Beleidsregel Beplanting 2024 Deze beleidsregel gaat over activiteiten voor het aanbrengen, in stand houden en verwijderen van beplanting in het beperkingengebied van waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen, voor zover vergunningplichtig op grond van de waterschapsverordening Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Opmerkingen met betrekking tot de regeling Deze beleidsregel geeft specifieke richtlijnen en toetsingscriteria voor een specifieke activiteit. Daarnaast gelden altijd de bepalingen met betrekking tot de zorgplicht en de algemene regels uit de waterschapsverordening. Toetsingscriteria voor Beplanting 1.Algemeen 1.1.Kader Het aanbrengen of verwijderen van beplanting binnen het beheergebied van HHSK is in veel gevallen vergunningplichtig op grond van de waterschapsverordening. De vergunningplicht voor beplanting is vastgelegd in paragraaf 7.1 van de Waterschapsverordening. In oppervlaktewaterlichamen geldt voor het aanbrengen van beplanting in of bij een oppervlaktewaterlichaam in bepaalde gevallen een meldplicht en in andere gevallen een vergunningplicht. Voor het aanbrengen en verwijderen van beplanting in de kernzone van een waterkering geldt in een aantal gevallen een meldplicht. In alle andere gevallen geldt in de kernzone van waterkeringen een vergunningplicht. De beplanting waar deze beleidsregel op doelt is het aanbrengen, hebben of verwijderen van opgaande (hout) beplanting, gewassen en vaste planten. Maaibare beplanting zoals de grasmat op waterkeringen of in onderhoudsstroken langs oppervlaktewaterlichamen wordt niet gerekend tot beplanting die vergunninplichtig is op grond van de Waterschapsverordening. Deze beleidsregel gaat niet over het aanbrengen, in stand houden of verwijderen van beplanting bij een windwatermolen (wsv H10), voor zover dat gebeurt buiten het beperkingengebied van een waterkering of oppervlaktewaterlichaam. Binnen het werkingsgebied van windwatermolens gelden, aanvullend op eventueel van toepassing zijnde regels vanuit deze beleidsregel, regels op grond van hoofdstuk 10 van de Waterschapsverordening. 1.2.Doel Deze beleidsregel geeft aan hoe het hoogheemraadschap vergunningaanvragen voor het aanbrengen of verwijderen van beplanting beoordeelt, hoe belangen worden afgewogen en welke eisen daarbij kunnen worden gesteld. De regels in de Waterschapsverordening over beplanting zijn volgens de Waterschapsverordening paragraaf 7.1 gericht op: het beschermen van waterstaatswerken en de doelmatige werking daarvan voor het keren van water en het aan- en afvoeren van water; het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen; en het vervullen van maatschappelijke functies door oppervlaktewaterlichamen, in het bijzonder het varen. 2.Beplanting in en bij OPPERVLAKTEWATERLICHAMEN In deze paragraaf staan de beleidsregels voor beplanting binnen de kernzone van oppervlaktewaterlichamen (oppervlaktewateren) en binnen de beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen voor aan- en afvoer. Als de beplanting ook binnen een waterkering staat zijn ook de regels uit de paragrafen over de waterkeringen van toepassing. In Figuur 1 zijn ter verduidelijking een aantal van de gebruikte begrippen weergegeven Figuur 1 2.1.Voor alle oppervlaktewaterlichamen geldende regels Deze regels gelden voor beplanting in het beperkingengebied van alle categorieën van oppervlaktewaterlichamen. Deze regels gelden naast aanvullende specifieke regels per situatie. Het aanbrengen van opgaande (hout) beplanting binnen de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam, anders dan in het kader van het aanbrengen van natuurvriendelijke oevers, wordt niet toegestaan. Opgaande (hout) beplanting (niet maaibaar) zoals bomen en struiken belemmeren het functioneren van de watergang en de mogelijkheid om onderhoud uit te voeren. Er zijn situaties denkbaar waarbij het, afwijkend van de overige criteria uit deze beleidsregel, vanuit bijvoorbeeld het oogpunt van natuurbeheer wenselijk is beplanting binnen een oppervlaktewaterlichaam te realiseren. Afgezien van de specifieke uitgangspunten en situaties uit deze beleidsregel wordt per geval beoordeeld hoe het belang daarvan zich verhoudt tot het waterstaatkundig belang en of/hoe dat afdoende kan worden gewaarborgd. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor (delen van) beplanting die uitsteken boven het water. Het aanbrengen van beplanting in een oppervlaktewaterlichaam ten behoeve van een natuurvriendelijke oever wordt toegestaan onder de voorwaarde dat de beplanting van de natuurvriendelijke oever buiten het minimaal benodigde watervoerende profiel aangebracht wordt. Door het aanbrengen van de beplanting voor de natuurvriendelijke oever buiten het benodigde watervoerende profiel wordt het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam voor het aan- en afvoeren van water niet belemmerd. Bij een vergunningaanvraag kijken we naar de omvang of situatie als de boom of beplanting volgroeid is. Jonge aanplant is vaak klein en lijkt weinig problematisch. Over een aantal jaren is deze aanplant gegroeid of volgroeid. Daarom moet bij het plaatsen rekening gehouden worden met de verwachtte groei. Bij de beoordeling van de activiteit wordt rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen van en eisen aan het watersysteem. Gezien de verwachte levensduur van eenmaal aangebrachte beplanting (vooral bomen) moet voldoende ruimte in stand blijven voor toekomstige ontwikkelingen en aanpassingen van het watersysteem, mede in verband met ruimtelijke ontwikkelingen en klimaatveranderingen. Deze bepaling is ook van belang waar water wordt gegraven tot in de onmiddellijke nabijheid van beplanting: het water moet ook dan doelmatig onderhouden kunnen worden. In vaarwegen en andere bevaarbare wateren kunnen nadere eisen worden gesteld met het oog op de vaargelegenheid. De Beleidsuitwerking Varen HHSK biedt hiervoor nadere uitgangspunten. Op veel wateren in het beheergebied wordt gevaren. Aan beplanting kunnen nadere eisen worden gesteld om de scheepvaart (recreatievaart) niet onnodig te beperken of te hinderen en ervoor te zorgen dat het vaarverkeer veilig en vlot gebruik kan blijven maken van het water. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om de breedte en de doorvaarthoogte van het water, om ruimte voor eventuele toekomstige verbeteringen van het vaarwater en om zichtlijnen in bochten en bij kunstwerken, zoals bruggen. Het oppervlaktewaterlichaam en de bijbehorende kunstwerken moeten op een duurzame, kostenefficiënte manier kunnen worden beheerd en onderhouden. De aanwezigheid van beplanting langs een oppervlaktewaterlichaam kan het onderhoud en de inspectie bemoeilijken. Onder beheer verstaan wij ook de inspectie, bediening en vervanging van kunstwerken. De onderhoudsverplichtingen mogen ook niet – zonder overeenstemming daarover – worden afgewenteld op anderen. Onevenredige meerkosten voor het waterschap moeten worden voorkomen. 2.2.Beplanting bij oppervlaktewaterlichamen voor aan- en afvoer De bepalingen in deze paragraaf gelden, naast de bepalingen uit 2.1, binnen de beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen voor aan- en afvoer. Beschermingszones worden vrijgehouden van beplanting voor zover dat nodig is voor de uitvoering van het onderhoud van het water. De beschermingszones langs een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer zijn in veel gevallen tevens van belang om het onderhoud van het water te kunnen uitvoeren, bijvoorbeeld met rijdend materieel. De beschermingszones moeten dan vrij blijven van obstakels waardoor het onderhoud niet op doelmatige wijze kan worden uitgevoerd. Waar geen onderhoudsstrook hoeft te worden vrijgehouden mag beplanting worden aangebracht tot minimaal 0,50 m uit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam. Het profiel van de watergang moet in stand gehouden kunnen worden. Bij opgaande (hout) beplanting in de taluds en dichter dan 0,5 meter uit de insteek van de watergang wordt dit lastig. In specifieke gevallen zoals natuurvriendelijke oevers kan hier een uitzondering op gemaakt worden, zie criterium regel 1. In oppervlaktewaterlichamen voor aan- en afvoer bedraagt de afstand tot een gemaal ten minste 10 meter; bij een ander kunstwerk kan, afhankelijk van de situatie, eventueel met minder afstand worden volstaan. Voldoende afstand tussen beplanting en waterstaatkundige kunstwerken is nodig in verband met onderhoud en inspectie en om(daarbij) schade te voorkomen. Het hangt van de situatie en de aard van het kunstwerk af hoeveel afstand nodig is. Veelal