Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellendoorn 2023Nijverdal, 4 juli 2023 nr. 2023-014039 Het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn; Gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellendoorn 2023; B e s l u i t: vast te stellen de: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellendoorn 2023 1 Inleiding 1.1 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Op 1 januari 2015 is de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) in werking getreden. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van deze wet. In de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellendoorn 2023 (hierna: Verordening) en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellendoorn 2023 (hierna: Besluit) zijn de juridische regels vastgelegd die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Wmo 2015. Deze beleidsregels zijn een uitwerking van de Verordening. Samen met de Verordening en het Besluit vormen ze de basis van de wijze waarop de gemeente Hellendoorn de Wmo 2015 uitvoert. De Verordening, het Besluit en deze beleidsregels zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. 1.2 Visie gemeente Hellendoorn De gemeente Hellendoorn vindt het belangrijk dat inwoners, die langdurige gezondheidsklachten hebben, zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen en kunnen meedoen in de samenleving. De Wmo 2015 is hiervoor ook bedoeld. De gemeente wil dicht bij de inwoners staan en laagdrempelig bereikbaar zijn voor alle ondersteuningsvragen. De Wmo 2015 legt de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid, zelfredzaamheid en samenredzaamheid. Als een inwoner met een ondersteuningsvraag bij de gemeente komt, dan wordt eerst gekeken naar de eigen mogelijkheden van die inwoner. Kan hij of zij op eigen kracht en eventueel met praktische tips en adviezen de situatie zelf oplossen? De gemeente verwacht van inwoners bijvoorbeeld dat ze voldoende verzekerd zijn en dat ze zelf maatregelen nemen of spullen aanschaffen om zich voor te bereiden op te verwachten veranderingen in de levensloop. De vervolgvraag die wordt gesteld is: kunnen huisgenoten en het eigen sociale netwerk inspringen? Zeker bij kortdurende hulpvragen gaat de gemeente ervan uit dat de inwoner deze periode met hulp van zijn netwerk overbrugt. Als de eigen oplossingen niet afdoende zijn en de normale draagkracht langdurig of fors wordt overschreden, dan is de volgende stap om te kijken naar de inzet van algemene voorzieningen. De gemeente spant zich in om een breed en sterk lokaal voorzieningenniveau beschikbaar te hebben voor zijn inwoners. Het gaat dan bijvoorbeeld om welzijnswerk en mantelzorgondersteuning. De inwoner kan zonder indicatie terecht bij deze algemene voorzieningen. De gemeente kan ook nog speciale algemene voorzieningen inrichten in het kader van de Wmo 2015. Pas als alle hiervoor genoemde mogelijkheden geprobeerd zijn en onvoldoende oplossingen bieden, dan kan de gemeente aanvullend op deze mogelijkheden een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo 2015 verstrekken. Deze maatwerkvoorziening(
(2)wassen per week voor een eenpersoonshuishouden. Wanneer de inwoner zelf nog in staat is om de activiteiten uit de module wasverzorging voor de kleding (lichte was) te doen, maar beperkt is in het wassen van het beddengoed, kan specifiek hiervoor ondersteuning worden geboden. Extra was kan zich voordoen bij bijvoorbeeld overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies, etc. Tabel 4 in bijlage 2 geeft een overzicht van activiteiten, frequentie en tijd per week. Bij de toekenning zal een afronding van het totaal plaatsvinden naar hele minuten. Zo wordt 17,1 afgerond naar 17 minuten en 19,8 naar 20 minuten. 5.1.6Resultaat: het voeren van regie over het huishouden Wanneer er ondersteuning nodig is bij de organisatie van het huishouden, kan deze worden geboden door inzet van de module Regie. Module Regie De module Regie kan worden ingezet wanneer de inwoner op eigen kracht of met zijn sociale netwerk niet in staat is tot regie over en planning van de werkzaamheden met betrekking tot het organiseren van huishoudelijke taken. Behalve dat er huishoudelijke taken moeten worden overgenomen, heeft de hulp ook aansturende en regietaken. Daarbij geldt voor de hulp een extra verantwoordelijkheid bij het signaleren van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij de inwoner. Ook kan ondersteuning (al dan niet aan de gezonde partner) bestaan uit het helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden. Het resultaat van het voeren van de regie over het huishouden is een goede organisatie van het huishouden. Het overnemen van de regie over het huishouden kan noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van de inwoner verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt ten aanzien van zijn huishouden of als disfunctioneren dreigt ten gevolge van bijvoorbeeld dementie. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of kleding), verwaarlozing (eten en drinken) of afhankelijkheid van huisgenoten. Bij de module regie kan overwogen worden of de maatwerkvoorziening ondersteuning bij het huishouden moet worden ingezet of dat een andere maatwerkvoorziening meer passend is. Een afweging die hierbij gemaakt kan worden is of de ondersteuning alleen gericht is op het huishouden of dat er ook ondersteuning op andere gebieden noodzakelijk is. Bij de ondersteuning gericht op het huishouden wordt de inwoner betrokken bij te maken keuzes en wordt zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid bij de inwoner neergelegd. Daarbij wordt aangesloten bij de capaciteiten, intellectuele vaardigheden en het leervermogen van de inwoner. Bij een deel van deze groep inwoners is waarschijnlijk geen sprake van ontwikkelingsmogelijkheden, eerder van afnemende zelfredzaamheid. Bewaken of het nog verantwoord is dat de inwoner zelfstandig woont, is daarom onderdeel van deze module. In tabel 5 van bijlage 2 zijn de activiteiten voor de module Regie opgenomen. Daarnaast is het mogelijk dat de inwoner extra ondersteuning nodig heeft bij advies, instructie en voorlichting gericht op één of meerdere activiteiten in het huishouden. Daarbij kan gedacht worden aan situaties waarin men niet gewend is om huishoudelijk werk te doen. In dat geval kan er extra voor maximaal zes weken ondersteuning ingezet worden voor het aanleren van huishoudelijke taken en/of het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden. De werkzaamheden worden dan niet overgenomen, maar via instructies gestuurd. In tabel 6 van bijlage 2 staan de activiteiten uit de sub-module instructie. 5.1.7Resultaat: beschikken over de benodigde dagelijkse maaltijden Wanneer er ondersteuning nodig is bij de benodigde dagelijkse maaltijden en/of de boodschappen, kan deze geboden worden door de inzet van de module maaltijdverzorging. Module Maaltijdverzorging Ondersteuning bij de maaltijden valt gedeeltelijk onder de Wmo 2015. Het (voor)bereiden van maaltijden en het eventueel begeleiden (stimuleren of herinneren) bij de maaltijden valt onder de Wmo 2015. De module Maaltijdverzorging kan worden ingezet als het een inwoner niet lukt om zelfstandig de benodigde dagelijkse maaltijden te bereiden. Deze module bestaat uit activiteiten die moeten worden verricht om het resultaat “beschikken over benodigde dagelijkse maaltijden” te bereiken. Tijdens het gesprek met de inwoner worden alle mogelijkheden besproken. Is er een huisgenoot aanwezig die in staat is de maaltijd klaar te zetten en/of op te warmen? Zo ja, dan hoeft de gemeente op grond van gebruikelijke hulp geen ondersteuning te bieden. Kan de inwoner op eigen kracht of met ondersteuning van de mensen om hem heen een maaltijd verzorgen? Is een kind of één van de buren in staat een maaltijd klaar te zetten of op te warmen? Ook wordt bij het onderzoek gekeken of een voorliggende voorziening oplossingen biedt, zoals kant-en-klaarmaaltijden, mee-eten bij een welzijnsvoorziening, maaltijdbezorging aan huis, etc. Ondersteuning bij maaltijden kan onder de Zorgverzekeringswet vallen als: een inwoner niet in staat is zelfstandig te eten en te drinken (in zijn mond doen); maaltijdondersteuning medisch noodzakelijk is (bijv. bijvoeding); toezicht tijdens het eten noodzakelijk is. In de hiervoor genoemde situaties is er geen ondersteuning vanuit de Wmo 2015 nodig. Als een inwoner niet (meer) in staat is zelf of met hulp van de omgeving maaltijden te verzorgen en voorliggende voorzieningen niet of onvoldoende de noodzakelijke oplossing bieden, kan deze module door de gemeente worden ingezet. De kosten voor de aanschaf van de maaltijden c.q. de maaltijdvoorziening komen ten laste van de inwoner. In tabel 7 van bijlage 2 zijn de activiteiten voor de module Maaltijdverzorging opgenomen. Boodschappen voor het dagelijks leven Daarnaast is het mogelijk dat inwoners ondersteuning nodig hebben bij de boodschappen. Hiervoor geldt dat een boodschappenservice van bijvoorbeeld een supermarkt voorliggend is. Eigen keuzes, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt wordt aangeboden, waardoor extra reizen nodig is of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, resulteert niet in extra tijd voor boodschappen doen. In tabel 8 van bijlage 2 staan de activiteiten van de sub-module Boodschappen. 