Gemeentelijke bodemsaneringsverordening LeeuwardenHoofdstuk1Begripsbepalingen Artikel1.1Definities In deze verordening wordt verstaan onder: Wet: de Wet bodembescherming (Wbb); Awb: de Algemene wet bestuursrecht; burgemeester en wethouders: Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leeuwarden melding: melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid van de Wet bodembescherming; schriftelijk verslag: de rapportage van de uitvoering van de sanering als bedoeld in artikel 39 lid 1 onder f van de Wet bodembescherming; saneringsplan: een plan, bedoeld in artikel 39, eerste lid Wbb; beschikking ernst en urgentie: beschikking als bedoeld in artikel 29 Wet bodembescherming in samenhang met artikel 37 Wbb; beschikking instemming saneringsplan: beschikking als bedoeld in artikel 39, tweede lid van de Wet bodembescherming; uitvoerder: degene die (in opdracht van degene die conform artikel 39, tweede en derde lid van de Wbb instemming heeft gekregen voor de uitvoering van het saneringsplan) de sanering uitvoert; milieukundig begeleider: degene die namens de opdrachtgever de uitvoering van de sanering begeleid. Hoofdstuk2Bodemsanering Artikel2.1Procedure beschikking ernst en urgentie 1.De indiening van het rapport van het nader onderzoek, of een melding, wordt aangemerkt als een aanvraag tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht. 2.Op de voorbereiding van een beschikking ernst en urgentie zijn de artikelen 2.2 tot en met 2.4 van toepassing. 3.Burgemeester en wethouders kunnen besluiten dat de in de artikelen 2.2 tot en met 2.4 geregelde procedure niet wordt toegepast indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat. 4.Indien burgemeester en wethouders toepassing geven aan het derde lid, vermelden zij dit in de kennisgeving, bedoeld in artikel 28, vijfde lid van de Wet. Artikel2.2Ter inzage legging 1.Burgemeester en wethouders leggen het ontwerp van het besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, voor een periode van vier weken ter inzage voor hen die aan wie ingevolge artikel 2.4 de gelegenheid wordt geboden hun zienswijze naar voren te brengen. 2.Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan. 3.Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten wordt afschrift van de ter inzage gelegde stukken verstrekt. Artikel2.3Kennisgeving 1.Voorafgaand aan de ter inzagelegging wordt in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis gegeven van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud. 2.In de kennisgeving wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen, wie in de gelegenheid worden gesteld van hun zienswijze te doen blijken en op welke wijze dit ingevolge artikel 2.4 kan geschieden. Artikel2.4Zienswijzen 1.Belanghebbenden kunnen hun zienswijze over het ontwerp naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren brengen. 2.De termijn waarbinnen een zienswijze naar voren kan worden gebracht, eindigt niet voor de laatste dag van de ter inzagelegging. 3.De aanvrager wordt zonodig in de gelegenheid gesteld te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen. 4.Van hetgeen overeenkomstig de vorige leden mondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag gemaakt. Artikel2.5Melding 1.Voor de melding wordt gebruik gemaakt van een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier waarop in aanvulling op de gegevens bedoeld in artikel 28, tweede lid van de Wet, in ieder geval worden vermeld: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder a., alsmede van de gebruiker daarvan; de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering of de handeling, ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, zal plaatsvinden. 2.Het meldingsformulier, onderliggende stukken waaronder in elk geval begrepen het rapport van het nader onderzoek en het saneringsplan worden in drievoud bij burgemeester en wethouders ingediend. 3.