Damoclesbeleid gemeente AchtkarspelenDE BURGEMEESTER VAN DE GEMEENTE ACHTKARSEPELEN. Gelet op artikel 4:81, 4:83 en 1:3, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht en gelet op artikel 13b Opiumwet. Overwegende dat: De inhoud van de huidige beleidsregel is geactualiseerd notities zijn geharmoniseerd en geactualiseerd; De beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Achtkarspelen houdende regels omtrent Opiumwet 13b en handhavingsmatrix kan worden ingetrokken; Artikel 13b Opiumwet per 1 januari 2019 gewijzigd is waarmee ook het voorhanden hebben van voorwerpen of stoffen als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of als bedoeld in artikel 11a Opiumwet onder de reikwijdte van deze bevoegdheid is gebracht. BESLUIT: de beleidsregel “Damoclesbeleid gemeente Achtkarspelen” vast te stellen; I. Inleiding Handel, productie, teelt en andere illegale activiteiten rondom harddrugs en softdrugs, hebben een ondermijnend en (daarmee) potentieel ontwrichtend effect op de samenleving door de verwevenheid van onder- en bovenwereld, corruptie en de criminele innesteling in lokale gemeenschappen en maatschappelijke sectoren. De aanpak van georganiseerde en ondermijnende drugscriminaliteit vindt al lang niet meer alleen plaats in de strafrechtketen. Het is ook en in toenemende mate een bestuursrechtelijk aangelegenheid geworden, mede vanwege de voornoemde, in de maatschappij merkbare gevolgen ervan. Het laatste decennium is de koers ingezet naar een meer geïntegreerde aanpak van de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit, waarbij betrokken instanties, zoals het Openbaar Ministerie, de politie, de Belastingdienst, gemeentebesturen, maar ook woningcorporaties samenwerken. In verband met het beëindigen en voorkomen van herhaling van drugscriminaliteit is artikel 13b van de Opiumwet (Wet Damocles) hét juridisch instrument waarmee bestuurlijk kan worden opgetreden. In dit beleid staat beschreven op welke wijze en onder welke omstandigheden de burgemeester van de gemeente Achtkarspelen gebruik maakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet. 1.1Doel beleidsregels Het doel van deze beleidsregels is om het huidige beleid te actualiseren. Hiermee wordt beoogd overeenkomstig het (wettelijke) doel van artikel 13b, van de Opiumwet, de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen en te beheersen en de nadelige effecten van de productie en distributie van handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden tegen te gaan. 1.2Bevoegdheid In verband met het beëindigen en voorkomen van herhaling van drugscriminaliteit is artikel 13b van de Opiumwet (Wet Damocles) het juridische instrument waarmee bestuurlijk kan worden opgetreden. In dit beleid staat beschreven op welke wijze en onder welke omstandigheden de burgemeester van de gemeente Achtkarspelen gebruik maakt van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet. II. Juridisch kader 2.1Vaststellen van de bevoegdheid Op grond van artikel 13b van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, of een last onder dwangsom als in woningen of lokalen of een daarbij behorend erf drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. De last onder bestuursdwang kan het bevel van de burgemeester inhouden om de woning of het lokaal te sluiten. Zoals genoemd geeft deze bevoegdheid ook de mogelijkheid om een last onder dwangsom of waarschuwing op te leggen. De bevoegdheid bestaat ook als in een pand of op een daarbij behorend erf geen drugs worden aangetroffen (noch verkocht, afgeleverd of verstrekt), maar er wel voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs, zoals bepaalde apparatuur (assimilatielampen, slakkenhuizen, IBC-vaten etc.) chemicaliën (apaan, zoutzuur etc.) en versnijdingsmiddelen, oftewel indien sprake is van zogenoemde strafbare voorbereidingshandelingen, als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3 (harddrugs), of artikel 11a van de Opiumwet (softdrugs). 