hoofdstuk 3 van dit addendum). De Nota bodembeheer met bodemkwaliteitskaart blijft daardoor, in combinatie met dit addendum, toepasbaar na 1 januari 2024. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt de nota bodembeheer niet. Een deel van de beleidsregels in de nota bodembeheer wordt van rechtswege gelijkgesteld aan het tijdelijk deel van het gemeentelijke omgevingsplan (
paragraaf 2 van dit addendum). Een deel van de beleidsregels moet worden geactualiseerd omdat ze niet meer verwijzen naar de juiste artikelen in de wet- en regelgeving waarop ze betrekking hebben. Tot slot zijn in de nota bodembeheer beleidsregels opgenomen die zijn bedoeld voor de gemeente zelf en geven inzicht in de belangenafweging, uitleg van wettelijke voorschriften en maken daarmee het beleid van de gemeente toelichtend. Deze beleidsregels komen niet meer terug in het gemeentelijke omgevingsplan, ze kunnen naast het gemeentelijke omgevingsplan blijven bestaan. Dit addendum regelt via een transponeringstabel (
bijlage 2) dat bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 (
paragraaf 4) naast de beleidsregels in de nota bodembeheer die van rechtswege gelijkgesteld worden aan het tijdelijk deel van het gemeentelijke omgevingsplan, óók de te actualiseren beleidsregels in de nota bodembeheer ná 1 januari 2024 kunnen worden gebruikt. Om duidelijkheid te scheppen in het gemeentelijke grondstromenbeleid is het van belang om dit addendum vast te stellen. Dat biedt meer duidelijkheid voor burgers, bedrijven en de gemeente zelf. In de periode van 1 januari 2024 tot 1 januari 2032 heeft de gemeente de tijd om de bruidsschatregels (schrappen, overnemen, continueren), de te actualiseren beleidsregels, de gebiedsspecifieke beleidsregels en de bodemfunctieklassenkaart om te zetten naar het definitieve gemeentelijke omgevingsplan (het nieuwe deel). 2.Achtergrond Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Aanvullingswet Bodem, diverse besluiten (onder andere het Aanvullingsbesluit Bodem en het Besluit activiteiten leefomgeving) en de Algemene maatregelen van bestuur (Aanvullingsregeling bodem), vervallen de huidige wet- en regelgeving voor bodemsanering en het functioneel en nuttig toepassen van grond en gerijpte baggerspecie. Bodem wordt daarmee een integraal deel van de Omgevingswet. In bijlage 1 is een (niet limitatieve) begrippenlijst met toelichting opgenomen met begrippen die onder de Omgevingswet worden gehanteerd. Voor een aantal zaken heeft de wetgever overgangsrecht geregeld. De Aanvullingswet bodem regelt overgangsrecht voor onder meer: De gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart. Het gebiedsspecifieke beleid van de gemeente: De in de nota bodembeheer gedefinieerde Lokale Maximale Waarden. De toepassingskaarten (gebiedsspecifiek kader Besluit bodemkwaliteit). Het stellen van strengere eisen aan de bijmenging van bodemvreemd materiaal (steenachtige materialen en onbewerkt hout). De acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten als bewijsmiddel bij grondverzet. Het overgangsrecht regelt dat deze onderdelen juridisch gezien ‘gelijkgesteld’ zijn aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De gemeente kan dit overgangsrecht voor het gebiedsspecifieke beleid gebruiken tot het beleid zijn geldigheid verliest. Heeft de gemeenteraad bijvoorbeeld in haar besluit tot het vaststellen van het gebiedsspecifiek beleid aangegeven tot welke datum het beleid geldt? Dan zal het beleid na deze periode vervallen. De nota bodembeheer is vastgesteld tot en met 18 februari 2030. Dit betekent dat de te actualiseren beleidsregels en het gebiedsspecifieke beleid in de nota bodembeheer voor 18 februari 2030 moeten worden overgezet naar het definitieve gemeentelijke omgevingsplan. Het overgangsrecht geldt ook voor bodembeleidsregels die zijn opgenomen in bestemmingsplannen. Die bodembeleidsregels komen van rechtswege direct in het tijdelijk deel van het gemeentelijke omgevingsplan. De bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart2 De bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Tilburg maken onderdeel uit van de nota bodembeheer: de bijlagen 3 en 4 en de kaartbijlagen 1 t/m 5., die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder het Besluit bodemkwaliteit bestuurlijk zijn vastgesteld, kunnen ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet als bewijsmiddel worden gebruikt voor de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit. Onder de Omgevingswet mag een bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als milieuverklaring bodemkwaliteit bij grondverzet (algemene regel). De Regeling bodemkwaliteit 2022 stelt voorwaarden en eisen aan de uitvoering en het gebruik. Deze voorwaarden gaan beleidsneutraal over van de Regeling bodemkwaliteit (oud) naar de Regeling bodemkwaliteit 2022 die onder de Omgevingswet van toepassing is. De geldige en bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaarten van de gemeente, gebaseerd op de generieke, landelijke regelgeving, mogen dus ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet worden gebruikt als milieuverklaring bodemkwaliteit bij grondverzet (algemene regel). De bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaart zware metalen, PAK, PCB, minerale olie is nog geldig t/m 29 januari 20243 De bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart zware metalen, PAK, PCB, minerale olie zijn bestuurlijk vastgesteld op 29 januari 2019 als onderdeel van de Nota bodembeheer gemeente Tilburg, Beleid voor het tijdelijk opslaan en/of toepassen van grond en gerijpte baggerspecie op of in de bodem, Status: definitief, Documentcode: SOB006623.RAP002, LievenseCSO, 2 januari 2019.. De bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaart PFAS-verbindingen is nog geldig t/m 18 februari 20254 De bodemkwaliteitskaart PFAS-verbindingen is bestuurlijk vastgesteld op 18 februari 2020 als onderdeel van de Nota bodembeheer gemeente Tilburg, Beleid voor het tijdelijk opslaan en/of toepassen van grond en gerijpte baggerspecie op of in de bodem, Status: herzien definitief, Documentcode: SOB006623.RAP002, LievenseCSO, 10 januari 2020.. In bijlage 1 is een (niet limitatieve) begrippenlijst met toelichting opgenomen met begrippen die onder de Omgevingswet worden gehanteerd. 3.De bestuurlijke vaststelling van dit addendum Om het gemeentelijke grondstromenbeleid beleidsneutraal over te laten gaan bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, moet dit addendum bestuurlijk worden vastgesteld door de gemeenteraad. Na dit raadsbesluit kan volgens artikel 4.81 en artikel 4.83 uit de Algemene wet bestuursrecht het raadsbesluit bekend worden gemaakt. Tegen het raadsbesluit waarin wordt bepaald dat beleidsneutraal wordt 'overgegaan' staan geen rechtsmiddelen open, er kan bijvoorbeeld geen bezwaar worden gemaakt of beroep worden ingediend. 4.De uiteindelijke implementatie in het definitieve gemeentelijke omgevingsplan Uiterlijk 18 februari 2030 moeten de te actualiseren beleidsregels, het gebiedsspecifieke beleid in de nota bodembeheer (
