← Nederland

Waterschapsverordening Hunze en Aa's (Waterschap Hunze en Aa's)

/akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR703145 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/ws0646/2023/Regeling6bbbd372e76b46138c08c959085d5a19 /join/id/stop/work_019 2024-07-18 2024-07-18 /akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR703145/nld@2024-07-18 /join/id/proces/ws0646/2023/procedureae86eb7c8c47429cb520633c906a4b90 /join/id/proces/ws0646/2024/procedurecd7aeda754a040028a015a3e12ff76cd /join/id/proces/ws0646/2024/procedure01df48e213414e2e80d5fbdd398a7b65 2024-07-18 2025-01-30 2024-07-18 2025-01-30 2024-07-18 2025-01-30 /akn/nl/act/ws0646/2023/Regeling6bbbd372e76b46138c08c959085d5a19/nld@2024-07-15;10101183 /akn/nl/act/ws0646/2023/Regeling6bbbd372e76b46138c08c959085d5a19 /akn/nl/act/ws0646/2023/Regeling6bbbd372e76b46138c08c959085d5a19/nld@2024-07-15;10101183 /join/id/stop/work_019 3 Waterschapsverordening Hunze en Aa's Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Afdeling 1.1 Begripsbepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  1. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet, en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn ook van toepassing op afdeling 1.2 en de hoofdstukken 2 tot en met 4 van deze waterschapsverordening.
  2. Bijlage II bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze waterschapsverordening. Afdeling 1.2 Algemene bepalingen omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten Artikel 1.2 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten
  3. Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en c. de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
  4. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw- oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam: a. niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit; b. de doelstelling van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en c. een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt.
  5. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw- oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
  6. In afwijking van het derde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als: a. de aanvraag betrekking heeft op:
  7. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;
  8. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of
  9. het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw- oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling; b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren. Afdeling 1.3 Aanwijzing en begrenzing van beperkingengebieden Artikel 1.3 Begrenzing beheergebied De geometrische begrenzing van het beheergebied van het waterschap is opgenomen in het geometrische informatieobject 'beheergebied' in bijlage I bij deze verordening. Artikel 1.4 Begrenzing waterstaatswerken
  10. De geometrische begrenzingen van het beperkingengebied waterstaatswerk en de onderdelen daarvan zijn opgenomen in de volgende geometrische informatieobjecten in bijlage I bij deze verordening: a. beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam; b. beperkingengebied waterkering; c. bergingsgebieden; en d. kunstwerken.
  11. Onder beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam vallen in ieder geval: a. kernzone oppervlaktewaterlichaam; b. beschermingszone oppervlaktewaterlichaam; en c. onderhoudspaden.
  12. Onder beperkingengebied waterkering vallen in ieder geval: a. kernzone waterkering; b. beschermingszone waterkering; c. bebouwingszone waterkering; d. profiel van vrije ruimte; en e. onderhoudspaden. Artikel 1.5 Begrenzing oppervlaktewaterlichaam De geometrische begrenzing van oppervlaktewaterlichamen en de onderdelen daarvan zijn opgenomen in de volgende geometrische informatieobjecten in bijlage I bij deze verordening: a. hoofdwatergangen; b. schouwsloten; c. overige oppervlaktewaterlichamen. Artikel 1.6 Aanvullende regels over begrenzing van beperkingengebieden
  13. Voor waterstaatswerken die op grond van een projectbesluit of omgevingsvergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de geometrische begrenzing, wordt voor het beperkingengebied waterstaatswerk uitgegaan van de begrenzing aangegeven in het projectbesluit of de omgevingsvergunning.
  14. Voor waterstaatswerken die niet geometrisch zijn begrensd en waarvoor de ligging niet volgt uit een projectbesluit of omgevingsvergunning, gelden de grenzen van het waterstaatswerk, de beschermingszone, de bebouwingszone en het profiel van vrije ruimte, opgenomen in bijlage II bij deze verordening. Afdeling 1.4 Normadressaat Artikel 1.7 Normadressaat
  15. Aan de regels in deze verordening wordt voldaan door degene die de activiteit verricht en door de eigenaar van de gronden waarop de activiteit wordt verricht, tenzij anders is bepaald. Deze dragen zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
  16. Wanneer gronden met een beperkt zakelijk recht zijn bezwaard of krachtens persoonlijk recht in gebruik zijn gegeven, wordt aan deze verordening ook voldaan door de beperkt zakelijk gerechtigde of de gebruiker.
  17. De personen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van de in deze verordening opgelegde verplichtingen. Afdeling 1.5 Specifieke zorgplicht en maatwerkvoorschriften Artikel 1.8 Specifieke zorgplicht
  18. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het watersysteem, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
  19. Degene die een werk plaatst: a. onderhoudt het werk goed; en b. gebruikt deugdelijke materialen. Artikel 1.9 Maatwerkvoorschriften
  20. In aanvulling op of in afwijking van de algemene regels in hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 van deze verordening, kunnen in een specifieke situatie met het oog op de doelen uit artikel 1.3 van de wet, maatwerkvoorschriften worden gesteld.
  21. Wanneer sprake is van meerdere activiteiten die gecombineerd worden uitgevoerd, waarvoor deels een vergunningplicht geldt en deels een algemene regel van toepassing is, dan wordt een voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Een maatwerkvoorschrift kan dan niet worden gesteld. Afdeling 1.6 Melding en informatieverplichting algemeen Artikel 1.10 Algemene gegevens bij een melding of informatieverplichting
  22. Een melding of de verstrekking van gegevens wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.
  23. Op verzoek van het waterschap worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of de algemene regels en de maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn.
  24. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht redelijkerwijs over die gegevens kan beschikken. Afdeling 1.7 Uitzondering projectbesluit, beheer en onderhoud Artikel 1.11 Uitzondering projectbesluit, beheer en onderhoud
  25. De hoofdstukken 2 en 3 van deze verordening zijn niet van toepassing op:a. projecten waarvoor door het dagelijks bestuur een projectbesluit, als bedoeld in artikel 5.44 van de wet, is vastgesteld;b. activiteiten die plaatsvinden door of in opdracht van het waterschap voor beheer of onderhoud.
  26. Het eerste lid onder b is niet van toepassing op het aanleggen of wijzigen van waterstaatswerken. Afdeling 1.8 Uitzondering bijzondere omstandigheden Artikel 1.12 Aanwijzing bijzondere omstandigheden Bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de Wet zijn: a. waterschaarste en dreigende waterschaarste; b. overvloed aan water en dreigende overvloed aan water; c. het in ongerede raken van een waterstaatswerk of de dreiging daarvan; en d. verslechtering van de waterkwaliteit en dreigende verslechtering van de waterkwaliteit. Artikel 1.13 Algeheel verbod bij calamiteiten
  27. Het bestuur kan bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet en zo nodig in afwijking van verleende omgevingsvergunningen of geldende peilbesluiten, verbieden: a. water af te voeren naar of aan te voeren uit een oppervlaktewaterlichaam; b. water te brengen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam; en c. grondwater te onttrekken of water te infiltreren.
  28. Het besluit kan in ieder geval inhouden dat de activiteiten worden beperkt of worden stopgezet.
  29. Het besluit wordt onverwijld ingetrokken als de bijzondere omstandigheid zich niet langer voordoet. Afdeling 1.9 Ongewoon voorval Artikel 1.14 Ongewoon voorval
  30. Het bestuur wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
  31. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bestuur: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en de eigenschappen; en c. informatie over de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen. Hoofdstuk 2 Activiteiten bij waterstaatswerken Afdeling 2.1 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit Artikel 2.1 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het beperkingengebied; b. een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding; c. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; d. als een waterstaatswerk wordt gekruist door een boring: een boorplan met de volgende informatie:
  32. een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig de Handleiding wegenbouw, ontwerp onderbouw, richtlijn Boortechnieken, uitgegeven door Rijkswaterstaat;
  33. een tekening met een aanduiding van de boorlijn;
  34. een tekening van de dwarsdoorsnede in de langsrichting van de gekozen boorlijn; en
  35. gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van de buis op basis van een grondmechanisch onderzoek; en e. als de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering. Artikel 2.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit waterbodem Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden, als de activiteit betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, in aanvulling op artikel 2.1 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de hoeveelheid te verwijderen materiaal; en b. een aanduiding van het totaal te baggeren oppervlak in kubieke meters. Artikel 2.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken oppervlaktewater wordt gebruikt; b. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder onttrekkingspunt; c. de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur per onttrekkingspunt; d. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste wordt onttrokken; e. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en f. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken. Afdeling 2.2 Steigers Artikel 2.4 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van steigers in het beperkingengebied waterstaatswerk met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen. Artikel 2.5 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  36. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen, te behouden of te verwijderen: a. binnen een natuurvriendelijke oever; of b. binnen het beperkingengebied primaire waterkering.
