Beleidsregel re-integratie Participatiewet gemeente Haarlem 2023Het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, gelet op: artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; de Participatiewet; de Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ 2017 van de gemeente Haarlem; besluit: vast te stellen de “Beleidsregel re-integratie Participatiewet gemeente Haarlem 2023”. Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: belanghebbende: de inwoner die gebruik maakt van het re-integratieaanbod. In artikelen waarin de belanghebbende automatisch ook werknemer is, wordt voor de duidelijkheid het begrip werknemer gebruikt; de verordening: Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ 2017 van de gemeente Haarlem; de wet: de Participatiewet; interne werkbegeleider: een collega die dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer biedt omdat de werknemer anders niet in staat is zijn of haar werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; jobcoach: een erkende deskundige die methodische ondersteuning biedt aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het behouden van werk; leerplein: Regionaal Bureau voor Leerplicht. Dit bureau voert de leerplichttaken uit voor vier gemeenten in Zuid Kennemerland. begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet en de verordening. Hoofdstuk2.Beleid en financiën Artikel2.Subsidie- of budgetplafonds 1.Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. 2.Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. 3.Een door het college vastgesteld plafond als genoemd in het eerste en tweede lid vormt een weigeringsgrond bij aanspraak op een specifieke voorziening. 4.Dit artikel is niet van toepassing voor de voorziening Loonkostensubsidie zoals bedoeld in artikel 6 sub e en sub g van de wet. Hoofdstuk3.Voorzieningen Artikel3.Werkstage 1.Het doel van de werkstage is een persoon uit de doelgroep, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef onder a van de wet, de kans te bieden om met behoud van uitkering op een onbetaalde werkplek zijn of haar arbeidsmarktpositie te versterken en daarmee de kans op arbeidsinschakeling te vergroten. 2.De voorwaarden en duur van de voorziening zijn: een BBL of BOL opleiding is voorliggend op de werkstage; de werkstage heeft een maximale duur van 3 maanden en kan eenmalig worden verlengd met maximaal 3 maanden, als dat naar alle waarschijnlijkheid arbeidsinschakeling tot gevolg heeft; de werkzaamheden zijn primair gericht op ontwikkeling en in mindere mate of geheel niet op productieve arbeid; de nadruk ligt op lerend werken in een bovenformatieve functie; de concurrentieverhoudingen mogen door inzet van de werkzoekende niet onverantwoord worden beïnvloed; de werkgever is in staat en bereid aan belanghebbende de noodzakelijke begeleiding te bieden; er hoeft bij de werkgever geen intentie te bestaan om de belanghebbende in dienst te nemen maar wel om het vak aan te leren en/of werknemersvaardigheden te laten ontwikkelen; voor aanvang van de werkstage tekent zowel de belanghebbende de werkgever als het college een overeenkomst waarin tenminste de duur van de werkstage en de aard van de werkzaamheden staan beschreven en de leerdoelen van de werkstage; en de werkgever heeft ten behoeve van de belanghebbende een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering afgesloten. Artikel4.Vrijwilligerswerk 1.Vrijwilligerswerk is onbetaald werk met een maatschappelijk of liefdadig doel, zonder commerciële belangen. Dit kan onderdeel zijn van sociale activering, zoals bedoeld in artikel 5 van de verordening. 2.Voor wat betreft de maximale vrijlating van onkostenvergoedingen die belanghebbende van de instelling ontvangt, wordt aangesloten bij de bedragen die worden aangehaald in artikel 31 lid 2 onder k van de wet. 3.Belanghebbende is verplicht te melden aan het college dat hij of zij vrijwilligerswerk verricht. Het college verleent hiervoor toestemming, tenzij; het vrijwilligerswerk de arbeidsinschakeling van belanghebbende belemmert; of het vrijwilligerswerk regulier werk op de arbeidsmarkt verdringt. Artikel5.Participatievoorziening beschut werk 1.Beschut werk is werk in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden. Doel is om deze doelgroep, van wie het college heeft vastgesteld dat deze tot de doelgroep beschut werk behoort, de mogelijkheid tot betaald werk te bieden en daarmee naar vermogen bij te laten dragen aan de maatschappij, en ontwikkeling van de werknemer binnen of buiten de beschut werkomgeving waar mogelijk te stimuleren. 