bijlage 2) worden overgezet naar het definitieve gemeentelijke omgevingsplan. Uiterlijk 1 januari 2032 moeten de bruidsschatregels (schrappen, overnemen, continueren) en de bodemfunctieklassenkaart worden omgezet naar het definitieve gemeentelijke omgevingsplan. De (beleids)regels omzetten naar het definitieve gemeentelijke omgevingsplan gebeurt met artikelteksten en toelichtingen op de artikelen. De artikelteksten voor de gemeentelijke beleidsregels en de toelichtingen op de artikelen maken geen onderdeel uit van dit addendum. BIJLAGE1:BEGRIPPENLIJST EN TOELICHTING ONDER DE OMGEVINGSWET Aandachtstoffen Aandachtstoffen zijn opkomende verontreinigende stoffen waarvan in de gehele Europese Unie nog onvoldoende monitoringgegevens beschikbaar zijn voor een risicobeoordeling. Aandachtstoffen worden ook wel watchlist-stoffen genoemd. Aangrenzend perceel en verspreiden baggerspecie Het begrip ‘aangrenzend perceel’ wordt bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet gewijzigd. Voor onderhoudsbaggerspecie (óók stedelijke baggerspecie) waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitseisen uit tabel 3b van bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022 én aan de interventiewaarden droge bodem geldt de ontvangstplicht. Om zorgen over de risico’s van het verspreiden van de baggerspecie weg te nemen, is bij de nieuwe normen nog beter rekening gehouden met ecologische risico’s en voedselveiligheid. Er worden dusdanige eisen aan de baggerkwaliteit gesteld, dat de bodemfuncties ten aanzien van duurzaam landbouwkundig gebruik en ecologie voldoende zijn gewaarborgd. Voor de herkenbaarheid voor de omgeving (omwonenden; duidelijk waar bagger vandaan komt) wordt vanaf de exacte locatie van baggeren een afstandscriterium van 10 kilometer gehanteerd. De zorgplicht blijft te allen tijde van kracht. Achtergrondwaarde bodem In het kader van bodemverontreiniging het van nature in de bodem aanwezige gehalte aan verontreinigende stoffen. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kwam de aanduiding 'Achtergrondwaarde bodem' voor in het Besluit bodemkwaliteit. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is deze aanduiding in het Besluit bodemkwaliteit vervangen door de kwaliteitseis Landbouw/Natuur (voor grond) en algemeen toepasbaar (voor baggerspecie). Activiteiten De Omgevingswet regelt activiteiten, maar een juridische definitie voor het woord activiteit is er niet. De Omgevingswet onderscheidt verschillende soorten activiteiten. In het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving staan rijksregels voor activiteiten, zoals: Milieubelastende activiteiten. Bouwactiviteiten. De rijksmonumentenactiviteit. Decentrale overheden kunnen ook regels stellen aan activiteiten: Waterschapsactiviteiten. Provinciale activiteiten. Gemeentelijke activiteiten Afleverbon Begeleidend document bij een partij grond of baggerspecie dat bij de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit is verstrekt als dit volgens Regeling bodemkwaliteit 2022 verplicht is. Het doel van de afleverbon is om de relatie tussen de partij en de milieuverklaring bodemkwaliteit te leggen. Baggerspecie Materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter. Dit staat in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Besluit en Regeling bodemkwaliteit 2022 Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de Regeling bodemkwaliteit 2022 (Rbk 2022) stellen regels aan kwaliteitsborging bij bodembeheer, de milieuverklaringen bodemkwaliteit en regels voor het verhandelen van bouwstoffen. De regels hebben te maken met de milieubelastende activiteiten toepassen van bouwstoffen en toepassen van grond of baggerspecie uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Lees meer over het Besluit en de regeling bodemkwaliteit 2022. Bevoegd gezag In de meeste situaties is bij het hergebruik/toepassen van grond op of in de landbodem, de activiteit bouwen en de activiteit ruimtelijke planvorming de gemeente voor haar eigen grondgebied het bevoegd gezag. Op een saneringslocatie is de gemeente bevoegd gezag. Onder de (voormalige) Wet bodembescherming is dat ook de gemeente Tilburg (aangewezen gemeente voor taken en bevoegdheden van de Wet bodembescherming; Staatsblad 2000, nr. 591, publicatie 21 december 2000). Voor historische grondwaterverontreinigingen zijn het rijk, de provincies, waterschappen én gemeenten bevoegd gezag. De provincies hebben voor haar grondgebied hier een coördinerende en regisserende rol. Bij een nieuwe verontreiniging (veroorzaakt op of na 1 januari 1987) binnen een omgevingsvergunningplichtige inrichting, toetst de vergunningsverlener Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van de desbetreffende inrichting of zijzelf dan wel de provincie als het bevoegd gezag optreedt. Voor de activiteit bouwen en de activiteit ruimtelijke planvorming binnen de (toekomstige) Omgevingswet, de (voormalige) Wet ruimtelijke ordening en de (voormalige) Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is de gemeente voor haar eigen grondgebied het bevoegd gezag. Voor milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is de gemeente bevoegd gezag. Er zijn hierop enkele uitzonderingen: Als een provincie of minister een omgevingsvergunning voor een bepaalde activiteit heeft verleend, dan is deze ook bevoegd gezag voor handhaving van de Bal-voorschriften voor die activiteit.
