← Nederland

Uitvoerings- en handhavingsstrategie gemeente Medemblik 2023-2026 (Medemblik)

Uitvoerings- en handhavingsstrategie gemeente Medemblik 2023-20261Inleiding 1.1Introductie Voor u ligt onze Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (verder U&H-strategie) voor de komende jaren. Deze U&H-strategie bevat de weergave van hoe de gemeente Medemblik haar uitvoerings- (Vergunningen) en handhavingstaken (Toezicht en Handhaving) uitvoert en hoe we de interpretatieruimte die de wetgeving biedt willen invullen. Voorheen werd dit ook wel het VTH-beleid genoemd. Echter met de aankomende inwerkingtreding van de Omgevingswet (verder Ow) en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (verder Wkb) is er in dit beleidsplan gekozen om alvast aan te sluiten bij de nieuwe terminologie en begrippen uit deze wetten. We gaan zelfs een stapje verder: voor deze U&H-strategie nemen we de Ow en de Wkb als norm, met daarbij een verwijzing (een terugblik) naar de huidige wetgeving. Hierdoor spelen we maximaal in op de aankomende inwerkingtreding. In dit eerste hoofdstuk wordt achtereenvolgend een aantal algemene kaders toegelicht. Het betreft de reikwijdte van deze strategie, de wettelijke- en beleidsmatige kaders en de beleidscyclus. Daarna worden, aan de hand van een doelenboom, het hoofddoel en de subdoelen van onze U&H-strategie inzichtelijk gemaakt. Onze doelen vormen vervolgens de rode draad door deze notitie. 1.2Reikwijdte Deze U&H-strategie geldt voor de taken die voortvloeien uit de: Ow en Wkb (voorheen/opvolger Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Voor zover het de Ow/Wabo betreft is het vaststellen van uitvoerings- en handhavingsbeleid wettelijk verplicht (artikel 18.19 van de Omgevingswet in samenhang met artikelen 13.5 en 13.6 van het Omgevingsbesluit). Onder de Wabo betreft/betrof het artikel 7.2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De U&H-strategie vormt ook de basis van/geeft richting aan het jaarlijkse Uitvoeringsprogramma (zie hoofdstuk 6.2.2). Ook hiervoor geldt dat deze voor Ow/Wabo wettelijk verplicht is (artikel 13.8 van het Omgevingsbesluit/artikel 7.3 Bor). Artikelen 13.5 en 13.6 van het Omgevingsbesluit De wettelijke verplichting tot het opstellen van uitvoerings- en handhavingsbeleid wordt in genoemde artikelen aangevuld met onderdelen waar het beleid minimaal in moet voorzien. De uitvoerings- en handhavingsstrategie biedt in ieder geval inzicht in: de prioriteitenstelling voor het verrichten van de werkzaamheden; de methode die wordt gebruikt om te bepalen of de doelen, uit het beleid worden bereikt; de criteria die worden gebruikt bij het beoordelen van en beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen en het beoordelen van meldingen; de werkwijze bij het verlenen van omgevingsvergunningen en het beoordelen van meldingen; de benodigde en beschikbare personele en financiële middelen van de werkzaamheden die nodig zijn om de doelen te bereiken. De handhavingsstrategie biedt ook inzicht in: de afspraken die door bestuursorganen onderling en met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving zijn gemaakt over samenwerking bij en afstemming van werkzaamheden; de wijze waarop toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet wordt gehouden; de wijze waarop wordt gerapporteerd over bevindingen over de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en eventueel daaraan verbonden consequenties; de wijze waarop bestuurlijke sancties en termijnen die bij het opleggen en ten uitvoer leggen daarvan worden gehanteerd en de strafrechtelijke handhaving onderling worden afgestemd; de wijze waarop wordt gehandeld na geconstateerde overtredingen die zijn begaan door of in naam van een bestuursorgaan of een andere tot de overheid behorende instantie; termijnen van delen rapportage met betrokkenen en openbaarmaking van de rapportage. 1.3Wettelijke en beleidsmatige kaders Bij het afhandelen van vergunningaanvragen (Ow/Wabo), het houden van toezicht en ons handhavend optreden vormen onder meer (niet uitputtend) de volgende wetten en (beleids)documenten belangrijke (beleids)kaders: Landelijk/Rijk: Omgevingswet Besluit kwaliteit leefomgeving Besluit activiteiten leefomgeving Besluit bouwwerken leefomgeving (Bouwbesluit 2012) Omgevingsregeling (Mor) Omgevingsbesluit Algemene wet bestuursrecht (Awb) Asbestverwijderingsbesluit 2005 Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen Erfgoedwet Gemeentewet Huisvestingswet 2014 Alcoholwet (Aw) Wet Bibob Opiumwet Vuurwerkbesluit Wet basisregistratie personen (BRP) Wegenverkeerswet 1994 Wet op de kansspelen (WOK) Provinciaal: Omgevingsvisie NH2050 Omgevingsverordening NH2022 Provinciewet Gemeentelijk: Bibob beleid gemeente Medemblik 2022 Verordening fysieke leefomgeving 2e tranche Gemeenschappelijke regeling ODNHN en Gemeenschappelijke regeling VRNHN Structuurvisie Medemblik 2012-2022 Omgevingsplan (voorheen bestemmingsplannen) Adviesrecht raad en verplichte participatie aangewezen buitenplanse omgevingsplanactiviteiten 2022 Toetsmatrix Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Toezichtmatrix Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Uitvoeringsbeleid basistaak asbest Verordening uitvoering en handhaving (omgevingsrecht) Uitvoeringsregels knalapparatuur Beleidsregels huisvesting buitenlandse werknemers gemeente Medemblik Beleid grootschalige agrarische bedrijvigheid Notitie Wonen en Zorg Nota parkeernormen Notitie stolpenbeleid Participatie bij RO-plannen 1.4Leeswijzer In deze U & H-strategie lichten wij onze ontwikkelingen, strategieën en verankering toe. 2Ontwikkelingen 2.1Werken onder de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging Het werken onder de Ow en Wkb brengt veranderingen mee voor ons werk. Zo wordt door de gemeente niet alles meer bouwtechnisch getoetst (gevolgklasse I Wkb) en zal de gemeente niet op al het werk toezicht houden. Een deel van de werkzaamheden moet door private partijen worden uitgevoerd. Onze grondhouding tegenover plannen en initiatieven verandert van ‘nee, tenzij’ naar ‘ja, mits’. Hiermee wordt een andere houding en ander gedrag gevraagd van de medewerkers. De termijn voor de afhandeling van een aanvraag is, op enkele uitzonderingen na, 8 weken geworden. Dat betekent een snellere afhandeling, ook bij meer complexe aanvragen. Hierdoor verschuift het accent naar voren en is het vooroverleg een belangrijk instrument om voorafgaand aan de vergunningsaanvraag alle hobbels weg te nemen. Dat geldt zeker voor de intake- en omgevingstafel waarbij ruimtelijke of maatschappelijke complexe initiatieven integraal op wenselijkheid en haalbaarheid worden besproken. Intake- en Omgevingstafel De Omgevingswet vraagt om een integrale afweging, met als uitgangspunt: ‘Hoe kunnen we dit initiatief mogelijk maken?’ Dit vraagt om een zorgvuldig proces. Een proces van overleg over het initiatief met bestuurlijke partners, ketenpartners en belanghebbenden. Een proces dat (ruimschoots) start voordat een aanvraag om omgevingsvergunning formeel ingediend wordt bij de gemeente. Dit alles krijgt vorm met de intake- en omgevingstafel. Participatie Ook is onder de Ow een nieuw aanvraagvereiste geïntroduceerd. Het betreft participatie bij een vergunningaanvraag. Dit nieuwe vereiste stimuleert initiatiefnemers om informatie te verschaffen over de wijze waarop de belangen van belanghebbenden zijn gehoord en hoe het resultaat daarvan is verwerkt in het plan. Een initiatiefnemer is echter niet (altijd) verplicht om daadwerkelijk aan participatie te doen. Dit aanvraagvereiste geldt alleen voor bepaalde (soorten) aanvragen, een zogeheten ‘buitenplanse omgevingsactiviteit’. In de Ow is bepaald dat aan de gemeenteraad de bevoegdheid is gegeven om gevallen van buitenplanse activiteiten aan te wijzen, waarbij het wel verplicht is te participeren met de omgeving vóórdat een aanvraag om een omgevingsvergunning kan worden ingediend. Voor die gevallen moet de aanvrager aantonen dat hij aan participatie heeft gedaan. Als hij dit niet doet, kan de aanvraag buiten behandeling worden gelaten. Dit is gebeurd met vaststelling van het Adviesrecht raad en verplichte participatie aangewezen buitenplanse omgevingsplanactiviteiten 2022 (zie bijlage 6). Gesloten- of open normen omgevingsplan Ook de wijze waarop vergunningaanvragen getoetst worden verandert. Onder de Ow is de mogelijkheid gecreëerd om in het omgevingsplan minder vergunningplichten te hebben en meer zorgplichten of meer algemene regels. Dit kan ertoe leiden dat waar voorheen vooraf werd getoetst, toetsingen in het nieuwe stelsel meer achteraf kunnen gaan plaatsvinden. De mate waarin de gemeente in het omgevingsplan met gesloten- of open normen gaat werken wordt de komende jaren meer (en verder) vormgegeven. Wet kwailiteitsborging (Wkb) Met de komst van de Wkb verandert de rol van de gemeente tijdens het bouwproces. Inwerkingtreding van de Wkb heeft aan de voorkant tot gevolg dat er in het kader van vergunningverlening geen bouwtechnische toets meer plaatsvindt voor gevolgklasse 1 bouwwerken. Deze preventieve toets wordt vervangen door een toets door private kwaliteitsborgers. Om tegemoet te komen aan de zorgen over een eventueel tekort aan private kwaliteitsborgers en de wens tot het inrichten van extra waarborgen heeft de minister besloten om in de eerste zes maanden na inwerkingtreding gevolgklasse 1 te beperken tot nieuwbouw. Na deze zes maanden gaan ook de verbouwactiviteiten onder gevolgklasse 1 vallen. Voor het bouwen van een bouwwerk onder gevolgklasse 1 moet minstens vier weken voor het begin van de bouwwerkzaamheden een melding worden gedaan aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag kijkt of de melding compleet is. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de naam- en adresgegevens, een beschrijving van het bouwwerk, een beschrijving van de kwaliteitsborger, het gebruikte toetsinstrument, de risicobeoordeling (welke risico’s zijn er die ertoe zouden kunnen leiden dat er niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan) en het borgingsplan (welke maatregelen worden genomen om die risico’s te voorkomen of te beperken). In de risicobeoordeling moet rekening worden gehouden met (bijzondere) locatie specifieke omstandigheden (bijvoorbeeld als de grond een afwijkende draagkracht heeft en de fundering op grond hiervan moet worden aangepast). Hier is straks een rol weggelegd voor het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag voorziet de kwaliteitsborger(

  1. s)(die niet per definitie uit de omgeving hoeft te komen) van de lokale risico's. 2.2Samenwerking in de regio Samenwerken in de regio blijft belangrijk. Dat betekent samenwerken met de ons omringende gemeenten, met de omgevingsdienst en veiligheidsregio. De bestaande dienstverleningsovereenkomsten en financiële arrangementen met de uitvoeringsdiensten zijn, op basis van enkele regionale overlegrondes in 2022 herzien. Een deel van onze werkzaamheden op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving, namelijk die op het gebied van milieu, worden uitgevoerd door de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (verder de ODNHN). De ODNHN voert voor de gemeente Medemblik een uitgebreid pakket aan milieu U&H-taken uit. Medemblik heeft namelijk naast de milieubasistaken die krachtens de wet door de ODNHN worden verricht ook de zogeheten milieuplustaken aan de ODNHN overgedragen. De relatie met de ODNHN is gebaseerd op een opdrachtgever-opdrachtnemersrelatie. Op het moment van vaststelling van deze strategie geldt het Uitvoeringsprogramma 2022 van de ODNHN. Een op de leest van de Omgevingswet geschoeide Uitvoeringsprogramma is door de ODNHN aan de gemeente Medemblik aangeleverd en zal voor het einde van het jaar 2023 moeten worden vastgesteld. De ODNHN heeft, in samenwerking met de gemeenten in Noord-Holland Noord en de provincie Noord-Holland, een Regionale VTH-strategie opgesteld. De Regionale VTH-strategie geldt alleen voor de door gemeenten overgedragen taken. Met deze VTH-strategie beoogt de ODNHN een bedrijfsvoering die adequaat, professioneel en transparant is. Door vergunningprocedures, toezicht en handhaving op deze wijze uit te voeren wordt optimaal bijgedragen aan een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving. In de Regionale VTH-strategie geeft de ODNHN aan hoe zij namens de gemeenten en de provincie dit doel wil bereiken, welke taken zij daarvoor uitvoert en op welke wijze zij invulling geeft aan deze opgedragen taken. De Regionale VTH-strategie is door de gemeente vastgesteld. De Regionale VTH-strategie, de landelijke ontwikkelingen en ook in de uitvoering gebleken prioriteiten worden gebruikt om een jaarlijks uitvoeringsprogramma op te stellen. De voortgang ervan wordt via kwartaalrapportages gedeeld. De uitgevoerde werkzaamheden worden verantwoord via een jaarverslag die ter goedkeuring en vaststelling wordt aangeboden aan de gemeente. De verantwoording en evaluatie over de gevoerde VTH-strategie en het wel of niet voldoen aan de kwaliteitscriteria voert de ODNHN zelfstandig uit, waarbij de ODNHN streeft naar een eenduidige wijze van uitvoering van toezicht- en handhavingstaken voor alle deelnemers (het level-playing field), risico- en informatiegestuurde handhaving welke gebaseerd is op een risicoanalyse. Door regelmatig overleg en afstemming, zowel op bestuurlijk als op ambtelijk niveau, bouwen wij voortdurend aan de relatie en de onderlinge verbanden met onze uitvoeringspartner en kunnen wij ook de voortgang van de realisatie van gestelde doelen volgen en aanpassen (indien nodig). Veiligheidsregio Noord-Holland Noord (VR NHN) De VRNHN adviseert de gemeente over fysieke veiligheidsvraagstukken die betrekking hebben op de U&H-taken. De VRNHN beoordeelt de risico’s van branden, rampen en crises en gaat in op de mogelijkheden deze incidenten te voorkomen, te beperken, de zelfredzaamheid te versterken en de maatregelen om het brandweeroptreden zo goed en veilig mogelijk te kunnen laten plaatsvinden. De gemeente Medemblik heeft de toetsende en toezichthoudende taken op het gebied van brandveiligheid weggezet bij de VRNHN. Bijlage 4 geeft hierover meer duidelijkheid. Voor de zogenaamde risicobeheersingstaken (advisering bij ruimtelijke ontwikkelingen, evenementenvergunningen en omgevingsvergunningen voor het onderdeel brandveiligheid) die bij de VRNHN zijn ondergebracht wordt jaarlijks een planning gemaakt. Deze planning wordt een aantal keer paar jaar besproken, waarbij het mogelijk is binnen de vastgelegde kaders de prioriteiten bij te stellen. De werkzaamheden worden gerapporteerd via een lijst waarop de geplande en uitgevoerde taken terug te vinden zijn. Provincie Noord-Holland De provincie zorgt samen met andere overheden voor een goede inrichting van de leefomgeving. Hierbij maakt de provincie in de uitvoering, bij haar provinciale taken, ook gebruik van de instrumenten vergunningverlening, toezicht en handhaving. De provincie is het bevoegde gezag voor de uitvoering van de U&H-taken bij een groot aantal bedrijven en activiteiten in Noord-Holland. Het gaat hierbij met name om vergunningverlening en handhaving met het oog op zwaardere industrie en complexe milieuactiviteiten en natuurbescherming (onder andere natuur en stikstof). Onder de oude wetgeving (Wet ruimtelijke ordening) hadden provincies de mogelijkheid om inpassingsplannen vast te stellen. Dit zijn bestemmingsplannen maar dan op provinciaal niveau. Dit is veranderd onder de Omgevingswet. Rijk, provincies en waterschappen kunnen een projectbesluit vaststellen. Het projectbesluit biedt een uniforme procedure voor ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Het desbetreffende bestuursorgaan heeft de regie over de besluitvorming. Het projectbesluit wijzigt het omgevingsplan zodanig dat het project kan worden gerealiseerd. Ook uitvoeringsbesluiten als omgevingsvergunningen kunnen van het projectbesluit deel uitmaken. Vooruitlopend op de verwachte inwerkingtreding van de Ow heeft de provincie haar lange termijn ambities en doelen voor de fysieke leefomgeving reeds vastgelegd in de Omgevingsvisie NH2050 en in de Omgevingsverordening NH2022 (opvolger van de Omgevingsverordening NH2020). Daarnaast is de provincie belast met het interbestuurlijk toezicht (IBT) omgevingsrecht. De provincie beoordeelt jaarlijkse of gemeenten aan hun verplichtingen voldoen en of de U&H-organisatie zo ingericht is, dat de taken in voldoende mate kunnen worden uitgevoerd. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van het beleid, het uitvoeringsprogramma en of de inhoud van deze documenten periodiek (jaarlijks) gemonitord en geëvalueerd worden. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) HHNK is verantwoordelijk voor de bescherming van het land tegen het water, tegen wateroverlast en watertekort, voor schoon en gezond oppervlaktewater en voor veilige (vaar)wegen in Noord-Holland boven het Noordzeekanaal: Hollands Noorderkwartier. De gemeente Medemblik ligt in een waterrijk gebied. Werkzaamheden en activiteiten in de buurt van een dijk, kering en water zijn toegestaan onder voorwaarden. Voor veel werkzaamheden geldt alleen een informatieplicht. Voor specifieke werkzaamheden en activiteiten is een vergunning nodig van HHNK. Bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met een waterbelang heeft HHNK een adviesrol. Als tegelijkertijd een omgevingsvergunning en een omgevingsvergunning wateractiviteit wordt aangevraagd, dan is de coördinatieregeling Ow van toepassing. Bij de coördinatieregeling heeft de gemeente de regie en nemen gemeente en HHNK een eigen besluit. Voor de omgevingsvergunning wateractiviteit houdt HHNK toezicht op de voorschriften. HHNK kan ook handhavend optreden. HHNK kan hierbij samenwerken met de gemeente, omgevingsdienst en/of andere samenwerkingspartners. Samen met de andere waterschappen in ons land is het HHNK verantwoordelijk voor het waterbeheer in Nederland. In de gemeente Medemblik is veel water aanwezig. Veel werkzaamheden in de buurt van een dijk, water of een weg in het beheer van het waterschap, zijn echter niet zonder meer toegestaan. Hiervoor is dan een (omgevings-)vergunning wateractiviteit nodig. Indien zowel een omgevings-vergunning als een omgevingsvergunning wateractiviteit nodig zijn en deze tegelijk worden aangevraagd, is de coördinatieregeling Ow van toepassing. Bij de coördinatieregeling voert de gemeente de regie. De aanvragen worden in samenhang behandelt door de beide bevoegd gezagen. Ieder bevoegd gezag neemt wel een eigen besluit. Voor de omgevingsvergunning wateractiviteit is het Hoogheemraadschap het bevoegd gezag voor het toezicht op de voorschriften. Hierbij kan ook handhavend worden opgetreden, al dan niet in samenwerking met de gemeente en/of andere samenwerkingspartners. Daarnaast moet voor omgevingsvergunningen (regulier en uitgebreid) voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten advies aan het Hoogheemraadschap gevraagd worden. Politie Noord-Holland en het Openbaar Ministerie (OM) In het geval strafrechtelijk optreden is vereist, bijvoorbeeld bij de vervolging van milieuovertredingen en/of situaties waarbij sprake is van economische delicten, vindt afstemming met de politie en het OM plaats. De vervolging van overtredingen openbare ruimte worden ook afgehandeld door het OM. De politie vervuld voor de gemeente ook een belangrijke adviserende rol. Denk hierbij aan advisering met betrekking tot (evenementen)vergunningen (openbare orde, begeleiden van hulpdiensten, afzetten/afschermen van wegen). Daarnaast vindt er op dossierniveau ook afstemming plaats met de politie en het OM, bijvoorbeeld bij de aanpak van ondermijning, een constatering van een hennepkwekerij in een woning of het sluiten van een horeca-inrichting. De eerste schakel is dan wel altijd de politie en zij zoeken het contact met het OM. Met de politie zijn aparte werkafspraken gemaakt over de (de inzet van
  2. de)toezichthouders openbare ruimte (de boa’s). Deze afspraken vallen echter buiten de reikwijdte van deze strategie. Ook vindt er structureel overleg plaats in de driehoek (politie, OM en gemeente). GGD Hollands Noorden Het toezicht op de kinderopvang (kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang en gastouderbureau) wordt door de GGD uitgevoerd in opdracht van de gemeente. De GGD voert inspecties uit en rapporteert hierover aan de gemeente. Indien uit het toezicht door de GGD blijkt dat er sprake is van 1 of meer tekortkomingen, wordt door de gemeente handhavend opgetreden. 3Risicoanalyse De gemeentelijke taken zijn zeer divers en omvangrijk. Het is niet mogelijk om al deze taken zonder meer uit te voeren. Daarom maken we keuzes met betrekking tot de wijze waarop en met welke intensiteit de taken worden uitgevoerd. Om inzicht te krijgen in het risico als wij onze U&H-taken op deze activiteiten niet uitvoeren, is er aan de hand van zes landelijke criteria gekeken naar (de impact van) de mogelijke negatieve effecten. Wij hebben hierbij de volgende negatieve effecten onderscheiden welke in willekeurige volgorde zijn benoemd: Veiligheid & Gezondheid: Fysiek letsel (doden/gewonden) dat direct ontstaat & eventuele schade aan de gezondheid van de mens. Leefbaarheid: De beleving van bewoners als het gaat om het gevoel van onveiligheid en eventuele verloedering. Ruimtelijke Kwaliteit & Cultuurhistorie: De kwaliteit van de fysieke leefomgeving en (cultureel) erfgoed. Bestuurlijk(imago): Imagoschade van een eventuele calamiteit of het in stand houden van een illegale situatie. Ontstaan van een afbreuk aan de geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en de integriteit van het gemeentebestuur. Financieel/economisch: Schade voor (door) de gemeente (te vergoeden) als gevolg van de calamiteit. Duurzaamheid: Afbreuk en schade aan de kwaliteit van het leefmilieu (milieuvervuiling) als gevolg van een verstoring/calamiteit). Daarnaast is ook meegewogen de te verwachten aantallen aanvragen en meldingen, de aard en de te verwachten complexiteit van de aanvragen. Scorebepaling Aan de hand van de weging is per activiteit een ‘Risicoscore’ bepaald. Deze risicoscore geeft per activiteit aan of het negatieve effect ‘Groot’, ‘Gemiddeld’ of ‘Klein’ is. Vervolgens is afgewogen wat de kans is op een overtreding op het moment dat wij onze U&H-taken niet zouden uitvoeren. Ook hiervoor is per activiteit een afweging gemaakt of deze ‘Groot’, ‘Gemiddeld’ of ‘Klein’ is. De afweging van het negatieve effect maal de kans heeft uiteindelijk geleid tot een ‘prioriteit’ van ‘Zeer Hoog’, ‘Hoog’, ‘Gemiddeld’, ‘Laag’ of ‘Zeer Laag’ (zie de figuur hieronder). In verband met de inwerkingtreding van de Wkb is in de prioriteiten en de volledige activiteitenlijst al geanticipeerd op de nieuwe gevolgklasse 1, 2 en 3. Hieronder is een korte toelichting op het verschil tussen de gevolgklassen weergegeven. Belangrijk om hierbij op te merken is dat de minister in november 2022 heeft besloten om in de eerste zes maanden na inwerkingtreding, gevolgklasse 1 te beperken tot nieuwbouw. Na deze zes maanden gaan ook de verbouwactiviteiten onder gevolgklasse 1 vallen. Tevens is besloten om vanaf datum inwerkingtreding gevolgklasse 1 een periode van vijf jaar uit te trekken om partijen voldoende tijd te geven om de werkwijze van het nieuwe stelsel goed te kunnen borgen in de organisaties en een gedegen voorbereidingstijd op nadere gevolgklassen te geven. Gevolgklassen 2 en 3 zullen daarmee niet eerder dan 2028 worden ingevoerd. Gevolgklasse 1: de persoonlijke gevolgen als niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan zijn beperkt. In deze gevolgklasse vallen o.a. woningen, eenvoudige bedrijfsgebouwen, vakantiehuisjes. Gevolgklasse 2: reële kans op persoonlijke gevolgen als niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan. Hierbij valt te denken aan bibliotheken, gemeentehuizen, onderwijsgebouwen en woongebouwen tot 70 meter hoogte. Gevolgklasse 3: kans op aanzienlijke persoonlijke gevolgen als niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan. Hieronder kunnen vallen bouwwerken zoals metrostations, voetbalstadions, ziekenhuizen en gebouwen hoger dan 70 meter. Risicoanalyse Activiteiten/ onderwerpen Risicoscore Kans Prioriteit Gewogen effecten/Toelichting *) BOUWEN in Gevolgklasse 1 (CC1) Klein Gemiddeld Laag 1, 2, 3, 4, 5 Gevolgklasse 2 (CC2) Gemiddeld Gemiddeld Gemiddeld 1, 2, 3, 4, 5 Gevolgklasse 3 (CC3) Groot Gemiddeld Hoog 1, 2, 3, 4, 5 Inspectiesignalen Groot Gemiddeld Hoog 1, 2, 3, 4, 5 Nieuwbouw-U&H taken op (ver)bouwen bouwwerken en gebouwen in Gevolgklasse 1 Klein Klein Zeer laag 1, 2, 3, 4, 5 Gevolgklasse 2 Gemiddeld Gemiddeld Gemiddeld 1, 2, 3, 4, 5 Gevolgklasse 3 Groot Gemiddeld Hoog 1, 2, 3, 4, 5 SLOPEN Sloopmelding met asbest Gemiddeld Klein Gemiddeld 1, 2, 3, 4, 5 Sloopmelding zonder asbest Klein Klein Zeer laag 1, 2, 3, 4, 5 Slopen zonder melding met asbest (illegaal slopen) Groot Klein Gemiddeld 1, 2, 3, 4, 5 Slopen zonder melding zonder asbest (illegaal slopen) Klein Klein Zeer laag 1, 2, 3, 4, 5 Periodieke brandveiligheidscontroles (gebruikscontroles) Groot Groot Zeer hoog 1, 2, 4, 5 GEBRUIK (omgevingsplan) U&H taken op Illegale bewoning in bedrijfsgebouwen Groot Groot Zeer hoog 1, 2, 4 Illegale bewoning in woonwijken Groot Groot Zeer hoog 1, 2, 4 Illegale bewoning op recreatieparken Groot Groot Zeer hoog 1, 2, 4 Wonen in bijgebouwen Gemiddeld Gemiddeld Gemiddeld 1, 2, 4 Beroep- of bedrijf aan huis Klein Klein Zeer laag 1, 2, 4 Strijdig gebruik gronden Klein Klein Zeer laag 3, 4 Illegale (bouw)activiteiten in en bij het water Klein Gemiddeld 2, 3, 4 ERFGOED U en H taken op Monumentenbescherming (rijksmonumenten) Gemiddeld Gemiddeld Gemiddeld 3, 4 Monumentenbescherming (provinciale monumenten) Gemiddeld Gemiddeld Gemiddeld 3, 4 Monumentenbescherming (gemeentelijke monumenten) Gemiddeld Gemiddeld Gemiddeld 3, 4 Archeologiebescherming Gemiddeld Gemiddeld Gemiddeld 3, 4 Bomen Klein Klein Zeer laag 3, 4 AANLEGGEN U en H taken op (Illegaal) uitvoeren van een werk, ophogen, afgraven Klein Klein Zeer laag 3, 4 Gebiedswaarden Gemiddeld Gemiddeld Gemiddeld 3, 4 IN-/UITRIT U en H taken op In-/uitrit Klein Gemiddeld Laag 3, 4 *) Gewogen effecten / Toelichting 1 = Veiligheid & Gezondheid 2= Leefbaarheid 3 = Ruimtelijke kwaliteit & Cultuurhistorie 4 = Bestuurlijk imago 5= Duurzaamheid In de in bijlage 1 opgenomen omgevingsanalyse benoemen we bij de problemen ook het risico of risicocategorie die er aan gekoppeld is. Zo zijn problemen en risico’s in één oogopslag zichtbaar. 4Strategieën De strategieën zijn gebaseerd op de principes achter de Omgevingswet; er wordt vooruitlopend op de Omgevingswet al zoveel mogelijk door de gemeenten gewerkt in de geest van de Omgevingswet. De strategieën zijn reeds gebaseerd op de procedurele (wettelijke) eisen die gelden vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet en Wet kwaliteitsborging bouwen op 1 januari 2024. Dit geldt bijvoorbeeld voor bouwactiviteiten, waarbij een deel van de toetsing van aanvragen voor en het toezicht op bouwactiviteiten verschuift naar gecertificeerde bedrijven. 4.1Preventiestrategie Beter voorkomen dan genezen. Door vooraf te investeren in inzicht en duidelijkheid van regels, kunnen we een deel van de overtredingen door onze burgers en bedrijven voorkomen. Het betreft vooral overtredingen die door goedwillende en onbewuste overtreders worden gemaakt. Uitgangspunt is een klantgerichte en klantvriendelijke benadering waarbij binnen de vigerende kaders steeds gezocht wordt naar een passende oplossing. Als een initiatiefnemer/aanvrager er met de geboden informatie niet uitkomt is er een gesprek met een betrokken medewerkers mogelijk. Hiermee wordt voorzien in een professionele en klantvriendelijke dienstverlening. Bij preventie gaat het om het vanuit jezelf nakomen van regels over leefbaarheid, veiligheid en duurzaamheid. Wij willen het naleefgedrag bevorderen door toezicht uit te voeren, maar ook door in te zetten op voorlichting en het uitleggen van het doel van regels. De meeste inwoners en bedrijven zijn dan bereid de voor hen geldende regels na te leven. Burgers en bedrijven die bewust regels overtreden willen we zo snel mogelijk in beeld krijgen. Het herkennen hiervan vormt door het volgen van opleiding en training een belangrijk deel van de basiskennis van vergunningverleners, toezichthouders en handhavers. Voorlichting Via voorlichting wordt voorkomen dat overtredingen ontstaan uit een gebrek aan informatie en kennis. Burgers en bedrijven worden onder andere geïnformeerd door de gemeenten over verandering van wet- en regelgeving, indieningsvereisten en mogelijkheden voor aanvragen. Voorlichting vindt plaats door: informatieverstrekking via social media en/of de websites van onze gemeenten met verwijzing naar websites van (landelijke) overheden met actuele informatie over beleid, wetgeving en indieningsmogelijkheden (omgevingsloket). beantwoording van vragen via telefoon, email of fysiek contact (aan balie, ondernemersloket of bij vakafdeling). Er wordt geen uitspraak gedaan of activiteiten vergunningsvrij zijn en/of zijn toegestaan. Bij de beantwoording wordt verwezen naar landelijke websites, externe adviseurs en mogelijkheden voor indienen conceptaanvraag (ook wel principeverzoek genoemd). vooroverleg over bijvoorbeeld de vindbaarheid en interpretatie van indienings-vereisten, gemeentespecifieke bepalingen, slagingskans van plannen, te volgen procedures, andere benodigde toestemmingen, de scope en doorlooptijd van de procedure, kritische aspecten en mogelijkheden voor indiening van aanvragen (in fasen, in delen of integraal). Vanaf de inwerkingtreding Omgevingswet duidelijke vraagbomen (toepasbare regels) bij het beoordelen van vergunning- of meldingsplicht én het indienen van meldingen en aanvragen. bespreken van (toetsings)resultaten na indiening van een conceptaanvraag. bij weigering of het buiten behandeling laten, wordt de aanvrager vóór bekendmaking geïnformeerd over het nog te nemen besluit en de overwegingen om tot dit besluit te komen. informatieverstrekking tijdens controles. Beoordeling van principeverzoeken De gemeente beoordeelt zo vroeg mogelijk plannen en initiatieven. Daarbij worden waar nodig partners, adviseurs en belanghebbende derden betrokken. Het eindresultaat van een principeverzoek betreft een indicatie van de haalbaarheid van een initiatief op bepaalde maatgevende facetten zoals ruimtelijke inpassing, milieu, brandveiligheid, welstand, monumenten en Wet natuurbescherming. De aanvrager kan zijn initiatief zo nodig aanpassen en verder uitwerken en loopt zodoende in het formele vergunningentraject niet meer tegen onverwachte obstakels aan. Het formulier voor een principeverzoek is opgenomen in bijlage 5. Subsidiëring Voor een aantal risicovolle activiteiten kunnen we subsidiëring inzetten om risico’s te verminderen. Door subsidiëring worden uren (expertise/kennis) en/of financiële middelen beschikbaar gesteld. Dit kan bijvoorbeeld gaan om medewerking aan plannen voor uitplaatsing van hinderlijke bedrijven uit woonomgevingen of de verwijdering van dakbeplating met asbest. In Medemblik wordt subsidiering (op het moment van opstellen van dit document) niet toegepast vanwege het ontbreken van budget hiervoor. Participatie of pre-mediation Met de vaststelling van het Adviesrecht raad en verplichte participatie aangewezen buitenplanse omgevingsplanactiviteiten 2022 (zie bijlage 6) heeft de raad na inwerkingtreding van de Omgevingswet eisen gesteld aan de wijze van participatie van belanghebbenden bij de totstandkoming van een vergunningaanvraag. De initiatiefnemer kan met participatie zorgdragen voor voldoende draagvlak voor z’n initiatief. Dit zou kunnen worden aangemerkt als een vorm van pre-mediation. Pre-mediation kan ook worden ingezet bij zienswijzen en bezwaar tegen besluiten. Dan wordt – afhankelijk van de inhoud van de zienswijze of bezwaar – door de gemeente contact opgenomen met de indiener om samen vast te stellen of overleg zinvol is. Indien er maatschappelijke weerstand tegen activiteiten bestaat of veel overlast is, maar geen wettelijke grondslag is om te sanctioneren (in casu formeel geen overtreding
