Handhavingsbeleid kinderopvang Gouda 2023 Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda houdende regels omtrent de toezicht en handhaving van kinderopvang (Handhavingsbeleid kinderopvang Gouda 2023) 1.Aanleiding Goede en verantwoorde kinderopvang zijn belangrijke aandachtspunten in de huidige samenleving. Het gaat immers over de verantwoordelijkheid voor de zorg voor de meest kwetsbare groep van onze samenleving, jonge kinderen. In de kinderopvang wordt een veilige basis gelegd voor de toekomst van kinderen. Zij worden gestimuleerd in hun ontwikkeling. Ouders krijgen via de kinderopvang bovendien de mogelijkheid om volwaardig deel te nemen aan het arbeidsproces, omdat ze erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind in een veilige, stimulerende en vertrouwde omgeving achterlaten. Houders van voorzieningen voor kinderopvang zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van hun voorziening. De gemeente is verantwoordelijk voor toezicht op en handhaving van de kwaliteit. HECHT GGD Hollands Midden (hierna te noemen: GGD) voert het toezicht uit en rapporteert aan de gemeente over de kwaliteit. De gemeente handhaaft indien noodzakelijk. De manier waarop de gemeente dit doet is vastgelegd in onderhavig handhavingsbeleid kinderopvang Het vaststellen van een lokaal (actueel) toezicht- en handhavingsbeleid kinderopvang, zorgt voor een eenduidige uitvoering binnen de gemeente. Nadat het algemene kader is geschetst waarbinnen de gemeentelijke taken en verantwoordelijkheden liggen, wordt uiteengezet wat de gemeentelijke taken zijn, op welke manier en in samenwerking met wie de gemeente deze taken uitvoert en op welke wijze er voor naleving van de kwaliteitseisen volgend uit de Wet kinderopvang wordt gezorgd, oftewel op welke wijze het college haar rol als handhaver invult. Het is in het belang van houders van kindercentra, gastouderbureaus, gastouders, inspecteurs van de GGD, ouders en de gemeente zelf om dit helder in beeld te hebben. 2.Kader De gemeentelijke taken en verantwoordelijkheden zijn landelijk vastgelegd in de Wet kinderopvang en onderliggende regelgeving. De belangrijkste kaders zijn: Wet kinderopvang; Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang; AMvB “Besluit kwaliteit kinderopvang ”; AMvB “Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang”; AMvB “Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang”; AMvB “Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie”; Ministeriële regeling “Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang”; Ministeriële regeling “Regeling Wet kinderopvang”; Algemene wet bestuursrecht. Iedere houder die in Gouda een kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang (BSO), gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang wil exploiteren, dient daarnaast te voldoen aan andere van toepassing zijnde regelgeving. Hierbij kan gedacht worden aan het toepasselijke bestemmingsplan op de vestigingslocatie en een gebruiksvergunning brandveilig gebruik (omgevingsvergunning activiteit gebruik). Indien dit niet op orde is, kan een houder niet overgaan tot exploitatie, ook wanneer de kwaliteitseisen op basis van de Wet kinderopvang en aanverwante regelgeving wel in orde zijn. 3.Gemeentelijke taken De gemeentelijke verantwoordelijkheid is onderverdeeld in vier taken: exploitatieonderzoek en registratie, toezicht op de naleving van de kwaliteit, handhavend optreden en verantwoording afleggen aan het Rijk. 3.1Exploitatieonderzoek en registratie Degene die voornemens is een kinderdagverblijf, BSO, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang in exploitatie te nemen, moet daarvoor een aanvraag indienen bij het college van de gemeente van vestiging. Daarnaast moet het gastouderbureau een aanvraag indienen voor degene die voornemens is door zijn tussenkomst gastouderopvang aan te bieden. Bij een positief advies van de toezichthouder en indien anderszins is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de kwaliteitseisen van de Wet kinderopvang en aanverwante regelgeving, mag het kindercentrum, gastouderbureau dan wel de voorziening voor gastouderopvang tot exploitatie overgaan en zal het college zorgen voor inschrijving in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). De gemeente draagt ook zorg voor actuele registratie van kinderdagverblijven, BSO, gastouderbureaus en voorzieningen voor gastouderopvang (gastouders). Hiervoor werkt de gemeente, zoals toegelicht, met het LRK. Het register is openbaar toegankelijk via www.landelijkregisterkinderopvang.nl. Alleen wanneer een kinderdagverblijf, BSO, gastouderbureau en/of gastouder opgenomen staat in dit LRK, heeft een ouder (mogelijk) recht op kinderopvangtoeslag voor een kind dat deze voorziening bezoekt. 