artikel 2.9 Bal en artikel 18.2 lid 1 Omgevingswet. Zo is de provincie bevoegd gezag voor de Bal-voorschriften voor complexe bedrijven. Een aandachtspunt bij complexe bedrijven is dat ook activiteiten onder de vergunning kunnen vallen die normaliter niet zelfstandig vergunningplichtig zijn. Dit is bijvoorbeeld vaak het geval bij functioneel ondersteunende activiteiten. Ook als het complexe bedrijf een IPPC-installatie is, vallen veel extra activiteiten onder de vergunning. De provincie is bevoegd gezag voor het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem (artikel 2.5 Bal). De minister van Infrastructuur en Waterstaat is bevoegd gezag voor een milieubelastende activiteit (artikel 2.6 Bal): op zee buiten de gemeente- of provinciegrens die geheel of in hoofdzaak wordt verricht in de exclusieve economische zone voor het exploiteren van een buisleiding met gevaarlijke stoffen zoals bedoeld in paragraaf 3.4.3 van het Bal op bepaalde defensieterreinen voor de opslag van en activiteiten met explosieven op locaties die staan in bijlage IX van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) De minister van Economische Zaken is bevoegd gezag voor het aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk zoals bedoeld in paragraaf 3.10.1 van het Bal. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd gezag voor het op of in de bodem brengen van meststoffen zoals bedoeld in paragraaf 3.2.20 van het Bal. Het vernietigen van graszoden op weidegronden valt daar ook onder. Bodem (definitie) In de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet is het begrip bodem als volgt gedefinieerd: “Vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen.” Tot de bodem behoort ten eerste het buitenste vaste deel van de aarde. Daarbij moet zo diep worden gegaan als de beïnvloeding van menselijke activiteiten in die bodem. Dit omvat zowel de organische als de minerale bestanddelen. Ten tweede behoren ook de vloeibare delen tot de bodem. De vloeibare delen van de bodem zijn het water en de zich daarin bevindende stoffen. In de zone waarin bodem door water is verzadigd, wordt gesproken van grondwater. Grondwater maakt dus ook onderdeel uit van de bodem. Tot slot bestaat de bodem uit gasvormige bestanddelen. Deze gasvormige bestanddelen bestaan uit verschillende bodemgassen, zoals zuurstof, stikstof en methaan. Bodembeheergebied Gebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling in het omgevingsplan of in de waterschapsverordening op grond van artikel 5.89o of 6.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De aanwijzing van een bodembeheergebied is nodig als de gemeente of de waterkwaliteitsbeheerder via maatwerk soepelere kwaliteitseisen wil opnemen in het omgevingsplan of de waterschapsverordening.
: aanwijzing bodembeheergebied (instructieregel omgevingsplan). Bodemfunctieklassenkaart Kaart waarop de verschillende bodemfuncties zijn aangegeven, waarbij het bodemgebruik is ingedeeld in de klassen ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Landbouw/natuur’ (artikel 5.89p van het Besluit bodemkwaliteit leefomgeving (artikel 1 Besluit bodemkwaliteit)).
: Indeling van de landbodem in de bodemfunctieklassenkaart. Onder het (voormalige) Besluit bodemkwaliteit is de functieklasse ‘Landbouw/natuur’ soms aangegeven als ‘Overig’. De bodemfunctie bepaalt samen met de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende landbodem de kwaliteitseis voor het toepassen van grond of baggerspecie op de landbodem.
: Kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie op de landbodem. De bodemfunctieklasse bepaalt ook de terugsaneerwaarde bij de saneringsaanpak verwijderen van een verontreiniging bij saneren van de bodem (artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving). Bodemgevoelig gebouw Een gebouw, of een gedeelte daarvan, een woonschip of een woonwagen als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m2 valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw. Bodemgevoelige locatie Een locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een (aaneengesloten) tuin of terrein grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. De gemeente kan de definitie die in de instructieregel (
par. 5.1.4.5.1 Bkl) is opgenomen niet wijzigen. De gemeente kan in het omgevingsplan andere locaties aanwijzen als bodemgevoelige locatie, zoals kinderspeelplaatsen of moestuinen en stadslandbouw. Bodemkwaliteitskaart Kaart als bedoeld in artikel 25c, derde lid van het Besluit bodemkwaliteit (artikel 1). De bodemkwaliteitskaart vormt de basis voor het vastleggen van de kwaliteitseisen die gelden op een locatie. In sommige gevallen kan de bodemkwaliteitskaart ook gebruikt worden als milieuverklaring bodemkwaliteit.
