is opgenomen kan het pand worden voorzien van een vergunning als bedoeld in hoofdstuk 6a (gebruiksvergunning voor kamerverhuurpanden en kamerverkooppanden) van de Bouwverordening van de Gemeente Leeuwarden. Deze vergunning stelt technische eisen met betrekking tot de gezondheid, reinheid, hygiëne en brandveiligheid van het pand. Daarnaast worden gebruikseisen gesteld. Paragraaf 1 Kamerverhuur- en kamerverkooppandBegripsbepalingen kamerverhuurpand, kamerverkooppandKamerverhuur- en kamerverkooppanden komen in vele soorten en maten voor. Een pand wordt aangemerkt als
wanneer deze wordt bewoond, of bewoond gaat worden, door drie of meer alleenstaanden. Ongeacht de grootte hebben kamerverhuur- en kamerverkooppanden de volgende kenmerken: De aard van het verblijf; Er wordt permanent gewoond. Als gevolg van de permanente bewoning staan de bewoners meestal ingeschreven in de Gemeenschappelijke Basisadministratie op het adres van het kamerverhuurpand, of behoren zij daar te worden ingeschreven. Maatgevend is dit echter niet. De aard van de inrichting en gebruik; Elke bewoner heeft de beschikking over een privé-domein van één of meerdere ruimten. Daarbij maakt elke bewoner meestal gebruik van gemeenschappelijke voorzieningen, zoals toilet-/badruimte, keuken e.d. De aard van de bewoning; De bewoners leven niet in gezinsverband. Voor elke bewoner of groep van bewoners is sprake van een apart huurcontract, een onderhuursituatie of een andere civielrechtelijke overeenkomst dan wel onderlinge verhouding op grond waarvan de bewoner (bewoners) het exclusieve gebruiksrecht van één of meerdere ruimten heeft (hebben). Een kamer bestaat uit één of meerdere ruimten die het privé-domein zijn van één bewoner. De kamer is daardoor vergelijkbaar met een kleine woning. Bij het beoordelen van wat het privé-domein van een bewoner is, is met name de aard van het gebruik en de inrichting van de ruimten maatgevend. Meestal is sprake van een zit-slaapsituatie. Daar waar in het kamerverhuur- en kamerverkooppanden meer dan 10 alleenstaanden gehuisvest kunnen Worden, worden er extra eisen gesteld. Deze panden moeten dan worden voorzien van een ontruimingsinstallatie en er moet een beheersplan worden opgesteld. Paragraaf 2 Artikelsgewijze toelichtingHuisvestingsverordeningIn deze toelichting wordt niet ieder artikel uitvoerig besproken. De belangrijkste bepalingen en artikelen staan hier aangegeven. Artikel 1.1 BegripsbepalingenOnder f. en h. worden zelfstandige en onzelfstandige woonruimte gedefinieerd. Deze definities zijn opgenomen om een grens te kunnen trekken tussen onzelfstandige woonruimte (die wel onder de werking van de verordening valt) en voor inwoning bestemde woonruimte (die niet onder de verordening valt.) Dit heeft tot gevolg dat woningen die in hun geheel kamergewijs worden verhuurd onder de vergunningplicht vallen. Nieuw in de begripsbepalingen is de omschrijving van een gemeenschappelijke duurzame huishouding: een groep personen welke van aanvang bestaat uit dezelfde personen, er geen sprake is van een vooraf vaststaande tijdelijkheid en een redelijke termijn van samenwonen is gebleken Deze omschrijving vloeit voort uit jurisprudentie over een tweetal gerechtelijke procedures die in Leeuwarden hebben gespeeld. Doel van deze begripsbepaling is duidelijkheid te bieden in het verschil tussen, bijvoorbeeld vier alleenstaanden en een samenwoningsverband gelijk aan een huwelijk en/of geregistreerd partnerschap. Wil er sprake zijn van een duurzame gemeenschappelijk huishouding moet het gaan om een van af het begin uit dezelfde personen bestaande groep die de intentie hebben om een onbepaalde, lange tijd een huishouding te voeren. Dit moet dan ook blijken uit het feit dat men al een redelijke termijn als groep heeft samengewoond. Indien in de loop van de tijd wisselingen in de samenstelling van de groep plaatsvinden dan kan niet meer worden gesproken van een van het begin af dezelfde groep personen. Vier alleenstaande die een pand betrekken voor, bijvoorbeeld de duur van de studie, kan ook niet aangemerkt worden als een gemeenschappelijke huishouding, immers de duur van de samenwoning staat bij voorbaat vast. Onder j. wordt de term gemeenschappelijke voorzieningen gedefinieerd. Gemeenschappelijke voorzieningen zijn bedoeld voor gemeenschappelijk gebruik door de bewoners van het kamerverhuur of kamerverkooppand. Artikel 2.1.1 WerkingsgebiedOp het hele grondgebied van de Gemeente Leeuwarden is voor gebouwen, waarin gewoond wordt, een splitsingsvergunning voorgeschreven. Gedachte hierachter is dat de praktijk hier voldoende zal filteren; er zullen geen splitsingsvergunningen worden gevraagd voor gebouwen, die zich daar niet toe lenen. Geen splitsingsvergunning is vereist voor het splitsen van andere gebouwen. Niet-woongebouwen zullen immers naast juridische splitsing ook fysieke ingrepen behoeven voordat ze voor bewoning geschikt zijn. Zowel de functiewijziging als de verbouwing wordt dan getoetst aan o.a. planologische aanvaardbaarheid. Deze toetsing maakt dan al een regulering van gebruik door de gemeente mogelijk. Artikel 2.1.2 Vergunningsvereiste (splitsing)Het eerste lid maakt duidelijk dat “splitsing” vooral een juridische ingreep is. Zo kan bijvoorbeeld het eigendomsrecht van een verhuurder op een appartementsgebouw worden gesplitst in appartementsrechten. Gevolg is dat iedere “flat” juridisch gesproken voorwerp van een appartementsrecht wordt en daardoor zelfstandig verhandelbaar. Op het moment van splitsing gebeurt er fysiek helemaal niets; de oorspronkelijke eigenaar wordt nu rechthebbende op een verzameling appartementsrechten. In het tweede lid wordt een andere constructie, die wordt gebruikt voor het juridisch splitsen, vergunningplichtig gemaakt. Om een voorbeeld te geven. Dezelfde eigenaar draagt zijn gebouw over aan een coöperatieve vereniging, die statutair evenveel leden kent als er “flats” zijn. Het lidmaatschap impliceert dan dat het lid de exclusieve bevoegdheid heeft om een flat te bewonen. Overdracht van het lidmaatschap impliceert dan overdracht van dat woonrecht aan het nieuwe lid. Artikel 2.1.4 Gronden tot weigering van een splitsingsvergunningIn dit artikel wordt aangegeven op welke gronden een vergunning kan worden geweigerd. In de eerste plaats zullen burgemeester en wethouders afwegen of het wenselijk is door splitsing de mogelijkheid te scheppen dat woningen aan de huurvoorraad worden onttrokken. Splitsing maakt de verhandeling van losse appartementen mogelijk; daarmee is dan