2.2Kwalificatie drugshandel In deze beleidsregels wordt onder drugshandel op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking, dan wel de aanwezigheid daartoe, van drugs als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen op grond van artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet. Lijst I heeft betrekking op harddrugs, lijst II bevat de verboden op softdrugs. Aan deze laatste lijst is sinds 1 januari 2023 ook lachgas toegevoegd. Deze beleidsregels hebben in zoverre ook daar betrekking op, zij het dat ten tijde van het opstellen van deze beleidsregels nog niet duidelijk is wanneer – buiten evidente gevallen – sprake is van een handelshoeveelheid lachgas. In de toelichting op het lachgasbesluit wordt een norm voor legaal thuisgebruik – zoals door hobbykoks – aangehouden van maximaal 10 ampullen. Ook in deze beleidsregels wordt, behoudens een nadere normstelling op landelijk niveau, uitgegaan van de laatstgenoemde “gedoogde” gebruiksgrens. 2.3.Kwalificatie voorbereidingshandelingen Van een “voorbereidingshandeling” in de zin van deze beleidsregels is sprake als in een woning of een lokaal dan wel een daarbij behorende erf, voorwerpen of stoffen voorhanden zijn die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om hetzij harddrugs, hetzij softdrugs – kortgezegd – te produceren, een en ander zoals bedoeld in artikel 13b, eerste lid, onder b, Opiumwet. De aangetroffen situatie c.q. de aangetroffen voorwerpen en stoffen moeten van dien aard zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat voorwerpen gebruikt (gaan) worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden, zoals door de politie vastgesteld. Het gaat bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof, de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit onderzoek blijkende feitelijkheden, zoals gegevens afkomstig uit een bestuurlijke rapportage. Bij deze beoordeling kan ook de Aanwijzing Opiumwet worden betrokken, zoals in het geval van een hennepplantage, waarbij aan de hand van het aantal planten, de mate van professionaliteit en het doel van de teelt, het beroeps- of bedrijfsmatige karakter kan worden gewaardeerd. Dat geldt ook voor het Opiumwetbesluit als het gaat om de beoordeling van de grootschaligheid (art. 1, lid 2). Uit de rechtspraak volgt dat het voor de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet, niet nodig is dat alle aangetroffen stoffen en voorwerpen tegelijk geschikt zijn voor het opzetten van drugsproductiepunt. Voldoende is dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de betrokken wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen voor dat doel bestemd waren. Ook als slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn voor de productie van drugs, kan de burgemeester bevoegd zijn, mits de voorhanden voorwerpen daartoe bestemd zijn. Zoals ook volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet is van belang dat het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs. 2.4.Belangenafweging Artikel 13b van de Opiumwet is een bevoegdheid. In meerdere uitspraken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geoordeeld dat een belangenafweging moet worden gemaakt bij de toepassing van artikel 13b Opiumwet. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval betrokken worden en moet de burgemeester bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.1ABRvS 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840. Sinds deze uitspraak ligt het accent bij de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet en de rechterlijke toetsing ervan op de belangenafweging. Een belang waaraan een zeer zwaarwegend gewicht toekomt is het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals neergelegd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Dit belang komt in beeld als de bevoegdheid wordt toegepast op woningen. Met het oog op dit belang is in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van een woning moet worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of een soortgelijke maatregel. Alleen in ernstige gevallen mag van dit uitgangspunt worden afgeweken2Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8 en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2. Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2019:2912) inzake het toepassen van de bevoegdheid van 13b Opiumwet volgt dat in de eerste plaats aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld in hoeverre sluiting noodzakelijk is. Als dat zo is moet worden afgewogen of sluiting ook evenredig is. Dit toetsingskader is ontwikkeld voor woningen, maar zal op grond van dit beleid ook als kapstok worden gebruikt bij de toepassing van de bevoegdheid in het geval van lokalen. 