Beleidsregel Natuur Overijssel 2024Gedeputeerde Staten van Overijssel, gelet op de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024; overwegende dat provinciale regelgeving in overeenstemming moet zijn met de Omgevingswet en daaronder vallende regelgeving; hebben de provinciale regelgeving beleidsneutraal aangepast aan de Omgevingswet; maken bekend dat zij in de vergadering van 23 november 2023 hebben besloten (kenmerk besluit: 2023-058822): de Beleidsregel Natuur Overijssel 2017 in te trekken op de datum dat de Omgevingswet in werking treedt; de aan de Omgevingswet aangepaste Beleidsregel Natuur Overijssel 2024 vast te stellen en in werking te laten treden op de datum dat de Omgevingswet in werking treedt. Hoofdstuk1Algemeen Artikel1.1Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: agroforestry: een landbouwmethode waarbij bomen en/of meerjarige houtige gewassen bewust gecombineerd worden met akkerbouw, veeteelt en/of groenteteelt op hetzelfde perceel. bedrijfsmatige landbouw: aanvragers die hun hoofdbestaan of een substantieel gedeelte van hun bestaan (plegen
- te)vinden in de landbouw; bijproduct: een product dat ontstaat als gevolg van de productie van de in de KWIN-handboeken beschouwde hoofdproducten; in elk geval hooi en stro, en producten die door de KWIN als zodanig worden aangemerkt; BIJ12: uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, onderdeel van het Interprovinciaal Overleg, gemandateerd om ander meer de aanvragen om een tegemoetkoming in faunaschade, als bedoeld in artikel 15.53 van de Omgevingswet, namens gedeputeerde staten af te handelen; bosgroeiplaats: de grond/plaats waarop de houtopstand staat; boskern: aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 5 hectare; brandgang: oppervlakte houtopstand die dient te verdwijnen om natuurbranden te kunnen bestrijden en stoppen. Een brandgang en de noodzaak daartoe is vastgelegd in een Risico beheersplan natuurbranden, dat is vastgesteld door de Veiligheidsregio en de gemeente in overleg met de terreinbeheerder; doelgebonden depositiebank: subcompartiment in AERIUS Register, gericht op het aan projecten kunnen toedelen van in deze bank aanwezige stikstofdepositieruimte voor een bepaald doel; extern salderen: salderen met één of meer activiteiten buiten de begrenzing van één project of locatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning; Faunaschade Preventiekit: overzicht van effectieve preventieve maatregelen per diersoort om gewasschade of veeschade door dieren te voorkomen en beperken, te vinden op de website van BIJ12; Gedeputeerde staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel; Habitatrichtlijn: Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992, inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206); kapitaalintensieve gewassen: kwetsbare gewassen/teelten die meerdere jaren op een plek staan en/of eenjarige teelten die per hectare hoge financiële opbrengsten opleveren; kwetsbare gewassen: de bij ‘landbouw’ en ‘vollegrondsgroenteteelt’ beschreven teelten, met uitzondering van weide-, hooi-, en graszaadpercelen waarvan het grasgewas minimaal zes maanden oud is, en granen en graszaad in de periode waarin het gewas afrijpt; landbouw: veehouderij, akkerbouw, vollegrondgroenteteelt, griendhout, riet, weidebouw, en tuinbouw waaronder begrepen fruitteelt, het telen van vruchten, groenten, paddenstoelen en bloembollen-, bloemen- en bomenteelt; Landbouwvrijstellingsverordening (LVV): Verordening (EU) nr. 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, PBEU L327/1 van 21 december 2022; microdepositiebank: compartiment in AERIUS Register, gericht op het toedelen van aanwezige stikstofdepositieruimte van ten hoogste 0,05 mol per hectare per jaar in de zin van artikelen 3.65 en 3.59 van de Regeling; microdeposities: door een project veroorzaakte N-depositie van ten hoogste 0,05 mol stikstof per hectare per jaar die overeenkomstig artikel 3.59, vierde lid van de Regeling kan worden opgenomen in AERIUS Register en kan worden bestemd voor de doelen als genoemd in artikel 3.65 van de Regeling; MijnFaunazaken: systeem van BIJ12 waarin een aanvrager digitaal de aanvraag om een tegemoetkoming indient, en de verdere communicatie gedurende de procedure plaatsvindt; natuurvergunning: omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wet al dan niet op basis van advies en instemming met het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.25, eerste lid, aanhef en onder e jo art. derde lid, jo. 4.25 derde lid van het Omgevingsbesluit; N-emissie: stikstofverbindingen die direct of indirect vanuit een bron in de lucht worden gebracht; N-depositie: neerslaan van stikstofverbindingen uit de lucht op een oppervlakte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar; pre-SMP-methodiek: werkwijze die voorziet in de bescherming van populaties gebouwbewonende soorten met de bijbehorende compenserende maatregelen en natuurvriendelijk isoleren gedurende het opstellen van een soortenmanagementplan. provinciale stikstofbank: compartiment in AERIUS Register in de zin van artikel 3.57 lid 1 en 2 van de Regeling; referentiesituatie: toestemming als bedoeld artikel 1.1 van deze beleidsregel, onder 1°, 3° en 4°, of bij gebrek daaraan een op de Europese referentiedatum aanwezige toestemming als bedoeld in artikel 1.1 van deze beleidsregel onder 2° en 5° waarbij de laagst toegestane depositie vanaf de referentiedatum geldt; Regeling: Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling). relevant hexagoon: hexagoon waarbinnen een voor stikstof gevoelig natuurlijk habitat of habitat voor soorten voorkomt, en waarbij tevens sprake is van een overbelasting of een naderende overbelasting van N-depositie vanaf 70 mol per hectare, per jaar onder de kritische depositiewaarde; salderen: inzetten van een activiteit met N-emissie op grond van een toestemming in de referentiesituatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning voor een nieuw of gewijzigd project, waarbij deze toestemming geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken of gewijzigd zodat de N-depositie op alle relevante hexagonen niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie; saldogevende activiteit: toestemming die, in geval van extern salderen, wordt ingetrokken of, in het geval van verleasen, tijdelijk buiten gebruik wordt gesteld ten gunste van de saldo-ontvangende activiteit; saldo-ontvangende activiteit: aangevraagde activiteit waarbij gebruik wordt gemaakt van extern salderen; SSRS-bank: stikstofregistratiesysteem, het compartiment binnen AERIUS Register dat beschikbaar is voor projecten als bedoeld in artikel 3.61 lid 1van de Regeling; stikstofdepositieruimte: vrijgemaakte of vrijgevallen stikstofdaling ten behoeve van saldering, waaronder de ruimte die is opgenomen in AERIUS Register, zoals bedoeld in artikelen 3.58 en 3.733 van de Regeling; taxateur: taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau, of een consulent faunazaken van BIJ12; taxatierichtlijnen: de door de directeur van BIJ12 vastgestelde protocollen en richtlijnen ten behoeve van de uitvoering van faunaschade taxaties; toestemming: onherroepelijke vigerende natuurvergunning; of onherroepelijke vigerende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of Natuurbeschermingswet 1998, dan wel onherroepelijke vigerende vergunning of geldende melding op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 2.1 eerste lid onder e of artikel 2.1 eerste lid onder i (omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu), de Wet milieubeheer of de Hinderwet; of een activiteit waarvoor geen natuurvergunningplicht was opgenomen, maar die wel voldeed aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming; of een activiteit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid van de Wet natuurbescherming; of een activiteit die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die niet is vervallen of geëxpireerd; verleasen: extern salderen waarbij de feitelijk gerealiseerde capaciteit van de saldogevende activiteit tijdelijk geheel of gedeeltelijk aantoonbaar buiten gebruik wordt gesteld, ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning voor een tijdelijke depositie gedurende een beperkte vooraf afgebakende periode; Vogelrichtlijn: Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009, inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 207); vollegrondsgroenteteelt: de teelt in open grond van groentegewassen; vrijgemaakte stikstofdepositieruimte: ruimte voor N-depositie die voldoet aan de voorwaarden voor extern salderen als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste tot en met vijfde en zevende tot en met elfde lid die afkomstig is uit mitigerende maatregelen die specifiek zijn getroffen voor het mogelijk maken van ontwikkelingen; vrijgevallen stikstofdepositieruimte: ruimte voor N-depositie die resteert nadat een bevoegd gezag een natuurvergunning heeft verleend; Wet: Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet). Hoofdstuk2Gebiedsbescherming Titel2.1 Vergunningverlening Artikel2.1.1Aanvragen van een vergunning Voor de aanvraag van een natuurvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wet dient het aanvraagformulier, verstrekt door de provincie Overijssel te worden gebruikt. Artikel2.1.2Commissie van deskundigen 1.Gedeputeerde Staten stellen een Commissie van onafhankelijke deskundigen in, die kan adviseren over: emissiearme technieken die een initiatiefnemer voornemens is toe te passen, maar die niet overeenstemmen met de meest actuele codes zoals opgenomen in bijlage V en VI van de Omgevingsregeling; innovatieve technieken en managementmaatregelen binnen het geheel van de agrarische bedrijfsvoering gericht op de beperking van stikstofemissies. 2.Gedeputeerde Staten schakelen de Commissie van deskundigen in als een aanvraag op basis van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wet daartoe naar het oordeel van Gedeputeerde Staten aanleiding geeft. Titel2.2 Intern en extern salderen Artikel2.2.1Begripsbepalingen De begrippen die in deze titel gehanteerd worden, zijn opgenomen in artikel 1.1 van deze beleidsregel. Artikel2.2.2Toepassingsbereik Gedeputeerde Staten hanteren deze beleidsregels bij het beoordelen van een aanvraag om een natuurvergunning waarbij gebruik is gemaakt van salderen voor projecten die een effect kunnen hebben op N-depositie op relevante hexagonen in Natura 2000-gebieden en het daarvoor in te stellen instrumentarium. Artikel2.2.3Natuurvergunning Gedeputeerde Staten verlenen een natuurvergunning in gevallen waarin bij de aanvraag gebruik is gemaakt van extern salderen, uitsluitend indien wordt voldaan aan de in deze beleidsregels opgenomen voorwaarden. Artikel2.2.4Rekenmodel Gedeputeerde Staten gaan bij de beoordeling van de N-depositie uit van de op het moment van beslissing op de aanvraag voor de natuurvergunning meest recente versie van de AERIUS Calculator, zoals beschikbaar op www.aerius.nl. Artikel2.2.5Voorwaarden intern salderen [vervallen] Artikel2.2.6Voorwaarden extern salderen 1.Er bestaat een directe samenhang tussen de intrekking van de toestemming voor de saldogevende activiteit en de verlening van de natuurvergunning voor de saldo-ontvangende activiteit. 2.De saldogevende activiteit voldoet tot het moment van intrekking of wijziging van de toestemming van de saldogever of tot het moment van het sluiten van een overeenkomst tussen de saldogever en de saldo-ontvanger met het oog op de saldo-ontvangende activiteit aan de volgende eisen: de toestemming voor de activiteit is sinds de referentiesituatie onafgebroken aanwezig geweest; de activiteit wordt nog steeds uitgevoerd, dan wel hervatting is mogelijk zonder nieuwe toestemming en zonder nieuwe omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a van de Wet. 3.Gedeputeerde Staten betrekken een toestemming die niet kan worden ingetrokken door Gedeputeerde Staten uitsluitend bij de beoordeling van de aanvraag, indien de feitelijke uitvoering van de activiteit wordt beëindigd voordat deze activiteit wordt ingezet voor salderen. 4.Gedeputeerde Staten betrekken bij de beoordeling van de aanvraag voor extern salderen uitsluitend de N-emissie van de saldogevende activiteit voor zover intrekking van de daaraan ten grondslag liggende toestemming niet noodzakelijk is in verband met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. 5.Gedeputeerde Staten laten bij de beoordeling van een aanvraag buiten beschouwing de N-emissie van een saldogevend bedrijf voor dat deel van een bedrijf dat ofwel deelneemt aan de: In Artikel 3.58 lid 1 van de Regeling genoemde regelingen; stoppersregeling Actieplan Ammoniak Veehouderij. 5a. Gedeputeerde Staten laten bij de beoordeling van een aanvraag buiten beschouwing de N-emissie van een saldogevende activiteit die wordt verricht op een voormalige veehouderijlocatie die is gesloten met gebruikmaking van een van de volgende regelingen: Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv); Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus); Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting (Lvvp); Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties kleinere sectoren. 1 Vanaf het moment van inwerkingtreding van deze regeling. Voorzien wordt dat deze regeling binnenkort wordt vastgesteld en gepubliceerd. 6.Gedeputeerde Staten ontvangen van het voornemen tot extern salderen van de saldo-ontvanger voorafgaand aan de aanvraag een melding met de gegevens van de saldo-ontvangende activiteit en saldogevende activiteit. 7.Bij het beoordelen van een aanvraag hanteren Gedeputeerde Staten als uitgangspunt dat alleen gebruik wordt gemaakt van de in de toestemming opgenomen N-emissie in de referentiesituatie, voor zover de capaciteit aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd. 8.Bij de beoordeling van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, bedoeld in het zevende lid, gaan Gedeputeerde Staten uit van de op het moment van intrekking of wijziging van de toestemming of het sluiten van een overeenkomst op grond van een toestemming volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit. 9.Gedeputeerde Staten verlenen een natuurvergunning eerst nadat de niet-gerealiseerde capaciteit van de saldogever op diens verzoek is ingetrokken. 