszins ongeschikte ruimtes; Bed and Breakfast mag aan maximaal zes personen worden aangeboden met een maximum van drie kamers; reclame-uitingen dienen te voldoen aan de criteria uit de geldende ‘Nota ruimtelijke kwaliteit Sluis’. er mogen geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven ontstaan, dit geldt o.a. voor parkeer- en geluidsoverlast; er moet verzekerd worden dat er voldoende parkeergelegenheid in stand wordt gehouden en/of in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aansluiting gezocht bij de CROW-normen; er mogen geen alcoholische dranken worden geschonken tegen betaling; ter voorkoming van permanente bewoning wordt een maximum verblijfsduur gehanteerd van vier weken; er dient een nachtregister te worden bijgehouden dat jaarlijks aan de gemeente wordt overlegd; per persoon per nacht dient toeristenbelasting betaald te worden; de aanwezigheid van rookmelders, conform de nieuwbouweisen uit het Bouwbesluit, is noodzakelijk. Een beginnende brand zal hierdoor tijdig worden ontdekt. De rookmelders moeten voldoen aan de Nederlandse Norm (Nen) 2555, op het lichtnet zijn aangesloten, aan elkaar zijn gekoppeld en van een noodstroomvoorziening zijn voorzien; om een goede ontvluchting vanuit het pand mogelijk te maken moet de (nood)uitgang worden voorzien van paniekbeslag zodat deze altijd zonder sleutel of ander los voorwerp is te openen. De vluchtroute moet worden voorzien van noodverlichting welke voldoet aan de NEN-EN 1838; om een beginnende brand te kunnen blussen moet bij de logiesruimte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.