Beleidsregel aanpak overlastDe burgemeester van Staphorst, overwegende dat voor de toepassing van artikel 172a Gemeentewet een beleidsregel noodzakelijk is ten aanzien van zijn de bevoegdheden bij herhaaldelijke groepsgerelateerde en/of individuele overlast; gelet op de artikelen 172a van de Gemeentewet en 4:81 Algemene wet bestuursrecht; Besluit vast te stellen: Beleidsregel aanpak overlast Artikel1Groepsverbod 1.Een overlastgever krijgt het bevel zich niet op te houden in of in de omgeving van één of meer bepaalde objecten binnen de gemeente, dan wel in één of meer bepaalde delen van de gemeente met meer dan drie personen. 2.Het groepsverbod wordt opgelegd voor het gebied waar de overlast heeft plaatsgevonden. Indien het, gelet op de druk op openbare orde in een ander gebied noodzakelijk wordt geacht, wordt ook dit gebied aangewezen. 3.Het groepsverbod wordt opgelegd voor de duur van drie maanden. 4.De maatregel wordt uitgebreid ten nadele van de overlastgever of verlengd indien nieuwe feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven. 5.In beginsel wordt een groepsverbod verlengd indien de maatregel voor de eerste keer wordt overtreden. 6.De maatregel kan worden ingetrokken indien uit nieuwe feiten en omstandigheden er voldoende garanties aanwezig zijn dat herhaling is uitgesloten. 7.Indien sprake is van een persoon onder de 24 jaren wordt een groepsverbod alleen opgelegd indien minder vergaande middelen én de hulpverlening als integrale persoongebonden aanpak zijn ingezet. 8.De termijn kan drie keer worden verlengd voor telkens drie maanden. Artikel2Gebiedsverbod 1.Een overlastgever krijgt het bevel zich niet te bevinden in of in de omgeving van één of meer bepaalde objecten binnen de gemeente, dan wel in één of meer bepaalde delen van de gemeente. Indien dit noodzakelijk is wordt een route aangegeven waarlangs de overlastgever zich dient te begeven van en naar huis, werk, school of vrijetijdsbesteding. 2.Het gebiedsverbod wordt in beginsel opgelegd voor het gebied waar de overlast heeft plaatsgevonden. Indien het, gelet op de druk op openbare orde in een ander gebied noodzakelijk wordt geacht, kan ook dat gebied worden aangewezen. 3.Het gebiedsverbod wordt opgelegd voor de duur van drie maanden. 4.De maatregel kan worden uitgebreid ten nadele van betrokkene of verlengd indien nieuwe feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven. De maatregel kan worden ingetrokken indien uit nieuwe feiten en omstandigheden er voldoende garanties aanwezig zijn dat herhaling is uitgesloten. 5.Indien sprake is van een persoon onder de 24 jaar wordt een gebiedsverbod alleen opgelegd indien minder vergaande middelen én de hulpverlening als integrale persoonsgerichte aanpak zijn ingezet. 6.De termijn kan drie keer worden verlengd voor telkens drie maanden. Artikel3Opleggen meldingsplicht door de burgemeester van Staphorst 1.Aan de persoon die voor de tweede maal een gebiedsverbod overtreedt, of een persoon die bij de eerste overtreding van het groepsverbod een leidende rol heeft gehad, kan een meldingsplicht worden opgelegd. De tijdstippen en plaats worden nader, per individueel geval, en indien nodig in overleg met de burgemeester van de gemeente waar de persoon woonachtig is, bepaald. 2.De meldingsplicht wordt opgelegd voor drie maanden, dan wel de duur van het evenement. 3.De meldingsplicht wordt zoveel mogelijk opgelegd in de gemeente waar betrokkene woonachtig is, tenzij de aard van de omstandigheden zich hier tegen verzet. Hiervan is onder meer sprake indien de burgemeester van de plaats waar de persoon woonachtig is geen toestemming heeft gegeven voor de melding. Het oordeel van de burgemeester van die gemeente wordt verkregen door de beleidsmedewerker openbare orde en veiligheid. De nader te bepalen plaats van melding wordt geregeld in de werkafspraken. 