5.1.8Resultaat: het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren Wanneer ondersteuning nodig is bij de verzorging van kinderen, kan deze geboden worden door de inzet van de module zorg voor minderjarige kinderen. Module Zorg voor minderjarige kinderen Het zorgen voor kinderen is een taak van ouders en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door een beperking niet in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van één van de ouders de andere ouder deze zorg of zijn aandeel in de zorg daar waar mogelijk overneemt. Een eventuele maatwerkvoorziening is er voor ouders die door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor minderjarige, gezonde kinderen. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk, in afwachting van een structurele oplossing. Aan de hand van de criteria van een Sociaal Medische Indicatie wordt beoordeeld of deze module wordt ingezet bij een inwoner. Deze module wordt afgegeven met een maximale duur van drie maanden om ouders/verzorgers de mogelijkheid te bieden een oplossing te creëren. Van hen mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij moet ook bekeken worden of de persoon aanspraak kan maken op ondersteuning via de zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo 2015. Het passen op kinderen valt niet onder dit resultaat. In tabel 9 van bijlage 2 zijn de activiteiten van de module Zorg voor minderjarige kinderen opgenomen. Toelichting op factoren meerwerk Gezien het feit dat elke situatie verschillend zal zijn, is het niet mogelijk om een standaard normering op te nemen. Als de hulpvrager nog wel het toezicht op de kinderen kan houden, dan is dit van invloed op de omvang van de indicatie. Is de hulpvrager ook beperkt bij het toezicht houden op de kinderen, dan hangt de normering samen met de momenten op de dag dat er geen andere oplossingen voor de opvang van de kinderen voorhanden zijn. Als er kinderen onder de zes jaar aanwezig zijn, gecombineerd met huishoudelijke activiteiten, kan dit oplopen tot maximaal 40 uur in de week. 5.2 Individuele en groepsgerichte ondersteuning, wonen en verblijf 5.2.1Inleiding De gemeente is op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor begeleiding en (kortdurend) verblijf. Begeleiding kan in de vorm van individuele ondersteuning of groepsgerichte ondersteuning plaatsvinden (zie artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Verordening). Inwoners die ondersteuning nodig hebben, bieden wij dat het liefst zoveel mogelijk in hun eigen leefomgeving, maar soms is het tijdelijk niet mogelijk om thuis te zijn en is verblijf ergens anders nodig (zie artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e van de Verordening). Begeleiding, wonen en verblijf zijn ingekocht via het Twents model. Het Twents model is een model van de 14 samenwerkende gemeenten voor de inkoop van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. In dit model staat het individuele resultaat van de inwoner centraal. 5.2.2Uitgangspunten bij individuele en groepsgerichte ondersteuning Is ondersteuning vanuit de gemeente nodig, dan wordt samen met de inwoner bepaald welke doelen en resultaten behaald moeten worden. Het Twents model biedt hiervoor een basis waarmee passende ondersteuning, de juiste zorgaanbieder en het benodigde budget worden bepaald. Onderstaande uitgangspunten maken het mogelijk om beter te sturen op wat de meest adequate en goedkoopste ondersteuning is. Deze uitgangspunten gelden integraal voor het vaststellen van de benodigde ondersteuning, zowel voor de zorg in natura als voor een pgb. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd: Bij discussie over de vraag of een voorliggende voorziening voldoende is, wordt van de inwoner gevraagd om aan te tonen dat een maatwerkvoorziening nodig is; Een maatwerkvoorziening is gewenst wanneer een inwoner, zonder de inzet van een professional, in een sociaal isolement terecht komt, vaardigheden kwijtraakt, en/of activering nodig heeft om zelfstandig te blijven of te worden; De maatwerkvoorziening moet zo licht mogelijk, zo kort en zo adequaat/goedkoop mogelijk worden ingezet. Bij de inzet van groepsgerichte ondersteuning wordt in principe eerst naar een passend/adequaat aanbod zo dichtbij mogelijk gezocht, vervolgens binnen de woonwijk en vervolgens binnen de gemeentegrenzen; Steeds wordt de vraag gesteld of de ondersteuning bijdraagt aan het doel c.q. het resultaat dat moet worden bereikt. De consulent bepaalt in het ondersteuningsplan binnen welke termijn het afgesproken resultaat/doel moet worden behaald en hoeveel minuten of dagdelen ondersteuning daarvoor nodig zijn. Daarnaast worden afspraken gemaakt over de evaluatiemomenten; Wanneer de gevraagde inzet van ondersteuning meer is dan 4 uur of 4 dagdelen per week, overlegt de consulent met collega’s over de onderbouwing; Wanneer de gevraagde inzet van ondersteuning 8 dagdelen of meer is per week, wordt onderzocht of zorg op grond van de Wlz niet passender is; Er wordt waar mogelijk gestuurd op resultaten per individu, dus bijvoorbeeld niet één ondersteuningsniveau voor alle gezinsleden, maar doelen en inzet per gezinslid; Ondersteuningsbehoefte groep wordt zo dichtbij mogelijk gezocht. Heeft de inwoner een indicatie voor vervoer en wil hij, ondanks een passende optie dichterbij, toch naar een voorziening verder weg, dan komen de meerkosten die de gemeente heeft door dit vervoer voor zijn rekening. De meerkosten zijn per inwoner en locatie verschillend. Dit heeft te maken met de verschillende locaties en bijbehorende afstanden. 5.2.3Maatwerkvoorzieningen individuele en groepsgerichte ondersteuning In het Twentse model wordt gewerkt met ondersteuningsbehoeften en niveaus. Voor het toekennen van individuele of groepsgerichte ondersteuning wordt zowel de ondersteuningsbehoefte als het niveau bepaald. We onderscheiden de volgende niveaus van ondersteuning: ondersteuningsbehoefte 1, niveau A, B of C; ondersteuningsbehoefte 2, niveau A, B of C. De ondersteuning kan individueel en/of groepsgericht ingezet worden. Ondersteuningsbehoefte 1 De inwoner heeft ondersteuning nodig bij de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden waarbij hij in staat is om de eigen regie over zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen te voeren. Het doel van de ondersteuning is om de zelfredzaamheid te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Ondersteuningsbehoefte 2 De inwoner heeft ondersteuning nodig bij het voeren van de regie over, en uitvoering van zijn dagelijkse handelingen en vaardigheden. Het doel van de ondersteuning is om de zelfredzaamheid te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het helpen overzien van dagelijkse handelingen en vaardigheden (regie) en het leeftijdsadequaat uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Bepalen van ondersteuningsbehoeften 1 en 2 Om te bepalen of de inwoner wel of geen regie kan voeren, kan de volgende vraag bijdragen: “Is het de taak of wordt er verwacht van de zorgverlener om de regie over te nemen?”. Daarnaast kunnen de volgende handvatten worden gebruikt: Inwoner kan wel regie voeren Inwoner kan geen regie voeren Het hebben van zelfinzicht Het kunnen nakomen van afspraken Stabiele situatie Planbare ondersteuning Uitvoeren van praktische taken, ondersteuning Hulpvraag uit kunnen stellen Het ontbreken van zelfinzicht Het niet nakomen van afspraken Het nemen van verkeerde beslissingen Niet planbare ondersteuning Impulsieve acties Stress Hulpvraag niet uit kunnen stellen Er zijn binnen de hiervoor genoemde ondersteuningsbehoeften 1 en 2 drie niveaus te onderscheiden waarop de ondersteuning aansluit en een minimale deskundigheid gevraagd wordt: Niveau A Voorbeelden van kenmerken: er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek; er is sprake van een stabiele (ontwikkel en opvoed) context; de inwoner en/of het gezinssysteem kan afspraken maken over het moment van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en/of escalatie is gering; de zorgvrager heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren; de inwoner of het gezinssysteem is gemotiveerd om ondersteuning te ontvangen. Niveau B Voorbeelden van kenmerken: er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en/of escalatie is aanwezig maar niet groot; de inwoner of het gezinssysteem kan veranderingen zelf signaleren, maar is onvoldoende in staat om hierop te reageren; de motivatie van de inwoner of het gezinssysteem voor het volgen van de ondersteuning is wisselend. Niveau C Voorbeelden van kenmerken: er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de ondersteuning is niet routinematig; er is geen stabiele (ontwikkel en/of opvoed) context; er is hoog risico op escalatie/gevaar; met de inwoner/het gezinssysteem is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig; de inwoner of het gezinssysteem kan veranderingen zelf in het geheel niet signaleren; er kan verscherpt toezicht nodig zijn; de inwoner of het gezinssysteem is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. 