  37. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen, te behouden of te verwijderen als: a. de steiger langer dan 5 m is; of b. de steiger wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een oppervlaktewaterlichaam met een breedte van minder dan 5 m, gemeten op de waterlijn bij winterpeil.
  38. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in het beperkingengebied toekomstige ontwikkelingen.
  39. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen als:a. het oppervlaktewaterlichaam tussen de 5 en 10 m breed is, gemeten op de waterlijn bij winterpeil, en de steiger breder is dan 1/10 van de breedte van het oppervlaktewaterlichaam, gemeten vanaf de grens van die waterlijn en het talud; ofb. het oppervlaktewaterlichaam breder is dan 10 m, gemeten op de waterlijn bij winterpeil, en de steiger breder is dan 1.50 m, gemeten vanaf de grens van die waterlijn en het talud. Artikel 2.6 Aanwijzing algemene regels Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een steiger in het beperkingengebied waterstaatswerk met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen buiten een primaire waterkering en buiten een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 2.7 tot en met 2.10, als de steiger: a. wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een oppervlaktewaterlichaam met een breedte van 5 m of meer, gemeten op de waterlijn bij winterpeil, en de steiger een lengte heeft van 5 m of minder; of b. wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een oppervlaktewaterlichaam met een breedte tussen de 5 en 10 m, gemeten op de waterlijn bij winterpeil, en de steiger een maximale breedte heeft van 1/10 van de breedte van het oppervlaktewaterlichaam, gemeten vanaf de grens van die waterlijn en het talud; of c. wordt aangelegd, behouden en verwijderd in een oppervlaktewaterlichaam breder dan 10 m, gemeten op de waterlijn bij winterpeil, en de steiger een maximale breedte heeft van 1.50 m, gemeten vanaf de grens van die waterlijn en het talud. Artikel 2.7 Meldingsplicht
  40. Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit ten minste 10 werkdagen en ten hoogste één jaar voor het begin ervan te melden.
  41. Bij de melding worden de volgende gegevens en/of bescheiden verstrekt: een ontwerptekening van de steiger, inclusief de maatvoering. Artikel 2.8 Algemene regel aanleg en constructie
  42. De steiger bestaat uit niet uitlogend materiaal.
  43. De afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam worden niet gewijzigd.
  44. Een steiger ligt ten minste 10 m vanaf een naastgelegen werk.
  45. Schade aan een steiger, ontstaan door onderhoudswerkzaamheden van het waterschap, wordt hersteld door degene die de activiteit verricht of zijn rechtsopvolger.
  46. Talud en beschoeiing worden niet beschadigd. Artikel 2.9 Algemene regel berging en doorstroming
  47. De steiger veroorzaakt geen belemmering voor de waterdoorvoer.
  48. Beschadiging of verzakking van de steiger, die nadelige gevolgen kan hebben voor de waterdoorvoer, wordt voorkomen. Artikel 2.10 Algemene regel verwijdering Bij het verwijderen van een steiger, wordt het oppervlaktewaterlichaam teruggebracht op de afmetingen volgens het oorspronkelijke profiel. Artikel 2.11 Maatwerkvoorschriften Bij maatwerkvoorschrift kan worden bepaald dat de steiger wordt gewijzigd of verwijderd, als: a. dat noodzakelijk is voor het beheer of onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam; of b. dat anderszins in het belang is van de zorg voor het watersysteem. Afdeling 2.3 Vlonders Artikel 2.12 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van vlonders in het beperkingengebied waterstaatswerk met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen. Artikel 2.13 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  49. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vlonder aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het beperkingengebied hoofdwatergang.
  50. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vlonder aan te leggen in het beperkingengebied toekomstige ontwikkelingen. Artikel 2.14 Aanwijzing algemene regels Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een vlonder in of langs het beperkingengebied schouwsloot, wordt voldaan aan de artikelen 2.15 tot en met 2.
  51. Artikel 2.15 Algemene regel aanleg en constructie
  52. Een vlonder bestaat uit niet uitlogend materiaal.
  53. Er worden geen palen geplaatst in het natte profiel van de schouwsloot.
  54. Talud en beschoeiing worden niet beschadigd.
  55. De ruimte onder de vlonder wordt bereikbaar gehouden.
  56. Een vlonder wordt op ten minste 1 m van een kadastrale perceelgrens gelegd of behouden. Artikel 2.16 Algemene regel berging en doorstroming
  57. De bergingsfunctie en de doorstroomfunctie van de schouwsloot worden niet verminderd.
  58. Beschadiging of verzakking van de vlonder, die nadelige gevolgen kan hebben voor de waterdoorvoer, wordt voorkomen. Artikel 2.17 Algemene regel verwijdering Bij het verwijderen van een vlonder, wordt de schouwsloot teruggebracht op de afmetingen volgens het oorspronkelijke profiel. Afdeling 2.4 Beschoeiing Artikel 2.18 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van beschoeiing in het beperkingengebied hoofdwatergang en het beperkingengebied schouwsloot. Artikel 2.19 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  59. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beschoeiing aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het beperkingengebied hoofdwatergang.
  60. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beschoeiing aan te leggen in het beperkingengebied toekomstige ontwikkelingen. Artikel 2.20 Aanwijzing algemene regels Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een beschoeiing in het beperkingengebied schouwsloot wordt voldaan aan de artikelen 2.21 tot en met 2.
  61. Artikel 2.21 Algemene regel aanleg en constructie
  62. Een beschoeiing wordt aangelegd met niet uitlogend materiaal.
  63. De bovenzijde van de beschoeiing wordt niet hoger gemaakt dan 0,20 m ten opzichte van het zomerpeil van de schouwsloot.
  64. Een beschoeiing wordt stevig verankerd, vervormt niet en helt niet voorover.
  65. Een beschoeiing wordt gronddicht afgewerkt, zodat geen grond of aangevuld materiaal in de schouwsloot terecht kan komen.
  66. De ruimte achter een beschoeiing wordt aangevuld met grond.
  67. Een duiker die op een beschoeiing is aangesloten, wordt verlengd tot buiten de beschoeiing met een duiker die een inwendige diameter heeft gelijk aan de bestaande duiker. Artikel 2.22 Algemene regel berging en doorstroming De bergingsfunctie en de doorstroomfunctie van de schouwsloot worden niet verminderd. Artikel 2.23 Algemene regel verwijdering Bij het verwijderen van beschoeiing, wordt de schouwsloot teruggebracht op de afmetingen volgens het oorspronkelijke profiel. Afdeling 2.5 Damwanden Artikel 2.24 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van damwanden in het beperkingengebied hoofdwatergang en het beperkingengebied schouwsloot. Artikel 2.25 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  68. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een damwand aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het beperkingengebied hoofdwatergang.
  69. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een damwand aan te leggen in het beperkingengebied toekomstige ontwikkelingen. Artikel 2.26 Aanwijzing algemene regels Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een damwand in het beperkingengebied schouwsloot wordt voldaan aan de artikelen 2.27 tot en met 2.
  70. Artikel 2.27 Algemene regel aanleg en constructie
  71. Een damwand wordt aangelegd met niet uitlogend materiaal.
  72. Als er al een damwand aanwezig is, wordt de nieuwe damwand in vorm en maat daarop aangesloten.
  73. Een damwand wordt halverwege het talud geplaatst tussen het maaiveld en het zomerpeil van de schouwsloot.
  74. De bovenzijde van een damwand wordt tot maaiveldhoogte aangebracht.
  75. Een damwand wordt stevig verankerd, vervormt niet en helt niet voorover.
  76. Een damwand wordt gronddicht afgewerkt zodat geen grond in de schouwsloot terecht kan komen.
  77. De ruimte achter een damwand wordt aangevuld met grond.
  78. Een duiker die op een damwand is aangesloten, wordt verlengd tot buiten de beschoeiing met een duiker die een inwendige diameter heeft gelijk aan de bestaande duiker. Artikel 2.28 Algemene regel berging en doorstroming De bergingsfunctie en de doorstroomfunctie van een schouwsloot worden niet verminderd. Artikel 2.29 Algemene regel verwijdering Bij het verwijderen van een damwand wordt een schouwsloot teruggebracht op de afmetingen volgens het oorspronkelijke profiel. Afdeling 2.6 Drainagemiddelen Artikel 2.30 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van drainagemiddelen in het beperkingengebied waterstaatswerk met uitzondering van schouwsloten en overige oppervlaktewaterlichamen. Artikel 2.31 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning drainagemiddelen aan te leggen, te behouden of te verwijderen in: a. het beperkingengebied hoofdwatergang binnen een door de provincies Groningen of Drenthe aangewezen NNN-gebied; of b. het beperkingengebied hoofdwatergang binnen het beperkingengebied waterkering; of c. het beperkingengebied toekomstige ontwikkelingen. Artikel 2.32 Aanwijzing algemene regels Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een drainagemiddel, wordt voldaan aan artikel 2.33, als het drainagemiddel wordt aangelegd, behouden of verwijderd in: a. het beperkingengebied hoofdwatergang buiten een door de provincies Groningen of Drenthe aangewezen NNN-gebied of b. het beperkingengebied hoofdwatergang buiten het beperkingengebied waterkering. Artikel 2.33 Algemene regel drainage en beschermen talud en bodem