10.Gedeputeerde Staten gaan bij het berekenen van de N-emissie van het saldogevende bedrijf in de referentiesituatie op basis van feitelijk gerealiseerde capaciteit uit van ten hoogste de emissie die is toegestaan op grond van artikel 4.818, 4.819 en 4.820 Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij sprake is van een uitzondering genoemd in artikel 4.806 of 4.807 Besluit activiteiten leefomgeving of indien het overgangsrecht zoals aangegeven in artikel 4.831, 4.832 en 4.833 Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is. 11.Bij de verlening van een natuurvergunning wordt 70% van de N-depositie van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, zoals bedoeld in lid 7 en 8, van de saldogevende activiteit betrokken. Indien de N-emissie in de referentiesituatie van de betreffende saldogever, zoals bedoeld in lid 2 en 10, lager is dan de N-emissie van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, wordt van deze lagere N-emissie 70% betrokken bij verlening van een natuurvergunning. 12.In afwijking van het elfde lid kan tot 100% van de N-depositie van de saldogevende activiteit bij de verlening van een natuurvergunning betrokken worden, indien het project noodzakelijk is ten behoeve van de realisatie van de doelen van een Natura 2000-gebied. Artikel2.2.6aVoorwaarden verleasen 1.Artikel 2.2.6 is van overeenkomstige toepassing op verleasen, met uitzondering van het eerste, derde en negende lid. 2.Gedeputeerde staten kunnen voor tijdelijke N-deposities van ten hoogste twee jaar een natuurvergunning verlenen met gebruikmaking van verleasen. 3.Gedeputeerde Staten kunnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, verlengen indien zij dat voor het project noodzakelijk achten. 4.Er bestaat een directe samenhang tussen de tijdelijke buitengebruikstelling van de toestemming voor de saldogevende activiteit en de verlening van de natuurvergunning voor de tijdelijke saldo-ontvangende activiteit. 5.Een aanvraag waarbij gebruik wordt gemaakt van verleasen, gaat vergezeld van een afschrift van een getekende overeenkomst tussen saldogever en saldo-ontvanger waarin: de tijdelijke buitengebruikstelling van de saldogevende activiteit wordt gewaarborgd gedurende de looptijd van de natuurvergunning voor de tijdelijke saldo-ontvangende activiteit; en saldogever verklaart in te stemmen met een tijdelijke beperking van zijn toestemming. 6.Gedeputeerde Staten nemen het voorschrift op dat de saldo-ontvangende activiteit slechts mag plaatsvinden binnen de looptijd van de natuurvergunning en dat bij hen een startmelding en gereedmelding moet worden gedaan door de saldo-ontvanger. 7.Gedeputeerde Staten nemen het voorschrift op dat de natuurvergunning van de saldo-ontvanger niet eerder in gebruik mag worden genomen dan nadat de saldo-ontvanger bij het bevoegd gezag heeft gemeld dat de saldogevende activiteit is gestaakt. Artikel2.2.7Plannen Indien reeds is gesaldeerd voor een plan als bedoeld in artikel 16.53c van de Wet, dan wel als gevolg van het plan activiteiten met N-emissie(
- s)worden beëindigd, kan deze saldering dan wel dit planeffect tevens worden ingezet voor een aanvraag voor een natuurvergunning ter invulling van dat plan. De voorwaarden van artikel 2.2.6, het zevende en achtste lid zijn, voor zover dat betrekking heeft op het onafgebroken aanwezig zijn van de bedoelde activiteit zoals bedoeld in artikel 2.2.6, tweede lid, niet van toepassing. Artikel2.2.8Realisatietermijn Gedeputeerde Staten nemen in een omgevingsvergunning voor een natura 2000-activiteit het voorschrift op dat de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning voor een natura 2000-activiteit is verleend, binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de natuurvergunning moet zijn gerealiseerd. Artikel2.2.9SSRS-bank 1.Gedeputeerde Staten reserveren in het SSRS-bank pas depositieruimte als bedoeld in artikel 3.61, lid 1 sub b van de Omgevingsregeling als de in dat lid genoemde aanvraag volledig is. 2.Met uitzondering van het eerste lid, is deze beleidsregel niet van toepassing op aanvragen voor zover bij dat deel van die aanvraag een beroep wordt gedaan op het SSRS-bank. 3.Met uitzondering van het eerste lid, is deze beleidsregel niet van toepassing op aanvragen voor zover bij dat deel van die aanvraag een beroep wordt gedaan op het SSRS. Artikel2.2.10Microdepositiebank 1.Gedeputeerde Staten delen alleen stikstofdepositieruimte uit de microdepositiebank toe in een natuurvergunning als de eventuele boven de microdeposities benodigde ruimte op een andere wijze wordt vergund. 2.Gedeputeerde Staten vullen de microdepositiebank aan het begin van ieder kwartaal met vrijgevallen stikstofdepositieruimte en kunnen deze dan aanvullen met vrijgemaakte stikstofdepositieruimte. 3.Gedeputeerde Staten reserveren stikstofdepositieruimte in de microdepositiebank op volgorde van binnenkomst van een volledige aanvraag voor zover alle daarvoor benodigde stikstofdepositieruimte in de microdepositiebank beschikbaar is. 4.De beschikbare stikstofdepositieruimte vermindert door het reserveren en toedelen van stikstofdepositieruimte aan projecten. De stikstofdepositieruimte vermeerdert door de vulling, bedoeld in het tweede lid. 5.Op verzoek van een aanvrager kunnen Gedeputeerde Staten een volledige aanvraag waarvoor geen stikstofdepositieruimte beschikbaar is eenmalig voor ten hoogste drie maanden aanhouden om gebruik te maken van de microdepositiebank. 6.Gedeputeerde Staten delen geen stikstofdepositieruimte toe aan legalisatie van projecten waarvoor een meldingsplicht gold op grond van artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof zoals dat luidde tot 1 januari 2017 of artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming zoals dat luidde op 28 mei 2019 en waarvoor een melding is gedaan. Artikel2.2.11Doelgebonden depositiebank 1.Binnen de provinciale stikstofbank kunnen Gedeputeerde Staten, al dan niet in samenwerking met andere bevoegde gezagen, doelgebonden depositiebanken aanmaken binnen hun compartiment. 2.Indien Gedeputeerde Staten toepassing geven aan het eerste lid, die ten minste het volgende omvatten: het doel van de doelgebonden depositiebank; de termijn waarbinnen de in de doelgebonden depositiebank geregistreerde ruimte uitgegeven wordt, en de nadere regels voor vulling en toedeling van stikstofdepositieruimte. 3.De vulling van een doelgebonden depositiebank bestaat uit vrijgemaakte ruimte. 4.Stikstofdepositieruimte uit een doelgebonden depositiebank is uitsluitend beschikbaar voor projecten gerelateerd aan het doel als bedoeld in het tweede lid, onder a. en voor zover dit aan de overige voorwaarden van artikel 2.2.11 en de daarop gebaseerde regels voldoet. Hoofdstuk3Houtopstanden Titel3.1 Algemene bepalingen over houtopstanden Artikel3.1Afwijken van de wachtverplichting Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de wachtverplichting indien: De natuurlijke omstandigheden in de te vellen houtopstand zodanig zijn, dat mogelijkheden tot vellen zich slechts in specifieke omstandigheden voordoen, die niet vooraf te voorspellen zijn. Er sprake is van omstandigheden die bijvoorbeeld gelet op de verkeersveiligheid of de volksgezondheid een spoedige velling van een houtopstand noodzakelijk maken. Artikel3.2Tijdelijk afwijken van de herplantplicht op dezelfde en andere grond Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de plicht tot herplanting binnen drie jaar indien: Er gebruik wordt gemaakt van natuurlijke verjonging, maar 3 jaar na de velling er nog geen volledige bosbouwkundig verantwoorde beplanting ontstaan is, bijvoorbeeld door het ontbreken van goede mastjaren. Echter binnen enkele jaren is wel te verwachten, dat er een goede houtopstand van de grond kan komen. Andere reden kan zijn, dat er grote onverwachte wildschade is opgetreden. Gedeputeerde Staten kunnen in het maatwerkvoorschrift stellen dat er aanvullende maatregelen (bodembewerking, bescherming tegen wild) worden getroffen. Er sprake is van een grootschalige project waarbij het niet redelijk is dat binnen een termijn van drie jaar op dezelfde grond herplant plaatsvindt. Artikel3.3Afwijken van de plicht tot herbeplanting Gedeputeerde Staten kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van de plicht tot herplanting binnen drie jaar op grond van één van de hierna genoemde omstandigheden: fysieke omstandigheden; cultuurhistorische omstandigheden; natuurbehoud omstandigheden; sociale en economische omstandigheden. Artikel 3.4 Afwijken van de plicht tot herbeplanting voor agroforestry Onverminderd het bepaalde in artikel 3.3 van deze beleidsregel kunnen Gedeputeerde Staten op aanvraag een maatwerkvoorschrift in de zin van artikel 11.119 Besluit activiteiten leefomgeving stellen voor het afwijken van de herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving als de aanvraag aan alle volgende voorwaarden voldoet: De aanvraag wordt gedaan voor nog aan te leggen agroforestry; De aanvraag gaat vergezeld van toestemming van de eigenaar van de grond waarop de agroforestry wordt aangelegd, voor zover het maatwerkvoorschrift wordt aangevraagd door een ander dan de eigenaar; De agroforestry wordt aangelegd op landbouwgrond met een agrarische functie; De grond waarop de agroforestry wordt aangelegd is onbeplant, vrij van bos- en natuurcompensatieverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van de Omgevingswet en andere wet- en regelgeving, waaronder in ieder geval de voormalige Boswet en de Wet natuurbescherming; en De aanvraag van het maatwerkvoorschrift vermeldt ten minste de oppervlakte van de aan te leggen agroforestry en bevat een kaart met topografische locatie en kadastrale perceelnummers van het perceel waarop de agroforestry wordt aangelegd. Artikel 3.5 (Kapverbod) Gedeputeerde Staten kunnen het vellen van een houtopstand op grond van artikel 11.128 Bal verbieden als dat nodig is voor de bescherming van bijzondere natuur- en landschappelijke waarden. Bijzondere natuur- en landschappelijke waarden kunnen onder meer blijken uit: De oppervlakte van de houtopstand; De leeftijd van de houtopstand; De kwaliteit van de bosbodem; De soorten beplanting waaruit de houtopstand bestaat; Het belang van het bestaan van de houtopstand voor andere dier- en plantsoorten; en Het belang van de houtopstand in het lokale landschapsbeeld. In het licht van punt 1 tot en met 6 zijn Gedeputeerde Staten, wanneer de bijzondere natuur-en landschappelijke waarden en de specifieke omstandigheden dat rechtvaardigen, voornemens om de bijzondere natuur- en landschappelijke waarden in de zin van artikel 11.128 Bal te beschermen middels een kapverbod in de volgende niet-limitatieve voorbeeldsituaties: Het vellen van een aaneengesloten oppervlakte van meer dan één hectare, tenzij velling plaatsvindt ten behoeve van (andere) natuur- en/of landschappelijke waarden; Het vellen van vitale houtopstanden ouder dan 125 jaar; Het vellen van een houtopstand met gevolgen voor de bijbehorende goedontwikkelde bosbodem; Het vellen van een houtopstand die uit bedreigde soorten bestaat; Het vellen van een houtopstand die een belangrijke ecologische functie vervult voor andere dier- en plantsoorten; Het vellen van een houtopstand die een belangrijke landschappelijke functie vervult. Het vellen van een houtopstand waardoor om andere redenen dan geschetst onder a tot en met f belangrijke natuur- en/of landschappelijke waarden verloren gaan. Hoofdstuk4Soortenbescherming Titel4.1 Tijdelijke natuur [vervallen] Titel4.2 Soortenbestand Artikel4.2.1Uitgangspunten Gedeputeerde Staten betrekken kennisdocumenten bij de afweging tot vergunningverlening op basis van de artikelen 8.74j, 8.74k en 8.74l Bkl, in samenhang met artikel 5.1 tweede lid, aanhef en onder g van de Wet. Titel4.3 Bescherming nesten vogelsoorten Artikel4.3.1Nestbescherming vogels algemeen Het verbod als bedoeld in artikel 11.37 eerste lid, aanhef en onder b Bal is van toepassing vanaf balts en nestbouw, in de periode dat de vogel broedt en het nest nodig heeft om jongen groot te brengen en de periode van verzorging van vlieg vlugge jongen. Artikel4.3.2Vogels met jaarrond beschermde nesten In afwijking van artikel 4.3.1 is het verbod in artikel 11.37 eerste lid, aanhef en onder b Bal jaarrond van toepassing op de nesten van soorten opgenomen in bijlage 4.1, Lijst Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Overijssel. Artikel4.3.3Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving De vergunningplicht als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder b Bal is jaarrond niet van toepassing op nesten van soorten opgenomen in bijlage 4.1, Lijst vogelsoorten met jaarrond beschermd functioneel leefgebied Overijssel, als is aangetoond dat er voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is voor de betreffende soort(