5.2.4Maatwerkvoorziening wonen en verblijf De maatwerkvoorziening wonen en verblijf (zie artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e van de Verordening) is ook een onderdeel van het Twents Model en kan ingezet worden wanneer er behoefte is aan een woon- of verblijfsomgeving. Deze maatwerkvoorziening bestaat uit de volgende onderdelen (zogenaamde “dakjes”): Dakje 1: Vervanging van de thuissituatie zonder bijzonderheden; Dakje 2: Vervanging van de thuissituatie waarbij er sprake is van actief toezicht. Dakje 1: Vervanging van de thuissituatie zonder bijzonderheden Bij Dakje 1 is er sprake van een betaalde professionele hulp. Het gaat om vervanging van de thuissituatie in een professionele 24-uur-setting. Er is iemand aanwezig op de momenten dat de persoon dit nodig heeft en op de momenten dat er wordt gealarmeerd. De mate waarin dit noodzakelijk is, is leeftijd- en persoonsafhankelijk. Kenmerken: de inwoner functioneert sociaal redelijk zelfstandig. Voor zijn sociale redzaamheid is beperkte begeleiding nodig. Dit betreft met name toezicht en stimulatie bij het aangaan van sociale relaties en contacten en deelname aan het maatschappelijk leven; de inwoner heeft ten aanzien van de psychosociale/cognitieve functies af en toe hulp, toezicht of sturing nodig; bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) functioneert de inwoner zelfredzaam. Er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek of psychiatrische problematiek, of deze problematiek is beheersbaar. Dakje 2: Vervanging van de thuissituatie waarbij er sprake is van actief toezicht Bij dakje 2 is er sprake van een professionele hulp en 24-uurs actief toezicht. Kenmerken: de inwoner vertoont onvoorspelbaar gedrag; er is een (pedagogisch) gekwalificeerde slaapdienst aanwezig; er is sprake van gedragsproblematiek. Problematiek kan zowel psychisch als psychiatrisch van aard zijn; de inwoner heeft op het gebied van sociale redzaamheid vaak hulp en soms overname nodig. Hij kan taken vaak niet zelf uitvoeren; ten aanzien van het psychosociaal/cognitief functioneren heeft de inwoner af en toe tot vaak hulp, toezicht of sturing nodig; de inwoner functioneert op het gebied van ADL adequaat, maar er is wel regelmatig behoefte aan toezicht en stimulatie. Dit geldt met name voor de kleine verzorgingstaken, de persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid en bij het wassen, eten en drinken; ten aanzien van de mobiliteit is er doorgaans geen spraken van beperkingen; vanwege de complexiteit van de problematiek, en het feit dat de inwoner niet thuis kan wonen, heeft de inwoner specifieke zorg nodig. Wanneer nodig, is er 24 uur per dag op afroep een behandelaar beschikbaar. Beschermd wonen en maatschappelijke opvang Zoals beschreven in artikel 2.2, derde lid van de Verordening, kan een inwoner voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang terecht bij de centrumgemeente Almelo. Deze vormen van wonen en verblijf vallen dus niet onder het Twents model. 5.2.5Maatwerkvoorziening vervoer naar groepsgerichte ondersteuning Wat betreft het vervoer van en naar de ondersteuning in groepsverband, is het uitgangspunt dat de inwoner zelf (bijvoorbeeld met de eigen fiets of auto, of met het openbaar vervoer), of met hulp van de omgeving zoveel als mogelijk zorgt voor het vervoer. Als de inwoner beschikt over en gebruik kan maken van een eigen vervoermiddel, dan komt de inwoner in principe niet in aanmerking voor een vervoersindicatie. Wanneer de inwoner niet beschikt over een eigen vervoermiddel of het gebruik van het eigen vervoermiddel in zijn geval voor dat doel niet geschikt is en er geen andere alternatieve vervoersoplossingen zijn, kan op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder d van de Verordening een maatwerkvoorziening vervoer worden toegekend. De gemeente geeft in dat geval een indicatie af voor deur tot deurvervoer naar de dichtstbijzijnde passende zorgaanbieder. 5.3 Woonvoorziening 5.3.1Inleiding Om zelfredzaam te kunnen zijn, is het belangrijk dat een inwoner normaal gebruik kan maken van de woning. Onder normaal gebruik van de woning wordt verstaan het verrichten van elementaire woonfuncties. Voorbeelden van elementaire woonfuncties zijn: wonen, douchen en slapen; de toegankelijkheid van de woning; de veiligheid in en rond de woning; het gebruik maken van de keuken. Woonvoorzieningen in de zin van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g van de Verordening worden verstrekt om beperkingen bij het normale gebruik van de woning te compenseren. Een woonvoorziening kan bestaan uit: een woningaanpassing: dit is een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening. Ze worden aard- en nagelvast aangebracht, wat betekent dat deze voorzieningen niet uit de woning te verwijderen zijn zonder daarbij gebruik te maken van gereedschap. Het gaat hierbij om een verbouwing (bouwkundige ingreep) of het aanbrengen van speciale voorzieningen in de woning zonder aantasting van het gebouw (woontechnische ingreep); een roerende woonvoorziening: dit is een niet bouwkundige of niet woontechnische voorziening. 5.3.2Uitgangspunten Bij woonvoorzieningen worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: De woning (waaronder we ook verstaan de tuin/het balkon) moet bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar zijn: met bereikbaar wordt bedoeld dat de persoon met beperkingen zonder hulp vanaf de openbare weg tot één toegangsdeur van de woning kan komen; toegankelijk betekent dat de persoon met beperkingen zonder hulp in de woning kan komen; met bruikbaar wordt bedoeld dat de persoon met beperkingen zelfstandig alle binnen de woning gebruikelijke activiteiten kan verrichten, zonder problemen te ondervinden die veroorzaakt worden door de bouwkundige aard van de woning. Het beschikken over een woning behoort tot de eigen verantwoordelijkheid. Dit geldt in beginsel ook voor het beschikken over een zo geschikt mogelijke woning. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van inwoners om passende maatregelen te nemen behorend bij de levensfase en te verwachten beperkingen. Een woonvoorziening wordt daarom in principe alleen verleend indien het ontstaan van beperkingen, verminderde zelfredzaamheid en participatieproblemen het gevolg zijn van onvoorziene en onverwachte omstandigheden, gelegen buiten eigen toedoen. Bij het bepalen van de te verstrekken woonvoorziening wordt rekening gehouden met de belangen van mantelzorgers en professionele zorgverleners, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers of professionele zorgverleners bediend moeten worden. Voorwaarden en weigeringsgronden In artikel 2.4 van de Verordening staan de voorwaarden en weigeringsgronden voor een woonvoorziening vermeld. Deze worden in de toelichting op de verordening nader beschreven. Onderhoud, keuring en reparaties van voorzieningen Reparatie-, onderhouds- en vervangingswerkzaamheden alsmede eventuele keuringen behoren in principe tot de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de woning. De kosten van onderhoud, keuring en reparatie van woonvoorzieningen die in bruikleen verstrekt zijn, zijn voor rekening van de gemeente. 5.3.3Primaat van verhuizen Bij woonvoorzieningen die naar verwachting meer kosten dan het in het Besluit opgenomen bedrag, wordt onderzocht of het primaat van verhuizen kan worden toegepast. Hierbij wordt beoordeeld of het doel ‘wonen in een geschikt huis’ te bereiken is via het verhuizen naar een andere woning. Dit houdt in dat het verstrekken van een voorziening voor verhuizing en inrichting voorrang heeft op andere woonvoorzieningen. In iedere casus vindt een zorgvuldige belangenafweging plaats om te beoordelen of het primaat van verhuizen een compenserende voorziening is. De volgende aspecten maken onderdeel uit van de beoordeling: aanwezigheid van een passende woning. Als er een passende woning voorhanden is, kan volstaan worden met het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding. Is een passende woning (binnen medisch aanvaardbare termijn) beschikbaar, dan kan ter overbrugging de huidige woning met de meest noodzakelijke kleine aanpassingen adequaat gemaakt worden ter overbrugging tot een verhuizing. In dat geval kunnen beide voorzieningen naast elkaar verstrekt worden; de woning moet binnen een medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn. Deze termijn blijkt meestal uit het medisch advies. Als binnen deze medisch aanvaardbare termijn geen woning beschikbaar is, is verhuizen geen compenserende oplossing; een kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen. Bij het maken van een kostenvergelijking moeten alle kosten worden betrokken. Dat houdt in dat de gemeente de aanpassingskosten van de huidige woning moet afzetten tegen: de voorziening voor verhuizing en inrichting voor de inwoner; het eventueel aanpassen van de nieuwe woning; en het eventueel vrijmaken van de woning; volkshuisvestelijke factor. Niet alleen de kosten spelen een rol bij de uiteindelijk keuze van een voorziening. Ook belangen op het gebied van huisvesting kunnen een rol spelen. Als een aangepaste woning beschikbaar is, kan het ondoelmatig zijn om ook een andere woning aan te passen. Niet alle aangepaste woningen zullen namelijk even goed verhuurbaar zijn. Als een geschikte kandidaat voor die woning gevonden wordt, kan verhuizen de voorkeur hebben, ook al