  79. Een onderhoudspad en een oppervlaktewaterlichaam worden niet beschadigd.
  80. Een drainagemiddel steekt niet uit buiten het talud en wordt afgevlakt met het talud.
  81. Uitspoeling en beschadiging aan talud en bodem worden voorkomen.
  82. Onderhoudswerkzaamheden worden niet belemmerd.
  83. Schade aan een drainagemiddel, die door onderhoudswerkzaamheden van het waterschap is ontstaan, wordt hersteld door degene die de activiteit verricht of zijn rechtsopvolger. Afdeling 2.7 Oppervlaktewater onttrekken en aanleg onttrekkingsvoorzieningen Artikel 2.34 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het aanvoeren of onttrekken van oppervlaktewater en het aanleggen van bijbehorende onttrekkingsvoorzieningen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen. Artikel 2.35 Specifieke zorgplicht beregening De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 1.8, houdt voor het onttrekken van oppervlaktewater voor beregening in ieder geval in dat: a. schade aan een talud of waterbodem wordt voorkomen; en b. een doelmatige voorziening wordt aangebracht aan beide zijden van een zuigleiding op een onderhoudspad, zodat onbelemmerd van het onderhoudspad gebruik gemaakt kan worden. Artikel 2.36 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  84. Het is verboden zonder omgevingsvergunning meer dan 20 m3 oppervlaktewater per uur aan te voeren uit of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen anders dan voor beregening.
  85. Het is verboden zonder omgevingsvergunning meer dan 20 m3 oppervlaktewater per uur aan te voeren uit of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen binnen beperkingengebied drinkwaterbron Drentsche Aa.
  86. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een onttrekkingsvoorziening voor het onttrekken van oppervlaktewater aan te leggen, te behouden of te verwijderen binnen beperkingengebied drinkwaterbron Drentsche Aa.
  87. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een permanente onttrekkingsvoorziening voor het onttrekken van oppervlaktewater aan te leggen in het beperkingengebied toekomstige ontwikkelingen. Artikel 2.37 Aanwijzing algemene regels Bij het onttrekken van meer dan 20 m3 oppervlaktewater per uur voor beregening of het aanleggen, behouden of verwijderen van een onttrekkingsvoorziening daarvoor wordt voldaan aan artikel 2.38 en 2.39 als oppervlaktewater wordt onttrokken buiten beperkingengebied drinkwaterbron Drentsche Aa. Artikel 2.38 Meldingsplicht Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit ten minste 48 uur voor het begin daarvan te melden via een e-mailbericht naar beregening@hunzeenaas.nl. Artikel 2.39 Algemene regel
  88. Drijfvuil, zandafzettingen en slibafzettingen worden verwijderd.
  89. Een onttrekkingsvoorziening wordt op minimaal 5 m uit een insteek van een oppervlaktewaterlichaam opgesteld.
  90. Een zuigleiding wordt van het onderhoudspad verwijderd, zodra het beregenen niet meer plaatsvindt. Afdeling 2.8 Water afvoeren naar of lozen op een oppervlaktewaterlichaam Artikel 2.40 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het afvoeren naar en lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen. Artikel 2.41 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden om zonder omgevingsvergunning meer dan 60m3 water per uur af te voeren naar of te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Afdeling 2.9 Lozen verhard oppervlak en bijbehorende voorzieningen Artikel 2.42 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het aanbrengen van verhard oppervlak in het beheergebied van waterschap Hunze en Aa's. Artikel 2.43 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  91. Het is verboden zonder omgevingsvergunning verhard oppervlak aan te brengen dat neerslag versneld tot afvoer brengt op een oppervlaktewaterlichaam in het beperkingengebied toekomstige ontwikkelingen.
  92. Het is verboden zonder omgevingsvergunning verhard oppervlak aan te brengen dat neerslag versneld tot afvoer brengt op een oppervlaktewaterlichaam, in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen als er geen voorziening met waterbergend vermogen wordt aangelegd die in verbinding wordt gebracht met het watersysteem, en als:a. in de bebouwde kom, binnen uitbreidingsplannen en in glastuinbouwgebieden meer dan 150 m2 verhard oppervlak wordt aangebracht; ofb. in overig gebied meer dan 1.500 m2 verhard oppervlak wordt aangebracht. Artikel 2.44 Aanwijzing algemene regels
  93. Bij het aanbrengen van verhard oppervlak dat neerslag versneld tot afvoer brengt op een oppervlaktewaterlichaam, in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen wordt voldaan aan de artikelen 2.45 tot en met 2.47 als een voorziening met bergend vermogen wordt aangelegd en in verbinding wordt gebracht met het watersysteem en als: a. in de bebouwde kom, binnen uitbreidingsplannen en in glastuinbouwgebieden meer dan 150 m2 verhard oppervlak wordt aangebracht; of b. in overig gebied meer dan 1.500 m2 verhard oppervlak wordt aangebracht.
  94. Bij het aanbrengen, houden of verwijderen van verhard oppervlak in het beperkingengebied hoofdwatergang wordt voldaan aan artikel 2.
  95. Artikel 2.45 Meldingsplicht
  96. Het is verboden om de activiteit te verrichten, zonder dit ten minste 10 werkdagen en ten hoogste één jaar voor het begin ervan te melden.
  97. Wanneer op grond van artikel 2.47 het aanleggen van een voorziening met waterbergend vermogen noodzakelijk is, worden bij de melding de volgende gegevens en/of bescheiden verstrekt: a. een compensatieberekening; b. een overzichtstekening; c. een toelichting hoe aan de compensatieplicht zal worden voldaan. Artikel 2.46 Algemene regel aanleg en constructie
  98. Een lozingsconstructie wordt aangelegd met niet uitlogend materiaal.
  99. Een lozingsconstructie wordt op deugdelijke wijze gefundeerd.
  100. Het oppervlaktewaterlichaam en het onderhoudspad blijven vrij bereikbaar en vrij van obstakels.
  101. Beschadigingen en verzakkingen van de lozingsvoorziening, die nadelige gevolgen voor de waterdoorvoer kunnen hebben, worden voorkomen.
  102. Schade aan een verbinding met het watersysteem, die door onderhoudswerkzaamheden van het waterschap is ontstaan, wordt hersteld door degene die de activiteit verricht of zijn rechtsopvolger.
  103. Het tweede tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op het aanbrengen van een lozingsvoorziening in een schouwsloot. Artikel 2.47 Algemene regel berging en doorstroming
  104. Er wordt voldaan aan de waterbergingsopgave in het watertoetsadvies die door het waterschap is berekend en is opgenomen in het omgevingsplan of projectbesluit van de gemeente.
  105. Als geen waterbergingsopgave is berekend in een watertoetsadvies, dan wordt per m2 toename van verhard oppervlak een voorziening met bergend vermogen aangebracht van 80 l.
  106. De afvoer van de voorziening met bergend vermogen op het watersysteem wordt tot maximaal 1,2 l/s/ha vertraagd.
  107. Drijfvuil wordt verwijderd. Artikel 2.48 Algemene regel verharding langs hoofdwatergangen
  108. Een verharding wordt op maaiveld aangelegd op ten minste 4 m uit de insteek van een hoofdwatergang.
  109. Een verharding langs een hoofdwatergang watert af aan landszijde. Afdeling 2.10 Kabels en leidingen Artikel 2.49 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van kabels en leidingen in het beperkingengebied waterstaatswerk met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen. Artikel 2.50 Specifieke zorgplicht kabels en leidingen De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 1.8, houdt voor het aanleggen, behouden en verwijderen van kabels en leidingen in ieder geval in dat: a. tijdens het aanleggen of verwijderen van een kabel of leiding de stabiliteit van een talud of van een onderhoudspad niet negatief beïnvloed wordt; b. de afmetingen van de sleuf en werkputten zo klein mogelijk worden gehouden; c. na het aanleggen een ontgraving direct wordt aangevuld en verdicht, zodat er geen verzakkingen optreden; d. de aanvoer en afvoer van water niet belemmerd wordt; e. het onderhoudspad onbelemmerde doorgang houdt voor onderhoudsmaterieel; en f. een te kruisen oppervlaktewaterlichaam niet wordt afgedamd, tenzij het bestuur dat bij maatwerkvoorschrift heeft toegestaan. Artikel 2.51 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  110. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen, te behouden of te verwijderen in het beperkingengebied waterkering.
  111. Wanneer in het beperkingengebied waterkering het achterliggende maaiveld gelijk of bijna gelijk is aan de hoogte van de waterkering, kan het bestuur bepalen dat bij het aanleggen, behouden of verwijderen van de kabel of leiding een melding voldoende is.