4.De burgemeester legt niet eerder een meldingsplicht op dan nadat afstemming heeft plaatsgevonden met de politie IJsselland. Artikel4Intergemeentelijke meldingsplicht (verzoek andere gemeenten) De burgemeester van Staphorst geeft niet eerder toestemming aan de burgemeester van de verzoekende gemeente, om een ordeverstoorder in de gemeente Staphorst zich te laten melden, dan nadat de politie over het ingediende verzoek een positief advies heeft gegeven. De toestemming kan mondeling worden gegeven. Artikel5Dossiervorming en verslaglegging 1.Voor het opleggen van een maatregel levert de politie IJsselland een dossier aan bij de beleidsmedewerker openbare orde en veiligheid van de gemeente Staphorst. Dit dossier dient in ieder geval te bevatten: het verzoek tot het nemen van een bestuurlijke maatregel; de contactgegevens van de behandelend politieambtenaar; de contactgegevens van de ordeverstoorder en bevat ten minste de naam, leeftijd, woonplaats (adres) en telefoonnummer en indien nodig de gegevens van de persoon die het gezag over de minderjarige uitoefent; de registraties van minimaal twee ordeverstorende gedragingen; de registraties (of sfeerrapportages) en eventuele informatie waaruit de vrees voor de verstoring van de openbare orde blijkt; een duidelijke omschrijving van het gebied waarvoor het verbod zou moeten gelden en indien van toepassing de tijdstippen en plaats voor een meldingsplicht; indien sprake is van een verzoek tot verlenging van de maatregel, de registraties waaruit de hernieuwde vrees voor de verstoring van de openbare orde aannemelijk blijkt. Artikel6Zienswijzen 1.De betrokkene aan wie mogelijk een maatregel wordt opgelegd wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze schriftelijk kenbaar te maken binnen een week na ontvangst van het voornemen. 2.Indien sprake is van een minderjarige worden ten minste de ouders of wordt de voogd van de minderjarige uitgenodigd voor een zienswijzengesprek. 3.Gelet op artikel 4:11 Algemene wet bestuursrecht wordt van de mogelijkheid tot het horen van belanghebbende afgeweken indien de vereiste spoed zich hiertegen verzet en het beoogde doel niet wordt bereikt indien de belanghebbende van tevoren in kennis is gesteld. Dit kan het geval zijn bij evenementen. Artikel7Bekendmaking besluit 1.Het besluit wordt aan de betrokkene aangetekend per post toegezonden of in persoon uitgereikt. Indien sprake is van een minderjarige wordt het besluit ten minste aan de ouders of voogd van de minderjarige uitgereikt. 2.Het verbod treedt in werking op het moment dat het besluit bekend is gemaakt. De gedragingen en aanwijzingen waarop de beschikking is gebaseerd worden in het besluit opgenomen. 3.Bij een meldingsplicht worden de tijden en de plaats waar de betrokkene zich moet melden vermeld. 4.Bij de meldingsplicht wordt een kopie van het besluit verzonden aan politie of een instantie waar de persoon in kwestie zich moet melden. Artikel8Informatieplicht 1.De burgemeester informeert het Openbaar Ministerie als hij voornemens is een maatregel voor te bereiden en op te leggen. Het Openbaar Ministerie informeert de burgemeester als zij voornemens is een gedragsaanwijzing op te leggen. 2.In de driehoek worden (indien nodig) de casussen besproken. Jaarlijks wordt in de driehoek1De driehoek bestaat uit de burgemeester van Staphorst, de officier van justitie en de lokale teamchef een rapportage besproken met het aantal opgelegde maatregelen door de burgemeester en de (hoofd)officier. Ook wordt gerapporteerd over de eventuele bezwaarschriften en/of gerechtelijke procedures en de uitkomsten daarvan. 3.De burgemeester informeert de instantie die de bestuurlijke maatregel tegen een betrokkene heeft verzocht binnen 5 werkdagen over het voorgenomen besluit. 