leidt dit niet direct tot lagere kosten; sociale omstandigheden. Hierbij valt te denken aan de binding met de buurt, aanwezigheid van familie/vrienden, gezondheidssituatie van de partner, maar ook de beoordeling van mantelzorg in de directe omgeving. Is deze mantelzorg ‘verplaatsbaar’, of ontstaat bij verhuizing een nieuw probleem door het wegvallen van deze vorm van ondersteuning; afstemming met andere voorzieningen. Het gaat hierbij met name om de afstand tot openbaar vervoerhaltes en de aanwezigheid van voorzieningen, zoals winkelcentra, gezondheidscentra etc.; verandering in woonlasten. Er moet een vergelijking worden gemaakt tussen de woonlasten bij het blijven wonen in de huidige woning en het verhuizen naar een andere woning. Belangrijk is dat de financiële gevolgen van een verhuizing binnen aanvaardbare grenzen vallen; huurder of eigenaar van de woning. Als de inwoner eigenaar van de woning is, heeft een verhuizing of aanpassing van de woning andere gevolgen dan als de inwoner de woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning kan meer consequenties hebben dan verhuizen vanuit een huurwoning, vooral financieel; de wil van de inwoner om te verhuizen. Ondanks dat verhuizing uiteindelijk een hele goede oplossing kan zijn, is de inwoner het hier in eerste instantie vaak niet mee eens. De gemeente kan op grond van de belangenafweging tot de conclusie komen, dat verhuizen de meest compenserende oplossing is en om deze reden het aanpassen van de huidige woning niet vergoeden. Indien de conclusie kan worden getrokken dat verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is, dan wordt het primaat van verhuizen opgelegd. Als blijkt dat een verhuizing geen passende oplossing is, zal overgegaan worden tot aanpassing van de huidige woning. 5.3.4Financiële tegemoetkoming verhuizen Indien het primaat van verhuizen wordt toegepast, kan een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten worden verstrekt op grond van artikel 5.2, tweede lid, aanhef en onder b van de Verordening. Deze tegemoetkoming moet worden gebruikt voor verhuizing naar een adequate woning en geldt niet voor verhuizing naar een Wlz instelling of voor de situatie wanneer men voor het eerst zelfstandig gaat wonen. Het kan ook voorkomen dat er een geschikte woning is voor een persoon met beperkingen, maar dat die woning al bewoond is. Er kan dan een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten worden verstrekt aan de bewoner van de geschikte woning. Het doel is dan om deze bewoner te stimuleren om de woning ter beschikking te stellen aan de persoon met beperkingen. De hoogte van de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten is vastgelegd in het Besluit. 5.3.5Woningaanpassing Zoals in de inleiding beschreven, gaat het bij een woningaanpassing om een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening. Een voorwaarde voor verstrekking is dat de aan te passen woning wordt gebruikt als hoofdverblijf. Er zijn verschillende soorten woningaanpassingen mogelijk. Hieronder volgt een (niet limitatief) overzicht van aanpassingen gericht op beschikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Woningaanpassingen gericht op bereikbaarheid Om een woning beter bereikbaar te maken, kunnen de volgende aanpassingen gedaan worden: aanpassingen van toegangspaden; het opheffen of minimaliseren van niveauverschillen; het aanbrengen van hellingbanen. Woningaanpassingen gericht op toegankelijkheid Om de toegankelijkheid van een woning te verbeteren, kan de gemeente de volgende aanpassingen doen: de doorgang van de toegang verbeteren; de doorgang van de deuren van de woning verbeteren door: het verbreden van de voordeur; automatische deuropeners; schuifdeuren; de drempels en dorpelhoogte aanpassen door: het verwijderen van drempels; het minimaliseren van hoogteverschil. Woningaanpassingen gericht op de bruikbaarheid van de woning toiletpot met föhn- en spoel/wasinrichting; vaste douchebrancard; aankleedblad/tafel; aanpassingen in de keuken; trapliften; vaste tillift (plafondlift); woonhuislift; aanbouw/inbouw. Aandachtspunten gelijkvloerse aanpassingen Bij het uitvoeren van gelijkvloerse aanpassingen moet rekening gehouden worden met de volgende punten: het aantal aangepaste woningen. De woningcorporatie Reggewoon heeft inzicht in het aantal bij hen beschikbare aangepaste huurwoningen; het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan staat hoeveel procent van de kavel waarop de woning staat bebouwd, mag zijn; het Bouwbesluit 2012. In het Bouwbesluit 2012 staan onder andere voorwaarden waaraan een woning minimaal moet voldoen; vergunningen. Voordat begonnen wordt met de aanpassingen, moeten de noodzakelijke vergunningen er zijn. Omgevingsvergunningen moeten worden aangevraagd bij de gemeente. Het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning is de verantwoordelijkheid van de inwoner; financiële draagkracht van de inwoner. Het moet duidelijk zijn of de inwoner bij nieuwbouw financieel de kosten kan dragen die buiten de voorziening vallen. Programma van eisen Bij bouwkundige aanpassingen van de woning wordt altijd gewerkt met een programma van eisen (met uitzondering van kleine aanpassingen). Bij aanpassingen die minder kosten dan € 5.000,- wordt één offerte opgevraagd. Bij aanpassingen vanaf € 5.000,- worden in principe twee offertes opgevraagd. Het college beoordeelt welke offerte als basis geldt voor het vaststellen van de kosten van de woonvoorziening. De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningaanpassing conform het programma van eisen; Na voltooiing van de werkzaamheden, maar uiterlijk 18 maanden na het verlenen van de maatwerkvoorziening, verklaart de woningeigenaar dat bij het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder de maatwerkvoorziening is verleend. Gemeenschappelijke ruimten Een tegemoetkoming voor het aanpassen van gemeenschappelijke ruimten (bijvoorbeeld de aanleg van een hellingbaan vanaf de openbare weg naar de toegang van het woongebouw) wordt alleen dan verstrekt als de persoon met beperkingen de toegang tot de woning uitsluitend vanuit de gemeenschappelijke ruimten kan bereiken na het realiseren van deze aanpassing. De gemeenschappelijke ruimten betreffen voornamelijk entrees, trapportalen en portieken van woongebouwen. Het aanpassen van een gemeenschappelijke recreatieruimte wordt niet gecompenseerd. Stalling van een scootmobiel Voor verstrekking van een scootmobiel geldt als voorwaarde dat er een geschikte stallingsmogelijkheid aanwezig is of te realiseren moet zijn. De scootmobiel dient gestald te worden in een daarvoor geschikte, overdekte, geventileerde (alleen bij natte accu'
- s)en van elektrische aansluiting voorziene ruimte. Medewerking woningeigenaar In artikel 2.3.7 van de Wmo 2015 is vastgelegd dat, als het college heeft besloten om een woningaanpassing te verstrekken voor een woning waarvan de inwoner met beperkingen niet de eigenaar is, het college dan wel de inwoner met beperkingen, bevoegd is om zonder toestemming van de eigenaar deze woningaanpassing aan te (laten) brengen. De gemeente dient wel vooraf de woningeigenaar de mogelijkheid te geven daarover zijn mening te geven. Hierdoor kan de eigenaar bij uitvoeringskwesties betrokken worden. 5.3.6Roerende woonvoorzieningen Roerende woonvoorzieningen zijn woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard. Het gaat onder andere om verrijdbare tilliften en losse sanitaire voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn. Tilliften De tillift is een hulpmiddel voor transfers in en uit het bed, naar en van het toilet enzovoort. Er zijn verschillende soorten tilliften, te weten: vaste of plafondliften (deze vallen onder de woningaanpassingen omdat ze aard- en nagelvast zijn aangebracht in de woning) en losse mobiele tilliften. De losse tillift wordt in bruikleen verstrekt of in de vorm van een pgb. Uitgangspunt bij deze voorziening is dat een persoon met beperkingen niet in staat is zelfstandig in en uit bed te gaan, en ook niet zelfstandig in een rolstoel plaats kan nemen. Losse sanitaire voorzieningen Losse sanitaire voorzieningen zijn hulpmiddelen bij het baden, douchen en toiletgebruik. Op grond van de Wmo 2015 komen de volgende voorzieningen voor verstrekking in aanmerking: doucherolstoelen, douchebrancards, badliften en de toiletlift. Een toiletstoel, douchestoel, douchetoiletstoel, bad- of douchekruk (al dan niet in hoogte verstelbaar), toiletverhoger (6+ en 10+), badzitje en badplank worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Deze voorzieningen zijn niet algemeen gebruikelijk als het noodzakelijk is dat zij verrijdbaar of kantelbaar zijn of op het individu moeten worden aangepast. De voorzieningen die voor verstrekking in aanmerking komen, krijgt de inwoner in natura of als pgb. Uitgangspunt bij de verstrekking van losse sanitaire voorzieningen is dat een persoon met beperkingen niet staande kan douchen of problemen ondervindt bij de toiletgang of bij het gebruik van het bad en een algemeen gebruikelijke voorziening of een algemene voorziening de beperkingen niet (voldoende) opheft. 