2.5Evenredigheidstoets Als de burgemeester bevoegd is om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een maatregel te treffen, dan moet hij/zij beoordelen of ook van die bevoegdheid gebruikgemaakt moet worden. Zo heeft de Afdeling overwogen dat- kort gezegd – een besluit dat strekt tot uitoefening van de bevoegdheid op grond van artikel 13b Opiumwet per geval moet voldoen aan artikel 3:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat dit wordt beoordeeld aan de hand van – voor zover relevant – de volgende stappen: Is het besluit noodzakelijk om het doel te bereiken? Is een keuze mogelijk tussen meer geschikte maatregelen, dan moet op basis van deze toets die maatregel worden gekozen die de belanghebbenden het minst belast; en Is de maatregel evenwichtig (evenredigheid)? Is de op zichzelf geschikte en noodzakelijke maatregel in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende? In deze beleidsregels wordt aangesloten bij het door de Afdeling geformuleerde beoordelings- en toetsingskader. 2.6Noodzakelijkheid Volgens het hiervoor bedoelde beoordelings- en toetsingskader wordt aan de hand van de ernst van de omvang van de overtreding beoordeeld of sluiting van het pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Voor de beoordeling van de ernst en de omvang van de overtreding is van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Met een sluiting wordt de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken. Dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand zoals gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal. Als er geen of weinig aanwijzingen zijn dat in of vanuit het pand drugs werden verhandeld, dan moet de burgemeester – als hij/zij zich op het standpunt stelt dat van dergelijke handel wel sprake was – nader onderbouwen waarom dat het geval was. 2.7Evenwichtigheid Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, wordt beoordeeld of de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit deze beleidsregel. Bij de boordeling zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om na de sluiting weer van het pand gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. 2.8Last onder bestuursdwang, last onder dwangsom of waarschuwing Artikel 13b, eerst lid, van de Opiumwet bepaalt dat de burgemeester in de daarin genoemde gevallen bevoegd is tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. Bestuursdwang vindt meestal plaats in de vorm van een sluitingsmaatregel. In het geval van voorbereidingshanddelingen kan bestuursdwang op grond van deze beleidsregel echter ook plaatsvinden in de vorm van een feitelijke verwijdering van de stoffen en voorwerpen die de desbetreffende voorbereidingshandeling opleveren. Artikel 5:31 van de Awb regelt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen. Als de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven kan een last onder dwangsom, vanuit het oogpunt van evenredigheid, meer op zijn plaats zijn. In eerste instantie zal bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning worden overgegaan, maar wordt volstaan met een waarschuwing of een soortgelijke maatregel. Dit moet echter worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken. Op grond van de rechtspraak moet in ieder geval bij een geringe overschrijding van de gebruikshoeveelheden drugs afgewogen worden of met een minder verstrekkende maatregel, zoals een waarschuwing kan worden volstaan. Het hiervoor genoemde uitgangspunt geldt volgens de wetsgeschiedenis niet voor lokalen. Echter kan er in het geval van constatering van een overtreding van de Opiumwet in een lokaal gelet op de betrokken belangen aanleiding bestaan om af te zien van een sluiting en in plaats daarvan een minder verstrekkende maatregel te treffen. In deze beleidsregels zijn de voornoemde toepassingen van de bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet meegewogen. Het beleid biedt ruimte om maatwerk te leveren en de bevoegdheidstoepassing af te stemmen op de specifieke omstandigheden van het geval. III. Beleidskader algemeen Artikel1.Definities 1.Harddrugs: een middel als bedoeld in lijst I behorende bij de Opiumwet. 2.Softdrugs: een middel als bedoeld in lijst II behorende bij de Opiumwet. 