geldt hierbij een ondergrens van 5 meter. Uitzonderingen kunnen eventueel worden overwogen op basis van criterium 1 van deze beleidsregel. Volledig vrije onderhoudsstrook Een volledig vrije onderhoudsstrook is vaak nodig in situaties met beperkte vrije ruimte, zoals langs bebouwing of kassen. Er is dan sprake van een onderhoudsstrook waar met rijdend materieel onderhoud uitgevoerd wordt. In volledig vrije onderhoudsstroken wordt geen vergunning verleend voor het aanbrengen van beplanting. Om onderhoudsmaterieel te laten passeren zonder risico op schade aan boom of materieel is het van belang om ruimte vrij te houden op en boven de onderhoudsstroken. De volledige breedte van de onderhoudsstroken moet tot een hoogte van tenminste 4,00 meter vrij zijn van takken, bomen, struiken en ander belemmerend groen. Zie Figuur 2. Figuur 2: Volledig vrije onderhoudsstrook Niet volledig vrije onderhoudsstrook In situaties met veel vrije ruimte kan incidentele beplanting of een bomenrij in de onderhoudsstrook aanwezig zijn. Bomen in een onderhoudsstrook worden alleen toegestaan als er (blijvend) voldoende manoeuvreerruimte voor het onderhoudsmaterieel aanwezig is. Dit kan als hier bij de ruimtelijk inrichting rekening mee gehouden is, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van parallelle infrastructuur, waardoor hier geen bebouwing of andere belemmeringen te verwachten zijn. Voor bomen in een onderhoudsstrook geldt dat er tussen bomen minimaal een ruimte van 5,00 meter breed beschikbaar is. Bomen in een onderhoudsstrook moeten zo worden onderhouden dat tot een hoogte van tenminste 4 meter geen takken aanwezig zijn. Om onderhoudsmaterieel te laten passeren zonder risico op schade aan boom of materieel is het van belang dat er voldoende manoeuvreerruimte is, de bomen ver genoeg uit elkaar staan en hoog genoeg (zie Figuur 3) opgesnoeid blijven. Figuur 3: Onderhoudsstrook met bomen Incidentele beplanting als bosschages en dergelijke, wordt op de onderhoudsstrook toegelaten mits deze het doelmatig machinaal onderhoud niet belemmeren. Parallel aan het water mag zo’n bosschage daarom niet langer dan 3,00 m zijn. Met het oog op voorkomen van hittestress, schaduw voor waterleven, beleving, biodiversiteit moet er ruimte zijn voor enkele bomen en struiken nabij het water. Beplanting in een onderhoudsstrook wordt op een afstand van minimaal 0,5 meter uit de insteek aangebracht. 2.3.Aanvullende beoordelingscriteria voor beplanting m.b.t. krw-oppervlaktewaterlichamen Onderdeel 1. Toepassingsbereik beoordelingscriteria uit deze paragraaf De regels in deze paragraaf gelden voor: beplanting die van invloed kan zijn op een krw-oppervlaktewaterlichaam; en beplanting die wordt geplaatst in een oppervlaktewaterlichaam dat door de Provincie Zuid-Holland als krw-oppervlaktewaterlichaam is aangewezen of in de directe omgeving daarvan. In subonderdeel b van het eerste onderdeel is een dynamische verwijzing opgenomen naar het regionaal waterprogramma van PZH. Op deze manier hoeft de beleidsregel niet opnieuw te worden vastgesteld iedere keer dat PZH een wijziging aanbrengt in de lijst met krw-oppervlaktewaterlichamen. Onderdeel 2. Algemeen aanvullend criterium: krw-oppervlaktewaterlichamen Voor de activiteit wordt alleen een omgevingsvergunning verleend als is voldaan aan de voorwaarden uit artikel 1.12a van de Waterschapsverordening, voor zover deze voorwaarden betrekking hebben op een krw-oppervlaktewaterlichaam. De achteruitgang van de chemische toestand en de achteruitgang van de ecologische toestand aangewezen krw-oppervlaktewaterlichamen wordt voorkomen, net als het belemmeren van een verbetering van die toestanden. Voor zover het gaat over een stof of kwaliteitselement uit bijlage III van Besluit kwaliteit leefomgeving die voor krw-oppervlaktewateren geldt, wordt achteruitgang van de toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam geacht te zijn voorkomen als het krw-oppervlaktewaterlichaam: in dezelfde toestandsklasse is gebleven of in een hogere terecht is gekomen; of in de laagste toestandsklasse niet is verslechterd. Een omgevingsvergunning voor een activiteit wordt geweigerd als die activiteit ertoe leidt dat achteruitgang optreedt van de chemische of ecologische toestand van een door PZH aangewezen krw-oppervlaktewaterlichaam of dat verbetering van die toestand wordt belemmerd. Of sprake is van achteruitgang van die toestand of belemmering van verbetering daarvan wordt beoordeeld op grond van artikel 2.10 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het gaat over de chemische toestand, en op grond van artikel 2.