  3. is)of een vergunning te weigeren, kunnen de gemeenten pre-mediation inzetten om toekomstige klachten en handhavingsverzoeken te voorkomen, bijvoorbeeld in de vorm van buurtbemiddeling. Participatie levert vooral een bijdrage aan de verbetering van een initiatief in samenspraak met de omgeving en van de context waarbinnen het naleefgedrag tot stand moet komen. De bevoegde gezagen kiezen in beginsel een neutrale positie in het ‘conflict’ door te proberen de partijen bij elkaar te brengen. Actieve openbaarmaking / gedragsbeïnvloeding Een positieve prikkel kunnen we afgeven door ‘naming en faming’. Door goed gedrag actief naar buiten te brengen en het belang van goede naleving te benoemen, stimuleren we anderen regels na te leven. Door actieve openbaarmaking van prima naleefgedrag wordt de interventie gericht op het voorkomen van toekomstige overtredingen. Veelal kan een dergelijke interventie worden toegepast om andere interventies extra kracht te geven (bijvoorbeeld het publiceren van de sanctie bij sluiting van panden waar hennep is aangetroffen). Samenwerking bij de preventie Bij het voorkomen van overtredingen werken we structureel samen met meerdere partijen, zoals het HHNK, de Veiligheidsregio, de GGD, de Omgevingsdienst, de regiogemeenten en de Provincie. Voorlichting vindt structureel plaats samen met onder andere de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, bijvoorbeeld bij drugsdumpingen en illegaal gebruik van leegstaande panden. 4.2Uitvoeringsstrategie (o.a. vergunningen) We verstaan in deze uitvoeringsstrategie onder uitvoering: het verlenen, weigeren, wijzigen of (gedeeltelijk) intrekken van een vergunning of ontheffing; het behandelen van een melding; het besluiten over maatwerk en/of gelijkwaardigheid; het gebruik maken van het adviesrecht van de Raad; het besluit nemen over het al dan niet vereisen van een OER (Omgevings-effectrapportage). De uitvoering levert een bijdrage aan het verbeteren en handhaven van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Voor het bepalen van de acceptabele kwaliteit worden de verschillende belangen tussen de voorgenomen activiteiten en de gevolgen voor de fysieke leefomgeving zorgvuldig afgewogen. Basiswerkwijze Uitgangspunten bij vergunningverlening en het behandelen van meldingen zijn: inwoners en bedrijven zijn verantwoordelijk voor het indienen van goede en volledige (conform indieningsvereisten) aanvragen/meldingen. De gemeenten houden zich bij de taakuitvoering aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel; vergunningen zijn afgestemd op de geldende wet- en regelgeving (landelijk, provinciaal en lokaal) alsmede op lokaal en provinciaal beleid; vergunningen zijn afgestemd op landelijke standaarden (zoals de LRSO, de Landelijke Redactie voor Standaardteksten voor de Omgevingsvergunning), op gangbare en beproefde methodieken en op een regionale standaard; vergunningen zijn goed te begrijpen (‘duidelijke taal’), uitvoerbaar, naleefbaar en handhaafbaar; besluiten op vergunningaanvragen worden tijdig genomen, conform de wettelijke termijnen of eigen streeftermijnen; het proces dat we lopen is voorspelbaar, transparant, juridisch juist en achteraf verifieerbaar, zie hiervoor ook bijlage 7; in de gevallen dat vergunningen of besluiten integraal zijn worden de verschillende aspecten en wetten op samenhangende wijze behandeld; er vindt afstemming, coördinatie of contact plaats met andere bestuurs- of adviesorganen of belanghebbende derden. Wij hebben als gemeente de taak om de verschillende belangen vanuit de verschillende disciplines te coördineren. Bij aanvragen om een omgevingsvergunning wordt gewerkt met casemanagement. Bij elke aanvraag wordt een behandelend ambtenaar/casemanager toegewezen. De klant beschikt hierdoor over één vast aanspreekpunt. Het ‘van het kastje naar de muur sturen’ wordt hierdoor sterk verminderd, evenals het risico dat bij vergunningverlening tegenstrijdige voorschriften worden gesteld. De behandelend ambtenaar krijgt vanuit de betrokken disciplines adviezen aangereikt en ziet toe op het integrale karakter van de vergunning. Ons hoofdproces voor het besluiten op een vergunningaanvraag en het beoordelen van een melding volgt op hoofdlijnen onderstaande stappen. Daarbij volgen wij voor vergunningaanvragen de wettelijke reguliere of uitgebreide procedure zoals vastgelegd in de Awb en de Omgevingswet. Inboeken, registreren en eventueel digitaliseren van de aanvraag; Sturen ontvangstbevestiging; Behandelend ambtenaar omgevingsvergunning beoordeelt: Bevoegd gezag; Uitgebreide of reguliere procedure; Publiceren aanvragen en (concept)beschikkingen; Overzicht bewaken over lopende procedures en de voortgang. De behandelend ambtenaar is verantwoordelijk voor het afhandelen van de aanvraag: Toets volledigheid en ontvankelijkheid op basis van indieningsvereisten en samenloop met meldingen; (Vak)inhoudelijke toets aan alle relevante beoordelingskaders; Uitzetten bij interne- en externe adviseurs; Bewaken van de termijn; Aanspreekpunt voor de aanvrager en informeren aanvrager; Opstellen (concept)beschikking; Registratie (behandelstappen en documenten). Archiveren beschikkingen digitaal). Mogelijk zienswijze, bezwaar, beroep en hoger beroep, eventueel gecombineerd met een voorlopige voorziening. Vergunningaanvragen worden digitaal behandeld; we sturen zoveel mogelijk aan op digitale indiening. Aanvragen die op papier worden ingediend, worden door ons gedigitaliseerd. Afhankelijk van het zwaartepunt van de aanvraag wordt bepaald welke medewerker de aanvraag behandelt. De basiswerkwijze voor het verlenen van een omgevingsvergunning is vastgelegd in het registratiesysteem, waarbij de processtappen worden doorlopen en wordt aangegeven wie waarvoor verantwoordelijk is. Het gaat hier om de processtappen op hoofdlijnen. De meest voorkomende correspondentie, beschikkingen, adviezen en vergunningvoorschriften zijn gestandaardiseerd. De afhandelingstermijn voor de aanvragen maakt het noodzakelijk om de nodige aandacht te geven aan de toets op ontvankelijkheid. Een goede en inhoudelijk juiste beoordeling van aanvragen is alleen dan mogelijk, wanneer de vereiste stukken aanwezig zijn. De marges voor het toestaan van uitzonderingen zijn gering. Het consequent toetsen van een aanvraag op ontvankelijkheid op basis van de Mor voorkomt dat in het vervolg van het proces de toetsing niet (geheel) kan worden uitgevoerd. De gemeente verricht een volledige ontvankelijkheidstoets bij alle aanvragen voor een omgevingsvergunning. Als richtlijn geldt dat binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag schriftelijk om aanvullende gegevens wordt verzocht. Als de gevraagde stukken niet, niet op tijd of niet volledig worden aangeleverd, wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten. Dit wil zeggen dat de aanvrager een besluit krijgt dat zijn aanvraag om een omgevingsvergunning buiten behandeling blijft, waartegen bezwaar kan worden ingediend. In december 2022 heeft Medemblik de een Bibob-beleidsregel vastgesteld waarmee zij een concreet handvat heeft om in bepaalde gevallen een Bibob-toets uit te (laten) voeren (in bijlage 8 is dat deel van de beleidsregel opgenomen die van toepassing is op bouwgerelateerde zaken). Een Bibob-toets wordt uitgevoerd indien het gevaar bestaat dat met de verlening van een vergunning strafbare feiten gepleegd zullen worden of dat uit strafbare feiten verkregen geld benut zal worden. Ook in overige gevallen kan, conform de gemeentelijke beleidsregels, een toets worden uitgevoerd. Bij ontvangst van meldingen, zoals voor milieu, brandveilig gebruik, sloop en het lozen buiten inrichtingen vindt een beoordeling plaats of de melding compleet is en ontvangt de indiener een bevestiging. Er volgt op een melding geen besluit van de gemeenten. Indien op de algemeen geldende voorschriften uit landelijke wetten of besluiten aanvullende of concretere uitwerking van voorschriften nodig is voor het voorkomen van risico’s en/of voor een betere handhaafbaarheid, worden maatwerkvoorschriften opgelegd of een gelijkwaardigheidsbesluit genomen. Met de Wkb komt er een categorie bouwwerken die meldingplichtig zijn, de zogenaamde gevolgklasse 1. Voor deze categorie ontvangt de gemeente minimaal vier weken voor start van de bouw een bouwmelding. De gemeente toetst de melding op volledigheid, gevolgklasse, instrument, kwaliteitsborger en de risico’s uit het borgingsplan. Na uitvoering van de bouw wordt er door de initiatiefnemer een gereedmelding ingediend bij de gemeente. De gereedmelding bevat gegevens en bescheiden over het gerede bouwwerk die inzichtelijk maken dat het voldoet aan de bouwtechnische voorschriften, de verklaring van de kwaliteitsborger en het dossier bevoegd gezag. De gereedmelding wordt door de gemeente beoordeeld op volledigheid. Wanneer de bouwmelding of gereedmelding onvolledig is zal, net als bij omgevingsvergunningaanvragen, na ontvangst van de aanvraag schriftelijk worden verzocht om aanvullende gegevens. De bouwmelding dient vier weken voor start van de bouw volledig te zijn. Na voltooiing van de bouw geldt dat het bouwwerk pas twee weken na de gereedmelding in gebruik mag worden genomen. De verwachting is dat 80% van de huidige aanvragen straks meldingsplichtig is. M.a.w. 80% van de aanvragen zijn gevolgklasse I en worden onder de Wkb meldingsplichtig waardoor het toetsende en toezichthoudende deel overgaat naar private partijen. Wat dit precies inhoudt voor het werk zullen we monitoren en meenemen in de evaluaties en jaarverslag. Indien voor het verlenen van een vergunning een melding of andere vergunning nodig is (bijvoorbeeld ontheffing Wet natuurbescherming), en deze niet, of niet volledig is ingediend, kan de aanvraag om een omgevingsvergunning niet in behandeling worden genomen. Daarbij wordt eerst gelegenheid gegeven om binnen een bepaalde termijn de aanvraag aan te vullen. In het kader van de Wet samenhangende besluiten bekijken wij, of voor het realiseren van de aangevraagde activiteit ook overige vergunningen of meldingen nodig zijn (zoals voor de Drank- en Horecawet en de Algemene plaatselijke verordening) en informeren we hier de aanvrager over. Intrekken van vergunningen Verleende vergunningen kunnen worden ingetrokken. Zo kunnen vergunningen voor werken die niet zijn gestart, worden ingetrokken. Daarmee wordt voorkomen dat activiteiten gerealiseerd worden volgens verouderde normen in wetgeving. De termijn waarbinnen de initiatiefnemers een verzoek tot intrekking ontvangen, wordt per situatie bepaald op basis van gemeentespecifiek beleid (voor Medemblik: Beleidsregel intrekken omgevingsvergunning bouwen gemeente Medemblik, vastgesteld op 25 augustus 2015, zie bijlage 9). Beoordelingskader bouwen Voor de activiteit bouw geldt dat de gemeentelijke toets (de zogenaamde preventieve toets) gekarakteriseerd wordt als een ‘aannemelijkheidstoets’: een vergunning voor de activiteit bouwen wordt alleen verleend als voldoende aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de technische voorschriften. Hiermee stelt de wetgever duidelijk dat de gemeenten bij het toetsen van de bouwaanvraag niet de verantwoordelijkheid overnemen van de vergunninghouder of de bouwpartij. De uitvoeringsstrategie voor (bouw)aanvragen heeft tot doel te komen tot een kwalitatief gelijkwaardige manier van toetsen. Ongeacht de behandelend medewerker vindt een eenduidige toetsing plaats. Tevens wordt aan de hand van deze strategie gekomen tot een zo efficiënt en effectief mogelijke inzet van de beschikbare middelen. Aanvragen worden allereerst getoetst aan de regels voor vergunningsvrij bouwen. Aanvragen voor vergunningsplichtige bouwwerken toetsen we, na uitvoering van de ontvankelijkheidstoets (zie ook ‘basiswerkwijze’) achtereenvolgens aan de volgende onderdelen toetsing Omgevingsplan (zie ook beoordelingskader ruimtelijke ordening) toetsing Verordening Fysieke Leefomgeving toetsing aan welstandseisen opgenomen in het Omgevingsplan bouwtechnische toetsing conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) toetsing aan Bibob (zie ook ‘basiswerkwijze’, toepassing conform gemeentelijke beleidsregels) Met de Omgevingswet en Wkb wordt er een ‘knip’ gemaakt in de huidige omgevingsvergunning voor het bouwen: ruimtelijke regels (omgevingsplanactiviteit) en technische regels (bouwactiviteit). Een bouwactiviteit pas vergunningplichtig als deze specifiek is genoemd in het Bbl. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet en Wkb, worden er een categorie bouwwerken op grond van het Bbl vergunningvrij en een categorie bouwwerken meldingplichtig. Dit geldt uitsluitend het de bouwtechnische deel van de ‘knip’: bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1 worden meldingplichtig. Het andere deel van de ‘knip’ gaat over de impact van het initiatief op zijn omgeving: de Omgevingsplanactiviteit. De bouwtechnische aspecten worden getoetst conform het Bbl. Dit houdt in dat de gemeente bouwwerken die niet vergunningvrij zijn en conform het Bbl behoren tot gevolgklasse 1, niet meer bouwtechnisch toetsen. De papieren bouwtechnische toets op het bouwplan vooraf, wordt vervangen door toetsing in de praktijk door een private kwaliteitsborger. De gemeente voert voor bouwwerken die behoren tot gevolgklasse 2 en 3 nog wel een bouwtechnische toets uit. De toetsing aan ruimtelijke regels blijft bij de gemeente. De gemeente beoordeelt de aanvraag omgevingsplanactiviteit op basis van de risicoscore en door toetsing aan het bestemmingsplan, de gemeentelijke Bouwverordening/Verordening Fysieke Leefomgeving en welstandseisen (later aan het Omgevingsplan). Daarnaast maakt de gemeente bij de omgevingsplanactiviteit vergunning lokale risico’s en aandachtspunten kenbaar die relevant zijn tijdens de bouw. In het omgevingsplan worden ruimtelijke beleidskeuzes vertaald naar praktisch toepasbare voorschriften (zie ook beoordelingskader ruimtelijke ordening). In de welstandsnota worden door het vastgestelde kader de ruimtelijke uitstraling en kwaliteit van de gemeenten waar nodig gewaarborgd. Elke aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt getoetst aan het vigerende ruimtelijke plan om te bekijken of er sprake is van strijdigheden met de planvoorschriften. Dit gebeurt op een grondige manier, waarbij specifieke kenmerken nauwkeurig worden nagemeten en bestemmingen per ruimte worden benoemd en gecontroleerd. Als blijkt dat een aanvraag niet voldoet aan het geldende ruimtelijke plan, wordt beoordeeld of een afwijking of wijziging van het ruimtelijk plan mogelijk is. Hierbij is de ‘ja, mits’-gedachte leidend. Toetsing aan Verordening Fysieke Leefomgeving Bij de beoordeling van bouwplannen vormt de Verordening Fysieke Leefomgeving 2e tranche één van de toetsingskaders. Hierin staan alle lokale regels over de fysieke leefomgeving, vastgesteld op 22 maart 2023. HYPERLINK. Toetsing aan welstandseisen Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aan het omgevingsplan voldoet, of duidelijk is dat de omgevingsvergunning voor het planologisch strijdig gebruik kan worden verleend, wordt het plan getoetst aan redelijke eisen van welstand. Welstand is ook een belang dat al wordt meegenomen in de ruimtelijke afweging. De toetsing vindt plaats door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Op het moment dat er nog geen omgevingsplan ligt is de welstandsnota na inwerkingtreding van de Omgevingswet een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19, van de Omgevingswet. Medemblik heeft gebieden benoemd die welstandsvrij zijn. Bouwtechnische toetsing De wetgever heeft de bouwtechnische voorschriften niet naar zwaarte gedifferentieerd. Het is praktisch onmogelijk om alle geldende voorschriften even uitputtend te toetsen. Hiervoor ontbreken de (financiële) middelen en capaciteit. Bovendien vraagt niet elk bouwwerk om deze controle, waardoor selectief getoetst dient te worden. Bij de toetsing aan de bouwtechnische voorschriften voor bouwwerken die in gevolgklasse 2 en 3 onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen vallen, maken we keuzes volgens de landelijke toetsmatrix (zie bijlage 2). Hierbij wordt een groter belang gehecht aan veiligheids- en gezondheidsaspecten. Ook worden bouwwerken met gevoelige gebruiksfuncties intensiever getoetst. Beoordelingskader sloopwerkzaamheden Sloopactiviteiten vinden plaats bij verbouwing, uitbreiding of volledig sloop van objecten. Voor slopen geldt voor karakteristieke objecten (monumenten, panden in beschermde stads- en dorpsgezichten en volgens het bestemmingsplan) een vergunningplicht. Voor overige objecten geldt een meldingsplicht. De sloopmelding wordt op diverse thema’s beoordeeld, conform het beoordelingsformulier van de Omgevingsdienst. De toetsresultaten worden waar nodig vertaald naar nadere voorwaarden in de vergunning. Beoordelingskader brandveilig gebruik Het toetsen van meldingen en aanvragen omgevingsvergunning voor alle typen gebouwen in relatie tot brandveiligheid gebeurt op basis van een 100% toets aan wettelijke regelgeving. Meldingen en aanvragen om vergunning voor brandveilig gebruik leggen we altijd voor aan de Veiligheidsregio ter advisering. Niet-bouwwerken, zoals tenten, podia en kermissen worden getoetst aan de landelijke regelgeving op het gebied van brandveiligheid en lokale regelgeving in de vorm van de APV (artikel 2.25, lid 2 van de APV). Beoordelingskader monumenten en archeologie De omgevingsvergunning voor monumenten (wijziging) vergt bijzondere aandacht om te voorkomen dat onomkeerbare schade wordt toegebracht aan gemeentelijk-, provinciaal- en rijkscultuurhistorisch erfgoed. Naast de gebruikelijke beoordeling van de aanvraag over de bouwhistorische onderdelen via de Monumenten-/Erfgoedcommissie wordt bij de toetsing van aanvragen voor een vergunning voor monumenten ook aangesloten bij de vergunningstrategie voor de omgevingsvergunningsactiviteit bouwen. Immers, voor vrijwel alle veranderingen aan een monument is ook een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vereist. Beoordelingskader milieu Voor de activiteit milieu is het bedrijf primair verantwoordelijk voor een milieuverantwoorde bedrijfsvoering, binnen de kaders die hiervoor door de overheid zijn gesteld. De werkzaamheden rondom vergunningverlening milieu hebben betrekking op het beoordelen van aanvragen en meldingen voor activiteiten die van invloed zijn op het milieu. Een groot deel van de werkzaamheden wordt uitgevoerd door de Omgevingsdienst; om de samenwerking te stroomlijnen zijn werkafspraken vastgelegd tussen de gemeente en de Omgevingsdienst. Voor de diepgang van toetsing van meldingen en aanvragen voor milieuactiviteiten wordt verwezen naar de uitvoerings- en handhavingsstrategie van de Omgevingsdienst. Beoordelingskader aanleg weg, kap, reclame en inritten Voor het realiseren van activiteiten die de wettelijke basis in Verordening Fysieke Leefomgeving hebben, vindt toetsing primair plaats op basis van die bepalingen. Naast deze publiekrechtelijke toetsing, worden vaak ook privaatrechtelijke afspraken gemaakt als de activiteiten plaatsvinden op publieke gronden (bijvoorbeeld bij de aanleg van inritten). Bij aanvragen voor de aanleg van een weg of inritten vindt afstemming plaats met de wegbeheerders. Binnen onze gemeente zijn is dit over de gemeenten zelf of de provincie. In de VFL is opgenomen in welke gevallen voor het kappen/vellen van bomen een vergunning nodig is. Daarnaast zijn er monumentale en/of beeldbepalende bomen aangewezen. Beoordelingskader evenementen Aanvragen voor evenementen worden getoetst aan het vigerend ruimtelijke kader (omgevingsplan) en de BGBOP (Besluit brandveilig Gebruik en Basishulpverlening Overige Plaatsen) en vanaf (verwacht) eind 2023 ook aan het nieuwe evenementenbeleid. Indien evenementen plaatsvinden in tijdelijke bouwwerken, vindt de toetsing plaats ten aanzien van brandveiligheid en constructieve veiligheid zoals beschreven in bovenstaande paragrafen. Specifiek voor evenementen geldt dat het van grote waarde is om bij de beoordeling van een aanvraag voor het houden van een evenement te kijken naar mogelijke aanvragen voor evenementen die gelijktijdig worden gehouden. Daarmee borgen we ook de inzet van hulpdiensten. Dit doen we door gebruik te maken van een regionale evenementenkalender. Beoordelingskader bodem, bouwstoffen en grondstromen De ODNHN beoordeelt de meldingen Besluit bodemkwaliteit. Het beoordelingskader hiervan is opgenomen in de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie van de Omgevingsdienst zelf. Beoordelingskader natuurbescherming Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning de activiteit handelen in een natuurbeschermingsgebied of met gevolgen voor een natuurgebied bevat, of dat de activiteit nadelige gevolgen heeft voor de aanwezige flora en fauna, dan wordt onder het regime van de Omgevingswet door onze gemeente een bindend advies (voorheen de verklaring van geen bedenkingen) gevraagd bij Gedeputeerde Staten. Indien deze toetsing plaatsvindt in het kader van een aanvraag die bij de gemeente is ingediend, nemen we de resultaten van dit binden advies over in onze beschikking. Beoordelingskader ruimtelijke ordening Uitgangspunt is dat alle aanvragen integraal worden getoetst aan het omgevingsplan. Elke aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan het omgevingsplan om te bekijken of er sprake is van strijdigheden met de planvoorschriften. Dit gebeurt op een grondige manier, waarbij specifieke kenmerken nauwkeurig worden nagemeten en bestemmingen per ruimte worden benoemd en gecontroleerd. Als blijkt dat een aanvraag niet voldoet aan het geldende ruimtelijke plan, wordt beoordeeld of een afwijking of wijziging van het ruimtelijk plan mogelijk is. Afwijken van het omgevingsplan In het omgevingsplan zijn activiteiten benoemd, die met een vergunning zijn toegestaan. Als een aangevraagde activiteit in strijd is met het omgevingsplan, spreken we van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (hierna: BOPA). Het tijdelijke omgevingsplan is met ingang van 1 januari 2024 (zoveel als mogelijk) beleidsneutraal ten opzichte van de huidige regels. Uitgangspunt is dat ‘de winkel open moet blijven’. Beoordeling van de aanvraag voor een BOPA vindt plaats aan de hand van de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Samenwerking bij de vergunningverlening De behandelend medewerker beoordeelt of collegiaal overleg nodig is, onder andere om andere benodigde disciplines te laten beoordelen of een toetsing noodzakelijk is of collega’s met meer specialistische kennis te betrekken. In het gedigitaliseerde werkproces zijn ook de contactmomenten met externe en interne adviseurs benoemd. Afhankelijk van de aangevraagde activiteit vindt samenwerking plaats met diverse interne en externe adviseurs. Een deel van de uitvoeringstaken wordt door de Omgevingsdienst en de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord uitgevoerd. Daarnaast werken we samen bij vergunningverlening met onder meer het Hoogheemraadschap en Provincie. Aanvragen voor monumenten worden, naast de gebruikelijke beoordeling voor slopen/bouwen volgens de toetsmatrix, getoetst door de Monumentencommissie en van advies voorzien door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. 4.3Uitvoeringsstrategie (toezicht) Gemeenten dienen inzicht te geven in de wijze waarop het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving wordt uitgeoefend. Op welke wijze en met welke frequentie uiteindelijk toezicht wordt gehouden, is het resultaat van de uitkomsten van de omgevingsanalyse. Hierbij spelen ook de ervaringen die met onze inwoners, bedrijven en instellingen zijn opgedaan en de keuzes in het verleden een rol. We zetten onze toezichtcapaciteit zo efficiënt en effectief mogelijk in. Zo vindt er toezicht plaats op basis van vooraf gemaakte keuzes (omgevingsanalyse). De planning wordt vastgelegd in een uitvoeringsprogramma. Niet alles is echter vooraf in te plannen. Ongewone voorvallen, klachten en verzoeken om handhaving kunnen toezicht noodzakelijk maken. We zetten verschillende vormen van toezicht in. De uitvoeringsstrategie voor toezicht is gericht op het op eenzelfde wijze uitvoeren van toezicht in overeenkomstige gevallen. De doelen hiervan zijn tweeledig. Enerzijds het bereiken van transparantie, professionaliteit, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor diegenen waarop het toezicht zich richt. Anderzijds het voorzien in een hoge mate van efficiëntie en effectiviteit, zodat zo hoog mogelijke maatschappelijke effecten tegen zo laag mogelijke inspanningen en kosten worden bereikt. Zodra een overtreding is geconstateerd, wordt overgegaan op een andere strategie: waarschuwen, sanctioneren of alleen in uitzonderlijke gevallen gedogen. Aanleidingen voor toezicht Toezicht in onze gemeente vindt plaats naar aanleiding van: het uitvoeringsprogramma, waarin beleid en bestuurlijke prioriteiten zijn verwerkt; vergunningen en meldingen; specifieke thema’s of projecten; ontvangen meldingen, klachten, handhavingsverzoeken en ongewone voorvallen; waarnemingen in het vrije veld: oog en oor. Vormen van toezicht Doordat de capaciteit voor toezicht beperkt is, wordt zoveel mogelijk gestreefd naar bewustwording bij initiatiefnemers om naleefgedrag te bereiken. Bij deze vorm van toezicht gaat het om een andere rolverdeling tussen overheid en burger/bedrijf. Een voorbeeld van zelftoezicht is het bouwtoezicht onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, waarbij initiatiefnemers voor het bouwtechnisch toezicht met een gecertificeerde partij afspraken dienen te maken. Een lichtere vorm van zelftoezicht is het hanteren van een checklist/zelfcontroleformulier bij bijvoorbeeld evenementen, kinderdagverblijven, horecagelegenheden en logies. Indien geen vorm van zelftoezicht mogelijk is, kunnen door de gemeenten verschillende toezichtvormen worden gebruikt. Het onderscheid is van belang omdat per branche en per beleidsterrein de aspecten waar de controle zich op richt verschillend zijn. Het is effectief om verschillende vormen van controles te hanteren. Vormen van toezicht in onze gemeente zijn: Periodiek toezicht op vergunningen en meldingen, zoals bij milieubelastende activiteiten of bewoning door kwetsbare doelgroepen. In de regel worden alle aspecten (respectievelijk de gehele vergunning) getoetst; Toezicht tijdens bouw of sloop, bijvoorbeeld bij nieuwbouw, verbouw, sloop en realisatie van tijdelijke bouwwerken (waaronder evenementen). Opleveringscontroles bij een nieuwe vergunning, na gereedmelding van de vergunde activiteit; Controle kwaliteitsborging: toezicht op de gecertificeerde partij die het primaire toezicht op locaties verzorgt. Administratief toezicht (bijvoorbeeld bij controle ‘as built dossier’); Ad hoc toezicht vanwege bijzondere omstandigheden, onder andere door verzoeken om handhaving en klachten; Thematische of projectgerichte controles, veelal geformuleerd in het uitvoeringsprogramma, zoals controles ondermijning; Controles op basis van provinciale en/of landelijke thema’s of prioriteiten. Deze kunnen zijn opgenomen in het uitvoeringsprogramma, maar ook ad hoc toezicht op basis van landelijk gesignaleerde problemen/risico’s. Gebiedsgerichte controles, in het algemeen om vanuit de openbare ruimte de aanwezige bedrijven/milieubelastende activiteiten in beeld te brengen (bijvoorbeeld door gevelinspecties of controles rondom bouwprojecten op bouwveiligheid) én het voorkomen en tegengaan van excessen; Hercontroles. De hercontrole bevat toezicht op één of meerdere aspecten en vindt plaats aan de hand van een eerdere controle of handhavingsbesluit. Voor ieder van deze vormen is in het registratiesysteem een hoofdproces ingericht waarin de stappen zijn doorlopen. Controle ter plaatse vindt plaats op basis van een checklist. Van de controle wordt een constateringsrapport opgemaakt waarin de feitelijke bevindingen en administratieve gegevens zijn opgenomen. De wijze waarop het toezicht plaatsvindt, hangt mede af van de nalevingsverwachting die aan bepaalde toezichtstaken zijn toegekend. Burgers en ondernemers zullen eerder