  112. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in het beperkingengebied toekomstige ontwikkelingen. Artikel 2.52 Aanwijzing algemene regels
  113. Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding, wordt voldaan aan de artikelen 2.53, 2.54, 2.55, 2.56 en 2.57 als de kabel of leiding het beperkingengebied hoofdwatergang buiten het beperkingengebied waterkering kruist.
  114. Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding wordt voldaan aan de artikelen 2.54, 2.55, 2.56 en 2.57 als de kabel of leiding het beperkingengebied schouwsloot buiten het beperkingengebied waterkering kruist.
  115. Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding in het beperkingengebied hoofdwatergang buiten het beperkingengebied waterkering, wordt voldaan aan de artikelen 2.53, 2.54, 2.55, 2.56 en 2.57 als de kabel of leiding langs de watergang wordt aangelegd, behouden of verwijderd. Artikel 2.53 Meldingsplicht
  116. Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste tien werkdagen en ten hoogste één jaar voor het begin ervan te melden.
  117. Bij de melding worden de volgende gegevens en/of bescheiden verstrekt: een overzichtstekening van het gehele tracé van de aan te leggen of te verwijderen kabel of leiding. Artikel 2.54 Algemene regel diepteligging en afstanden
  118. Een kabel of leiding boven of onder een duiker wordt: a. minimaal 0,5 m boven een duiker in een openbare weg gelegd; of b. minimaal 1 m onder alle andere duikers, behalve duikers in dammen van watergangen parallel langs openbare wegen.
  119. De vereiste diepteligging van een kabel of leiding onder de waterbodem en de vereiste afstand tot een talud is: a. bij een waterlijn kleiner dan 3 m, minimaal 1,5 m; b. bij een waterlijn tussen 3 m en 10 m, minimaal 2 m; c. bij een waterlijn breder dan 10 m, minimaal 2,5 m.
  120. In afwijking van het tweede lid is de diepteligging van een kabel of leiding onder de waterbodem en de vereiste afstand tot een talud in een vaarweg minimaal 3 m.
  121. Een kabel of leiding wordt minimaal 0,8 m onder een onderhoudspad of een beschermingszone van een hoofdwatergang gelegd.
  122. Een kruisende kabel of leiding wordt op minimaal 10 m van een brug of remmingswerk aangelegd.
  123. Een langsliggende kabel of leiding in een wegberm van een openbare weg wordt: a. zo dicht mogelijk tegen de wegverharding aangelegd en minimaal 1,5 m vanaf de insteek aangelegd; of b. minimaal 3,5 m vanaf de insteek aangelegd. Artikel 2.55 Algemene regel aangelegde kabel of leiding
  124. Als een kabel of leiding is aangelegd, wordt een afsluiter, een kathodisch beschermpaaltje of een ander obstakel buiten de beschermingszone geplaatst.
  125. Een kabel of leiding voldoet aan de geldende Standaard RAW bepalingen en aan de geldende NEN normen 3650 deel 1 tot en met deel 5, NEN 3651 en NPR
  126. Artikel 2.56 Algemene regel ontstane schade
  127. Bij een breuk of lekkage worden maatregelen genomen om verdergaande lekkage te voorkomen.
  128. Gevolgen van een openbarsting worden direct en volledig hersteld.
  129. Als door onderhoudswerkzaamheden van het waterschap schade aan de kabel of leiding is ontstaan, wordt de schade door degene die de kabel of leiding heeft aangelegd of zijn rechtsopvolger hersteld. Artikel 2.57 Algemene regel kabel of leiding verwijderen Als een kabel of leiding buiten gebruik wordt gesteld, wordt de kabel of leiding verwijderd en wordt het waterstaatswerk teruggebracht op afmetingen volgens het oorspronkelijk profiel. Artikel 2.58 Maatwerkvoorschriften
  130. Bij maatwerkvoorschrift kan worden bepaald een kabel of leiding te wijzigen of te verwijderen als: a. dat noodzakelijk is voor het beheer of onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam; of b. dat anderszins in het belang is van de zorg voor het watersysteem.
  131. Het wijzigen of verwijderen gebeurt op eigen kosten van de eigenaar van de kabel of leiding, tenzij dat niet billijk is. Afdeling 2.11 Dammen met duiker Artikel 2.59 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van een dam met duiker in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen. Artikel 2.60 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in het beperkingengebied toekomstige ontwikkelingen. Artikel 2.61 Aanwijzing algemene regels
  132. Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een dam met duiker in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen, wordt voldaan aan de artikelen 2.63 tot en met 2.
  133. Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een dam met duiker in het beperkingengebied hoofdwatergang wordt voldaan aan artikel 2.
  134. Artikel 2.62 Meldingsplicht
  135. Het is verboden een dam met duiker aan te leggen of te verwijderen in het zonder dit ten minste tien werkdagen en ten hoogste één jaar voor het begin ervan te melden.
  136. Bij de melding worden de volgende gegevens en/of bescheiden verstrekt: a. een afbeelding met de exacte locatie; b. de afmetingen van de dam. Artikel 2.63 Algemene regel aanleg en constructie
  137. Een dam met duiker wordt alleen aangelegd als dit noodzakelijk is vanwege het gebruik en de toegang tot het naastgelegen perceel.
  138. In stedelijk gebied wordt niet meer dan één dam met duiker per kadastraal perceel aangelegd.
  139. Een onderhoudspad wordt alleen gebruikt door deze loodrecht te kruisen.
  140. Een dam met duiker wordt aangelegd van doelmatig materiaal, kwaliteit en klasse.
  141. Een duiker wordt zonder knikpunten of bochten en met de as in het midden van een oppervlaktewaterlichaam geplaatst.
  142. Verbindingen tussen duikerelementen worden voorzien van een waterdichte afdichting.
  143. Een dam met duiker wordt op minimaal 10 m van een ander werk aangelegd.
  144. Een duiker wordt aangelegd op de vaste waterbodem.
  145. In stedelijk gebied heeft een dam met duiker een maximale buislengte van 6 m.
  146. Buiten stedelijk gebied heeft een dam met duiker: a. een maximale buislengte van 26 m; en b. een bovenbreedte van niet meer dan tweederde van de perceelsbreedte.
  147. Een talud van een dam met duiker wordt strak opgezet met: a. zoden vanuit de vaste waterbodem tot aan de bovenkant van een duiker en daarboven tot aan het maaiveld met schone grond; en b. een helling van 1:1,
  148. Een dam wordt aangevuld met droge grond of zand.
  149. Een duiker wordt verlengd met een duiker met dezelfde diameter, materiaal, type en model.
  150. De waterbodem aan weerszijden van de dam met duiker wordt over een afstand van 5 m ontdaan van slib en bagger.
  151. Een duiker die uitkomt in een hoofdwatergang wordt gelijk met het talud afgeschuind.
  152. De uiteinden van een duiker worden beschermd tegen beschadiging als gevolg van mechanisch onderhoud.
  153. Er wordt zo snel mogelijk gezorgd voor een gesloten groene grasmat op een talud van een dam met duiker. Artikel 2.64 Algemene regel wateraanvoer en waterafvoer
  154. Een duiker in een schouwsloot wordt aangelegd met een minimale breedte van 0,3 m. Als een duiker een grotere breedte nodig heeft dan 0,3 m ter voorkoming van wateroverlast of een tekort aan water dan wordt dat met een maatwerkvoorschrift bepaald.
  155. Met een maatwerkvoorschrift wordt bepaald met welke diameter een diepteligging een duiker in een hoofdwatergang wordt aangelegd.
  156. Als bij de aanleg van een duiker een oppervlaktewaterlichaam tijdelijk wordt afgedamd, worden pompen van voldoende capaciteit ingezet om de wateraanvoer en waterafvoer te garanderen.
  157. Een dam met duiker veroorzaakt geen wateroverlast of watertekort. Artikel 2.65 Algemene regel onderhoud
  158. Een dam met duiker met inbegrip van het doorstroomprofiel wordt onderhouden door degene die de activiteit verricht of zijn rechtsopvolger, behalve het doorstroomprofiel van een dam met duiker in een oppervlaktewaterlichaam dat bij het waterschap in eigendom, beheer en onderhoud is
  159. Schade aan een dam met duiker die door onderhoudswerkzaamheden van het waterschap is ontstaan, wordt hersteld door degene die de activiteit verricht of zijn rechtsopvolger. Artikel 2.66 Algemene regel vervangen, verwijderen en wijzigen
  160. Een dam met duiker wordt bij gehele of gedeeltelijke vervanging aangelegd op dezelfde plaats en met dezelfde diameter, materiaal, type en model, waarbij de te vervangen onderdelen volledig worden verwijderd.
  161. Bij het verwijderen van een dam met duiker wordt het oppervlaktewaterlichaam teruggebracht op de afmetingen volgens het oorspronkelijk profiel. Artikel 2.67 Maatwerkvoorschrift
  162. Bij maatwerkvoorschrift kan worden bepaald een dam met duiker te wijzigen of verwijderen als: a. dat noodzakelijk is voor het beheer of onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam; of b. dat anderszins in het belang is van de zorg voor het watersysteem.
