Bijlagen behorende bij het Integraal Handhavingsbeleidsplan 2023BijlageA Procedureboek Handhaving (uitvoeringsprotocollen) Bijlage A Procedureboek Handhaving (uitvoeringsprotocollen) Inhoudsopgave Inhoudsopgave 4
(4)Beschikking bestuurlijk dwangmiddel 1 1 1 Effectuering bestuurlijk dwangmiddel 1 1 1 Intrekking beschikking 1 1 1 Bestuurlijk afloopbericht 1 1 1 PV 1 Afloopbericht PV 1 1 Klachten/meldingen 3 3 3 Handhavingsprogramma 1 Lijst Top-X bedrijven 1 1 Aandachtsbedrijven 1 1 (Ontwerp) gedoogbeschikking 1 1 1 Gebiedsgegevens 1 1 Projectgegevens 1 1 Overtreding gegevens vrije veld 1 1 1 1 = altijd 2 = bij gelijktijdig handhavingsbevoegdheid 3 = oor- en oogfunctie 4 = flankeerbeleid 5 = indien overtreding nog niet ongedaan is gemaakt 2.8Afstemming bij ketenhandhaving Onderwerp: Afstemming bij ketenhandhaving Datum: 01-12-2020 Verantwoordelijke: handhavingscoördinator Revisiedatum: 10-01-2023 Inleiding Onderhavig protocol geeft inzicht in de wijze waarop afstemming met andere handhavingsorganisaties vormgegeven wordt bij ketenbeheer. Daartoe worden de stappen beschreven die uitgevoerd worden in relatie tot afstemming en informatieoverdracht. Doel Doel van dit protocol is het vastleggen van de wijze waarop medewerkers werkzaamheden afstemmen en informatie overdragen ingeval van ketenbeheer. Het betreft daarbij vooral om afvalstoffen, bouwstoffen, grondstromen, asbest(sloop) en gevaarlijke stoffen. Ketenhandhaving is het samenwerken van handhavingspartijen gericht op een zekere afstemming van samenhangende activiteiten vanuit een gemeenschappelijk doel. Dit doel is een maximale beperking van risico’s voor veiligheid, volksgezondheid en leefomgeving als gevolg van de activiteiten in de te handhaven verwerkings- of productieketen. Werkwijze Vaak is de gemeente het eerst verantwoordelijke bevoegd gezag wanneer zaken spelen c.q. is het daar vaak het eerst bekend. De OMWB voert ook deze taken namens de gemeente uit. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het toezicht op de keten grondstromen binnen de gemeentegrenzen en wanneer het werk in verbinding staat met oppervlaktewater, ook van het waterschap. Omdat bij veel werken echter sprake is van gemeentegrens overstijgende grondtransporten, vervullen ook andere overheden een belangrijke rol bij het toezicht. Dit zijn in eerste instantie de provincies en eventueel de Inspectie I&E, de Inspectie L&T en de douane. Ook bij asbestsloop is de gemeente in eerste instantie het bevoegd gezag. Het toezicht op de keten van vuurwerk wordt gecoördineerd door de provincies. Daarnaast vervullen ook de gemeente en de Inspectie I&E een toezichthoudende rol in deze keten. Toets aan landelijke Handhavingsuitvoeringsmethode (hierna: HUM) Bij elk toezichtstraject (zoals bijvoorbeeld ten aanzien van grondstromen en vuurwerk), toetst de betreffende toezichthouder of er een landelijke HUM van toepassing is op de activiteit. Indien dat het geval is, vindt overdracht van de activiteit en informatie-uitwisseling plaats conform het gestelde in de HUM. Indien in de HUM geen afspraken rondom informatie-uitwisseling staan opgenomen of de betreffende keten kent (nog) geen HUM, worden de onderstaande methoden van informatie-uitwisseling toegepast. Instellen van ketencoördinator Bij ketenhandhaving is het beschikbaar hebben van een ketencoördinator van groot belang. Voor het uitvoeren van een dergelijke vorm van handhaving, veelal in projectvorm, wordt met de andere handhavingspartners een ketencoördinator benoemd. Deze coördinator verzamelt informatie van de overige partners, faciliteert het project, zonder dat er overdracht van bevoegdheden plaats vindt. Informatie-uitwisseling in de handhavingsketen Ketenhandhaving staat of valt met informatie-uitwisseling en samenwerking. Informatie is nodig voor het dagelijkse operationele optreden, de ketencoördinatie en ook voor sturing van elk van de partners door het eigen bestuur. Er zijn verschillende vormen van informatie te onderscheiden: operationele handhavingsinformatie; informatie over ketentransacties; sturings- of verantwoordingsinformatie. Operationele handhavingsinformatie Onder operationele handhavingsinformatie wordt verstaan basisinformatie over objecten (bedrijf, gebouw, persoon, werken etc), informatie over het bevoegd gezag (naam toezichthouder, contactgegevens), over verstrekte vergunningen en over het handhavingsverleden (bezoeken, overtredingen, sancties). Hiertoe wordt, specifiek voor ketenhandhaving, ook gerekend de procesinformatie, de informatie die nodig is om de onderlinge afstemming in de keten te regelen. Informatie over wie doet wat en wanneer, plannen voor gezamenlijk optreden en draaiboeken voor gezamenlijke risicoanalyses. Informatie over ketentransacties Een bijzondere vorm van operationele handhavingsinformatie is de informatie over ketentransacties. Daarbij gaat het om meldingen van bedrijven over hun productie of verwerkingsactiviteiten. Bij grondstromen kan gedacht worden aan de administratie van hoeveelheden grond, de kwaliteit (parameters), herkomst en bestemming, vervoer. Belangrijk zijn hierbij onder meer de geleidebrieven die verplicht zijn bij de verplaatsing van partijen verontreinigde grond. De toezichthouder zorgt voor registratie van deze operationele handhavingsinformatie. Hij stelt deze informatie beschikbaar aan de andere handhavingspartijen van de betreffende keten. Sturings- en verantwoordingsinformatie De sturings- en verantwoordingsinformatie omvat onder meer geaggregeerde operationele informatie, maar ook financiële informatie, noodzakelijk om de effectiviteit en efficiëntie van de handhaving te kunnen bepalen, risicoanalyses te kunnen maken en prioriteiten te kunnen vaststellen. De (leidinggevende van
- de)toezichthouder zorgt tevens voor registratie van deze sturings- en verantwoordingsinformatie. De toezichthouder stelt deze informatie beschikbaar aan de coördinator van de ketenhandhaving. Afstemming en informatieoverdracht Afstemming vindt plaats met de handhavingsinstanties die tevens handhavingsbevoegd zijn. De toezichthouder neemt contact op met de medewerker van die instantie die het vervolgtraject zal oppakken, al dan niet via de ketencoördinator afhankelijk van wat gesteld is in het draaiboek. Hierbij vindt afstemming van activiteiten plaats en wordt bovenstaande, relevante informatie overgedragen. N.B. Rekening moet worden gehouden met de doorzendplicht (2:3 Awb: Een bestuursorgaan zendt geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door naar dat orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender). 2.8.Gelijktijdige handhavingsbevoegdheid Onderwerp: Gelijktijdige handhavingsbevoegdheid Datum: 01-12-2020 Verantwoordelijke: handhavingscoördinator Revisiedatum: 10-01-2023 Inleiding Dit protocol geeft inzicht in de wijze waarop processen en informatiestromen worden afgestemd met andere handhavingsorganisaties die ook handhavingsbevoegd zijn. Daartoe worden de stappen beschreven die uitgevoerd worden om afstemming te bereiken en de momenten waarop deze afstemming plaatsvindt. Artikel 5.3 Wabo bepaalt dat “bij algemene regels van bestuur in het belang van doelmatige handhaving regels worden gesteld; hierbij worden in ieder geval regels gesteld met betrekking tot een strategische, programmatische en onderling afgestemde uitoefening van de handhavingsbevoegdheden door de bestuursorganen die belast zijn met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten en van het toezicht op de naleving door de onder hun gezag werkzame toezichthouders.” Gedeputeerde Staten dragen zorg voor de coördinatie van de uitvoering van het bepaalde krachtens artikel 5.3 in de provinciewet. Doel Doel van dit protocol is het vastleggen van de wijze waarop toezichthouders afstemmen met andere handhavingsorganisaties indien er een gelijktijdige handhavingsbevoegdheid is. Dit heeft met name betrekking op de overlegstructuur en informatieoverdracht. De momenten waarop gelijktijdige handhavingsbevoegdheid aan de orde zal zijn, zijn vooral bij overtredingen van zorgplichtbepalingen en handelingen met afvalstromen buiten inrichtingen. Het gaat hierbij om de artikelen 1.1a, 10.1, 10.2 en 10.54 van de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming/Besluit bodemkwaliteit en om de handhaving van de Wet milieugevaarlijke stoffen en de Waterwet. Werkwijze 1. Taakverdeling Nadat een overtreding is geconstateerd wordt bepaald welke instantie als eerste de bestuurlijke handhavingsbevoegdheid moet toepassen. Bepaalde situaties waarin gelijktijdige handhavingsbevoegdheid een rol speelt kunnen zijn opgenomen in de bestuursovereenkomst of aanverwante documenten. Voor zover dat niet het geval is wordt de onderstaande taakverdeling toegepast worden. 