tevens de mogelijkheid gecreëerd om huurwoningen om te zetten in koopwoningen. Uiteraard dienen burgemeester en wethouders daarbij na te gaan of de ligging van het te splitsen complex en eventuele schaarste van huurwoningen daarin reden tot weigering van de vergunning kunnen zijn. Om voldoende “goedkope” huurwoningen te behouden voor de huurmarkt kunnen aanvragen waarbij de huurprijs lager ligt dan de bedragen genoemd in artikel 13, eerste lid, onder a van de Huursubsidiewet worden geweigerd. Een andere belangrijke weigeringsgrond ligt in de staat van onderhoud van het te splitsen gebouw. Een gebouw mag slechts worden gesplitst als het op moment van aanvraag van de vergunning bouwkundig en uit onderhoudsoogpunt aan redelijkerwijs te stellen eisen voldoet. Dit is opgenomen om uitponding tegen te gaan. Zodat gebouwen aan het eind van hun exploitatie-periode niet zonder groot onderhoud worden verkocht en nieuwe verenigingen van eigenaren voor grote kosten komen te staan. Artikel 2.2.2 Vergunningsvereiste (omzetting)In dit artikel wordt bepaald dat zelfstandige woonruimten niet mogen worden omgezet in onzelfstandige woonruimten zonder vergunning van burgemeester en wethouders. Een zelfstandige woonruimte is een volledige woonvoorziening, terwijl bij een onzelfstandige woonruimte er gemeenschappelijk gebruik van basisvoorzieningen als toilet etc. bestaat. Kenmerkend voor een onzelfstandige woonruimte is dat het niet over een eigen toegang beschikt. Artikel 2.2.4 Gronden tot weigering van een omzettingsvergunningIn dit artikel wordt aangegeven op welke gronden een vergunning kan worden geweigerd. Net als bij splitsing dienen burgemeester en wethouders het belang dat de aanvrager heeft af te wegen tegen het behoud van de woonruimte voorraad. Daarnaast weigeren burgemeester en wethouders een omzettingsvergunning wanneer de concentratie van kamerverhuur- en kamerverkooppanden in een straat binnen dezelfde postcode boven 10% komt of wanneer de aanvraag betrekking heeft op een pand dat minder dan twee panden is verwijderd van een bestaand
of van een pand waarvoor een aanvraag tot registratie of omzettingsvergunning is ingediend, dit om te voorkomen dat een pand door twee kamerhuur- en/of kamerverkooppanden wordt ingesloten. De situatie gezien vanaf de straatzijde is daarbij bepalend. Deze weigeringsgronden zijn opgenomen om een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu tegen te gaan. Daarnaast zijn een aantal wijken uitgesloten van uitbreiding (zie lid 3 onder c van de verordening). In deze wijken is al een groot aantal kamerverhuurpanden en kamerverkooppanden vertegenwoordigd en/of valt deze wijk binnen een project stedelijke vernieuwing. De gebieden waar een omzettingsvergunning wordt geweigerd staan aangegeven op de bij de verordeningen behorende kaarten. Artikel 2.2.5 WoningcomplexBurgemeester en wethouders kunnen, in afwijking van hetgeen beschreven staat in artikel 2.2.4, de omzettingsvergunning verlenen indien het een woningcomplex betreft. Ook hier speelt het criterium “geen ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in een straat of buurt” een rol. Artikel 2.2.8 Intrekken van een omzettingsvergunningDit artikel geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid een reeds verstrekte vergunning in te trekken. Op grond van Algemene wet bestuursrecht zal de houder van de vergunning in een dergelijk geval wel van dit voornemen in kennis gesteld moeten worden en in de gelegenheid te worden gesteld om zijn zienswijze tegen het voorgenomen besluit kenbaar te maken. Artikel 2.2.9 Registratie kamerverhuur- en kamerverkooppandenAlle kamerverhuur- en kamerverkooppanden waarvoor een omzettingsvergunning is verleend of die op grond van voorgaande verordeningen een met een omzettingsvergunning gelijkgestelde status hebben bij de Gemeente Leeuwarden zijn in het register opgenomen. Indien in dit register opgenomen dan kan men voor dit pand een gebruiksvergunning kamerhuur- of kamerverkooppand aanvragen. Registratie in het register geldt als voorwaarde voor deze vergunning. In het register wordt ook een aantekening bijgehouden of de gebruiksvergunning is verstrekt. Panden die niet in het register staan opgenomen, hebben geen toestemming van de Gemeente Leeuwarden tot kamergewijze verhuur of verkoop. Het register heeft voornamelijk tot doel het bijhouden van panden die als kamerverhuur- dan wel kamerverkooppand gebruikt mogen worden en vormt daardoor de basis voor de toetsing aan de zogenaamde 10% norm. In principe kunnen aan het register geen rechten worden ontleend in de zin van “rechtmatig gebruik als kamerverhuur- en/of kamerverkooppand. Voor de beoordeling is de verleende vergunning(en) doorslaggevend. Artikelen uit Hoofdstuk 3 en 4Deze hoofdstukken bevatten de normale bepalingen om een verordening te handhaven alsmede een regeling van de inwerkingtreding. In artikel 3.1 is de zogenaamde hardheidsclausule opgenomen, gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar het oordeel van burgemeester en wethouders tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van de verordening. Het is niet de bedoeling dat toepassing van de hardheidsclausule gebruikt wordt om nieuwe kamerverhuur- en/of kamerverkooppanden in de uitgesloten wijken toe te staan. Wel kan deze clausule worden toegepast op, bijvoorbeeld, de 10% norm. Het is denkbaar dat binnen een straat maar vijf panden zijn gelegen, hetgeen zou betkenen dat niet aan de 10% norm wordt voldaan. Toch kunnen er situaties ontstaan dat een kamerverhuur- en./of kamerverkooppand in die straat past binnen de uitgangspunten van de verordening omdat in de directe omgeving geen ander verhuur- dan wel verkooppanden aanwezig zijn . Bouwverordening H6A gemeente LeeuwardenHOOFDSTUK 6A KAMERVERHUUR- EN KAMERVERKOOPPANDENArtikel 6a.1.1 BegripsomschrijvingenDit hoofdstuk verstaat onder: huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren; duurzame gemeenschappelijke huishouding: een groep personen welke van aanvang bestaat uit dezelfde personen, er geen sprake is van een vooraf vaststaande tijdelijkheid en een redelijke termijn van samenwonen is gebleken kamerverhuurpand, kamerverkooppand: gebouw of een deel van een gebouw met of geschikt te maken voor drie of meer kamers, niet vallende onder het begrip logiesgebouw en/of logiesverblijf als bedoeld in het Bouwbesluit die als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond door niet in een gezinsverband levende personen; exploitant: persoon