Fries beleidskader verboden handelingenGedeputeerde Staten van Fryslân; Commissaris van de Koning in de provincie Fryslân; Ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft; Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Overwegende dat het Fries beleidskader verboden handelingen een beleidsregel is, waarin het bevoegd gezag, namelijk gedeputeerde staten en commissaris van de Koning, hebben vastgelegd hoe zij van hun respectievelijke bevoegdheden gebruik maken bij het al dan niet verlenen van een ontheffing voor het verrichten van verboden handelingen respectievelijk goedkeuring ter voorkoming van de nietigheid van rechtshandelingen. Besluiten: het “Fries beleidskader verboden handelingen” vast te stellen, als beleidsregel in de zin van artikel 4:81, van de Algemene wet bestuursrecht, ieder voor zover het betreft hun respectievelijke bevoegdheden o.b.v. de artikelen 15, 41c, 69, 80, 81h, 101, 106 en 107d van de Gemeentewet, de artikelen 33, 45 en 47 van de Waterschapswet en de artikelen 20 en 62 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, voor de beoordeling van aanvragen tot het verlenen van ontheffing voor het verrichten van verboden handelingen en het verlenen van goedkeuring o.b.v. artikel 3:43, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. de (Fries- en Nederlandstalige) aanbiedingsbrief (bij het “Fries beleidskader verboden handelingen”) aan de Friese burgemeesters (i.a.a. de griffiers) en de voorzitter van Wetterskip Fryslân vast te stellen. Fries beleidskader verboden handelingen Vastgesteld door gedeputeerde staten en commissaris van de Koning van Fryslân in hun vergadering van 19 september 2023 Ynlieding Yn july 2021 is it troch de minister fan Ynlânske Saken en Keninkryksrelaasjes (BZK) fêststelde Modelbeleidskader verboden handelingen publisearre. It foechhawwend gesach yn de provinsje Fryslân, deputearre steaten of de kommissaris fan de Kening, hat dit Modelbeleidskader verboden handelingen as útgongspunt by it fêststellen fan it Fries beleidskader verboden handelingen brûkt, om ta in (lanlik) unifoarme beoardieling fan oanfragen om ûntheffing foar it ferrjochtsjen fan ferbeane hannelings, respektivelik oanfragen om goedkarring om de neatigens fan rjochtshannelings foar te kommen. Inkele moannen nei de publikaasje fan it Modelbeleidskader troch BZK hat de Hege Rie op 26 novimber 2021 it saneamde Didam-arrest wiisd. Dêrmei wie it Modelbeleidskader net mear folslein aktueel. Yn it dêrop oanpaste Fries beleidskader verboden handelingen is de kearn fan it Didam-arrest opnommen, nammentlik it op transparante wize bieden fan gelike kânsen oan (potinsjele) gadingmakkers by it oangean fan in oerienkomst mei in oerheidslichem. De ympakt fan it Didam-arrest sil yn de jurisprudinsje fansels noch neier stal krije moatte. Yn dy sin is de ynhâld fan it Fryske beliedsramt ek net foar de lange termyn fêstlein, mar jout it wol oan dat it Didam-arrest ek ymplikaasjes hat foar de ferliening fan ûntheffing respektivelik goedkarring yn it ramt fan ferbeane hannelings yn de Gemeentewet, Waterschapswet, de Wet gemeenschappelijke regeling, respektivelik neatige rjochtshannelings yn it ramt fan it Burgerlijk Wetboek. It Frysk beliedsramt is in beliedsregel yn ‘e sin fan kêst 4:81 fan de Algemene wet bestuursrecht, dêr’t it foechhawwend gesach (deputearre steaten en kommissaris fan de Kening) yn fêstlein hat hoe’t de respektivelike foegen brûkt wurdt kinne by de beoardieling fan oanfragen ta it ferlienen fan ûntheffing c.q. goedkarring foar it ferrjochtsjen fan ferbeane respektivelik neatige rjochtshannelingen. Mei klam wurdt der op wiisd dat riedsleden yn it foarste plak sels ferantwurdlik binne foar it neilibjen fan it ferbod om guon hannelings te ferrjochtsjen. De tapassing fan it gelykheids- en transparânsjebegjinsel, sa’t dat troch de Hege Rie yn it Didam-arrest ferwurde is, sil der oars ta liede kinne dat, ôfhinklik fan de feiten en omstannichheden yn in konkreet gefal, net altyd mear sprake hoecht te wêzen fan ferliening fan ûntheffing en goedkarring, omdat de mooglikheden foar it ‘onderhands verwerven’ mei it Didam-arrest gâns beheind binne. Ik bin derfan oertsjûge dat mei dit Frysk beliedsramt de (ûn)mooglikheden fan ferliening fan ûntheffing c.q. goedkarring yn gefal fan ferbeane respektivelik neatige rjochtshannelings neier sekuer omskreaun binne, sadat de oanbelangjende amtsdragers dêr noch better harren eigen ôfwagings yn meitsje kinne. De kommissaris fan de Kening yn Fryslân, drs. A.A.M. Brok Ten geleide In juli 2021 is het door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) vastgestelde Modelbeleidskader verboden handelingen gepubliceerd. Het bevoegd gezag in de provincie Fryslân, gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning, heeft dit Modelbeleidskader als uitgangspunt gehanteerd bij het vaststellen van dit Fries beleidskader verboden handelingen, teneinde tot een (landelijk) uniforme beoordeling van aanvragen om ontheffing voor het verrichten van verboden handelingen respectievelijk aanvragen om goedkeuring ter voorkoming van de nietigheid van rechtshandelingen te komen. Enkele maanden na de publicatie van het Modelbeleidskader door BZK heeft de Hoge Raad op 26 november 2021 het zogenaamde Didam-arrest gewezen. Daarmee was het Modelbeleidskader niet meer volledig actueel. In dit hierop aangepaste Fries beleidskader verboden handelingen is de kern van het Didam-arrest geïncorporeerd, namelijk het op transparante wijze bieden van gelijke kansen aan (potentiële) gegadigden bij het aangaan van een overeenkomst met een overheidslichaam. De impact van het Didam-arrest zal in de jurisprudentie uiteraard nog nader vorm moeten krijgen. In die zin is de inhoud van dit Friese beleidskader ook niet voor de lange termijn vastgelegd, maar geeft het wel aan dat het Didam-arrest ook implicaties heeft voor de verlening van ontheffing respectievelijk goedkeuring in het kader van verboden handelingen in de Gemeentewet, Waterschapswet, de Wet gemeenschappelijke regelingen respectievelijk nietige rechtshandelingen in het kader van het Burgerlijk Wetboek. Het Fries beleidskader is een beleidsregel in de zin van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin het bevoegd gezag (gedeputeerde staten en commissaris van de Koning) heeft vastgelegd hoe zij van hun respectievelijke bevoegdheden gebruik maken bij de beoordeling van aanvragen tot het verlenen van ontheffing c.q. goedkeuring voor het verrichten van verboden respectievelijk nietige rechtshandelingen. Met nadruk wordt erop gewezen dat raadsleden primair zelf verantwoordelijk zijn voor naleving van het verbod om bepaalde handelingen te verrichten. De toepassing van het gelijkheids- en transparantiebeginsel, zoals door de Hoge Raad in het Didam-arrest is verwoord, zal er overigens toe kunnen leiden dat, afhankelijk van de feiten en omstandigheden in een concreet geval, niet altijd meer sprake zal hoeven te zijn van verlening van ontheffing en goedkeuring, omdat de mogelijkheden voor het “onderhands verwerven” met het Didam-arrest aanzienlijk zijn ingeperkt. Ik ben ervan overtuigd dat met dit Fries beleidskader de (on)mogelijkheden van verlening van ontheffing c.q. goedkeuring in geval van verboden respectievelijk nietige rechtshandelingen nader zijn gepreciseerd, zodat de betreffende ambtsdragers daarin nog beter hun eigen afwegingen kunnen maken. De commissaris van de Koning in Fryslân, drs. A.A.M. Brok Fries beleidskader verboden handelingen Introductie Op grond van artikel 15 van de Gemeentewet is een aantal handelingen voor raadsleden verboden. Voor leden van provinciale staten (hierna: Statenleden) en leden van het algemeen bestuur van waterschappen (hierna: AB-leden) zijn dezelfde verboden in artikel 15 van de Provinciewet respectievelijk artikel 33 van de Waterschapswet neergelegd. De verboden gelden tevens voor: Wethouders, gedeputeerden, leden van het dagelijks bestuur van waterschappen. (Waarnemend) burgemeesters, (loco-)gemeente-/provinciesecretarissen, commissarissen van de Koning, voorzitters van een waterschap, bestuursleden van een openbaar lichaam en een bedrijfsvoeringsorganisatie.1Voor leden van een gemeenschappelijk orgaan is