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de wijze waarop de in het tweede lid genoemde stukken moeten worden aangeleverd. Artikel2.6Inhoud saneringsplan 1.In het saneringsplan worden tenminste de volgende gegevens vermeld: Algemene gegevens: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; een kadastrale kaart, waarop het geval van verontreiniging is aangegeven, die uiterlijk drie maanden voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven; een uitreksel van het kadaster waaruit de eigendomssituatie blijkt, die uiterlijk drie maanden voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven het huidige en toekomstige gebruik van de bodem, alsmede de bestemming welke de locatie heeft in het kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening; de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder a., alsmede van de gebruiker daarvan; de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering of de handeling, ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, zal plaatsvinden; het tijdschema met een eventuele fasering, waarbij in ieder geval wordt vermeld de datum waarop met de sanering of handeling zal worden aangevangen en het tijdstip waarop de sanering of de handeling naar verwachting zal zijn beëindigd; een specificatie van de bij de uitvoering van de sanering of handeling betrokken bedrijven en instanties, voor zover deze ten tijde van het indienen van het saneringsplan bekend zijn; een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het werk te kunnen uitvoeren; de wijze van evaluatie en rapportage van de uitvoering van de sanering of de handeling, met inbegrip van de voorgenomen eindbemonstering; de wijze waarop belanghebbenden alsmede de ingezetenen van de gemeente over de uitvoering van de sanering of de handeling zullen worden geïnformeerd en bij de uitvoering worden betrokken; Keuze saneringsvariant: de gekozen saneringsvariant met het saneringsdoel, inclusief motivering waarom voor die betreffende saneringsvariant is gekozen, en indien niet gekozen wordt voor een MF-variant een afweging op hoofdlijnen tussen de verschillende varianten; indien de sanering in fasen wordt uitgevoerd: de voorgenomen fasering, alsmede het verzoek om een besluit te nemen als bedoeld in artikel 38, vierde lid van de Wet; Indien slechts een gering gedeelte van de verontreiniging van de bodem wordt verplaatst: het verzoek om een besluit te nemen op grond van artikel 40, eerste lid van de Wet; De te nemen maatregelen: een beschrijving van de wijze waarop de gekozen saneringsvariant zal worden uitgevoerd; een beschrijving van de effecten die met de te treffen saneringsmaatregelen worden beoogd, waaronder mede begrepen een nadere beschrijving van de kwaliteit van de bodem, die met de sanering zal worden bereikt. een beschrijving van de maatregelen die de sanering mogelijk moeten maken; een beschrijving van de te treffen (geo)hydrologische en andere technische voorzieningen met de gekozen dimensionering en de effecten daarvan op de omgeving; een beschrijving van de veiligheids- en arbeidshygiënische aspecten; een beschrijving van de maatregelen die overlast en/of schade als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken; gegevens over de kwaliteit van de eventueel te gebruiken aanvulgrond en de wijze waarop de kwaliteit van de aanvulgrond is gewaarborgd; indien verontreinigde grond zal worden afgegraven, of verontreinigd grondwater zal worden onttrokken: de te verwachten hoeveelheid af te graven grond dan wel te onttrekken hoeveelheid grondwater; de bestemming van die grond of dat grondwater; indien de grond of het grondwater geheel of gedeeltelijk niet zal worden gereinigd: de redenen daarvoor; gegevens over de bestemming van overige verontreinigde stoffen en of materialen die, naast de verontreinigde grond, vrijkomen bij de sanering; het opstellen van een ontgravingskaart en een grondwaterontrekkingskaart; indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig blijft een zorgplan dat bevat: een beschrijving van de wijze waarop bij het beoogd gebruik de gerealiseerde voorzieningen in stand worden gehouden; een beschrijving van de wijze waarop de restverontreiniging actief wordt gemonitord en hoe burgemeester en wethouders daarover