Algemene plaatselijke verordening Roerdalen 2023De raad van de gemeente Roerdalen heeft; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 september 2023, gelet op: de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Alcoholwet, artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet; artikel 64, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s; het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; het volgende besluit genomen: Besluit: De “Algemene plaatselijke verordening Roerdalen 2019” per 1 januari 2024 in te trekken; de navolgende “Algemene plaatselijke verordening Roerdalen 2023” vast te stellen. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 2. november 2023. De gemeenteraad van Roerdalen, De griffier, R.J.J. Notermans De voorzitter, mr. M.D. de Boer-Beerta Algemene plaatselijke verordening Roerdalen 2023 Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1:1Definities In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; bromfiets, motorvoertuig en parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; handelsreclame: reclame waarbij het commercieel belang centraal staat bij het aanprijzen of aandacht vestigen; ideële reclame: reclame waarbij een sociaal, maatschappelijk of politiek belang centraal staat bij het aanprijzen of aandacht vestigen en de statuten van de organisatie uitsluitsel geven of sprake is van ideële reclame; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar zijn of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: wat in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; reclame: iedere kennelijke vorm van aanprijzen of aandacht vestigen op goederen, diensten, activiteiten of namen, met inbegrip van bevestigings- en hulpconstructies en zichtbaar vanaf de weg. snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; verboden rechtspersoon: een op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek verboden rechtspersoon; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; weg: wat in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan. Artikel1:2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist binnen acht weken op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing. Deze beslistermijn begint de dag na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bevoegde bestuursorgaan kan de beslistermijn met maximaal acht weken verlengen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel1:3Voorschriften, voorwaarden en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften, voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Deze strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Het is verboden de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften, voorwaarden en beperkingen te overtreden of te laten overtreden. 3.Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1:4Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1:5Wijziging, schorsing en intrekking van vergunning of ontheffing 1.De vergunning en ontheffing kunnen worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken als: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, wijziging, schorsing of intrekking noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften, voorwaarden en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een redelijke termijn, als de vergunning of ontheffing hierover niets regelt; de houder dit verzoekt. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1:6Verlening voor onbepaalde tijd 1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel1:7Weigeringsgronden 1.De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu; en of; het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Hoofdstuk2Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op een openbare plaats, deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2.Hij die op een openbare plaats: aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5.Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel2:1aGebiedsontzeggingen 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten: een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden; en bevelen zich zodanig buiten dat gebied te gedragen dat het effect daarvan ook in dit gebied direct merkbaar zijn. 2.In het geval van overtredingen als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw één of meer van de bovengenoemde overtredingen begaat, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3.Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als de overtreding binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4.De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. Artikel2:2Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.Het is verboden een betoging op een openbare plaats te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, tenzij degene die dit voornemen heeft daarvan vóór de openbare aankondiging en tenminste twee werkdagen voordat de betoging wordt gehouden, daarvan een schriftelijke kennisgeving doet aan de burgemeester. 2.De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3.Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4.Het verbod dat staat in het eerste lid, is niet van toepassing als naar het oordeel van de burgemeester bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven en in de kennisgeving daarom wordt verzocht. Afdeling2Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel2:3Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats 1.Het is verboden de weg, een weggedeelte of andere openbare plaats anders te gebruiken, in de vorm van het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg, dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Hiervan is in ieder geval sprake als dat gebruik: schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer en onderhoud van de weg; of niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2.Het bevoegd gezag kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen die gelden voor de plaatsing van voorwerpen op of aan de weg ( zie bijlage, “Nadere regels plaatsen containers, steigers, uitstallingen op of aan de weg” ). 3.Het is verboden om te handelen in strijd met de nadere regels zoals bedoeld in het tweede lid. 4.Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5.Het verbod in het eerste lid geldt niet in het geval van: evenementen als bedoeld in artikel 2:10; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:14; terrassen als bedoeld in artikel 2:12; steigers, containers en uitstallingen, als bedoeld in de “Nadere regels plaatsen containers, steigers en uitstallingen op of aan de weg” (zie bijlage); reclame als bedoeld in de nadere regels reclame, onverminderd artikel 4:14; overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend; situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 6.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:4(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder vergunning of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel2:5Maken of veranderen van een uitweg 1.Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden; 2.De melding wordt op de in de gemeente gebruikelijke wijze bekend gemaakt. 3.Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als: daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, of; sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 4.De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen vier weken heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. Deze termijn begint de dag na de datum van ontvangst van de melding. 5.Het verbod is in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Artikel2:6Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op een wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar oplevert. Artikel2:7Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel2:8(Rook)verbod in bossen, natuurterreinen, heidevelden en venen, etc. 1.Het is verboden in bossen en bosschages, op heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: te roken; of voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3.Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a is verder niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen of op aangrenzende erven. 4.De rechthebbende van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die voor meer dan de helft bestaat uit: naaldhout; een heideveld; een veen; of een ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in Bijlage 1, onderdeel A, bij artikel 1.1 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving en dat met brandbare gewassen is begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand. Artikel2:9Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Hoofdstuk 10 van de Omgevingswet. Afdeling3Evenementen Artikel2:10Definities 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoop en theatervoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2:23 van deze verordening; sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder f. 2.Onder evenement wordt mede verstaan een: herdenkingsplechtigheid; braderie; optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:2 ; feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; snuffelmarkt als bedoeld in artikel 1:1, lid 16 ; een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of- gala’s. 3.Bij evenementen wordt de volgende klasse- indeling gehanteerd: A-evenement: regulier eenvoudig evenement; B-evenement: evenement met verhoogde aandacht en een gemiddeld risico. Dit is een evenement met een lokale of regionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt niet veel publiek van buiten de gemeente verwacht; C-evenement: grootschalig evenement met een verhoogd risico. Dit is een evenement met een sterke bovenregionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt ook publiek van buiten de regio verwacht. De vaststelling van de bovenvermelde klasse-indeling vindt plaats aan de hand van het scoreformulier risicopotentie evenement ( zie bijlage ). Artikel2:11Evenement 1.Het is verboden zonder vergunning of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.De burgemeester kan nadere regels vaststellen ten aanzien van evenementen en voorschriften verbinden aan een evenementenvergunning. 3.Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet als: sprake is van een A-evenement; wordt voldaan aan de door de burgemeester vastgestelde ‘Nadere regels evenementen’ ( zie bijlage ), en; de organisator van het evenement het houden daarvan schriftelijk meldt bij de burgemeester door middel van het naar waarheid en volledig ingevulde door de burgemeester vastgestelde meldformulier ( zie bijlage ); en de melding geschiedt minimaal 8 weken voorafgaand aan het begin van het evenement. 4.Een vergunning voor een B-evenement moet minimaal 14 weken voorafgaand aan het begin van het evenement worden aangevraagd. 5.Een vergunning voor een C-evenement moet minimaal 26 weken voorafgaand aan het begin van het evenement worden aangevraagd. 6.Het is verboden om te handelen of nalaten in strijd met de nadere regels en voorschriften, zoals bedoeld in het tweede lid. 7.Bij het indienen van een melding, bedoeld in het derde lid, onderdeel c en bij het indienen van een vergunningaanvraag, bedoeld in het vierde en vijfde lid worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd. 8.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd wegens strijdigheid met het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening en overige plaatsen. 9.De burgemeester kan naar aanleiding van de melding, bedoeld in het derde lid onder c, binnen 20 werkdagen dagen na ontvangst van de melding, voorschriften verbinden aan het te houden evenement in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de brandveiligheid en de volksgezondheid of het milieu. 10.De burgemeester kan binnen 20 werkdagen na ontvangst van de melding, bedoeld in het derde lid onder c, besluiten het organiseren van een A- evenement te verbieden, als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de brandveiligheid en de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 11.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 12.Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:10, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of- gala’s. 13.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:10, tweede lid, onder f, weigeren als een organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is. 14.