alleen het eerste lid, onder a, van overeenkomstige toepassing. Zie artikel 20, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Leden van de (gemeenschappelijke) rekenkamer, (loco-)gemeente-/provinciegriffiers. Artikel 15, tweede lid, van de Gemeentewet geeft gedeputeerde staten de mogelijkheid het raadslid en andere gemeentelijke ambtsdragers ontheffing te verlenen voor het aangaan van bepaalde verboden handelingen (het aangaan van een overeenkomst met de gemeente). Hetzelfde geldt voor AB-leden, DB-leden en voorzitters2Artikel 47, derde lid, Waterschapswet luidt: “Artikel 33, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de voorzitter met dien verstande dat de ontheffing, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, wordt verleend door de commissaris van de Koning.” van de waterschappen. Voor Statenleden, gedeputeerden en commissarissen van de Koning kan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister van BZK) een ontheffing verlenen.3Respectievelijk artikel 15, tweede lid, artikel 40c en artikel 68 van de Provinciewet. Dit Fries beleidskader verboden handelingen4Vastgesteld door gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning in hun vergadering van 19 september 2023. is bedoeld om vanuit het bevoegd gezag (gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning) inzicht te bieden in de reikwijdte en de werking van artikel 15 van de Gemeentewet en zijn tegenhangers in de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet gemeenschappelijke regelingen. Om onnodige juridisering te voorkomen voorziet dit Fries beleidskader niet in een uitputtende regeling. Het Fries beleidskader stelt zich daarentegen nadrukkelijk tot doel betrokkenen zoals bestuurders van decentrale overheden, gemeentesecretarissen en griffiers handvatten te bieden om “het goede gesprek” te voeren over de reikwijdte en werking van het artikel, indien zich een casus in de bestuurspraktijk voordoet. Daartoe bevat het Fries beleidskader verboden handelingen de volgende onderdelen: Een beschrijving van wat een verboden handeling is. Een beschrijving van gevallen waarin ontheffing kan worden verleend. Een beschrijving van het proces in het geval ontheffing wordt aangevraagd. Deze beschrijving bestaat uit: Processtappen Inhoudelijke afwegingscriteria, waaronder het op transparante wijze bieden van gelijke kansen Een beschrijving van veel voorkomende gevallen en van verschillende typen overeenkomsten De relevante wetsartikelen Deze onderdelen worden beschreven vanuit het perspectief van een raadslid, waarbij gedeputeerde staten het bevoegde gezag zijn als het gaat om het beoordelen van de aanvraag om ontheffing. Verboden handeling Artikel 15, eerste lid, Gemeentewet5Zie bijlage B voor een beschrijving van de overeenkomsten zoals opgenomen in het eerste lid, aanhef en onder d. Waarom zijn bepaalde handelingen verboden voor raadsleden? Op basis van artikel 15 van de Gemeentewet is een aantal handelingen voor raadsleden verboden. Dit verbod is een waarborg voor de zuiverheid in verhoudingen tussen raadsleden en de gemeente.6MvA, Kamerstukken II 1988/89, 19403, 3, p. 76. De verboden handelingen betreffen handelingen waarmee een raadslid zich kan compromitteren of waardoor het gemeentebelang kan worden geschaad.7MvA, Kamerstukken II 1988/89, 19403, 10, p. 136 Raadsleden zijn primair zelf verantwoordelijk voor naleving van het verbod. Wanneer kan ontheffing worden verleend? Voor de handelingen omschreven in het eerste lid, aanhef en onder a t/m c, is geen ontheffing mogelijk. Deze handelingen zijn zonder meer verboden. Het betreft handelingen waarbij raadsleden optreden als advocaat, gemachtigde, vertegenwoordiger of adviseur.8Voor de uitleg van de termen adviseur en vertegenwoordiger moet aansluiting worden gezocht bij het Burgerlijk Wetboek. Voor de handelingen omschreven in het eerste lid, aanhef en onder d, een aantal specifiek omschreven overeenkomsten, is wel ontheffing mogelijk. In artikel 15, tweede lid, van de Gemeentewet is hierover opgenomen dat gedeputeerde staten ontheffing kunnen verlenen voor het rechtstreeks