3.Drugshandel: de verkoop, aflevering of verstrekking dan wel het daartoe aanwezig zijn van een middel als bedoeld in lijst I of II bij dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet, zoals bedoeld in artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet. 4.Handelshoeveelheid: meer dan 0,5 gram, o,5 milliliter, één pil, één bolletje, één ampul, één wikkel harddrugs, respectievelijk meer dan 5 gram softdrugs (bij lachgas is met uitzondering van, onder voorbehoud van evidente gevallen nog niet duidelijk waar de grens precies getrokken wordt om van een handelshoeveelheid te kunnen spreken. In de toelichting op het Lachgasbesluit wordt een norm voor normaal legaal thuisgebruik aangehouden van max. 10 ampullen). 5.Voorbereidingshandelingen: als in een woning of een lokaal, dan wel daarbij behorende erf, voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om hetzij harddrugs, hetzij softdrugs – kortgezegd te produceren, als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3, of artikel 11a van de Opiumwet. 6.Betrokkene: de overtreder, de eigenaar van het pand, de (hoofd)bewoner(s), of degene die anderszins als rechthebbende op de zaak waarop de last betrekking heeft kan worden aangemerkt (zie ook artikel 5:24, derde lid, Awb). 7.Van een samenhangend geheel is sprake als een woning of een lokaal ruimtelijke of functionele samenhang vertonen. Van ruimtelijke uitstraling is sprake als zij bijvoorbeeld op hetzelfde kadastrale perceel staan, dezelfde eigenaar hebben, in elkaars nabijheid staan etc. Van functionele samenhang is sprake als bijvoorbeeld in het lokaal drugs en in de woning aan drugs gerelateerde attributen worden aangetroffen of vice a versa, of als in het lokaal of de woning drugs worden aangetroffen en het lokaal en de woning gas-, water- en/of elektra aansluitingen of (andere) voorzieningen delen. Om als samenhangend geheel te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat in alle samenhangende delen drugs zijn aangetroffen. Wel zal tenminste één onderdeel (bijvoorbeeld het lokaal) van het samenhangend geheel een overtreding van de Opiumwet aan de orde moeten zijn. Artikel2Onderscheid tussen hard- en softdrugs 1.In deze beleidsregels wordt bij de te treffen maatregelen onderscheid gemaakt tussen harddrugs en softdrugs. Dat geldt zowel bij drugshandel als bij voorbereidingshandelingen. Bij het aantreffen van een handelshoeveelheid of voorbereidingshandelingen met betrekking op harddrugs wordt strenger opgetreden dan bij het aantreffen van softdrugs. Dit onderscheid wordt ook in de Aanwijzing Opiumwet gemaakt. Zo wordt met betrekking tot harddrugs onder een gebruikershoeveelheid verstaan een hoeveelheid/dosis van 0,5 gram (één bolletje, één ampul, één wikkel of één pil/tablet), terwijl bij softdrugs onder een gebruikshoeveelheid verstaan wordt, een hoeveelheid van maximaal 5 gram. De ratio van dit onderscheid is dat harddrugs in het algemeen gevaarlijker zijn voor de gezondheid en het milieu dan softdrugs. Ten opzichte van softdrugs zijn de effecten bij harddrugs al merkbaar bij een geringere hoeveelheid. Ook de Afdeling kwalificeert een handelshoeveelheid harddrugs als ernstiger dan een handelshoeveelheid softdrugs.3O.a. ABRvS 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2388. 2.Bij een cumulatie van handelshoeveelheden of voorbereidingshandelingen terzake harddrugs en softdrugs, is bij wijze van uitgangspunt de zwaarst gestelde maatregel van toepassing of kan anderszins in strengere zin worden afgeweken van deze beleidsregels. Artikel3Onderscheid tussen woningen en lokalen 1.In deze beleidsregel wordt voor de toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, onderscheid gemaakt tussen woningen en al dan niet voor het publiek openstaande lokalen, omdat sluiting van een woning gevolgen kan hebben die een inmenging kunnen vormen in het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Laatstgenoemd recht is niet in het geding bij lokalen. 2.In het beleid wordt geen onderscheid gemaakt tussen huur- en koopwoningen en ook niet tussen particuliere en sociale verhuur. 3.Bij het bepalen van het sluitingsregime wordt bij de toepassing van deze beleidsregels als vertrekpunt de plek waar de hard- en softdrugs, dan wel de voorbereidingshandelingen worden aangetroffen. Is op een erf zowel sprake van een drugsvondst in een lokaal als in een woning, dan wordt – als uitgangspunt- het regime voor woningen als uitgangspunt genomen. 