die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een pand als omschreven onder b. exploiteert; straat: straat of straatsdeel, zoals gecodeerd aangeduid in het geldende KPN postcodeboek en de geldende KPN telefoongids; omzettingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid sub c, van de huisvestingswet; NEN-norm: een door het Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven norm; brandwerendheid: de weerstand, uitgedrukt in minuten, welk een constructiedeel biedt aan verhitting volgens de proef, omschreven in NEN-6068; rookvrije vluchtroute: van rook gevrijwaarde route die begint bij een toegang van een subbrandcompartiment, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt op een veilige plaats, zonder dat gebruik behoeft te worden gemaakt van een lift; vluchtweg: een weg, bestemd om de in een ruimte in een gebouw aanwezige personen, ingeval van brand, gelegenheid te geven vanaf die ruimte op een veilige wijze een veilige plaats te bereiken; inspectierapport: een namens burgemeester en wethouders opgesteld rapport waarin staat aangegeven welke voorzieningen getroffen moeten worden om een
in overeenstemming te brengen met de eisen genoemd in de bijlage bij de gebruiksvergunning kamerverhuur- en kamerverkooppanden. Artikel 6a.1.2 VergunningvereisteHet is verboden om zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een
in gebruik te nemen of te houden. Artikel 6a.1.3 GebruikseisenVoor het exploiteren van een
worden, onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk, eisen gesteld, die in het kader van de veiligheid, alsmede de gezondheid, de reinheid en hygiëne van de gebruikers van dat
noodzakelijk zijn. Deze gebruikseisen zijn vermeld in paragraaf 4 van bijlage 6a van deze verordening. Artikel 6a.1.4 Aanvragen van een gebruiksvergunningDe aanvraag voor een gebruiksvergunning wordt in drievoud ingediend bij burgemeester en wethouders op een door burgemeester en wethouders voorgeschreven formulier dat op verzoek van de aanvrager ter beschikking wordt gesteld. Deze dient de gegevens te bevatten die staan opgenomen in artikel 1.1 van bijlage 6a van deze verordening en wordt in drievoud aangeleverd. De aanvraag om een gebruiksvergunning moet zijn voorzien van een bouwkundige plattegrond van elke bouwlaag en een doorsnede van het
op een schaal van 1:100 die ook in drievoud dient te worden ingediend, aangevende de gegevens die staan opgenomen in artikel 1.2 van bijlage 6a van deze verordening. De bij de aanvraag om een gebruiksvergunning behorende bescheiden moeten door de aanvrager en diens gemachtigde worden ondertekend dan wel gewaarmerkt. Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een bestaande situatie moet uit de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken. Indien aanvraag betrekking heeft op
waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest dient de aanvraag gegevens te bevatten betreffende noodverlichting en vluchtwegaanduiding (artikel 3.7 van bijlage 6a van deze verordening), een ontruimingsalarminstallatie (artikel 3.8 van bijlage 6a van deze verordening) en een beheersplan (artikel 1.3 van bijlage 6a van deze verordening). Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met betrekking tot de in dit artikel bedoelde bescheiden nadere regelen te stellen of aanvullende gegevens te vragen omtrent inhoud, uitvoering, vorm, aantal en wijze van indiening. Artikel 6a.1.5 Gronden tot weigering van een gebruiksvergunningBurgemeester en wethouders weigeren een vergunning indien: de omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2.2 van de Huisvestingsverordening is geweigerd; de bouwvergunning dan wel de toestemming tot gebruikswijziging op grond van een bestemmingsplan is geweigerd; na een periode van zes maanden, na de dag waarop het inspectierapport is verstuurd, is gebleken dat niet alle aanpassingen conform het inspectierapport zijn uitgevoerd en het pand niet in overeenstemming is gebracht met de eisen uit bijlage 6a van deze verordening; het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft niet voldoet aan de overige bepalingen van de bouwverordening en het bouwbesluit; dan wel niet binnen de gestelde termijn als genoemd in artikel 6a.1.8 lid 2 aan de aanschrijving is voldaan. Burgemeester en wethouders weigeren een vergunning indien: vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening van de gebruiksvergunning ten behoeve van kamerverhuur of kamerverkoop zou leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft; een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw wordt in ieder geval aanwezig geacht indien meer dan 10% van de tot bewoning bestemde gebouwen in de betreffende straat (met dezelfde postcode) wordt gebruikt voor de huisvesting als bedoeld in artikel 2.2.2 van de Huisvestingsverordening; wanneer de aanvraag betrekking heeft op een pand, dat minder dan twee panden verwijderd is van een geregistreerd
als bedoeld in artikel 2.2.9 van de Huisvestingsverordening, dan wel een pand waarvoor een aanvraag tot omzetting is ingediend. Voor de beoordeling hiervan wordt uitgegaan van panden gelegen aan dezelfde straatzijde. wanneer de aanvraag betrekking heeft op een straat in de wijk of de gebieden: Tjerk Hiddes en Cambuursterhoek 't Vliet Oranjewijk en Tulpenburg Achter de Hoven Vrijheidswijk Valeriuskwartier Bilgaard Heechterp Schieringen Schepenbuurt Wielenpolle Huizum-Oost Huizum-West Als gebieden bedoeld in lid c gelden de gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart als zodanig zijn aangegeven. Bij twijfel is deze kaart bepalend. In afwijking van het eerste lid onder a kunnen burgemeester en wethouders een gebruiksvergunning verlenen indien er sprake is van: een nieuw op te richten gebouw of een niet voor bewoning bestemd gebouw, dat geschikt wordt gemaakt voor het verlenen van huisvesting als bedoeld in artikel 1.1 onder i van de Huisvestingsverordening en waarvoor een bouwvergunning is verleend, en b. zodanige voorzieningen in, aan en bij het gebouw zijn getroffen dat vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat geen sprake zal zijn van een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu, en de aanvrager aannemelijk maakt dat het gebouw zodanig wordt beheerd dat vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat geen sprake zal zijn van een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu, en is gebleken dat alle aanpassingen conform het inspectierapport zijn uitgevoerd en het pand in overeenstemming is gebracht met de eisen van bijlage 6a van deze verordening. Indien de vergunning is geweigerd op grond van artikel 6a.1.7, wordt ook de registratie van het pand en/of de omzettingsvergunning ingetrokken. Artikel 6a.1.6 Het stellen van voorwaardenBurgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning voorwaarden en voorschriften verbinden ten aanzien van de veiligheid, alsmede de gezondheid, de reinheid en hygiëne van de gebruikers van dat