of middellijk aangaan van de overeenkomsten zoals genoemd in het eerste lid, aanhef en onder d.9Art. 15, tweede lid, Gemeentewet . De reden voor deze ontheffingsmogelijkheid is dat in de daarin geregelde gevallen de zuiverheid in de verhoudingen niet altijd behoeft te worden geschaad. Als deze zuiverheid in de verhoudingen in een concreet geval niet wordt geschaad, kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen.10MvA, Kamerstukken II 1988/89, 19403, 10, p. 136. Het artikel biedt aldus een mogelijkheid om te voorkomen dat een raadslid nadeel ondervindt van zijn of haar raadslidmaatschap bij het deelnemen aan het maatschappelijk en economisch verkeer. Het is aan gedeputeerde staten om te onderzoeken of het algemeen belang, te weten het voorkomen van belangenconflicten in het betrokken geval, ruimte biedt voor ontheffing.11MvT, Kamerstukken II 1985/86, 19403, 3, p. 78. Wanneer komt de zuiverheid van belangen onder druk te staan? De zuiverheid van belangen komt onder druk te staan op het moment dat het raadslid bij deelname aan het maatschappelijk en economisch verkeer voordeel heeft van zijn of haar positie als raadslid ten opzichte van anderen die geen raadslid zijn. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan de volgende gevallen: Het raadslid beschikt over voorkennis. Het raadslid maakt binnen de gemeentelijke organisatie gebruik (of misbruik) van zijn positie als raadslid. Het raadslid speelt een rol in de voorbereiding op de besluitvorming over de te sluiten overeenkomst. De te sluiten overeenkomst tussen het raadslid en de gemeente is niet marktconform. De te sluiten overeenkomst schaadt de belangen van derden onevenredig. Wat te doen bij twijfel? Er kan twijfel ontstaan over de reikwijdte en toepassing van artikel 15 van de Gemeentewet. Raadsleden kunnen in dat geval advies vragen bij de griffier. Griffiers zijn vaak de meest geëigende functionarissen binnen de gemeente om advies te vragen bij de provincie. Uiteraard staat deze mogelijkheid ook open voor andere functionarissen dan griffiers, zoals ambtenaren die de burgemeester of het college van burgemeester en wethouders ondersteunen. Door intern advies te vragen kunnen op voorhand onduidelijkheden (bijv.: Staat ontheffing überhaupt open in dit geval? Is het nodig om ontheffing te vragen?) worden weggenomen. De burgemeester heeft op grond van artikel 170, tweede lid, Gemeentewet de verantwoordelijkheid (zorgplicht) de bestuurlijke integriteit van de gemeente te bevorderen. Vanuit deze verantwoordelijkheid kan de burgemeester het goede gesprek aangaan met het raadslid, deze informeren over het aanvragen van een ontheffing en het raadslid wijzen op de consequenties van het niet aanvragen van een ontheffing (zie hieronder). Middellijk aangaan van een overeenkomst Ook het “middellijk” aangaan van de overeenkomsten zoals genoemd in artikel 15 van de Gemeentewet is verboden, tenzij hier een ontheffing voor is verleend. “Middellijk” houdt in dat de overeenkomst niet door het raadslid zelf wordt aangegaan maar door een derde, waarbij het raadslid invloed kan uitoefenen op de totstandkoming van de overeenkomst en daarbij een voordeel geniet. Een derde kan in dit geval zijn: Een rechtspersoon waar het raadslid een betrokkenheid bij heeft. Het doorslaggevende criterium is of het raadslid invloed heeft op de besluitvorming en/of het aangaan van overeenkomsten. Dit is in ieder geval zo als het raadslid bestuurder of lid van de directie is, maar dat zijn niet de enige functies waarmee een raadslid invloed kan hebben in een organisatie. De partner, een familielid of een goede bekende van het raadslid. Het doorslaggevende criterium is of het raadslid persoonlijk voordeel heeft van de overeenkomst en invloed heeft uitgeoefend op de totstandkoming van de overeenkomst. Een andere (rechts)persoon waarbij het raadslid een belang heeft (bijv. recht op een deel van diens vermogen of als onderaannemer van deze derde). Wat indien geen ontheffing wordt aangevraagd? Uitvoering van een verboden handeling kan in het uiterste geval leiden tot vervallenverklaring van het