2.Voor de participatievoorziening beschut werk geldt het volgende: de organisatie van het beschut werk wordt door de gemeente belegd bij een externe organisatie; voor de doelgroep beschut werk kan het instrument loonkostensubsidie worden ingezet; de ontwikkeling van de loonwaarde wordt gemonitord en periodiek beoordeeld. Daarbij wordt in beginsel uitgegaan van groei van loonwaarde; en de gemeente stelt een plafond aan het aantal te realiseren plaatsen per jaar. 3.Het college biedt de participatievoorziening beschut werk alleen aan indien: andere re-integratievoorzieningen naar het oordeel van het college onvoldoende bijdragen aan de participatie van belanghebbende; en er een onderzoek heeft plaatsgevonden door het UWV waarbij positief geadviseerd is dat de belanghebbende tot de doelgroep beschut werk behoort. Artikel6.Leer- werktrajecten 1.Doel van de voorziening is om extra ondersteuning te bieden aan jongeren in de leeftijd van 16 tot 27 jaar die dreigen uit te vallen of uitgevallen zijn op school, maar middels een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen zoals omschreven in artikel 10f van de wet. 2.Er wordt alleen extra ondersteuning ingezet tijdens de duur van het leer-werktraject als de ondersteuning die reeds door de school, het Leerplein of door de werkgever wordt geboden onvoldoende is. 3.Het Leerplein heeft bij het vaststellen van de noodzaak en de vorm van het leer-werktraject een doorslaggevende stem, na overleg met betrokken partners. Artikel7.Tijdelijke loonkostensubsidie werkgever 1.De tijdelijke loonkostensubsidie zoals bedoeld in artikel 12 van de verordening wordt achteraf uitbetaald en alleen als er een door alle partijen ondertekende arbeidsovereenkomst aan ten grondslag ligt, evenals een schriftelijk verzoek van de werkgever. 2.De tijdelijke loonkostensubsidie bedraagt € 500,- per maand en wordt toegekend bij een rechtsgeldig dienstverband van minimaal zes maanden en 24 uur per week. De loonkostensubsidie wordt toegekend voor de duur van drie maanden. Op grond van individuele omstandigheden kan deze periode met maximaal drie maanden worden verlengd. Betaalbaarstelling zal plaatsvinden drie maanden na aanvang van het dienstverband en in geval van verlenging zes maanden na aanvang van het dienstverband. 3.Indien ten behoeve van een werknemer tijdelijke loonkostensubsidie werd ontvangen en er wordt een contractverlenging aangeboden van minimaal 24 uur per week gedurende minimaal een jaar, komt de werkgever in aanmerking voor een eenmalig bedrag van € 1.000,- in de vorm van loonkostensubsidie. 4.De tijdelijke loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing plaatsvindt. 5.De tijdelijke loonkostensubsidie wordt alleen verstrekt als er voor dezelfde werknemer geen structurele loonkostensubsidie wordt verstrekt. 6.De loonkostensubsidie wordt alleen verstrekt indien de werkgever de intentie heeft de werknemer na periode van loonkostensubsidie een contractverlenging aan te bieden. 7.De tijdelijke loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de betreffende werknemer. 8.Het college kan de tijdelijke loonkostensubsidie weigeren indien de werkgever eerder, voor dezelfde functie, ondanks goed functioneren, een tijdelijke arbeidsovereenkomst niet heeft verlengd of een werknemer heeft ontslagen. Artikel8.Vrijlating van inkomsten uit deeltijdarbeid 1.De vrijlating van inkomsten uit deeltijdwerk, als bedoeld in artikel 31 lid 2 van de wet, is van toepassing als de arbeid volgens het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. Het college is hierbij van oordeel dat alle arbeid als bedoeld onder dit lid bijdraagt aan arbeidsinschakeling. 