4.Indien een andere instantie dan de politie overweegt een maatregel te verzoeken tegen een persoon, dient de politie om advies te worden gevraagd op haalbaarheid en handhaafbaarheid. Artikel9Relatie burgemeester en Officier van Justitie 1.Op grond van artikel 509hh Wetboek van Strafvordering is de Officier van Justitie (OvJ) bevoegd een gedragsaanwijzing te geven indien tegen betrokkene tegen wie ernstige bezwaren bestaan in geval van verdenking van een strafbaar feit waardoor de openbare orde ernstig wordt verstoord en waarbij grote vrees bestaat voor herhaling. Dit betekent dat indien sprake is van ordeverstorend gedrag, zijnde een strafbaar feit en vervolging is ingesteld, de OvJ als eerste bevoegd is een maatregel te treffen. Indien sprake is van ordeverstorend gedrag, niet zijnde een strafbaar feit, treedt de burgemeester op. 2.Indien de OvJ besluit geen gedragsaanwijzing te geven (zoals een meldingsplicht, gebiedsverbod of groepsverbod) of in zijn geheel geen maatregel treft, beoordeelt de burgemeester of hij gelet op de bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat een maatregel oplegt. Gedegen afstemming tussen beide is hiervoor noodzakelijk. Artikel10Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking. Artikel11Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel aanpak overlast. Aldus vastgesteld op 3 april 2012.De burgemeester van StaphorstJ.D. Alssema Toelichting op de beleidsregel overlast Op 6 juli 2010 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de Wet Maatregelen Bestrijding Voetbalvandalisme en Ernstige Overlast (WMBVEO), waarna deze op 1 september 2010 in werking is getreden. Deze beleidsregel ziet toe op het toepassen van de burgemeestersbevoegdheden bij herhaaldelijk ordeverstorend gedrag op grond van deze wet. De aanvullende bevoegdheden richten zich op het vroegtijdig kunnen stoppen, het preventief ingrijpen en het doorbreken van het ordeverstorend gedrag van een individu of van een groep. Het gaat om nieuwe bevoegdheden uit de Gemeentewet, artikelen 172a en 172b, op basis waarvan de burgemeester (preventief) kan ingrijpen bij ordeverstorend gedrag in bepaalde wijken of gebieden waar de openbare orde onder druk staat, of ten behoeve van het ordelijk verloop van evenementen, waaronder voetbalwedstrijden. Voor zover het jeugdoverlast betreft vergt toepassing van deze bevoegdheden een andere afweging. In deze beleidsregel wordt daar waar nodig afzonderlijk op ingegaan, gelet op het specifieke karakter van deze problematiek. In het regionaal college van 15 december 2010 is besloten om voorlopig geen stappen te ondernemen om artikel 172b Gemeentewet (12-minregeling) toe te passen, deze beleidsregel ziet dan ook niet op dit artikel. Artikel 172a Gemeentewet doorkruist niet wat bij gemeentelijke verordening (APV) is bepaald. Aanleiding uitbreiding Gemeentewet Aanleiding voor de uitbreiding van de Gemeentewet is de toenemende mate van herhaaldelijke vormen van ordeverstorend gedrag, waarbij de huidige bestuurlijke en strafrechtelijke instrumenten onvoldoende toereikend zijn gebleken om de overlastgevende situatie of het geweld te beëindigen. De gevolgen van de overlast zijn voor de omgeving ingrijpend. Mensen voelen zich bedreigd en onveilig, wat bepalend is voor hun veiligheidsbeleving. Maatschappelijk is het onaanvaardbaar dat niet vroegtijdig en direct kan worden opgetreden tegen ordeverstorend gedrag. Met de toevoeging van artikel 172a in de Gemeentewet kan de burgemeester een gebiedsverbod, een groepsverbod en/of een meldingsplicht opleggen aan de personen die herhaaldelijk de orde verstoren. Op grond van artikel 172b Gemeentewet kan de burgemeester ook een soortgelijk bevel geven aan de ouders of voogd van een persoon die de leeftijd van 12 jaren nog niet heeft bereikt. Overtreding van de verboden is strafbaar gesteld op grond van artikel 184 Wetboek van Strafrecht en wordt door het Openbaar Ministerie (hierna: OM) in beginsel vervolgd overeenkomstig de richtlijnen van het OM (zie bijlage 3). Met deze bevoegdheden kan de burgemeester preventief ingrijpen als personen zich herhaaldelijk ordeverstorend gedragen, zowel individueel als groepsgewijs. De toepassing van deze bevoegdheden is mede afhankelijk van de context waarin de ordeverstorende handelingen worden gepleegd in relatie tot het beoogde effect van de maatregel. Samenhang overige bevoegdheden uit de Algemene Plaatselijke Verordening Artikel 172a Gemeentewet doorkruist niet wat bij gemeentelijke verordening is bepaald. Dit betekent dat de huidige instrumenten tegen overlast en baldadigheid uit de APV blijven bestaan, zoals het