lidmaatschap van de raad. Daarnaast kan een verboden handeling nietig zijn. Vervallenverklaring lidmaatschap van de raad op basis van artikel X8 Kieswet De vervallenverklaring is geregeld in artikel X8 Kieswet. De voorzitter van de raad (de burgemeester) kan een raadslid dat in strijd met artikel 15 van de Gemeentewet handelt schorsen. De raad moet daarover dan in zijn eerstvolgende vergadering een oordeel geven. De raad kan dan het lidmaatschap van het raadslid vervallen verklaren of de schorsing opheffen. Ook kan de raad het raadslid ambtshalve van zijn lidmaatschap vervallen verklaren. Voorwaarde in beide gevallen is dat het raadslid in de gelegenheid is gesteld zich mondeling te verdedigen. Tegen de beslissing van de raad staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Nietigheid op basis van artikel 3:43, eerste lid, aanhef en onder c, Burgerlijk Wetboek De rechtshandeling van een raadslid waarmee van de gemeente onderhands onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen worden verkregen, is van rechtswege nietig en verplicht de verkrijgers hiervan tot schadevergoeding. Dat bepaalt artikel 3:43, eerste lid, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek. Het gaat hier om een door een wettelijke bepaling gecreëerde bijzondere onbevoegdheid om een bepaalde rechtshandeling te verrichten. Personen bekleed met openbaar gezag zijn niet bevoegd om - hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomende personen - rechtshandelingen te verrichten die strekken tot verkrijging van goederen die toebehoren aan het Rijk, provincies, gemeenten of andere openbare instellingen en aan hun beheer zijn toevertrouwd. Met de term “personen bekleed met openbaar gezag” wordt gedoeld op personen die deel uitmaken van de organen van publiekrechtelijke instellingen, die de aan deze instellingen toebehorende goederen beheren en de bevoegdheid hebben daarover te beschikken. Hieronder vallen mede gemeenteraadsleden. Omdat elke schijn van belangenverstrengeling dient te worden vermeden, is een dergelijke rechtshandeling van rechtswege nietig. Dit betekent dat de rechtshandeling nooit geldig is geweest, in tegenstelling tot vernietigbaarheid waar het initiatief voor het inroepen van de ongeldigheid wordt overgelaten aan de betrokken partijen. Artikel 3:43, derde lid, Burgerlijk Wetboek: in twee situaties geen sprake van nietigheid Het derde lid van artikel 3:43 van het Burgerlijk Wetboek geeft twee situaties waarin er geen sprake is van nietigheid. Ten eerste is dit het geval als er sprake is van een openbare verkoop. Daarnaast is het mogelijk om goedkeuring te krijgen bij bepaalde rechtshandelingen. Voor raadsleden of wethouders, onderscheidenlijk burgemeesters komt die bevoegdheid in lijn met de Gemeentewet toe aan gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning. Als de ontheffing op grond van artikel 15, eerste lid, onder d, 6e en/of ten 7e,12Bij de handeling van artikel 15, eerste lid, onder d, ten 7e, moet onderzocht worden of hier ook naast de ontheffing op grond van artikel 15, tweede lid, Gemeentewet, ook een goedkeuring op grond van artikel 3:43, derde lid, Burgerlijk Wetboek dient te geschieden. Dit hangt af van de situatie. Bijvoorbeeld bij huur voor het leven of eeuwigdurende pacht kan zo een goedkeuring nodig zijn. wordt aangevraagd, dan zal gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning ambtshalve toetsen of er voor die handelingen naast de ontheffing ook goedkeuring op grond van artikel 3:43, derde lid, van het BW kan worden verleend. Voor deze handelingen is dus zowel een ontheffing door gedeputeerde staten/ de commissaris van de Koning als een goedkeuring door gedeputeerde staten/ de commissaris van de Koning nodig. Voor alle overige personen met openbaar gezag bekleed (zoals ambtsdragers van provincies en waterschappen) is de Kroon bevoegd deze goedkeuring te geven. Het daartoe strekkende koninklijk besluit wordt genomen op voordracht van de minister van BZK (voor waterschappers de minister van IenW). De goedkeuring dient in principe voor het afsluiten van de overeenkomst te zijn