. Artikel 6a.1.7 Beslissing op de aanvraag gebruiksvergunningBurgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag gebruiksvergunning binnen 12 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders hun beslissing eenmaal voor ten hoogste 12 weken verdagen. Van de in artikel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, kan slechts gebruik worden gemaakt indien de aanvrager binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. De door burgemeester en wethouders ingevolge dat artikel te stellen termijn bedraagt vier weken. Artikel 6a.1.8 Aanhouding van de aanvraag gebruiksvergunningBurgemeester en wethouders houden de beslissing op de aanvraag voor een gebruiksvergunning aan, indien: voor hetzelfde pand een bouwvergunning, dan wel een toestemming tot gebruikswijziging als bedoeld in het vigerend bestemmingsplan en/of geldende Leefmilieu verordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en op de aanvraag dan wel wijziging van het gebruik nog niet is beslist; voor hetzelfde bouwwerk een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2.2 van de Huisvestingsverordening is vereist en op de vergunningaanvraag nog niet is beslist; voor hetzelfde bouwwerk een aanschrijving is vereist wegens strijd met de voorschriften als bedoeld in een der artikelen 1b, 7b, 13 en 13a van de Woningwet. De in het eerste lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat is beslist op een aanvraag om een bouwvergunning of een gebruikswijziging, op een aanvraag omzettingsvergunning dan wel is voldaan aan de aanschrijving en burgemeester en wethouders hiervan in kennis zijn gesteld.. Indien blijkt dat aan of in het gebouw, waarop de aanvraag betrekking heeft, zonder de daartoe vereiste bouwvergunning, verbouwingen of veranderingen worden uitgevoerd, kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van het bepaalde in artikel 6a.1.7 lid 1, de beslissing op de aanvraag aanhouden tot het tijdstip van beslissing omtrent de bouwvergunning en in het bevestigende geval het gebouw in overeenstemming is gebracht met het bij die vergunning behorende, goedgekeurde bouwplan. Van deze aanhouding doen burgemeester en wethouders, voor afloop van de in artikel 6a.1.7 lid 1 genoemde termijn, schriftelijk mededeling aan de aanvrager. Artikel 6a.1.9 Intrekken van de gebruiksvergunningBurgemeester en wethouders kunnen de gebruiksvergunning intrekken, indien blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave hebben verleend; indien blijkt dat de houder niet heeft voldaan aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 6a.1.6 of strijdig gehandeld wordt met de vergunning; indien de eisen, bedoeld in paragrafen 2, 3 en 4 van bijlage 6a van deze verordening, na een bij aangetekende brief aan de vergunninghouder met een daarin genoemde termijn, niet worden nagekomen; indien van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning, dan wel van de vergunning gedurende een aaneengesloten periode van 26 weken of langer geen gebruik is gemaakt; indien de omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2.2 Huisvestingsverordening is ingetrokken; indien de samenstelling van (een gedeelte van) het gebouw waarin het
gevestigd is wordt veranderd; indien de tot het
behorende installaties of voorzieningen worden veranderd; indien burgemeester en wethouders overgaan tot een aanschrijving krachtens de Woningwet betreffende het gebouw waarin het
gevestigd is; Burgemeester en wethouders gaan niet tot intrekking van de vergunning over, voordat degene te wiens aanzien het besluit tot intrekking wordt genomen daarvan in kennis is gesteld en in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze tegen het voorgenomen besluit kenbaar te maken Indien de gebruiksvergunning is ingetrokken op grond van lid 1 kan ook de registratie van het pand of de omzettingsvergunning worden ingetrokken. De gebruiksvergunning kan eveneens worden ingetrokken indien: het gebouw door brand of enige andere oorzaak zodanig is vernield of beschadigd, dat het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik moet worden gesteld; de vergunninghouder het gebruik van het gebouw waarvoor de gebruiksvergunning is verleend beëindigd; niet tijdig een verlenging van de gebruiksvergunning is aangevraagd; de registratie van het
wordt ingetrokken. Artikel 6a.1.10 Geldigheidsduur van de gebruiksvergunningDe gebruiksvergunning heeft een geldigheidsduur van maximaal drie jaar. Deze periode kan telkens met maximaal drie jaar worden verlengd. De verlenging dient uiterlijk drie maanden voor het aflopen van de vergunning te worden aangevraagd. De aanvraag voor verlenging wordt in drievoud ingediend op een door burgemeester en wethouders voorgeschreven formulier. De geldigheidsduur en de datum waarvoor een verlenging moet zijn aangevraagd wordt in de vergunning vermeld. Burgemeester en wethouders kunnen bij een verzoek om verlenging van de vergunning het overleggen van hetgeen beschreven in artikel 6a.1.4 vorderen. Bij een aanvraag voor verlenging van de gebruiksvergunning, kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan het kamerverhuur- en kamerverkooppand. De geldigheidsduur van de verlenging van de gebruiksvergunning bedraagt maximaal drie jaar geteld vanaf de einddatum van de voorgaande gebruiksvergunning. Artikel 6a.2.1 HardheidsclausuleBurgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing van dit hoofdstuk naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van de verordening. Artikel 6a.2.2 RestbepalingIn de gevallen waarin dit hoofdstuk niet voorziet beslissen burgemeester en wethouders, waarbij zij zich uitsluitend zullen laten leiden door overwegingen betrekking hebbende op de veiligheid alsmede de gezondheid, de reinheid en hygiëne van de gebruikers van een