3.2Toezicht op de naleving van de kwaliteit Het college van burgemeester en wethouders ziet er op toe dat de Wet kinderopvang en onderliggende regelgeving wordt nageleefd. Hiervoor heeft het college de directeur van HECHT GGD Hollands Midden aangewezen als toezichthouder. De toezichthouder onderzoekt of een bestaand kinderdagverblijf, BSO, gastouderbureau of gastouder aan de kwaliteitseisen voldoet. Hiervoor inspecteert hij volgens de wettelijke kaders de in de regio gevestigde voorzieningen voor kinderopvang. Jaarlijks worden er door de gemeente en de GGD afspraken gemaakt over toezicht, het zogeheten inspectiearrangement. Hierin zijn onder andere opgenomen: een overzicht van de te inspecteren kinderopvangvoorzieningen; de planning van de jaarlijkse inspecties; het aantal uren per inspectie, afhankelijk van het soort opvang; het inspectietarief. Vanaf 2009 is risico gestuurd toezicht ingezet onder het motto “meer toezicht waar nodig, minder waar mogelijk”. Doel hiervan is ervoor te zorgen dat de aandacht van het toezicht vooral uitgaat naar locaties die minder goed presteren op het gebied van kwaliteit. Daarnaast wordt de toezichtlast minder voor houders die goed presteren. Het risico gestuurd toezicht is in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid doorontwikkeld. De GGD werkt vanaf begin 2012 met landelijk ontwikkelde risicoprofielen. Voor iedere locatie wordt een risicoprofiel opgesteld. Aan de hand van de uitkomst van het risicoprofiel wordt nagegaan of er een verhoogde kans bestaat op het niet naleven van de kwaliteitseisen. De uitkomsten worden benut voor het bepalen van de vorm en mate van een volgend inspectieonderzoek. Dit leidt tot een inspectie op maat voor iedere locatie. Vanaf 1 januari 2024 is er flexibele inspectieactiviteit. Hierbij wordt de vaste (verplichte) set minimaal 4 te toetsen onderwerpen (en dus items) losgelaten. De enige verplicht te toetsen onderwerpen die blijven bestaan zijn de controle op de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) en inschrijving in het personenregister kinderopvang (PRK) en de te toetsen items op voorschoolse educatie (VE) indien daar sprake van is. De beschikbare inspectie uren blijft echter hetzelfde, hierdoor ontstaat ruimte om te flexibiliseren. De gemeente zal jaarlijks in samenspraak met de GGD een plan opstellen omtrent de flexibele inspectieactiviteit. Daarnaast is er minimaal één keer per jaar een regio-overleg, waarbij alle gemeenten uit de regio Hollands Midden en de verantwoordelijke GGD aanwezig zijn. Er zijn verschillende soorten inspecties: de aanvraag ”onderzoek voor registratie” inspecties (bij nieuwe voorzieningen voor kinderopvang en bij bestaande voorzieningen die verhuizen); de drie maanden inspecties “onderzoek na registratie” (inspectie binnen drie maanden na het in exploitatie nemen van een nieuwe voorziening voor kinderopvang); de reguliere (jaarlijkse) inspecties; de nadere onderzoeken (naar aanleiding van reeds geconstateerde tekortkomingen); de incidentele inspecties (naar aanleiding van signalen of incidenten). Elke inspectie levert een inspectierapport op (naar een landelijk model). Als er gebruik gemaakt is van het herstelaanbod staat dit in het inspectierapport. Wettelijk is de gemeente verplicht om jaarlijks te laten onderzoeken of bij ieder geregistreerd kinderdagverblijf, BSO en gastouderbureau de exploitatie in overeenstemming is met de wettelijke regels (Wko art 1.62 lid 2). Daarnaast is het wettelijk verplicht om jaarlijks bij ten minste 50% van de geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang en ten minste eens per drie jaar bij iedere geregistreerde voorziening voor gastouderopvang per gemeente te onderzoeken of de exploitatie in overeenstemming is met de wettelijke regels (Wko art 1.62 lid 3) 3.3Niet- geregistreerde kinderopvang Blijkens artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang (Wko) wordt onder ‘kinderopvang’ verstaan: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begin. Degene