  163. Het wijzigen of verwijderen gebeurt op eigen kosten van de eigenaar van de dam met duiker, tenzij dat niet billijk is. Afdeling 2.12 Dempen Artikel 2.68 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het dempen van een oppervlaktewaterlichaam in het beheergebied van waterschap Hunze en Aa's. Artikel 2.69 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. te dempen binnen het beperkingengebied hoofdwatergang; of b. te dempen binnen het beperkingengebied waterkering. Artikel 2.70 Aanwijzing algemene regels Bij het dempen van een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.71 tot en met 2.73 als het gaat om dempingen binnen het beperkingengebied dempingen. Artikel 2.71 Meldingsplicht
  164. Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit ten minste tien werkdagen en ten hoogste één jaar voor het begin ervan te melden.
  165. Bij de melding worden de volgende gegevens en/of bescheiden verstrekt: een tekening of afbeelding van de locatie van het te dempen oppervlaktewaterlichaam.
  166. Wanneer de demping op grond van artikel 2.72 gecompenseerd moet worden, worden bij de melding ook de volgende gegevens en/of bescheiden verstrekt: a. een tekening of afbeelding van de locatie van de te verbreden of nieuw te graven sloot; b. een compensatieberekening. Artikel 2.72 Algemene regel compensatie
  167. In een bebouwd gebied wordt het dempen vooraf volledig gecompenseerd in hetzelfde gebied door: a. vooraf een nieuw oppervlaktewaterlichaam te graven; of b. vooraf een bestaand oppervlaktewaterlichaam te verbreden.
  168. In een gebied waar de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) minder dan 1 m is ten opzichte van het maaiveld wordt het dempen volledig gecompenseerd in hetzelfde gebied door: a. vooraf een nieuw oppervlaktewaterlichaam te graven; of b. vooraf een bestaand oppervlaktewaterlichaam te verbreden.
  169. In een gebied waar de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) 1 m of meer is beneden het maaiveld wordt het dempen van een schouwsloot breder dan 2 m of een overig oppervlaktewaterlichaam breder dan 2 m, gemeten op de oorspronkelijke waterlijn bij winterpeil, gecompenseerd door: a. vooraf een nieuw oppervlaktewaterlichaam te graven; of b. vooraf een bestaand oppervlaktewaterlichaam te verbreden.
  170. In een natuurgebied wordt het dempen van een schouwsloot breder dan 2 m of een overig oppervlaktewaterlichaam breder dan 2 m, gemeten op de oorspronkelijke waterlijn bij winterpeil, gecompenseerd door: a. vooraf een nieuw oppervlaktewaterlichaam te graven; of b. vooraf een bestaand oppervlaktewaterlichaam te verbreden.
  171. Een oppervlaktewaterlichaam dat als compenserende waterberging is gegraven wordt niet gedempt zonder nieuwe compenserende waterberging.
  172. Compenseren gebeurt op een waterstaatkundig verantwoorde wijze, in hetzelfde peilgebied of in het aangrenzende benedenstrooms gelegen peilgebied, met behoud van een open verbinding met het watersysteem.
  173. Een compenserend oppervlaktewaterlichaam heeft ten minste hetzelfde oppervlak en hetzelfde bergingsvolume.
  174. Een oppervlaktewaterlichaam dat niet ouder is dan één jaar kan als compenserend oppervlaktewaterlichaam worden aangemerkt. Artikel 2.73 Algemene regel aanleg en constructie
  175. In een natuurgebied wordt voorkomen dat de maatgevende afvoer in de nieuwe situatie groter is dan de bestaande maatgevende afvoer.
  176. Dempen en compenseren beïnvloedt de grondwaterstand in en om een natuurgebied niet nadelig.
  177. Voorafgaand aan de demping worden slib en baggerspecie van het profiel verwijderd.
  178. Een demping wordt uitgevoerd met grond of zand vanuit één richting.
  179. Als het nodig is, wordt in het te dempen oppervlaktewaterlichaam op deugdelijke wijze een duiker aangelegd: a. van voldoende buisdiameter, maar ten minste 0,3 m; b. van voldoende kwaliteit en met de binnenonderkant op de vaste slootbodem; c. zonder bochten of knikpunten; en d. met de as van de duiker in het midden van het oppervlaktewaterlichaam.
  180. Als bij het dempen een duiker langer dan 30 m wordt aangelegd, worden goed bereikbare ontstoppingsstukken geplaatst.
  181. Bij dempen wordt het oppervlaktewaterlichaam niet afgesloten van het watersysteem.
  182. Het nieuw gegraven oppervlaktewaterlichaam wordt aangesloten op het watersysteem.
  183. Een nieuw gegraven oppervlaktewaterlichaam wordt alleen op een hoofdwatergang aangesloten: a. dat in beheer en onderhoud van het waterschap is; b. met een dam met een bovenbreedte van ten minste 5 m; en c. met een buisdiameter van ten minste 0,3 m.
  184. Er ontstaat geen verbinding tussen verschillende peilgebieden. Afdeling 2.13 Beplanting Artikel 2.74 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het plaatsen of behouden van opgaande beplanting en op het beschadigen of verwijderen van beplanting: a. in het beperkingengebied waterstaatswerk met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen; b. binnen een afstand van 200 m van molen de Biks in Onnen; en c. binnen een afstand van 200 m van de Witte Molen in Haren. Artikel 2.75 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  185. Het is verboden zonder omgevingsvergunning beplantingen te plaatsen in het beperkingengebied toekomstige ontwikkelingen.
  186. Het is verboden zonder omgevingsvergunning opgaande beplanting te plaatsen, te behouden, te beschadigen of te verwijderen in het beperkingengebied waterstaatswerk met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen.
  187. Het is verboden zonder omgevingsvergunning beplantingen hoger dan 2 m te plaatsen of hebben: a. binnen een afstand van 200 m van molen de Biks in Onnen; of b. binnen een afstand van 200 m van de Witte Molen in Haren. Afdeling 2.14 Werken plaatsen Artikel 2.76 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het plaatsen van werken, anders dan bedoeld in de afdelingen 2.2 tot en met 2.13: a. in het beperkingengebied waterstaatswerk met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen; b. binnen een afstand van 200 m van molen de Biks in Onnen; en c. binnen een afstand van 200 m van de Witte Molen in Haren. Artikel 2.77 Vergunningplicht beperkingengebied waterstaatswerk
  188. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een werk te plaatsen in het beperkingengebied toekomstige ontwikkelingen.
  189. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een werk te plaatsen, te behouden of te verwijderen in het beperkingengebied waterstaatswerk met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen.
  190. Het is verboden zonder omgevingsvergunning oeverbescherming te beschadigen of te verwijderen in het beperkingengebied waterstaatswerk met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen.
  191. Het is verboden zonder omgevingsvergunning werken hoger dan 2 m te plaatsen of te hebben: a. binnen een afstand van 200 m van molen de Biks in Onnen; of b. binnen een afstand van 200 m van de Witte Molen in Haren. Afdeling 2.15 Overige activiteiten bij waterstaatswerken Artikel 2.78 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van activiteiten, anders dan bedoeld in de afdelingen 2.2 tot en met 2.14 in het beheergebied van waterschap Hunze en Aa's. Artikel 2.79 Vergunningplicht schepen
  192. Het is verboden zonder omgevingsvergunning met een schip een ligplaats in te nemen op andere dan daartoe ingerichte plaatsen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen.
  193. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een schip onbeheerd te laten drijven in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen. Artikel 2.80 Vergunningplicht waterpeil Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen de waterstand op een peil te brengen of te houden, anders dan het peil dat daarvoor in het peilbesluit is opgenomen of dat normaal wordt aangehouden. Artikel 2.81 Vergunningplicht waterstaatswerk
  194. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstaatswerk met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen: a. werkzaamheden te verrichten; b. vaste stoffen, voorwerpen of dieren te brengen, te hebben of te houden; c. activiteiten te houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen; d. bemesting toe te passen; e. zich als niet-rechthebbende te bevinden, als dat is aangegeven; of f. vistuig, anders dan sportvistuig, te plaatsen.