. Artikel 6a.2.3 LegesVoor het in behandeling nemen van een aanvraag gebruiksvergunning zijn leges verschuldigd. De leges staan opgenomen in het op het moment van indiening geldende Legesverordening Leeuwarden. Artikel 6.a.2.4 StrafbepalingHij die handelt in strijd met het bepaalde in artikel 6a.1.2 wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. De genoemde strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. Artikel 6a.2.5 OvergangsbepalingAanvragen om verlening van volgens deze verordening gelijkgestelde vergunning welke vóór of op de dag van inwerkingtreding van hoofdstuk 6a van de bouwverordening zijn ingediend worden behandeld volgens het voordien geldende recht, indien dit voor de betrokkene gunstiger is. Artikel 6a.2.6 InwerkingtredingHoofdstuk 6a van de bouwverordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.. KAART BEHORENDE BIJ DE HOOFDSTUK 6A VAN DE BOUWVERORDENING gemeente Leeuwarden BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 6A BOUWVERORDENING Eisen gebruiksvergunning voor kamerverhuur- en kamerverkooppandParagraaf 1. Gegevens en bescheiden aanvraag Paragraaf 2. Technische eisen met betrekking tot de gezondheid, reinheid en hygiëne Paragraaf 3. Technische eisen met betrekking tot brandveiligheid Paragraaf 4. Gebruikseisen Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning kamerverhuur- en kamerverkooppandArtikel 1.1 In de aanvraag op te nemen gegevensDe aanvraag om een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6a.1.2 van de bouwverordening moet de volgende gegevens bevatten: De naam en het correspondentieadres in Nederland van de aanvrager; Indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentieadres in Nederland; De naam en het adres waarop de vergunning gesteld moet worden; Het adres van het
; De kadastrale aanduiding van het
; Het aantal personen waarvoor het
is of zal worden ingericht; Het aantal kamers die in het
aanwezig zijn of zullen zijn; De wijze van verwarming van het
; De vermelding of in het
het volgende aanwezig is: noodverlichtingsinstallatie; vluchtwegaanduiding; ontruimingsalarminstallatie, handbediening; telefoonaansluiting; rookmelders; brandslanghaspels/draagbare brandblustoestellen. Artikel 1.2 Bij de aanvraag in te dienen bescheidenDe aanvraag om een gebruiksvergunning
als bedoeld in artikel 6a.1.2 van de bouwverordening moet zijn voorzien van de volgende tekeningen: Een bouwkundige plattegrond van elke bouwlaag van het
op een schaal 1:100, aangevende: de afmetingen van het
en de binnen het
gelegen ruimten [in m1 en m2]; de aanduiding, overeenkomstig het woordgebruik in het Bouwbesluit, van de functie van elke ruimte of elke groep van bij elkaar behorende ruimten; de hoogteligging van de verschillende vloeren van het
; de trappen en de vloerafscheidingen; de deuren en daglichtopeningen in de uitwendige scheidingsconstructies en, voor zover van belang voor het vluchten bij brand, tevens de inwendige scheidingsconstructies; het aanrecht, de wastafel, de opstelplaats van kooktoestel, wasapparatuur, warmwatertoestel en de opstelplaats van stooktoestel of stookruimte; de meterkast(en) of meterruimte; de voorzieningen voor het verversen van binnenlucht, de voorzieningen voor de toevoer van lucht of verbrandingstoestellen en de leidingkokers; de fietsenstalling; de aan te brengen brandveiligheidsvoorzieningen, zoals de plaats van de brandslanghaspels/draagbare brandblustoestellen, noodverlichtingsinstallatie, vluchtwegaanduidingen (transparanten), ontruimingsalarminstallatie, nooduitgangen, zelfsluitende deuren en rookmelders; de toe te passen brandwerende materialen (inclusief diktes [mm]). Een bouwkundige doorsnede van het
op een schaal 1:100, aangevende de hoogtematen van de binnen het
gelegen ruimten. Tekeningen met alle gevelaanzichten en/of foto’s. Een situatietekening van het
, vermeldende kadastrale aanduiding, de straat en het huisnummer op een schaal van 1:1000. Artikel 1.3 BeheersplanVoor een
waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest, moet een beheersplan worden aangeleverd. In dit beheersplan moeten minimaal de volgende punten worden opgenomen: het aantal onzelfstandige woonruimten; wijze van verhuur / contractvorm; wijze van beheer; calamiteitenplan; contactpersonen bij calamiteiten. Paragraaf 2 Technische eisen met betrekking tot de gezondheid, reinheid en hygiëne van een
De in een
gelegen kamers moeten, willen ze geschikt zijn voor gebruik door één persoon, een vloeroppervlakte hebben van tenminste 11 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1,8 m; Worden het aanrecht en het kooktoestel in de kamer gesitueerd, dan zal die ruimte, naast de vloeroppervlakte bedoeld in het eerste lid, tevens een vloeroppervlakte van tenminste 2,1 x 1,2 m moeten omvatten voor plaatsings- en gebruiksruimte voor de keukenvoorziening met een minimale hoogte van 2,1 m; Wordt één kamer gebruikt door 2 personen dan moet deze kamer een vloeroppervlakte hebben van tenminste 32 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1,8 m; Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 1 indien: iedere voor kamerbewoning bestemde kamer een vloeroppervlakte heeft van tenminste 7,5 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1,8 m en; er een vertrek voor gemeenschappelijk gebruik is van: tenminste 17 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1.8 m, indien het pand wordt bewoond door drie bewoners en; tenminste 18 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1.8 m, indien het pand wordt bewoond door vier bewoners en; tenminste 19 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1.8 m, indien het pand wordt bewoond door vijf of meer bewoners en; het aanrecht en het kooktoestel worden opgesteld hetzij in een afzonderlijke keuken, hetzij in het voor gemeenschappelijk gebruik bestemd vertrek. Burgemeester en wethouders kunnen eveneens vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 1 indien er twee kamers in gebruik zijn door één persoon waarbij de totale vloeroppervlakte van de beide kamers gezamenlijk tenminste 11 m2 is met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1.8 m en; de minimale vloeroppervlakte van elk van de kamers tenminste 4 m2 is. Artikel 2.2 ToiletruimteIn een
moet voor elke vijf bewoners ten minste één afsluitbare toiletruimte aanwezig zijn. Artikel 2.3 BadruimteIn een
moet voor elke acht bewoners ten minste één afsluitbare badruimte aanwezig zijn. Artikel 2.4 Aanrecht en opstelplaats voor een kooktoestel (keuken)Zijn een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel in een aparte keukenruimte (verblijfsruimte) gelegen, dan moet deze een vloeroppervlakte hebben van ten minste 5 m2, waarvan de breedte ten minste 1,8 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,1 m is. De vloeroppervlakte van ten minste 5 m2 te rekenen tot en met 4 personen. Voor elke extra bewoner moet de vloeroppervlakte van 5 m2 met ten minste 1 m2 worden vergroot. Artikel 2.5 Berging, opslagruimte voor huishoudelijk afval en stallingruimte voor fietsenTot een