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling4Toezicht op openbare inrichtingen Artikel2:12Definities 1.In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan: een hotel, (afhaal)restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of; elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken, rookwaren of voedsel voor directe consumptie worden bereid of verstrekt die al dan niet op een andere plek worden genuttigd, met uitzondering van supermarkten en andere vormen van detailhandel waarin in hoofdzaak waren worden verkocht om ergens anders te nuttigen; 2.Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of voedsel voor directe consumptie kan worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. 3.Onder openbare inrichting wordt mede verstaan: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van wat in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als onder andere een smartshop, headshop of growshop of een combinatie van deze winkelvormen; een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een coffeeshop. 4.Onder exploitant wordt verstaan: degene op wiens naam de vergunning staat. 5.Onder leidinggevende wordt verstaan: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend (de ondernemer); de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de uitoefening van de openbare inrichting (de bedrijfsleider); de natuurlijke persoon die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van de openbare irichting (de beheerder). Artikel2:13Exploitatievergunning openbare inrichting 1.Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.De aanvraag wordt gesteld op een door de burgemeester vastgesteld (elektronisch) formulier ( zie bijlage ). 3.De burgemeester weigert geheel of gedeeltelijk de vergunning of trekt deze in als: naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; voor de exploitatie van de openbare inrichting ook andere publiekrechtelijke toestemmingen zijn vereist die op grond van of krachtens de desbetreffende wettelijke bepalingen niet kunnen worden verleend; of de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 4.Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond of intrekkingsgrond onder a houdt de burgemeester rekening met: het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen; de aard van de openbare inrichting; de spanning, waaraan het woon – en leefklimaat ter plaatse reeds blootstaat; de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende; en het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende. 5.De vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 6.Voor de uitoefening van zijn bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester nadere regels vaststellen ( zie bijlage, “Nadere regels terrassen” ). Ten aanzien van het exploiteren of laten exploiteren van een terras dat deel uitmaakt van een openbare inrichting kan de burgemeester in ieder geval nadere regels vaststellen voor: het waarborgen van de verkeersveiligheid; de inrichting van terrassen, inclusief het voeren van reclame op terrassen; het voorkomen van overlast voor eigenaren en gebruikers van aangrenzende percelen. 7.Het is verboden om te handelen in strijd met de door de burgemeester vastgestelde nadere regels als bedoeld in het zesde lid. 8.Als uit de aanvraag en de daarbij behorende stukken blijkt dat het voorgenomen terras niet voldoet aan de door de burgemeester vastgestelde nadere regels, kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd. 9.Geen vergunning als bedoeld in het eerste lid is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; zorginstelling; museum; of bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant. 10.Op de aanvraag om vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:13aBijlage vergunning en aanwezigheid leidinggevende 1.De burgemeester vermeldt in een bijlage bij de vergunning de leidinggevenden. Als de openbare inrichting wordt uitgeoefend door een paracommerciële rechtspersoon, zoals bedoeld in artikel 2:18a, dan worden tenminste twee leidinggevenden op de bijlage vermeld. 2.Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in die inrichting niet aanwezig is: een leidinggevende die vermeld staat in de bijlage van de vergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot die inrichting of; een persoon wiens bijschrijving in de bijlage, zoals bedoeld in het eerste lid, is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist. 3.Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het voor een paracommerciële rechtspersoon, zoals bedoeld in artikel 2:18a, verboden een openbare inrichting geopend te houden, indien in de inrichting niet aanwezig is: een barvrijwilliger, die vermeld staat op een door het bestuur van de paracommerciële rechtspersoon samengestelde lijst, welke lijst in de inrichting aanwezig is. 4.In de openbare inrichting moet een afschrift aanwezig zijn van: de vergunning en de bijlage of; van een aanvraag zoals bedoeld in het tweede lid, onder b, of; de ontvangstbevestiging van een aanvraag zoals bedoeld in het tweede lid, onder b. Artikel2:13bMelding bijschrijving leidinggevende 1.Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens om een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven. 2.Deze melding geldt als een aanvraag tot wijziging van de bijlage behorende bij de vergunning. 3.De aanvraag wordt gesteld op een door de burgemeester vastgesteld (elektronisch) formulier, zie bijlage. 4.De burgemeester bevestigt schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag. 5.De burgemeester weigert de aanvraag zoals bedoeld in het tweede lid als ten aanzien van de persoon als bedoeld in het eerste lid, sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2:13, derde lid, onderdeel a en artikel 2:13, vierde lid, onderdeel e. Artikel2:13cVervalgronden De vergunning vervalt als: sinds haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. Artikel2:14Sluitingstijd 1.Het is de exploitant en de leidinggevende van een openbare inrichting, die een horecabedrijf is in de zin van artikel 1 Alcoholwet of een openbare inrichting is in de zin van artikel 2:12, eerste lid van deze verordening, waar voedsel voor directe consumptie worden bereid of verstrekt, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 03.00 uur en 07.00 uur. 2.