  195. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstaatswerk met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen, buiten openbare verharde wegen en openbare zandwegen: a. met een rijtuig of voertuig te rijden; b. met een lastdier of rijdier te rijden; of c. vee te drijven. Artikel 2.82 Vergunningplicht hoofdwatergang en waterkering Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied hoofdwatergang en het beperkingengebied waterkering: a. werken te plaatsen of te behouden; b. afgravingen en seismische onderzoeken te verrichten; c. explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te plaatsen en te hebben; d. boringen te verrichten; of e. ploegvoren open te laten binnen 0,5 m uit het onderhoudspad of de insteek. Hoofdstuk 3 Lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk Afdeling 3.1 Algemeen Artikel 3.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, in het beheergebied van waterschap Hunze en Aa's zonder het Zeehavenkanaal. Artikel 3.2 Oogmerken
  196. De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; b. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en c. het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk. Artikel 3.3 Specifieke zorgplicht
  197. Degene die een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.2, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
  198. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. de beste beschikbare technieken worden toegepast; c. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; e. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd; f. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd. Artikel 3.4 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 3.5 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  199. Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 3.4, wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
  200. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Artikel 3.6 Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap
  201. Op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit.
  202. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 3.7 Analysemethode afvalwater RWZI’s In afwijking van artikel 4.608a van het Bal zal voor het afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam vanuit de rioolwaterzuiveringsinstallaties in ons beheergebied, de emissiegrenswaarde voor chemisch zuurstofverbruik (CZV) gelijkgesteld worden aan drie keer de gemeten waarde van totaal organisch koolstof (TOC). Voor de analyse van TOC wordt gebruik gemaakt van NEN ISO
  203. Artikel 3.8 Informeren over een ongewoon voorval
  204. Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
  205. Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen. Artikel 3.9 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  206. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
  207. Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen. Afdeling 3.2 Lozen van grondwater bij saneringen of ontwatering Artikel 3.10 Lozen van grondwater bij saneringen
  208. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
  209. Voor het lozen van dat grondwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.1, gemeten in een steekmonster. Tabel 3.1 Emissiegrenswaarden bij lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK’s 1 μg/l BTEX 50 μg/l Vluchtige organohalogeen- verbindingen uitgedrukt als chloor 20 μg/l Aromatische organohalogeen- verbindingen 20 μg/l Minerale olie 500 μg/l Cadmium 4 μg/l Kwik 1 μg/l Koper 11 μg/l Nikkel 41 μg/l Lood 53 μg/l Zink 120 μg/l Chroom 24 μg/l Onopgeloste stoffen 50 mg/l
  210. Voor het lozen van dat grondwater in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.2, gemeten in een steekmonster. Tabel 3.2 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK’s 1 μg/l Minerale olie 50 μg/l Cadmium 0,4 μg/l Kwik 0,1 μg/l Koper 1,1 μg/l Nikkel 4,1 μg/l Lood 5,3 μg/l Zink 12 μg/l Chroom 2,4 μg/l Onopgeloste stoffen 20 mg/l Benzeen 2 μg/l Tolueen 7 μg/l Ethylbenzeen 4 μg/l Xyleen 4 μg/l Tetrachlooretheen 3 μg/l Trichlooretheen 20 μg/l 1,2-dichlooretheen 20 μg/l 1,1,1-trichloorethaan 20 μg/l Vinylchloride 8 μg/l Som van de vijf hier bovenstaande stoffen 20 μg/l Monochloorbenzeen 7 μg/l Dichloorbenzenen 3 μg/l Trichloorbenzenen 1 μg/l Artikel 3.11 Lozen van grondwater bij ontwatering
  211. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat grondwater: a. niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering; en b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.
  212. Voor het te lozen grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster.
  213. Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen. Artikel 3.12 Meet- en rekenbepalingen
  214. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
  215. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
  216. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN- EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN- ISO 15587-2; f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN
  217. Artikel 3.13 Gegevens en bescheiden
  218. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 3.10 en 3.11, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  219. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
  220. Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater bij ontwatering, als: a. het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of b. het lozen plaatsvindt bij wonen.
  221. In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken. Afdeling 3.3 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening Artikel 3.14 Lozen van afvloeiend hemelwater
  222. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat hemelwater: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en c. geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.
  223. In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.
  224. In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is. Artikel 3.15 Gegevens en bescheiden
  225. Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
  226. Ten minste zes maanden voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 3.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater Artikel 3.16 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  227. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater alleen op een oppervlaktewaterlichaam geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan: a. 40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; b. 100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten; c. 600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten; d. 1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en e. 3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.
  228. De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
  229. In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
  230. In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Artikel 3.17 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  231. Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.
  232. Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 3.
  233. Tabel 3.3 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 30 mg/l 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 150 mg/l 300 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l
  234. Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 3.
  235. Tabel 3.4 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 20 mg/l 40 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 100 mg/l 200 mg/l Totaal stikstof 30 mg/l 60 mg/l Ammoniumstikstof 2 mg/l 4 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l Fosfor totaal 3 mg/l 6 mg/l
  236. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid: a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
  237. Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Artikel 3.18 Meet- en rekenbepalingen
  238. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
  239. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
  240. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; d. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; e. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en f. voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-
  241. Artikel 3.19 Gegevens en bescheiden
  242. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 3.16, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; b. de wijze van behandeling van het afvalwater; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  243. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
  244. Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Afdeling 3.5 Lozen van koelwater Artikel 3.20 Koelwater
  245. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
  246. Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.
  247. De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 1000 kJ/s bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam.
  248. De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 10 kJ/s bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.21 Gegevens en bescheiden
  249. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 3.20, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de maximale warmtevracht; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  250. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 3.6 Lozen bij reiniging, conserveren, bouwen, renoveren, of slopen van bouwwerken Artikel 3.22 Bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, tenzij het gaat om: a. afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of b. afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar. Artikel 3.23 Werkinstructie bij reinigen en conserveren
  251. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken: a. is een werkinstructie opgesteld; en b. wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
  252. In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen: a. welke technieken worden toegepast; b. welke stoffen kunnen vrijkomen; en c. welke stoffen worden gebruikt.
  253. Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen: a. op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd; b. wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is; c. of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft; d. op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en e. welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s. Artikel 3.24 Werkinstructie bij bouwen en slopen Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en b. welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen. Artikel 3.25 Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam Met het oog op het voorkomen of beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting. Artikel 3.26 Meet- en rekenbepalingen Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing. Artikel 3.27 Gegevens en bescheiden
  254. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 3.22 tot en met 3.24, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 3.23; of b. voor het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 3.
  255. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
  256. Het eerste en tweede lid gelden niet voor reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd. Afdeling 3.7 Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen Artikel 3.28 Inerte goederen Voor de toepassing van deze afdeling worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas. Artikel 3.29 Lozen bij opslaan van inerte goederen Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.30 Lozen bij overslaan van inerte goederen
  257. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
  258. Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.
  259. Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of b. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.
  260. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij wonen. Afdeling 3.8 Lozen bij opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen Artikel 3.31 Lozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen
  261. In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen, worden geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
  262. Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.5, gemeten in een steekmonster. Tabel 3.5 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink 1 mg/l Minerale olie 20 mg/l Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 50 μg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Som van stikstofverbindingen 10 mg/l Som van fosforverbindingen 2 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l Artikel 3.32 Meet- en rekenbepalingen
  263. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
  264. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
  265. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2; d. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN- EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN- ISO 15587-2; e. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; f. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; g. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; h. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en i. voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-
  266. Artikel 3.33 Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen
  267. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam bij: a. het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen; b. het overslaan van zout voor het strooien op wegen; c. het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en d. het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.
  268. Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.
  269. Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of b. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep. Artikel 3.34 Gegevens en bescheiden
  270. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 3.31 en 3.33, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  271. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
  272. Dit artikel is niet van toepassing op het overslaan van: a. zout voor het strooien op wegen; b. niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en c. niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk. Afdeling 3.9 Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzamelen en transport van afvalwater Artikel 3.35 Lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd. Artikel 3.36 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd. Afdeling 3.10 Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam Artikel 3.37 Lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.38 Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. de toe te passen baggertechniek, en b. de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze. Artikel 3.39 Lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan bedoeld in artikel 3.37 op een oppervlaktewaterlichaam en worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer, worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.40 Lozen van algen en bacteriën Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op een ander oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.41 Gegevens en bescheiden
  273. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 3.37, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem; b. als de waterbodem de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 29, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 3.38; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  274. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
  275. Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door de beheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet. Afdeling 3.11 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen Artikel 3.42 Lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen
  276. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
  277. Aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd. Afdeling 3.12 Lozen bij calamiteitenoefeningen Artikel 3.43 Lozen bij calamiteitenoefeningen Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Artikel 3.44 Gegevens en bescheiden Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 3.43, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt; en b. welke stoffen dat blusschuim bevat. Afdeling 3.13 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen Artikel 3.45 Lozen vanuit andere gebouwen dan een kas
  278. In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.
  279. Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.6, gemeten in een steekmonster. Tabel 3.6 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l
  280. De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
  281. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 3.46 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  282. In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk, waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.
  283. Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster.
  284. De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
  285. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 3.47 Lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen
  286. In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
  287. Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.7, gemeten in een steekmonster. Tabel 3.7 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l Artikel 3.48 Lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars
  288. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
  289. Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.8, gemeten in een steekmonster. Tabel 3.8 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Chloride 200 mg/l IJzer 2 mg/l
  290. De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing. Artikel 3.49 Lozen bij ontijzeren grondwater
  291. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.
  292. Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.