moet tenminste één, van buiten het
toegankelijke, afsluitbare ruimte behoren, met een vloeroppervlakte van tenminste 3,5 m2, waarvan de breedte tenminste 1,5 m en de hoogte boven die oppervlakte tenminste 2,1 m is. De vloeroppervlakte van tenminste 3,5 m2 te rekenen tot en met 4 personen. Voor elke extra bewoner moet de vloeroppervlakte van 3,5 m2 met tenminste 1 m2 worden vergroot. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel mits een (inpandige) bergruimte aanwezig is die voldoende groot is om een aantal fietsen te stallen dat even groot is als het aantal bewoners dat in het pand mag wonen. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel indien op het perceel waarop het pand zich bevindt geen voldoende bergruimte kan of mag worden opgericht, mits de exploitant aantoont dat er voldoende bruikbare stallingsruimte voor fietsen en afvalcontainers is en deze stallingsruimte gebruikt kan worden zonder dat de veiligheid van de bewoners in geval van brand door de gestalde fietsen en containers wezenlijk wordt aangetast. Artikel 2.6 Telefoon-, radio- en televisieaansluitingIn een
moet, opdat telecommunicatiesignalen kunnen worden opgevangen, een aansluitpunt hiervoor aanwezig zijn. Artikel 2.7 Bescherming tegen schadelijke en hinderlijke invloedenGeluidswering tussen ruimten en bescherming tegen geluid van installaties. De karakteristieke isolatie-index voor lucht- en contactgeluid (Llu en Lco) tussen verblijfruimten en tussen verblijfsruimte en verkeersruimte, in een
, moeten ter beperking van geluidhinder in die verblijfsruimte, ten minste gelijk zijn aan -10 dB. Het karakteristieke geluidsniveau van een in een
gelegen toilet met waterspoeling, mag ter beperking van geluidsoverlast in een niet tot dat
behorende verblijfsruimte, niet hoger zijn dan 40 dB(A). Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel indien door de aard en samenstelling van de constructie niet aan de gestelde eis kan worden voldaan. Er dienen dan, ter goedkeuring van burgemeester en wethouders, zodanige maatregelen te worden getroffen, dat de hinder ten gevolge van zowel lucht als contactgeluid tot een minimum wordt beperkt. Burgemeester en wethouders kunnen de voorwaarde stellen dat de voorzieningen, opgesteld door een erkend adviesbureau, dienen te worden uitgevoerd. Artikel 2.8 Onderhoud en het weren van schadelijk of hinderlijk gedierteHet normale onderhoud van een
dient zodanig te geschieden dat een
zich in een zindelijke staat bevindt. In een
dient afval op zodanige wijze te worden bewaard dat schadelijk en hinderlijk gedierte niet wordt aangetrokken. Paragraaf 3 Technische eisen met betrekking tot de brandveiligheid van een
Trappen en vloeren waarover een rookvrije vluchtroute voert dienen een brandwerendheid van 30 minuten te bezitten met betrekking tot bezwijken. Artikel 3.2 Signalering brandOp elke woonlaag dient in de rookvrije vluchtroute een niet-ioniserende rookmelder geplaatst te worden die is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit en die voldoet aan de primaire inrichtingseisen en de primaire producteisen volgens NEN
waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest moet in de rookvrije vluchtroutes noodverlichting aanwezig zijn welke gedurende 60 minuten een verlichtingssterkte van 10 lux kan geven, alsmede de vluchtwegaanduidingen verlicht en en ander volgens NEN-EN 1838, uitgave 1999 en NEN 6088, uitgave 2002. Artikel 3.8 OntruimingsalarminstallatieEen
waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest, moet zijn voorzien van een ontruimingsinstallatie type C, conform NEN 2575 uitgave
Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik: door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor de veiligheid en het ontstaan van brand; door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert voor de veiligheid en het ontstaan van brand. Het in het eerste lid bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig te zijn bij het gebruik van elektrische sterkstroominstallaties voor lage spanning, die voldoen aan de veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties, opgenomen in NEN 1010, uitgave
aanwezig is, moeten de vluchtwegaanduidingen (transparanten) hierop aangesloten zijn. Artikel 4.6 Flessengasinstallatie/gasflessenEen flessengasinstallatie voor verwarming of kookdoeleinden is niet toegestaan. Aanwezigheid van flessengas voor andere doeleinden is eveneens niet toegestaan. Artikel 4.7 Rookvrije vluchtroutes en (nood)uitgangenDe rookvrije vluchtroutes moeten altijd over de minimaal vereiste breedte zijn vrijgehouden van obstakels. Dit geldt eveneens voor het als verlengstuk van de vluchtwegen aan te merken gedeelte van het aansluitend terrein. Op de vloeren van de rookvrije vluchtroutes zijn losliggende leidingen en snoeren niet toegestaan. Een (nood)uitgangsdeur moet bij aanwezigheid van personen in het
uitsluitend zodanig zijn gesloten, dat de (nood)uitgangsdeur van binnen uit ogenblikkelijk over de minimaal vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp. Waar op de bij de gebruiksvergunning
behorende tekeningen als zodanig is aangegeven, moet duidelijk zichtbaar het opschrift: "NOODDEUR VRIJHOUDEN" en/of "NOODUITGANG" zijn aangebracht, volgens NEN 6088, uitgave 2002. Artikel 4.8 Materiaalgebruik in de rookvrije vluchtrouteStoffering en versiering in rookvrije vluchtroutes moeten vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 80° bedraagt. De toegepaste bekledingsmaterialen in rookvrije vluchtroutes moeten voldoen aan: NEN 1775, uitgave 1991 en NEN 1775/A1, uitgave 1997, Klasse T1 t.b.v. vloeren; NEN 6065, uitgave 1991 en NEN 6065/A1, uitgave 1997, Klasse 2 t.a.v. overige aankleding en versiering; NEN 6066, uitgave 1991 en NEN 6066/A1: uitgave 1997, optische rookdichtheid < 2,2/m. Artikel 4.9 AfvalAfval moet worden verzameld in veilig opgestelde goed af te sluiten containers van moeilijk brandbaar materiaal, voor zover de containers binnen het
zijn opgesteld. Artikel 4.10 Opslag van materialenBuiten de daartoe op de bij de gebruiksvergunning
behorende tekening(en) aangegeven ruimten mogen in het