- en)om zich te kunnen vestigen. Titel4.4 Pre-SMP Artikel4.4.1Pre-SMP-vergunning 1.Gedeputeerde Staten kunnen op grond van de artikelen 8.74j en 8.74k Bkl, in samenhang met artikel 5.1 tweede lid, aanhef en onder g van de Wet, een omgevingsvergunning verlenen in verband met de werkzaamheden voor de verduurzaming van grondgebonden woningen in particulier eigendom. 2.De pre-SMP-vergunning, bedoeld in het eerste lid, maakt onderdeel uit van de pre-SMP-methodiek zoals uitgewerkt in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde “Beleidskader Natuurvriendelijk isoleren onder het pre-soortenmanagementplan”. http://www.overijssel.nl/natuurvriendelijkisoleren Artikel4.4.2Aanvrager Een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4.1 kan worden ingediend door een Overijsselse gemeente. Artikel4.4.3Voorwaarden Gedeputeerde Staten verlenen een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4.1 uitsluitend indien: Is verzekerd dat, gedurende de looptijd van de pre-SMP-vergunning, een aanvraag voor een gebiedsvergunning op basis van een soortenmanagementplan wordt voorbereid; De aanvrager beschrijft in een pre-soortenmanagementplan hoe het verlies aan (kraam)verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten bij verduurzaming wordt gecompenseerd, met inachtneming van de pre-SMP-methodiek; en De werkzaamheden voor de verduurzaming, bedoeld in artikel 4.4.1, eerste lid, inclusief mitigerende en compenserende maatregelen zullen worden uitgevoerd conform de spelregels voor natuurvriendelijk isoleren. Artikel4.4.4Aanvraag voor een pre-SMP-vergunning Bij de aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 4.4.1, dient de aanvrager de volgens het Bkl gevraagde gegevens te overleggen. Daarnaast dienen gegevens aangeleverd te worden waaruit blijkt dat aan voorwaarden genoemd in artikel 4.4.3 is voldaan. Artikel4.4.5Looptijd van de omgevingsvergunning De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.4.1, heeft een looptijd van maximaal 24 maanden. Hoofdstuk5Bestrijding schade en overlast (gereserveerd) Hoofdstuk6Tegemoetkoming schade Artikel6.1Schade aan bedrijfsmatige landbouw Gedeputeerde staten verlenen een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 15.53 van de wet, uitsluitend met inachtneming van de hiernavolgende bepalingen: Voor een tegemoetkoming komt alleen in aanmerking directe schade, welke door betreden, vreten, graven, wroeten, vegen, pikken of predatie aan bedrijfsmatige landbouw is veroorzaakt aan de gewassen, of aan gehouden landbouwhuisdieren. In afwijking van het eerste lid komt in aanmerking voor een tegemoetkoming: schade door de wolf aan hobbymatig gehouden hoefdieren, schade door de wolf aan bedrijfsmatig gehouden, door de wolf gedode of verwonde kuddebeschermingshonden of hoedhonden. De percelen waarop schade is aangericht, moet een aanvrager op titel van eigendom, (erf)pacht, dan wel een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst, in gebruik hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw. De landbouwhuisdieren waaraan schade is aangericht, moet een bedrijfsmatige aanvrager aantoonbaar in eigendom hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw. Artikel6.2Te treffen maatregelen 1.Gedeputeerde staten verlenen slechts een tegemoetkoming, indien en voor zover naar hun oordeel de aanvrager de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe de aanvrager naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden. Preventieve maatregelen 2.Maatregelen of inspanningen ter voorkoming en beperking van schade, waarvan gedeputeerde staten van oordeel zijn dat deze redelijkerwijs van een aanvrager verlangd kunnen worden, zijn: voor hoog- en midden salderende gewassen: de inzet van in beginsel twee verschillende middelen als bedoeld in de Faunaschade Preventiekit; voor schade specifiek door zoogdieren aan hoog salderende gewassen: het tijdig plaatsen van een raster, als beschreven in de Faunaschade Preventiekit voor laag salderende gewassen: verjaging door menselijke aanwezigheid of middelen als bedoeld in de Faunaschade Preventiekit; voor laag salderende gewassen specifiek in de kwetsbare periode: de inzet van twee verschillende middelen als bedoeld in de Faunaschade Preventiekit; voor schade door zoogdieren aan gehouden landbouwhuisdieren: het tijdig plaatsen van een raster als bedoeld in de Faunaschade Preventiekit; specifiek voor schade door wolven aan gehouden landbouwhuisdieren, enkel binnen het door de provincie in bijlage 6.1 begrensde maatregelengebied: het tijdig plaatsen van een raster als bedoeld in de Faunaschade Preventiekit; alternatieve middelen waarvan het gebruik vooraf schriftelijk aan BIJ12 is voorgelegd en zij daarmee hebben ingestemd. Ter ondersteuning van de preventieve maatregelen: 3.Een tegemoetkoming in de schade veroorzaakt door natuurlijk in het wild levende dieren, van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten, waarvoor ingevolge artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g van de wet een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kan worden verleend, wordt slechts verleend indien: de omgevingsvergunning op deugdelijke wijze en tijdig, vooraf of uiterlijk op de dag van schadeconstatering, is aangevraagd en op inhoudelijke gronden door gedeputeerde staten is geweigerd of niet in behandeling is genomen, en dit de aanvrager niet te verwijten is; of de omgevingsvergunning (of machtiging/toestemming tot gebruik van een bestaande omgevingsvergunning) op deugdelijke wijze en tijdig, vooraf of uiterlijk op de dag van schadeconstatering, is aangevraagd en, nadat deze is verleend, daarvan op adequate wijze gebruik is gemaakt en er desondanks schade is opgetreden. 3a.In afwijking van het derde lid hoeft geen omgevingsvergunning aangevraagd te worden bij schade die optreedt door soorten genoemd in bijlage 6.2. 4.Als sprake is van een vrijstelling van de omgevingsvergunningplicht voor flora- en fauna-activiteiten, met beperkingen als bedoeld in artikel 6.4, onder b, moet adequaat gebruik zijn gemaakt van deze vrijstelling, om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. 5.Om het adequaat gebruik van de omgevingsvergunning of vrijstelling van de vergunningplicht te toetsen, geeft de aanvrager in het Schaderegistratiesysteem SRS akkoord, zodat BIJ12 de verrichte bejaagacties kan inzien in het systeem. De bejaagacties worden tijdig, binnen twee weken nadat aanvrager de bevestiging taxatie heeft ontvangen, in het registratiesysteem ingevoerd. Het niet tijdig en/of niet volledig aanleveren van de gevraagde gegevens kan tot afwijzing van de aanvraag leiden. Artikel6.3Aanvraag en taxatie 1.Een aanvraag om tegemoetkoming in faunaschade wordt bij BIJ12 digitaal ingediend via MijnFaunazaken, uiterlijk binnen zeven werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd. 2.In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag bij vermoedelijke wolvenschade zo snel mogelijk ingediend, uiterlijk binnen 24 uur na constatering van de schade, telefonisch bij BIJ12 of via het formulier op de website van BIJ12. 3.De schadeveroorzakende diersoort en de omvang van de schade worden door de taxateur vastgesteld met inachtneming van de protocollen en richtlijnen taxatie faunaschade, te vinden op de website van BIJ12. 4.Een taxateur taxeert alleen verse schade, dat wil zeggen schade die is opgetreden tot tien dagen voor de schadeconstatering. Oudere schade wordt niet bij de taxatie betrokken. 5.Na de taxatie wordt een ‘bevestiging taxatie’ aan de aanvrager gestuurd via MijnFaunazaken. Als aanvrager het niet eens is met de taxatie kan deze binnen acht werkdagen na ontvangst van de bevestiging taxatie, zijn bedenkingen aan BIJ12 kenbaar maken. BIJ12 kan de taxateur vragen te reageren op de bedenkingen, en stuurt de aanvrager zo spoedig mogelijk, uiterlijk binnen tien werkdagen, een reactie op de ingediende bedenkingen. 6.De taxateur stelt van zijn bevindingen een (eind)taxatierapport samen en zendt dat, na interne controle en goedkeuring door de eindverantwoordelijke van het bureau waarvoor de taxateur werkzaam is, aan BIJ12. Artikel6.4Hoogte tegemoetkoming; eigen risico 1.Nadat op basis van de aanvraag, taxatierapport en eventuele andere op de aanvraag betrekking hebbende stukken, is beoordeeld dat aan de voorwaarden voor verlening is voldaan, bepalen gedeputeerde staten de hoogte van de tegemoetkoming. 2.De bij de berekening van de tegemoetkoming gehanteerde prijzen van gewassen en vee, worden vastgesteld door de directeur van BIJ12 en zijn te vinden op de website van BIJ12. Als sprake is van contractteelt, wordt in beginsel de in het contract vermelde prijs gehanteerd bij de berekening. Eigen risico 3.Op de te verlenen tegemoetkoming wordt een eigen risico van 5% ingehouden, met een minimum van € 250,00 per bedrijf per kalenderjaar. 4.In afwijking van het derde lid, wordt geen eigen risico ingehouden als het gaat om: schade door een wolf, bever, das, edelhert, goudjakhals, wilde kat, lynx; schade door een schadeveroorzakende diersoort die niet mag worden verontrust of gedood in een Natura 2000-gebied in de periode van 1 november tot 1 april; 5.In afwijking van het derde lid, bedraagt het eigen risico 40% als het gaat om schade door vogels aan pitvruchten. 6.Voor gewassen of bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren, welke door de plaats, het moment of de wijze van telen of houden, bijzonder kwetsbaar zijn voor schade, kunnen gedeputeerde staten een verhoogd eigen risico instellen. 7.Tegemoetkomingen lager dan € 50,00 worden niet uitgekeerd. [Artikel 6.4 lid 4 sub b bevat een kennelijke verschrijving. Hier wordt bedoeld: schade door een schadeveroorzakende diersoort die niet mag worden verontrust of gedood in een Natura 2000-gebied in de periode van 1 november tot 1 april;] Artikel6.5Gevallen waarin geen tegemoetkoming wordt verleend Uitsluitingen in verband met diersoort. Geen tegemoetkoming wordt verleend: indien de schade is aangericht door een diersoort ten aanzien waarvan, op grond van artikel 5.2 lid 3 Omgevingswet, flora- en fauna-activiteiten zijn vrijgesteld van de omgevingsvergunningplicht; indien de schade is aangericht door een diersoort ten aanzien waarvan, op grond van §3.5.2 van de Omgevingsverordening, flora- en fauna-activiteiten zijn vrijgesteld van de omgevingsvergunningplicht, tenzij aan die vrijstelling voorwaarden, beperkingen of clausules zijn verbonden waardoor deze feitelijk gelijkgesteld moet worden aan een omgevingsvergunning verleend op basis van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet; voor schade door een diersoort met betrekking waartoe een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit krachtens artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet is verleend, waarbij in de verleende omgevingsvergunning geen of nauwelijks bepalingen zijn opgenomen die de schadebestrijding in de weg staan; voor schade veroorzaakt door een diersoort, vermeld in artikel 8.3, vierde lid, van de wet, waarop de minister de jacht heeft geopend, met uitzondering van de wilde eend buiten de periode waarin de jacht op deze diersoorten is geopend; indien de schade is aangericht door de huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis of de mol, en voor flora- en fauna-activiteiten met betrekking tot deze soorten een omgevingsvergunning of een vrijstelling van de omgevingsvergunningplicht geldt in verband met de bestrijding van schade aan landbouwgewassen. Uitsluitingen in verband met locatie/functie percelen. Geen tegemoetkoming wordt verleend: voor schade aangericht op gronden gelegen binnen een in het omgevingsplan of de omgevingsverordening begrensde bebouwingscontour jacht; voor schade op gronden binnen een straal van 500 meter van een vuilstortplaats; voor schade aangericht aan geteelde gewassen in een kas, of gehouden dieren in een stal; indien de schade is aangericht aan gewassen op gronden: die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en met een natuurbeheertype staan aangegeven op de beheerkaart behorend bij het vigerend Overijsselse natuurbeheerplan; In afwijking van lid i. onder i., wordt een tegemoetkoming verleend als: (overgangssituatie) de grond meerjarig wordt gepacht; de betreffende pachtovereenkomst voor 15 mei 2022 is afgesloten; en de aanvraag is ingediend voor 15 mei 2025. waaraan beperkingen ten aanzien van het bestrijden van schadeveroorzakende diersoorten zijn verbonden; die feitelijk niet voor landbouwkundige doeleinden worden gebruikt; of die een functie hebben als waterkering. Uitsluitingen in verband met (het moment van) de teelt. Geen tegemoetkoming wordt verleend: indien de schade is aangericht aan blijvend grasland in de maand oktober (najaarsgras); indien de schade is aangericht aan blijvend grasland in de periode 1 oktober tot en met 31 januari daaropvolgend, en het grasgewas bestemd is voor beweiding met schapen; voor schade aan knol-, bol- en wortelgewassen die na 30 november ontstaat en waarvoor de tegemoetkomingsaanvraag na 30 november wordt ingediend; met uitzondering van onderdekkersteelten en bloembollen; voor schade door vogels aan steenvruchten, zacht fruit en kleinfruit; indien de schade is aangericht aan gewassen die geteeld worden voor de verbetering van een ras (veredeling), of vermeerdering van het veredelde gewas; indien de schade is aangericht aan bijproducten van gewassen; aan geoogste gewassen, aan opgeslagen voedergewassen, groenbemesters, verpakte voedergewassen. Uitsluitingen in verband met overige redenen. Geen tegemoetkoming wordt verleend: indien door handelen of nalaten van de aanvrager de taxateur de schade niet meer kan taxeren, in elk geval als aanvrager het beschadigde gewas al geoogst of heringezaaid heeft, of als er vee is ingeschaard; indien de aanvrager het beschadigde gewas niet meer zal oogsten, of het betreffende perceel niet meer in gebruik zal nemen; voor schade aangericht aan materialen die worden aangewend voor het (tijdelijk) afdekken van gewassen; indien het risico van faunaschade door een beschermde diersoort verzekerbaar is, bij tenminste twee in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen; indien de schade is veroorzaakt door een ziekte; in andere gevallen, waarin gedeputeerde staten oordelen dat de schade redelijkerwijs ten laste van de aanvrager behoort te blijven; aan een aanvrager ten aanzien van wie een bevel tot terugvordering (artikel 1, vierde lid, onder a, van de LVV) uitstaat vanwege een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij eerder verleende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard; aan een aanvrager wiens onderneming in moeilijkheden verkeert, tenzij de onderneming een onderneming in moeilijkheden is geworden door verliezen of schade als gevolg van het herstel van door beschermde dieren veroorzaakte schade (artikel 1, vijfde lid 5 jo. artikel 29 van de LVV). Hoofdstuk7Faunabeheereenheid (gereserveerd) Hoofdstuk8Faunabeheerplan (gereserveerd) Hoofdstuk9Wildbeheereenheden (gereserveerd) Hoofdstuk10Slotbepalingen Artikel10.1Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking op de datum dat de Omgevingswet in werking treedt. Bijlage4.1- Lijst Vogelsoorten in Overijssel met jaarrond beschermde nesten (categorie 1) en vogelsoorten waarvan getoetst moet worden dat voldoende functioneel leefgebied aanwezig blijft (categorie 2) # Naam Categorie 1 Boerenzwaluw 1 2 Boomvalk 1 3 Bosuil 1 4 Gierzwaluw 1 5 Grote gele kwikstaart 1 6 Havik 1 7 Huismus** 1 8 Huiszwaluw 1 9 Kerkuil 1 10 Oehoe 1 11 Ooievaar*** 1 12 Raaf 1 13 Ransuil** 1 14 Roek** 1 15 Slechtvalk 1 16 Sperwer 1 17 Steenuil 1 18 Torenvalk 1 19 Wespendief 1 20 Zeearend 1 21 Zwarte specht 1 22 Zwarte wouw 1 1 Blauwe reiger 2 2 Bonte vliegenvanger 2 3 Buidelmees 2* 4 Buizerd 2 5 Draaihals 2 6 Gekraagde roodstaart 2 7 Grauwe vliegenvanger 2 8 Grutto 2 9 IJsvogel 2 10 Kemphaan 2* 11 Kievit 2* 12 Kleinst waterhoen 2* 13 Kortsnavelboomkruiper 2 14 Kuifmees 2* 15 Matkop 2* 16 Middelste bonte specht 2 17 Oeverzwaluw 2 18 Paapje 2* 19 Patrijs 2* 20 Porseleinhoen 2* 21 Ringmus** 2 22 Rode wouw 2* 23 Scholekster 2* 24 Spreeuw 2 25 Tapuit 2 26 Tureluur 2 27 Veldleeuwerik 2 28 Velduil 2 29 Wulp 2 30 Zomertortel 2 31 Zwarte mees 2 32 Zwarte stern** 2* * Nieuw op de lijst ** Voor deze soorten geldt dat ze naast de nestplaatsen ook jaarrond gebruiken maken van specifieke rustplaatsen en daarvan afhankelijk zijn. Voor deze soorten is de