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt: met carnaval in de nachten van zaterdag op zondag, van zondag op maandag en van maandag op dinsdag tussen 04.00 uur en 07.00 uur; tijdens de kermisdagen, uitsluitend voor de kern waar de kermis plaatsvindt, in de nachten van zaterdag op zondag, van zondag op maandag en van maandag op dinsdag tussen 04.00 uur en 07.00 uur; op Koningsnacht en van 5 op 6 mei van 04:00 tot 07:00 uur. 3.Het in het eerste lid opgenomen verbod geldt niet op 1 januari. 4.De exploitant of de leidinggevende van een openbare inrichting, die in het bezit is van een geldige exploitatievergunning zoals bedoeld in artikel 2:13, kan maximaal 5 keer per jaar de sluitingstijd verlengen naar 04:00 uur. 5.Het is verboden de sluitingstijd te verlengen zoals opgenomen in het vierde lid als de exploitant of de leidinggevende maximaal op de dag waarop de verlenging betrekking heeft, doch uiterlijk om 23.00 uur, de burgemeester hiervan niet digitaal in kennis heeft gesteld via het emailadres verruimingsluitingsuurRoerdalen@servicecentrum-mer.nl. In de email wordt vermeld: naam van de exploitant of leidinggevende; naam, adres en telefoonnummer van de openbare inrichting; reden verlenging sluitingsuur; op welke dag het sluitingsuur met één uur wordt verlengd. 6.Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers daar te laten verblijven na sluitingstijd. 7.De sluitingstijden zoals opgenomen in het eerste tot en met het vierde lid gelden niet voor het terras. Voor het terras gelden de sluitingstijden zoals opgenomen in de Nadere regels terrassen, ( zie bijlage ). 8.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien. Artikel2:15Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.Het in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel2:16Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: de orde te verstoren; zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:15, eerste lid; op het terras voedsel of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras. een bijeenkomst van een verboden rechtspersoon, zoals omschreven in artikel 1:1, lid 17 te laten plaatsvinden. Artikel2:17Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. Artikel2:18Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, dan treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:13 tot en met 2:16 op als bevoegd bestuursorgaan . Afdeling4a Regulering para commerciële rechtspersonen uit de Alcoholwet Artikel2:18aDefinities In deze afdeling wordt verstaan onder: alcoholhoudende drank; horecabedrijf; horecalokaliteit; inrichting; paracommerciële rechtspersoon; sterke drank; slijtersbedrijf; zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Artikel2:18bschenktijden paracommerciële rechtspersonen 1.Een paracommerciële rechtspersoon dat zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt mag alcoholhoudende drank verstrekken vanaf één uur voor de aanvang tot uiterlijk twee uur na afloop van een activiteit die wordt gehouden in verband met de statutaire doelen van deze paracommerciële rechtspersoon. Maar niet later dan 02.00 uur. 2.Overige paracommerciële rechtspersonen mogen alcoholhoudende drank verstrekken vanaf één uur voor de aanvang en tot uiterlijk twee uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. Maar niet later dan 02:00 uur. Artikel2:18cbijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. Artikel2:18dhet stellen van voorschriften en beperken vergunning paracommercie De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid, de volksgezondheid en ter bevordering van de naleving van artikel 20 van de Alcoholwet voorschriften aan de vergunning verbinden en de vergunning beperken tot zwak alcoholhoudende drank. Afdeling5Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel2:19Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep, bedrijf of vereniging aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of de gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel2:20Melding exploitatie Het is verboden een inrichting op te richten, over te nemen, te verplaatsen dan wel de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting te staken, zonder dit schriftelijk te melden aan de burgemeester, binnen drie dagen direct daarna. Artikel2:21Nachtregister Het is verboden een inrichting als bedoeld in deze Afdeling te exploiteren, zonder een nachtregister bij te houden als bedoeld in artikel 438 Wetboek van Strafrecht. Dit verbod geldt eveneens voor de exploitant of beheerder van, dan wel anderszins rechthebbende op een recreatiepark dat gelegenheid geeft tot nachtverblijf. Artikel2:22Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid de volgende gegevens te verstrekken: naam woonplaats; dag van aankomst, en; de dag van vertrek. Afdeling5AToezicht op campings en recreatieparken Artikel2:22aDefinities 1.In deze afdeling wordt verstaan onder: camping of recreatiepark: hetgeen hieronder in het maatschappelijk verkeer wordt verstaan; de exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een camping of recreatiepark exploiteert op grond van artikel 2:22b; de beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke leiding uitoefent of uitoefenen. recreatie-standplaats: een gedeelte van een terrein bestemd voor (tijdelijk) recreatief nachtverblijf. Artikel2:22bVergunningplicht 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een camping of recreatiepark te exploiteren. 2.De in het eerste lid vermelde vergunningsplicht geldt niet voor het exploiteren van campings of recreatieparken geschikt voor het exploiteren van 25 recreatie-standplaatsen of minder. 3.De aanvraag voor de vergunning dient te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld formulier. 4.In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; en de persoonsgegevens van de beheerder. 