die voornemens is een kindercentrum of gastouderbureau in exploitatie te nemen, dan wel voornemens is om gastouderopvang aan te bieden, moet hiervoor een aanvraag bij het college indienen (artikel 1.45, Wko). Pas na een positieve beschikking (toestemming exploitatie) van het college, mag worden gestart met het bieden van kinderopvang in de zin van de Wko. Op het moment dat bij het college het vermoeden bestaat dat er sprake is van kinderopvang in de zin van de Wko waarvoor geen toestemmingsbeschikking is afgegeven, wordt gesproken over (mogelijke) niet-geregistreerde kinderopvang. Een dergelijk vermoeden kan bij het college ontstaan door bijvoorbeeld een signaal van een burger of van de toezichthouder. Het college onderzoekt een dergelijk signaal in samenspraak met de toezichthouder. Het uitgangspunt hierbij is om de (mogelijke) niet-geregistreerde aanbieder van kinderopvang met het vermoeden te confronteren en tot een oplossing te komen. Hierbij kan gedacht worden aan het alsnog indienen van een aanvraag onder de afspraak dat de kinderopvang pas wordt hervat op het moment dat een positieve beschikking wordt afgegeven. Het bieden van kinderopvang zonder toestemmingsbeschikking is een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten (artikel 1). Op het moment dat de niet-geregistreerde aanbieder van kinderopvang niet bereid is om mee te werken aan een oplossing als vernoemd, gaat het college over tot het doen van aangifte. Daarnaast kan het opleggen van een bestuurlijke boete worden overgewogen. Ook bij een kinderopvangvoorziening waarvan de toestemming tot exploitatie is ingetrokken (artikel 1.46, lid 5 en 6, Wko) en die desondanks in exploitatie blijft, is sprake van niet-geregistreerde opvang met dezelfde gevolgen als hiervoor beschreven. 3.4Herstelaanbod Een herstelaanbod is het aanbod van de toezichthouder kinderopvang aan de houder om binnen de wettelijke termijn van 6 weken van het opstellen van het concept inspectierapport een geconstateerde overtreding te herstellen. Het herstelaanbod is een eerste stap in het bevorderen van de naleving. Het is echter geen handhavingsmiddel en het valt ook niet onder ‘lichte handhaving’. Het betreft een informele methode zonder juridische status en is niet opgenomen in wet- en regelgeving. Het herstelaanbod kan als werkwijze worden ingezet bij het onderzoek na registratie, het jaarlijks onderzoek en het incidenteel onderzoek. Het herstelaanbod wordt niet ingezet bij een onderzoek voor registratie en nader onderzoek volgend op een handhavingsbesluit van de gemeente. Het herstelaanbod kan als werkwijze ingezet worden bij de in de beleidsregels genoemde overtredingen met een gemiddelde prioriteit. Wanneer volgens de methode herstelaanbod gewerkt wordt, biedt de toezichthouder tijdens een inspectieonderzoek aan de houder een herstelmogelijkheid aan om de geconstateerde tekortkoming binnen een redelijke termijn met een maximum van 4 weken, te herstellen. De houder kan vervolgens besluiten om hier wel of geen gebruik van te maken. Wanneer de houder gebruik maakt van het herstelaanbod, stelt de toezichthouder een periode vast waarin de houder het herstel kan realiseren. De maximale termijn voor herstelaanbod bedraagt vier weken. Na deze periode vindt een herbeoordeling door de toezichthouder plaats. In het inspectierapport wordt vastgelegd dat bij een eerste inspectie het voorschrift werd overtreden. Daarnaast wordt vastgelegd of er een herstelaanbod is gedaan en zo ja, of de overtreding daarna nog bestaat of niet meer. De gemeente weegt de oorspronkelijke overtreding en de resultaten van herstelaanbod mee bij haar beslissing om wel of niet te handhaven. De methode herstelaanbod kan niet ingezet worden indien er sprake is van recidive; er teveel (3 of meer) voorschriften niet nageleefd worden; indien herstel niet binnen de 4 weken te realiseren is en/of een overtreding is geconstateerd waarvoor een bevel wordt opgelegd. Overtredingen en herstelaanbod Wanneer van de toezichthouder een inspectierapport met overtredingen ontvangen is, zijn er vier scenario’s mogelijk die daar in toezicht aan vooraf zijn gegaan: Herstelaanbod gedaan met positief resultaat Herstelaanbod aangeboden maar geen herstel Geen herstelaanbod aangeboden door toezichthouder Herstelaanbod niet aangenomen door houder Handhaving Ad
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.