rustplaats ook jaarrond beschermd (categorie 1) of moet getoetst worden dat er voldoende geschikte rustplaatsen en functioneel leefgebied aanwezig zijn en blijven (categorie 2). *** Als een ooievaarsnest op een plek zit waar een gevaar voor de openbare veiligheid ontstaat, kan het nest onder randvoorwaarden verplaatst worden. Deze randvoorwaarden zijn: Het verplaatsen van het nest dient buiten het broedseizoen te gebeuren (1 september tot 1 februari); Er dient een nieuwe nestpaal (kunstmatige nestplek) geplaatst te worden op een geschikte locatie binnen 50 meter van de oorspronkelijke nestplaats; Nestmateriaal van het verwijderde nest dient in de buurt van de nieuwe nestpaal gelegd te worden; De locatie van het verwijderde nest dient ongeschikt gemaakt te worden om hervestiging te voorkomen. Voor het correct uitvoeren van de maatregelen kan informatie ingewonnen worden bij een stichting voor ooievaars; Minimaal zeven werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden informeert u ons over de startdatum door een e-mail te sturen naar overijsselloket@overijssel.nl. U geeft bij deze startmelding aan: Het adres waar de werkzaamheden worden uitgevoerd; De contactpersoon ter plaatse, inclusief het mobiele telefoonnummer en het e-mailadres van deze contactpersoon; De naam van de begeleidende ecologisch deskundige, inclusief het mobiele telefoonnummer en het e-mailadres van deze contactpersoon. Categorie 1 soorten: Nesten die gedurende het broedseizoen in gebruik zijn als nest en buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. Categorie 2 soorten: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Bijlage 6.1 -Maatregelengebieden wolf Geen maatregelengebieden aangewezen. Bijlage 6.2Uitzonderingslijst met beschermde soorten waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd Deze bijlage is een uitwerking van de soorten als bedoeld in artikel 6.2 lid 3a van deze beleidsregel. Van de volgende beschermde soorten staat vast dat op voorhand geen omgevingsvergunning voor beheer en schadebestrijding verleend zal worden. Daarom mogen aanvragers bij schade door deze soorten afzien van een vergunningaanvraag. Aalscholver Bergeend Bever Das Ekster Gaai Geelgors Grote mantelmeeuw Huismus Kievit Kleine rietgans Kleine zwaan Kokmeeuw Kraanvogel Lijster Meerkoet Mees Meeuw Merel Ooievaar Patrijs Pimpelmees Putter Rietgans Ringmus Rotgans Scholekster Specht Spreeuw Steenmarter Turkse tortel Veldmuis Vink Vlaamse gaai Waterhoen Wilde zwaan Zanglijster Zilvermeeuw Toelichting Hoofdstuk 1 Algemeen Algemeen Dit hoofdstuk maakt duidelijk wat in de beleidsregel verstaan wordt onder diverse begrippen. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1.1 Begripsbepalingen Brandgang: Artikel 11.131, lid 1 sub c van het Besluit activiteiten leefomgeving stelt dat voor brandgangen geen meldings- en herplantplicht geldt. Echter er wordt geen nadere uitleg gegeven over de term “brandgang”. Om onduidelijkheden te voorkomen zien Gedeputeerde Staten zich genoodzaakt deze term nader te definiëren. Extern salderen: Bij extern salderen vinden de saldogevende activiteit en de saldo-ontvangende activiteit op verschillende locaties plaats. Het gaat hierbij om verschillende projecten of plannen. Externe saldering wordt aangemerkt als een mitigerende of beschermende maatregel in de zin van artikel 6, lid 3 Habitatrichtlijn en moet dus plaatsvinden in het kader van een passende beoordeling. Microdepositiebank: Binnen de stikstofbank betreft de microdepositiebank een voorziening van de provincies die erop is gericht om stikstofdepositieruimte aan natuurvergunningen te kunnen toedelen. De stikstofdepositieruimte in deze microdepositiebank is afkomstig van vrijgevallen ruimte. Daarnaast kunnen de verschillende bevoegde gezagen de microdepositiebank vullen met vrijgemaakte stikstofdepositieruimte. Als Gedeputeerde Staten een aanvraag om een natuurvergunning ontvangen waarin de aanvrager verzoekt om toedelen van stikstofdepositieruimte uit deze bank, beoordelen zij of de microdepositiebank daarvoor de ruimte biedt. Deze beoordeling staat los van de vraag welk bevoegd gezag de betrokken natuurvergunning heeft verleend waarbij stikstofdepositieruimte is vrijgevallen, of welk bevoegd gezag vrijgemaakte ruimte heeft ingebracht. Er is in zoverre sprake van een collectieve voorziening. N-emissie: Bij de term ‘stikstofverbinding’ gaat het om zogenoemd reactief stikstof. Hieronder vallen onder andere stikstofoxiden (NOX), ammoniak (NH3) en ureum. Stikstofgas (N2), waaruit het grootste deel van onze lucht bestaat is inert en valt hier daarom niet onder. Referentiesituatie: De referentiesituatie wordt bepaald in samenhang met het begrip ‘toestemming’ en de Europese referentiedatum. Bij gebrek aan een natuurvergunning is een toestemming op de Europese referentiedatum het uitgangspunt voor het bepalen van de referentiesituatie. In de jurisprudentie is echter bepaald dat als de depositie na de Europese referentiedatum publiekrechtelijk is beperkt, die lagere depositie de uitgangssituatie is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een op de referentiedatum geldende toestemming nadien is vervangen door een milieuvergunning (ABRS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, r.o. 4.). De Europese referentiedata volgen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en vaste jurisprudentie en zijn als volgt De Europese referentiedata volgen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en vaste jurisprudentie en zijn als volgt: voor gebieden ter uitvoering van de Habitatrichtlijn: 7 december 2004; of de datum waarop het desbetreffende gebied door de Europese Commissie tot een gebied van communautair belang is verklaard, voor zover die verklaring heeft plaatsgevonden na 7 december 2004; voor gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn: 10 juni 1994; of de datum waarop het desbetreffende gebied is aangewezen, voor zover die aanwijzing heeft plaatsgevonden na 10 juni 1994. Een complete lijst van de te hanteren referentiedata per Natura 2000-gebied is te vinden op de website van BIJ12. Relevant hexagoon: De marge van 70 mol/ha/jaar ten opzichte van de kritische depositiewaarde komt ongeveer overeen met 1 kg N/ha/jaar. Deze hexagonen waarbij de Kritische Depositie Waarde wordt benaderd maar niet is overschreden worden meegenomen bij de berekeningen. Dit om een overschrijding in de toekomst te voorkomen en om aan te sluiten bij het voorzorgsprincipe uit de Habitatrichtlijn. SSRS: Het SSRS is een stikstofregistratiesysteem met als functie het mogelijk maken van salderen van depositietoenames door voorgenomen projecten. In het systeem kunnen Gedeputeerde Staten stikstofdepositieruimte opnemen (vulling) die zowel uit vrijgemaakte als uit vrijgevallen ruimte kan bestaan. Stikstofdepositieruimte: Het in de stikstofbank opnemen van stikstofdepositieruimte vereist een berekening met AERIUS Calculator. Gedeputeerde Staten gaan daarbij uit van de op dat moment meest recente versie van de AERIUS Calculator, zoals beschikbaar op www.aerius.nl. Toestemming: 3°: Onder activiteiten die voldoen aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming, zoals die luidde op het moment van intrekking vallen onder andere tracébesluiten en kavelbesluiten in de zin van de Wet windenergie op zee. Hiervoor geldt een vrijstelling van de vergunningplicht op grond van de Wet, maar is wel een passende beoordeling gemaakt. 4°: Voor het project is weliswaar geen natuurvergunning verleend maar er is wel een richtlijnconforme beoordeling uitgevoerd. 5°: Een toestemming kan ook zijn een toestemming naar nationaal recht die is verleend voordat de Habitatrichtlijn in werking trad voor het betrokken gebied. Uit recente jurisprudentie blijkt dat ook toestemming op grond van algemene regelgeving de betrokken toestemming kan zijn (ABRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604, r.o. 22.4). Logischerwijs mogen dergelijke activiteiten betrokken worden bij salderen. Om als referentiesituatie te kunnen dienen, is uiteraard wel van belang dat het project ongewijzigd is voortgezet en de toegestane depositie niet is beperkt. Verleasen: Verleasen is alleen mogelijk bij een tijdelijke stikstofdepositie. Daarin onderscheidt verleasen zich van regulier extern salderen. Vrijgemaakte stikstofdepositieruimte: Vrijgemaakte stikstofdepositieruimte kan worden gebruikt voor het mogelijk maken van maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Met saldering via de stikstofbank (te weten via de daarin opgenomen microdepositiebank dan wel via daarin opgenomen doelgebonden depositiebanken) wordt hetzelfde beoogd als met extern salderen: een toename van stikstofdepositie van een project wordt gesaldeerd met een afname van stikstofdepositie, bijvoorbeeld door een ingetrokken toestemming. Extern salderen en salderen via de stikstofbank zijn binnen de Ow-vergunningverlening beide te duiden als een maatregel ter mitigatie van de effecten van het project. De wijze waarop het benodigde saldo wordt verkregen verschilt echter. In de stikstofbank wordt bijvoorbeeld niet gesaldeerd met het intrekken van toestemmingen, maar met de door die intrekking vrijgemaakte stikstofdepositieruimte. De relevante eisen uit artikel 6 (extern salderen) worden toegepast op de stikstofdepositieruimte die in de stikstofbank wordt opgenomen. Hieronder vallen bijvoorbeeld de eis dat deze maatregelen niet noodzakelijk zijn in het kader van artikel 6, tweede lid, (het zogenaamde additionaliteitsbeginsel) van de Habitatrichtlijn en de afroming met 30%. Vrijgevallen stikstofdepositieruimte: Vrijgevallen stikstofdepositieruimte is ruimte die ‘vrijvalt’ bij extern salderen. Aangezien saldogever en saldo-ontvanger zich niet op exact dezelfde locatie bevinden ten opzichte van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, kan extern salderen ertoe leiden dat op bepaalde hexagonen meer gesaldeerd wordt dan nodig is. Het eindresultaat, de aan de saldo-ontvanger verleende natuurvergunning, is bepalend voor de hoeveelheid overblijvende ruimte. Die (na de afroming met 30% bij externe saldering) overblijvende ruimte valt toe aan de microdepositiebank. Dit is bijvoorbeeld het geval als Gedeputeerde Staten met behulp van artikel 6 van deze Beleidsregels een Wnb-vergunning hebben verleend. Gedeputeerde Staten bepalen de vrijgevallen ruimte aan de hand van de verleende natuurvergunning en de AERIUS verschilberekeningen die daarvan onderdeel uitmaken. Hoofdstuk 2 Gebiedsbescherming Titel 2.1 Vergunningverlening Artikel 2.1.2 Commissie van deskundigen In dit artikel wordt de instelling van een Commissie van deskundigen geregeld die adviseert over emissiearme technieken, innovaties en managementmaatregelen binnen de agrarische bedrijfsvoering met het oog op beperking van stikstofemissies. Gedeputeerde Staten schakelen de commissie in als een aanvraag voor een vergunning daartoe aanleiding geeft, dan wel ter onderbouwing van eigen beleid. Het advies van de Commissie aan Gedeputeerde Staten is leidend voor het al dan niet verlenen van de vergunning en de voorwaarden die aan een vergunning worden verbonden. Titel 2.2 Intern en extern salderen Algemeen Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (ECLI:NL:RVS:2019:1603). Als gevolg van de uitspraak is de passende beoordeling die ten grondslag lag aan het PAS onbruikbaar geworden als basis voor toestemmingverlening. Mede gelet op de conclusies uit de natuurdoelanalyses waaruit blijkt dat de natuur er vaak niet goed aan toe is als gevolg van een te hoge stikstofdepositie, is het duidelijk dat een substantiële reductie van stikstofdepositie nodig is om de natuurdoelen te halen. Na het treffen van effectieve maatregelen voor een substantiële reductie wordt vergunningverlening voor economische ontwikkelingen weer vaker mogelijk. Naar aanleiding van de uitspraak over het PAS zijn deze beleidsregels opgesteld. Het doel van de beleidsregels is het kunnen verlenen van natuurtoestemmingen waarbij stijging van depositie wordt voorkomen, terwijl daling realiseren primair een zaak is van de gebiedsgerichte aanpak en de te treffen bronmaatregelen. Nu het PAS niet meer gebruikt kan worden en vergunningverlening voor stikstofdeposities lastiger is geworden door de aanvullende eisen die de Afdeling heeft gesteld Zaan een passende beoordeling, moet in de meeste gevallen worden teruggevallen op het voorkomen van toename van depositie via salderen. Saldering betekent dat toenames en afnames van stikstofdepositie met elkaar verrekend worden, waarbij de netto uitkomst de basis is voor de beoordeling van de stikstofeffecten op de natuur. Waar het bij intern salderen gaat om salderen binnen de begrenzing van één project of locatie, is sprake van extern salderen wanneer wordt gesaldeerd met één of meer activiteiten buiten de begrenzing van één project of locatie. Inmiddels is duidelijk dat projecten die met intern salderen niet tot een toename van stikstofdepositie leiden, niet langer vergunningplichtig zijn. Dit volgt uit de Logtsebaan uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2021:69, ECLI:NL:RVS:2021:70, ECLI:NL:RVS:2021:71) en het vervallen van de verslechteringsvergunning op 1 januari 2020. Deze beleidsregels worden toegepast bij de beoordeling van aanvragen voor natuurvergunningen waarbij gebruik wordt gemaakt van extern salderen. Daarnaast gelden bij die beoordeling uiteraard ook andere regels en voorwaarden die uit de wet en jurisprudentie voortvloeien. Aan het eind van de toelichting is de belangrijkste jurisprudentie over extern salderen opgenomen. Salderen met feitelijk gerealiseerde capaciteit Uitgangspunt is dat uitsluitend gesaldeerd mag worden met feitelijk gerealiseerde capaciteit, tenzij er redenen zijn om hiervan gemotiveerd af te wijken. Door uit te gaan van de feitelijk gerealiseerde capaciteit kan de niet-gerealiseerde capaciteit niet betrokken worden bij aanvragen met salderen. Zo wordt voorkomen dat het alsnog benutten van deze capaciteit leidt tot een feitelijke stijging van depositie. Figuur 1: Schematische weergave feitelijk gerealiseerde capaciteit Afroming bij extern salderen Afroming is noodzakelijk om feitelijke depositiestijgingen te voorkomen, met het risico op verslechtering van de natuur. Daarom is in deze beleidsregels bepaald dat de saldo-ontvanger bij extern salderen 70% van de verkregen stikstofdepositie kan benutten. Daarnaast valt bij extern salderen altijd ruimte vrij, omdat saldogever en saldo-ontvanger zich niet op exact