worden geïnformeerd; een beschrijving van de maatregelen die strekken tot het regelmatig inspecteren van de voorzieningen die ter uitvoering van de sanering zullen worden aangebracht en de tijdstippen waarop hierover tussentijds aan het bevoegde gezag verslag wordt gedaan; een beschrijving van de maatregelen die strekken tot het in stand houden en onderhouden alsmede waar nodig het herstellen, verbeteren of vervangen van die voorzieningen; een beschrijving van de wijze waarop de voortgang van de bodem- en/of grondwatersanering wordt gecontroleerd en hoe over de voortgang wordt gerapporteerd; een beschrijving van de werkzaamheden op grond waarvan burgemeester en wethouders nadien bij het schriftelijk verslag kunnen beoordelen of de sanering overeenkomstig het plan is uitgevoerd, tot welke werkzaamheden in ieder geval behoren: een beschrijving van de wijze waarop de milieukundige begeleiding plaatsvindt; indien de verontreiniging zich kan verspreiden en de saneringsmaatregelen een wijze van verwijderen van de verontreiniging betreffen die zich naar haar aard uitstrekt over een periode van drie jaar of meer; het opstellen van een ontgravingskaart en een grondwaterontrekkingskaart; een overzicht van de tussentijds beoogde effecten en de bijbehorende tijdstippen waarop zal worden onderzocht of de effecten van de getroffen saneringsmaatregelen overeenstemmen met de tussentijds beoogde effecten; een beschrijving van een andere methode om de beoogde effecten te bereiken, voor het geval de in het saneringsplan opgenomen methode niet tot die effecten zou leiden (‘terugvalscenario’). Financiële gegevens: In het saneringsplan dient te worden opgenomen: een begroting van de kosten van de sanering; een overzicht van de financiële middelen ter dekking van de saneringskosten; Het eerste lid is niet van toepassing op een saneringsplan dat betrekking heeft op een sanering van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan artikel 9, vijfde lid, van het Besluit tankstations milieubeheer van toepassing is. Overige gegevens: Het saneringsplan gaat vergezeld van: de adviesaanvraag als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet, tenzij die adviesaanvraag achterwege kan blijven op grond van het tweede lid van dat artikel juncto artikel 28, derde lid, van de Wet of op grond van de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond bodembescherming; het advies van het Service Centrum Grondreiniging (SCG), indien dit is uitgebracht. Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet kan het vermelden in het saneringsplan van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege blijven indien: bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken; daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken en die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsplan. Artikel2.7Procedure instemming saneringsplan 1.Het indienen van een saneringsplan wordt aangemerkt als een aanvraag tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht. 2.Op de voorbereiding van een besluit inzake de instemming met een saneringsplan zijn de artikelen 2.2 tot en met 2.4 van overeenkomstige toepassing. 3.Burgemeester en wethouders kunnen besluiten dat de in de artikelen 2.2 tot en met 2.4 geregelde procedure niet wordt toegepast indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat. 4.Indien burgemeester en wethouders toepassing geven aan het derde lid, vermelden zij dit in de kennisgeving, bedoeld in artikel 28, vijfde lid van de Wet. Artikel2.8Kennisgeving bij feitelijke sanering 1.Degene die conform artikel 39, tweede en derde lid van de Wet instemming heeft gekregen voor de uitvoering van het saneringsplan, of degene die namens hem aangaande de sanering handelt, meldt uiterlijk twee weken voor de feitelijke aanvang van de grondsanering respectievelijk de grondwatersanering schriftelijk bij burgemeester en wethouders alsmede de omwonenden het tijdstip van de aanvang van de werkzaamheden. 