5.4 Rolstoelvoorziening Voor verplaatsingen binnen- en buitenshuis kan een rolstoel worden verstrekt (zie artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder h van de Verordening). Voor dergelijke verplaatsingen zijn er twee soorten rolstoelen: de handbewogen rolstoel en de elektrische rolstoel. Onder handbewogen rolstoelen vallen rolstoelen die de persoon met beperkingen zelf voortbeweegt en rolstoelen die door derden worden voortbewogen. Elektrische rolstoelen zijn rolstoelen die worden aangedreven door een elektromotor. Bij elektrische rolstoelen moet blijken dat een inwoner zich niet zelfstandig kan voortbewegen in een handbewogen rolstoel. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als gevolg van een beperkte arm- of handfunctie, of energetische problemen waardoor niet meer dan een aantal meters met een handbewogen rolstoel gereden kan worden. De rolstoel kan ook bedoeld zijn om zittend in de rolstoel vervoerd te kunnen worden in het collectief vervoer, in eigen vervoer of in een rolstoeltaxi. Voorwaarden voor verstrekking Voor de persoon met beperkingen is er een noodzaak tot het zich dagelijks zittend of liggend kunnen verplaatsen in en om de woning; Er moet sprake zijn van langdurige noodzaak van de rolstoel. Rolstoelen die voor de duur van maximaal zes maanden nodig zijn, worden verstrekt op grond van de Zorgverzekeringswet en zijn voorliggend op de verstrekking van een rolstoel door de gemeente. Wijze van verstrekking Een rolstoelvoorziening kan in natura (bruikleen) worden verstrekt of in de vorm van een pgb. In geval van zorg in natura, zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de geïndiceerde rolstoel ontvangt. De rolstoel wordt dan in bruikleen verstrekt. Dit betekent dat de gemeente eigenaar blijft van de rolstoel en dat de inwoner deze zolang het nodig is, mag gebruiken. Wanneer een rolstoel in bruikleen wordt verstrekt, vallen ook alle kosten van onderhoud en verzekering onder de verstrekking. Bij de keuze voor een pgb, moet de inwoner de reparaties/het onderhoud en de verzekering van de rolstoelvoorziening zelf regelen. Omdat een pgb een gelijkwaardig alternatief is voor een zorg in natura voorziening, wordt er naast een bedrag voor de aanschaf van de rolstoelvoorziening, ook een bedrag verstrekt voor onderhoud en verzekering. Het staat de inwoner vrij om te kiezen waar hij een onderhoudscontract afsluit en waar hij de voorziening verzekerd. De hoogte van het pgb voor onderhoud en verzekering wordt vastgesteld aan de hand van een door het college goedgekeurde offerte. Afbakening met de Wlz Inwoners die een Wlz-indicatie hebben en intramuraal (in een zorginstelling) verblijven, kunnen op grond van de Wlz een rolstoel aanvragen bij het Zorgkantoor. Inwoners met een Wlz-indicatie die thuis wonen middels een pgb, volledig pakket thuis (vpt) of een modulair pakket thuis (mpt), kunnen via de gemeente een rolstoel aanvragen. 5.5 Sportvoorziening Een sportvoorziening, waaronder een sportrolstoel, heeft als doel dat een inwoner een sport kan beoefenen en bevordert dus de participatie. Uitgangspunt hierbij is dat men in principe zelf verantwoordelijk is voor de aanschaf van zaken die nodig zijn bij sportbeoefening. Wanneer vanwege een beperking extra kosten worden gemaakt, kan er op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder i van de Verordening een sportvoorziening worden verstrekt. Voorwaarden voor verstrekking De volgende criteria worden afgewogen voor het verstrekken van een sportvoorziening: op welke wijze de inwoner participeert en welke meerwaarde de sportactiviteit levert; dat er sprake is van een actieve sportbeoefening, dit kan aangetoond worden door bijvoorbeeld een bewijs van lidmaatschap van de sportvereniging of facturen waaruit de actieve sportbeoefening blijkt; dat het zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervan aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport. Het kan daarbij gaan om sporten in verenigingsverband, maar ook om sporten in georganiseerd en structureel verband lijkend op een vereniging, zoals een trainingsgroep onder leiding van een professional. Sportvoorzieningen voor gezamenlijk of collectief gebruik komen niet voor individuele compensatie in aanmerking. Wijze van verstrekking Een sportvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming (zie artikel 5.2, tweede lid, onder c van de Verordening). Deze financiële tegemoetkoming wordt maximaal een keer in de 3 jaar verstrekt voor de aanschaf, het onderhoud en de reparatie, tenzij de eerder verstrekte sportvoorziening nog adequaat is. De maximale hoogte van de financiële tegemoetkoming staat in het Besluit. 5.6 Vervoersvoorziening 5.6.1Inleiding Om een inwoner in staat te stellen tot aanvaardbare maatschappelijke participatie kan een vervoersvoorziening worden verstrekt (zie artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder j van de Verordening). Wat precies onder “aanvaardbare maatschappelijke participatie” wordt verstaan, is niet vast te stellen. Volgens de toelichting op artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 moet iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate: mensen kunnen ontmoeten; contacten kunnen onderhouden; boodschappen kunnen doen; aan maatschappelijke activiteiten kunnen deelnemen; zich kunnen verplaatsen. Bij maatschappelijke participatie gaat het er niet om hoe vaak een inwoner een bestemming wil bereiken, maar hoe vaak hij dat zou moeten kunnen. Dit blijkt uit jurisprudentie. De gemeente hoeft dus niet alle wensen van een inwoner te vervullen. De verplichting om een maatwerkvoorziening te bieden gaat niet zo ver dat de inwoner in dezelfde of misschien een betere positie gebracht wordt dan vóór de ondersteuning. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de inwoner was vóór hij de ondersteuning nodig had (CRvB 18-05-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1402). De CRvB heeft een aantal uitspraken gedaan die als voorbeelden kunnen dienen voor het begrip aanvaardbare maatschappelijke participatie: CRvB 21-10-2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2644, CRvB 08-10-2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3287, CRvB 10-09-2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3082, CRvB 15-02-2012, nr. 09/4472 WMO e.a., CRvB 14-03-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV8848. Reikwijdte en omvang lokaal verplaatsen Een vervoersvoorziening is voldoende passend als deze de inwoner in staat stelt tot lokale verplaatsingen. Onder lokaal verplaatsen wordt verstaan een afstand van 15 tot 20 kilometer van het woonadres van de inwoner. De gemeente hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte. Verder mag de gemeente volstaan met een voorziening waarmee de inwoner 1.500 kilometer per jaar kan reizen. Als de inwoner een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de inwoner om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dat dit zo is. Vervoersvoorziening Voordat een maatwerkvoorziening voor vervoer wordt verstrekt, dient eerst onderzocht te worden of er gebruik gemaakt kan worden van voorliggende voorzieningen, zoals bijvoorbeeld ANWB Automaatje (van Stichting De Welle), het openbaar vervoer, eigen sociaal netwerk, etc. Afhankelijk van de beperkingen die iemand ondervindt bij zijn verplaatsingen kan er een vervoersvoorziening worden verstrekt. Het kan hierbij gaan om een vervoersvoorziening in de vorm van een vervoerpas, waarmee tegen regulier opbaar vervoer tarief gereisd kan worden met de regiotaxi Twente (het Collectief vervoer) en/of een individuele vervoersvoorziening, zoals bijvoorbeeld een scootmobiel of een driewielfiets of een pgb voor een individuele (rolstoel)taxi of een aanpassing van de auto. Meestal wordt met de verstrekking van een (of meerdere) van voorgaande voorzieningen het verplaatsingsprobleem opgeheven. Mocht dat niet het geval zijn en is de noodzaak hiervoor vastgesteld, dan kan er een voorziening in natura of in de vorm van een pgb worden verstrekt voor een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen of een al dan niet aangepaste auto. De goedkoopst compenserende voorziening wordt verstrekt. Hieronder wordt toegelicht welke vervoersvoorzieningen kunnen worden ingezet. 5.6.2Collectief vervoer (regiotaxi Twente) Het collectief vervoer, ofwel een vervoerpas voor de regiotaxi Twente (hierna: regiotaxi) als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder a van het Besluit, is alleen beschikbaar voor inwoners die via de gemeente een indicatie hiervoor hebben. Het is niet toegestaan de regiotaxi te gebruiken voor woon-/werkverkeer en het vervoer van/naar dagbesteding (zowel voor de Wmo 2015 als Wlz). Verder kan de regiotaxi voor elke bestemming worden gebruikt . De rit dient te beginnen óf te eindigen in de gemeente Hellendoorn en is van deur tot deur. Bij een inwoner die in een flat of appartementencomplex woont, meldt de chauffeur zich niet bij de deur van de inwoner, maar bij de centrale toegangsdeur, waar hij/zij ook blijft wachten. Het begin- of eindpunt mag ook een andere locatie zijn dan een deur, bijvoorbeeld het winkelcentrum of een evenementenhal. Door de mogelijkheid om meerdere personen tegelijk te vervoeren, rijdt de regiotaxi niet altijd de voor inwoner kortste route, waardoor de rit wat langer kan duren. Bijdrage in de kosten Voor elke rit met de regiotaxi betaalt de inwoner een eigen bijdrage. De hoogte van deze eigen ritbijdrage is afhankelijk van de lengte van de rit. De tarieven, die gelijk zijn aan het reguliere openbaar vervoer, zijn te vinden op www.regiotaxitwente.nl. De tarieven betreffen: Opstaptarief (starttarief); Tarief per afgelegde kilometer. In principe bedraagt de maximale toegestane lengte van een regiotaxi-rit 25 kilometer vanaf het woonadres. Wil een inwoner toch tot 5 kilometer verder reizen, dan betaalt de inwoner voor de extra kilometers een extra tarief per kilometer. Een rit met de regiotaxi kan dus maximaal 30 kilometer bedragen (enkele reis). 