Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Kempengemeenten 2023De raad van de gemeente Reusel-De Mierden; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 september 2023; gelet op de artikelen: 8a en 10b, zevende lid van de Participatiewet; 35, aanhef en onder d, en 36 van de IOAW en de IOAZ; Overwegende dat: Het wetsvoorstel Breed Offensief op 29 november 2022 door de Eerste Kamer is aanvaard; Het Breed Offensief een brede agenda is om de arbeidsmarktkansen voor mensen met een arbeidsbeperking te vergroten; Doelen van de maatregelen uit het Breed Offensief zijn: het makkelijker maken voor werkgevers om mensen met een arbeidsbeperking aan te nemen; mensen met een arbeidsbeperking voor langere tijd aan het werk krijgen; werk voor mensen met een arbeidsbeperking aantrekkelijker maken (bijvoorbeeld door meer inkomen); zorgen dat werkgevers en werkzoekenden elkaar makkelijker vinden. Het wetsvoorstel maatregelen bevat per 1 juli 2023 om: de loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet voor werkgevers makkelijker te krijgen; hulp op maat aan te vragen voor de werknemer; meer duidelijkheid over welke re-integratiemiddelen een werkgever kan krijgen en gebruiken; het voor jongeren met een arbeidsbeperking mogelijk te maken dat een aanvraag voor een bijstandsuitkering meteen wordt behandeld en dat zij arbeidsondersteuning krijgen. b e s l u i t vast te stellen de volgende verordening: Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Kempengemeenten 2023 Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.1Definities 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en Algemene wet bestuursrecht. 2.In deze verordening wordt verstaan onder: college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden; detachering: de werknemer wordt (tijdelijk) uitgeleend door de werkgever aan een opdrachtgever waar de feitelijke werkzaamheden plaatsvinden; doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a. van de wet; externe werkbegeleiding: door een externe geboden werkbegeleiding bij het verrichten van aan de persoon opgedragen werkzaamheden, indien de persoon zonder die ondersteuning niet in staat is die werkzaamheden te verrichten; interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; jobcoaching: een vorm van persoonlijke ondersteuning die wordt toegekend door UWV of gemeente om ervoor te zorgen dat mensen met een arbeidsbeperking werkzaamheden kunnen uitvoeren in een werkomgeving. De ondersteuning richt zich zowel op werknemer, werkgever als collega. De begeleiding wordt geboden door een erkend deskundige; mantelzorg: zorgverlening voor een natuurlijke persoon die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie zonder dat dit beroeps- of bedrijfsmatig geschiedt; persoonlijke ondersteuning: verzamelbegrip voor alle begeleiding zoals externe werkbegeleiding, interne werkbegeleiding, jobcoaching in natura; jobcoaching via subsidie, nazorg bij stage- of werkaanvaarding, etc.; praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; voorziening: door het college noodzakelijk geacht aanbod, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst, werkleerovereenkomst of stageovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in of namens zijn organisatie, dan wel dit van plan is; werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst, werkleerovereenkomst of stageovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is; Wet: Participatiewet. Hoofdstuk2.Beleid en financiën Artikel2.1Opdracht college 1.Alle voorzieningen zijn voor personen behorende tot de doelgroep van toepassing tenzij voor de betreffende voorziening anders is bepaald. 2.Het college bevordert dat er met betrekking tot het aanbieden van ondersteuning sprake is van een gelijke aandacht voor de in artikel 7, lid 1, sub a van de wet genoemde groepen alsmede voor een evenwichtige verdeling binnen de te onderscheiden doelgroepen. 3.Het college kan bij het bepalen van het aanbod aan voorzieningen prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden en met maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen. Artikel2.2Budget- en/of subsidieplafonds 1.Het college kan één of meer budget- en/of subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het college als zodanig ingesteld plafond kan leiden tot een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening. 2.Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. Hoofdstuk3.Voorzieningen Artikel3.1Algemene bepalingen over voorzieningen 1.Het college kan aan een belanghebbende een of meer voorzieningen aanbieden. 2.Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van een voorziening aan een belanghebbende, beoordeelt het college de mogelijkheden, omstandigheden en capaciteiten van belanghebbende in relatie tot de verwachte doeltreffendheid van de voorziening. 3.Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de mogelijkheden, omstandigheden en capaciteiten van een persoon. 4.De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 5.Het college houdt bij het aanbieden van voorzieningen rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod als dat nodig is intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan. Het college kan de mate van proportionaliteit afwegen tegen de maatschappelijke en persoonlijke opbrengst. 6.Het college kan een voorziening weigeren als: de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 7.Het college kan een voorziening beëindigen als: de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet; de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een doeltreffend en doelmatig arbeidsinschakeling; de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. Artikel3.2Voorzieningen 1.Het college kan in het kader van een traject dat gericht is op arbeidsinschakeling onder andere de volgende voorzieningen met behoud van uitkering aanbieden: sociale activering (artikel 3.3); leerwerktraject (artikel 3.4); werkstage (artikel 3.5); scholing (artikel 3.6); participatieplaats (artikel 3.7). 