2.Indien de aanvangsdatum van de sanering wijzigt, meldt één van de in het eerste lid genoemde personen deze wijziging schriftelijk voor de opgegeven aanvangsdatum. Vervolgens stelt één van de in het eerste lid genoemde personen burgemeester en wethouders van de nieuwe aanvangsdatum uiterlijk twee werkdagen voor de aanvangsdatum van de sanering schriftelijk op de hoogte. 3.Doen zich bij de uitvoering van de sanering feiten of omstandigheden voor op grond waarvan afgeweken moet worden van het saneringsplan, waarmee burgemeester en wethouders op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, dan stelt één van de in het eerste lid genoemde personen burgemeester en wethouders hiervan onmiddellijk op de hoogte. Zonder instemming van burgemeester en wethouders mag niet worden gestart met de uitvoering van de saneringswerkzaamheden die afwijken van het saneringsplan waarmee burgemeester en wethouders op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd. 4.Indien bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt één van de in het eerste lid genoemde personen bij het bereiken van de einddiepte van de ontgraving burgemeester en wethouders schriftelijk hiervan in kennis. 5.Indien bij de sanering aanvulling van de ontgraving plaatsvindt, stelt één van de in het eerste lid genoemde personen twee dagen voor de start van het aanvullen burgemeester en wethouders schriftelijk hiervan in kennis met overlegging van de kwaliteitsgegevens van de aanvulgrond. 6.Eén van de in het eerste lid genoemde personen meldt de beëindiging van de grondsanering respectievelijk de grondwatersanering binnen twee werkdagen na beëindiging van de grondsanering respectievelijk de grondwatersanering schriftelijk aan burgemeester en wethouders. 7.Voor de melding vernoemd in lid 1 tot 6 wordt gebruik gemaakt van een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier waarop in ieder geval worden vermeld: de gegevens van de melder; de naam en het adres van de locatie waarop de sanering wordt uitgevoerd; het doel van de melding de gegevens van de uitvoerder en de milieukundig begeleider van de sanering. Artikel2.9Betrokkenheid belanghebbenden bij de uitvoering van de sanering 1.Indien burgemeester en wethouders opdracht geven om een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering uit te voeren stellen zij, indien aannemelijk is dat daaraan behoefte bestaat, ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep in. 2.In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid bevorderen burgemeester en wethouders dat degene die een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering laat uitvoeren, ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep instelt, indien burgemeester en wethouders aannemelijk achten dat daaraan behoefte bestaat. Artikel2.10Projectgroep 1.Een projectgroep heeft tot taak degene die het onderzoek respectievelijk de sanering laat uitvoeren haar zienswijze te geven over de uitvoering van dat onderzoek respectievelijk die sanering. 2.Een projectgroep bestaat ten minste uit: een vertegenwoordiger van degene die het onderzoek respectievelijk de sanering laat uitvoeren; voor zover mogelijk een vertegenwoordiger van de bij de uitvoering van het nader onderzoek, het saneringsonderzoek of de sanering belanghebbende natuurlijke of rechtspersoon. 3.Indien burgemeester en wethouders niet het onderzoek of sanering laten uitvoeren worden zij in de gelegenheid gesteld een vertegenwoordiger aan te wijzen die aan de vergaderingen van de projectgroep kan deelnemen. Artikel2.11Evaluatierapport 1.Uiterlijk dertien weken na de uitvoering van de bodem en/of grondwatersaneringswerkzaamheden doet degene die de bodem heeft gesaneerd daarvan schriftelijk verslag aan burgemeester en wethouders. Het verslag houdt ten minste in: een beschrijving van de getroffen saneringsmaatregelen; een beschrijving van de kwaliteit van de bodem na het uitvoeren van de sanering, waaronder mede begrepen een beschrijving van de aard en omvang van de verontreiniging indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven; indien de verontreinigde grond is afgegraven of het verontreinigde grondwater aan de bodem is onttrokken, de