1.1 Taakverdeling m.b.t. de Wet milieubeheer en de Wet bodembescherming Bij illegale afvalstort buiten inrichtingen zijn zowel gemeenten als provincies bevoegd. Aan de hand van de hoeveelheid gestort afval wordt een keuze gemaakt; de gemeente is bevoegd indien de hoeveelheid afvalstoffen (van welke aard dan ook) minder bedraagt dan 50 m3 en de provincie is bevoegd bij hoeveelheden afvalstoffen van meer dan 50 m3. Bij deponeren van verontreinigd slib uit watergangen op de walkant is de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd. 1.2 Taakverdeling m.b.t. Stoffen, preparaten en genetisch gemodificeerde organismen Hoofdstuk 9 Wet milieubeheer (REACH) legt de relatie met de direct werkende EG-verordening Registratie, Evaluatie, Autorisatie van CHemische stoffen (REACH). Hetgeen geregeld is in hoofdstuk 9, was voorheen geregeld in de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms). Het volgende valt te onderscheiden: De regels voor natuurlijke koudemiddelen zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit of in de milieuvergunning. Het bevoegd gezag is duidelijk. Voorschriften voor synthetische koudemiddelen als (H)CFK's en HFK's komen voort uit direct werkende Europese verordeningen. Bevoegd gezag synthetische koudemiddelen Ten aanzien van de handhaving zijn daarmee de bepalingen in hoofdstuk 18 van de Wm van belang. De artikelen 18.2 en 18.2b van de Wm regelen hetzelfde als de delegatiebepaling van de Wet milieugevaarlijke stoffen voorheen regelde. Dit betekent in eerste instantie dat inspectie Leefomgeving en Transport het bevoegd gezag is. Bij overtredingen in een inrichting in de zin van de Wm kunnen burgemeester en wethouders dan wel gedeputeerde staten als bevoegd gezag handhavend optreden. Eventuele bestaande taakverdelingen tussen de inspectie Leefomgeving en Transport en bevoegde gezagen blijven daarmee onveranderd. Bij twijfel wordt contact opgenomen met de inspectie Leefomgeving en Transport 1.3 Taakverdeling m.b.t. het Besluit bodemkwaliteit Het toepassen van grond c.q. bouwstoffen in oppervlaktewateren, incl. waterbodems en bodem rond het oppervlaktewater, valt onder de bevoegdheid van de waterkwaliteitsbeheerder. Het gebruik van de bouwstof in andere gevallen valt primair onder het bevoegd gezag van de gemeenten. Het verwerken van bouwstoffen in inrichtingen valt onder de bevoegdheid van het gezag, zoals genoemd in de betreffende categorie van het Besluit omgevingsrecht 1.4 Taakverdeling m.b.t. de Waterwet Bij directe lozingen op het oppervlaktewater is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegde gezag. Voor de activiteiten van de inrichting is de gemeente, de provincie of het Rijk bevoegd gezag (inclusief indirecte lozingen). Voor wat betreft overtredingen op het vlak van de samenstelling van het geloosde water zal de waterkwaliteitsbeheerder, veelal op grond van de verleende watervergunning, optreden. 2. Afstemming over uitvoering handhaving Nadat getoetst is aan de bestuursovereenkomst, aanverwante documenten en de aanvullende taakverdeling, geeft de toezichthouder zijn constateringen aan de betreffende handhavingsbevoegde instantie door. Als onduidelijkheid bestaat over de vraag welke instantie de handhavingsbevoegdheid moet toepassen vindt overleg plaats tussen vertegenwoordigers van de in aanmerking komende instanties. 3. In afwijking van afspraken uitvoeren van bevoegdheid Als een ander bestuursorgaan, dat tevens bevoegd is, in tegenstelling tot bovenstaande desalniettemin wenst op te treden, kan dit schriftelijk aan het andere bestuursorgaan worden gemeld. 4. Uitwisselen van informatie Conform artikel 18.10 van de Wet milieubeheer zendt het bestuursorgaan dat handhavend optreedt, een afschrift van de handhavingsbeschikking aan de andere bestuursorganen die bevoegd zijn om handhavend op te treden. Daarnaast informeert het bestuursorgaan de overige bestuursorganen over het voorgenomen handhavend optreden. 2.9.Uitvoeren van een controle Onderwerp: Protocol 2.10 Uitvoeren van een controle Datum: 01-12-2020 Verantwoordelijke: handhavingscoördinator Revisiedatum: 10-01-2023 Inleiding Dit protocol geeft inzicht in de wijze waarop controles uitgevoerd worden. Doel Doel van dit protocol is het vastleggen van de wijze waarop toezichthouders controles moeten voorbereiden, uitvoeren, verslagleggen en afhandelen. Met dit protocol wordt, uitwerking gegeven aan de door de gemeente vastgestelde strategieën en de interne en externe afstemming. 1.Voorbereiding 1.1 Verzamelen van achtergrondinformatie en lichten van dossier(-
- s)Er wordt gekeken naar de vergunning- dan wel meldingssituatie en eventueel wordt relevante wetgeving geraadpleegd. Verder kunnen hulpmiddelen als bijvoorbeeld checklisten worden verzameld. Het dossieronderzoek bestaat uit het doornemen van onder meer de volgende documenten: vergunningendossier, meldingendossier, recente wijzigingen regelgeving, deelname aan convenanten, klachten en calamiteiten, aanvullende voorschriften of nadere eisen, PGS-richtlijnen, CFK-Besluit, ligging van het bedrijf in grondwaterbeschermingsgebied/ stiltegebied/ gezoneerd industrieterrein. Hulpmiddelen hierbij zijn checklists, plattegrond, voorschriften, meldingsformulieren en voorlichtingsmateriaal. Het geautomatiseerde objectenbestand wordt geraadpleegd. Ook dient de toezichthouder rekening te houden met eventuele noodzakelijke hulp- of beschermingsmiddelen (o.a. digitale camera, werkkleding) bij de controle. Tevens wordt een eventuele reactie van de inrichtingshouder/particulier op de rapportage van de eerdere controle doorgenomen. Checklists kunnen hierbij als hulpmiddel – voor verslaglegging – worden gebruikt. Verder dient de toezichthouder rekening te houden met eventuele noodzakelijke hulp- of beschermingsmiddelen (o.a. digitale camera, werkkleding) bij de controle. 1.2 Contact opnemen met vergunningverlener of behandelend ambtenaar van meldingen en externe partijen. Ook neemt de toezichthouder contact op met de betreffende vergunningverleners van het te controleren bedrijf dan wel perceel. Hierbij wordt aandacht besteed aan eventuele lopende zaken op grond waarvan handhaving op korte termijn niet wenselijk zou kunnen zijn. Daarnaast vindt contact plaats met de ambtenaar die verantwoordelijk is voor de be- en afhandeling van meldingen in het geval van een meldingsplichtig bedrijf (zie protocol Interne afstemming). Er wordt indien nodig gecommuniceerd met andere externe partijen. Ook hierbij wordt aandacht besteed aan eventuele lopende zaken op grond waarvan handhaving op korte termijn niet wenselijk zou kunnen zijn. Tevens verzamelt de toezichthouder (als wenselijk) aanvullende informatie over de te controleren inrichting dan wel perceel bij externe partijen (zoals waterschap, politie, OM). Invulling van dit onderdeel is ook afhankelijk van de eerder beschreven lokale afstemming tussen kleursporen (zie protocol Informatie-uitwisseling). 1.3 (niet) Aankondigen van controlebezoek Voor het uitvoeren van de controle kan op basis van de toezichtstrategie of het handhavingsproject (als wenselijk) de toezichthouder telefonisch een afspraak met de inrichtingshouder/particulier maken. Hierbij kan tevens verzocht worden bepaalde administratieve bescheiden klaar te (laten) leggen. 2.Uitvoering controle 2.1 Bepalen welke soort controle uitgevoerd gaat worden In de toezichtstrategie zijn de verschillende vormen van toezicht omschreven. Daarbij is aangegeven hoe en waarvoor deze ingezet kunnen worden. In het handhavingsuitvoeringsprogramma is omschreven welke vorm van toezicht in concrete situaties wordt toegepast. In de toezichtstrategie zijn de volgende vormen van toezicht beschreven: Preventief toezicht Routinematig toezicht Integraal toezicht Aspectcontrole Opleveringscontrole Multidisciplinair toezicht Ad hoc toezicht Preventief toezicht, integraal toezicht en multidisciplinair toezicht worden uitgevoerd conform het protocol voor routinematig toezicht. 2.1.1 Routinematig toezicht 2.1.1.1 Introductie bij inrichtingshouder/particulier, voorlichting en communicatie Bij aanvang van het controlebezoek wordt eerst een korte introductie bij betrokkene gegeven, waarin de aanleiding van het bezoek, ontwikkelingen en veranderingen (sinds vorig bezoek) en nabije toekomst worden besproken. Aan de hand van tekeningen, zoals opgenomen in het dossier, wordt bekeken of er nog recente wijzigingen zijn doorgevoerd. Voor zover van toepassing worden administratieve documenten doorgenomen. Daarnaast wordt de betrokkene gewezen op de belangrijkste wet- en regelgeving die van toepassing is. Als er naar wordt gevraagd toont de toezichthouder zijn/haar legitimatiebewijs. 2.1.1.2 Uitvoering van fysieke controle Na de introductie worden de administratieve gegevens gecontroleerd. Als het omvangrijke documenten of rapporten gaat dan wordt een kopie hiervan ter beoordeling door de toezichthouder meegenomen. Als het origineel wordt meegenomen dan wordt een verklaring (standaard document) achtergelaten, waarin aangegeven wordt welke documenten door de betreffende toezichthouder zijn meegenomen. Daarna volgt een rondgang over de locatie, inclusief eventueel bijbehorend buitenterrein. De aangetroffen situatie wordt getoetst aan de voorschriften uit de vergunning of de AMvB en/of melding en de toereikendheid van de voorschriften. Tijdens het bezoek kunnen de bevindingen worden vastgelegd met onder andere het nemen van monsters en foto’s. Aan de hand van de tekeningen, zoals opgenomen in het dossier, wordt bekeken of er nog recente wijzigingen zijn doorgevoerd. Wanneer een milieuzorgsysteem aanwezig is, vindt tevens controle plaats aan de hand van de checklist behorend bij het milieuzorgsysteem, zoals beleidsplannen, voortgang van het milieuprogramma, behaalde verbeteringen, calamiteiten, interne audits en directieoordeel. Bij projectmatige controles (branche- of themagericht) worden die aspecten gecontroleerd met als basis het draaiboek. Zoals bij aanvang van het project is opgesteld, staan opgenomen. 