: Milieuverklaring op grond van een (water)bodemkwaliteitskaart. Bodemlagen (omschrijving) Onder de (toekomstige) Omgevingswet is geen sprake (meer) van boven – en ondergrond zoals gebruikt is onder de (voormalige) Wet bodembescherming en het (voormalige) Besluit bodemkwaliteit. Onder de (toekomstige) Omgevingswet wordt gesproken over bodemlagen; bijvoorbeeld: Bodemlaag 0-0,5 m-mv (werd omschreven als bovengrond). Bodemlaag 0,5-2,0 m-mv (werd omschreven als ondergrond). Bouwstof Materiaal dat is bestemd om te worden toegepast, waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium en aluminium tezamen meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedragen, met uitzondering van vlakglas, metallisch aluminium, grond of baggerspecie. Dit staat in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
: Inhoudelijke regels toepassen bouwstoffen en Handelingen met bouwstoffen. Bruidsschat De term ‘bruidsschat’ wordt gebruikt voor de regels die het Rijk als onderdeel van het Invoeringsbesluit Omgevingswet automatisch toevoegt aan elk omgevingsplan en aan elke waterschapsverordening. In de bruidsschat staan onderwerpen waarvoor het Rijk geen direct werkende regels heeft gemaakt. Het is een bijzondere vorm van overgangsrecht. De bruidsschat is onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Decentrale regels De regels over activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving, kunnen in verschillende besluiten staan. Namelijk in het omgevingsplan, de waterschapsverordening, de omgevingsverordening en in algemene maatregelen van bestuur van het Rijk. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om regels over aanlegactiviteiten, bouwactiviteiten of sloopactiviteiten. Of regels over het uitvoeren van bedrijfsmatige of beheersmatige activiteiten. Het initiatief voor deze activiteiten ligt meestal bij burgers en bedrijven, maar soms ook bij overheden zelf. Bijvoorbeeld een weg aanleggen, een zuiveringtechnisch werk bouwen of een gemeentelijke jachthaven realiseren. Ook bij het stellen van regels over activiteiten is decentrale beleidsruimte het uitgangspunt. Het wel of niet stellen van regels is in beginsel een keuze van decentrale overheden. Zo kiezen veel gemeenten ervoor om regels te stellen ter bescherming van bomen en houtopstanden. Ook stellen ze bijvoorbeeld vaak regels aan het maken van een inrit of uitweg of het aanbrengen van handelsreclame op of aan een onroerende zaak. Waterschappen stellen bijvoorbeeld regels over het lozen en onttrekken van water. Diffuse bronnen Een bron van verontreiniging die niet op één bepaalde plek zijn oorsprong heeft, maar over een groter gebied plaatsvindt, zoals verontreinigingen afkomstig uit de landbouw en het verkeer die via neerslag het grond- en oppervlaktewater bereiken. Erkende werkzaamheid Werkzaamheden die te maken hebben met bodem(beheer) en waarvoor het Besluit bodemkwaliteit voorschrijft dat deze verplicht onder erkenning moeten plaatsvinden.
: Overzicht werkzaamheden bodemkwaliteit met verplichte erkenning. Erkenning bodemkwaliteit Beschikking op grond van artikel 9, lid 1, van het Besluit bodemkwaliteit waarbij is vastgesteld dat een persoon of instelling voor een bodemwerkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens dat besluit geldende voorwaarden voor het verkrijgen van een erkenning (artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit). Dit betekent dat de persoon of instelling deze werkzaamheid mag uitvoeren. De verplichting om onder erkenning bepaalde werkzaamheden uit te voeren, staat ook wel bekend als de erkenningsregeling kwalibo. Functionele toepassing Toepassen van grond of baggerspecie is alleen toegestaan in een functionele toepassing. Dit kunnen zowel functionele toepassingen zijn in een werk5 Een werk is een bouwwerk, infrastructuur of andere functionele toepassing van bouwstoffen. De definitie staat in artikel 4.1257, lid 2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. of functionele toepassingen die geen werk zijn. Deze functionele toepassingen staan respectievelijk in het tweede en derde lid van artikel 4.1269 van het Bal. Het is een limitatieve opsomming. Het toepassen van grond of baggerspecie betreft niet alleen de aanleg van de functionele toepassing maar ook de instandhouding, het herstel, de verandering en de uitbreiding daarvan. Functionele toepassingen in een werk Functionele toepassingen zijn het aanleggen, in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van de volgende werken: Wegen of spoorwegen, met daarbij ook bijbehorende geluidswallen, en bouwwerken en dijken. Ophogingen op of in de landbodem voor het realiseren van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden, tuinen of recreatieterreinen. Ophogingen op of in de landbodem voor het herstellen of verbeteren van de bodemgesteldheid van een terrein of het bevorderen van de landbouwkundige waarde, natuurwaarde of recreatieve waarde van een terrein. Afdeklagen op saneringslocaties, bovenafdichtingen op stortplaatsen en afdeklagen op grootschalige toepassingen of op toepassingen in een diepe plas. Herinrichtingen van winplaatsen of voormalige winplaatsen voor delfstoffen op de landbodem voor het maken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden, tuinen, recreatieterreinen of het stabiliseren van wanden. Voorzieningen in oppervlaktewaterlichamen (met uitzondering van diepe plassen) voor het: Voorkomen of beperken van overstromingen of wateroverlast (klimaatadaptief maken). Het bevorderen van de natuurwaarde of recreatieve waarde daarvan. Het bevorderen van de doorvaart van de scheepvaart. Het herstellen of verbeteren van de ligging, vorm, afmeting en constructie van een waterstaatswerk. Suppleties van baggerspecie langs de kustlijn voor het herstellen of verbeteren van de kustverdediging. Opvullingen van oppervlaktewaterlichamen (met uitzondering van diepe plassen), tot landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden of recreatieterreinen. Opvullingen van diepe plassen voor het bevorderen van: De natuurwaarde of recreatieve waarde van de diepe plas. Het ontwikkelen tot landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden of recreatieterreinen. Het stabiliseren van wanden. Functionele toepassingen die geen werk zijn De volgende toepassingen zijn ook functioneel, maar zijn geen werk: Verspreiding van baggerspecie, met inbegrip van verspreiding in een weilanddepot, uit een oppervlaktewaterlichaam dat behoort tot