  293. De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
  294. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 3.50 Meet- en rekenbepalingen
  295. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
  296. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
  297. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; b. onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; c. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; d. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en e. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-
  298. Artikel 3.51 Gegevens en bescheiden
  299. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 3.45 tot en met 3.49, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  300. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 3.14 Lozen bij maken van betonmortel en uitwassen van beton Artikel 3.52 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute Als in het omgevingsplan voor afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in die artikelen, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route. Afdeling 3.15 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding Artikel 3.53 Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving Deze afdeling is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Artikel 3.54 Lozen bereiden van voedingsmiddelen
  301. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het bereiden plaatsvindt met: a. grootkeukenapparatuur; b. één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of c. één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kilowatt.
  302. Het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten. Artikel 3.55 Gegevens en bescheiden
  303. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 3.54, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  304. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 3.16 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers Artikel 3.56 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.57 Gegevens en bescheiden
  305. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 3.56, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  306. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 3.17 Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind Artikel 3.58 Lozen van spoelwater Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen de volgende afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; en b. afvalwater dat vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind. Afdeling 3.18 Asverstrooiing Artikel 3.59 Asverstrooiing Het op een oppervlaktewaterlichaam individueel verstrooien van as door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, is toegestaan. Afdeling 3.19 Andere lozingen Artikel 3.60 Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater
  307. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen of warmte worden geloosd.
  308. Het verbod geldt niet voor: a. het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het lozen, bedoeld in de afdelingen 3.2 tot en met 3.18; c. het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en d. het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen. Artikel 3.61 Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk
  309. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten.
  310. Het verbod geldt niet voor het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Afdeling 3.20 Aanvraagvereisten, beoordelingsregels en voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit Artikel 3.62 Aanvraagvereisten aanvraag omgevingsvergunning lozingsactiviteit Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het debiet in kubieke meters per uur van het te lozen afvalwater; b. de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden; c. een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt; d. een riooltekening; e. de locaties van de lozingspunten; f. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan; g. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken; h. een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; i. de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd; j. de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; k. de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en l. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd. Artikel 3.63 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.64 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk 4 Activiteiten met grondwater Afdeling 4.1 Algemene bepalingen Artikel 4.1 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater en het in samenhang met de onttrekking infiltreren van grondwater in het beheergebied van waterschap Hunze en Aa's. Artikel 4.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put; d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; e. de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; h. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; i. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en j. als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:
  311. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;
  312. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;
  313. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;
  314. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en
  315. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken. Artikel 4.3 Voorschriften omgevingsvergunning infiltratie van water Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.94 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.4 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit
  316. Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
  317. Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.5 Gegevens bij een melding
  318. Een melding op grond van de afdelingen 4.2 tot en met 4.7 bevat: a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put; d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; e. de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meter per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; h. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en i. als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:
  319. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;
  320. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;
  321. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;
  322. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en
  323. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem te voorkomen of te beperken.
  324. Het eerste lid geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 4.6 Meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water
  325. Degene die grondwater onttrekt door een daarvoor bedoelde voorziening of water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.
  326. Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het bestuur in de voorschriften van de omgevingsvergunning of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.
  327. Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in tabel 4.1 opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie. Tabel 4.1 Parameters en meetfrequentie Parameter Afkorting Frequentie bacteriën van de coligroep vierwekelijks Kleur vierwekelijks zwevende stof SS vierwekelijks geleidingsvermogen voor elektriciteit vierwekelijks temperatuur T vierwekelijks zuurgraad pH vierwekelijks opgelost zuurstof O2 vierwekelijks totaal organisch koolstof TOC vierwekelijks bicarbonaat HCO3 vierwekelijks nitriet NO2 vierwekelijks nitraat NO3 vierwekelijks ammonium NH4 vierwekelijks totaal fosfaat Totaal P vierwekelijks fluoride F driemaandelijks chloride Cl vierwekelijks sulfaat SO4 driemaandelijks natrium Na driemaandelijks ijzer Fe driemaandelijks mangaan Mn driemaandelijks chroom Cr driemaandelijks lood Pb driemaandelijks koper Cu driemaandelijks zink Zn driemaandelijks cadmium Ca driemaandelijks arseen As driemaandelijks cyanide CN driemaandelijks minerale olie vierwekelijks adsorbeerbaar organisch halogeen AOX vierwekelijks vluchtig organisch gebonden chloor VOC vierwekelijks vluchtige aromaten vierwekelijks polycyclische aromaten PAK driemaandelijks fenolen driemaandelijks
  328. Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het bestuur de volgende gegevens verstrekt: a. de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; en b. de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.
  329. De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling.
  330. Het eerste tot en met vijfde lid gelden niet: a. voor zover dat in de afdeling 4.2 tot en met 4.7 is bepaald; of b. voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Afdeling 4.2 Bronbemaling Artikel 4.7 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor bronbemaling in het beheergebied van waterschap Hunze en Aa's. Artikel 4.8 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bronbemaling als: a. er meer dan 5.000 m3 grondwater per dag wordt onttrokken in de eerste vijf dagen; b. er meer dan 3.000 m3 grondwater per dag wordt onttrokken in de dagen daaropvolgend; c. er meer dan 50.000 m3 grondwater per aaneengesloten periode van dertig dagen wordt onttrokken; d. er meer dan 200.000 m3 grondwater per zes maanden wordt onttrokken; of e. er langer dan zes maanden grondwater wordt onttrokken. Artikel 4.9 Aanwijzing algemene regels
  331. Bij het onttrekken van grondwater voor bronbemaling wordt voldaan aan de artikel 4.10 en 4.11 als: a. er minder dan 5.000 m3 grondwater per dag wordt onttrokken in de eerste vijf dagen; b. er minder dan 3.000 m3 grondwater per dag wordt onttrokken in de dagen daaropvolgend; c. er minder dan 50.000 m3 grondwater per aaneengesloten periode van dertig dagen wordt onttrokken; d. er minder dan 200.000 m3 grondwater per zes maanden wordt onttrokken; en e. niet langer dan zes maanden grondwater wordt onttrokken
  332. Dit artikel geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor bronbemaling als: a. er minder dan 10 m3 grondwater per uur wordt onttrokken; en b. er minder dan 5.000 m3 grondwater per kwartaal wordt onttrokken. Artikel 4.10 Meldingsplicht
  333. Het is verboden de activiteit uit te voeren zonder het ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
  334. Een melding bevat de gegevens, bedoeld in artikel 4.
  335. Artikel 4.11 Algemene regel bronbemaling
  336. Lagen die slecht water doorlaten worden met klei afgedicht bij het boren van de put.
  337. Na afloop van de werkzaamheden worden putten afgedicht.
  338. De grondwaterstand of de potentiaal voor waterbouwkundige, bouwkundige of civieltechnische werken worden niet meer dat 0,5 m onder het kritische punt van de bouwput verlaagd.
  339. Voor aanvang van de onttrekking wordt overleg gevoerd met het bestuur over de gevolgen van de onttrekking voor de aanwezige bodemverontreiniging en grondwaterverontreiniging. Artikel 4.12 Maatwerkvoorschriften Bij maatwerkvoorschrift kan worden bepaald hoe een put wordt afgedicht na afloop van de werkzaamheden. Afdeling 4.3 Proeven Artikel 4.13 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor proeven in het beheergebied van waterschap Hunze en Aa's. Artikel 4.14 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor proeven als: a. er meer dan 5.000 m3 grondwater per dag wordt onttrokken in de eerste vijf dagen; b. er meer dan 3.000 m3 grondwater per dag wordt onttrokken in de dagen daaropvolgend; c. er meer dan 50.000 m3 grondwater per aaneengesloten periode van dertig dagen wordt onttrokken; d. er meer dan 200.000 m3 grondwater per zes maanden wordt onttrokken; of e. er langer dan zes maanden grondwater wordt onttrokken. Artikel 4.15 Aanwijzing algemene regels
  340. Bij het onttrekken van grondwater voor proeven wordt voldaan aan de artikelen 4.16 en 4.17 als: a. er minder dan 5.000 m3 grondwater per dag wordt onttrokken in de eerste vijf dagen; b. er minder dan 3.000 m3 grondwater per dag wordt onttrokken in de dagen daaropvolgend; c. er minder dan 50.000 m3 grondwater per aaneengesloten periode van dertig dagen wordt onttrokken; d. er minder dan 200.000 m3 grondwater per zes maanden wordt onttrokken; en e. niet langer dan zes maanden grondwater wordt onttrokken.
  341. Dit artikel geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor proeven als: a. er minder dan 10 m3 grondwater per uur wordt onttrokken; en b. er minder dan 5.000 m3 grondwater per kwartaal wordt onttrokken. Artikel 4.16 Meldingsplicht
  342. Het is verboden de activiteit uit te voeren zonder het ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
  343. Een melding bevat de gegevens, bedoeld in artikel 4.
  344. Artikel 4.17 Algemene regel proeven
  345. Lagen die slecht water doorlaten, worden met klei afgedicht bij het boren van de put.
  346. Na afloop van de werkzaamheden worden putten afgedicht.
  347. De grondwaterstand of het potentiaal worden voor waterbouwkundige, bouwkundige of civieltechnische werken niet meer dat 0,5 m onder het kritische punt van de bouwput verlaagd.