2.1.2 Aspectcontrole In feite verloopt een aspectcontrole op dezelfde manier als een reguliere controle. Alleen wordt er nu naar een bepaald aspect gekeken. Een voorbeeld van een aspectcontrole is een administratieve controle. Als de vergunning-/meldingssituatie het toelaat kan ook een administratieve controle worden uitgevoerd. Als de documenten binnen de termijn worden teruggestuurd of op een andere wijze worden gecontroleerd en ze voldoen, dan kan de controle verder worden afgehandeld zoals omschreven in paragraaf 3.1.1. Indien gevraagde documenten na afloop van de termijn niet zijn ontvangen of uit de documenten blijkt dat aan niet (alle) gestelde eisen/voorschriften wordt voldaan, kan verder worden gehandeld volgens paragraaf 3. 2.1.3 Ad hoc controle Bij meldingen, incidenten, klachten en ongewone voorvallen en constateringen in het veld worden in hoofdzaak die aspecten meegenomen die van belang zijn. Daarnaast wordt zijdelings gekeken naar andere mogelijke overtredingen. Bij incidenten en ongewone voorvallen is tevens aandacht voor de gevolgen van wat zich heeft voorgedaan en de maatregelen die de inrichtingshouder/particulier te plekke heeft genomen of alsnog dient te nemen. Deze controle kan verder worden afgehandeld conform de paragrafen 2.1.1.1, 2.1.1.2 en 2.2 van dit protocol. Een voorbeeld van een ad hoc controle is een controle naar aanleiding van een klacht. Omdat dit echter een specifieke afhandeling vereist is voor het afhandelen van klachten een apart protocol opgesteld, zie protocol 2.5 “klacht/ melding afhandeling”. 2.2 Evaluatie controle De betrokkene wordt geïnformeerd over de bevindingen en rapportage van de controle. Voor de verdere afhandeling wordt verwezen naar paragraaf 3 van dit protocol. 3.Afhandeling 3.1 Verdere procedure Afhankelijk van de uitkomst, wordt de volgende werkwijze gehanteerd: 3.1.1 Als wordt voldaan aan de gestelde eisen/voorschriften De betrokkenen wordt geïnformeerd over de rapportage van de controle. De rapportage kan via een brief/bezoekverslag worden afgedaan. Hoe een brief/rapportage moet worden opgesteld staan omschreven in protocol 2.12 “rapportage controles”. Verder wordt de betrokkenen gewezen op eventuele controles die in de toekomst plaatsvinden. De verdere afhandeling van de controle is omschreven in paragraaf 3.2 van dit protocol. 3.1.2 Als niet wordt voldaan aan de gestelde eisen/voorschriften De tekortkomingen worden met de betrokkene besproken. Tevens wordt getracht de betrokkene bewust te maken van de regels en het nut om zich aan de regels te houden. Hierbij worden termen als bijvoorbeeld veiligheid en een goede leefomgeving gebruikt. Voor het stellen van een termijn wordt gebruik gemaakt van de toezichtstrategie. Ook vertelt de toezichthouder over de inhoud en toepassing van de sanctiestrategie. Het handhavingstraject zal worden vormgegeven conform deze strategie. De verdere afhandeling van de controle is omschreven in paragraaf 3.2 van dit protocol. Hoe de hercontrole uitgevoerd moet worden is omschreven in protocol 2.11 “Uitvoeren van een hercontrole”. Wanneer sprake is van overtreding(en), onderzoekt de toezichthouder tevens of legalisatie van de geconstateerde overtreding(
- en)mogelijk is. Hierover kan afstemming zijn vereist met interne of externe partijen. Als sprake is van een overtreding van een bouwvergunning/-melding kan een bouwstop worden opgelegd en moet een nieuwe bouwtekening worden aangeleverd door de overtreder. Hierop zal een vergunningverlener beoordelen of legalisatie mogelijk is. Ook bij strijdig gebruik van het bestemmingsplan zal eerst worden beoordeeld of legalisatie mogelijk is. Mocht legalisatie niet mogelijk zijn dan moet in beide gevallen de situatie weer in de oude staat gebracht worden. Indien legalisatie wel mogelijk is, moet een nieuwe procedure worden gevolgd. 3.2 Verslaglegging De verslaglegging vindt binnen 15 werkdagen plaats. Als de legalisatie van illegale activiteiten mogelijk en wenselijk is, dan wordt in overleg met de vergunningverlener de termijn gesteld. De door de betrokkene overgelegde documenten (op basis van taakstellende voorschriften uit de vergunning) dienen ter beoordeling van de vergunningverlener te worden overgelegd. Eventueel vindt ook overleg plaats met interne en externe partners (betreffende bodem, bouwzaken, brandweer, waterschap, AID, Inspectie en/of provincie). De rapportage van de controle vindt plaats conform het protocol 2.12, rapportage controle. 3.3 Verwerken in het registratiesysteem Op basis van de controleresultaten werkt de toezichthouder het registratiesysteem bij volgens protocol 2.1 “Beheer van informatie (geautomatiseerd objectenbestand)”. Conform protocol 2.2 “Beheer van informatie (dossiervorming)” wordt het dossier bijgewerkt door de archiefmedewerker. Monitoringstabel Verantwoordelijke voor toepassing en het actueel houden van dit protocol: Naam: C. Deij Functie: handhavingscoördinator 2.10.Uitvoeren van een hercontrole Onderwerp: Protocol 2.11 Uitvoeren van een hercontrole Datum: 01-12-2020 Verantwoordelijke: handhavingscoördinator Revisiedatum: 10-01-2023 Inleiding Dit protocol geeft inzicht in de wijze waarop een hercontrole uitgevoerd wordt naar aanleiding van eerder geconstateerde overtredingen. In dit protocol worden alle stappen beschreven vanaf het voorbereiden van het bezoek tot en met de afronding daarvan in de vorm van verslaglegging, overdracht, het opleggen van sancties etc. Doel Het doel van dit protocol is het vastleggen van de wijze waarop medewerkers hercontroles moeten voorbereiden, uitvoeren, verslagleggen en afhandelen. Met dit protocol wordt ten aanzien van hercontroles uitwerking gegeven aan de door de gemeente vastgestelde strategieën nalevingsstrategie (zoals de toezichtstrategie, handhaving- en gedoogstrategie en interne en externe afstemming. Dit protocol wordt toegepast na stap 3.2.2 “Als niet wordt voldaan aan de gestelde eisen/voorschriften” van protocol 2.10 “Uitvoeren van een controle”. Werkwijze Na afloop van de termijn(
- en)zoals gesteld in de controlebrief/bezoekverslag, wordt een hercontrole uitgevoerd door de toezichthouder. Hiertoe worden de volgende stappen uitgevoerd. 1. Voorbereiding 1.1 Verzamelen van achtergrondinformatie en opvragen van dossier(-
- s)De toezichthouder neemt de brief of het bezoekverslag door. Verder worden de door de inrichtingshouder/particulier eventueel opgestuurde aanvullende informatie zoals rapporten, certificaten en andere documenten doorgenomen. Eventueel dient informatie opgevraagd te worden bij externe (handhaving)-organisaties, indien deze bij het eerdere controlebezoek betrokken zijn geweest en overtredingen hebben geconstateerd. Het basisregistratiesysteem wordt geraadpleegd. Tevens wordt een eventuele reactie van de betrokkenen op de rapportage van de eerdere controle doorgenomen. Checklists kunnen hierbij als hulpmiddel – voor verslaglegging – worden gebruikt. Verder houdt de toezichthouder rekening te houden met eventuele noodzakelijke hulp- of beschermingsmiddelen (o.a. digitale camera, werkkleding) bij de controle. 1.2 Contact opnemen met vergunningverlener of behandelend ambtenaar van meldingen, andere kleursporen en externe partijen. Indien bij de controle geconstateerd is dat er een melding of vergunningaanvraag ingediend moest worden, moet de toezichthouder contact opnemen met de betreffende vergunningverlener of behandelaar van meldingen. 1.3 (niet) Aankondigen van hercontrolebezoek In het algemeen wordt een hercontrole niet aangekondigd bij de betrokkene. In bijzondere gevallen (betrokkene is zelden aanwezig) kan er voor gekozen worden wel een telefonische afspraak voor de hercontrole te maken. De hercontrole wordt uitgevoerd direct na het aflopen van de termijn, zoals gesteld in de eerdere aanschrijvingsbrief of verslag. 2. Uitvoering hercontrole 2.1 Introductie bij inrichtingshouder/particulier, voorlichting en communicatie Bij aanvang van het eerste hercontrolebezoek haalt de toezichthouder kort het eerdere controlebezoek aan en worden de daarbij geconstateerde overtredingen besproken. De toezichthouder toont desgewenst zijn/haar legitimatiebewijs. Eventuele aanvullende bedrijfsinformatie, rapporten, certificaten, plannen van aanpak enz. worden beoordeeld, voor zover deze informatie nog niet is opgestuurd aan de gemeente. Als het omvangrijke documenten of rapporten gaat dan wordt een kopie hiervan ter beoordeling door de toezichthouder meegenomen. Als het origineel wordt meegenomen dan wordt een verklaring (standaard document) achtergelaten, waarin aangegeven wordt welke documenten door de betreffende toezichthouder zijn meegenomen. 2.2. Uitvoeren hercontrole Er volgt voor zover nodig een rondgang op de locatie, inclusief het eventuele bijbehorend buitenterrein. Op basis van de brief / bezoekverslag beoordeelt de toezichthouder of de eerder geconstateerde overtredingen ongedaan zijn gemaakt. Tevens noteert de toezichthouder eventuele nieuwe overtredingen die tijdens de rondgang worden geconstateerd. 2.3 Evaluatie controle De betrokkene wordt geïnformeerd over de bevindingen en rapportage van de controle. Voor de verdere afhandeling wordt verwezen naar paragraaf 3 van dit protocol. 3. Afhandeling 3.1 Verdere procedure Afhankelijk van de uitkomst, wordt de volgende werkwijze gehanteerd: 3.1.1 Als wordt voldaan aan de gestelde eisen/voorschriften De betrokkene wordt geïnformeerd over de rapportage van de controle of het ontvangen van de gevraagde documenten. De rapportage kan via een brief/bezoekverslag worden afgedaan. Hoe een brief/rapportage moet worden opgesteld staan omschreven in protocol 2.12 “rapportage controles”. Verder wordt de betrokkene gewezen op eventuele controles die in de toekomst plaatsvinden. De verdere afhandeling van de controle is omschreven vanaf punt 3.2 van dit protocol. 