5.6.3Valys Als een inwoner verder wil reizen dan 25 kilometer dan kan dat met Valys. De inwoner kan daarvoor een Valys-pas aanvragen. 5.6.4Scootmobiel Een scootmobiel is een gehandicaptenvoertuig met een elektrische aandrijving, voorzien van drie, vier of vijf wielen. De gemeente verstrekt alleen driewiel- scootmobielen. De scootmobiel is bedoeld voor het compenseren van een vervoersprobleem op de korte en middellange afstanden. De maximumsnelheid van een scootmobiel is 15 kilometer per uur en de actieradius is 20 – 40 kilometer. Voorwaarden voor verstrekking Om voor een scootmobiel in aanmerking te komen moet er sprake zijn van: Uiterst beperkte mobiliteit: Een scootmobiel is bedoeld voor inwoners, die een uiterst beperkte mobiliteit hebben. Er moet sprake zijn van een loopbeperking van langdurige aard waardoor met gebruikelijke loophulpmiddelen (rollator, wandelstok) een afstand van meer dan 100 meter aaneengesloten niet te overbruggen is. Hierbij wordt aangesloten bij de beoordeling die plaatsvindt in het kader van een aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart op basis van de landelijk geldende Regeling gehandicaptenparkeerkaart; Voldoende rijvaardigheid: Om van een scootmobiel gebruik te kunnen maken, moet de inwoner geen fysieke beperkingen hebben die dit belemmeren. Verder moet de inwoner veilig en zelfstandig aan het verkeer kunnen deelnemen. Factoren die daarbij een rol spelen zijn o.a.: verkeersinzicht, kennis van de regels, gedrag, geduld, concentratievermogen, oriëntatie vermogen, intelligentie, angst of juist overmoed, gezichtsvermogen, gehoor en reactievermogen. De mate van rijvaardigheid en leerbaarheid van de inwoner zal mede afhankelijk zijn van het feit of hij kort daarvoor zelf nog actief deelnam aan het verkeer. Indien er sprake is van onvoldoende rijvaardigheid en/of rijveiligheid wordt er geen scootmobiel verstrekt aan de betreffende inwoner. Samen met de inwoner wordt er dan gekeken naar een andere oplossing voor het verplaatsingsprobleem; Adequate stalling: Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als er een adequate stalling aanwezig is of gerealiseerd kan worden. Een adequate stalling wil zeggen dat de scootmobiel droog staat in een afgesloten ruimte. In principe is de inwoner zelf verantwoordelijk voor de stalling van de scootmobiel. In bijzondere gevallen waarin de inwoner niet beschikt over een stalling en deze ook niet zelf kan realiseren, kan het college genoodzaakt zijn zorg te dragen voor de realisatie van een stalling voor de scootmobiel. Wijze van verstrekking Een scootmobiel wordt meestal in bruikleen (in natura) verstrekt. Voordeel voor de inwoner hiervan is dat als er reparaties nodig zijn, of er vervanging moet komen van de in gebruik zijnde scootmobiel, de gemeente dit regelt. Bij de keuze voor een pgb, moet de inwoner de reparaties/het onderhoud en de verzekering van de scootmobiel zelf regelen. Omdat een pgb een gelijkwaardig alternatief is voor een zorg in natura voorziening, wordt er naast een bedrag voor de aanschaf van de scootmobiel, ook een bedrag verstrekt voor onderhoud en verzekering. Het staat de inwoner vrij om te kiezen waar hij een onderhoudscontract afsluit en waar hij de voorziening verzekert. Het verzekeren van de scootmobiel is verplicht op grond van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen. De hoogte van het pgb voor onderhoud en verzekering van een scootmobiel wordt vastgesteld aan de hand van een door het college goedgekeurde offerte. Niet inbegrepen bij de vervoersvoorziening scootmobiel De vervoersvoorziening scootmobiel omvat niet: de kosten voor het opladen van de accu; een tweede spiegel; regenkleding; bandenpomp; handschoenen; boodschappenmandjes/netjes voor zover deze niet standaard zijn aangebracht; een schootkleed (in uitzonderingssituaties wel mogelijk); winterbeenbekleding. Deze opsomming is niet limitatief. Uitzonderingen hierop zijn: Een stokhouder, rollatorrek en een zuurstoffleshouder worden wel verstrekt en kunnen direct door de leverancier geplaatst worden. Hiervoor is geen indicatie nodig. Verplichte deelname aan periodieke rijvaardigheidstest Om te voorkomen dat verstrekte scootmobielen niet of onverantwoord gebruikt worden, kunnen inwoners verplicht worden om deel te nemen aan rijvaardigheidstesten. Inwoners die geen gehoor geven aan de uitnodiging tot deelname aan de rijvaardigheidstest, ontvangen een brief met de mededeling de scootmobiel in te leveren voor een bepaalde datum of om contact op te nemen met een Wmo-consulent. 5.6.5Fietsvoorziening Voor de korte en middellange afstanden kan een fietsvoorziening worden verstrekt. Hieronder wordt o.a. verstaan een driewielfiets of een handbike. Om aanspraak te maken op een fietsvoorziening gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. De fietsvoorziening kan niet worden gecombineerd met een scootmobiel of een andere voorziening die voor de korte en middellange afstanden bedoeld zijn. Uitsluitingen Een tweewielfiets, al dan niet met elektrische trapondersteuning of lage instap is een algemeen gebruikelijke voorziening, de inwoner wordt geacht deze zelf aan te schaffen. Zie hoofdstuk 4 “Algemeen gebruikelijke voorzieningen”. Wijze van verstrekking Een fietsvoorziening kan in natura (bruikleen) worden verstrekt of in de vorm van een pgb. Wanneer een fietsvoorziening in bruikleen wordt verstrekt, vallen ook alle kosten van onderhoud en verzekering onder de verstrekking Bij de keuze voor een pgb, moet de inwoner de reparaties/het onderhoud en de verzekering van de fietsvoorziening zelf regelen. Omdat een pgb een gelijkwaardig alternatief is voor een zorg in natura voorziening, wordt er naast een bedrag voor de aanschaf van de fietsvoorziening, ook een bedrag verstrekt voor onderhoud en verzekering. Het staat de inwoner vrij om te kiezen waar hij een onderhoudscontract afsluit en waar hij de voorziening verzekert. De hoogte van het pgb voor onderhoud en verzekering wordt vastgesteld aan de hand van een door het college goedgekeurde offerte. 5.6.6(Rolstoel)taxi Als uit onderzoek blijkt dat de beperkingen van een inwoner ten aanzien van het verplaatsen niet kunnen worden weggenomen door gebruikmaking van de regiotaxi, kan er een pgb worden verstrekt voor de kosten van individueel taxivervoer/rolstoel taxivervoer, als bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, aanhef en onder a en b van het Besluit. De in dit artikel genoemde bedragen zijn gebaseerd op de van toepassing zijnde tarieven uit de “Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer”. De in het Besluit genoemde maximale pgb’s voor een reguliere taxi en rolstoeltaxi per jaar zijn gebaseerd op het in bovengenoemde regeling vastgestelde bedrag per kilometer x 1.500 (zie hierboven bij Reikwijdte en omvang lokaal verplaatsen). 5.6.7Autoaanpassing en gesloten buitenwagen Autoaanpassing Als uit onderzoek blijkt dat de beperkingen van een inwoner ten aanzien van het verplaatsen niet kunnen worden weggenomen door gebruikmaking van de regiotaxi, kan er een pgb verstrekt worden voor de kosten van het aanpassen van de eigen auto. De noodzaak van de aanpassing moet wel zijn vastgesteld en het betreft geen aanpassing die algemeen gebruikelijk is (zie voor het begrip algemeen gebruikelijk hoofdstuk 4). Aanpassingen die als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt zijn o.a.: automatische transmissie; elektrisch bedienbare ramen; kosten van een APK-keuring; een derde of vijfde deur; warmte werend glas; cruise controle. Bij de beoordeling van een autoaanpassing moet voldaan worden aan de volgende eisen: de inwoner is eigenaar van de auto; de auto waar de aanpassing voor bestemd is, is tenminste nog 7 jaar te gebruiken; er wordt gekeken naar het aantal kilometers dat met de auto gereden is. Bij een kilometerstand van 100.000 kilometer of meer, is een autoaanpassing meestal niet meer verantwoord. Gesloten buitenwagen Een gesloten buitenwagen is een gehandicaptenvoertuig en is te vergelijken met een scootmobiel, maar dan met een gesloten carrosserie (een cabine). Een gesloten gehandicaptenvoertuig heeft 4 wielen en kan een benzinemotor hebben of elektrisch aangedreven zijn. Een inwoner heeft hiervoor geen bromfietsrijbewijs nodig. Een brommobiel is geen gehandicaptenvoertuig en is doorgaans groter dan een gesloten buitenwagen. Ook dient een inwoner voor een brommobiel een bromfietsrijbewijs te hebben en moet deze gebruik maken van de rijbaan. Een voorziening in natura in de vorm van een al dan niet aangepaste auto, een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen of een pgb voor een van deze voorzieningen als bedoeld in artikel 3.8, vierde lid van het Besluit, wordt slechts bij wijze van grote uitzondering verstrekt. Veelal worden de beperkingen bij het verplaatsen weggenomen door één of meer van de genoemde vervoersvoorzieningen in artikel 3.8, eerste tot en met het derde lid van het Besluit. 