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het gaat over de ecologische toestand. Onderdeel 3. Hardheidsclausule In afwijking van het tweede onderdeel kan een omgevingsvergunning worden verleend, voor zover: is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 1.12b van de waterschapsverordening; de omvang van de activiteit niet meer dan één procent van het ecologisch areaal beslaat; en de omvang van de activiteit een negatief effect heeft op niet meer dan één procent van het ecologisch relevante areaal per kwaliteitselement, waarbij ook rekening wordt gehouden met eventuele cumulatieve effecten. Deze hardheidsclausule volgt uit artikel 1.12b van de waterschapsverordening en wordt ingekleurd met landelijk beleid. De één-procent-regel is landelijk beleid dat door HHSK wordt overgenomen. Bij het vaststellen of een activiteit binnen de grenzen van de één-procent-regel valt zijn andere activiteiten relevant, omdat cumulatieve effecten ervoor kunnen zorgen dat de één-procent-grens wordt overschreden. 3.Beplanting bij WATERKERINGEN HHSK heeft de wettelijke taak om de waterkeringen (ook dijken of kades genoemd) te beheren om overstromingen te voorkomen. Vanuit het oogpunt van waterkeringenbeheer bestaat een ideale dijk uit klei met een grasmat, die erosiebestendig is. De dijk is bovendien zoveel mogelijk vrij van ‘niet-waterkerende’ objecten, zoals bouwwerken, bomen en beplanting. Onze dijken zien er lang niet overal zo uit. Uit maatschappelijk oogpunt is dat ook niet wenselijk. Bijvoorbeeld omdat er mensen wonen en bedrijven gevestigd zijn. En ook landschap, cultuur en natuurhistorie kunnen een rol spelen bij de inrichting van een dijk. Bij de inrichting en het gebruik van dijken staan waterveiligheid en efficiënt beheer voorop. Vandaar de inrichting van de dijk zoals wij die het liefste zien. Aanvragen voor ‘niet-waterkerende objecten’ zoals beplanting toetsen we daarom aan ons ideaalbeeld. Wij kijken daarbij naar: Overstromingskans Beheer en onderhoud Uitbreidbaarheid van de kering Bomen en andere beplantingen kunnen invloed hebben op de sterkte en stabiliteit van een dijk. Verschillende factoren spelen daarbij een rol. Bijvoorbeeld de boomhoogte. Een hoge boom waait sneller om dan een lage boom. Een boom die omvalt trekt een wortelpakket mee en kan zo de dijk beschadigen. Bomen en planten kunnen ook een belemmering vormen voor het onderhoud en beheer van de dijk. Bijvoorbeeld omdat ze dijken minder toegankelijk maken voor onderhoudsmaterieel, of in de weg staan bij een dijkversterking. Invloed op de overstromingskans Bomen en planten kunnen kan op verschillende manieren de overstromingskans vergroten. Erosiebestendigheid Dijken zijn zo gemaakt dat ze erosiebestendig zijn. Bomen en planten hebben daar invloed op. De bekleding van gras of harde materialen beschermt de dijk tegen erosie. Andere materialen of vormen zijn niet geschikt. Zo zorgen bomen en planten voor schaduw en bladafval. Daardoor groeit de taludbekleding minder goed, wat de kans op erosie vergroot. En een boom kan omvallen, waardoor een gat ontstaat in de dijkbekleding. Erosie kan ook optreden als onder een struik geen gras groeit. Struiken, schaduw en bladafval maken bovendien inspectie van de dijk moeilijk, zo niet onmogelijk. Als er voorland aanwezig is, wordt hier bij het ontwerp van de waterkering al rekening mee gehouden, waardoor deze minder hoog hoeft te zijn. Hierdoor is overslaand water nog steeds mogelijk waardoor ook in die situaties erosiebestendigheid van belang blijft. Sterkte en stabiliteit Om de stabiliteit van de dijk te garanderen, zijn minimale afmetingen nodig. Een wortelkluit van een boom, en in mindere mate van een struik, maakt de dijk minder stabiel. Omgewaaide bomen die een wortelkluit meetrekken, veroorzaken een gat en beschadigen daarmee de dijk of kade, waardoor deze niet meer zijn minimale afmetingen heeft. Ook kunnen wortels een aanwezige constructie aantasten. Bomen kunnen bij harde wind bovendien kracht