3.1.2.1 Bepalen vervolgacties Indien de eerder geconstateerde overtredingen niet (allemaal) ongedaan zijn gemaakt, de gevraagde documenten niet binnen de termijn zijn ontvangen, wanneer nieuwe overtredingen zijn geconstateerd, of wanneer een urgente situatie rondom een overtreding is ontstaan, onderneemt de toezichthouder vervolgacties conform de Landelijke Handhavingsstrategie. Welke vervolgactie wordt ondernomen is voornamelijk afhankelijk van de na het eerste controlebezoek gestarte handhavingskoers. Als op basis van op een later moment alsnog ontvangen bescheiden wordt vastgesteld dat niet aan de eisen/voorschriften wordt voldaan, wordt verder gebruik gemaakt van protocol 2.10 “uitvoeren van een controle”, beginnend bij 2.1.1. Als een tweede (of derde enz.) hercontrole uitgevoerd moet worden, wordt wederom gebruikgemaakt van dit protocol. 3.1.2.2 Bepalen van de te stellen termijn Voor het stellen van een termijn wordt gebruik gemaakt van de landelijke Leidraad ‘Handhavingsacties en begunstigingstermijnen’ uit de landelijke handhavingstrategie. De leidraad is opgenomen als protocol 2.15. 3.1.2.3 Informeren over bestuursrechtelijke vooraankondiging Tevens wordt de betrokkene op de hoogte gesteld van (eventueel) het voornemen tot het opleggen van een bestuursrechtelijke maatregel. De betrokkene wordt op de mogelijkheid gewezen om een zienswijze in te dienen tegen dit voornemen. 3.1.2.4 Informeren over strafrechtelijke handhaving Wanneer overtredingen worden doorgegeven aan de ‘strafrechtelijke partner’ wordt betrokkene hierover geïnformeerd. 3.2 Verslaglegging De betrokkenen wordt geïnformeerd over de rapportage van het hercontrole bezoek conform protocol 2.12 “rapportage controles”. De verslaglegging vindt binnen 10 werkdagen plaats. 3.3 Verwerken registratiesysteem Op basis van de controleresultaten werkt de toezichthouder het registratiesysteem bij volgens protocol 2.1 “Beheer van informatie (geautomatiseerd objectenbestand)” 3.4 Dossiervorming Conform protocol 2.2 “Beheer van informatie (dossiervorming)” wordt het dossier bijgewerkt door de archiefmedewerker. 2.11Rapportage controles Onderwerp: Protocol 2.12: Rapportage controles Datum: 01-12-2020 Verantwoordelijke: handhavingscoördinator Revisiedatum: 10-01-2023 Inleiding Van elke controle vindt verslaglegging plaats van wat geconstateerd is. Dit betreft de rapportage van gegevens afkomstig van zowel administratieve, reguliere, integrale, projectmatige, thema/aspectgerichte, als hercontroles. Ook wordt op deze wijze de informatie rondom controles naar aanleiding van klachten en meldingen vastgelegd. Dit protocol geeft inzicht in de wijze waarop verslaglegging plaatsvindt. Doel Doel van dit protocol is het vastleggen van de wijze waarop medewerkers controles rapporteren en vastleggen. Op deze wijze wordt een correcte en transparante verslaglegging naar de betrokkene en in de eigen organisatie geborgd. De rapportage bevat een schriftelijke verslaglegging van de bevindingen van het toezicht. Hierin of in de bijbehorende brief worden de te nemen vervolgstappen aangegeven. Werkwijze In dit protocol wordt in algemene termen en stappen aangegeven welke werkwijze gehanteerd dient te worden. Dit betreft dus zowel reguliere, integrale, projectmatige, administratieve, thema-aspectgerichte als hercontroles, als ook controles naar aanleiding van klachten en meldingen. Voor wat betreft de vorm van de rapportage kan gebruikgemaakt worden van de in de bijlage bijgevoegde standaard bezoekrapporten of van Digitale Checklisten. Toepassing van rapportage De rapportages dienen duidelijk aan te geven wat geconstateerd is en welke overtredingen tijdens de controle zijn opgemerkt. Onderdelen van de rapportage zijn: naam van de toezichthouder en bevoegdheden en controlerende instantie; datum van de controle; met wie is tijdens het bezoek gesproken; wet- en regelgeving waarop gecontroleerd is; wijzigingen binnen de inrichting; geconstateerde overtredingen; eventuele afspraken met betrokkene; als bijlage eventueel aanvullende informatie meesturen, zoals voorschriften, besluiten, overzicht afvalinzamelaars, handhavingsstrategie informatiefolder etc.; ondertekening (let op mandatering). Als conform de handhaving- en gedoogstrategie een dwangsombedrag en begunstigingstermijn moet worden opgenomen zal dit worden gedaan conform dezelfde strategie. De conceptrapportage wordt collegiaal getoetst. Als één van de vervolgacties van de controle het indienen van een vergunningaanvraag of melding betreft, wordt dit aan een vergunningverlener gemeld. Vervolgens wordt (als dit gewenst
- is)de rapportage door de leidinggevende of afdelingshoofd getoetst. Eventuele opmerkingen worden verwerkt. De definitieve rapportage wordt eventueel gecombineerd met een brief, afhankelijk van de toe te passen stappen uit de handhavingsstrategie, door het afdelingshoofd of het college getekend. Verzenden van rapportage In sommige gevallen kan volstaan worden met verslaglegging binnen de eigen organisatie en/of aan burgers (ingeval van klachten en meldingen). In de meeste gevallen echter zal de verslaglegging ook aan de inrichtingshouder/particulier gericht zijn. De rapportage wordt dan eventueel gecombineerd met een brief gestuurd aan betrokkene. Afhankelijk van de aard van de overtreding zal ook melding gemaakt worden bij de strafrechtelijke partners. Als de rapportage tevens een dwangsombeschikking/ bestuursdwang bevat, dient deze tevens conform de mandaatnota ondertekend te worden. 2.10.1.Verslag van bevindingen integrale controle Uitvoering van de controle Uitgevoerd door: FORMTEXT Sfeer van de controle : FORMTEXT Contact persoon tijdens de controle: FORMTEXT Algemeen Dossier nummer: FORMTEXT Datum controle: FORMTEXT Aanvang controle: FORMTEXT Einde controle: FORMTEXT Weersomstandigheden: FORMTEXT Ligging van de inrichting: FORMTEXT Reden van de controle en doel van de controle Reden en doel van de controle noemen Tijdens het bezoek is gecontroleerd op de volgende aspecten: bouwen / milieu / brandveiligheid / APV / ... Vergunningsituatie Reeds aanwezige vergunningen/kennisgevingen: Omgevingsvergunning bouwen: FORMTEXT Omgevingsvergunning milieu: FORMTEXT Melding Activiteitenbesluit: FORMTEXT Melding Gebruiksbesluit FORMTEXT Omgevingsvergunning FORMTEXT Wabo-activiteit FORMTEXT Het bedrijf valt onder het bestemmingsplan: Bestemmingsplan noemen De bestemming betreft: Noemen welke bestemming het terrein in het bestemmingsplan heeft Omschrijving van de constatering Bij de controle zijn geen overtredingen geconstateerd. Bij de controle zijn de volgende overtredingen geconstateerd: 1. Overtreding: korte omschrijving overtreding 1 Dit is een overtreding van: overtreding voorschrift/bepaling Om deze overtreding te beëindigen moet herstelmaatregel(
- en)noemen 2. Overtreding: korte omschrijving overtreding Dit is een overtreding van: overtreding voorschrift/bepaling Om deze overtreding te beëindigen moet herstelmaatregel(
- en)noemen Bij de controle zijn de volgende afwijkingen ten opzichte van de hiervoor genoemde omgevingsvergunning voor de activiteit Wabo-activiteit noemen geconstateerd: wijzigingen t.o.v. vergunning opsommen Bij de controle zijn de volgende afwijkingen ten opzichte van de hiervoor genoemde melding relevante regeling noemen geconstateerd: wijzigingen t.o.v. melding opsommen Conclusie / Samenvatting Conclusie geven Bijlage: FORMTEXT Eventuele bijlagen noemen, zoals foto's opnemen 2.10.2.Verslag van bevindingen bouwcontrole Uitvoering van de controle Uitgevoerd door: FORMTEXT Sfeer van de controle : FORMTEXT Contact persoon tijdens de controle: FORMTEXT Algemeen Dossier nummer: FORMTEXT Datum controle: FORMTEXT Aanvangcontrole: FORMTEXT Einde controle: FORMTEXT Adres: FORMTEXT Percentage gereed: FORMTEXT Einddatum: FORMTEXT Reden van de controle en doel van de controle Reden en doel van de controle noemen Tijdens het bezoek is gecontroleerd op de volgende aspecten: bouwen /wapening / brandveiligheid / oplevering/... Vergunningsituatie R eeds aanwezige vergunningen: Omgevingsvergunning bouwen: FORMTEXT Het bedrijf valt onder het bestemmingsplan: Bestemmingsplan noemen De bestemming betreft: Noemen welke bestemming het terrein in het bestemmingsplan heeft Omschrijving van de constatering Bij de controle zijn geen overtredingen of afwijkingen geconstateerd. Bij de controle zijn de volgende overtredingen geconstateerd: 3. Overtreding: korte omschrijving overtreding 1 Dit is een overtreding van: overtreding voorschrift/bepaling Om deze overtreding te beëindigen moet herstelmaatregel(
- en)noemen 4. Overtreding: korte omschrijving overtreding Dit is een overtreding van: overtreding voorschrift/bepaling Om deze overtreding te beëindigen moet herstelmaatregel(