hoeveelheid, de kwaliteit en de bestemming van die grond onderscheidenlijk dat grondwater; indien ten behoeve van de sanering grond is aangevoerd de hoeveelheid, de kwaliteit en de herkomst van de aangevoerde grond; een evaluatie van de mate waarin de effecten van de getroffen saneringsmaatregelen overeenstemmen met de beoogde effecten; indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven, de al dan niet aanwezige noodzaak tot het nemen van de in artikel 2.6, eerste lid, sub c onder i bedoelde maatregelen dan wel een aanduiding dat de verontreiniging beperkingen in het gebruik met zich brengt; een overzicht van de gemaakte kosten samenhangend met de uitvoering van de sanering; een overzicht van de (gemelde) afwijkingen ten opzichte van het saneringsplan. 2.Het schriftelijk verslag wordt in drievoud bij burgemeester en wethouders ingediend en dient vergezeld te gaan van een verzoek om in te stemmen met de resultaten van de uitgevoerde sanering. 3.Indien de grondwatersanering langer duurt dan de grondsanering moet binnen de in het eerste lid gestelde termijn twee afzonderlijke schriftelijke verslagen worden ingediend, waarbij dus eerst wordt gerapporteerd over de sanering van de grond en – op een later tijdstip – over de sanering van het grondwater. 4.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen omtrent de in het verslag te vermelden gegevens. Artikel2.12Beklag 1.een ieder kan schriftelijk en gemotiveerd zijn beklag doen over de uitvoering van de artikelen 2.9 en 2.10 van deze verordening. 2.Het beklag wordt gericht aan burgemeester en wethouders. 3.burgemeester en wethouders stellen degene die het beklag heeft ingediend, desgevraagd in de gelegenheid zijn beklag mondeling toe te lichten. 4.Burgemeester en wethouders geven binnen zes weken schriftelijk en gemotiveerd hun oordeel over het beklag. Zij vermelden daarbij welke gevolgen zij daar aan zullen verbinden. 5.Burgemeester en wethouders zenden een exemplaar van hun beslissing aan degene die het beklag heeft ingediend. Indien een beklag door meer dan vijf personen is ingediend, is artikel 3:44, derde lid, van de Awb van toepassing. Hoofdstuk3Handhaving Artikel3.1 1.Een gedraging in strijd met artikel 2.8 en 2.11, eerste volzin is een strafbaar feit. Hoofdstuk4Overgangs- en slotbepalingen Artikel4.1Overgangsregeling 1.Een fase van een sanering die reeds in uitvoering is op het moment dat deze verordening in werking treedt, wordt overeenkomstig de regeling waaronder deze fase is gestart, afgehandeld. 2.Bij het voorbereiden van een nieuwe fase van een sanering in het project is deze verordening van toepassing. Artikel4.2Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag volgende op de dag waarop deze is bekend gemaakt. Artikel4.3Verordening Deze verordening wordt aangehaald als “Gemeentelijke Bodemsanering Verordening gemeente Leeuwarden”. TOELICHTING BIJ DE BODEMSANERINGSVERORDENING LEEUWARDEN AlgemeenIngevolge het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming van 12 december 2000 (Stb. 2000, 591) is de gemeente Leeuwarden vanaf 1-1-2003 bevoegd gezag Wet bodembescherming (hierna: Wbb). In dat kader moet de gemeenteraad van de gemeente Leeuwarden op basis van artikel 52 Wbb onder meer een verordening opstellen die regels geeft over de betrokkenheid van derden bij het uitvoeren van bodemonderzoek en -sanering. (artikelen 2.9 en 2.10) Tevens kan de gemeenteraad op basis van artikel 39 eerste lid Wbb nadere eisen stellen aan gegevens die in een saneringsplan moeten worden opgenomen. Daarnaast worden in onderhavige verordening regels gesteld met betrekking tot het doen van een melding op grond van artikel 28 Wbb. In deze verordening is daarnaast omschreven op welke wijze belanghebbenden worden betrokken bij de totstandkoming van twee belangrijke soorten besluiten. Het betreft ten eerste het besluit op grond van artikel 29 Wbb, waarbij wordt vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Ten tweede betreft het ’t besluit waarbij wordt ingestemd met een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 Wbb. Voor