geen grote hoeveelheden brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen aanwezig zijn. De kleine hoeveelheden zijn slechts voor eigen gebruik en zijn op doeltreffende wijze afgesloten. Artikel 4.11 Periodieke controleDe exploitant draagt er zorg voor dat ten minste eenmaal per jaar door een ter zake kundige het nodige onderhoud wordt verricht en een controle wordt gehouden op de reinheid en de goede werking van en zo nodig reparaties worden verricht aan, voor zover van toepassing, onderstaande voorzieningen: brandslanghaspels; draagbare brandblustoestellen; telefooninstallaties; sluitingsmechanisme van de zelfsluitende deuren; noodverlichtingsinstallatie en vluchtwegaanduidingen (transparanten); beweegbare onderdelen van (nood)uitgangen, vluchttrappen en vluchtladders. De met controle belaste ambtenaren kunnen tijdstippen bepalen en de wijze aangeven waarop een en ander wordt beproefd. Artikel 4.12 Doorlopend toezichtGedurende de tijd dat bewoners in een
aanwezig zijn, moet een voor de naleving van de gebruiksvergunning kamerverhuur of kamerkoop verantwoordelijke persoon aangewezen zijn die de aanwijzingen van de met controle belaste ambtenaren op eerste aanzegging uitvoert of doet uitvoeren. Door of namens de vergunninghouder moet er doorlopend worden toegezien, dat voor zover van toepassing: rookvrije vluchtroutes of aanduidingen daarvan (transparanten), goed zichtbaar zijn; rookvrije vluchtroutes goed bereikbaar zijn; rookvrije vluchtroutes en het als verlengstuk van de vluchtroute aan te merken gedeelte van het aansluitend terrein, met de daarbij behorende deuren en (nood)uitgangen, niet versperd zijn door obstakels; rookvrije vluchtroutes worden vrijgehouden van begroeiing, sneeuw en ijs; (nood)verlichting goed functioneert; telefoons goed bereikbaar zijn; brandblusmiddelen goed bereikbaar zijn; het sluiten van rook- en/of brandwerende deuren c.q. luiken niet wordt belemmerd en dat deze voortdurend gesloten zijn; elektrische snoeren, stekkers en toestellen in goede staat verkeren; geen brandgevaarlijke situaties ontstaan door onveilig gebruik van vuur, gas en/of elektriciteit; meldpunten t.b.v. de ontruimingsalarminstallatie goed bereikbaar zijn; gebreken direct worden hersteld. Artikel 4.13 BrandveiligheidsinstructiesDe bewoners van een
dienen door of namens de vergunninghouder geïnstrueerd te worden in de voor hun geldende brandveiligheidsinstructies. Tevens dienen de voorschriften met betrekking tot voorkoming van brand en het beperken van ongevallen opgenomen te zijn in het huisreglement welke centraal in de woning is opgehangen. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING GEBRUIKSVERGUNNING KAMERVERHUUR EN KAMERVERKOOP Artikel 6a.1.5 Gronden tot weigering van een gebruiksvergunningIndien een gebruiksvergunning wordt geweigerd wordt ook de registratie van het pand of de omzettingsvergunning ingetrokken. Dit heeft tot doel dat hetzelfde pand niet nogmaals in het gebruiksvergunning traject terechtkomt wanneer het van eigenaar of aanvrager verandert. Daarnaast wordt tevens een gebruiksvergunning geweigerd wanneer de aanvraag gebruiksvergunning betrekking heeft op een pand gelegen in één van de navolgende wijken: Tjerk Hiddes en Cambuursterhoek 't Vliet Oranjewijk en Tulpenburg Achter de Hoven Vrijheidswijk Valeriuskwartier Bilgaard Heechterp Schieringen Schepenbuurt Wielenpolle Huizum-Oost Huizum-West Deze gebieden zijn op een bij de verordening behorende kaart aangegeven. Bij twijfel is deze kaart bepalend. Dit lijkt dubbel aangezien deze beperking ook is opgenomen bij de gronden tot weigering van een omzettingsvergunning. Dat is het echter niet. De Gemeente Leeuwarden is van mening dat wanneer een wijk wordt uitgesloten van verdere uitbreiding van
en dit alle panden betreft, dus ook bedrijfspanden. Wanneer in een bestemmingsplan een pand valt binnen de bestemming gemengde doeleinden mag binnen deze bestemming gewoond worden. Het kan voorkomen, dat het begrip wonen in het bestemmingsplan niet nader gedefinieerd is en dus wordt er in zo’n geval qua bestemmingsplan geen belemmering opgeworpen om het pand te gebruiken voor kamerverhuur of kamerverkoop. Om deze situaties te ondervangen is deze weigeringsgrond opgenomen. Bijlage bij de gebruiksvergunning kamerverhuur en kamerverkoop Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning kamerverhuur- en kamerverkooppandenHierin wordt aangegeven waaraan een aanvraag dient te voldoen om in behandeling te worden genomen. Voor panden waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest moet een beheersplan worden aangeleverd. Dit is opgenomen om de verhuurder of beheerder vooraf bewust met de beheerssituatie te confronteren om toekomstige overlast te voorkomen en bij eventuele calamiteiten doeltreffend te kunnen handelen. Paragraaf 2 Technische eisen met betrekking tot de gezondheid, reinheid en hygiëne van een
Om volwaardig gebruik en bewoning van een kamerverhuur- en kamerverkooppand mogelijk te maken zijn een aantal minimum eisen gesteld aan de inrichting van een pand. Per kamerbewoner moet sprake zijn van een minimale oppervlakte aan beschikbare verblijfsruimte. Daarbij kunnen gemeenschappelijke verblijfsruimten (denk aan keuken, woonkamer) naar rato worden meegerekend. Om de bedoeling van het begrip “kamer” duidelijk te houden is vervolgens gesteld dat de kamerbewoner over minstens één privé verblijfsruimte moet beschikken met minimale afmetingen om daarmee over voldoende gebruiks- en inrichtingsmogelijkheden te beschikken. Daarnaast zijn eisen opgenomen over het aantal personen dat gebruik mag maken van één toilet- en één badruimte en de minimale vierkante meters van een keuken om de bruikbaarheid van een
te waarborgen. Ook is een van buiten de woning bereikbare bergruimte vereist. In afwijking van het bouwbesluit is dit punt opgenomen in de regeling. De marktwerking zoals men verwacht bij de woningbouw is niet te verwachten bij
en. Het voorkomt tevens dat bergingen en fietsenstallingen worden verhuurd aan personen om te gebruiken als slaap-, woonkamer zoals reeds in de praktijk is voorgekomen. Er dient dus zorg voor te worden gedragen dat de fietsen, huishoudelijk afval etc. in een daarvoor bestemde ruimte kunnen worden gestald zodat ze de vluchtwegen (gang/hal) niet belemmeren en deze ruimte ook niet voor andere doeleinden verhuurd kan worden. In bestaande situaties is het niet altijd mogelijk om een dergelijke ruimte te realiseren of staan de kosten niet in verhouding tot het resultaat. In deze situaties kan een vrijstelling worden verleend mits de exploitant kan aantonen dat er voldoende bruikbare stallingruimte voor fietsen (bijv. fietsenstandaards) en afvalcontainers is en de veiligheid niet wordt aangetast. Daarnaast zijn eisen opgenomen qua geluidswering. Deze richten zich op bescherming van de bewoner tegen overlast van de overige bewoners. Vanwege de meestal intensieve wijze van bewoning binnen een