geneigd zijn de regels na te leven wanneer zij weten dat er controles plaatsvinden en de pakkans hoog is. Daarbij zijn deze momenten van toezicht een mooie gelegenheid om door middel van nalevingscommunicatie gedrag te beïnvloeden. Het is daarom van belang dat toezichthouders zich bewust zijn van deze rol en dat zij begeleid worden in de uitvoering van deze rol. Bij het uitvoeren van toezicht gaan we zorgvuldig om met de rechthebbende(n). In beginsel worden de toezichtbevoegdheden uitgeoefend met medewerking ofwel toestemming van de burger of bedrijf. Als toestemming wordt geweigerd wordt slechts gebruik gemaakt van de bevoegdheden van toezichthouders als dit redelijkerwijs voor de invulling van de taak nodig is. Op basis van een analyse van de situatie vooraf, wordt bepaald of de controle aangekondigd of onaangekondigd plaatsvindt. Als de omstandigheden dit niet toelaten (bijvoorbeeld als een illegale activiteit wordt geconstateerd en deze plaats direct dient te worden betreden) neemt de toezichthouder zo spoedig mogelijk (al dan niet achteraf) contact op met de rechthebbende op het gebruik van de plaats. De toezichthouder meldt zich in ieder geval altijd bij de op het erf/terrein aanwezige uitvoerder/personen. In ieder geval wordt in de volgende situaties een onaangekondigde controle gehouden: Controle volgend op een verzoek om handhaving waarbij het karakter van de vermeende overtreding dusdanig is dat dit bezoek onaangekondigd moet plaatsvinden; Na afloop van een begunstigingstermijn volgend uit een sanctiebesluit (dwangsom/bestuursdwang); Na stillegging van de bouw- of sloopwerkzaamheden onder last van een dwangsom/bestuursdwang; Gebruik in strijd met het omgevingsplan; Bij verzoeken van handhavingspartners om terreinen/panden te betreden; Als het vermoeden bestaat dat een hennepkwekerij of illegale huisvesting arbeidsmigranten/logies wordt geëxploiteerd; Steekproefgewijze controles waarbij een onaangekondigde controle passend is. Toezicht bouwen Op de realisatie van bouwwerken onder de Wet kwaliteitsborging vindt door de gemeenten geen bouwtechnisch toezicht meer plaats; wel blijft bij deze bouwwerken het toezicht op basis van het bestemmingsplan, Verordening fysieke leefomgeving en welstandseisen in het omgevingsplan gelden. Bij deze bouwwerken vindt alleen bouwtoezicht plaats vóór ingebruikname van het bouwwerk, of de private kwaliteitsborging heeft plaatsgevonden door een gecertificeerde partij én of het betreffende certificaat is verstrekt. In veel gevallen kan zonder vergunning worden verbouwd, zowel particulier als zakelijk. Echter, bij vergunningsvrij is men wel aan regels gebonden. Deze regels omvatten vooral maximale oppervlakten en maximale afmetingen. In ieder geval gelden altijd de regels uit de Omgevingswet, de Bbl, de VFL en het burenrecht uit het Burgerlijk Wetboek. Dit heeft geen hoge prioriteit, en wij treden pas op in het geval van een verzoek om handhaving. Toezicht sloopwerkzaamheden Van sloop aan alle bouwwerken vóór 1992 van meer dan 10 m3 sloopafval wordt een asbestinventarisatierapport en een sloopmelding verlangd. Bij sloopwerkzaamheden door bedrijven vindt het toezicht gemandateerd plaats door de Omgevingsdienst. Daarbij volgen we de toezichtstrategie van de Omgevingsdienst. Bij sloopwerkzaamheden door particulieren vindt een administratieve toets plaats en wordt gereed gemeld op basis van een controle. Bij sloopwerkzaamheden in risicovolle gebieden (dichte bewoning) vindt een controle op de veiligheid van het sloopterrein en de directe omgeving plaats. Toezicht brandveiligheid Afhankelijk van de aard van het bouwwerk en het gebruik zijn met de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord werkafspraken gemaakt op welke toezichtsmomenten de Veiligheidsregio controleert. Afstemming met de Veiligheidsregio vindt plaats over bijvoorbeeld de aan te leveren certificaten en de toezichtmomenten. De opleveringscontrole van de omgevingsvergunning brandveilig gebruik neemt de Veiligheidsregio onder regie van de gemeenten voor haar rekening. De werkzaamheden van de Veiligheidsregio beperken zich tot de wettelijke taak. Een groot deel van het toezicht betreft het structurele/periodieke toezicht op de brandveiligheid in gebouwen met een publieks- of een verblijfsfunctie. In het kader van het Bbl geldt voor het merendeel van deze gebouwen de meldingsplicht. Slechts voor een gering aantal is de vergunningsplicht van toepassing. De toezichtstaak op brandveiligheidsvoorschriften bij vergunningsplichtige gebouwen is specialistisch werk en vindt daarom plaats door de Veiligheidsregio, eventueel samen met een van de bouwtoezichthouders. Bij milieu-inrichtingen worden brandveiligheidsaspecten zoveel mogelijk integraal meegenomen bij de reguliere milieucontroles. Bouwwerken die niet vergunning- of meldingsplichtig zijn voor brandveiligheidsaspecten worden, in geval er sprake is van een milieu-inrichting, in de periodieke milieucontroles ook gecontroleerd op brandveiligheid. Tijdens het toezicht wordt er in dit kader met name gecontroleerd op: de aanwezigheid van een vergunning brandveilig gebruik/melding Bbl de voorschriften van een vergunning brandveilig gebruik/melding Bbl de aanwezigheid van vereiste documenten, logboeken en certificaten transparant- en noodverlichting het blokkeren, afsluiten en niet functioneren van vluchtroutes, nooduitgangen, blusmiddelen, rookbrandscheidingen en ontruimings-, brandmeld-, rookafvoer- en warmteafvoerinstallaties. De handleiding PREVAP bevat de indeling van prioriteiten, op basis van het verwachte brandrisico van gebruiksfuncties. PREVAP staat voor: Preventieactiviteitenplan. Het gaat hier om prioriteiten op basis van de bouw- en gebruiksregelgeving. Bij de indeling van de gebruiksfuncties in prioriteitsklassen zijn criteria gehanteerd als het aantal aanwezigen, de zelfredzaamheid van de aanwezigen, de kans op brand en de frequentie van gebruik van een object. Dit zijn criteria op basis van het gebruik van een gebouw/object. Andere criteria zijn bijvoorbeeld bouwaard, bouwhoogte of bouwjaar. Aan de hand van deze PREVAP hebben we een indeling in prioriteiten bepaald, inclusief bijbehorende kengetallen voor de uit te voeren taken. Prioriteitsklasse Aard risico Controlefrequentie 1 Zeer hoog risico 2 x per jaar 2 Hoog risico 1 x per jaar 3 Gemiddeld risico 1x per 2 jaar 4 Beperkt risico na klachten en meldingen Tabel: overzicht aanpassing controlefrequentie brandveiligheid op basis van naleefgedrag Afhankelijk van de omvang en risico’s van de activiteiten worden tijdelijke inrichtingen met een gebruiksvergunning in het kader van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen vooraf en tijdens het gebruik bezocht om te beoordelen of aan de gestelde brandpreventieve eisen wordt voldaan. Toezicht monumenten en archeologie Nadat een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw en monumenten is afgegeven, zullen de monument specifieke aspecten worden meegenomen in de reguliere bouwinspecties, tenzij in een specifieke zaak extra toezicht nodig is. Ook in de gebruiksfase houden we in onze gemeenten pro-actief toezicht op monumentale waarden. Door het specifieke karakter van de monumenten is de uitvoering van het toezicht maatwerk. Kwetsbare en zeer bijzondere monumenten worden met enige regelmaat beoordeeld op de instandhouding van de monumentale waarden. Overige monumenten worden ook periodiek gecontroleerd, met een lagere controlefrequentie. Bij grote bouwwerken in archeologisch waardevol gebied wordt in samenwerking met de archeologiedienst Westfriesland toezicht gehouden op bodemmonumenten. Aannemers wordt gewezen op de voorwaarden voor archeologisch onderzoek. Toezicht milieu Het toezicht milieu vindt volledig plaats door Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. Voor het milieutoezicht volgen we de toezichtstrategie van de Omgevingsdienst. De Omgevingsdienst is 24/7 bereikbaar en beschikbaar voor werkzaamheden ten behoeve van de milieu-incidenten en crisismanagement. Dit is vastgelegd in de Consignatieregeling. Toezicht aanleg weg, kap, reclame en inritten Voor de activiteiten die vanuit de Apv zijn overgeheveld naar het Omgevingsplan, vindt over het algemeen enkel toezicht plaats op basis van klachten, meldingen en handhavingsverzoeken (zie hieronder). In dit kader gaan wij uit van de eigen verantwoordelijkheid van de uitvoerder van de werkzaamheden. De wegen en inritvergunningen worden gecontroleerd door de opzichter (civiel cultuurtechnische onderhoudswerken). Toezicht evenementen De omvang en het risico van het evenement bepaalt welke vorm en intensiteit van toezicht wordt ingezet. Bij de kleinschalige en reguliere evenementen vindt toezicht over het algemeen plaats op basis van klachten, meldingen en handhavingsverzoeken (zie hieronder). Bij de grootschalige evenementen (met meer dan 1.000 bezoekers) vindt afhankelijk van de risico’s en duur van het evenement een of meerdere fysieke controlemomenten vóór het evenement plaats, bijvoorbeeld ten aanzien van constructie en brandveiligheid door Veiligheidsregio en/of gemeentelijke toezichthouders. Controles op geluidsbelasting en aanwezigheid van aantallen personen vinden plaats door Omgevingsdienst en/of BOA, afhankelijk van de omvang van het evenement en de hinder van het evenement in het verleden. De intensiteit en diepgang van de controles bij de grote evenementen wordt in het evenementenoverleg integraal afgestemd met de interne en externe partners. Toezicht bodem, bouwstoffen en grondstromen Het toezicht bodem wordt door de Omgevingsdienst uitgevoerd. Hiervoor is door de Omgevingsdienst de werkwijze uitgewerkt in de toezichtstrategie. Toezicht natuurbescherming en flora en fauna Het toezicht op de bescherming van natuur, flora en fauna vindt door de Omgevingsdienst plaats op basis van de toezichtstrategie van Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. Toezicht ruimtelijke ordening Het toezicht op de ruimtelijke ordening (met name strijdig gebruik) vindt plaats op basis van gebiedscontroles (zie verderop), klachten, meldingen en handhavingsverzoeken (zie hieronder) en op basis van specifieke projecten, zoals bij huisvesting arbeidsmigranten/logies. In geval van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit wordt volstaan met maximaal één toezichtmoment tijdens een gebiedscontrole (zie hieronder). Toezicht op basis van klachten, meldingen en handhavingsverzoeken Klachtentoezicht vindt plaats naar aanleiding van een klacht of melding van burgers/bedrijven (extern) of van andere afdelingen/collega’s/bestuur (intern). Klachten en meldingen kunnen per telefoon, schriftelijk, per e-mail of via de website van de gemeente binnenkomen. Klachten/meldingen over dezelfde veroorzaker worden waar mogelijk gebundeld en collectief (projectmatig) aangepakt. Bij een verzoek van een burger wordt contact opgenomen om te bespreken wat het belang en doel van het verzoek is en wat verwacht mag worden van de gemeente. Het streven is om de klager binnen vijf werkdagen op de hoogte te stellen dat de klacht is ontvangen en te informeren over het vervolg. In goed onderling overleg wordt gezocht naar een snelle en informele oplossing van het probleem. Als dit niet mogelijk blijkt, dan wordt bij een herhaalde constatering een definitieve afweging gemaakt. Bij verzoeken van derden of van bedrijven wordt in eerste instantie voornamelijk schriftelijk gecommuniceerd. Bij horecagerelateerde overtredingen wordt veelal direct gereageerd. Door in een vroeg stadium in overleg te gaan met een ondernemer, worden ieders verwachtingen duidelijk en mogelijke toekomstige problemen voorkomen. Bij anonieme verzoeken wordt de impact ingeschat. Bij een beperkte impact wordt het verzoek niet in behandeling genomen; bij grotere impact ondernemen we verder actie. Bij handhavingsverzoeken wordt de wettelijke procedure gevolgd. Deze hebben we in ons registratiesysteem uitgewerkt. Voor ongewone voorvallen (bijvoorbeeld een brand waarbij asbest vrijkomt) is de Omgevingsdienst voor alle milieuactiviteiten oproepbaar. De ondersteuning vindt plaats door middel van het verlenen van kennis, toezicht (monsteropnames, meedenken bij oplossingen) en materiaal (zoals meetapparatuur). Hiervoor is met hen een overeenkomst gesloten, waarbij een 24-uurs bereik- en beschikbaarheid geldt met een (maximale) opkomsttijd van één uur. Voor overige rampen/grote incidenten maken de gemeenten gebruik van een regionaal crisisbeheersingsplan. De gemeenten verlenen geregeld assistentie door het beschikbaar stellen van bijvoorbeeld plaatselijke kennis. Bij een ongewoon voorval kan door bemiddeling van de toezichthouders milieu geprobeerd worden de veroorzaker/eigenaar zelf de noodzakelijke actie te laten ondernemen zodat er geen kostenverhaal (bestuursdwang) hoeft plaats te vinden. Als dit niet lukt kunnen bestuursrechtelijke middelen worden ingezet. Gebiedscontroles Zolang geen (nieuwe) activiteiten in een gebied plaatsvinden, gaan we met toezicht na of het gebruik volgens de regels plaatsvindt. Gebiedsgericht toezicht wordt toegepast met aandacht voor diverse, vastgelegde controlepunten ten aanzien van ruimtelijke ordening, bouwen, (brand)veiligheid, milieu en Apv en bijzondere wetten. Afhankelijk van het type gebied en/of bestuurlijke prioriteit kan de nadruk meer of juist minder op enig rechtsgebied liggen. Gebiedscontroles vinden veelal plaats om ondermijning tegen te gaan en samen met Noord-Holland Samen Veilig wordt gekeken waar (buitengebied, bedrijventerreinen, recreatieparken, havens, horeca, agrarische bedrijven) er mogelijk ondermijning plaatsvindt of vanwaar een signaal dat ondermijning plaatsvindt is ontvangen. Samen met de diverse partners (ODNHN, PWN, politie, VRNHN, Liander, douane) worden de controles integraal uitgevoerd. In het algemeen vindt het toezicht plaats vanaf de openbare weg en is het gericht op het voorkomen en tegengaan van excessen. Tevens heeft dit toezicht een preventieve werking door aanwezig te zijn in het gebied. Voor deze wijze van controle worden zowel bouw- als milieutechnische toezichthouders ingezet. Hoewel iedere toezichthouder een bepaalde specialiteit (RO en bouw, milieu, brandveiligheid, ondermijning) heeft, worden zijn of haar vaardigheden tevens benut voor het toepassen van de ‘oog- en oorfunctie’ voor zaken die buiten zijn of haar specialisme liggen. Signaleert men iets, dan wordt een collega toezichthouder geïnformeerd, die op dat specifieke terrein vakbekwaam is. Op deze manier wordt de integrale handhaving verder geoptimaliseerd. Samenwerking bij het toezicht Tussen de toezichthouders en BOA’s van de gemeenten is onderling intensief contact en worden signalen en ervaringen uitgewisseld. Extern is er indien nodig op ad hoc basis overleg met instanties als de politie, de Veiligheidsregio, de Omgevingsdienst NHN, het OM (Openbaar Ministerie), Belastingdienst, Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Archeologiedienst Westfriesland, douane, Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit, de AID (Algemene Inspectiedienst) en het Hoogheemraadschap. Binnen de regio Westfriesland overleggen de juristen vier keer per jaar, met een vaste agenda om actualiteiten te bespreken en elkaar te ondersteunen in het werkveld. Structureel overleg vindt plaats met de Omgevingsdienst (voor de milieu- en bodemtaken) en de Veiligheidsregio (voor de brandveiligheidstaken). Toezichtprogramma’s worden zoveel mogelijk afgestemd om te voorkomen dat bedrijven in een beperkte periode voor zowel milieu als brandveiligheid bezocht worden. Periodieke controles (milieu, bouw, brandveiligheid) tijdens de gebruiksfase worden zo veel mogelijk integraal uitgevoerd. Voorbeeld hiervan is de controle van gebouwen in het kader van het Bouwbesluit en het toepassen van de ‘oog- en oorfunctie’ voor andere handhavingsthema’s als illegale (ver)bouw, sloop, gebruik en asbest. De toezichthouders hebben een specialiteit, maar zullen hun vaardigheden tevens benutten voor het ‘in de gaten houden’ van zaken die buiten hun of haar specialisme liggen. Signaleert men iets, dan wordt een collega toezichthouder geïnformeerd, die op dat specifieke terrein vakbekwaam is. De bevindingen worden, met aandacht voor bescherming persoonsgegevens, intern afgestemd en extern met Omgevingsdienst, Politie, Veiligheidsregio, Hoogheemraadschap of AID. Om elkaar te informeren en kennis te delen vindt periodiek overleg plaats tussen de toezichthouders onderling en tussen de toezichthouders en juristen. 