de regionale wateren. De baggerspecie is hier terechtgekomen door afspoeling en afkalving van materiaal van gronden die liggen aan of in het oppervlaktewaterlichaam en past men toe: Voor het herstellen of verbeteren van de bodemgesteldheid van die gronden. Op landbouwgronden die tot maximaal 10 km afstand liggen van de plaats van vrijkomen van de baggerspecie. Verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden of platen, voor het herstellen of verbeteren van de ecologische en morfologische functies van het sediment. Verspreiding van baggerspecie binnen uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden of platen. De baggerspecie is dan afkomstig uit een watergang die ligt in tot een oppervlaktewaterlichaam behorende uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden of platen. De baggerspecie past men toe voor het herstellen of verbeteren van de bodemgesteldheid van die gronden. Functionele hoeveelheid Een initiatiefnemer moet grondstoffen zuinig gebruiken. En afvalstoffen moet een initiatiefnemer doelmatig beheren. Daarom mag hij of zij grond of baggerspecie alleen in hoeveelheden toepassen die noodzakelijk zijn voor het voltooien van de functionele toepassing. En noodzakelijk betekent dan in de zin van gangbare civieltechnische, bouwtechnische, milieuhygiënische, ecologische of esthetische maatstaven. Meer toepassen dan nodig is, is niet toegestaan. Gebouw De term gebouw is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit bouwwerken leefomgeving gedefinieerd als: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Graven Grondverzet zonder saneringsdoelstelling. Wie gaat graven in de bodem, heeft onder de (toekomstige) Omgevingswet te maken met een melding- of informatieplicht. De verplichten verschillen per type activiteit. In een stroomschema graven is voor zowel de initiatiefnemer als de toezichthouder en bevoegd gezag overzichtelijke gemaakt welke regels er gelden. Het stroomschema moet van boven naar beneden worden doorlopen. Grond Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm. Het organische stof moet in een verhouding en met een structuur zijn zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen. Dit geldt ook voor van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 mm, met uitzondering van baggerspecie (artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit). Grondwater (definitie) In de Omgevingswet is voor de definitie van grondwater aangesloten bij de definitie uit de Europese waterrichtlijnen: “Water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat.” De definitie van grondwater sluit beter aan bij de manier waarop de (toekomstige) Omgevingswet het begrip gebruikt, en hoe de Omgevingswet de waterbeheertaken beschrijft. Alleen het water dat zich in de verzadigde zone bevindt is grondwater. Daarop richten zich dan ook de grondwaterdoelstellingen van de Kaderrichtlijn Water en de Grondwaterrichtlijn. Ten opzichte van de Waterwet is dit een wijziging. In de Waterwet valt 'al het in de bodem aanwezige water’ onder het begrip grondwater. Terwijl in de Kaderrichtlijn Water het ‘aan de grond hangende bodemvocht in de onverzadigde zone’ nadrukkelijk buiten het begrip grondwater is gelaten. Grootschalige toepassing grond en baggerspecie Het toepassen van grote hoeveelheden grond en baggerspecie (meer dan 5000 kuub). Voorbeelden van grootschalige toepassingen zijn het toepassen van grond en baggerspecie in bouw- en wegconstructies, in terpen of in diepe plassen (zandwinputten).
: Kwaliteitseisen grootschalige toepassing grond en baggerspecie. Instructieregel Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten. Lees meer over instructieregels. Interventiewaarde bodemkwaliteit Waarde die aangeeft dat bij overschrijding sprake is van significante risico's voor mens, plant of dier (bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). De interventiewaarden bodemkwaliteit staan in bijlage IIA van het Bal. Deze waarden bepalen onder andere het onderscheid tussen de activiteiten graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit en graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarden bodemkwaliteit. Kwalibo; kwaliteit van de uitvoering van een werkzaamheid Kwalibo staat voor kwaliteitsborging in het bodembeheer. Hiermee stelt het Besluit bodemkwaliteit kwaliteits- en integriteitseisen aan werkzaamheden in het bodembeheer, waaronder een erkenningsplicht voor bepaalde werkzaamheden. Kwalibo vergroot de kwaliteit en de betrouwbaarheid van het werk van intermediairs (certificerende instellingen, certificaathouders, producten en diensten.). Bepaalde werkzaamheden mogen alleen uitgevoerd worden door gecertificeerde en/of geaccrediteerde personen en bedrijven, die ook erkend moeten zijn. Daarnaast mag het bevoegd gezag alleen aanvragen voor een vergunning of een melding in behandeling nemen wanneer de bodemgegevens afkomstig zijn van erkende bedrijven. En als ze zijn uitgevoerd volgens de daarvoor geldende documenten. In normdocumenten staan de werkzaamheden waarop Kwalibo van toepassing is. Normdocumenten zijn protocollen en beoordelingsrichtlijnen. Gecertificeerde en/of geaccrediteerde bedrijven moeten een kwaliteitssysteem hebben. Controle vindt plaats door certificerende instellingen en/of een accreditatie-instantie. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is bevoegd gezag. Zij kan handhavend optreden tegen organisaties die zonder erkenning werkzaamheden verrichten of niet volgens normdocumenten werken. Het onderdeel Kwalibo van het Besluit bodemkwaliteit valt niet onder de Omgevingswet, maar onder de Wet milieubeheer. Hetzelfde geldt voor de normdocumenten in bijlage C van de Regeling bodemkwaliteit 2022. Het principe van gelijkwaardigheid van de Omgevingswet werkt dus niet door in het Besluit bodemkwaliteit. Het is daarom niet mogelijk om, onder het principe van gelijkwaardigheid van de Omgevingswet, de aangewezen werkzaamheden toch zonder erkenning uit te voeren. Kwaliteitsklasse Klasse waarin grond, baggerspecie, landbodem of waterbodem op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit ingedeeld kan worden op basis van milieuhygiënische kwaliteitseisen. De kwaliteitsklassen komen bij diverse milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving voor, waaronder bij het toepassen van grond of baggerspecie. De kwaliteitseisen die de bovengrens vormen voor een kwaliteitsklasse staan in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022.