is meer geluidsoverlast te verwachten dan bij een “normale woning”. Dit is een aanvulling op het bouwbesluit en geldt voor nieuwbouw en te plaatsen binnenwanden in een bestaand pand. Het is nog belangrijk te vermelden dat van toepassing zijn alle artikelen uit het Bouwbesluit en de Bouwverordening voor zover niet anders in dit hoofdstuk is bepaald. In overige hoofdstukken van de bouwverordening waar “woning” wordt genoemd dient “
” te worden gelezen. Paragraaf 3 Technische eisen met betrekking tot de brandveiligheid van een
Leeuwarden profileert zich als een groeiende studentenstad en kan nu al rekenen op ongeveer 5000 kamerbewoners. Een goede en veilige bewoning zijn expliciet punten van zorg. Het bouwbesluit heeft regelgeving opgesteld voor woningen maar gaat er niet vanuit dat binnen deze woningen meerdere huishoudens (alleenstaanden) worden gehuisvest. Bij “normale” bewoning wordt de hoofdbewoner geacht verantwoordelijkheid te dragen voor zijn medebewoners en tevens zorg te dragen voor hun veiligheid. Dit is in een
niet het geval. Hierbij zijn het individuele bewoners met een geringe sociale controle. Het gebruik van de vele elektrische apparaten (tv, radio, pc, koelkast, magnetron, verwarming) en het meestal wervelende levensritme zorgt voor een verhoogd risico op het ontstaan van brandgevaarlijke situaties. Dit alles vraagt om een verscherping van de huidige regelgeving zodat er in Leeuwarden op een verantwoorde manier door alleenstaanden gewoond kan worden. In de onderstaande alinea’s wordt omschreven waarom aanvullende regelgeving nodig is op verschillende punten, m.a.w. wat heeft het bouwbesluit niet geregeld en willen we wel geregeld zien om de veiligheid van de kamerbewoners te kunnen waarborgen. Artikel 3.1 Constructieve veiligheidEen bouwwerk heeft een bouwconstructie die zodanig is dat een bouwwerk bij brand gedurende redelijke tijd kan worden verlaten en doorzocht, zonder gevaar voor instorting. De constructieve eisen die zijn opgenomen in het bouwbesluit hebben een voldoende veiligheidsniveau, echter is de eis t.a.v. de rookvrije vluchtroute opgetrokken naar de nieuwbouweis van het bouwbesluit om een consequent geheel te krijgen. Artikel 3.2 Signalering brandIn navolging op het bouwbesluit, waarin voor nieuwbouw rookmelders verplicht worden gesteld, wordt deze verplichting ook overgenomen voor bestaande kamerverhuur- en kamerverkooppanden. Door het doen van een geringe investering speel je in op de nieuwe ontwikkelingen en uitgangspunten waardoor je de veiligheid van de bewoners tegemoet komt. Door vroegtijdige signalering hebben de bewoners tijd om veilig te ontkomen. Artikel 3.3 Beperking van de ontwikkeling van brandDit artikel sluit aan bij de eisen gesteld in het bouwbesluit. Het is toch opgenomen in de bijlage om de duidelijkheid van de regeling te vergroten. De exploitanten dienen zich terdege bewust te zijn dat er eisen gesteld worden aan het materiaalgebruik, dit om te voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt. Artikel 3.4 Beperken van uitbreiding van brandDit artikel zorgt in afwijking van het bouwbesluit voor een brand- en subbrandcompartimentering in de woning / het
. Op deze wijze worden de kamers en andere verblijfsruimten dertig minuten brandwerend gescheiden van elkaar en vluchtwegen, zodat er voldoende tijd is om bij eventuele brand te vluchten. Tevens voorkomt het dat de brand in korte tijd een zodanige omvang aanneemt dat zij voor de brandweer niet meer is te beheersen. Artikel 3.5 Vluchten en vluchtmogelijkhedenHet huidige bouwbesluit zorgt in onvoldoende mate voor goede vluchtmogelijkheden in bestaande woningen (1 vluchtweg met een max. lengte van 45 m), o.m. omdat er niet van wordt uitgegaan dat er meerdere huishoudens in zijn gevestigd. Met dit artikel proberen we zo dicht mogelijk bij de nieuwbouweis te komen met de mogelijkheden die er zijn bij bestaande bouw . Het artikel regelt dat er minimaal twee onafhankelijke vluchtwegen aanwezig moeten zijn en sluit voor een gelijkwaardige oplossing aan, voor de kleinere
en, bij de nieuwbouweisen van het bouwbesluit en stelt rookmelders verplicht. Als de rookvrije vluchtroute langer is dan 15 meter zal in afwijking van het bouwbesluit, waarbij dit niet mogelijk is, een tweede rookvrije vluchtroute welke niet direct uitkomt op de begane grond een optie zijn. Het bouwbesluit gaat ervan uit dat de rookvrije vluchtroute ook door minder validen en ouderen gebruikt wordt en moet derhalve rechtstreeks uitkomen op het aansluitende terrein (buiten op de begane grond). Bij kamergewijze bewoning kunnen we uitgaan van een doelgroep welke ook kan vluchten via platte daken en/of kooiladders. In bestaande bouw, voor de grotere panden, kom je op deze wijze toch tot een acceptabele rookvrije vluchtroute waarvan deze doelgroep gebruik kan maken. Artikel 3.6 Bestrijden van de brandDe aard van de bewoning vraagt om extra bouwkundige voorzieningen voor de bestrijding van brand. Er is hier voor brandslanghaspels met een gelijkwaardige oplossing door draagbare brandblussers gekozen om zo het beoogde veiligheidsniveau te waarborgen. Artikel 3.7 Noodverlichting en vluchtwegaanduidingAan
en waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest worden extra eisen gesteld. Er wordt hierbij aangesloten bij de eisen gesteld in het bouwbesluit voor een woningfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 meter. Op deze wijze wordt door de aard van de bewoning een veiligheidseis gesteld die afwijkt (zwaarder is) van de eisen die zijn opgenomen in het bouwbesluit maar waardoor de beoogde veiligheid wordt verkregen. Dit geld tevens voor de in artikel 3.8 genoemde ontruimingsalarminstallatie. Paragraaf 4 Gebruikseisen voor een
In de gebruikseisen zijn eisen opgesteld over het gebruik van het
na de vergunningverlening. Het moet waarborgen dat door verkeerd gebruik van het pand en de aanwezige installaties gevaarlijke situaties ontstaan. Tevens worden hierin termijnen gesteld waarbinnen onderhoudswerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. Door deze gebruikseisen wordt de exploitant ook na de vergunningverlening gewezen op de plichten die hij heeft door het exploiteren van een
, om zo het beoogde veiligheidsniveau te waarborgen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.