samenscholingsverbod en verwijderingsbevel (artikel 2:1), het verbod op hinderlijk gedrag op openbare plaatsen (artikel 2:47), de bepalingen betreffende de openbare orde tijdens de jaarwisseling (art. 2:47a), verboden drankgebruik (artikel 2:48), verboden gedrag bij of in gebouwen (artikel 2:49), en hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten (artikel 2:50). Ook de maatregelen tegen drugsgebruik (art. 2:74) blijven onverminderd van kracht. De toepassing van artikel 172a Gemeentewet en artikel 2:1 APV is verschillend. Op grond van artikel 172a Gemeentewet kan een gebiedsverbod worden opgelegd voor de duur van drie maanden. Het huidige instrument op grond van de APV maakt het mogelijk na een waarschuwing bij lichte ordeverstorende gedragingen direct een gebiedsontzegging voor zeer korte duur op te leggen. Op grond van de APV kan derhalve direct worden opgetreden op het moment dat een maatregel op dat moment, in dat gebied noodzakelijk wordt geacht voor het herstel van de openbare orde. Een gebiedsontzegging is daarom mogelijk bij een op dat moment manifesterend probleem, mits de betrokkene eerder is gewaarschuwd. De bevoegdheden op grond van artikel 172a (en 172b) uit de Gemeentewet kunnen alleen worden ingezet als de overtredingen een herhaaldelijk karakter hebben, waarbij tevens sprake moet zijn van een ernstige vrees voor een verdere verstoring van de openbare orde. Het mandateren van deze aanvullende bevoegdheden is niet toegestaan. De bevoegdheden zijn daardoor feitelijk niet geschikt om in een acuut zich manifesterend openbare orde probleem in te zetten. Hiervoor blijven de APV, bestuurlijk ophouden en het noodrecht (artikelen 172, 175-176a Gemeentewet) de meest geëigende instrumenten. De bevoegdheden op grond van de Gemeentewet worden dan ingezet op het moment dat de maatregelen op grond van de APV geen effect sorteren of niet toereikend worden geacht, gelet op de ervaringen of het karakter van de problematiek en er ernstige vrees bestaat voor een verdere verstoring van de openbare orde. De bevoegdheden op grond van 172a Gemeentewet Op grond van artikel 172a eerste lid Gemeentewet kan de burgemeester aan een persoon die herhaaldelijk individueel of groepsgewijs de openbare orde heeft verstoord óf bij groepsgewijze verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde de volgende maatregelen opleggen: gebiedsverbod; groepsverbod; meldingsplicht. Bevoegdheden op grond van 172a Gemeentewet De burgemeester kan gebruik maken van zijn bevoegdheden indien: het gaat om een herhaaldelijke verstoring van de openbare orde; er is een ernstige vrees voor verdere verstoringen van de openbare orde; de overlast is gepleegd door het individu of door een groep; Ordeverstorende gedragingen Een wettelijke definitie van het begrip ‘verstoring van de openbare orde’ is niet te geven. Of sprake is van een verstoring van de openbare orde en daarmee ordeverstorend gedrag hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval en de intensiteit van de gedragingen. Het gaat om een afwijking van de normale gang van zaken in de publieke ruimte. Ordeverstorende gedragingen zijn in ieder geval strafbare gedragingen en overtredingen van de APV. De ordeverstoorder krijgt een proces-verbaal voor deze gedragingen. Daarnaast kunnen ook structurele ordeverstorende gedragingen die niet direct strafbaar zijn gesteld onder deze begripsbeschrijving vallen. Dit moet blijken uit een registratie van toezichthouders in de publieke ruimte. Onder het verstoren van de openbare orde wordt in ieder geval verstaan het op openbare of voor publiek toegankelijke plaatsen begaan van een overtreding dan wel het veroorzaken van onrechtmatige hinder of gevaar. Onder het ernstig verstoren van de openbare orde wordt verstaan het op openbare of voor publiek toegankelijke plaatsen begaan van een misdrijf dan wel het veroorzaken van zeer ernstige onrechtmatige hinder of gevaar. Voorbeelden van ordeverstorende gedragingen zijn: het hinderlijk en zonder redelijk doel rondhangen; joelen; naroepen; bespugen; intimiderend overkomen; wildplassen; plakken