uitoefenen op de dijk, waardoor de stabiliteit vermindert. Bomen kunnen door onttrekking van vocht uit de bodem en door verdamping tot het versneld verdrogen van de waterkering leiden. De wortels van bomen en beplanting en de werkzaamheden die nodig zijn om beplanting aan te brengen en te onderhouden kunnen de waterkering beschadigen. Piping/lekkage In een dijk kunnen door de druk van het buitenwater en grondwaterstroming tunnels (piping) ontstaan. Kleilagen in, onder en op de dijk voorkomen dit. Wortels van bomen en struiken kunnen door deze kleilagen heendringen. Daardoor groeit de kans op piping. Daarom is het belangrijk om bij het verwijderen van bomen het hele wortelstelsel uit te graven. Achtergebleven wortelresten kunnen op termijn lekkages veroorzaken. Waterkerende constructies In een dijk kan een waterkerende constructie zitten, bijvoorbeeld een betonwand of damwand. Het is dan feitelijk niet alleen de dijk zelf, maar ook de constructie in de dijk die voor de veiligheid zorgt. Waterkerende constructies in de dijk hebben dan ook grote invloed op de overstromingskans. Wat wel en niet kan en mag staat beschreven in paragraaf 3.6. Invloed op beheer en onderhoud van de dijk Het is belangrijk om de waterkeringen goed te kunnen monitoren. Hierbij kijkt het waterschap of de waterkeringen nog in goede staat zijn en of er bijvoorbeeld geen scheuren, natte plekken of lage plekken in de dijk of kade zijn. Beplanting kan het zicht op de waterkering ontnemen. Ook worden de waterkeringen regelmatig onderhouden. Dit is noodzakelijk omdat waterkeringen langzaam blijven zakken. Er wordt dan een nieuwe laag klei aangebracht. Bij boezemwaterkeringen is dit meestal in de eerste vijf meter vanaf het water, maar het kan ook nodig zijn het hele talud te versterken met klei. Voor beplanting die niet eenvoudig te verwijderen is, is het daarom belangrijk deze niet te plaatsen op plekken waar het in de toekomst in de weg kan staan. Zo kan het waterschap ook in de toekomst zorgen voor veilige waterkeringen. Invloed op uitbreidbaarheid van de dijk Bij dijkversterking kunnen vooral bomen een belemmering zijn. 3.1.Bij alle waterkeringen geldende regels Deze regels gelden voor beplanting in alle categorieën van waterkeringen. Deze regels gelden naast de specifieke regels per situatie. Bij een vergunningaanvraag kijken we naar de omvang of situatie als de boom of beplanting volgroeid is. Jonge aanplant is vaak klein en lijkt weinig problematisch. Over een aantal jaren is deze aanplant gegroeid of volgroeid. Daarom moet bij het plaatsen rekening gehouden worden met de verwachtte groei. Bij een vergunningaanvraag beschouwen we herplanten als het aanbrengen van nieuwe bomen en planten. Het vervangen van bestaande beplanting op dezelfde locatie is ongewenst als dit volgens de regels van nieuwe beplanting niet zou worden toegestaan. Hiermee wordt bevorderd dat bestaande situaties die niet aan de huidige beleidsregels voldoen, maar waarvoor nog geen aanleiding is om deze actief te saneren, steeds minder voor zullen komen. Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag wordt geen rekening gehouden met de mogelijk versterkende eigenschappen van een wortelpakket. Een wortelpakket kan in theorie een dijk ook versterken. Dat is alleen lastig aan te tonen. Vandaar dat we dat niet meewegen bij het beoordelen van een vergunningaanvraag. De aanwezigheid van beplanting mag inspectie en beheer van de waterkering niet onevenredig belemmeren en de zichtbaarheid van de waterkering is voldoende gewaarborgd. De waterkeringen moeten inspecteerbaar blijven om schadebeelden zoals scheuren, verzakkingen, graverij en dergelijke te kunnen constateren. Afhankelijk van de situatie is een bodem bedekkende begroeiing of een hoge dichte haag daarom niet altijd toelaatbaar. 3.2.Primaire waterkeringen en voorliggende waterkeringen Deze regels gelden naast die van 3.1 Boomvrij profiel Om de risico’s van vooral bomen zoveel mogelijk te beperken, is een ‘boomvrij profiel’ bepaald, zie Figuur 5. In het profiel zijn afmetingen vastgelegd. De afstanden worden gemeten vanuit de kniklijnen (kruin- en teenlijnen) van het feitelijk aanwezige profiel. Bij bomen wordt onderscheid gemaakt in hoge bomen (>5m) en lage bomen (< 5
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.