: Kwaliteits- en bodemfunctieklassen bij activiteiten op of in de bodem. Kwaliteitsklassen voor landbodem en grond De normen van de kwaliteitseisen staan in tabel 1 van bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022. Deze kwaliteitseisen bepalen in welke kwaliteitsklasse de landbodem of de grond valt. Voor sommige stoffen zijn de kwaliteitseisen soms getalsmatig hetzelfde. Bijvoorbeeld voor de meeste metalen is de kwaliteitseis 'Industrie' gelijk aan de Interventiewaarde bodemkwaliteit. Dan is er geen kwaliteitsklasse ‘matig verontreinigd’ mogelijk op basis van deze metalen. Hetzelfde geldt voor minerale olie, waarbij de kwaliteitseis 'Landbouw/natuur' en de kwaliteitseis 'Wonen' hetzelfde zijn. Er is dan geen kwaliteitsklasse 'Wonen' op basis van minerale olie mogelijk. Leefomgeving Er bestaat geen duidelijke begrenzing van de leefomgeving. De Omgevingswet noemt fysieke leefomgeving (artikel 1.2, lid 1). Deze bestaat in ieder geval uit: bouwwerken infrastructuur watersystemen water bodem lucht landschappen natuur cultureel erfgoed werelderfgoed Maatwerk Aanpassen van de kwaliteitseisen kan via maatwerk (maatwerkregels of maatwerkvoorschriften). Daarvoor gelden wel een aantal voorwaarden. Welke voorwaarden en mogelijkheden gelden, hangt af van de milieubelastende activiteit. Voor het afleiden en onderbouwen van andere kwaliteitseisen via maatwerkregels, kan het bevoegd gezag de RisicotoolboxBodem van het RIVM gebruiken. In de volgende figuren staan de verschillende mogelijkheden voor maatwerk. Het is niet mogelijk om met een maatwerkregel de interventiewaarde bodemkwaliteit aan te passen bij de milieubelastende activiteiten graven in de bodem. Deze waarde bepaalt het toepassingsbereik van de activiteit, of welke milieubelastende activiteit van toepassing is. Namelijk: graven met een kwaliteit boven Interventiewaarde bodemkwaliteit? Of met een kwaliteit gelijk of kleiner dan interventiewaarde bodemkwaliteit? Het opslaan van matig of sterk verontreinigde grond is vergunningplichtig. Dit is onderdeel van het toepassingsbereik. Daarop is geen maatwerk mogelijk. Het opslaan van sterk verontreinigde baggerspecie is vergunningplichtig. Dit is onderdeel van het toepassingsbereik. Daarop is geen maatwerk mogelijk. Voor het toepassen van grond, bagger, mijnsteen of vermengde mijnsteen zijn de mogelijkheden voor maatwerk groter. Het is namelijk ook mogelijk om sterk verontreinigde grond, bagger of mijnsteen toe te passen. Hier gelden wel aanvullende voorwaarden voor. Deze staan in artikel 4.1273 en 4.1289 van het Bal. Voor de kwaliteitseisen bij de standaard saneringsaanpak 'afdekken' bij het saneren van de bodem geldt dezelfde ruimte voor maatwerk als voor toepassen. Maatwerkregel Een maatwerkregel is een algemene regel van een gemeente, waterschap of provincie die afwijkend of aanvullend is op een algemene regel van het Rijk of een provincie (artikel 4.6 Omgevingswet). Lees meer over de maatwerkregel. Milieubelastende activiteiten Onder de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit werd dit aangeduid als ‘bodembedreigende activiteiten’. Een milieubelastende activiteit is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Een wateronttrekkingsactiviteit en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk zijn geen milieubelastende activiteiten in de zin van de Omgevingswet. Lees meer over het begrip milieubelastende activiteit. Milieuverklaring bodemkwaliteit en afleverbon Schriftelijke verklaring over de milieuhygiënische kwaliteit van een partij bouwstof, grond, baggerspecie, mijnsteen of vermengde mijnsteen of de (water)bodem, die is afgegeven op grond van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). De verklaring is bedoeld om als wettig bewijsmiddel te dienen dat aan de kwaliteitseisen is voldaan, behalve als sprake is van bewijs van onjuistheid of onvolledigheid. In het Bbk staan in hoofdstuk 3A regels voor de afgifte van milieuverklaringen bodemkwaliteit. De uitwerking van deze regels staat in de Regeling bodemkwaliteit 2022.
: Milieuverklaring bodemkwaliteit. Niet-vormgegeven bouwstof Een niet-vormgegeven bouwstof is een bouwstof waarvan de kleinste eenheid een volume heeft van minder dan 50 cm3 of bouwstoffen die onder normale omstandigheden niet duurzaam vormvast zijn. Voorbeelden zijn assen en granulaten.