4.4Sanctie- en gedoogstrategie Indien een overtreding geconstateerd wordt, volgt de gemeente onderstaande sanctiestrategie. Hierbij wordt zij ondersteund door haar eigen registratiesysteem. Daarbij onderschrijven we de landelijke handhavingsstrategie (LHS). Het doel van de landelijke handhavingsstrategie is uitvoering geven aan de beginselplicht tot handhaven, passend interveniëren bij iedere bevinding, in vergelijkbare situaties vergelijkbare keuzes maken en interventies op vergelijkbare wijze kiezen en toepassen. De essentiële onderdelen van de LHS zijn in onderstaande alinea’s uitgewerkt en aangevuld met eigen overwegingen. Over het algemeen geldt dat we het contact met de eigenaar en uitvoerder van groot belang vinden. We proberen, als dat mogelijk is, al in een vroeg stadium in overleg te gaan waarmee ieders verwachtingen duidelijk worden en mogelijke toekomstige problemen worden voorkomen. Gelijkwaardige oplossing bij afwijken van voorschriften Er kan sprake zijn van een afwijking van de voorschriften, maar dat er maatregelen zijn getroffen die tot hetzelfde beschermingsniveau leiden (gelijkwaardigheid). Indien op een andere wijze dezelfde veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu wordt gerealiseerd, kan het bevoegd gezag in een aantal gevallen een ‘besluit gelijkwaardige voorziening’ nemen. Formele, legaliseerbare overtreding Is wel sprake van een formele overtreding en is geen sprake van een gelijkwaardige oplossing, is een eerste vraag of het in principe een vergunbare situatie is of maatwerkvoorschriften opgelegd kunnen worden (legalisatie onderzoek). Als de situatie vergunbaar is, wordt de overtreder uitgenodigd om een vergunningprocedure of procedure voor maat-werkvoorschriften op te starten. In sommige situaties is het denkbaar dat ondersteuning wordt geboden om de situatie te verbeteren. Bijvoorbeeld door het geven van voorlichting als wordt vastgesteld dat een bepaalde (onnodige) overtreding systematisch voorkomt. Zie hiervoor preventiestrategie. Sanctie instrumenten In deze paragraaf wordt stilgestaan bij de wijze waarop wordt opgetreden bij geconstateerde overtredingen. Hiervoor zijn bestuursrechtelijke en strafrechtelijke instrumenten in te zetten. Bestuursrechtelijk zijn dat: Een bestuursrechtelijke sanctie: last onder dwangsom (LOD), preventief of bij illegale situaties; last onder bestuursdwang (LOB/BES); spoedeisende bestuursdwang; zeer spoedeisende bestuursdwang. Schorsen of intrekken van de vergunning, certificaat of erkenning; Bestuurlijke boete Verscherpt toezicht. Bestuursrechtelijke handhaving is gericht op het bereiken van de gewenste situatie. Bij een bestuursrechtelijke sanctie (last onder dwangsom of last onder bestuursdwang) krijgt de overtreder een hersteltermijn aangeboden waarbinnen de overtreding moet zijn beëindigd. Dit geldt niet voor besluiten die gericht zijn op het voorkomen van herhaling én in situaties waar het direct beëindigen van de activiteit noodzakelijk is (spoedeisende bestuursdwang). Als de overtreding na deze gestelde termijn niet is beëindigd, dan wordt de sanctie geëffectueerd. Bij een dreigende overtreding of een dreigende illegale situatie kan de gemeente, in bepaalde situaties wanneer de overtreding met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ook gaat plaatsvinden, ook een preventieve last onder dwangsom opleggen. In samenhang met de bestuurlijke sanctie of los daarvan kan de strafrechtelijke sanctie worden toegepast. Strafrechtelijke instrumenten zijn: Een proces verbaal (PV); De bestuurlijke strafbeschikking (BSB). Hiervoor heeft onze Omgevingsdienst BOA’s aangewezen die strafrechtelijk kunnen optreden binnen het domein II. Zie hiervoor de sanctiestrategie van de Omgevingsdienst. Bij strafrechtelijke handhaving is naast het bereiken van het gewenste gedrag tevens het bestraffende element van belang. Passende reactie Het overgaan tot dwangmaatregelen is een beslissing die goed overdacht dient plaats te vinden. De toe te passen sanctie moet proportioneel zijn en dient zoveel mogelijk transparantie te bieden. Bij een last onder dwangsom geldt dit bijvoorbeeld voor de lengtes van begunstigingstermijnen en de hoogten van dwangsommen. De dwangsom dient voldoende prikkelend te werken, zodanig dat de overtreder de overtreding zal beëindigen. Bovendien mag de dwangsom niet zodanig hoog zijn dat deze als straf kan worden gezien: Voor besluiten die niet gericht zijn op het voorkomen van herhaling kiezen we qua begunstigingstermijn voor een termijn waarbij de overtreder voldoende hersteltijd heeft én we langdurende overtredingssituaties voorkomen. Voor de onderbouwing van het besluit benutten we de landelijke leidraad, waarbij het praktisch haalbaar moet zijn om aan de last te kunnen voldoen. Verder is de te stellen termijn afhankelijk van de aard van de overtreding (er kan in principe met geen of een korte termijn worden volstaan bij gedragsvoorschriften) en mag de termijn niet zodanig lang zijn, dat sprake is van (impliciet) gedogen van de overtreding. De hoogte van een dwangsom moet op grond van de Algemene wet bestuursrecht in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van het opleggen van de dwangsom. Bij het onderbouwen van het besluit voor de hoogte van de dwangsom benutten we de landelijke leidraad. We relateren de hoogte van de dwangsom onder andere aan de aard en ernst van de overtreding, de potentiële schade en de kosten die moeten worden gemaakt om de overtreding ongedaan te maken. In ieder geval moet het bedrag belangrijk hoger zijn, dan het economisch voordeel dat met de overtreding wordt behaald. Het moet aantrekkelijker zijn de overtreding ongedaan te maken dan de dwangsom te betalen. Het verbeuren van dwangsommen gebeurt van rechtswege. Bij het opleggen van een last onder dwangsom wordt de overtreding, indien dit is toegestaan, ook opgenomen in de registratie van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (Wkpb). Het bevoegd gezag kan in sommige gevallen de vergunning ook geheel of gedeeltelijk intrekken als niet overeenkomstig de vergunning wordt gehandeld. Dit instrument wordt in onze gemeenten in uitzonderlijke gevallen toegepast als andere maatregelen geen effect sorteren. Bij het bepalen van de sanctie die we opleggen volgen we de methodiek met onder meer verzwarende en verzachtende omstandigheden en interventiematrix uit de landelijke handhavingsstrategie (LHS). Overtredingen door de eigen organisatie De handhaving op de eigen organisatie is voor de gemeente niet anders dan wanneer zij handhavend optreedt tegen burgers of bedrijven. Belangrijk hierbij is de democratische controle en transparantie, ook indien er bestuurlijke en/of juridische complicaties ontstaan. Er wordt geen verschil gemaakt in prioriteitstelling en keuze in handhavingsinstrument. Wel brengt een dergelijke overtreding een tweetal extra procedurestappen met zich mee voordat een sanctie wordt opgelegd: Wordt een overtreding van de gemeentelijke organisatie geconstateerd dan wordt deze direct aan het management en/of het college van B&W voorgelegd. Het management en/of het college van B&W zorgen ervoor, dat passende maatregelen worden genomen om de overtreding te beëindigen, deze in de toekomst te voorkomen en zo nodig de schade te herstellen. Afzien van handhaven In zeer uitzonderlijke situaties kan ons college verklaren dat wordt afgezien van handhaving. Deze is altijd aan een termijn gebonden en niet langer dan strikt genomen noodzakelijk. Daarbij onderschrijft onze gemeente het algemene landelijke beleidskader op het gebied van het gedogen, in de vorm van de rijksnota ‘Grenzen aan gedogen’ uit 1996. We zien bij een overtreding alleen af van handhaving als wordt voldaan aan één of (bij voorkeur) meerdere van de volgende voorwaarden, waarbij ook weer aansluiting wordt gezocht bij het nationale beleidskader: alleen in uitzonderingssituaties (overgangs- of overmachtssituatie, concreet zicht op legalisatie); gedogen dient schriftelijk plaats te vinden, vooruitlopend op vergunningverlening en na het indienen van een ontvankelijke aanvraag; beperkt in tijd/ernst; expliciet en na zorgvuldig kenbare belangenafweging plaats te vinden evenals; aan controle te zijn onderworpen. In de volgende gevallen wordt niet afgezien van handhaven: Indien aan de zijde van de overtreder sprake is van recidiverend dan wel calculerend gedrag; Indien blijkt dat de te gedogen activiteit strijdig is met enige andere bij of krachtens wettelijk voorschrift gestelde regel en het voor de handhaving van die regel bevoegde gezag kenbaar heeft gemaakt dat het met bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten tegen deze overtreding optreedt dan wel zal optreden; Bij bouwen zonder of in afwijking van een vergunning, tenzij sprake kan zijn van een tijdelijk bouwwerk; Als belangen van derden zich daartegen verzetten. Indien wordt afgezien van handhaven gelden de volgende procesvoorschriften: Afzien van handhaving gebeurt schriftelijk en uitdrukkelijk; Afzien van handhaving wordt zoveel mogelijk beperkt in omvang en/of in tijd; Er moet sprake zijn van een zorgvuldige kenbare belangenafweging; Afzien van handhaving is aan controle onderworpen. Samenwerking bij het sanctioneren In de interventiematrix uit de LHS is opgenomen bij welke type overtredingen afstemming plaatsvindt met partners die strafrechtelijke sancties kunnen opleggen. In situaties waarbij een andere overheid ná of vóór ons college handhavingsbevoegd is, vindt afstemming plaats met de betreffende overheidsorganisatie. 5Verankering We moeten als gemeente voor onze uitvoerings- en handhavingstaken voldoen aan de procescriteria die zijn opgenomen in het Omgevingsbesluit. Deze criteria beschrijven de eisen die gesteld worden aan de gehele beleidscyclus. Door de criteria te volgen wordt de cyclus gesloten, waarbij de BIG-8 is gehanteerd. Dit model maakt vanuit een strategisch kader de vertaling naar operationeel beleid ten behoeve van kwaliteitsborging samen met een sluitende planning en control cyclus. In de Big-8 is de strategische beleidsvorming opgenomen waaruit het meerjarige VTH-beleidsplan vloeit, het operationele deel is vastgelegd in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma. Verder is er monitoring, evaluatie en een jaarverslag. Al deze instrumenten binnen de BIG-8 geven grip op de uitvoeringspraktijk. 5.1Plan-Do-Check-Act Deze cyclus geeft het principe weer van continue verbetering en wordt gevormd door de facetten Plan-Do-Check-Act. Met dit principe wordt aangegeven dat voor het bereiken van een hogere kwaliteit een continue cyclus op gang moet worden gebracht van het plannen van acties, het ten uitvoer brengen van geplande acties, het checken of de resultaten van de acties werkelijk zijn zoals was beoogd, en het bijsturen of bijstellen van de uitvoering of plannen naar aanleiding van de checkresultaten. Plan: Plannen van activiteiten en stellen van doelen Waarop is het beleid gebaseerd, wat moet worden bereikt, wat is de samenhang met andere beleidsdoelstellingen, hoe is de verantwoording geregeld? Hoe wordt meting opgezet, waar en wanneer wordt gemeten, wat zijn de maatstaven, scenario’s voor vervolgactiviteiten? Do: Uitvoeren van de geplande activiteiten Wat zijn de concrete acties, wat zijn kritische succesfactoren, wie zijn bij de uitvoering betrokken, welke middelen worden ingezet, waarover en hoe wordt gecommuniceerd? De feitelijke uitvoering van de meting en het verwerken van de gegevens. Check: Nagaan in hoeverre de afgesproken doelen zijn gerealiseerd Welke resultaten worden gemeten, wat zijn de doelgroepen, hoe wordt de voortgang bewaakt? De vergelijking met voorgaande jaren, met de eerder gestelde doelen. Act: Analyse van afwijkingen en aanpassen van het proces Hoe wordt geëvalueerd, wat wordt er met de uitkomsten van de metingen gedaan en wat moet er veranderen? Analyse van de gegevens en de daaruit te trekken leerervaringen: wat moet anders en in welke organisatiegebieden worden maatregelen genomen? 