dezelfde locatie bevinden ten opzichte van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze vrijvallende ruimte wordt vastgelegd in de stikstofbanken en kan worden ingezet om in de nabije toekomst nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken door vergunningverlening. Depositiedaling wordt met name bereikt door de gebiedsgerichte aanpak en de generieke bronmaatregelen (zie onder meer de Kamerbrief van 24 april 2020, kenmerk BPZ 20120075). Jurisprudentie extern salderen In jurisprudentie is gedetailleerd uitgewerkt welke voorwaarden gelden in geval van externe saldering. Initiatieven die een beroep doen op deze beleidsregels moeten, naast de voorwaarden die in deze beleidsregels zijn opgenomen, ook voldoen aan de voorwaarden uit de jurisprudentie voor externe saldering. Gedeputeerde Staten toetsen dus aan deze jurisprudentie en ook aan eventuele jurisprudentie die zich op dit vlak ontwikkelt na inwerkingtreding van deze beleidsregels. De voornaamste voorwaarden die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld met betrekking tot extern salderen zijn, samengevat: Een milieuvergunning die is verleend en is ingetrokken voordat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn van toepassing werd op een Natura 2000-gebied waarop het bedrijf stikstofdepositie veroorzaakt (de Europese referentiedatum), kan niet voor externe saldering worden gebruikt (uitspraak Raad van State van 18 april 2012, zaaknummer 201003985/1/A4). Mitigatie in de vorm van externe saldering is slechts mogelijk als er directe samenhang bestaat tussen de intrekking van de milieuvergunning en de verlening van de natuurvergunning (Ow, Wnb of Nbw). Die directe samenhang wordt aangenomen als de vergunning voor het saldogevende bedrijf daadwerkelijk is of zal worden ingetrokken ten behoeve van de uitbreiding van het saldo-ontvangende bedrijf. Dit kan blijken uit het intrekkingsbesluit of uit een overeenkomst tussen het saldogevende en saldo-ontvangende bedrijf over de overname van het stikstofdepositiesaldo van de in te trekken toestemming. Verder dient vast te staan dat de bedrijfsvoering van het saldogevende bedrijf daadwerkelijk is of wordt beëindigd (uitspraak Raad van State van 13 november 2013, zaaknummers 201303243/1/R2, 201303324/1/R2, 201303514/1/R2 en 201303816/1/R2). Wanneer een natuurvergunning wordt verleend met een uitgestelde inwerkingtreding tot het moment waarop de intrekking van het toestemmingsbesluit van de saldogevende activiteit onherroepelijk is, kan eveneens de samenhang worden geborgd (vgl. ABRvS 29 juni 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1818 en ECLI:NL:RVS:2016:1819). Externe saldering kan alleen met stikstofdeposities die waren vergund op de Europese referentiedatum en die ook nog aanwezig waren of konden zijn tot het moment van intrekking van de toestemming of het sluiten van de overeenkomst. Dat is het geval als de hervatting van het bedrijf mogelijk is zonder dat daarvoor een natuurvergunning voor de realisering van een project is vereist (uitspraak Raad van State van 13 november 2013, zaaknummers 201303243/1/R2, 201303324/1/R2, 201303514/1/R2 en 201303816/1/R2). Het voorkomen dat dezelfde emissierechten tegelijkertijd op twee bedrijven worden gebruikt, maar ook dat enige tijd in het geheel geen gebruik kan worden gemaakt van een saldo, kan volgens de Raad van State bij wijze van voorbeeld als volgt worden gerealiseerd. De vergunning voor de saldo-ontvanger wordt pas verleend nadat het daarvoor benodigde intrekkingsbesluit onherroepelijk is geworden. Om te voorkomen dat er een periode ontstaat waarin noch de saldo-ontvanger, noch de saldogever gebruik kan maken van het saldo, kan in het intrekkingsbesluit worden bepaald dat dat besluit pas werking verkrijgt zodra de vergunning van kracht is geworden (uitspraak Raad van State van 29 juni 2016, zaaknummer 201502440/1/R2). De Afdeling is van oordeel dat dubbele inzet van stikstofdepositie is uitgesloten als extern gesaldeerd wordt met een bedrijf dat op 1 juli 2015 geen stikstofdepositie meer veroorzaakte of op 1 juli 2018 nog stikstofdepositie veroorzaakte, of binnen één kilometer afstand van een Natura 2000-gebied staat. Dubbele inzet van deposities is niet uitgesloten als extern gesaldeerd wordt met een bedrijf dat feitelijk is beëindigd in de periode 1 juli 2015 - 1 juli 2018 (uitspraak Raad van State van 29 mei 2019, zaaknummer 201506170/2). Artikelsgewijze toelichting Artikel 2.2.3 Natuurvergunning Bij een aanvraag om een natuurvergunning kunnen verschillende maatregelen worden ingezet. In geval van extern salderen, zal in veel gevallen ook sprake zijn van intern salderen. Ook is het mogelijk dat salderen gecombineerd wordt met een ecologische beoordeling of een ADC-toets. In alle gevallen waarbij salderen onderdeel uitmaakt van de aanvraag, zijn deze beleidsregels van toepassing. In aanvragen waarbij meerdere instrumenten in combinatie met elkaar worden toegepast, kan het voorkomen dat na toepassen van salderen (intern, extern of beiden) nog op een aantal hexagonen een toename van de depositie optreedt. Er kan dan aanvullend een ecologische passende beoordeling of ADC-toets uitgevoerd worden. Artikel 2.2.4 Rekenmodel Lid 1: Conform artikel 4.15 lid 2 van de Omgevingsregeling dient AERIUS gebruikt te worden als rekenmodel. Indien binnen het project sprake is van meerdere berekeningen, dient hiervoor dezelfde en meest recente AERIUS versie te worden gehanteerd. De meest recente versie wordt tevens gebruikt tijdens de beoordeling van de aanvraag. Artikel 2.2.6 Voorwaarden extern salderen Lid 1: De directe samenhang kan blijken uit een overeenkomst tussen partijen waarin is opgenomen dat de toestemming (deels) wordt ingetrokken ten gunste van de saldo-ontvangende activiteit. Lid 2: Om ingezet te kunnen worden voor externe saldering moeten de salderingsactiviteiten legaal zijn. De voorwaarde dat hervatting van de activiteit mogelijk moet zijn zonder dat daarvoor een (nieuwe) natuurvergunning voor de realisering van een project is vereist volgt uit jurisprudentie over extern salderen (zie overzicht jurisprudentie aan einde van toelichting, vierde punt). Hiermee wordt voorkomen dat (delen van) een toestemming worden ingezet voor salderen terwijl die rechten al vervallen zijn, omdat ze bijvoorbeeld al eerder zijn ingezet voor saldering. De beleidsregels halen deze jurisprudentie aan en voegen toe dat hervatting mogelijk moet zijn zonder een omgevingsvergunning, onderdeel bouwen (een bouwvergunning van de gemeente). Dit voorkomt salderen met activiteiten in gebouwen die al langere tijd een andere functie hebben dan waarvoor een toestemming is verleend en alleen met vergunningplichtige verbouwing weer in gebruik genomen zouden kunnen worden. Lid 3: In sommige gevallen is er geen toestemming benodigd om een activiteit uit te voeren (bijvoorbeeld omdat de activiteit op grond van algemene regels zonder besluit mag worden uitgevoerd). De feitelijke beëindiging van een dergelijke activiteit moet op een of andere manier geborgd zijn vóórdat de natuurvergunning voor de saldo-ontvangende activiteit in werking treedt, bijvoorbeeld door een bestemmingsplanwijziging, of door een (privaatrechtelijke) overeenkomst. Wanneer beëindigen van de activiteit niet geborgd kan worden, kan deze niet betrokken worden bij saldering. Lid 4: Maatregelen die nodig zijn om de gunstige staat van instandhouding van natuurwaarden te behouden (artikel 6, tweede lid Habitatrichtlijn) mogen niet tevens worden ingezet om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Dit betekent dat deze niet-gerealiseerde capaciteit niet mag worden gebruikt voor salderen. Ook de winst die het gevolg is van andere noodzakelijke maatregelen op grond van artikel 6, tweede lid Habitatrichtlijn, zoals in bepaalde gevallen de (gedeeltelijke) intrekking van een vergunning, mag niet worden gebruikt voor salderen. Daarnaast komt in dit kader de in te zetten stikstofruimte voor extern salderen niet vrij vanuit de bronmaatregelen die de overheid heeft ingesteld ten behoeve van de daling van de achtergrond of als inzet voor mitigatie en/of compensatie van andere activiteiten. Dit kunnen maatregelen zijn die in het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering zijn opgenomen ter uitvoering van de gelijknamige Wet. Uit de regeling behorende bij de maatregel blijkt in welk kader deze maatregel is getroffen en of met de vrijgemaakte ruimte mag worden gesaldeerd. Lid 5: De stoppersregeling Actieplan Ammoniak was landelijk gedoogbeleid op grond van het Besluit emissiearme huisvesting. Vanwege de al langer lopende afspraken en de noodzaak van stikstofdaling mag er niet gesaldeerd worden met het deel van het bedrijf dat stopt op basis van de Stoppersregeling Actieplan Ammoniak (op 1 januari 2020). Een bedrijf dat meedoet aan de “Subsidieregeling sanering varkenshouderijen” (vastgesteld op 10 oktober 2019) kan alleen extern salderen met het deel van het bedrijf dat niet meedoet aan de subsidieregeling. De subsidieregeling biedt geen mogelijkheid om een deel van de N-emissie te behouden ten behoeve van extern salderen. Deze 2 regelingen worden hier specifiek genoemd omdat in deze regelingen nog niet was opgenomen of met de vrijgemaakte ruimte gesaldeerd mag worden. In nieuwe regelingen gebeurt dit wel zoals beschreven in de toelichting van artikel 2.2.6 lid 4. Lid 6: Om zicht te houden op de aanvragen die ingediend gaan worden met gebruikmaking van extern salderen willen Gedeputeerde Staten vooraf een melding ontvangen van de voorgenomen saldering. Deze melding dient de gegevens te bevatten van zowel de saldogever, de saldo-ontvanger en de N-emissies en N-deposities die bij de voorgenomen externe saldering zijn betrokken. Lid 7 en 8: Er mag alleen stikstofemissie worden ingezet voor salderen voor zover de capaciteit feitelijk is gerealiseerd. Of gebouwen, infrastructuur, installaties of overige voorzieningen die nodig zijn voor het uitvoeren van een activiteit daadwerkelijk zijn gerealiseerd, kan worden aangetoond met bijvoorbeeld luchtfoto’s, foto’s, of betaalde rekeningen. Onder ‘overige voorzieningen’ worden bijvoorbeeld terreinen die zijn ingericht voor op- en overslag gerekend. De in lid 8 bedoelde overeenkomst volgt uit jurisprudentie en ziet niet alleen toe op de overeenkomst tussen de saldogever en saldonemer. Het kan bijvoorbeeld ook een anterieure overeenkomst zijn tussen de gemeente en de saldonemer. Het doel hiervan is om aan te tonen dat op het moment dat de saldering plaatsvindt, de activiteit van de saldogever nog in werking is of kan zijn zoals beschreven in artikel 2.2.6 lid 2. Lid 9: Deze intrekking op verzoek van de saldogever, is noodzakelijk om te voorkomen dat de saldogevende partij alsnog het niet-gerealiseerde deel van zijn toestemming kan benutten, en daardoor een stijging van de depositie kan optreden. De intrekking van het toestemmingsbesluit van de saldogevende activiteit wordt in een afzonderlijke beschikking in samenhang met de saldo-ontvangende activiteit opgesteld. Lid 10: In de beleidsregels is een koppeling gelegd met artikelen 4.818, 4.819 en 4.820 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) om te voorkomen dat emissieruimte van een illegale situatie (het houden van dieren op een huisvestingssysteem wat niet is toegestaan conform het Bal) in te zetten is bij salderen. Indien een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit de referentiesituatie is, dan wordt beoordeeld of deze omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit aan paragraaf 4.82 van het Bal voldoet (kon de verleende natuurvergunning gerealiseerd worden op basis van de toen geldende normen?). Indien een toestemming als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel toestemming onder 2 (milieutoestemming) de referentiesituatie is, dan wordt beoordeeld of voor die locatie een geldende milieutoestemming aanwezig is die voldoet aan het Bal. Zo ja, dan is de toets aan het Bal op dit punt van de aanvraag niet nodig. Zo nee, dan geldt dat de laatst verleende milieutoestemming teruggerekend wordt naar de toen geldende normen van het Bal. Lid 12: Om een stijging van de depositie te voorkomen, wordt de niet-gerealiseerde capaciteit uitgesloten van extern salderen. Om een daling te realiseren is bepaald dat 70% van de depositie van de saldogevende activiteit mag worden ingezet voor salderen na aftrek van de niet-gerealiseerde capaciteit. Artikel 2.2.6a Voorwaarden verleasen Lid 1: Het eerste, derde en negende lid gaan uit van het definitief onmogelijk maken van de saldogevende activiteit doormiddel van het intrekken van de daarvoor verleende vergunning. Aangezien verleasen ziet op een tijdelijke depositie en het tijdelijk buiten gebruik stellen van een saldogevende activiteit is intrekking van de vergunning niet aan de orde. Lid 2 en 3: Van verleasen kan alleen gebruik gemaakt worden voor projecten die een tijdelijke depositie hebben van maximaal 2 jaar. Hier valt bijvoorbeeld een project onder met een aanlegfase van maximaal 2 jaar. Denk aan de aanleg van een windmolenpark, reconstructie van een weg of het bouwrijp maken van een bedrijventerrein. Op basis van het derde lid hebben Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om in voorkomende gevallen op voorhand of met een afzonderlijk verlengingsbesluit (eventueel onder voorwaarden) een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor langere termijn te verlenen. Deze bevoegdheid kan worden gebruikt indien de initiatiefnemer naar het oordeel van Gedeputeerde Staten genoegzaam aantoont dat verlenging noodzakelijk is. Bijvoorbeeld een duurzaamheidproject waarbij de aanlegfase langer duurt dan 2 jaar. Lid 4 en 5: Aangezien verleasen een tijdelijke constructie is, wordt niet overgegaan tot intrekking van de toestemming voor de saldogevende activiteit. Artikel 6, eerste lid, is daarom niet van overeenkomstige toepassing op verleasen. Met het vierde lid is beoogd te benadrukken dat er toch een rechtstreekse relatie moet bestaan tussen het project met een tijdelijke depositie en het tijdelijk geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van de saldogevende activiteit. Het is aan de initiatiefnemer om dit in de aanvraag genoegzaam aan te tonen. De tijdelijke buitengebruikstelling van de toestemming voor de saldogevende activiteit wordt geregeld met een tijdelijke beperking van de gehele toestemming of een gedeelte van die toestemming. In de overeenkomst tussen saldogever en saldonemer stemt de saldogever