deze twee soorten besluiten wordt een openbare voorbereidingsprocedure gevolgd. Inhoudelijk komt de in deze verordening beschreven voorbereidingsprocedure overeen met de voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zoals die anno 2002 bestaat. Deze laatste procedure wordt naar verwachting medio 2003 vervangen door een nieuwe. Aan de bepalingen van de nieuwe procedure kleven echter nadelen: de termijn voor de ter inzage legging wordt verlengd tot zes weken, en de mogelijkheid voor het indienen van bezwaren vervalt. Bij het volgen van de nieuwe procedure staat dan direct beroep open op de bestuursrechter. Omdat echter de in de Wet bodembescherming een beslistermijn van 13 weken is voorgeschreven (artikel 39 lid 2 Wbb) is besloten de bepalingen van de afdeling 3.4 Awb anno 2002 in de verordening op te nemen. Dit is juridisch mogelijk omdat het toepassen van ‘een’ voorbereidingsprocedure facultatief is: een bestuursorgaan kan hiervoor kiezen. In de beschikking op grond van artikel 29 Wbb wordt, indien sprake is van een ernstig geval van verontreiniging, tevens vastgesteld of er sprake is van urgentie (zie artikel 37 Wbb) en, indien sanering urgent is, op welk tijdstip met de sanering dient te worden begonnen (artikel 37 Wbb). Deze beschikking wordt zowel bij onderzoek in opdracht van burgemeester en wethouders op grond van artikel 48 Wbb, als bij onderzoek door anderen gegeven. Kort gezegd houdt de voorbereidingsprocedure in: Ter inzage legging van het ontwerpbesluit; Kennisgeving van deze ter inzage legging in een huis- aan huisblad; De mogelijkheid voor belanghebbenden om zienswijzen naar voren te brengen; Nemen van het besluit, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele zienswijzen. Het besluit is voor bezwaar en beroep vatbaar. De procedure tot en met de beschikking duurt maximaal 13 weken, tenzij de beslistermijn wordt opgeschort omdat onvolledige gegevens zijn aangeleverd, ofwel dat de procedure met maximaal 13 weken wordt verlengd omdat vanwege complexiteit meer tijd benodigd is om tot een besluit te komen. Deze mogelijkheden vloeien rechtstreeks voort uit de artikelen 4.5 Awb respectievelijk 39 Wbb en hoeven daarom niet in deze verordening te worden opgenomen. Daarnaast bestaat de mogelijkheid tot het toepassen van een verkorte procedure. Deze procedure houdt in dat de ter inzage legging van de ontwerpbesluit alsmede de kennisgeving daarvan achterwege wordt gelaten. Daarmee vervalt ook de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen. Deze procedure leent zich alleen voor gevallen waarbij aangenomen kan worden dat er geen of slechts een beperkt aantal belanghebbenden zal zijn. Met andere woorden dat er redelijkerwijs geen zienswijzen zijn te verwachten van belanghebbenden die de beschikking niet hebben aangevraagd. Als er wel zienswijzen zijn te verwachten, wordt het ontwerpbesluit wel ter inzage gelegd en wordt de verkorte procedure dus niet gevolg. Artikelsgewijze toelichtingArtikel 1.1De begripsbepalingen van artikel 1 van de Wet bodembescherming werken door in de bepalingen van deze verordening waarmee uitvoering aan die wet wordt gegeven. Artikel 2.1Naar aanleiding van een bij hen bekend geworden nader onderzoek dienen burgemeester en wethouders in een beschikking vast te stellen of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Als dit het geval is dienen zij daarbij de urgentie om dat geval te saneren aan te geven. Indien er sprake is van urgentie, wordt tevens een tijdstip vastgesteld waarop uiterlijk met de sanering moet worden gestart. In deze beschikking kunnen zij voorts aangeven welke tijdelijke beveiligingsmaatregelen aan de sanering vooraf dienen te gaan. Indien een melding als bedoeld in artikel 28 Wbb betrekking heeft op een geval van ernstige verontreiniging, dient deze melding vergezeld te gaan van een saneringsplan. Dit saneringsplan behoeft de instemming van burgemeester en wethouders. De inspraak rond de totstandkoming van de beschikking wordt geregeld door de artikelen 2.1 tot en met 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.