5.2Programmatisch werken / beleidscyclus Een programma is een verzameling van tijdelijke inspanningen (projecten, routines en improvisaties) om meerdere, unieke doelen te bereiken die zonder deze coördinatie niet gerealiseerd kunnen worden. Bij programmatisch werken gaat het om: programmeren: wat zijn de doelen en welke inspanningen zijn hiervoor nodig? besturen: gaat het goed met de uitvoering of is aanpassing nodig? beslissen: besluiten nemen op basis van programmaplannen. Beleidsontwikkeling Het bovenste kwart aan de rechterzijde van de cyclus heet beleidsontwikkeling. Dit staat voor de visievorming. De omgevingsvisie is een samenhangende visie met strategische hoofdkeuzes van beleid voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn. Belangrijke input voor een omgevingsvisie is het resultaat van het vorige kwart van de beleidscyclus: terugkoppeling. Ofwel: monitoring en evaluatie. De signalen uit monitoring en evaluatie kunnen aanleiding zijn voor aanpassing van een omgevingsvisie. Eventueel kan de provincie of gemeente de omgevingsvisie aanvullen met een uitvoeringsparagraaf, zoals verplicht is bij de structuurvisies op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Maar dat hoeft niet. Programma's zijn soms ook visievormend. Bijvoorbeeld als de overheid in het programma het beleid uit de omgevingsvisie voor een onderdeel van de fysieke leefomgeving, een aspect of gebied uitwerkt. Beleidsdoorwerking De overheid kan de gewenste kwaliteiten van de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan concreter maken door die ook stevig juridisch vast te leggen. Daarmee kunnen ook andere overheden worden gebonden om mee te werken aan de realisatie van het beleid. Dat kan bijvoorbeeld door eisen vast te leggen in omgevingswaarden, of door een programma vast te stellen. De overheid kan in programma's concrete maatregelen opnemen die leiden tot de vastgelegde en gewenste kwaliteit van een onderdeel van de fysieke leefomgeving, een aspect of een gebied. Deze programma's dienen ter uitwerking van het beleid uit de visie. Daarnaast zijn er verplichte programma's voor water, voor geluid en – als niet voldaan wordt aan omgevingswaarden – voor luchtkwaliteit. Een bijzondere vorm van een programma is de programmatische aanpak. Deze vorm van het programma omvat niet alleen maatregelen die bijdragen aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, maar stuurt ook op de toelating van activiteiten of projecten. De doorwerking van het beleid van provincies en het Rijk kan ook door middel van instructieregels over taken en bevoegdheden van andere overheden. Uitvoering In het onderste kwart aan de linkerzijde van de cyclus staat de uitvoering centraal. Dat gebeurt door de initiatiefnemers van activiteiten en projecten: burgers, bedrijven of overheden die iets willen ontwikkelen. Hiermee is dit kwart een uitzondering op de andere 3, waarin alleen de overheid centraal staat. Voorop staat de eigen verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, die tot uitdrukking komt in een algemene zorgplicht. Waar inkadering van activiteiten door de overheid nodig is, gebeurt dat zo veel mogelijk door algemene regels. Als toestemming van de overheid nodig is, verloopt die in principe via een omgevingsvergunning. Daarnaast kent de Omgevingswet het projectbesluit. Hiermee kan een overheidsinstantie zelf de regie nemen over de besluitvorming voor een project waarvoor zij verantwoordelijk is. Bijvoorbeeld de aanleg van een snelweg of een dijkverlegging. Terugkoppeling Het bovenste kwart aan de linkerzijde staat voor terugkoppeling. Met toezicht en handhaving ziet de overheid toe op naleving van de algemene regels en vergunningvoorschriften. Via monitoring brengt de overheid de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in beeld. Uit evaluatie blijkt of bijstelling van de beleidsdoelen en/of aanpassing van de inzet van instrumenten nodig is. De keuze voor de instrumenten bepaalt het soort terugkoppeling. Als een gemeente bijvoorbeeld juridische regels in het omgevingsplan zet, spelen in de terugkoppelingsfase toezicht en handhaving een belangrijke rol. Maar als de gemeente kiest voor een programma, zullen in de terugkoppelingsfase vooral monitoring en evaluatie belangrijk zijn. 5.3Uitvoeringsprogramma Uitvoerings- en Handhavingstaken Een gedetailleerde uitwerking van de omvang / intensiteit van de prioriteiten in doelstellingen, activiteiten én in te zetten instrumenten wordt gemaakt in het uitvoeringsprogramma. Dit programma wordt ieder jaar vastgesteld. Als bijlage bij het uitvoeringsprogramma voegen we het uitvoeringsprogramma van de Omgevingsdienst. De beschikbare formatie en budget vormen een belangrijk kader van het uitvoeringsprogramma (artikel 13.10. onder b van het Omgevingsbesluit). Voor het realiseren van onze reguliere taken en de in dit beleidsplan genoemde doelstellingen, hebben we in onze meerjarenbegroting voor de periode 2023-2026 jaarlijks een budget geraamd (artikel 13.10 onder a van het Omgevingsbesluit). Daarnaast kunnen er jaarlijks projecten worden benoemd, die we kunnen financieren met extra middelen. De onderbouwing hiervan maken we jaarlijks in een uitvoeringsprogramma: in dit programma benoemen we per jaar de activiteiten en capaciteit die nodig zijn om de reguliere werkzaamheden én meerjarige doelstellingen te realiseren. In het uitvoeringsprogramma beschrijven we: welke instrumenten we inzetten om de doelstellingen te realiseren; hoe intensief dit instrument wordt ingezet; welk organisatieonderdeel de inzet levert (intern, maar ook Omgevingsdienst, Veiligheidsregio). Uit het uitvoeringsprogramma blijken de gevolgen voor de capaciteit. In het uitvoeringsprogramma vindt analyse en bijsturing plaats van aantallen op basis van: een analyse van het naleefgedrag op basis van verrichte controles, ingekomen klachten en handhavingsverzoeken op de verschillende beleidsvelden; landelijke prioriteiten en signalen van bijvoorbeeld het Ministerie van I&M; samenwerkingsafspraken; een analyse van bouwprognoses, economische ontwikkelingen en overige factoren die van invloed kunnen zijn op het werkaanbod of de prioriteitsstelling. 5.4Koppeling BIG-8 met de begrotingcyclus De beleidscyclus van de BIG-8 is binnen de gemeente gekoppeld aan de reguliere begrotingscyclus, de meerjarenbegroting en instrumenten die worden gehanteerd in het kader van de Planning & Control cyclus. Deze leveren input voor de bestuursrapportages, de kadernota/begroting en de jaarrekening. 5.5Monitoring en jaarverslag De uitvoering leidt tot resultaten. In hoeverre deze resultaten bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen, is object voor monitoring, evaluatie en verantwoording. De prioriteiten in voorliggend document vertalen we naar SMART doelstellingen en -indicatoren (zie bijlage 1). Door het meten van deze indicatoren krijgen we periodiek inzicht in de mate waarin we onze prioriteiten en doelstellingen realiseren. De resultaten van de monitoring nemen we op in onze tussentijdse rapportages en het jaarverslag. De tussentijdse rapportages hebben tot doel de voortgang te monitoren én bijzonderheden te rapporteren. Bij de tussentijdse rapportages worden de rapportages van het OM, de Veiligheidsregio en Omgevingsdienst meegenomen en als bijlage toegevoegd. Met het jaarverslag informeren we de raad over de doelrealisatie. Het jaarverslag wordt vastgesteld door B&W. Als bijlage bij het jaarverslag voegen we het jaarverslag van de Omgevingsdienst. Een jaar vóór het einde van de looptijd van dit beleidsplan voeren we een evaluatie uit naar het functioneren en de doorwerking van dit VTH-beleid. 5.6Borging van kwaliteit Zonder formele borging van de kwaliteit is er een sterke mate van afhankelijkheid van de individuele medewerker. Door de gemeenteraad wordt voor het einde van het jaar de ‘Verordening uitvoering en handhaving (omgevingsrecht)’ vastgesteld. De provincie houdt met haar Interbestuurlijk Toezicht (IBT) zicht op de gemeente of deze aan haar verplichtingen voldoet en of de U&H-organisatie zo ingericht is, dat de taken in voldoende mate kunnen worden uitgevoerd. Binnen de kaders van de Omgevingswet en de bepalingen in bovengenoemde verordening borgen we onze kwaliteit; dit doen we door de raad te informeren over de naleving van de kwaliteitscriteria en hoe we handelen als we niet voldoen aan de kwaliteitscriteria (comply or explain). Kwaliteit is voor ons het realiseren van de prioriteiten die we met elkaar hebben afgesproken. Deze prioriteiten zijn door het bestuur vastgesteld in het strategisch beleidskader (hoofdstuk 4) en geven in de kern aan wat we met onze werkzaamheden bijdragen aan de maatschappelijke opgaven. We ondernemen continu acties om de gewenste kwaliteit te realiseren. Gerelateerd aan onze bovenstaande kwaliteitsdoelstelling, constateren we dat de kwaliteit afhankelijk is van de wijze waarop onze organisatie is ingericht en hoe dit gewaardeerd wordt door ons bestuur, onze klanten en de partners waarmee we samen werken. We ondernemen onder meer de volgende activiteiten om de kwaliteit te borgen: Voeren van wekelijkse gesprekken tussen management en bestuur waarin verwachtingen van bestuur en management worden uitgesproken en afgestemd. Duidelijke opdrachtverlening, sturing en afstemming met Omgevingsdienst en Veiligheidsregio. Functiescheiding op persoonsniveau tussen vergunningverlener en toezichthouder. persoonsniveau tussen toezichthouder tijdens de bouwfase (met het accent op bouwen) en toezichthouder voor de bestaande bouw (met het accent op brandveiligheid en/of milieu). persoonsniveau tussen vergunningverlener, toezichthouder en handhaver objectniveau voor toetsing en toezicht door specialismen Een (per nieuwe medewerker of medewerker met nieuwe functie) op maat gemaakt inwerktraject. Jaarlijkse toetsing aan en rapportage over de vigerende kwaliteitscriteria. Volgen en bijhouden van actuele vakkennis benodigd voor de functie. Vertalen van beleid en strategie in uitvoeringsprogramma (planning) met een concrete uitwerking van in te zetten instrumenten en de hiervoor benodigde intensiteit (uren/euro’s). Borging benodigde middelen in begroting voor uitvoering uitvoeringsprogramma, inclusief bereikbaarheid en beschikbaarheid buiten kantoortijden. Verzorgen van de automatisering, materiaal en materieel om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Beleidsevaluatie en verslaglegging (verantwoording) over de kwaliteit van de Uitvoerings- en Handhavingstaken (realisatie van prioriteiten uit beleid) en de wijze waarop met verbeterpunten uit voorgaande verslagen is omgegaan. Bijlage1.Omgevingsanalyse – analyse van problemen en inzichten Verkenning Samen met de OD en de VRH hebben we gekeken naar welke problemen in Medemblik spelen. Hieruit zijn de volgende problemen naar voren gekomen: Illegale bewoning in woonwijken, bedrijventerreinen en op recreatieparken Veel lasten onder dwangsom Rookoverlast/houtstook meldingen Lange doorlooptijden wanneer de Veiligheidsregio is aangehaakt bij ontvankelijkheid en toetsing Overlast van knalapparaten Toetsing evenementen Plaatsing warmtepompen/airco’s (zonder vergunning plaatsen en geluidsoverlast) Meldingen overlast paardrijbakken Capaciteitsgebrek Toename principeverzoeken Meer vergunningen van rechtswege Een aantal problemen bleken soms gevoelsmatig van aard te zijn, m.a.w. het werd niet cijfermatig onderbouwd. Van de rookoverlast en plaatsing warmtepompen en airco’s gaven de cijfers en meldingen niet heel duidelijk aan dat we te maken hebben met een probleem. We blijven deze onderwerpen wel monitoren en verwachten dat het in de toekomst wellicht voor meer overlast gaat zorgen. De 5 overgebleven problemen zijn bestuurlijk geprioriteerd en zijn in volgorde van prioritering hieronder opgenomen. 1. Illegale bewoning in woonwijken, bedrijventerreinen en op recreatieparken De komst van buitenlandse werknemers, maar ook de toename van asielzoekers met een verblijfsstatus, leidt tot een extra vraag naar huisvesting. Buitenlandse werknemers verblijven over het algemeen relatief kort in kleinere ruimten met beperkte voorzieningen. Woonruimtes voor buitenlandse werknemers zijn onvoldoende beschikbaar, waardoor huisvesting op andere plekken plaatsvindt. De huidige huisvesting van buitenlandse werknemers leidt tot oneigenlijk/strijdig gebruik van de objecten met de volgende bijkomende risico’s: slechte brandveiligheid (zeker in combinatie met overbewoning), parkeeroverlast, gezondheidsrisico’s door beperkt ventileren, slechte sanitaire voorzieningen en verslechtering van de waterkwaliteit (door bij gebrek aan riolering lozing op oppervlaktewater). Het illegaal gebruik heeft vooral tot gevolg dat overlast in de buurt ontstaat (onder meer parkeren en vervoerbewegingen), bedrijven worden beperkt in hun groeimogelijkheden (door bewoning van bedrijfswoningen) en branden sneller kunnen ontstaan en uitbreiden en vluchtmogelijkheden worden beperkt (met name bij splitsing en overbewoning). Een deel van het illegaal gebruik leidt niet direct tot hinder voor de omgeving; doordat over deze activiteiten niet geklaagd wordt, zijn deze activiteiten vaak ook niet bekend bij de gemeente. Bij handhavend optreden door de gemeente bij een gelijksoortige situatie worden de nog niet bekende situaties door beklaagde vaak aangedragen. Dit geeft een gevoel van rechtsongelijkheid bij de overtreder. Inzichten Illegale bewoning in woonwijken (door arbeidsmigranten) 2020 10 fixi meldingen 14 Decos dossiers 2021 15 fixi meldingen 10 Decos dossiers 2022 8 fixi meldingen 15 Decos dossiers *) *) Ook hebben we nog 22 (te controleren) adressen op lijst van de toezichthouders aan de hand van interne meldingen/telefoontjes/eigen constateringen Signalen over permanente bewoning recreatieparken 2020 Geen fixi meldingen Geen Decos dossiers 2021 1 fixi meldingen 3 Decos dossiers 2022 1 fixi meldingen 3 Decos dossiers Daarnaast staan volgens de Basisregistratie personen 228 individuen ingeschreven op de diverse vakantieparken in Medemblik (waar dat niet is toegestaan). We zien voor zowel de bewoning in woonwijken als op recreatieparken een toename in het aantal meldingen en dossiers dat is aangemaakt. Beleid Voor handhaving was afgesproken om in het programma per park een handhavingsparagraaf op te stellen. Op 21 september 2021 heeft het college de Beleidsregel handhaving recreatief gebruik recreatieverblijven gemeente Medemblik 2016 echter ingetrokken. Deze beleidsregel gaf een prioritering voor de handhaving per park (tot 2018) en een staffel voor de hoogte van dwangsommen en lengte van begunstigingstermijnen. Voor dit laatste kunnen we terugvallen op de U&H-strategie (waarin aansluiting is gezocht bij de Landelijke handhavingsstrategie), maar voor de prioritering hebben we nu geen kaders. Er wordt thans dus gehandhaafd aan de hand van meldingen en handhavingsverzoeken. Dit heeft tot gevolg dat we wel individuele gevallen aan (kunnen) pakken, maar niet een geheel park en onze handhaving reactief is. Het zicht en grip op de parken verdwijnt ook. Ook onze geloofwaardigheid komt in het geding door langdurig niet handhaven. Het beeld kan ontstaan dat we gedogen terwijl hier (op de meeste parken) geen sprake van is. Grote spelers Tijdens de controles op illegale bewoning komen de toezichthouders een aantal dingen vaak tegen. Ten eerste zijn het vaak “grote spelers” die de mensen illegaal ergens huisvesten. Met grote spelers worden personen bedoeld die vaak genoemd worden door de arbeidsmigranten als zijnde degene die ze huisvesting hebben gegeven. Ten tweede worden arbeidsmigranten vaak uitgebuit door deze “grote spelers”. Voor een groot deel zijn dit de jonge arbeidsmigranten die niet eerder in Nederland hebben gewerkt. Tijdens controles valt op dat de oudere generatie hier minder last van heeft. Ten derde worden de arbeidsmigranten vrijwel altijd hiernaartoe gehaald door ronselaars die hen in deze illegale situaties brengen. Arbeidsmigranten dragen zelf zelden zorg voor de eigen huisvesting. Overlast In de buurt waar arbeidsmigranten wonen kan dit voor de buurt overlast opleveren vanwege een ander dag- en leefritme, de hoeveelheid auto’s, de wisseling van arbeidsmigranten (door verhuurder/uitzendbureaus). Doordat het geen gezinsleden zijn, is er minder binding met elkaar waardoor men minder op elkaar let of aanspreekt op gedrag, en is er minder binding met omgeving waardoor men zich minder geneigd voelt zich aan te passen. In het ergste geval wordt de Wet Aanpak Woonoverlast ingezet. Risico’s De arbeidsmigranten verblijven met regelmaat op locaties die niet voldoen aan de huidige wet- en regelgeving. Het gaat dan om overbewoning, slechte ventilatie en isolatie, hygiëne, maar