hiermee in. Deze tijdelijk in te perken toestemming kan een natuurvergunning betreffen, maar het kan ook gaan om bijvoorbeeld een omgevingsvergunning, onderdeel milieu of natuur of melding. In het geval de saldogever alleen beschikt over een melding in het kader van het Bal en geen andere in de beleidsregel genoemde toestemmingen, is een tijdelijke beperking van deze toestemming alleen mogelijk met een nieuwe (ingeperkte) melding. De voordelen die gepaard gaan met de constructie van verleasen (het tijdelijk ter beschikking stellen van ruimte aan een ander, om deze vervolgens weer volledig zelf te gebruiken) kunnen hiermee vervallen. Namelijk wanneer op een later moment een nieuwe melding zou worden ingediend om weer van de volledige ruimte gebruik te kunnen maken, waarbij de ingeperkte melding als referentiesituatie zal gelden. Deze vorm van verleasen met N-emissie van een saldogever met alleen een melding in het kader van het Bal is om die reden niet in iedere situatie aan te raden, omdat het kan leiden tot een beperking van bestaande rechten. Lid 6 en 7: Het bevoegd gezag als bedoeld in deze bepalingen kan de gemeente of de provincie zijn. In de vergunning wordt opgenomen bij welk bevoegd gezag de saldo-ontvanger de meldingen moet doen. Artikel 2.2.7 Plannen Salderen kan ook worden ingezet in het kader van de plantoets. De plantoets is niet gelijk aan de projecttoets. Het planeffect betreft het effect van het plan, waarbij het feitelijk gebruik binnen de huidige toestemming wordt vergeleken met de beoogde toestemming. Dit artikel is opgenomen om te borgen dat wanneer een natuurvergunning wordt aangevraagd voor projecten die op basis van het plan mogelijk zijn, gebruik gemaakt kan worden van dezelfde saldering die als onderbouwing van het plan is gebruikt indien artikel 16.53c van de Wet van toepassing is. In veel gevallen is het namelijk zo dat de saldogevende activiteit niet meer feitelijk aanwezig is op het moment dat natuurvergunningen worden aangevraagd voor individuele projecten. Dit artikel voorkomt dat tweemaal gesaldeerd moet worden voor eenzelfde activiteit. Dit artikel ziet zowel op reeds vastgestelde als nog vast te stellen plannen. Het buiten toepassing laten van de artikel 6, tweede lid, gaat over de eis van het onafgebroken aanwezig zijn. Het is niet bedoeld om een uitzondering te maken op de eis van het bestaan van een toestemming in de referentiesituatie. Artikel 2.2.8 Realisatietermijn Artikel 5.40 lid 2 onder b van de Wet geeft de bevoegdheid om een omgevingsvergunning in te trekken als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Van deze bevoegdheid kan echter geen gebruik worden gemaakt als wel activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning, maar niet de volledige capaciteit wordt gerealiseerd. Het is echter onwenselijk dat afgegeven vergunningen voor langere tijd niet-gerealiseerde capaciteit blijven bevatten. Wanneer er geen mogelijkheid is om na drie jaar een natuurvergunning (deels) in te trekken, kunnen er op langere termijn onverwachte en ongewenste stijgingen van de stikstofdepositie optreden wanneer de vergunning alsnog (geheel) wordt benut óf kunnen andere activiteiten beperkt worden doordat steeds rekening wordt gehouden met deposities die niet daadwerkelijk optreden. Dit voorschrift is alleen van toepassing op de nieuwe (of gewijzigde) activiteiten. Door het opnemen van een voorschrift in vergunningen, ontstaat een basis voor het intrekken van de vergunning op grond van artikel 18.10 lid 1 van de Wet door het niet naleven van de voorschriften. Artikel 2.2.9 SSRS-bank Het stikstofregistratiesysteem (SSRS) is het gezamenlijke registratiesysteem waarin Rijk en provincies vrijgevallen en vrijgemaakte stikstofdepositieruimte kunnen opslaan voor latere toedeling in een besluit. Lid 1: Een uitgangspunt van het SSRS is dat voor aanvragen, die een beroep op dit systeem doen, stikstofdepositieruimte wordt gereserveerd in de volgorde van ontvangst van deze aanvragen. Dat kan betekenen dat een aanvraag die niet volledig is, bij reservering van stikstofdepositieruimte voorrang heeft op een aanvraag die wel volledig is. Dit vinden Gedeputeerde Staten een onwenselijke situatie. Voor reservering van stikstofdepositieruimte is het van belang dat de aanvraag volledig is. Dat houdt in dat de juiste gegevens zijn overgelegd en dat ook de inhoud van de aanvraag op orde is. Het is dus in het belang van de initiatiefnemer dat de ingediende aanvraag zowel formeel als inhoudelijk op orde is. Is dat niet het geval dan wordt de initiatiefnemer in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen binnen een bepaalde periode. Pas als de benodigde gegevens op tijd zijn ingediend, wordt de status van de aanvraag omgezet in een volledige aanvraag en is de datum van volledigheid bepalend voor de volgorde van toekenning van stikstofdepositieruimte. Lid 2: Deze bepaling maakt duidelijk dat bij aanvragen, waarbij sprake is van individuele externe saldering, niet kunnen worden betrokken de bronmaatregelen die zijn opgenomen in het SSRS (zoals de snelheidsverlaging op de Rijkssnelwegen). Lid 3: In de Omgevingsregeling is het toetsingskader opgesteld voor de beoordeling van aanvragen die een beroep doen op het SSRS. Deze aanvragen worden (met uitzondering van het eerste lid) niet getoetst aan deze beleidsregels. Dit geldt overigens alleen voor zover de aanvraag een beroep doet op het SSRS. Als een aanvraag bijvoorbeeld eerst gebruik maakt van interne en/of externe saldering, dan zijn de beleidsregels op dat gedeelte van de aanvraag wél van toepassing. Als diezelfde aanvraag voor een eventueel restant nog een beroep doet op het SSRS, dan zijn de beleidsregels (met uitzondering van het eerste lid van dit artikel) niet van toepassing op dat gedeelte van de aanvraag. Als een aanvraag enkel en alleen een beroep doet op het SSRS (dus zonder intern en/of extern salderen) dan zijn deze beleidsregels (met uitzondering van het eerste lid van dit artikel) niet van toepassing op die gehele aanvraag. Artikel 2.2.10 Microdepositiebank De microdepositiebank is een gezamenlijke stikstofdepositiebank van alle provincies en de Rijksoverheid voor het salderen van zeer kleine deposities. De provincies leggen gezamenlijke afspraken over de omgang met deze bank vast in de beleidsregels, het Rijk legt dit in eigen beleid vast. Lid 1 tot en met 4: Stikstofdepositieruimte is beschikbaar voor een project met depositie-effecten. De beschikbare stikstofdepositieruimte is de in de microdepositiebank opgenomen stikstofdepositieruimte voor een relevant hexagoon. De ruimte is beschikbaar op alle relevante hexagonen die door een project worden geraakt, voor ten hoogste 0,05 mol stikstof/ha/jr. De eventueel benodigde depositie boven de 0,05 mol stikstof/ha/jr. moet voor alle hexagonen van een project buiten de microdepositiebank worden opgelost, bijvoorbeeld door salderen, een ecologische onderbouwing, of andere vormen van mitigatie. Gedeputeerde Staten reserveren beschikbare ruimte op basis van het principe ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. Daarbij geldt allereerst dat het om volledige aanvragen gaat, te weten aanvragen waarop artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht niet (meer) hoeft te worden toegepast. Gedeputeerde Staten beoordelen vervolgens of er voor een project dat op grond van het eerste lid in aanmerking komt voor toedeling ook daadwerkelijk stikstofdepositieruimte beschikbaar is. Stikstofdepositieruimte die niet is gereserveerd of toegedeeld, is beschikbaar. Als een aanvraag, inclusief de daarvoor uit de microdepositiebank benodigde stikstofdepositieruimte, wat betreft de benodigde stikstofdepositieruimte vergunbaar is, kan daarvoor de reservering uit het derde lid plaatsvinden, de beoordeling vindt zijn weerslag in de te verlenen natuurvergunning waarin de ruimte vervolgens wordt toegedeeld. Lid 6: Onder het PAS bestonden meldingsplichtige activiteiten. De meldingsplicht betrof bepaalde activiteiten met een uitstoot tussen de 0,05 mol stikstof/ha/jr en 1 mol stikstof/ha/jr. Deze activiteiten worden gelegaliseerd via het “legalisatieprogramma PAS-meldingen” (februari 2022). Artikel 2.2.11 Doelgebonden depositiebank In het SSRS is voor iedere provincie een hoofdcompartiment aangemaakt die hierin één of meerdere subcompartimenten aan kan maken. Ieder subcompartiment vormt een doelgebonden depositiebank waarin de provincie voor een specifiek doel stikstofdepositieruimte kan sparen. Het is aan Gedeputeerde Staten om de doelen te definiëren. Bevoegde gezagen kunnen ook gezamenlijk een doelgebonden depositiebank oprichten. In dat geval definiëren Gedeputeerde Staten de doelen in afstemming met de betreffende andere bevoegde gezagen. Bij de doelgebonden depositiebank geldt dat koppeling aan een doelstelling een vereiste is. Dat doel kan algemeen zijn (bijvoorbeeld stimulering van de gebiedsgerichte aanpak) of smal (zoals voor één specifiek project). Gedeputeerde Staten kunnen aanvullende inhoudelijke criteria voor vulling en toedeling van de stikstofdepositieruimte opnemen in beleidsregels. Hoofdstuk 3 Houtopstanden Gedeputeerde Staten kunnen op grond van artikel 11.119, eerste lid, Bal maatwerkvoorschriften stellen over paragraaf 11.3.2 met bepalingen over activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Op grond van artikel 11.119, tweede lid, Bal, kan met een maatwerkvoorschrift worden afgeweken van paragraaf 11.3.2, tenzij anders is bepaald. Voor de uitoefening van deze bevoegdheden om af te wijken hebben Gedeputeerde Staten provinciale beleidsregels vastgesteld. Artikel 3.1 Gedeputeerde Staten kunnen op grond van artikel 11.119, tweede lid, Bal, in dit artikel genoemde gevallen afwijken van de termijn van zes weken voor het doen van een melding. Dit is mogelijk als niet langer kan worden gewacht met het uitvoeren van een velling of deze onder bepaalde natuurlijke omstandigheden moet worden uitgevoerd. Dit kan het geval zijn als de (verkeers)veiligheid in het geding is of fytosanitaire maatregelen moeten worden genomen. In sommige situaties is een velling alleen mogelijk bij droogte of strenge vorst. Lid 1: Hierbij kan gedacht worden aan toegang tot zeer natte terreinen, waarbij slechts bij droogte of zware vorst een terrein te betreden is. Lid 2: Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan noodvellingen na storm of ijzel. Ook kan gedacht worden aan fytosanitaire maatregelen. Insteek hierbij is dat de initiatiefnemers worden geacht planmatig beheer en vellingen uit te voeren. De regeling is niet bedoeld om zomaar niet goed geplande werkzaamheden toch snel uit te kunnen voeren. De bepalingen over flora- en fauna-activiteiten en/of Natura 2000-activiteiten gelden onverkort. Artikel 3.2 Maatwerkvoorschriften zijn mogelijk over de herplanttermijn, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving als omstandigheden het redelijkerwijs niet mogelijk maken om binnen die termijn van drie jaar aan de plicht tot herbeplanting te voldoen. Met uitstel van de herplantplicht wordt terughoudend omgegaan. Reden hiervoor is dat het vellen van een houtopstand een grote impact heeft op de omgeving, die zo snel mogelijk hersteld dient te worden. Er zijn omstandigheden denkbaar waarbij uitstel van de herplantplicht redelijk wordt geacht, bijvoorbeeld in situatie dat aan herplantplicht wordt voldaan door natuurlijke verjonging of bij grootschalige projecten. Lid 1: Een mastjaar is bij bosbouw en natuurbeheer een benaming voor een jaar waarin bomen en planten veel meer vruchten dragen dan normaal. Een mastjaar komt bijvoorbeeld voor bij beuken, eiken en kastanjes. Dit verschijnsel wordt door bosbeheerders vaak aangegrepen om verjonging van het bos te realiseren. Lid 2: Gedacht kan worden aan ontgrondingen waarbij herplant op de te ontgronden locatie zal plaatsvinden. Gedeputeerde Staten kunnen in dit geval voorwaarden stellen aan de uitvoering van het project, met als doel herplant zo snel mogelijk, dus binnen een in het maatwerkvoorschrift genoemde einddatum, te realiseren. Artikel 3.3 Het is op grond van artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving mogelijk om in bijzondere omstandigheden met maatwerkvoorschriften af te wijken van de plicht tot herbeplanting. Van deze bevoegdheid wordt uitermate terughoudend gebruik gemaakt. Uitgangspunt blijft dat na het vellen of het anders tenietgaan van een houtopstand, herbeplanting binnen 3 jaar plaatsvindt op bosbouwkundig verantwoorde wijze. Of bijzondere omstandigheden aanleiding vormen voor het gebruik maken van de bevoegdheid om af te wijken van de herbeplantingsplicht hangt af van de specifieke situatie in het individuele geval. Dat vraagt om een beoordeling van geval tot geval waarbij de beoordeling zich met name toespitst op de vraag of zich bijzondere omstandigheden voor doen. Uitgangspunt bij deze vraag zijn de omstandigheden van de betrokkene en/of het terrein. Het bevoegde gezag heeft daartoe vier categorieën onderscheiden die aan de jurisprudentie zijn ontleend of die zich in de praktijk hebben voorgedaan. Het betreft hier geen limitatieve opsomming. Lid 1: Hierbij kan gedacht worden aan bodemverontreiniging waardoor bosvorming onmogelijk is geworden, het afgraven van de grond tot onder de waterspiegel waardoor herplant onmogelijk is geworden of bos onder hoogspanningsleidingen waarbij de draden zo laag hangen dat bosontwikkeling niet meer mogelijk is. Lid 2: Hierbij kan gedacht worden aan het vrijstellen van grafheuvels, het herstellen van zichtassen en het herstellen van historische tuinen of buitenplaatsen. Lid 3: Hierbij kan gedacht worden aan houtopstanden op heidevelden of andere bestaande natuurterreinen die door achterstallig onderhoud in de loop der jaren op een spontane manier zijn ontstaan en die jonger zijn dan 20 jaar. Lid 4: Hierbij gedacht worden aan persoonlijke omstandigheden. Bijvoorbeeld als aannemelijk kan worden gemaakt dat een bedrijfsuitoefening onmogelijk kan worden gecontinueerd wanneer het perceel opnieuw moet worden beplant. Artikel 3.5 Gedeputeerde Staten kunnen op grond van artikel 11.128 Bal een kapverbod opleggen voor de duur van ten hoogste vijf jaar als dat nodig voor de bescherming van bijzondere natuurwaarden en landschappelijke waarden. Artikel 3.5 geeft weer waaruit, volgens Gedeputeerde Staten, deze bijzondere natuurwaarden of landschappelijke waarden onder meer kunnen blijken. Daarnaast beschrijft dit artikel in welke voorbeeldsituaties Gedeputeerde Staten een