6 Pgb Een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb betekent dat er een geldbedrag aan de inwoner beschikbaar wordt gesteld, waarmee de inwoner zelf de benodigde voorziening kan inkopen. Het pgb en de maatwerkvoorziening in natura zijn gelijkwaardige alternatieven. Als de noodzaak voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening is vastgesteld, ontvangt de inwoner deze in natura. Dat is het uitgangspunt. Verzoekt de inwoner om een pgb en voldoet hij aan alle voorwaarden, dan kent de gemeente een pgb toe. Er wordt onderscheid gemaakt tussen maatwerkvoorzieningen waarbij er sprake is van dienstverlening en maatwerkvoorzieningen waarbij dit niet het geval is. Dienstverlenende voorzieningen zijn: huishoudelijke ondersteuning, individuele ondersteuning en groepsgerichte ondersteuning. Een pgb voor deze voorzieningen loopt via het trekkingsrecht. Het trekkingsrecht is vastgelegd in artikel 2.6.2 van de Wmo 2015. Hierin is bepaald dat de SVB namens de gemeente de betalingen uit alle pgb’s doet. Een inwoner krijgt dus niet zelf het geld in handen. Niet-dienstverlenende voorzieningen zijn: woonvoorzieningen, rolstoelen en vervoersvoorzieningen. Een pgb voor deze voorzieningen wordt op facturatiebasis overgemaakt door de gemeente Hellendoorn. Zorg- en budgetplan Wanneer een inwoner een pgb wenst voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst dan zal er een zorg- en budgetplan, als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid van de Verordening ingediend moeten worden. 6.1 Voorwaarden De pgb-voorwaarden zijn opgenomen in artikel 2.3.6, tweede lid van de Wmo 2015 en in artikel 4.1 van de Verordening. In artikel 2.3.6, tweede lid van de Wmo 2015 staan drie voorwaarden genoemd waar inwoners aan moeten voldoen om in aanmerking te komen voor ondersteuning via een pgb. Het gaat om de volgende voorwaarden: bekwaamheid van de aanvrager; motivering door de aanvrager; waarborging kwaliteit en dienstverlening. 6.1.1Bekwaamheid van de aanvrager Deze voorwaarde gaat allereerst om de bekwaamheid van de inwoner die het pgb aanvraagt. De inwoner moet duidelijk maken dat hij zelf, of met hulp van een pgb-beheerder, als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder q, van de Verordening in staat is een pgb te beheren. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de inwoner en/of met de pgb-beheerder getoetst. Het oordeel van de gemeente is hierin echter leidend. Mocht de gemeente van mening zijn, dat de inwoner dan wel de pgb-beheerder niet in staat is om de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren, dan kan de gemeente het pgb weigeren. In het geval van een dienstverlenende voorziening zijn voorbeelden van taken: het kiezen van een zorgverlener die de gevraagde ondersteuning kan bieden; het aangaan van een contract met de zorgverlener; het aansturen van de zorgverlener; het bijhouden van een juiste administratie (hieronder valt ook het overleggen van een zorgovereenkomst aan de SVB, voordat de SVB over kan gaan tot betaling aan de zorgverlener). 6.1.2Motivering door de aanvrager De tweede voorwaarde houdt in dat de inwoner moet motiveren dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen. Met de argumentatie moet duidelijk worden dat de aanvrager zich voldoende heeft georiënteerd op de voorziening in natura en de verantwoordelijkheden die bij een pgb horen. 6.1.3Waarborging kwaliteit van de dienstverlening De derde voorwaarde houdt in dat de kwaliteit van de ondersteuning die wordt ingekocht, gewaarborgd moet zijn. De inwoner of zijn pgb-beheerder heeft zelf de regie over de voorziening die wordt ingekocht. Bij een pgb gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor voorzieningen in natura. In artikel 8.1 van de Verordening staan deze eisen uitgewerkt. Verklaring Omtrent Gedrag (hierna: VOG) Een VOG dient aangeleverd te worden bij de inzet van professionele hulpverlening middels een pgb. Ook bij de inzet van niet-professionele hulpverlening kan een VOG opgevraagd worden. De aanvraag en bekostiging van de VOG is de verantwoordelijkheid van de (professionele) hulpverlener. Het originele document moet door ons ontvangen en beoordeeld worden. Wij bewaren slechts een kopie van dit document met daarop de aantekening dat het origineel is gezien en beoordeeld. De bewaartermijn voor de VOG betreft twee jaar, evenals voor de kopie van de inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en van behaalde diploma(
- s)inzake relevante opleiding(en). 6.2 Pgb-beheerder Als een inwoner niet zelfstandig zijn belangen kan behartigen en niet in staat is om de aan een pgb verbonden taken uit te voeren, kan hij zich laten vertegenwoordigen door een pgb-beheerder. In artikel 4.3 van de Verordening is deze mogelijkheid opgenomen, inclusief de vereisten waaraan een pgb-beheerder moet voldoen. Volgens het eerste lid van artikel 4.3 van de Verordening kunnen de volgende personen een pgb-beheerder zijn: iemand die tot het sociaal netwerk behoort; een professionele pgb-beheerder; een door de rechtbank aangestelde mentor, curator of bewindvoerder. Ad a. Volgens de definitie in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 behoren de volgende personen tot het sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring (een familielid, een huisgenoot, de echtgenoot of voormalig echtgenoot of een mantelzorger); en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt (personen met wie iemand regelmatig contacten onderhoudt zoals buren, medeleden van een vereniging etc.). Van een pgb-beheerder wordt verwacht dat hij de belangen van de inwoner behartigt en de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uitvoert. 6.2.1Zorgverlener mag niet het pgb beheren Uitgangspunt is dat degene die de inwoner vertegenwoordigt, de belangen van de inwoner centraal stelt. De pgb-beheerder kan niet de uitvoerder van de ondersteuning zijn die met het pgb wordt ingekocht. De pgb-beheerder mag geen (financiële) relatie hebben met de zorgverlener, tenzij dit volgens de gemeente passend is. Hierdoor wordt namelijk een objectieve beoordeling van wat noodzakelijk is voor de inwoner en de aansturing van werkzaamheden bemoeilijkt. Dit kan ten koste gaan van het bereiken van de gewenste resultaten. 6.2.2Fysieke aanwezigheid en tijd Het juist behartigen van de belangen van de inwoner en het op verantwoorde wijze uitvoeren van de aan een pgb verbonden taken kan alleen plaatsvinden indien de pgb-beheerder voldoende fysiek aanwezig is bij de inwoner en voldoende tijd heeft om de aan het pgb verbonden taken uit te voeren. De pgb-beheerder moet wekelijks voldoende tijd besteden aan het signaleren van de hulpvraag, het controleren van de (kwaliteit van
- de)ondersteuning, het aansturen van de zorgverlener en het bijhouden van de juiste administratie. 6.3 Weigeringsgronden In artikel 2.3.6, vijfde lid van de Wmo 2015 staat vermeld, wanneer het college een pgb kan weigeren. Het college maakt in principe gebruik van deze bevoegdheid. Dit houdt in dat een pgb kan worden geweigerd, als: de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura; of als er sprake is van een situatie waarbij er eerder een intrekking of herziening van een besluit heeft plaatsgevonden omdat een inwoner: onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt; niet voldaan heeft aan de aan het pgb verbonden voorwaarden; het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt. Als de kosten van een pgb hoger zijn dan de kosten van een maatwerkvoorziening in natura betekent dit niet dat de verstrekking van een pgb in het geheel niet mogelijk is. Het pgb voor het gedeelte dat duurder is dan de voorgestelde maatwerkvoorziening in natura wordt dan niet verstrekt. De inwoner kan er dan voor kiezen om dit gedeelte zelf bij te betalen. 6.4 Besteding pgb De inwoner kan met een pgb zelf bepalen bij wie hij de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen wil inkopen die tot de maatwerkvoorziening behoren. Maar er gelden wel een aantal voorwaarden. Een voorwaarde is dat het pgb wordt besteedt aan het doel waarvoor het is verstrekt. De inwoner kan het pgb ook besteden aan een andere voorziening dan de voorziening die is geïndiceerd. Met die voorziening moet echter wel hetzelfde resultaat worden bereikt. Verder moet de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht van goede kwaliteit zijn. De gemeente toetst dit vooraf. Daarbij weegt de gemeente mee of de in te kopen ondersteuning geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. Als de kwaliteit volgens de gemeente niet is gewaarborgd, verstrekt de gemeente geen pgb. De gemeente Hellendoorn kent bij het pgb geen vrij besteedbaar deel. Kosten die zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit het pgb staan opgenomen in artikel 4.5 van de Verordening. Blijkt dat het pgb niet binnen 6 maanden besteed is of wordt besteed aan het doel waarvoor dit is toegekend, dan zal opnieuw gekeken moeten worden naar de situatie. Mogelijk is een andere wijze van ondersteuning meer passend en dient het pgb eventueel herzien en/of teruggevorderd te worden. Voor woningaanpassingen geldt een bestedingstermijn van 18 maanden. 