- en)noemen Bij de controle zijn de volgende afwijkingen ten opzichte van de hiervoor genoemde omgevingsvergunning voor de activiteit Bouwen geconstateerd: wijzigingen t.o.v. vergunning opsommen Bij de controle zijn de volgende afwijkingen ten opzichte van de hiervoor genoemde melding Gebruiksbesluit geconstateerd: wijzigingen t.o.v. melding opsommen Conclusie / Samenvatting Conclusie geven Bijlage: FORMTEXT Eventuele bijlagen noemen, zoals foto's opnemen Volgende controle: FORMTEXT Dit formulier is in overeenstemming met de digitale checklisten. Hier werken de bouwtoezichthouders hun controles in uit. 2.11.Roulatiesysteem toezichthouders Onderwerp: Protocol 2.13: Roulatiesysteem toezichthouders Datum: 01-12-2020 Verantwoordelijke: handhavingscoördinator Revisiedatum: 10-01-2023 Inleiding De kwaliteitseisen staan niet toe dat één toezichthouder een te innige (handhavings-) relatie met een te controleren milieu-inrichting heeft. Het bevoegd gezag dient daarom haar orgaan zodanig in te richten dat een dergelijk situatie niet ontstaat. Een roulatiesysteem kan hierbij het hulpmiddel zijn. Hierna is beschreven op welke wijze door de gemeente Hilvarenbeek aan dit criterium wordt voldaan. Relaterende protocollen Bij een controle wordt de werkwijze gehanteerd zoals is opgenomen in: Protocol 2.10 “uitvoeren van een controle, integraal, aspect of administratief”; Protocol 2.11 “uitvoeren van een hercontrole”. Om te voorkomen dat dezelfde toezichthouder voorgaande protocollen steeds bij dezelfde inrichtingen gebruikt, zijn nadere afspraken gemaakt. Nadere afspraken In het handhavingsbeleidsplan is aangegeven met welke frequentie milieu-inrichtingen worden bezocht. Dit betekent dat elk jaar een aantal omgevingsobjecten conform de vastgelegde werkprocessen bezocht zullen worden. De belangrijkste inrichtingen worden gecontroleerd door de OMWB. Als een inrichting meer dan 5 keer is bezocht door dezelfde medewerker wordt van medewerkers gewisseld. De cyclus kan ook worden doorbroken door het uitvoeren van aspectcontroles. Aspectcontroles worden ingezet bij het controleren van bijvoorbeeld risicovolle processen of situaties. In dergelijke situaties dient elke aspectcontrole te worden uitgevoerd door een ander controlerend toezichthouder, wanneer deze plaatsvinden bij eenzelfde omgevingsobject. Wanneer het wenselijk is dat een controle uitgevoerd wordt door meer dan één toezichthouder, dan ligt het primaat van het toezicht bij de toezichthouder die bij een volgende toezichtactie als toezichthouder zou worden geselecteerd. De gegevens die zijn opgenomen in het registratieprogramma en/of het dossier zijn leidend bij het bepalen van de keus welke toezichthouder het toezicht zal uitvoeren. Bij ad hoc acties dient een toezichthouder die niet is belast met de reguliere toezichttaak de ad hoc controle uit te voeren. Wanneer dit niet mogelijk is dient achteraf afstemming en overdracht plaats te vinden tussen beide toezichthouders. In het handhavingsuitvoeringsprogramma en de persoonlijke planning wordt rekening gehouden met het rouleren van de toezichthouders. Begrippenlijst Afkortingen Wabo Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Bor Besluit omgevingsrecht Mor Ministeriële regeling omgevingsrecht DVO Dienstverleningsovereenkomst BLOM Besluit landelijk overleg milieuwethandhaving APV Algemene Plaatselijke Verordening PGS Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen PV Proces-verbaal KvK Kamer van Koophandel OM Openbaar Ministerie Wm Wet milieubeheer AMvB Algemene Maatregel van Bestuur Awb Algemene wet bestuursrecht HUP Handhavingsuitvoeringsprogramma HUM Handhavingsuitvoeringsmethode BWT Bouw- en woningtoezicht NVBR Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding Top-X Omgevingsobjecten met een zeer negatief normconform gedrag SBI Standaard Bedrijfsindeling IVB Inrichtingen en Vergunningenbesluit EPC Energie Prestatie Coëfficiënt Woo Wet open overheid WVO Wet verontreiniging oppervlaktewater LMA Landelijk Afvalstoffen VOS-besluit Vluchtige organische stoffen BEES Besluit Emissie-eisen stookinstallaties DIV Documentaire Informatie Voorziening Begrippen Wat is het? Sanctiestrategie Beschrijft welke bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke sancties volgen na constatering van strijdigheden. Gedoogstrategie Beschrijft in welke uitzonderlijke gevallen gekozen kan worden om willens en wetens af te zien van handhaving. Nalevingstrategie Beschreven methodes op welke acties worden ondernomen om het naleefgedrag te verbeteren. Toezichtstrategie Beschrijft de vormen van toezicht en handhaving tot in detail, ten gunste van het behalen van een zo hoog mogelijk rendement. Probleem- of Risicoanalyse Het inzichtelijk maken van risico’s die kunnen ontstaan wanneer wet- en regelgeving niet correct wordt nageleefd. Handhavingsarrangement Beleidsdocument bevattende afspraken tussen OM en toezichthoudende organisaties aangaande specifieke samenwerkende acties Flankerend beleid Ondersteunend beleid vanuit andere disciplines. Fysieke leefomgeving De omgeving waarin we leven en die bescherming behoeft. Deze bescherming is onder meer vormgegeven vanuit de domeinen milieu, water, natuur, veiligheid, bouwen &wonen en ruimtelijke ordening. Kleursporen Voor de handhaving van de fysieke leefomgeving worden de volgende kleursporen gehanteerd: Grijs voor de milieuwet- en regelgeving; Blauw voor de waterkwaliteitswetgeving; Rood voor de wetgeving rondom bouwen en ruimtelijke ordening; Groen voor de wetgeving ter bescherming van natuur en landschap; Externe partijen: Partijen buiten de gemeente die deel kunnen nemen aan een handhavingsproces. Het gaat hierbij om de (regio)politie, het Openbaar Ministerie, het waterschap en de provincie. BijlageB Handhavingsstrategie ‘Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht’ De Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht is via de volgende link te raadplegen: https://vng.nl/sites/default/files/2022-11/Landelijke_Handhavingsstrategie_Omgevingsrecht_LHSO.pdf BijlageC Handreiking bestuurlijke sanctiemiddelen (versie 26 januari 2016) Bijlage C Handreiking bestuurlijke sanctiemiddelen (versie 26 januari 2016, gewijzigd 10 januari 2023) INHOUD 1 INLEIDING 49 2 BESTUURLIJKE SANCTIEMIDDELEN 50 2.1 Last onder bestuursdwang 50 2.2 Last onder dwangsom 50 2.3 Intrekking van een vergunning 51 2.4 Bestuurlijke boete en bestuurlijke strafbeschikking 51 2.5 Keuze van sanctiemiddelen 52 2.6 Uitzicht op legalisatie 53 3 DE LAST ONDER DWANGSOM 53 3.1 Aan wie richten 53 3.2 Preventieve dwangsom 53 3.3 De hoogte van de dwangsom 54 3.4 De wijze van vastlegging van de dwangsom 55 3.5 De begunstigingstermijn 56 3.6 De omschrijving van de last 57 3.7 De formulering van de beschikking 57 3.8 Verbeuren, invordering en innen van de dwangsom 58 4 BESTUURSRECHTELIJKE HANDHAVING “RODE KLEURSPOOR” 59 5 DWANGSOMHOOGTEN EN BEGUNSTIGINGSTERMIJN PER OVERTREDING 60 (aparte bijlage) 6 REKENMODEL BEPALING DWANGSOMHOOGTE NIET PLAATSEN LUCHTWASSERS 60 6.1 Economisch voordeel niet plaatsen luchtwasser 60 INLEIDING Op basis van artikel 7.2, vierde lid, BOR dient elke handhavingsorganisatie een handhavingsstrategie te hebben vastgesteld. Binnen de provincie Noord-Brabant streven we zoveel mogelijk uniformiteit na in werkwijzen en uitvoeringsdocumenten. Zo ook de handhavingsstrategie. Deze strategie bestaat uit diverse onderdelen, waaronder een op elkaar afgestemd bestuursrechtelijk en strafrechtelijk optreden en een stappenplan voor het optreden met verschillende scenario’s naar gelang de ernst van de overtreding en de urgentie waarmee dient te worden opgetreden. Vanaf 2022 wordt de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht door alle overheidsorganisatie gehanteerd. Daarnaast is deze ‘Handreiking bestuurlijke sanctiemiddelen’, opgesteld om praktische handvatten te geven ten aanzien van de toepassing van bestuurlijke sanctiemiddelen, waarvan met name de last onder dwangsom. Daarom wordt hierin weinig aandacht besteed aan procedurele aspecten, toezicht en opsporing en handhaving van specifieke wetten, zoals de Wabo en de Waterwet. Opgemerkt wordt dat dit document slechts een handreiking betreft met enige richtinggevende voorbeelden. De casuïstiek en de daarbij behorende specifieke omstandigheden blijven altijd bepalend voor het vaststellen van de wijze van optreden. Handhaving blijft maatwerk. 2.BESTUURLIJKE SANCTIEMIDDELEN Met betrekking tot het optreden tegen overtredingen van regels bestaat de mogelijkheid gebruik te maken van een aantal bestuurlijke sanctiemiddelen: De last onder bestuursdwang De last onder dwangsom Het intrekken van een vergunning De bestuurlijke boete De bestuurlijke strafbeschikking 2.1Last onder bestuursdwang Onder bestuursdwang wordt verstaan ‘het feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan tegen hetgeen in strijd met de regels is gedaan, gehouden of nagelaten’. Bestuursdwang wordt toegepast, nadat de overtreder door het bevoegd gezag in de gelegenheid is gesteld om de overtreding en de gevolgen daarvan ongedaan te maken. Hiervoor wordt een last onder bestuursdwang uitgevaardigd. Indien de overtreder geen gevolg geeft aan de last, voert het bevoegd gezag de last zelf uit en verhaalt de kosten daarvan op de overtreder. Bestuursdwang kan bij uitstek worden toegepast in de volgende situaties: Er is sprake van een overtreding waardoor een acuut (milieu)bedreigende situatie is ontstaan. Het voortduren van een overtreding kan onherstelbare schade tot gevolg hebben. (bijvoorbeeld: het constateren van een uitbreidende olieverontreiniging op het oppervlaktewater); Bij acuut dreigende calamiteiten. Met name indien de overtreder in dergelijke situaties niet bereikbaar is (bijvoorbeeld bij XTC-afval of kadavers in of langs het water); Indien de overtreder niet genegen of (financieel) niet in staat is om de overtreding ongedaan te maken, kan bestuursdwang een adequaat instrument zijn; Het opleggen van een last onder dwangsom heeft niet het gewenste effect gehad (bijvoorbeeld bij een dreigend faillissement van de overtreder). NB: de dwangsom moet in dat geval eerst worden ingetrokken voordat bestuursdwang kan worden toegepast Een last onder bestuursdwang kan ook worden opgelegd als er nog geen overtreding plaatsvindt, maar het bestuursorgaan wel vermoedt dat een overtreding zal gaan plaatsvinden. Uit jurisprudentie blijkt dat indien er sprake is van klaarblijkelijk gevaar van een op zeer korte termijn te verwachten overtreding van een voorschrift, preventief een last onder bestuursdwang mag worden opgelegd. 