kapverbod zullen opleggen als de bijzondere natuur- en/of landschappelijke waarden en de specifieke omstandigheden dat rechtvaardigen. Bij het vellen van een aaneengesloten oppervlakte van meer dan één hectare dreigen bijzondere natuur- en/of landschappelijke waarden verloren te gaan. Landschappelijke waarden dreigen verloren te gaan door het aanzienlijke verlies aan zichtbare houtopstand. Natuurwaarden dreigen verloren te gaan doordat het vellen van meer dan één hectare houtopstand nadelige gevolgen heeft voor het bosecosysteem. Vanaf deze leeftijd bestaat de kans dat het vellen van de houtopstand leidt tot verlies van bijzondere natuur- en/of landschappelijke waarden. Na 125 jaar is het aannemelijk dat de houtopstand zich heeft ontwikkeld tot een waardevol ecosysteem met bijzonder natuur- en/of landschappelijke waarden. Daarbij geldt nadrukkelijk dat per geval moet worden beoordeeld of deze natuur- en/of landschappelijke waarden daadwerkelijk aanwezig zijn, en daarbij geldt zoals in het artikel beschreven dat beoordeeld moet worden of de specifieke omstandigheden van het geval het rechtvaardigen dat de bijzondere natuur- en/of landschappelijke waarden worden beschermd middels een kapverbod. Op basis van (digitale) kaarten is het mogelijk om te zien vanaf welk jaartal een houtopstand aanwezig is op de betreffende grond. De vitaliteit van een boom is onder andere af te lezen aan de kroonprojectie en de aan-of afwezigheid van schimmelaantasting en dood hout. Bij het vellen van een houtopstand met een goed ontwikkelde bosbodem kunnen bijzondere natuur- en/of landschappelijke waarden verloren gaan. Goed ontwikkelde bosbodems verdienen bescherming omdat bij deze bodems sprake is van een langdurige ongestoorde ontwikkeling van de bosbodem. De bodem krijgt hierdoor specifieke kenmerken die gunstig zijn voor soorten die alleen groeien in langdurig ongestoorde bossystemen. Om deze reden worden deze bodems beschermd. Een goed ontwikkelde bosbodem is onder andere te herkennen aan: de kleur van de bosbodem; de geur van de bosbodem; de dikte van de humuslaag en strooisel; de soorten onderbegroeiing; de structuur van de bosbodem; en het bodemleven. Bij het vellen van een houtopstand die uit bedreigde soorten bestaat gaan bijzondere natuur- en/of landschappelijke waarden verloren. Voorbeelden van bedreigde soorten zijn de tweestijlige meidoorn, wilde appel, laurierwilg, winterlinde, wintereik, iep en de kardinaalsmuts. Bij het vellen van een houtopstand die een belangrijke ecologische functie vervult voor andere dier- en plantsoorten kunnen bijzondere natuurwaarden verloren gaan. Een houtopstand die een belangrijke ecologische functie vervult voor andere dier- en plantsoorten is onder andere te herkennen aan: De afwezigheid van andere houtige planten in de omgeving; De afwezigheid van gelijksoortige houtopstanden in de omgeving; De nabije aanwezigheid van bijzondere flora en/of fauna; Het vellen van een houtopstand met een belangrijke landschappelijke functie kan leiden tot verlies van bijzondere landschappelijke waarden. Zo kan een houtopstand deze functie hebben wanneer zij deel uitmaakt van een kenmerkend landschapstype, zoals een oud hoeven-, essen- of coulisselandschap. Daarnaast kan een houtopstand een bijzondere landschappelijke functie vervullen voor het aanzicht van het landschap. Voorbeelden hiervan zijn: Houtsingels, houtwallen en hagen tussenlandbouwpercelen; Sterrebos; Laanbeplanting; en bos in agrarisch gebied. Hoofdstuk 4 Soortenbescherming Titel 4.2 Soortenbestand Artikel 4.2.1 Uitgangspunten Voor een aantal veel voorkomende beschermde diersoorten zijn kennisdocumenten opgesteld. Vóór 2017 hanteerde Rijksdienst voor Ondernemend Nederland deze bij ontheffingverlening op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet (destijds heetten deze documenten ‘soortenstandaarden’). De kennisdocumenten zijn per 2017 beschikbaar via de website van BIJ12. In de kennisdocumenten staat informatie over onder andere de kenmerkende ecologische aspecten van de soort en welke maatregelen genomen kunnen worden bij veel voorkomende activiteiten zoals het rooien van bomen, baggeren, slopen of bouwen om effecten op de soort te voorkomen of verminderen. Gedeputeerde Staten zullen bij aanvragen tot vergunningverlening deze kennisdocumenten gebruiken als toetsingskader. Uiteraard verschilt de situatie van plek tot plek, waardoor afwijkingen beargumenteerd mogelijk zijn. Titel 4.3 Bescherming nesten vogelsoorten In de Omgevingswet en in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) is een beschermingsregime voor vogels opgenomen. Hierin zijn de bepalingen van de Vogelrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn geïmplementeerd. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g Omgevingswet bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit vereist is in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen. Voor de Vogelrichtlijnsoorten staan de gevallen waarin een vergunningplicht geldt in de artikelen 11.37 tot en met 11.40 van het Bal. Voor de bescherming van nesten is artikel 11.37 eerste lid, aanhef en onder b Bal van belang: "1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels;" (…) Nestplaatsen van vogels worden strikt beschermd, omdat ze cruciaal zijn voor de levenscyclus van vogels en zijn vitale onderdelen van de hele habitat van een soort. Artikel 4.3.1 Nestbescherming vogels algemeen Een nestplaats is een plek waar een vogelsoort paart, nestelt, broedt en de jongen grootbrengt tot deze groot genoeg zijn om zelfstandig deze nestplaats te verlaten. Een nest- of voortplantingsplaats moet voorzien in alle vereisten die nodig zijn voor een specifieke soort om succesvol te broeden. Het doel is het veiligstellen van de ecologische functionaliteit. Voor vogels geldt dat de meeste soorten elk broedseizoen een nieuw nest maken of in staat zijn om een nieuwe nestplaats te maken. Deze nestplaatsen (nesten, holen, etc.) vallen alleen onder de verbodsbepaling zo lang ze gebruikt worden tijdens balts/nestbouw, om te broeden en jongen groot te brengen. Niet alle vogels baltsen op de plek, waar ze uiteindelijk hun nest gaan bouwen. De baltsplek valt alleen onder de nestbescherming als deze plek samenvalt met de nestplaats. Dat is soortafhankelijk. Het seizoen is niet relevant voor de nestbescherming, wat ertoe doet is of het nest feitelijk in gebruik is voor het broeden. Indien de soort nest-indicerend gedrag vertoont, zoals het baltsgedrag, paringsgedrag, nestelgedrag en het aanslepen van nestmateriaal, is het niet langer toegestaan het nest te verwijderen of de broedlocatie ongeschikt te maken. Dit is namelijk onderdeel van het broedseizoen. Artikel 4.3.2 Vogels met jaarrond beschermde nesten Deze bepaling betekent dat het nest of nestplaats buiten het broedseizoen de bescherming van artikel 11.37 eerste lid, aanhef en onder b Bal heeft en derhalve niet mag worden vernield, beschadigd of worden weggenomen. Een beperkt aantal vogels bewoont de nestplaats permanent (gebruikt dit ook als rustplaats) of keert elk jaar terug naar dezelfde nestplaats. Nestplaatsen van deze vogelsoorten zijn jaarrond beschermd. Onder invloed van jurisprudentie heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in 2009 een lijst opgesteld van deze vogelsoorten. Met ingang van 1 januari 2017 hebben wij aanvankelijk deze lijst met vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten integraal (beleidsneutraal) overgenomen. Deze lijst werd als leidraad gehanteerd bij het verlenen van vergunningen. Uit de uitvoeringspraktijk is gebleken dat deze lijst aangepast moest worden aan de actuele Overijsselse situatie. In bijlage 4.1 is de actuele aangepaste lijst met vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten opgenomen. In deze lijst worden 4 categorieën vogels onderscheiden: Vogelsoorten met nesten die ook buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vast rust- of verblijfplaats (steenuil). Vogels die in kolonies broeden die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (gierzwaluw, huismus, huiszwaluw en roek). Vogelsoorten, geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (boerenzwaluw, bosuil, grote gele kwikstaart, kerkuil, oehoe, ooievaar, slechtvalk, zwarte specht). Vogelsoorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (boomvalk, buizerd, havik, raaf, ransuil, sperwer, torenvalk, wespendief, zeearend, zwarte wouw). In specifieke gevallen kan op basis van een gedegen ecologische onderbouwing worden afgeweken van de lijst Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (Bijlage 4.1). Bij de ecologische onderbouwing voor een afwijking van de lijst met jaarrond beschermde nesten is – mede gelet op jurisprudentie – het volgende van belang: Meerjarig onderzoek naar gebruik van een specifiek nest en de daarbij behorende functionele leefomgeving door een soort. Er is zekerheid nodig dat een nest al meerdere jaren niet meer in gebruik is dan wel dat er gebruik wordt gemaakt van alternatieve nestgelegenheid voordat een ‘vaste’ nestgelegenheid wordt verwijderd. In z’n algemeenheid geldt dat onderzoek gedurende drie jaren moet hebben plaatsgevonden. Uit een ecologische onderbouwing – aan de hand van het specifieke gedrag van de betreffende vogelsoort en de eisen die de soort stelt aan nestbouw, nestgebruik en bijbehorend biotoop – moet blijken dat de vogel in het specifieke geval niet ieder jaar naar precies hetzelfde nest terugkeert c.q. ieder jaar zijn eigen nest (op een andere plek) bouwt. Voor de onderbouwing of een nest in kwestie wel of niet als jaarrond beschermd moet worden aangemerkt, is het niet nodig om in te gaan op de omvang en de kwaliteit van de functionele leefomgeving en eventuele alternatieven voor het nest. Artikel 4.3.3 Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving De vogelsoorten op de lijst “bijlage 4.1: Vogelsoorten met jaarrond beschermd functioneel leefgebied Overijssel”, zijn weliswaar soorten die vaak terugkeren naar waar zij het jaar ervoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Ze zijn op deze lijst geplaatst vanwege bijvoorbeeld de slechte staat van instandhouding waarin ze verkeren. Het zijn ook soorten die specifieke eisen stellen aan hun nestplaats en bijbehorend functioneel leefgebied, waardoor binnen de reikwijdte van de soort slechts beperkte alternatieve nestgelegenheden aanwezig zijn. Het gaat hier nadrukkelijk niet om gebiedsbescherming van deze soorten. De bescherming van het functionele leefgebied, is alleen aan de orde als de betreffende soort voor zijn voortplanting uitsluitend afhankelijk is van dat betreffende functionele leefgebied en er geen alternatieven of uitwijkmogelijkheden in de omgeving zijn. Een omgevingsscan moet duidelijkheid geven over de feitelijke ecologische omstandigheden van de betreffende vogelsoorten ter plaatse. Als uit de omgevingsscan blijkt dat er geen zwaarwegende feiten en/of ecologische omstandigheden voor de betreffende soort op die locatie aan de orde zijn, hebben deze nesten alleen bescherming gedurende balts/nestbouw, broedperiode en verzorging vlieg vlugge jongen. Met andere woorden: in het broedseizoen zijn de nesten beschermd (artikel 4.3.1). Buiten het broedseizoen zijn de nesten/nestgebieden van deze vogelsoorten beschermd als er onvoldoende alternatieve nestmogelijkheden zijn. Hierbij speelt de flexibiliteit van de betreffende soort een rol: is de soort zelf in staat een nieuwe nestplaats te vinden? Accepteert een soort kunstmatige nestgelegenheid? Hoe flexibeler de soort, hoe minder zware maatregelen nodig zijn. Deze aspecten moeten nadrukkelijk aandacht krijgen in de omgevingsscan. De omgevingsscan moet ten minste informatie geven over: de aard en omvang van de activiteit of handeling de invloedsfeer van de activiteit of handeling op het broedgebied van de soort; de effecten van de activiteit of ingreep op de jaarrond beschermde nesten; de staat van instandhouding is van de vogelsoorten (bijlage 4.1 en 4.2); op welke wijze de (mitigerende) maatregelen mogelijke negatieve effecten op de jaarrond beschermde soorten (bijlage 4.1) zullen voorkomen en dat de gunstige staat van instandhouding van de soorten (bijlage 4.1) niet in geding komt. Titel 4.4 Pre-SMP Op grond van de Wet zijn Gedeputeerde Staten bevoegd gezag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (hierna: omgevingsvergunning) op grond van de artikelen 8.74j en 8.74k Bkl, in samenhang met artikel 5.1 tweede lid, aanhef en onder g van de Wet. In geval van ontwikkelingen die zien op meerdere activiteiten op een groter grondgebied van een gemeente kunnen Gedeputeerde Staten een omgevingsvergunning verlenen. Artikel 4.4.1 Pre-SMP-vergunning Lid 1: De activiteit waarvoor een omgevingsvergunning op basis van de pre-SMP-methodiek wordt verleend, betreft uitsluitend het na-isoleren van particuliere grondgebonden woningen of het plaatsen van zonnepanelen op deze woningen. Een grondgebonden woning is een woning die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan één van de woonlagen aansluit op het maaiveld. Grondgebonden woningen hebben meestal een op de grond gelegen terras en/of een tuin. Lid 2: De toetsing van deze vergunningaanvragen vindt plaats conform de kaders van het pre-SMP-methodiek, zoals opgenomen in “Beleidskader Natuurvriendelijk isoleren onder het pre-soortenmanagementplan”. Het beleidskader is te vinden op de website Externe link: www.overijssel.nl/natuurvriendelijkisoleren. Artikel 4.4.3 Voorwaarden Sub a: De voorwaarde onder sub a is gesteld om te verzekeren dat de omgevingsvergunning op grond van de pre-SMP-methodiek ook echt wordt gebruikt als opstap naar een omgevingsvergunning op grond van een SMP. Bedoeling is dat het SMP tijdens de looptijd van de pre-SMP-vergunning wordt voorbereid en dat tijdig voor het verstrijken van de pre-SMP-periode de gebiedsvergunning wordt aangevraagd. Hierdoor kan de gebiedsvergunning, zonder dat een periode ontstaat waarin geen omgevingsvergunning geldig is, direct aansluitend op de looptijd van pre-SMP-vergunning worden verleend. Om te kunnen beoordelen of dit bij de aanvraag voor de pre-SMP-vergunning is verzekerd, dient in beginsel een opdracht gegeven te zijn aan een ecologisch (advies)bureau om veldonderzoek uit te voeren dat nodig is voor het opstellen van een SMP.] Sub b: De aanvraag voor een pre-SMP-vergunning dient vergezeld te zijn van een pre-soortenmanagementplan. Hierin dient ten minste te worden beschreven hoe de gemeente het verlies aan (kraam)verblijfplaatsen