2.Het college kan onder andere de volgende voorzieningen bij betaald werk aanbieden: proefplaatsing (artikel 3.8); detacheringsbaan (artikel 3.9); beschut werk (artikel 3.10); loonkostensubsidie; tijdelijk (artikel 3.11); structureel; (artikel 3.12 t/m 3.13); persoonlijke ondersteuning naar en bij werk bestaande uit (artikel 3.14 t/m 3.17 algemeen): jobcoaching (artikel 3.18 t/m 3.20); interne werkbegeleiding; (artikel 3.21) externe werkbegeleiding (artikel 3.22). 3.Het college kan daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden: uitstroompremie (artikel 3.23); vergoedingen om werk te krijgen of te behouden (artikel 3.24); vervoersvoorziening (artikel 3.25); intermediaire voorziening bij visuele of motorische handicap (artikel 3.26); meeneembare voorziening (artikel 3.27); werkplekaanpassing (artikel 3.28). Hoofdstuk3A Voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling Artikel3.3Sociale activering 1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen. 2.Het college stemt het aantal uren per week van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3.Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel3.4Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan, overeenkomstig artikel 10f van de wet, ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: van 16 en 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Artikel3.5Werkstage 1.Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als hij: behoort tot de doelgroep; en nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. 2.Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie of het opdoen van beroepsrelevante competenties voor uitstroom naar werk. 3.Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4.In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: het doel van de werkstage; en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt; de duur, deze is maximaal 3 maanden met de mogelijkheid van een eenmalige verlenging met maximaal 3 maanden. Artikel3.6Scholing 1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a. van de wet. 3.Een scholingstraject draagt in ieder geval bij aan het vergroten van de kans op duurzame arbeidsinschakeling. Artikel3.7Participatieplaats 1.Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder van wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die vooralsnog niet bemiddelbaar is naar regulier werk een Participatieplaats aanbieden overeenkomstig artikel 10a van de wet. De persoon verricht op arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden die bijdragen aan het versterken van de toekomstige kansen van de persoon op de arbeidsmarkt. 2.Het college legt de afspraken over de invulling van de participatieplaats vast in een overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever die de participatieplaats aanbiedt en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3.In de overeenkomst wordt ten minste het volgende vastgelegd: doel van de participatieplaats; beschrijving van de taken en de tijden van aanwezigheid; afspraken over begeleiding bij de uitvoering van de werkzaamheden; afspraken over de monitoring van de voortgang en de evaluatiemomenten; beoogde ontwikkelstappen tijdens de duur van de participatieplaats; noodzakelijke inzet van ondersteunende voorzieningen; afspraken over aanvullende vergoedingen voor extra kosten van de persoon. 4.De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt 10% van het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onder j, van de wet per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Hoofdstuk3B Voorzieningen bij betaald werk Artikel3.8Proefplaatsing 1.Het college kan een persoon behorend tot de doelgroep toestemming verlenen om voor de duur van twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, in het kader van een proefplaatsing bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2.Het doel van de proefplaatsing is de kans op een dienstverband bij de werkgever te bevorderen, waarbij de proefplaatsing voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet. 3.Voor een proefplaatsing wordt uitsluitend toestemming verleend als: de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op een dienstverband bij de betreffende werkgever; als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en de werkgever bij aanvang van de proefplaatsing schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 4.Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als: redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5.Als de werkzaamheden tijdens de proefplaatsing wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten. 6.Het college kan een persoon tijdens de periode van de proefplaatsing persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen. Artikel3.9Detacheringsbaan Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een detacheringsbaan bieden. De persoon heeft een arbeidsovereenkomst met een door het college te contracteren partij en wordt door zijn werkgever gedetacheerd bij een andere werkgever, de inlener. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en de inlenende organisatie als tussen de werkgever en de werknemer. Artikel3.10Beschut werk 1.Het college verstrekt om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken de volgende voorzieningen: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; uitsplitsing van taken; of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 2.Het college kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de wet, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden: arbeidsmatige dagbesteding als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning; sociale activering als bedoeld in artikel 3.3 scholing als bedoeld in artikel 3.6; of persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 3:14 ev. 3.Het college kan daarnaast voorzieningen aanbieden gericht op het behoud van of het vergroten van arbeidsritme en de kansen voor duurzame uitstroom in aangepast werk. Artikel3.11Tijdelijke Loonkostensubsidie 1.Het college kan aan de werkgever een tijdelijke loonkostensubsidie toekennen bij het in dienst nemen van een persoon uit de doelgroep met een tijdelijk lagere loonwaarde die niet in aanmerking komt voor de loonkostensubsidie bedoeld in artikel 3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.