5.Op de aanvraag om vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:22cGedragseisen De exploitant en de beheerder: staan niet onder curatele; zijn niet in enig opzicht van aantoonbaar slecht levensgedrag. Artikel2:22dWeigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de vergunning worden geweigerd als: de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in 2:22c gestelde eisen; de exploitatie van de camping of het recreatiepark in strijd is met een geldend omgevingsplan; naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de camping of het recreatiepark of de openbare orde door de exploitatie van de camping of recreatiepark op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed; de exploitatie van de camping of het recreatiepark een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde met zich zal meebrengen; dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten. Artikel2:22eSluiting 1.De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde en veiligheid de sluiting bevelen van een camping of recreatiepark als daar: door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel verworven of overgedragen; discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; zich andere feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de camping of recreatiepark ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. 2.De burgemeester kan de sluiting bevelen van een camping of recreatiepark als: de exploitant of beheerder handelt in strijd met het bepaalde in het artikel 2:22b, eerste lid, of 2:22c onder sub a of b; de exploitant of beheerder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften. 3.De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen. 4.De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van de inrichting of in de directe nabijheid daarvan. 5.De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht. Artikel2:22fAanwezigheid in gesloten campings of recreatiepark 1.Het is verboden een camping of recreatiepark te betreden waarvan de sluiting is bevolen. 2.Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf de inrichting te betreden. Artikel2:22gIntrekken vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 wordt de vergunning ingetrokken als: de exploitatie van de camping of het recreatiepark door een andere dan in die vergunning genoemde houder wordt overgenomen. de exploitant of beheerder niet meer voldoet aan de in artikel 2:22c onder sub a of b gestelde eisen. Artikel2:22hOvergangsbepaling De gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning krachtens deze afdeling is vereist en die verder niet voorkomen in deze verordening, zijn niet van toepassing gedurende twaalf weken na inwerkingtreding van deze afdeling en ook niet na deze termijn, voor zover degene die op grond van deze afdeling een vergunning nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag voor deze vergunning heeft ingediend, totdat op de aanvraag onherroepelijk is beslist. Afdeling6Toezicht op speelgelegenheden Artikel2:23Definities 1.In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.In de afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel2:23aSpeelgelegenheden 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de Kansspelen. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 weigert de burgemeester de vergunning als: naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:24Speelautomaten 1.In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2.In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Afdeling7Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel2:25Betreden gesloten woning of lokaal 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Deze verboden zijn niet van toepassing op personen van wie aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel2:26Plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te beschadigen waaronder te bekrassen of te bekladden. 2.Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 3.Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 4.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. Artikel2:27Vervoer inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing als de inbrekerswerktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Artikel2:28Rijden over bermen en dergelijke 1.Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist. 2.Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Artikel2:29Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.Het is verboden op een openbare plaats: te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:30Verboden drankgebruik 1.Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op de volgende openbare plaatsen alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben: binnen het gebied rond Jeugdsoos Amicale. Dit gebied wordt gevormd door de Schoolstraat, Jagerstraat, Heuvelstraat, Pastoor Rohsstraat, Europalaan- Centrum, Europalaan- West, Kerkplein, Kloosterstraat, Craenberglaan en Bosscherhof; binnen het gebied rond Jeugdhuis de Blokhut te Vlodrop. Dit gebied wordt gevormd door de Koebroekweg, Schappweg, Kerkbergweg, Kasteelweg, Angsterweg, Kerkstraat, Kerkhofweg en de Markt; binnen andere door het college aangewezen gebieden. 2.Het verbod is niet van toepassing op: een terras, dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; een andere plaats dan een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. Artikel2:31Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden zonder redelijk doel: zich in een portiek of poort op te houden; op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning dan wel van een gebouw die voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel2:32Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan: portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages, rijwielstallingen. Artikel2:33Verblijven honden en loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide, sportvelden en schoolterreinen; buiten de bebouwde kom, zonder toezicht en zonder begeleiding; op de weg als de hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het eerste lid, aanhef en onder a is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3.Het eerste lid, aanhef onder a en b is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die: zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond sociale hulphond. Artikel2:34Verontreiniging door honden 1.Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van de hond onmiddellijk worden verwijderd. 2.Onder het verbod genoemd in het eerste lid valt in ieder geval: een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers; een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; openbare plantsoenen, sportvelden en sportterreinen. 3.Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid niet geldt. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die: zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel2:35Gevaarlijke honden 1.Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk vindt, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod dan wel een aanlijn- en/of muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zo rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en zo is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.Onverminderd artikel 2:33, eerste lid, aanhef onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel2:35aGevaarlijke honden op eigen terrein 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. 2.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: op een vanaf de weg zichtbare plaats naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; het mogelijk is een brievenbus te bereiken; en het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel2:36Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid, is het verboden op door het college aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: aanwezig te hebben, of; aanwezig te hebben in strijd met de door het college gestelde regels, en/of; te voeren. 2.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van één of meer verboden als bedoeld in het eerste lid. Artikel2:37Bijen 1.Het is verboden bijen te houden binnen een afstand van 30 meter: van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven; en/of van de weg. 2.Het verbod bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing als op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een legale afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te voorkomen. 3.Het verbod bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4.Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapverordening. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Afdeling8Consumentenvuurwerk en carbidschieten Artikel2:37aDefinitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit. Artikel2:37bGebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2.Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3.De in het eerste en tweede lid gestelde verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:37cCarbidschieten 1.Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden. 2.Het verbod in het eerste lid geldt niet buiten bebouwde kom van 31 december 10:00 uur tot 1 januari 02:00 uur van het daaropvolgende jaar. 3.Het college kan nadere regels stellen over het bepaalde in het tweede lid. 4.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht. Afdeling9Drugsoverlast Artikel2:38Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel2:38aOpenlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben. Artikel2:38bWeggooien van spuiten Het is verboden injectiespuiten of onderdelen daarvan, zoals naalden, reservoirs, zuigers en dergelijke op of aan de openbare weg, op voor het publiek toegankelijke plaatsen dan wel in afvalbakken achter te laten. Afdeling10Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel2:39Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:3, 2:4, 2:7, 2:29, 2:30, 2:31, 2:32 of 5:23 groepsgewijs niet naleven. Artikel2:40Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel2:41Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2.De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen: parkeerterreinen, en; speelplekken die niet onder de definitie van openbare plaats uit de Wet openbare manifestaties vallen. Hoofdstuk3.Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. Afdeling1.Definities Artikel3:1Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; bevoegd bestuursorgaan: in dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is; lokaal maximumstelsel: maximaal 1 seksinrichting binnen het grondgebied van de gemeente Roerdalen; regionaal maximumstelsel: het maximum aantal seksinrichtingen zoals dat door het regionaal college Limburg-Noord is vastgesteld. Artikel3:2Nadere regels Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college en in het voorkomende geval de burgemeester over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Afdeling2.Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel3:3Seksinrichtingen 1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. 2.In de aanvraag om vergunning wordt gebruik gemaakt van het door het bevoegde bestuursorgaan vastgestelde formulier. 3.In de aanvraag om vergunning en in de vergunning worden in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; een bewijs van inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. 4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel3:4Gedragseisen exploitant en beheerder 1.De exploitant of de beheerder: staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 2.Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant of de beheerder niet: met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5.De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Artikel3:5Sluitingstijden 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04.00 uur en 12.00 uur. 2.Het bevoegd orgaan kan voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens deze Afdeling gesloten dient te zijn. 4.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel3:6Tijdelijke afwijking sluitingstijden en(tijdelijke) sluiting 1.Met het oog op de openbare orde en de weigeringsgronden voor de vergunning, of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens deze Afdeling geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bekend op de wijze als bedoeld in artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Artikel3:7Intrekking vergunning Met het oog op de in artikel 3:13 tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan de op basis van artikel 3:3 verleende vergunning voor een seksinrichting intrekken. Artikel3:8Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2.De exploitant en de beheerder dient er voortdurend op toe te zien dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel3:8aLeeftijd en verblijfstitel prostitué(e)s; verbod werken voor onvergunde seksinrichting 1.Prostitutie vindt uitsluitend plaats door een prostitué(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.