en kladden; hinderlijk drankgebruik; vernieling van goederen; ingooien van ruiten; het aanbrengen van graffiti; openbare dronkenschap; schelden; vernielingen; wet Mulder feiten (verkeersovertredingen). Hierbij wordt opgemerkt dat voor jeugdoverlast bij een groepsgewijze verstoring van de openbare orde een zwaardere afweging dient te worden gemaakt bij de gedrag als overlastgevend kan worden aangemerkt. Joelen, stoeien en belletje trekken worden in beginsel niet als overlastgevend aangemerkt. Daarnaast dienen jongeren (tot 24 jaar) zich ten minste twee maal schuldig te hebben gemaakt aan overlast gerelateerde (strafbare) feiten wil er sprake zijn van “overlastgevende” jongeren. De wet Mulder feiten worden alleen dan meegenomen indien deze overtredingen een onevenredige druk leggen op de openbare orde in een bepaald gebied, denk hierbij aan het op de stoep rijden met een scooter. Herhaaldelijk Volgens de Van Dale wordt onder herhaaldelijk “meer dan eens” verstaan. Dit betekent dat sprake kan zijn van herhaaldelijk als een persoon meer dan één keer de openbare orde heeft verstoord. Herhaaldelijk houdt ook verband met de periode waarin de gedragingen hebben plaatsgehad. Om te kunnen spreken van herhaaldelijk moeten de gedragingen binnen een afzienbare tijd plaatsvinden. Of sprake is van een afzienbare tijd is weer afhankelijk van de context waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden. Bij evenementen die op jaarlijkse basis plaatsvinden is een afzienbare tijd van 13 maanden redelijk. In concrete gevallen moeten nadere afwegingen worden gemaakt. In ieder geval zijn ordeverstorende gedragingen van langer dan 13 maanden geleden niet te kwalificeren als herhaaldelijk. Ernstige vrees Herhaaldelijk ordeverstorend gedrag door het individu of door groepen, binnen een afzienbare tijd, is ernstig gelet op het effect op de openbare orde en het woon- en leefklimaat. De ernstige vrees kan daarnaast worden afgeleid uit concrete aanwijzingen, bijvoorbeeld het feit dat een persoon reeds in het verleden betrokken is geweest bij ernstige ordeverstoringen, door verklaringen van betrokkenen, signalen of verwachtingen en overige voorzienbare omstandigheden. Groepsgerelateerde gedragingen en leidende rol Er is sprake van een groep bij drie of meer personen, waar de overlastgever onderdeel vanuit maakt. Als een persoon bij groepsgerelateerde overlast een leidende rol heeft gehad, kan direct - na de eerste overtreding - een bestuurlijke maatregel worden opgelegd. Het is moeilijke een leidende rol te typeren. Aansluiting kan worden gezocht bij rechterlijke uitspraken over openlijke geweldpleging in vereniging waar de leider niet zelf orde¬verstorende gedragingen pleegt, maar ‘actief’, medestanders mobiliseert, voorop loopt, faciliteert, oproept (via sms, internet of anderszins) of op intimiderende wijze een bijdrage levert aan in groepsverband plegen van ordeverstoring.2 Zie arrest Gerechtshof Amsterdam 30 juli 2009, Parketnummer: 21-004032-07 Van een leidende rol kan dus sprake zijn indien de persoon anderen aanzet tot ongewenst gedrag dat de openbare orde verstoort. Dit kan zich uiten in concrete gedragingen zoals het benaderen van anderen, het leggen van contact tussen leden van de groep, het initiatief nemen, een vertrouwensrelatie en/of gezag hebben. Ook kan de leidinggevende rol worden afgeleid uit verklaringen van getuigen of leden van de groep. Aantonen van een leidende rol is afhankelijk van de concrete casus. Naast de te treffen maatregelen door de burgemeester kan de ordeverstorende leider worden vervolgd. Context van de gedragingen Bij de juiste toepassing van de bevoegdheden is de context waarin de gedragingen hebben plaatsgehad zeer relevant. De context is tevens bepalend voor de subsidiariteit en proportionaliteit van de maatregel. Dat houdt in dat de gedraging de maatregel moet rechtvaardigen. Hoewel een deel van de problematiek niet direct relevant is voor de gemeente Staphorst wordt deze hier voor de volledigheid toch beschreven.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.