4.Voor al dan niet voor publiek toegankelijke lokalen geldt het wettelijke uitgangspunt van eerst waarschuwen niet. Ook als een woning niet feitelijk voor bewoning wordt gebruikt geldt dit niet. Daarom wordt in deze beleidsregels op niet-bewoonde woningen hetzelfde regime toegepast als op lokalen. Omgekeerd kan een lokaal als woning aangemerkt worden als blijkt dat er sprake is van feitelijke bewoning. Dit moet worden afgeleid uit alle omstandigheden van het geval. 5.Of er sprake is van bewoning wordt in beginsel aangenomen als een pand ten tijde van de constatering van de overtreding kan worden aangemerkt als de plaats waar een persoon zijn private huishoudelijke leven leidt. Dit wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke kenmerken, zoals de bouw, aanwezigheid van een bed en andere huisraad, maar ook door de daadwerkelijk, feitelijk daaraan gegeven bestemming. Artikel4Samenhangend geheel 1.Worden (alleen) in een lokaal een handelshoeveelheid drugs of voorbereidingshandelingen geconstateerd, maar worden op hetzelfde erf in een woning aan drugshandel dan wel voorbereidingshandelingen gerelateerde zaken aangetroffen, dan wordt aangenomen dat er sprake is van een ‘samenhangend geheel’. In dat geval wordt voor het gehele erf (inclusief de woning) het beleid voor lokalen toegepast. 2.Worden (alleen) in een woning een handelshoeveelheid drugs aangetroffen of wordt geconstateerd dat er sprake is voorbereidingshandelingen, en is er ook in hetzelfde op dat erf bevindende lokaal sprake van het aantreffen van aan drugshandel/voorbereidingshandelingen gerelateerde zaken, dan is eveneens sprake van een ‘samenhangend geheel’. In dat geval wordt voor het gehele erf het beleid voor woningen toegepast. Artikel5Verlening sluiting/nadere maatregelen 1.Als er sprake is van vrees voor herhaling van een overtreding op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, dan kan de burgemeester in een afzonderlijk besluit beslissen de gelaste sluitingsduur van de woning of het lokaal of het daarbij behorende erf te verlengen. Bij het bepalen van de duur van de verlenging wordt bij wijze van uitgangspunt aangesloten bij de matrixen uit de artikelen 9a, 10a, 11 en 12 van de beleidsregels en wordt ook rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval. 2.Als er sprake is van herhaalde overtreding of een reële vrees voor herhaling van een overtreding op grond van artikel 13b, eerste lid van de Opiumwet, dan kan de burgemeester ook besluiten het beheer van het pand over te (doen) nemen (artikelen 13b en 14 van de Woningwet). Artikel6verzoek om opheffen sluiting/intrekking last onder dwangsom 1.Ingeval van een sluiting voor de duur van 6 maanden of minder zal de burgemeester in beginsel niet overgaan tot een tussentijdse opheffing. 2.De betrokkene kan de burgemeester tussentijds schriftelijk verzoeken om de sluiting op te heffen of, als daarvoor is gekozen, een last onder dwangsom op te heffen (zie voor laatste geval artikel 5:34 van de Awb). De burgemeester neemt alleen schriftelijke verzoeken in behandeling. De burgemeester hanteert bij zijn beslissing de oorspronkelijk getroffen maateregel als uitgangspunt er zal slechts nagegaan of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de uitgangspunten die daaraan ten grondslag liggen niet meer aan de orde zijn. De betrokkene moet daarom zijn verzoek motiveren. Er moet onderbouwd worden dat er sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden die aannemelijk maken dat e niet opnieuw een overtreding van de Opiumwet in of vanuit de woning, het lokaal of het daarbij behorende erf zullen worden gepleegd. Er moeten dus minimaal voldoende maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat in of vanuit het pand opnieuw overtredingen plaatsvinden van de Opiumwet. Dit ter beoordeling van de burgemeester. 3.Bij de beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste lid neemt de burgemeester onder andere in overweging: Of de te realiseren doelen van de sluiting zijn behaald. Deze afweging wordt (mede) gemaakt op basis van een door de politie en eventuele andere veiligheidspartners gemaakte inschatting. Daartoe kan een bestuurlijke rapportage of advies worden aangevraagd van één of meer veiligheidspartners; De bereidheid en de bekwaamheid van de betrokkene om aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen te nemen om herhaling van de geconstateerde overtreding(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.