6.5 Pgb tarieven Voor het vaststellen van het pgb-tarief wordt bij dienstverlenende voorzieningen onderscheid gemaakt tussen professionele ondersteuning en niet-professionele ondersteuning. De wijze waarop de hoogte van alle pgb-tarieven worden vastgesteld, is terug te vinden in artikel 4.4 van de Verordening. De pgb-bedragen voor de dienstverlenende voorzieningen staan vermeld in het Besluit. 7 Slotbepalingen 7.1 Intrekking oude beleidsregels De volgende beleidsregels worden ingetrokken: Beleidsregels algemeen gebruikelijke voorzieningen; Beleidsregels begeleiding: ondersteuningsbehoeften Wmo 2020; Beleidsregels gebruik van terminologie in het kader van de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet; Beleidsregels gebruikelijke hulp maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2019; Beleidsregels huishoudelijke ondersteuning gemeente Hellendoorn 2019; Beleidsregels vervoersvoorzieningen: scootmobiel; Beleidsregels woonvoorziening: traplift. 7.2 Inwerkingtreding en citeertitel Deze beleidsregels treden in werking op de dag, volgende op die van hun bekendmaking en worden aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellendoorn 2023. Het college voornoemd, de wnm. secretaris, de burgemeester, Bijlagen 1. Het onderzoeken van overbelasting Algemeen De indicatiesteller onderzoekt altijd of er in de individuele situatie moet worden afgeweken van de algemene regels. Een van de redenen om in de individuele situatie af te wijken, kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat zij taken overneemt, reeds overbelast dreigt te raken. In Van Dale wordt overbelasting uitgelegd als “meer belasten dan het prestatievermogen toelaat”. In medische kringen praten we dan over het (on)evenwicht tussen draagkracht (=belastbaarheid) en draaglast (=belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren. Factoren die van invloed zijn op de draagkracht zijn onder meer: lichamelijke conditie mantelzorger; geestelijke conditie mantelzorger; wijze van omgaan met problemen (coping); motivatie voor zorgtaak; sociaal netwerk. Factoren die van invloed zijn op de draaglast zijn onder meer: omvang en mate van (on)planbaarheid van zorgtaken; ziektebeeld en prognose; inzicht van mantelzorger in ziektebeeld van de zorgvrager; woonsituatie; bijkomende sociale problemen; bijkomende emotionele problemen; bijkomende relationele problemen. Onderzoek naar de draaglast-draagkracht mantelzorger Het kan soms heel duidelijk zijn dat de mantelzorger overbelast is, in ander gevallen is dat minder duidelijk en zal dit in het indicatieonderzoek moeten worden uitgediept. Er bestaat niet één, simpel af te nemen test, die hierover direct uitsluitsel geeft. Wel bestaan er allerlei vragenlijsten op dat gebied en kunnen door de mantelzorger ervaren klachten duiden op overbelasting. Een uitspraak (Zknr. 23010188) van het CVZ (nu Zorginstituut Nederland) leert dat het College van mening is dat de beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid van de mantelzorger dienen te worden beoordeeld door of onder verantwoordelijkheid van een arts. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. Dit dient dan wel onder aanwijzing van een arts te gebeuren; deze dient vervolgens ook bij het eindoordeel te worden betrokken. Onderzoeksvragen Hieronder volgt een reeks van vragen die de indicatiesteller zouden kunnen helpen bij het verkrijgen van een indruk van de eventuele overbelasting van de mantelzorger: Wat zegt de mantelzorger er zelf over, hoe ervaart hij of zij het zorgen?; Hoe is de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van de mantelzorger?; Zijn er signalen van overbelasting: nervositeit, vermoeidheid?; Heeft de mantelzorger een “uitlaatklep”? Heeft hij of zij de mogelijkheid om activiteiten buitenshuis te doen? Kan iemand zijn verhaal kwijt bij vrienden, familie of professionals? Wordt er respijtzorg geboden zodat de mantelzorger even op adem kan komen?; Hoe is de relatie tussen de mantelzorger en de inwoner? Hoe stelt de inwoner zich op, veeleisend of juist dankbaar? Kan de mantelzorger grenzen aangeven en ‘nee’ zeggen? Is er irritatie tussen de mantelzorger en inwoner?; Heeft de mantelzorger inzicht in de ziekte van de inwoner? (Als men weet dat bepaald gedrag uit de ziekte voortkomt, kan het gemakkelijker zijn dat gedrag te accepteren); Hoeveel tijd heeft de mantelzorger? Heeft iemand een baan, een eigen gezin, een ander familielid dat zorg behoeft? Voorbeeld: een echtgenoot wordt ziek, terwijl zijn vrouw ook al voor haar ouders zorgt; Is de zorg te plannen of is er continue controle en toezicht nodig?; Hoe is de prognose? (Een terminale situatie is altijd zwaar, maar een situatie die langdurig en stabiel is, kan ook veeleisend zijn); Wat zijn de knelpunten in de zorg?; Hoe is de woonsituatie? Woont men afgelegen of in een flat zonder lift zodat de inwoner en de mantelzorger min of meer samen opgesloten zitten. Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. Dit kunnen o.a. zijn: gespannen spieren, hoge bloeddruk, slapeloosheid, migraine, duizeligheid, verminderde weerstand, opvliegingen, ademnood, ongeduld, verhoogde prikkelbaarheid, vaak huilen, neerslachtigheid, isolering, verbittering, concentratieproblemen, rusteloosheid, denkblokkades en boosheid. Het is mogelijk, dat slechts één van deze symptomen waarneembaar is, maar over het algemeen zullen meerdere symptomen gecombineerd optreden. De mate, waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Daarnaast dient men zich te bedenken dat het hierbij om veelal, aspecifieke symptomen gaat, die ook bij andere stoornissen kunnen passen (dit is een van de redenen waarom het Zorginstituut Nederland de beoordeling hiervan bij de CIZ-arts neerlegt). Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat. Indien er meerdere symptomen aanwezig zijn, is het raadzaam dat de mantelzorger zijn huisarts raadpleegt, omdat langdurige aanwezigheid en/of verwaarlozing van dergelijke symptomen weer kan leiden tot andere, ernstige stoornissen. 2. Normtijden huishoudelijke ondersteuning Tabel 1: Basismodule huishoudelijke ondersteuning reguliere basisactiviteiten (op grond van het onderzoek bureau HHM, kenmerk NV/17/0396/enshh d.d. 10-02-2017) Woonruimte Basisactiviteit Frequentie/norm Tijdsbesteding (minuten) Woonkamer Stof afnemen hoog 1x per 2 weken 3,7 Stof afnemen midden 1x per week 8,2 Stof afnemen laag 1x per week 4,3 Opruimen 1x per week 4,1 Stofzuigen 1x per week 8,5 Dweilen 1x per 2 weken 6,3 Slaapkamer Stof afnemen hoog 1x per 6 weken 2,2 Stof afnemen midden 1x per week 3,9 Stof afnemen laag 1x per week 2,4 Opruimen 1x per week 2,1 Stofzuigen 1x per week 4,6 Dweilen 1x per 4 weken 3,6 Bed verschonen 1x per 2 weken 8,3 Keuken Stofzuigen 1x per week 3,1 Dweilen 1x per week 3,1 Keukenblok (buitenzijde) inclusief tegelwand, kookplaat, spoelbak, koelkast, eventueel tafel 1x per week 9,7 Keukenapparatuur (buitenzijde) 1x per week 3,0 Afval opruimen 1x per week 4,7 Sanitair Badkamer schoonmaken 1x per week 11,7 Toilet schoonmaken 1x per week 6,2 Hal Stof afnemen hoog 1x per week 2,0 Stof afnemen midden 1x per week 2,3 Stof afnemen laag 1x per week 1,3 Stofzuigen 1x per week 3,0 Trap stofzuigen 1x per week 3,2 Dweilen 1x per 2 weken 2,4 Afstemming/sociaal contact Aankomst, vertrek, evt. afstemming derden, contact inwoner 1x per bezoek 21,9 Tabel 2: Basismodule huishoudelijke ondersteuning incidentele activiteiten (op grond van het onderzoek bureau HHM, kenmerk NV/17/0396/enshh d.d. 10-02-2017) Woonruimte Incidentele activiteit Frequentie/norm Tijdsbesteding (minuten) Woonkamer Gordijnen wassen 1x per jaar 20,0 Reinigen lamellen/luxaflex 2x per jaar 1,1 Ramen binnenzijde 4x per jaar 12,0 Deuren/deurposten nat afdoen 1x per 8 weken 1,4 Meubels afnemen (droog/nat) 1x per 8 weken 5,8 Radiatoren afnemen 2x per jaar 2,4 Slaapkamer Gordijnen wassen 1x per jaar 16,8 Reinigen lamellen/luxaflex 2x per jaar 44,6 Ramen binnenzijde 4x per jaar 8,9 Deuren/deurposten nat afdoen 2x per jaar 1,6 Radiatoren afnemen 2x per jaar 0,6 Keuken Gordijnen wassen 1x per jaar 10,0 Reinigen lamellen/luxaflex 3x per jaar 15,0 Ramen binnenzijde 4x per jaar 5,4 Deuren/deurposten nat afdoen 1x per 8 weken 1,9 Radiatoren afnemen 3x per jaar 1,1 Keukenkastjes (binnenzijde) 2x per jaar 5,7 Koelkast (binnenzijde) 3x per jaar 5,4 Oven/magnetron (binnenzijde) 4x per jaar 3,4 Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid) 1x per jaar 5,7 Afzuigkap reinigen (binnenzijde) – vaatwasser bestendig 2x per jaar 2,0 Afzuigkap reinigen (binnenzijde) – niet vaatwasser bestendig 2x per jaar 0,6 Bovenkast keukenkastjes 1x per 6 weken 3,3 Tegelwand (los van keukenblok) 2x per jaar 2,2 Sanitair Radiatoren afnemen 2x per jaar 1,3 Tegelwand badkamer afnemen 4x per jaar 4,1 Gordijnen wassen 1x per jaar 5,0 Ramen binnenzijde 4x per jaar 0,8 Reinigen lamellen/luxaflex 3x per jaar 15,0 Hal Radiatoren afnemen 2x per jaar 0,6 Deuren/deurposten nat afdoen 2x per jaar 3,0 Tabel 3: Overzicht activiteiten module Extra Hygiëne (op grond van de normen uit het CIZ