2.2Last onder dwangsom Een dwangsom is de sanctie waarbij de overtreder per tijdseenheid, per overtreding of ineens een geldbedrag verbeurt, indien of zolang de overtreding voortduurt of de gevolgen daarvan niet ongedaan zijn gemaakt. Met het opleggen van een last onder dwangsom wordt, naast de plicht zich conform de voorschriften te gedragen, een voorwaardelijke plicht toegevoegd, namelijk die tot het betalen van een bedrag, indien de dwangsom wordt verbeurd. De beschikking bevat een last om de overtreding te beëindigen, voortzetting en herhaling te voorkomen en zo nodig de gevolgen ervan weg te nemen. Veelal zal daartoe een zogenaamde begunstigingstermijn worden gegeven. Een begunstigingstermijn is niet noodzakelijk indien de overtreder onmiddellijk tot naleving van de voor hem geldende verplichtingen in staat is. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij gedragingen die onmiddellijk beëindigd kunnen worden zonder dat daarvoor bijvoorbeeld technische voorzieningen moeten worden getroffen. Een preventieve dwangsom is ook mogelijk, deze wordt in paragraaf 3.2 behandeld. 2.3Intrekking van een vergunning Het ten aanzien van een vergunning bevoegde gezag kan de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien niet overeenkomstig die vergunning is of wordt gehandeld, dan wel indien aan de vergunning verbonden voorschriften of regels niet worden nageleefd. Het bevoegd gezag mag pas tot intrekking overgaan nadat het de betrokkene de gelegenheid heeft geboden binnen een daartoe te bepalen termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de vergunning. Als zelfstandig sanctiemiddel lijkt de intrekking weinig effectief. Je ontneemt hiermee immers iemands rechten maar je dwingt hiermee nog niet om iets te doen of na te laten. Het feit dat je de vergunninghouder een recht ontneemt geeft echter wel aan dat het een zware sanctie is. De rechter accepteert dan ook alleen in uitzonderlijke gevallen intrekking. Alleen als een bedrijf keer op keer in de fout gaat, kan een intrekking worden overwogen. 2.4 Bestuurlijke boete en bestuurlijke strafbeschikking De Bestuurlijke boete en de Bestuurlijke strafbeschikking voor overlastfeiten zijn gelijkwaardig en zijn beiden geschikt voor de handhaving van veel voorkomende en overlastgevende overtredingen in de publieke ruimte, zoals overtredingen van de gemeentelijke Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en (deels) de gemeentelijke Afvalstoffenverordening (ASV). De bestuurlijke boete en bestuurlijke strafbeschikking gelden voor de hele APV, behalve voor een klein aantal zwaardere overtredingen die gevaar opleveren en waarbij de politie bevoegd is om de orde te handhaven (zoals samenscholingen, ongeregeldheden, betogingen en demonstraties) of die sterk aan het strafrecht zijn gerelateerd. De instrumenten strafbeschikking en bestuurlijke boete kunnen niet beiden door gemeentelijke Boa’s voor het optreden tegen dezelfde overtreding worden ingezet. Welk instrument door de gemeente ingezet wordt is afhankelijk van diverse factoren. Gemeenten zijn overigens niet verplicht één van beide instrumenten toe te passen. In 2009 is de Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte en het bijbehorende besluit in werking getreden. De bestuurlijke boete kan voor natuurlijke personen nooit hoger zijn dan 450,- euro en voor rechtspersonen niet hoger dan 2.250,- euro per overtreding. De meeste boetebedragen zijn landelijk vastgelegd. Anders dan de benaming van de Wet OM-afdoening suggereert, kan op grond van deze wet ook aan bijvoorbeeld gemeenten, waterschappen en provincies de bevoegdheid worden verleend een strafbeschikking uit te vaardigen. Deze bevoegdheid wordt onder toezicht en binnen richtlijnen van het OM uitgeoefend. Eventueel verzet tegen de bestuurlijke strafbeschikking moet ingediend worden bij het OM. Het OM regelt via het CJIB ook de inning van de opgelegde bedragen. Bij AMvB is een lijst met overlastfeiten vastgesteld voor de gemeente. Hierbij is nauw aangesloten bij de feiten, aangewezen krachtens de Wet bestuur¬lijke boete overlast in de publieke ruimte. Het rechtstreeks, zonder tussenkomst van de politie, en geautomatiseerde aanleveren van strafbeschikkingen door gemeenten bij het CJIB is mogelijk sinds 2010. Voorts kunnen vanaf de oprichting van de omgevingsdiensten via een transactiemodule zaken rechtsreeks aan het CJIB worden aangeleverd. Op 1 mei 2012 is het Besluit OM-afdoening gewijzigd. Vanaf de oprichting van de Omgevingsdiensten hebben zij de bevoegdheid om een bestuurlijke strafbeschikking op te leggen, niet voor overlastfeiten, maar voor ruim 300 aangewezen milieufeiten. Jaarlijks wordt de feitenlijst geactualiseerd en eventueel uitgebreid. De waterschappen hebben vanaf 1 mei 2012 de bevoegdheid een bestuurlijke strafbeschikking uit te schrijven voor aangewezen milieufeiten en een aantal keurfeiten. Ook hier worden mini processen-verbaal uitgeschreven door Boa’s die voor het waterschap werken en wordt verzet behandeld door het OM en de inning verzorgd door het CJIB. Het OM heeft in april 2012 een richtlijn uitgevaardigd, waarin is aangegeven op welke wijze de bestuurlijke strafbeschikking voor milieu- en keurfeiten mag worden toegepast. Een bestuurlijke boete of strafbeschikking kan in overleg met het Functioneel Parket worden opgelegd naast of in plaats van bestuursdwang of dwangsom. 2.5Keuze van sanctiemiddelen Ingevolge de artikelen 122 Provinciewet, 125 Gemeentewet of 61 Waterschapswet en gelet op artikel 5:21, e.v., Algemene wet bestuursrecht zijn de provincie, gemeente en waterschappen bevoegd met bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten op te treden, zoals de last onder bestuursdwang of onder dwangsom. Deze strekken ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling daarvan te voorkomen. Het bestuursorgaan kan voor een last onder dwangsom kiezen indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen niet verzet. Kortom: de dwangsom mag niet worden gekozen als niet het risico mag worden aanvaard dat de overtreding ondanks de last onder dwangsom nog zou worden voortgezet of herhaald. Het intrekken van een vergunning is een zwaar sanctiemiddel, waarvan toepassing slechts in uitzonderlijke gevallen door de rechter wordt geaccepteerd. Hierbij komt dat ten gevolge van intrekking de overtredingen niet ophouden te bestaan, zodat vaak hiertegen alsnog moet worden opgetreden door middel van bijvoorbeeld het opleggen van een dwangsom. Het toepassen van bestuursdwang kan veel praktische complicaties opleveren. Het is vaak niet eenvoudig in te grijpen in de technische bedrijfsvoering van een overtreder, de afvoer van in beslaggenomen stoffen en producten kan complicaties opleveren en, bijvoorbeeld bij agrarische bedrijven, kan het optredende bestuursorgaan stuiten op strenge veterinaire regelgeving, waardoor toepassing van bestuursdwang wordt gefrustreerd. Ten slotte dient bij bestuursdwang kostenverhaal achteraf plaats te vinden. Thans voorziet de wet ook hier in uitgebreide rechtsbescherming. Het kostenverhaal is dan ook complex, langdurig en de uitkomsten onzeker. De aard van de overtreding kan, zoals gezegd, desalniettemin nopen tot het toepassen van bestuursdwang. Bij acuut gevaar wordt geen gebruik gemaakt van een last onder dwangsom. Normaliter wordt hiervoor het middel van zeer spoedeisende bestuursdwang toegepast. Gelijktijdige toepassing van bestuursdwang en een last onder dwangsom ter zake van één en dezelfde overtreding is niet mogelijk. Samenloop met een bestuurlijke boete of strafbeschikking is wel mogelijk. Van de herstelsancties is de last onder dwangsom nog steeds het meest populair. Derhalve is deze handreiking op dit sanctiemiddel toegespitst. De laatste jaren is er echter ook discussie ontstaan over de effectiviteit van de last onder dwangsom. De overtreder wordt keer op keer een termijn gegeven om orde op zaken te stellen en tegen zowel de last zelf als tegen de inning van een verbeurde dwangsom staat een hele reeks mogelijkheden tot bezwaar en beroep open, zodat het uiteindelijk heel lang kan duren voordat een overtreding feitelijk ongedaan gemaakt wordt. De trend is om hogere dwangsommen op te leggen en kortere begunstigingstermijnen te stellen. De last onder dwangsom ontdoet zich zo van het imago een ‘soft’ instrument te zijn. Verder wordt eerder gekozen voor een (parallelle) strafrechtelijke aanpak. Nieuwe instrumenten met een strafrechtelijke inslag, zoals de strafbeschikking, hebben een hoog ‘lik op stuk’ gehalte. De strafbeschikking is echter (nog niet) overal inzetbaar en leidt niet noodzakelijkerwijs tot het beëindigen van een overtreding. Verder zijn de boetes laag voor de wat grotere ondernemingen. Ingevolge de handhavingstrategie worden alle overtredingen ingedeeld in verschillende segmenten. Aan de hand van een