ook brandveiligheid. Men woont op plekken, bijvoorbeeld op een industrieterrein, waar andere veiligheidsnormen gelden dan bij een woonfunctie. Ook bij inzet van de brandweer is illegale bewoning een groot risico: als er een brand is in een woonwijk gaat de brandweer er vanuit dat daar zich mensen bevinden. Dan geldt er een wettelijke verplichting vanuit het Besluit Veiligheidsregio’s om bij een brand in een woning een maximale opkomsttijd van 8 minuten te realiseren. Bij portiekwoningen is dat zelfs 6 minuten. Echter, bij een industriefunctie is de opkomsttijd 10 minuten. Op deze eisen is onze brandweerzorg dan ook georganiseerd. Dus bij een brand in een loods op een industriegebied mag de brandweer er 10 minuten over doen. Ook zal een andere inzet gepleegd worden bij bestrijding van de brand. Op enkele vakantieparken staan veel houten bouwwerken, die gebouwd zijn in de jaren ‘70 en ’80 van de vorige eeuw. Doordat de bouwwerken niet voldoen aan de huidige eisen, is onder meer de brandveiligheid in het geding. De risico’s zijn: Fysieke veiligheid Volksgezondheid Leefbaarheid Bestuurlijk imago Recreatieve waardevermindering Vakantieparken verliezen hun recreatieve waarde omdat het gebruik als woning andere eisen stelt aan een vakantiehuisje dan wanneer dit recreatief wordt gebruikt. Voor de overige recreanten geldt een beperktere belevingswaarde, de kans op ruzies en verrommeling is groter en als geheel wordt het park minder aantrekkelijk. Doel Om illegale bewoning in woonwijken, op industrieterreinen en op recreatieparken tegen te gaan, voeren wij ten minste 50 controles uit op jaarbasis op illegale bewoning en/of onveilige situaties op bedrijventerreinen en in woonwijken en ondernemen actie bij strijdig gebruik controleren wij minimaal 1 recreatiepark per jaar op het gebruik conform het bestemmingsplan en ondernemen actie bij strijdig gebruik Prioritering Zeer hoog Activiteiten en middelen Tijd Activiteiten Maatregelen Vergunningen Toezicht Handhaving Communicatie OOV JZ Algemeen Externe partijen Q4 2023 t/m Q1 2024 Inzicht verkrijgen in het gebruik * kadaster analyse 750 750 * huidige lijsten bijwerken * inventarisatie verblijfsbelasting * ketenpartners navragen * starten met het onderzoek hoeveel bedden er nu bekend zijn (rapport Decisio) Q2 en Q3 2024 Preventie, toezicht en handhavingsstrategie opstellen * Preventiemogelijkheden onderzoeken 750 750 24 750 Veiligheidsregio * Mogelijkheden voor een specifieke beleidsregel uitwerken Het expertise centrum Riec * Verruimen bestuurlijke instrumentarium (mogelijk inregelen van bestuurlijke boete) Politie * Prioriteitenstelling opstellen / opstellen obv prioriteiten Belastingen * Koppeling maken met Bibob beleidsmaatregelen BRP * Werkproces opstellen uitvoeren strategie (o.a. opstellen sjablonen) EZ * Sociale ketenpartners inschakelen Sociaal domein Obv de bestuurlijke keuzes bepalen we de toezicht en handhavingsstrategie van het park Q4 2024 t/m einde Uitvoeren preventie, toezicht en handhavingsstrategie *Obv ervaringen en doorontwikkeling informatie website aanpassen 375 375 24 375 Veiligheidsregio *Obv ervaringen toetsingsmatrix en toetsniveau onderdelen zo nodig aanpassen Het expertise centrum Riec * Werkprocessen aanpassen Politie Belastingen BRP Sociaal domein Q1 2024 Prioritering vakantieparken * inzichtelijk maken van de meldingen 20 20 Sociaal domein * prioritering opstellen obv huidig aantal meldingen en kennis en ervaring Zorg en veiligheids-preventie Q1 2024 Inzicht verkrijgen in het gebruik * overzicht vergunningen 20 40 20 20 Poltie * overzicht meldingen * contact vakantieparken * gegevens BRP * risico's afstemmen met politie Q2 2024 Inplannen / uitvoeren controles * inplannen, voorbereiden en verwerken controles 80 40 Q2 2024 t/m einde Uitvoeren handhaving * legalisatie onderzoek 8 40 * voornemen lasten onder dwangsom * last onder dwangsom opleggen * termijn verlopen last onder dwangsom * hercontrole Subtotaal 28 2035 1915 48 1165 40 2. Toetsing evenementen Het is voorgekomen dat bij het verlenen van een evenementenvergunning geen bestemmingsplantoets wordt gedaan waarmee het risico bestaat dat in strijd met de bestemmingsplanregels een evenement wordt gehouden. Tevens komt het voor dat niet altijd wordt getoetst aan op constructieve veiligheid en brandveiligheid. Risico’s In het geval van constructieve veiligheid of brandveiligheid is er een reëel risico. Er is geen zekerheid of de tribune, het podium of stellage constructief in orde is en in het gebruik veilig is. Juiste plaatsing van objecten gelet op vluchtstromen, bereikbaarheid hulpdiensten zijn zaken die nog onvoldoende belicht zijn. De risico’s zijn: Fysieke veiligheid Imago van bestuurders en gemeente Organisatoren Niet altijd is de kwaliteit van de aangeleverde spullen bij een aanvraag op orde. Aanvragen zijn onvolledig, tekeningen zijn van onvoldoende kwaliteit, noodzakelijke rapporten missen. Evenementenbeleid Op dit moment ontbreekt er beleid dat ziet op de evenementen. Het is de wens om in 2023 evenementenbeleid op te stellen. Het doel van het evenementenbeleid is aan de ene kant het belang van de stad bij kwalitatief goede buitenevenementen en een gedifferentieerd evenementenaanbod. Anderzijds is het waarborgen van de veiligheid van personen en goederen en het beperken van de overlast van groot belang. Het doel van het gezamenlijk beleid is om een zorgvuldig evenwicht te vinden tussen deze belangen. Met name de wens voor kwalitatief goede buitenevenementen en een gedifferentieerd aanbod vereist nadere regels. Ook kan worden vastgelegd welke mogelijkheden de verschillende locaties bieden, daarmee ook de beperkingen gevend. Verder kunnen in het beleid kaders worden opgenomen over evenementenvergunningen. Hieronder vallen ook de openbare orde- en veiligheidsafspraken rondom evenementen. Hiermee wordt de organisatie van het proces verder verbeterd, wordt het klantvriendelijker voor de organisatoren en worden toezicht en handhaving beter geregeld. Deze nieuwe kaders geven duidelijkheid aan organisatoren over het vergunningensysteem. Tegelijkertijd biedt het meer mogelijkheden om belangen op een goede wijze tegen elkaar af te kunnen wegen. Een solide evenementenbeleid geeft ons de instrumenten om te kunnen sturen. Cijfermatige onderbouwing We hebben geen cijfers die dit goed kunnen onderbouwen maar weten wel door interne signalen dat het met grote regelmaat voorkomt. Doel Om te zorgen dat onze evenementen veilig zijn en er geen evenementen plaatsvinden op locaties waar het bestemmingsplan dit niet toelaat toetsen wij alle B en C evenementen op constructieve veiligheid en brandveiligheid worden alle vergunningsplichtige evenementen vooraf getoetst aan het bestemmingsplan / omgevingsplan Prioritering Hoog Activiteiten en middelen Tijd Activiteiten Maatregelen Vergunningen Toezicht Handhaving Ruimtelijke Ordening Communicatie Teamleider Omgevingszaken JZ Algemeen ICT APV Q2 2024 Aanpassen werkproces evenementen vergunning * analyseren huidge werkprocessen 60 10 10 10 20 10 * opstellen / aanpassen werkproces * communiceren werkproces Q2 2024 Format vergunningen * aanpassen format 10 2 10 * delen nieuw format Q3 2024 RX mission aanpassen * signaal functie bp toets inbouwen 4 2 * inbouwen managementrapportage * gebruik signaalfunctie communiceren met team Subtotaal 70 10 10 10 20 10 2 4 12 Tijd Activiteiten Maatregelen Toezicht Teamleider Omgevingszaken OOV APV Externe partijen Q1 2024 Wij stellen een integraal evenementenbeleid op * Duidelijke toezicht en handhavingsmatrix opstellen 60 50.000 * Formulier opstellen * Schakelen expertise in voor het opstellen van het evenementenbeleid * Werkproces actualiseren Q2 en Q3 2024 Implementeren en borgen integraal evenementenbeleid 8 8 Politie Veiligheidsregio Q3 2024 Communiceren beleid en richtlijnen * Beteren instructie naar partners 20 * Beleid naar organisatoren / partners Q1 2025 Aanhaken externe constructeur * afspraken / werkproces maken 2 20 * navraag andere gemeentes * opvragen offertes * contractuele afspraken Subtotaal 8 2 8 100 3. Toename lasten onder dwangsom De laatste jaren zien we een toename in het aantal lasten onder dwangsom. Dit komt deels door de maatschappelijke verharding en ook tijdens corona is er grote toename geweest van meldingen en handhavingstrajecten. Dit lijkt in 2022 een blijvende ontwikkeling. Onderliggend hieraan zijn mede burenruzies. Dat heeft tot gevolg dat er vaak sprake is van een situatie waarin men niet meer het goede gesprek wil voeren over een oplossing, waarmee je automatisch in het juridische traject belandt, waar de gemeente vaak als partij tussen beide komt. De toename in het 'moeten' volgen van een juridisch traject, vraagt veel extra tijd van de juristen en van de toezichthouders (aanschrijvingen, zienswijze gesprekken, controles en hercontroles). Aantallen last onder dwangsom 2020 11 2021 19 2022 30 Zowel het bestuursorgaan als de inwoner zijn ‘slachtoffer’ bij het vaker opleggen van een last onder dwangsom/bestuursdwang. Het inzetten van dit instrument kost veel tijd en aandacht, zowel voor de ambtenaren ‘op kantoor’ (juristen) als de toezichthouders – die beiden in de regel gebonden zijn aan strakke wettelijke termijnen. De inwoner ervaart last van het vaker inzetten van dit instrument omdat zij hierdoor sneller financiële schade lijden, afgezet tegen de situatie dat de overtreding wordt beëindigd na een goed gesprek. Voorts kan het opleggen van een last op een inwoner, naar aanleiding van een verzoek van een derde hiertoe, leiden tot (verdere) escalatie van een burenruzie. Deze escalatie heeft vaak tot gevolg dat er opnieuw inzet wordt vereist vanuit de toezichthouders en juristen doordat er dan vaak over en weer meldingen en handhavingsverzoeken worden ingediend. Je staat daarnaast als gemeente en inwoner sneller tegenover elkaar, er is vaak onbegrip als er ‘meteen’ wordt gekozen voor een last onder dwangsom/bestuursdwang i.p.v. het goede gesprek. Tegen de besluiten staat bezwaar en beroep open, als deze route wordt gekozen door een inwoner heeft dit vervolgens ook weer gevolgen voor de capaciteit bij eerst de vakafdeling en na de bezwaarprocedure weer op juridische zaken. De-escalatie We willen vaker inzetten op het goede gesprek, een mediërende rol aannemen, de gemoederen sussen. Dit kan niet altijd, maar moet wel een eerste middel zijn om tot een oplossing te komen. Risico’s Spanningen, polarisatie, conflicten. Partijen komen al snel in een ‘agressieve’ modus tegenover elkaar te staan. Het conflict beperkt zich vaak niet tot één of twee erven, vaak heeft de nabije omgeving er ook de nodige last van. Ook kan de gemeente in een rol worden gedwongen die een negatieve respons oproept bij burgers of bedrijven. De risico’s zijn: Leefbaarheid Imago van bestuurders en gemeente Verzoeken en constateringen In het geval van een verzoek om handhaving kom je al snel in het formele traject, waarmee niet gezegd is dat het op een ‘zachtere’ manier kan worden opgelost, maar bij eigen constateringen is er meer speelruimte. En deze ruimte willen we ook benutten: eerst het gesprek en de oplossing zoeken en als dat niet lukt, het formele traject. Doel Om het aantal lasten onder dwangsom terug te dringen lossen wij 20% van de handhavingszaken informeel op Prioritering Gemiddeld Activiteiten en middelen Tijd Activiteiten Maatregelen Toezicht Handhaving Teamleider Omgevingszaken ICT Externe partijen Q2 2024 Analyseren en categoriseren van de opgelegde dwangsommen * Inzicht verkrijgen in de opgelegde dwangsommen 750 750 schrijven beleidsstukken * Analyse van de dwangsommen (zijn ze terecht toegepast) koppelen beleidsmedewerker 0,5 FTE Q4 2024 Actualiseren toezicht en handhavingsbeleid * Toevoegen van preventie aan het toezicht en handhavingsbeleid en actualiseren 750 750 Q1 2024 Werkproces opstellen 8 50 2 Q1 2024 Opzet registratiesysteem 8 50 2 20 Q1 2024 t/m Q4 2024 Scholing / opleiding medewerkers * uitzoeken welke opleidingen gevolgd moeten worden 20 30 2 * opleiding volgen Q2 2024 t/m einde Uitvoering informeel oplossen * implementeren werkproces 100 300 * gesprek aangaan * evaluatie Subtotaal 1636 1930 6 20 4. Advisering Veiligheidsregio In de dienstverleningsovereenkomst tussen de gemeente en de Veiligheidsregio zijn termijnen opgenomen over toetsing op ontvankelijkheid en over het inhoudelijke advies. In de praktijk lukt het veelal niet om deze afspraken na te komen. De Veiligheidsregio ontvangt stukken om inhoudelijk advies uit te brengen terwijl de aanvraag nog niet ontvankelijk is, ontvangt stukken waarvan het onduidelijk is wat er gevraagd wordt, toets stukken op ontvankelijkheid en ontvangt later het adviesverzoek terwijl de aanvraag nog altijd niet ontvankelijk is. In het samenspel tussen vergunningverlener en Veiligheidsregio loopt het niet altijd even goed. De vergunningverlener toets de aanvraag soms zelf op ontvankelijkheid brandveiligheid en zet dat soms uit bij de Veiligheidsregio. Op deze wijze loopt het gehele proces vertraging op en geeft frustratie bij vergunningverlener, aanvrager en toetser Veiligheidsregio. Wanneer termijnen niet gehaald worden, moet de beslistermijn worden verlengd en wordt in het ergste geval fataal. Risico’s Door vertraging in de behandeltijd van een aanvraag kan onvrede en frustratie ontstaan bij de aanvrager. Dit betreft dan de burger die een aanvraag doet, maar ook grotere partijen zoals ontwikkelaars en bouwbedrijven. De gemeente kan hiermee in een slecht daglicht komen te staan. De risico’s zijn: Imago van bestuurders en gemeente Cijfermatige onderbouwing We hebben hier geen ‘harde’ cijfers van, en het is ook niet te zeggen hoeveel vergunningsaanvragen fataal (in 2022: 3) zijn geworden hierdoor, maar in de gesprekken met de Veiligheidsregio en de vergunningverleners werden de stroperige doorlooptijden als zeer vaak voorkomend bestempeld. We willen snellere doorlooptijden, heldere werkafspraken en een soepel lopend proces en hebben hiervoor het volgende doel: Doel Om de doorlooptijden van vergunningsaanvragen te bespoedigen worden 90 % van de vergunningsaanvragen die bij de Veiligheidsregio worden aangeboden, binnen 5 dagen op ontvankelijkheid getoetst en wordt binnen 15 werkdagen inhoudelijk advies uitgebracht Prioritering Laag Activiteiten en middelen Tijd Activiteiten Maatregelen € Externe advisering Vergunningen Veiligheidsregio Q3 2023 Werkprocessen ihkv WKB en Omgevingswet in beeld brengen en aanpassen * Inhuur Bureau Sense 20.000 60 20 * Alle medewerkers en veiligheidsregio waar het hapert en waar we kunnen verbeteren Q4 2023 en Q1 2024 Werkprocessen ihkv WKB en Omgevingswet implementeren en borgen * Verbeteren van de capaciteit administratie vergunning verlening * Trainen medewerkers * Squit verplichte checklist doorlopen en afvinken / softwarematig optimaliseren Q4 2023 t/m einde Optimaliseren samenwerkingsafspraken met ketenpartners * Optimaliseren en monitoren afspraken * Integrale accountsgesprekken per kwartaal / doorlooptijd meenemen in het gesprek Q2 2024 Werkpr

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.