: Inhoudelijke regels toepassen bouwstoffen en Handelingen met bouwstoffen. Omgevingsplan Het omgevingsplan vervangt de huidige bestemmingsplannen en bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied. Per gemeente is er 1 omgevingsplan. Lees meer over het omgevingsplan. Omgevingsplan, nieuw deel Het nieuwe deel van het omgevingsplan is het deel dat na inwerkingtreding van de Omgevingswet is vastgesteld 'met het oog op de doelen van de wet' (artikel 2.1 lid 1 Omgevingswet). Dit deel van het omgevingsplan voldoet aan de instructieregels en digitale standaarden. Lees meer over de overgangsfase van het omgevingsplan. Omgevingsplan, tijdelijk deel Het tijdelijk deel van het omgevingsplan is het omgevingsplan dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet aanwezig is op grond van het overgangsrecht. Het betreft hier de bestaande planologische regels, zoals bijvoorbeeld bestemmingsplannen en gemeentelijke verordeningen. Daarnaast gaat het om de regels uit de bruidsschat. Lees meer over het tijdelijk deel omgevingsplan. Ongewoon voorval Een ongewoon voorval is een gebeurtenis die voldoet aan de volgende criteria: bij een activiteit gebeurt iets dat afwijkt van het normale verloop; de gebeurtenis heeft (mogelijk) nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving; en de gebeurtenis heeft grote, merkbare gevolgen. Lees meer over een Ongewoon voorval onder de Omgevingswet. Partij bouwstoffen Een hoeveelheid bouwstoffen met een vergelijkbare aard en samenstelling en die dezelfde herkomst of producent hebben en als eenheid worden verhandeld of toegepast (artikel 1, Besluit bodemkwaliteit).
: Inhoudelijke regels toepassen bouwstoffen en Handelingen met bouwstoffen. Partij grond of baggerspecie Een hoeveelheid grond, baggerspecie, mijnsteen of vermengde mijnsteen is een partij als dat materiaal een vergelijkbare aard en samenstelling heeft en een eenheid vormt, die is ontstaan door: het ontgraven van een hoeveelheid van het materiaal, die van oorsprong in de bodem: fysiek aaneengesloten is, of gedeeltelijk onderbroken is en waarbij de onderlinge afstand tussen de niet-aaneengesloten hoeveelheden niet meer 25 m bedraagt het ontgraven van een van oorsprong in de bodem niet fysiek aaneengesloten hoeveelheid van dat materiaal, die niet meer dan 25 m3 bedraagt het bewerken van het materiaal, of het samenvoegen of splitsen van partijen van het materiaal De definitie van partij staat in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Lees meer op pagina Definitie van een partij grond of baggerspecie. Saneren Het beheren, beperken of ongedaan maken van een verontreiniging in de grond, de waterbodem of het grondwater. Saneringsplicht De saneringsplicht is onder de (toekomstige) Omgevingswet afhankelijk van de locatieontwikkeling. Onder de Wet bodembescherming beschikte locaties en saneringen in uitvoering vallen onder het overgangsrecht Omgevingswet. Tarragrond Tarragrond is aanhangende grond die vrijkomt bij het behandelen van gewassen na de oogst. Dit staat in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Tarragrond heet ook wel spoelgrond of zeefgrond, en kent zowel droge als natte verschijningsvormen. Er gelden specifieke bepalingen voor het toepassen van tarragrond op of in de bodem. Tijdelijk uitnemen van grond Het uitnemen van grond uit de bodem, waarna die grond weer wordt teruggebracht op of in de bodem, onder dezelfde omstandigheden en zonder te zijn bewerkt (bijlage I van het Bal). Lees meer op pagina Tijdelijk uitnemen van grond of baggerspecie. Toevalsvondst Een locatie waar na inwerkingtreding van de Omgevingswet een historische bodemverontreiniging (ontstaan vóór 1 januari 1987) wordt vastgesteld en de veroorzaker niet bekend is (afdeling 19.2a Omgevingswet). Het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente waarin een dergelijke bodemverontreiniging wordt aangetroffen kan tijdelijke beschermingsmaatregelen - met inbegrip van onderzoek naar de toestand van de bodem - verplichten aan de eigenaar van het stuk grond. De tijdelijke beschermingsmaatregelen hebben betrekking op onaanvaardbare risico's voor de gezondheid als gevolg van de blootstelling. Het kan in de praktijk gaan om bijvoorbeeld het plaatsen van hekken zodat spelende kinderen of passanten een terrein niet betreden. De toevalsvondst-regeling houdt geen saneringsplicht in en ook het toetsingskader is aanzienlijk beperkter dan de Wet bodembescherming. Nadelige gevolgen voor mens (anders dan onaanvaardbare risico's), de ecologie en de mogelijke verspreidingsrisico's naar het grondwater zijn in het kader van de toevalsvondst namelijk geen beoordelingscriteria. In de Omgevingsvisie (de beleidsuitgangspunten) en in het omgevingsplan of het omgevingsprogramma (het regulerend instrumentarium) moet worden aangeven welke eisen worden gesteld aan de bodemkwaliteit binnen de grenzen van het beheergebied. Het Omgevingsplan zal dan ook bepalend zijn voor de wijze waarop met dergelijke historische verontreinigingen moet worden omgegaan en of er een saneringsplicht geldt. Verspreiden van baggerspecie Vrijgekomen baggerspecie toepassen. De baggerspecie die op ongewenste plaatsen is gesedimenteerd, elders weer terugbrengen in het watersysteem of op aangrenzende gronden van de landbodem. De sedimentbalans wordt zo hersteld.