2.De vrijlating als bedoeld in het eerste lid geldt eveneens voor gesubsidieerde deeltijd arbeid. 3.Op grond van artikel 6b lid 4 van de wet is het UWV de aangewezen instantie voor de vaststelling van de medisch urenbeperktheid van een persoon. 4.De vrijlating geldt niet voor het inkomen dat niet of niet tijdig aan het college is gemeld, zoals bepaald in artikel 17 van de wet. Hoofdstuk4.Scholing Artikel9.Scholing alleenstaande ouders 1.Conform de wet kunnen alleenstaande ouders worden ontheven van de verplichtingen tot arbeidsinschakeling en op verzoek of verplicht scholing volgen. Voorwaarde aan deze opleiding is dat deze de kansen op de arbeidsmarkt doet toenemen en aansluit bij de capaciteiten en mogelijkheden van de belanghebbende. 2.Er wordt maximaal gedurende vijf jaar een vergoeding van de scholingskosten toegekend. Als de belanghebbende onvoldoende studieresultaten behaalt, kan de vergoeding worden stopgezet, rekening houdend met de opzegtermijn van de opleiding. Bij alle vergoedingen in het kader van dit artikel is het uitgangspunt dat het moet gaan om de voordeligst passende vorm van scholing. Artikel10.Scholingsbudget In aanvulling op artikel 7 van de verordening, waarin staat dat het college personen die tot de doelgroep behoren een scholingstraject kan aanbieden, is het voor personen uit de doelgroep ook mogelijk een aanvraag in te dienen voor een scholingsbudget. Hiervoor geldt het volgende: De aanvrager van het scholingsbudget voldoet aan de volgende voorwaarden: De aanvrager is 27 jaar of ouder en heeft geen recht op studiefinanciering of een andere regeling buiten de Participatiewet die kan voorzien in scholing of cursuskosten; en De aanvrager is op het moment van aanvraag langer dan een jaar werkloos en heeft geen afgeronde (voor)opleiding of een afgeronde opleiding op maximaal MBO-4 niveau; of De aanvrager is op het moment van aanvraag langer dan twee jaar werkloos en heeft langer dan twee jaar geen regulier onderwijs gevolgd en beschikt over een afgeronde opleiding op HBO/WO niveau. In het beoordelen van de aanvraag worden de volgende aspecten door het college in overweging genomen: De opleiding of cursus voldoet aan de eisen genoemd in artikel 7 lid 2 van de verordening. De opleiding of cursus mag op geen enkele wijze eventuele reeds opgelegde re-integratie verplichtingen doorkruisen of belemmeren. Bij de beoordeling van de noodzaak van de scholing wordt rekening gehouden met de voor belanghebbende geldende kortste weg naar (duurzame) arbeid, zijn/haar arbeids- en opleidingsverleden, en de duur van de werkloosheid. Voor de opleiding of cursus geldt dat de voordeligst passende scholingsmogelijkheid wordt vergoed. Voor toekenning, kan advies worden gevraagd aan het Leerplein en/of het Werkgeversservicepunt (WSP) over de arbeidsmarktrelevantie van de opleiding of cursus. De aanvraag wordt ingediend via het gemeentelijk aanvraagformulier, met als bijlage een scholingsplan waarin de te volgen opleiding of cursus en bijbehorende kosten zijn opgenomen. Opleidingskosten, boeken, leermiddelen en examengeld komen in aanmerking voor vergoeding via deze regeling. Als de belanghebbende door ernstig verwijtbare handelingen de opleiding of cursus moet staken of niet succesvol afrondt, kan het totale bedrag aan betaalde en nog openstaande kosten worden teruggevorderd. De belanghebbende kan, als het scholingsbudget is toegekend, de scholing volgen met behoud van uitkering. Op verzoek van de belanghebbende kan een ontheffing van de sollicitatieverplichtingen gedurende het scholingstraject worden beoordeeld. Hoofdstuk5.Persoonlijke ondersteuning bij werk Artikel11.Verantwoordelijkheden jobcoach of interne werkbegeleider 1.Persoonlijke ondersteuning bij werk, zoals bedoeld in artikel 12F van de verordening, kan worden geboden in de vorm van een jobcoach of een interne werkbegeleider. 