  348. Voor aanvang van de onttrekking wordt overleg gevoerd met het bestuur over de gevolgen van de onttrekking voor de aanwezige bodemverontreiniging en grondwaterverontreiniging. Artikel 4.18 Maatwerkvoorschriften Bij maatwerkvoorschrift kan worden bepaald hoe een put wordt afgedicht na afloop van de werkzaamheden. Afdeling 4.4 Grondsanering Artikel 4.19 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op grondwateronttrekkingen voor grondsanering in het beheergebied van waterschap Hunze en Aa's. Artikel 4.20 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor grondsanering als: a. er meer dan 5.000 m3 grondwater per dag wordt onttrokken in de eerste vijf dagen; b. er meer dan 3.000 m3 grondwater per dag wordt onttrokken in de dagen daaropvolgend; c. er meer dan 50.000 m3 grondwater per aaneengesloten periode van dertig dagen wordt onttrokken; d. er meer dan 200.000 m3 grondwater per zes maanden wordt onttrokken; of e. er langer dan zes maanden grondwater wordt onttrokken. Artikel 4.21 Aanwijzing algemene regels
  349. Bij het onttrekken van grondwater voor grondsanering wordt voldaan aan de artikelen 4.22 en 4.23 als: a. er minder dan 5.000 m3 grondwater per dag wordt onttrokken in de eerste vijf dagen; b. er minder dan 3.000 m3 grondwater per dag wordt onttrokken in de dagen daaropvolgend; c. er minder dan 50.000 m3 grondwater per aaneengesloten periode van dertig dagen wordt onttrokken; d. er minder dan 200.000 m3 grondwater per zes maanden wordt onttrokken; en e. niet langer dan zes maanden grondwater wordt onttrokken.
  350. Dit artikel geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor grondsanering als: a. er minder dan 10 m3 grondwater per uur wordt onttrokken; en b. er minder dan 5.000 m3 grondwater per kwartaal wordt onttrokken. Artikel 4.22 Meldingsplicht
  351. Het is verboden de activiteit uit te voeren zonder het ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
  352. Een melding bevat de gegevens, bedoeld in artikel 4.
  353. Artikel 4.23 Algemene regel grondsanering
  354. Lagen die slecht water doorlaten, worden met klei afgedicht bij het boren van de put.
  355. Na afloop van de werkzaamheden worden putten afgedicht.
  356. De grondwaterstand of het potentiaal worden voor waterbouwkundige, bouwkundige of civieltechnische werken niet meer dat 0,5 m onder het kritische punt van de bouwput verlaagd.
  357. Voor aanvang van de onttrekking wordt overleg gevoerd met het bestuur over de gevolgen van de onttrekking voor de aanwezige bodemverontreiniging en grondwaterverontreiniging. Artikel 4.24 Maatwerkvoorschriften Bij maatwerkvoorschrift kan worden bepaald hoe een put wordt afgedicht na afloop van de werkzaamheden. Afdeling 4.5 Grondwatersanering Artikel 4.25 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op grondwateronttrekkingen voor grondwatersanering in het beheergebied van waterschap Hunze en Aa's. Artikel 4.26 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor grondwatersanering als: a. er meer dan 50.000 m3 grondwater per aaneengesloten periode van dertig dagen wordt onttrokken; of b. er meer dan 200.000 m3 grondwater per jaar wordt onttrokken. Artikel 4.27 Aanwijzing algemene regels
  358. Bij het onttrekken van grondwater voor grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 4.28 en artikel 4.29 als: a. er minder dan 50.000 m3 grondwater per aaneengesloten periode van dertig dagen wordt onttrokken; en b. er minder dan 200.000 m3 grondwater per jaar wordt onttrokken.
  359. Dit artikel geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor grondwatersanering als: a. er minder dan 10 m3 grondwater per uur wordt onttrokken; en b. er minder dan 5.000 m3 grondwater per kwartaal wordt onttrokken. Artikel 4.28 Meldingsplicht
  360. Het is verboden de activiteit uit te voeren zonder het ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
  361. Een melding bevat de gegevens, bedoeld in artikel 4.
  362. Artikel 4.29 Algemene regel grondwatersanering
  363. Lagen die slecht water doorlaten, worden met klei afgedicht bij het boren van de put.
  364. Voor aanvang van de onttrekking wordt overleg gevoerd met het bestuur over de gevolgen van de onttrekking voor de aanwezige bodemverontreiniging en grondwaterverontreiniging.
  365. Bij grondwateronttrekkingen in grondwaterdeelgebied 1 wordt van 1 april tot 1 september het gezuiverde grondwater op dezelfde diepte als het is onttrokken in de grond teruggebracht, als de onttrekking meer is dan 10.000 m3 per maand.
  366. Na afloop van de werkzaamheden worden putten afgedicht. Artikel 4.30 Maatwerkvoorschriften Bij maatwerkvoorschrift kan worden bepaald hoe een put wordt afgedicht na afloop van de werkzaamheden. Afdeling 4.6 Beregening en bevloeiing Artikel 4.31 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op grondwateronttrekkingen voor beregening en bevloeiing in het beheergebied van waterschap Hunze en Aa's. Artikel 4.32 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  367. Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in grondwaterdeelgebied 1, als er: a. meer dan 10 m3 grondwater per uur wordt onttrokken voor beregening en bevloeiing en de grondwateronttrekking nog niet bestond op 1 april 1994 en nog niet als zodanig bekend en geregistreerd was bij de provincie Drenthe en het grondwater niet wordt onttrokken voor beregening en bevloeiing van hoogsalderende gewassen en vollegrondse tuinbouw; b. meer dan 60 m3 grondwater per uur wordt onttrokken voor beregening en bevloeiing en de grondwateronttrekking al bestond op 1 april 1994 en als zodanig bekend en geregistreerd was bij de provincie Drenthe; of c. meer dan 60 m3 grondwater per uur wordt onttrokken voor beregening en bevloeiing van hoogsalderende gewassen en vollegrondse tuinbouw.
  368. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in grondwaterdeelgebied 2: a. meer dan 60 m3 grondwater per uur te onttrekken; of b. tussen de 10 m3 en 60 m3 grondwater per uur te onttrekken als er voldoende oppervlaktewater van geschikte kwaliteit beschikbaar is.
  369. Het is verboden zonder omgevingsvergunning meer dan 150 m3 grondwater per uur te onttrekken in grondwaterdeelgebied
  370. Artikel 4.33 Aanwijzing algemene regels
  371. Bij het onttrekken van grondwater voor beregening en bevloeiing wordt voldaan aan de artikelen 4.34 tot en met 4.36, als: a. minder dan 60 m3 grondwater per uur wordt onttrokken in grondwaterdeelgebied 1; en
  372. de grondwateronttrekking al bestond op 1 april 1994 en bekend en geregistreerd was bij de provincie Drenthe; of
  373. de grondwateronttrekking bestemd is voor hoogsalderende gewassen en vollegrondstuinbouw; b. minder dan 60 m3 grondwater per uur wordt onttrokken in grondwaterdeelgebied 2, als niet voldoende oppervlaktewater van geschikte kwaliteit beschikbaar is voor beregening en bevloeiing; of c. minder dan 150 m3 grondwater per uur wordt onttrokken in grondwaterdeelgebied
  374. Dit artikel geldt niet als er voor beregening en bevloeiing minder dan 10 m3 grondwater per uur wordt onttrokken. Artikel 4.34 Meldingsplicht
  375. Het is verboden de activiteit uit te voeren zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden.
  376. Een melding bevat de gegevens, bedoeld in artikel 4.
  377. Artikel 4.35 Algemene regel beregening en bevloeiing
  378. Voor beregening van akkerbouwgrond en grasland wordt per jaar maximaal 1.500 m3 grondwater onttrokken per hectare.
  379. In grondwaterdeelgebied 3 is de afstand tussen de put en stenen gebouwen meer dan 400 m.
  380. Het slaan van putten vindt plaats door een erkend boorbedrijf.
  381. Na afloop van de werkzaamheden worden putten afgedicht. Artikel 4.36 Algemene regel filterdiepte
  382. In filterdieptegebied 1 wordt het filter dieper dan 15 m onder het maaiveld gelegd.
  383. In filterdieptegebied 2 wordt het filter dieper dan 30 m onder het maaiveld gelegd.
  384. In filterdieptegebied 3 wordt het filter dieper dan 45 m onder het maaiveld gelegd.
  385. In filterdieptegebied 4 wordt het filter dieper dan 60 m onder het maaiveld gelegd. Artikel 4.37 Maatwerkvoorschriften Bij maatwerkvoorschrift kan worden bepaald hoe een put wordt afgedicht na afloop van de werkzaamheden. Afdeling 4.7 Overige grondwateronttrekkingen Artikel 4.38 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op grondwateronttrekkingen in het beheergebied van watersc

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.