verleend. Indien de goedkeuring plaatsvindt na het afsluiten van de overeenkomst dienen partijen de rechtshandeling conform artikel 3:58 van het Burgerlijk Wetboek te bekrachtigen. In een concreet voorbeeld betekent dit dat wanneer een pand dat in eigendom is van de gemeente onderhands wordt gekocht door een raadslid deze koop nietig is (en dus vanaf het begin ongeldig), tenzij het gemeenteraadslid goedkeuring heeft gekregen conform het derde lid van artikel 3:43 van het Burgerlijk Wetboek. Bij een openbare verkoop van het gemeentelijke pand heeft het raadslid geen goedkeuring nodig om het pand te kopen. Proces van ontheffing Artikel Om ontheffing te kunnen verlenen is het wenselijk dat gedeputeerde staten van geval tot geval een afweging maken via een vast en kenbaar proces. Hieronder wordt ingegaan op dit proces en op de inhoudelijke afwegingen die daarbij van belang zijn. Op het (proces van het) verlenen van ontheffing is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Indienen ontheffingsaanvraag De aanvraag om ontheffing wordt ingediend door of namens een raadslid bij gedeputeerde staten. De aanvraag om ontheffing is primair gelegen bij het raadslid. Het raadslid draagt hier dan ook zelf de verantwoordelijkheid voor. Wanneer de aanvraag wordt ingediend namens het desbetreffende raadslid, bijvoorbeeld door de burgemeester of het college, kunnen gedeputeerde staten een schriftelijke machtiging verlangen. De aanvraag om ontheffing wordt ingediend voordat de overeenkomst tussen de gemeente en het raadslid wordt afgesloten. Door gedeputeerde staten wordt binnen acht weken na ontvangst een besluit genomen op de aanvraag om ontheffing.13Wanneer aanvullende informatie wordt opgevraagd, wordt de termijn opgeschort. De aanvraag kan op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht niet verder in behandeling worden genomen indien de aanvraag niet door de bevoegde persoon is ingediend of de vereiste gegevens en bescheiden na het verstrijken van een termijn van vier weken, waarbinnen het raadslid in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, niet zijn ontvangen. Onder een aanvraag om ontheffing in de gevallen beschreven onder artikel 15, eerste lid, onder d, 6e en/of 7e14Artikel 15, eerste lid, onder d, zesde en zevende onderdeel, van de Gemeentewet., wordt mede verstaan een aanvraag om goedkeuring als bedoeld in artikel 3:43, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Let op in verband met het Waterschap gelden de volgende regels met betrekking tot artikel 3:43 BW: Een goedkeuring als bedoeld in 3:43, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek dient voor politieke ambtsdragers van een waterschap afgegeven te worden door de Kroon. Indien de aanvraag om ontheffing wordt gedaan door of namens een politieke ambtsdrager van een waterschap, dient deze aanvraag inclusief het besluit tot ontheffing of weigering daarvan aan de minister van IenW te worden gezonden zodat de Kroon kan beoordelen of goedkeuring wordt verleend als bedoeld in artikel 3:43, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Ook hier geldt dat dit alleen geldt voor de rechtshandelingen genoemd in artikel 33, eerste lid, onder d, 6e en/of ten 7e, van de Waterschapswet. Aanlevering bescheiden en informatie Door het raadslid worden alle gegevens en bescheiden aangeleverd die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor het oordeel of de zuiverheid van belangen niet wordt geschaad door het sluiten van de overeenkomst. Met toestemming van het raadslid kan ook het college of de burgemeester deze gegevens en bescheiden aanleveren. Daaronder vallen in ieder geval: De conceptovereenkomst (waaronder het voornemen tot gunning), of als deze niet beschikbaar is, een beschrijving van de af te sluiten overeenkomst, waarbij in beide gevallen de voorwaarden van de te sluiten overeenkomst meegestuurd worden. Een toelichting op de wijze waarop de conceptovereenkomst tot stand is gekomen en de wijze waarop toepassing aan het transparantie- en gelijkheidsbeginsel15Zie hierna onder “Het bieden van gelijke kansen”, Didam-arrest (ECLI:NL:HR:2021:1778). is gegeven. Een toelichting op de totstandkoming van de opgenomen prijs/vergoeding in de conceptovereenkomst. Een onderbouwing waarom de zuiverheid van belangen16Voor zover van belang dient in deze onderbouwing te worden meegenomen waarom de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad met het aangaan van de overeenkomst. - mede gelet op het transparantie- en gelijkheidsbeginsel17Zie hierna onder “Het bieden van gelijke kansen”, Didam-arrest (ECLI:NL:HR:2021:1778). - niet wordt geschaad met het aangaan van de overeenkomst. Indien uit de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens en bescheiden onvoldoende blijkt of het raadslid in aanmerking kan komen voor een ontheffing, kunnen gedeputeerde staten het raadslid (eenmalig) de mogelijkheid geven om de aanvraag om ontheffing aan te vullen. Hiervoor geldt een aanvullende termijn van vier weken. Afhankelijk van het type overeenkomst dienen bij de initiële ontheffingsaanvraag aanvullende gegevens en bescheiden te worden aangeleverd. Hieronder is per type overeenkomst opgenomen welke informatie in ieder geval aangeleverd dient te worden. Let wel, dit is geen uitputtende lijst. Het aannemen van werk / het verrichten van werkzaamheden / het leveren en verhuren van roerende zaken Het doel van het aangaan van de overeenkomst. Een verklaring van het college waarom de overeenkomst met (specifiek) het raadslid wordt aangegaan en de wijze waarop toepassing aan het transparantie- en gelijkheidsbeginsel18Zie hierna onder “Het bieden van gelijke kansen”, Didam-arrest (ECLI:NL:HR:2021:1778). is gegeven. De door het college eventueel overwogen en afgevallen alternatieven (potentiële gegadigden). Het verwerven van betwiste vorderingen Een omschrijving van de reden waarom het raadslid de betwiste vordering wil overnemen. De aard en achtergrond van de betwiste vordering. De reden waarom de vordering betwist wordt. Het verwerven van onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen Een recent taxatierapport van een onafhankelijke externe deskundige. Bij verwerving van een bouwkavel: een verklaring van het college omtrent de wijze van toekenning van bouwkavels en een grondprijsberekening en de wijze waarop toepassing aan het transparantie- en het gelijkheidsbeginsel19Zie hierna onder “Het bieden van gelijke kansen”, Didam-arrest (ECLI:NL:HR:2021:1778). is gegeven. Dit kan ook (deels) via de grondnota. Het onderliggende (voorgenomen) verkoopbesluit met een tekening of situatieschets. Onderhands huren of pachten Een verklaring van het college dat de huur- of pachtprijs overeenkomt met de vastgestelde huur- of pachtprijs voor soortgelijke objecten. Indien het niet mogelijk is een dergelijke verklaring aan te leveren, dient een verklaring te worden aangeleverd dat de huur- of pachtprijs is vastgesteld conform het advies van een onafhankelijke externe deskundige. Informatie over de wijze waarop toepassing aan het transparantie- en gelijkheidsbeginsel20Zie hierna onder “Het bieden van gelijke kansen”, Didam-arrest (ECLI:NL:HR:2021:1778). is gegeven en, voor zover van toepassing, over de door het college overwogen en afgevallen potentiële huurders of pachters. Beoordeling ontheffingsaanvraag Gedeputeerde staten zijn verantwoordelijk voor het maken van de afweging ten aanzien van de aanvraag om ontheffing. De aanvraag om ontheffing wordt door gedeputeerde staten tenminste getoetst aan de volgende criteria: De overeenkomst leidt niet tot belangenverstrengeling. De overeenkomst leidt niet tot bevoordeling van het raadslid (ten opzichte van derden), omdat – met inachtneming van het transparantie- en gelijkheidsbeginsel en de toekomende beleidsruimte – op transparante wijze aan (potentiële) gegadigden gelijke kansen zijn geboden. Indien slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt, dient een ieder daarvan kennis te kunnen nemen.21Zie hierna onder “Het bieden van gelijke kansen”, Didam-arrest (ECLI:NL:HR:2021:1778). Het raadslid heeft niet deelgenomen aan de beraadslagingen en (voorbereiding van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.