2.Een jobcoach of interne werkbegeleider heeft de volgende taken en verantwoordelijkheden: Het gaat om persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van taken in de vorm van structurele begeleiding, als de werknemer zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem of haar opgedragen taken te verrichten. Een jobcoach of interne werkbegeleider begeleidt een werknemer gedurende een maximale periode op de werkplek bij het verrichten van zijn of haar werkzaamheden. Daarnaast heeft de jobcoach of interne werkbegeleider de taak om belemmeringen weg te nemen. Deze ondersteuning heeft als doel de werknemer in staat te stellen na afloop van de jobcoaching of interne werkbegeleiding zelfstandig het werk uit te voeren. De jobcoach of interne werkbegeleider zorgt dat bij de werkgever en collega’s kennis en begrip komt voor de beperkingen en mogelijkheden van de werknemer die gecoacht wordt. Artikel12.Duur en intensiteit jobcoaching of interne werkbegeleiding 1.Over jobcoaching en interne werkbegeleiding geldt het volgende: Jobcoaching of interne werkbegeleiding kan voor maximaal vier keer een half jaar worden toegekend. Bij bijzondere persoonlijke omstandigheden kan de periode genoemd in het vorige lid worden verlengd met twee keer een half jaar. In beginsel wordt per half jaar bepaald of jobcoaching of interne werkbegeleiding nog noodzakelijk is, aan de hand van het jobcoachplan. De gemeente kan tussentijds de intensiteit van de jobcoaching of interne werkbegeleiding verhogen of verlagen binnen de kaders gesteld in artikel 12H van de verordening. Een werknemer kan bij een andere werkgever opnieuw in aanmerking komen voor een jobcoach of interne werkbegeleider, indien het college dit noodzakelijk acht. 2.Het is mogelijk om de uren jobcoaching of interne werkbegeleiding voor het tweede jaar deels over te hevelen naar het eerste jaar. Hieraan worden twee voorwaarden verbonden: er is sprake van een dienstbetrekking van minimaal een jaar met de intentie om de dienstbetrekking na een jaar voor minimaal een half jaar te verlengen; en de overheveling van de uren is noodzakelijk voor het bevorderen van een duurzame arbeidsinpassing. 3.Extra inzet van jobcoaching afwijkend van de standaard intensiteit is mogelijk: indien de werknemer meer uren begeleiding nodig heeft en jobcoaching de beste oplossing is voor de werknemer. indien jobcoaching na drie jaar noodzakelijk blijft. Dan dient naar een andere vorm van begeleiding te worden gekeken en hierover gerapporteerd te worden. Alleen als er naar het oordeel van het college geen andere oplossing is, kan jobcoaching langer ingezet worden. 4.Samenloop van verschillende soorten persoonlijke ondersteuning (d.w.z. verschillende vormen van jobcoaching en interne werkbegeleiding) in dezelfde periode is niet mogelijk. Artikel13.Aanvraag en betaling jobcoach of interne werkbegeleider 1.Conform het gestelde in artikel 12D van de verordening, kan een aanvraag voor een jobcoach of interne werkbegeleider worden ingediend door de werkgever of de werknemer. Bij de aanvraag wordt een jobcoachplan gevoegd volgens gemeentelijk format. Bij de aanvraag dienen de werknemer, jobcoachorganisatie en werkgever te verklaren uit eigen beweging of op verzoek van de gemeente direct alle feiten en omstandigheden mede te delen waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn, dat zij van invloed kunnen zijn op de verstrekte toekenning. De aanvraag moet worden ingediend binnen 4 weken na start van de jobcoaching en 4 weken na verlenging van de jobcoach inzet. 2.Bij jobcoachinzet door gemeentelijke strategische re-integratiepartners hoeft er geen individuele aanvraag te worden ingediend. Per kwartaal wordt de inzet van jobcoaching verantwoord. 3.Het bedrag dat wordt besteed aan de inkoop van een jobcoach wanneer jobcoaching in natura wordt geboden zoals bedoeld in artikel 12I van de verordening, wordt rechtstreeks uitbetaald aan de jobcoachorganisatie via facturatie achteraf na iedere toegekende jobcoachperiode. 4.Het bedrag voor subsidie voor het organiseren van jobcoaching zoals bedoeld in artikel 12J van de verordening, of voor interne werkbegeleiding zoals bedoeld in artikel 12K van de verordening, wordt door de gemeente verstrekt aan de werkgever via facturatie achteraf na iedere toegekende jobcoachperiode. 