verder: Kwaliteitseisen verspreiden baggerspecie. Gedoogplicht ontvangst maaisel en baggerspecie. Zorgplicht De zorgplicht in de Omgevingswet geldt voor overheden, bedrijven en burgers. De wet kent een algemene zorgplicht, een algemeen verbod en een specifieke zorgplicht. De algemene zorgplicht houdt in dat zowel overheden, bedrijven als burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het algemeen verbod houdt in dat het verboden is een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Een specifieke zorgplicht is toegespitst op specifieke activiteiten voor concreet genoemde belangen. Zoals het regelmatig legen van een lekbak. Lees meer over het begrip zorgplicht in de Omgevingswet. BIJLAGE2:TRANSPONERINGSTABEL GRONDSTROMENBELEID GEMEENTE TILBURG ONDER DE OMGEVINGSWET Nr Beleidsregel Nota bodembeheer regelgeving 2023 Regelgeving Omgevingswet Omzetting beleidsregels nota bodembeheer én tijdelijk deel gemeentelijk Omgevingsplan in definitief gemeentelijk omgevingsplan - : komt niet terug in definitief gemeentelijk Omgevingsplan 1 Kaartbijlage 1 nota bodembeheer Bodemfunctieklassenkaart (verplicht) Wet bodembescherming (oud) artikel 12a, lid
ook de beleidsregel “Gebiedsspecifiek beleid nr. 9 aanwijzing bodembeheergebied”. Deze uitbreiding valt volgens het Besluit in het gebiedsspecifieke kader. In beleidsregel nr. 24 zijn de toepassingseisen geformuleerd aan welke kwaliteit de toe te passen grond moet voldoen. Besluit bodemkwaliteit (oud) artikel
beleidsregel nr. […]. Op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en waarvoor een apart beleidsregel is opgesteld;
beleidsregel nr. […]. Besluit bodemkwaliteit (oud) artikel
paragraaf 4.2); én niet tussentijds is bewerkt (bijvoorbeeld samengevoegd met andere partijen grond). Samenvoegen van toepasbare partijen grond mag alleen onder erkenning van de BRL SIKB 9335 of de BRL SIKB 7500. Splitsen van een partij grond is toegestaan, ook zonder erkenning. Het splitsen moet goed worden gedocumenteerd (
hiervoor artikel 4.3.1 Regeling bodemkwaliteit) door de initiatiefnemer. Minimaal moet de onderstaande informatie administratief worden vastgelegd: de relatie tussen de deelpartij en de oorspronkelijke partij, de persoon of instelling welke de splitsing heeft uitgevoerd, en de datum waarop de splitsing is uitgevoerd. Het beschikbare bewijsmiddel blijft geldig voor verschillende gesplitste deelpartijen. Als de grond wordt toegepast onder certificaat wordt gesplitst, moet rekening worden gehouden met het gestelde in § 6.9 van het BRL 9335 – protocol 9335-
de kaartbijlage 4A en 4B nota bodembeheer). Voor grond van grondbanken en extractief gereinigde grond van grondreinigers geldt: Bij grondbanken en -reinigers komen vanuit verschillende delen van de provincie Noord-Brabant en omliggende provincies grond binnen. De gemeente Tilburg heeft in § 4.2 van de nota bodembeheer haar bodembeheergebied gedefinieerd. De gemeente stelt daarom dat de kwaliteit van gereinigde grond of grond afkomstig van een grondbank, waarvan de herkomst buiten het bodembeheergebied gelegen is, moet voldoen aan de generieke toepassingseisen die gelden op de locatie waar de grond wordt toegepast (
de kaartbijlage 4A en 4B nota bodembeheer). De kwaliteit van gereinigde grond of grond afkomstig van een grondbank, waarvan de herkomst binnen het bodembeheergebied gelegen is, mag voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen die gelden op de locatie waar de grond wordt toegepast (
de kaartbijlage 5 nota bodembeheer). Gemeentelijke beleidsregel. - - 23 Paragrafen 4.11 en 7.2.1 nota bodembeheer Landelijk beleid: onderzoekseisen grond afkomstig van gebieden waar de bodemkwaliteitskaart niet is geaccepteerd Het stellen van regels bij het toepassen van grond afkomstig van gebieden waar de gemeente de bodemkwaliteitskaart niet heeft geaccepteerd: de kwaliteit van de grond moet worden aangetoond met een partijkeuring of een certificaat van een erkende instelling (bijvoorbeeld en grondbank die is erkend voor de BRL protocol 9335-
Besluit bodemkwaliteit (oud) artikel
tabel 2.1, bijlage 4 en kaartbijlagen 3A en 3B van de nota bodembeheer); én de PFAS-gehalten voldoen aan de voor PFAS-verbindingen gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
Gemeentelijke beleidsregel. - - 32 Paragraaf 4.14.2.3 nota bodembeheer Gemeentelijk beleid: Het gebruik van de toepassingskaart als al een kwaliteitsonderzoek is uitgevoerd Uit een uitgevoerd onderzoek volgens de NEN 5740 of een partijkeuring (SIKB-protocol-1001) kan blijken dat de kwaliteit van de ontvangende bodem van een toepassingslocatie, in combinatie met de bodemfunctie, resulteert in een afwijkende toepassingseis dan is weergegeven op de toepassingskaarten. In die situatie is de kwaliteitseis die is weergegeven op de toepassingskaarten leidend, ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis. Gemeentelijke beleidsregel. In gebieden waar sprake is van de generieke toepassingseisen Artikel 4.1272 Bal (generieke beleidsuitgangspunten) in samenhang met artikel 25d Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd). In gebieden waar sprake is van Lokale Maximale Waarden Paragraaf 4.124 Bal (regels bij het stellen van maatwerkregels). Artikel 4.1273 Bal (mogelijkheid bieden voor maatwerkregels: Lokale Maximale Waarden). Van rechtswege wordt dit juridische gezien ‘gelijkgesteld’ aan het tijdelijk deel van het gemeentelijke omgevingsplan ex art. 22.1 Ow. Als maatwerkregel opnemen in het definitieve gemeentelijke omgevingsplan. 33 Paragraaf 4.14.3 nota bodembeheer Landelijk beleid: terugsaneerwaarden Het stellen van regels bij terugsaneerwaarden op saneringslocaties Circulaire bodemsanering (oud) artikel 4.1.
.3 van de nota bodebeheer) gelden ook voor de tijdelijke opslag van grond voorafgaand aan de toepassing. Besluit bodemkwaliteit (oud) artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.