stappenplan bepaalt de handhaver in welk segment van de interventiematrix de overtreding ingedeeld wordt (hoofdstuk 3 Landelijke handhavingstrategie). In de interventiematrix zijn voor ieder segment meerdere in te zetten bestuursrechtelijke interventies benoemd. De keuze voor de in te zetten interventie uit de in het betreffende segment benoemde interventies vindt plaats aan de hand van de in hoofdstuk 3 van de Landelijke handhavingsstrategie Omgevingsrecht opgenomen interventieladder, waarbij het spoedig herstellen van de situatie voor de bevinding de eerste prioriteit is. 2.6Uitzicht op legalisatie Een last onder bestuursdwang of onder dwangsom mag niet worden opgelegd als er concreet uitzicht op legalisatie is. Dit geldt eveneens voor intrekking. Ofschoon de bestuursrechter een beginselplicht tot handhavend optreden hanteert voor het bevoegde bestuursorgaan, hecht hij veel waarde aan de uitzondering daarop: concreet uitzicht op legalisatie. Voorwaardes zijn dat er, althans uitgaande van een vergunningplichtige inrichting of bijvoorbeeld vergunningplichtig bouwwerk, er een volledige aanvraag voorligt, waarvan op voorhand mag worden geoordeeld dat deze vergunbaar is. Van het bevoegde bestuursorgaan verwacht de rechter dat actief is onderzocht of er concreet uitzicht is op legalisatie, zodat van handhavend optreden moet worden afgezien. Vooral bij verwijtbaar handelen van de overtreder in de voorfase kan het, ook bij concreet uitzicht op legalisatie, wel geboden zijn strafrechtelijke instrumenten in te zetten, zoals de bestuurlijke strafbeschikking of een proces-verbaal op te laten maken ten behoeve van reguliere strafvervolging. Dit betekent dat het bestuur, ten aanzien van eenzelfde overtreding, bestuursrechtelijk een pas op de plaats maakt en, tegelijkertijd, wel strafrechtelijke acties start. 3.DE LAST ONDER DWANGSOM 3.1Aan wie richten De last onder dwangsom kan alleen worden opgelegd aan de overtreder. Voorwaarde is dat deze het feitelijk en juridisch in zijn macht heeft de last uit te voeren of na te komen. Wie de overtreder is, is afhankelijk van de reactie van de wettelijke bepaling die wordt overtreden. Zo kan de eigenaar naast de huurder overtreder zijn, indien een voorschrift ook het laten gebruiken verbiedt. Gaat het om een inrichting, dan geldt in principe dat de houder van de vergunning in beginsel mag worden beschouwd als drijver van de inrichting. De vergunningvoorschriften zijn in elk geval tot hem gericht. Meestal is de drijver een rechtspersoon. De Wabo maakt het mogelijk dat een last onder dwangsom tevens geldt voor de rechtsopvolger. Dit moet dan wel in het besluit zijn aangegeven. Op deze wijze wordt voorkomen dat door overdracht aan een ingezette bestuursrechtelijke handhavingsactie wordt ontkomen. Ook het kostenverhaal bij bestuursdwang en het innen van dwangsommen kan dan jegens de rechtsopvolger plaatsvinden. 3.2Preventieve dwangsom Een preventieve dwangsom kan worden toegepast als er nog geen overtreding plaatsvindt maar het bestuursorgaan, op grond van omstandigheden, stellig moet verwachten dat een overtreding zal gaan plaatsvinden. Jurisprudentie wijst uit dat, indien er sprake is van klaarblijkelijk gevaar van een op zeer korte termijn te verwachten overtreding en bij deze overtreding omgevingsbelangen aanmerkelijk zullen worden geschaad een preventieve last onder dwangsom mag worden opgelegd. De overtreding moet dan wel zo specifiek in beeld zijn dat de last scherp omschreven kan worden. Ook een preventieve last onder bestuursdwang kan worden opgelegd. 3.3De hoogte van de dwangsom Uit de regelgeving, literatuur en jurisprudentie kunnen de volgende criteria voor de bepaling van de hoogte van de dwangsom worden gedestilleerd: Het vastgestelde bedrag dient in redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Dit is een standaardoverweging van de Raad van State. De last onder dwangsom mag niet worden aangemerkt of materieel functioneren als strafsanctie. Ook mag geen rekening worden gehouden met eerder door overtreding behaalde winst. De hoogte van de dwangsom mag niet worden afgemeten aan de mate van belastendheid voor de overtreder. Als een exploitant de dwangsom, gelet op de eigen financiële positie, niet zou kunnen betalen, mag dat geen reden zijn de hoogte daarvan neerwaarts aan te passen. Andersom, gaat het om een exploitant, met grote financiële draagkracht, zoals meestal een groot bedrijf, dan mag dit wel een reden zijn de dwangsom op een hoger bedrag te bepalen, teneinde te bewerkstelligen dat de overtreding wordt beëindigd. Bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom moeten de kosten van beëindiging uitgangspunt zijn en mag niet worden uitgegaan van het bedrag dat gemoeid zou zijn met het beëindigen van de overtreding in het geval dat bestuursdwang wordt toegepast. Dit bedrag ligt veelal beduidend hoger dan het bedrag dat de overtreder zelf moet spenderen. De hoogte van de dwangsom moet dus primair ingegeven zijn door de vereiste mate van financiële prikkeling om de overtreding te staken. De zwaarte van de overtreding is een indicatie voor de snelheid waarmee de overtreding ongedaan moet worden gemaakt, dus voor de lengte van de begunstigingstermijn. Bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsommen, moet uitgegaan worden van de mogelijke winst die het in stand houden van de overtreding voor de exploitant oplevert, de kosten die gemaakt moeten worden om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden en de milieuschade die bij het voortduren van de overtreding kan ontstaan. Deze criteria moeten zowel worden toegepast op de bepaling van de dwangsom per tijdseenheid als de bepaling van het maximaal te verbeuren bedrag. De bedragen mogen in geen enkel geval zo laag zijn dat het in stand houden van de overtreding lonend is voor de exploitant. Voor de kleinere bedrijven kunnen voorgenomen bedragen verlaagd worden en voor de grote inrichtingen verhoogd. Een rekensom kan zo een ondergrens voor de hoogte van de bedragen opleveren. De op te leggen dwangsom dient significant hoger te zijn dan winst plus kosten voor de overtreder, teneinde een voldoende prikkel tot het beëindigen van de overtreding te bewerkstelligen. Het maximaal te verbeuren bedrag zelf kan ‘voldoende’ hoog zijn, doch het bedrag per tijdseenheid, waarmee dit maximum wordt opgebouwd, zo laag dat de beëindiging van de overtreding niet voortvarend wordt aangepakt. De dwangsom mag echter niet zo hoog zijn dat deze niet meer in een redelijke verhouding staat tot even bedoelde winst, kosten en milieuschade. De Raad van State accepteert nog een toeslag van ruwweg 50% op de kosten van beëindiging. De dwangsom mag dus ook niet veel hoger zijn dan toereikend om de overtreder te bewegen conform te handelen. Of de overtreder de in te vorderen dwangsommen kan betalen is, zoals gezegd, niet relevant. Een onderzoek naar de financiële draagkracht van de overtreder is dan ook niet benodigd. Wel kan dit een overweging zijn om bestuursdwang toe te passen. Vaak wordt het financiële voordeel indicatief berekend aan de hand van de winst welke wordt gedorven als de verboden activiteit wordt gestaakt. Vaak wordt vergeten dat ook veel vaste kosten worden ‘terugverdiend’ als de verboden activiteit wordt voortgezet. Bijvoorbeeld de huur of afschrijving van gebouwen, vaste personeelskosten en (een deel der) energiekosten. Bovendien kan het voldoen aan een last onder dwangsom, zeker op korte termijn, extra schade voor de overtreder met zich meebrengen. De vraag kan worden gesteld of bij de berekening mag worden uitgegaan van een normaal renderend bedrijf binnen de eigen branche of van de individuele financiële positie van het bedrijf. Voor het eerste is het meest te zeggen. Ten slotte kennen de bedrijfseconomie en het fiscale recht een aantal definities van ‘winst’. Over de fiscus gesproken; de inspecteur accepteert dat betaalde dwangsommen als bedrijfskosten worden opgevoerd en dus fiscaal aftrekbaar zijn. Bij de vaststelling van de hoogte van dwangsommen moet hier rekening mee worden gehouden. Al met al is de bepaling van een dwangsom een complex gebeuren, waarover al gauw met de overtreder ‘welles-nietes’ spelletjes kunnen ontstaan. Hierbij heeft de overtreder altijd een kennisvoorsprong, welke hij niet snel met de handhavende overheid zal delen. Een berekening kan slechts indicatief zijn en pleegt gelukkig slechts marginaal te worden getoetst door de rechter, met name in die gevallen waarin de dwangsom mogelijk veel te hoog is. Ook de vraag of terecht is gekozen voor het middel dwangsom, is geen vraag die indringend door de rechter wordt getoetst. Soms zijn de door het bevoegd gezag in de laatste jaren opgelegde dwangsommen aan de lage kant gebleken, gelet op de trage reactie van de overtreder of zelfs het uitblijven daarvan. Na intrekking van een eerste dwangsombeschikking kan echter een nieuwe dwangsombeschikking worden genomen met een hoger bedrag indien blijkt dat van het eerdere opgelegde dwangsombedrag onvoldoende dreiging uitgaat om de overtreding te beëindigen. Het verdient, gelet op het vorenstaande, in het geval er geen heldere berekeningsgrondslagen zijn te formuleren of te achterhalen, de voorkeur uit te gaan van forfaitaire maatstaven, bijvoorbeeld een factor maal de ingeschatte gederfde winst, na correctie voor fiscale effecten. Voor identieke overtredingen, onder gelijke omstandigheden moeten gelijke dwangsommen worden opgelegd. In een aantal gevallen kan gekozen worden voor standaardbedragen voor specifieke concrete overtredingen, zoals hieronder in hoofdstuk 5 is aangegeven. Dan hoeft de hoogte ook niet meer per geval te worden gemotiveerd en kan volstaan worden met verwijzing naar de lijst met standaardbedragen. Concluderend wordt gesteld dat er geen duidelijke regels zijn om de hoogte van dwangsommen alsmede de eventueel daaraan verbonden maxima vast te stellen. Belangrijk is wel dat de vaststelling zo mogelijk gemotiveerd plaatsvindt, uitgaande van bovenstaande criteria. 