5.Betalingen waarop de werkgever of de jobcoachorganisatie ten tijde van de verstrekking of naderhand geen recht had, worden door het college teruggevorderd of verrekend. Artikel14.Verantwoording jobcoaching of interne werkbegeleiding 1.Na afloop van iedere jobcoachperiode wordt binnen vier weken door de jobcoach of werkbegeleider een rapportage en urenregistratie waarin de voortgang wordt beschreven ingediend bij de klantmanager van de gemeente. 2.Inzet door de strategische gemeentelijk re-integratiepartners wordt verantwoord via de kwartaalrapportages die de gemeente ontvangt. 3.De volgende zaken dienen na afloop van de jobcoachperiode te worden ingeleverd: een verantwoording van de geboden uren (naar datum met de uitgevoerde werkzaamheden) en eventuele afwijkingen hierin. Als bijlage wordt de urenregistratie jobcoaching ingevuld. Bij afwijking op het toegekende aantal jobcoachuren, kan de gemeente besluiten de marges in acht te nemen die in de toelichting op dit artikel worden gesteld; een verantwoording over het jobcoachingsplan, waaruit blijkt in welke mate de jobcoachingsdoelen zijn gehaald; en een handtekening van jobcoach of werkbegeleider, werkgever en werknemer. 4.Als voor afloop van de toegekende periode een aanvraag voor een verlenging van de jobcoachperiode wordt ingediend, moet hierbij een tussentijdse verantwoording te worden ingediend. Hoofdstuk6.Overige voorzieningen en vergoedingen Artikel15.Voorwaarden overige voorzieningen 1.In aanvulling op paragraaf 3A.4 van de verordening worden voor overige voorzieningen (te weten: vervoersvoorziening, noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische beperking, meeneembare voorziening, en werkplekaanpassing) de volgende voorwaarden gesteld: als er recht bestaat op een voorliggende voorziening, zoals verstrekking door het UWV dan wel vergoeding door de zorgverzekeraar, dan moet daar eerst een beroep op worden gedaan; de structurele functionele beperking waarvoor de voorziening wordt aangevraagd heeft naar verwachting een duur van tenminste een jaar; er vindt in beginsel geen vergoeding plaats wanneer de voorziening reeds is aangeschaft op het moment dat een aanvraag voor de voorziening door het college wordt ontvangen; er is sprake van een contractduur van minimaal zes maanden; en zaken die algemeen gebruikelijk zijn of die tot de standaarduitrusting van het bedrijf behoren, worden niet vergoed. 2.Als tot toekenning wordt overgegaan, dan wordt er gekozen voor de voordeligst passende voorziening. 3.Om de noodzaak van een bepaalde werkplekaanpassing vast te stellen, kan het college een medisch dan wel arbeidsdeskundig advies inwinnen. 4.Het college hanteert een drempelbedrag van € 130,-. Artikel16.Onkostenvergoeding re-integratie 1.Het college kan een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke kosten, die gemaakt worden in het kader van een re-integratietraject of in verband met arbeidsinschakeling. 2.Nadere voorwaarden: de kosten dienen verband te houden met de arbeidsinschakeling dan wel het deelnemen aan een re-integratie- of participatievoorziening; het college beoordeelt de noodzakelijkheid van de te maken kosten; er is geen voorliggende voorziening voor de kosten, zoals een vergoeding door de werkgever; als het reiskosten betreffen, zijn deze in beginsel pas noodzakelijk wanneer de enkele reisafstand per fiets 10 kilometer of meer is; wanneer met openbaar vervoer wordt gereisd, dan wordt de vergoeding berekend op basis van kosten openbaar vervoer tweede klasse; wanneer met eigen vervoer wordt gereisd, is de vergoeding gelijk aan het bedrag per afgelegde kilometer, genoemd in artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet op de loonbelasting 1964; de onkosten waarvoor een vergoeding gevraagd wordt, moeten aantoonbaar en verifieerbaar zijn; en wanneer noodzakelijk kunnen de kosten vooraf, eventueel na overleg van een pro-forma nota, worden vergoed. Hoofdstuk7.Slotbepalingen Artikel17.Intrekking van de oude beleidsregel Bij inwerkingtreding van deze beleidsregel, worden de volgende beleidsregels ingetrokken: De Beleidsregels Re-integratie Participatiewet gemeente Haarlem, vastgesteld op 9 juni 2015 en in werking getreden op 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.