3.4De wijze van vastlegging van de dwangsom Dwangsommen kunnen in de last op drie manieren worden vastgelegd, te weten op een bedrag ineens, of een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd of op een bedrag voor iedere overtreding van de last. In de bouwwereld is een éénmalig bedrag meer gebruikelijk dan in de milieuwereld. Daar moet meestal periodiek worden ‘afgerekend’ indien een overtreding voortduurt. Bedrag ineens Een bedrag ineens komt in aanmerking indien de overtreder éénmaal voor een bepaalde datum een bepaalde handeling moet verrichten, bijvoorbeeld het afbreken van een illegaal bouwwerk. Per geconstateerde overtreding Indien voorschriften bij herhaling kortdurend worden overtreden, zoals bijvoorbeeld het open laten staan van deuren en luiken, of het produceren van teveel geluid in de avonduren, ligt het voor de hand om de dwangsom te bepalen per geconstateerde overtreding. Worden meerdere voorschriften overtreden dan kan per voorschrift een dwangsom per overtreding worden opgelegd. Wel eist de rechter dat bepaald wordt dat per voorschrift per tijdseenheid nooit meer dan een bepaald bedrag wordt verbeurd. Anders zou bijvoorbeeld het zes maal op één dag constateren dat een luik open staat, leiden tot het verbeuren van hoge bedragen binnen een korte tijdsspanne, hetgeen in strijd moet worden geacht met de rechtszekerheid. Het lijkt aanvaardbaar, indien de overtreder steeds maar in herhaling valt, vast te leggen dat bij elke opvolgende constatering een hoger bedrag wordt verbeurd, teneinde naleving af te dwingen. Per tijdseenheid Een dwangsom per tijdseenheid komt aan de orde als er sprake is van een continuele overtreding van voorschriften. Bijvoorbeeld als voortdurend een emissienorm wordt overschreden of een opslag niet voldoet aan brandveiligheidseisen. Ook hier is een progressief tarief per tijdseenheid verdedigbaar, indien de overtreding al maar voortduurt. Maximumbedrag Indien een dwangsom per tijdseenheid of per overtreding van de last wordt opgelegd dient het bestuursorgaan een bedrag te noemen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Dit is meestal zesmaal het bedrag dat per overtreding of per tijdseenheid wordt opgelegd. Bij ‘hardnekkige’ overtreders is tot 8 maal dit bedrag verdedigbaar, al moet dan wel worden afgevraagd of het instrument last onder dwangsom dan wel effectief is. Aan het vereiste van het aangeven van een maximumbedrag wordt in de rechtspraak strikt de hand gehouden. Dit geldt uiteraard alleen voor de dwangsom per overtreding en de dwangsom per tijdseenheid. Als de dwangsom op één bedrag ineens wordt bepaald, dan is daarmee tevens het maximum vastgesteld. 3.5De begunstigingstermijn Een dwangsom wordt pas verbeurd of bestuursdwang mag pas worden toegepast nadat de overtreder de gelegenheid heeft gehad zelf de geëigende maatregelen te treffen om de overtreding ongedaan te maken. Een uitzondering op deze eis vormen overtredingen welke per direct kunnen worden beëindigd en overtredingen welke nauwelijks bestuursdwang eisen. De begunstigingstermijn moet zo worden gekozen dat de overtreder voldoende tijd heeft om de overtreding ongedaan te maken of ongedaan te laten maken. De begunstigingstermijn moet concreet omschreven zijn. ‘Zo spoedig mogelijk’ en dergelijke zijn niet toegelaten. De begunstigingstermijn moet zo kort mogelijk zijn, maar niet onredelijk kort. Dit betekent dat de begunstigingstermijn dient overeen te komen met de termijn waarbinnen het voor de overtreder fysiek, bij een voortvarende aanpak, mogelijk is de strijdigheid ongedaan te maken. Een voortvarende aanpak betekent dat sneller doorgewerkt moet worden dan bij reguliere uitvoering, vooral als de overtreding nogal wat, hinder, gevaar of milieuschade tot gevolg heeft. Wat betreft de mogelijkheden en restricties moet ook hier het bedrijf van de overtreder enige inspraak worden gegund. Een begunstigingstermijn is niet noodzakelijk indien de overtreder onmiddellijk tot naleving van de voor hem geldende verplichtingen in staat is. Dit geldt vooral als de last inhoudt dat een bepaalde gedraging moet worden nagelaten, zoals openstelling van een horeca-inrichting in de nachtperiode. Een begunstigingstermijn mag korter zijn dan de termijn voor bezwaar en beroep. Indien er mogelijk op korte termijn concreet uitzicht op legalisatie ontstaat, mag de termijn hier niet aan worden gekoppeld. De begunstigingstermijn moet altijd zijn ingegeven door de periode die minimaal benodigd is voor het ongedaan maken van een overtreding. De suggestie mag niet ontstaan dat de overtreder het recht krijgt om ‘nog even door te gaan’. Hierbij moet ook bedacht worden dat bij een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom in feite ook al een begunstigingstermijn is gegeven, waarmee een eventuele eerdere gedoogsituatie is afgebouwd. Een begunstigingstermijn kan achteraf, bij afzonderlijke beschikking, worden verlengd. Dit ligt bij overmachtsituaties in de rede. De overtreder kan immers afhankelijk zijn van bijvoorbeeld weersomstandigheden of van medewerking van derden, zoals het leveren van materialen of diensten of het geven van toestemming, bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor bouwen of slopen. De periode voor interne besluitvorming binnen het bedrijf van de overtreder mag echter maar slechts een beperkte invloed hebben op het bepalen van een begunstigingstermijn. 3.6De omschrijving van de last Een last moet gericht zijn op het beëindigen van een overtreding, op het herhalen ervan te voorkomen en op het ongedaan maken van de gevolgen ervan. Een last is een zo concreet mogelijk geformuleerde opdracht aan de overtreder. Het bestuursorgaan heeft de bevoegdheid vrij ver te gaan als het om concretisering gaat. Het bestuursorgaan neemt als het ware ten aanzien van het invullen van de weg die leidt tot het beëindigen van de overtreding de regie van het bedrijf van de overtreder over. Ook kunnen interim-maatregelen worden verlangd, zoals het paraat hebben van een mobiele blusinstallatie totdat de sprinklerinstallatie van een brandgevaarlijke opslag operationeel en goedgekeurd is. Doelvoorschriften en gelijkwaardigheidsbepalingen mogen dan ook door het bestuursorgaan worden ingevuld met concreet aan te geven middelen. Er mag een fasering worden aangebracht, zoal bijvoorbeeld eerst een verboden aanvoer te stoppen en vervolgens het illegaal aangevoerde materiaal uit de inrichting te verwijderen. De last kan dus bestaan uit een reeks opvolgende deelopdrachten. Ook kan eerst een plan van aanpak worden verlangd. Aan elke handeling, of het nalaten daarvan, kan een dwangsom worden gekoppeld, al dan niet per tijdseenheid, ook al leidt het voldoen aan alleen de deelopdracht nog niet tot beëindiging van de overtreding. Door een last ‘creatief’ te formuleren, kan een bevoegd gezag de greep op de overtreder aanmerkelijk versterken. Fasering en concreetheid zijn hier van belang. Soms is enige inspraak van de overtreder hier noodzakelijk, maar het bestuursorgaan mag niet de regie uit handen geven. Het rekening houden met de mogelijkheden en belangen van het bedrijf van de overtreder bij het formuleren van een last, geeft het bestuursorgaan in beroep een sterkere positie. 3.7De formulering van de beschikking Een beschikking, houdende een last onder dwangsom, bestaat, gelet op het bovenstaande, uit de volgende basiselementen: een constatering dat een norm is overtreden, het aangeven door wie de norm is overtreden en een onderbouwing van de vrees op herhaling, of, bij duurovertredingen, de constatering dat de norm aanhoudend wordt overtreden. De rechter eist hier de laatste jaren een zorgvuldige bewijsvoering welke tendeert in strafrechtelijke richting. Het is beter dat, indien het bewijs van overtreding alleen berust op zintuiglijke waarnemingen, deze waarnemingen door ten minste twee toezichthouders worden gedaan. Zo mogelijk moet het bewijs van overtreding worden ondersteund door foto’s, meetrapporten en waarnemingen van anderen, zoals klachten. Het aanvoeren van de beginselplicht tot handhaving en het gemotiveerd aangeven dat er geen bijzondere omstandigheden zijn, zoals concreet uitzicht op legalisatie, waardoor handhavend optreden achterwege zou moeten worden gelaten Het formuleren van de last, dus de opdracht de overtreding niet te herhalen of het aangeven van de wijze waarop en de periode waarbinnen de overtreding moet worden beëindigd en verder eventueel de wijze waarop de gevolgen van de overtreding ongedaan gemaakt moeten worden. De last is de kern van de beschikking. Zie ook hierboven. Hier moet maatwerk worden geleverd. De opdracht mag, zoals gezegd, worden onderverdeeld in concrete stappen, met elk een eigen dwangsom Het aangeven van de dwangsom indien de last niet, niet tijdig of op een verkeerde wijze wordt opgevolgd. Hierbij moet worden aangegeven of een bedrag periodiek verbeurd zal worden indien de overtred