in de gemeente compenseert. In het “Beleidskader Natuurvriendelijk isoleren onder het pre-soortenmanagementplan” is nader toegelicht aan welke vereisten een pre-SMP moet voldoen. Sub c: Voorwaarde binnen de pre-SMP-methodiek is dat de verduurzamingswerkzaamheden worden uitgevoerd conform de daartoe opgestelde spelregels voor “natuurvriendelijk isoleren”. Per woning worden voorzieningen voor gebouwbewonende dieren aangebracht en wordt het doden van dieren zo veel mogelijk voorkomen door tijdig natuurvrij maken. De spelregels zijn te vinden in het “Beleidskader Natuurvriendelijk isoleren onder het pre-soortenmanagementplan”. Artikel 4.4.5 Looptijd van de omgevingsvergunning De pre-SMP-vergunning is bedoeld als overbrugging naar een gebiedsvergunning op basis van een SMP. De maximale looptijd van deze kortdurende omgevingsvergunning hangt samen met de twee fasen die onderscheiden worden in de pre-SMP-methodiek. De eerste fase is de start van de pre-SMP-vergunning, tot alle kraamgroepen met het SMP-onderzoek in beeld zijn gebracht. De tweede fase start vanaf het moment dat de kraamgroepen in beeld zijn, totdat de gebiedsvergunning op grond van het SMP is afgegeven. Hoofdstuk 6 Tegemoetkoming schade Algemeen In artikel 15.53 van de Omgevingswet is bepaald dat gedeputeerde staten in voorkomende gevallen een tegemoetkoming verlenen in de schade, geleden in hun provincie, aangericht door van nature in het wild levende dieren van, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten. Waarbij die soorten worden aangewezen die op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet worden beschermd tegen flora- en fauna-activiteiten. Ter invulling van deze taak en bevoegdheid hebben gedeputeerde staten beleidsregels vastgesteld op grond van artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Hoewel de faunaschade door in het wild levende dieren en niet door de overheid wordt veroorzaakt, wordt een tegemoetkoming in de schade in bepaalde gevallen op zijn plaats geacht. Regelgeving van overheidswege kan immers met zich meebrengen dat een grondgebruiker wordt beperkt in de mogelijkheden om zijn landbouwgewassen of gehouden dieren te beschermen; denk aan het verbod om aangewezen beschermde soorten te verjagen of doden. Een provinciale vrijstelling of ontheffing, kan een dergelijke beperking ook weer wegnemen. Er is dus een rechtstreeks verband tussen de mate waarin een grondgebruiker wordt beperkt in diens mogelijkheden tot schadebestrijding, en de mate waarin in een tegemoetkoming zou moeten worden voorzien. De schade dient te worden vergoed voor zover een burger in zijn mogelijkheden tot schadebestrijding wordt beperkt en de schade (mede daardoor) redelijkerwijs niet of niet geheel voor rekening van de burger dient te blijven. Zo blijkt ook uit de wetsgeschiedenis van de Wet natuurbescherming (nu Omgevingswet): "Uitgangspunt van het beleid daarbij is dat de bescherming van eigendommen tegen schade door dieren primair de verantwoordelijkheid van de burger zelf is. Deze moet waar mogelijk (...) maatregelen nemen en inspanningen verrichten om schade aan zijn eigendommen te voorkomen. Als preventieve maatregelen tekort schieten, kunnen maatregelen in het kader van schadebestrijding en populatiebeheer uitkomst bieden. Jacht kan daarbij een ondersteunende functie hebben. […] Wanneer schadebestrijding, beheer en jacht niet in enigerlei vorm zijn of kunnen worden toegestaan, zal [gedeputeerde staten] op verzoek van degene die schade heeft geleden, kunnen besluiten tot toekenning van schadevergoeding als de schade redelijkerwijs niet ten laste van een grondgebruiker behoort te blijven." Artikel 15.53 van de Omgevingswet bepaalt voorts dat een tegemoetkoming slechts wordt verleend als een belanghebbende schade lijdt, welke redelijkerwijs niet of niet geheel voor diens rekening behoort te blijven. De bepaling biedt geen recht op een volledige schadevergoeding, het betreft een tegemoetkoming die naar billijkheid wordt bepaald. Het moet voorts gaan om schade die niet tot het normale bedrijfsrisico of normale maatschappelijke risico van een aanvrager behoort. Een zekere mate van schade door in het wild levende dieren dient eenieder voor lief te nemen. Aanknopingspunt voor het beleid is dat een aanvrager alles wat redelijkerwijs mogelijk is in het werk moet stellen om schade te voorkomen of beperken. Daarbij is het treffen van preventieve maatregelen, gericht op het voorkomen van schade de eerste inzet. Als dergelijke maatregelen te kort schieten, is schadebestrijding (schadebeperking door het bestrijden van schadeveroorzakende diersoorten) aan de orde. Schade die men had kunnen voorkomen of beperken, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Als er ondanks tijdige en deugdelijke inspanningen van een aanvrager om schade te voorkomen en beperken, schade ontstaat, kunnen gedeputeerde staten besluiten een tegemoetkoming te verlenen. Interprovinciaal Overleg In IPO-verband hebben de gezamenlijke provincies ervoor gekozen het verlenen van tegemoetkomingen in faunaschade te mandateren aan de uitvoeringsorganisatie BIJ12. Uit oogpunt van efficiëntie is een landelijke uitvoering met één loket en gebundelde kennis te prefereren. Daarnaast wordt uniformiteit in de uitvoering, en rechtsgelijkheid over heel Nederland nagestreefd. Daar waar in de beleidsregels of in deze toelichting sprake is van gedeputeerde staten moet in veel gevallen dan ook ‘BIJ12’ worden gelezen. In een afzonderlijk besluit worden de bevoegdheden met betrekking tot het verlenen van tegemoetkomingen, gemandateerd aan BIJ12. Doelgroep van de regeling De doelgroep van deze regeling bestaat uit kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kmo’
- s)die actief zijn in de landbouwsector als bedoeld in artikel 1, lid 1 onder a, van de LVV. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING Artikel 6.1 (Schade aan bedrijfsmatige landbouw) In artikel 6.1 hebben gedeputeerde staten, ter invulling van artikel 15.53 Omgevingswet, bepaald welke schade in aanmerking wordt genomen. Het gaat hierbij om directe vraat-, graaf-, wroet-, veeg-, pik-, of predatieschade aan bedrijfsmatige landbouw. Directe schade Directe schade is schade die is aangericht door het vreten, graven, wroeten, vegen, pikken of predatie door de dieren, aan de landbouwgewassen zelf of aan landbouwhuisdieren. Geen tegemoetkoming wordt dus verleend voor indirecte schade of gevolgschade. Daaronder wordt verstaan, alle schade die geen directe schade is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft meermaals bevestigd dat het niet onredelijk is dat alleen schade die door dieren aan de gewassen zelf is aangericht, voor een tegemoetkoming in aanmerking komt (ECLI:NL:RVS:2005:AT1995, ECLI:NL:RVS:2008:BC7605, en ECLI:NL:RVS:2018:2636). En dat bijvoorbeeld meer- en vervolgschade, zoals een lagere omzet of kosten die gemaakt zijn voor sortering en extra onkruidbestrijding, slechts een afgeleide is van schade veroorzaakt door dieren, en dat het verband tussen het schadeveroorzakende gedrag en die schade te ver is verwijderd om van een rechtstreeks gevolg te kunnen spreken. Die schade is niet direct gerelateerd aan de bedrijfsmatig uitgeoefende landbouw. Denk hierbij bijvoorbeeld ook aan structuurschade aan gronden doordat dieren die gronden hebben betreden. Schade aan materialen die worden aangewend voor het (tijdelijk) afdekken van gewassen behoren ook niet tot directe schade die voor een tegemoetkoming in aanmerking komt. Directe schade door wolven Net als bij schade door beschermde dieren aan gewassen, moet het bij schade door de wolf gaan om directe schade. Bij schade door een wolf is directe schade dus de schade door predatie aan gehouden landbouwhuisdieren. Dit zijn dieren die worden gehouden voor de productie van bijvoorbeeld melk en vlees, of die bijvoorbeeld worden ingezet voor begrazing. In beginsel komt bijkomende schade of indirecte schade niet in aanmerking voor tegemoetkoming. Om dierhouders de tijd te gunnen om zich aan te passen aan de terugkomst van de wolf, is ervoor gekozen om bij schade door wolven toch enkele aanvullende schadeposten te vergoeden. Dit zijn dierenartskosten, afvoerkosten en verworpen lammeren door spontane abortus veroorzaakt door de wolvenaanval. Hierop wordt in de BIJ12-taxatierichtlijn voor wolvenschade nader ingegaan. In de taxatierichtlijn voor wolvenschade zijn duidelijkheidshalve ook enkele indirecte c.q. vervolgschadeposten benoemd die niet bij de taxatie en de tegemoetkoming betrokken worden (ECLI:NL:RVS:2022:3024 en ECLI:NL:RBNNE:2024:3437). Deze schadeposten, bijvoorbeeld materiaalkosten of uren besteed aan de schadeafwikkeling zijn een afgeleide, een (deels onbepaald en niet controleerbaar) indirect gevolg, waarbij de relatie tussen de wolvenaanval en het gevolg niet altijd duidelijk aanwezig is, dan wel in een te ver verwijderd verband staat tot de wolvenaanval om van rechtstreekse, directe schade aan de landbouw (aan de gehouden dieren) te kunnen spreken. Deze indirecte kosten stijgen ook niet uit boven hetgeen tot het normale bedrijfsrisico of normaal maatschappelijk risico behoort, en gedeputeerde staten achten het niet onbillijk of onevenredig dat deze voor rekening van de dierhouder blijven. Landbouw Onder landbouw wordt verstaan: veehouderij, akkerbouw, vollegrondgroenteteelt, griendhout, riet, weidebouw, tuinbouw. Tuinbouw is een intensieve vorm van landbouw, waaronder begrepen fruitteelt, het telen van vruchten, groenten, paddenstoelen en bloembollen-, bloemen- en bomenteelt. Het moet gaan om (met het oogmerk) te oogsten gewassen, afkomstig van voorgenoemde teelten, die bedrijfsmatig worden geteeld in de vollegrond en in de open lucht. Niet in de vollegrond en open lucht, zijn bijvoorbeeld gewassen die worden gekweekt in kassen en containerteelt waarbij het gewas gekweekt wordt in een pot op de grond op een teeltdoek. Niet onder landbouw wordt verstaan: de visserij, mossel- zeekraal- en oesterteelt en andere vormen van schelpdierenkwekerij, omdat deze activiteiten niet op het land plaatsvinden. Ook is hier geen sprake van teelten die in de vollegrond en open lucht plaatsvinden. Tevens wordt niet verstaan onder landbouw: houtteelt en bosbouw omdat dit geen landbouwkundig gebruik is. Bedrijfsmatige landbouw Met bedrijfsmatige landbouw wordt bedoeld: aanvragers die hun hoofdbestaan of een substantieel gedeelte van hun bestaan (plegen
- te)vinden in de landbouw. Als een aanvrager staat ingeschreven bij de KVK met SIBI-code gereserveerd voor landbouwbedrijven, en verplicht is bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een gecombineerde opgave te doen, zijn dat duidelijke aanwijzingen dat sprake is van bedrijfsmatige landbouw. Alleen als sprake is van bedrijfsmatige landbouw, komt een aanvrager voor een tegemoetkoming in aanmerking. Daartoe is besloten op grond van de overweging dat door het hoge beschermingsniveau van de wet bepaalde individuen in de samenleving schade lijden, doordat bij wet beschermde natuurlijk in het wild levende diersoorten schade toebrengen aan gewassen, bepaalde teelten of gehouden dieren. Als die personen voor wat betreft hun inkomen (mede) afhankelijk zijn van de opbrengsten van die gewassen of teelten, dan achten gedeputeerde staten het redelijk dat die personen (gedeeltelijk) voor die schade worden gecompenseerd. Bedrijfsmatig en hobbymatig gehouden dieren Bij schade door wolven aan gehouden dieren gelden enkele, van gewasschade, afwijkende bepalingen. Bij wolvenschade komt, behalve schade aan bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren, ook schade aan hobbymatig gehouden hoefdieren, zoals schapen, geiten, runderen, paarden en varkens, in aanmerking voor een tegemoetkoming. Dit beleid om ook hobbyhouders met wolvenschade tegemoet te komen is tijdelijk en kan in de toekomst veranderen. In beginsel komt gedeputeerde staten slechts tegemoet voor schade door beschermde dieren aan bedrijfsmatige landbouw. Ook bedrijfsmatig gehouden, door de wolf gedode of verwonde kuddebewakingshonden of hoedhonden, komen in aanmerking. Gebruikstitel percelen Verder bepaalt artikel 6.1 dat een aanvrager de percelen waarop schade is aangericht, op titel van eigendom, (erf)pacht, of een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst, in gebruik moet hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw. Ingeval van een mondelinge overeenkomst is het aan de aanvrager om dit aan te tonen. Voor schade door predatie aan landbouwhuisdieren, geldt dat de aanvrager aantoonbaar eigenaar is van het betreffende dier. In het aanvraagformulier tegemoetkoming faunaschade in MijnFaunazaken, geeft een aanvrager de schadepercelen op, op basis van de actuele perceelregistratie van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Als de (eigendom/pacht) status van de percelen daaruit onvoldoende blijkt, kan BIJ12 de aanvrager in het kader van de beoordeling van de tegemoetkomingsaanvraag om de schriftelijke (pacht)overeenkomsten vragen. Artikel 6.2 (Te treffen maatregelen) Artikel 6.2 bevat de voorwaarden, ten aanzien van het voorkomen en beperken van schade, waaraan getoetst wordt en waaraan een aanvrager moet voldoen om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Gedeputeerde staten verlenen een tegemoetkoming slechts als een aanvrager zelf al het mogelijke, dat in redelijkheid van hem kan worden verwacht, heeft ondernomen om schade zoveel mogelijk te voorkomen en beperken. Het gaat hierbij om te treffen maatregelen ter voorkoming van schade - de preventieve maatregelen -, en maatregelen ter (verdere) beperking van de schade door de schadeveroorzakende diersoort te bestrijden. Artikel 6.2 spreekt over maatregelen of inspanningen waartoe een aanvrager, naar de eisen van redelijkheid en billijkheid, is gehouden om schade te voorkomen en beperken. De inspanningen die worden verwacht hangen samen met een aantal factoren. De gevraagde inspanning moet in verhouding staan tot de opbrengst van een gewas. Bij een kapitaalintensief gewas met hoge opbrengst mag redelijkerwijs meer worden verwacht van een aanvrager. Een andere factor is de kwetsbaarheid van een gewas, in een bepaalde periode of voor bepaalde dieren, of op een bepaalde locatie. Ook de voorzienbaarheid speelt een rol. Als een aanvrager redelijkerwijs kan voorzien dat de kans op schade groot is, bijvoorbeeld omdat een net ingezaaid gewas erg aantrekkelijk (dus kwetsbaar) is, of omdat er op dezelfde locatie aan hetzelfde gewas door dezelfde dieren al vaker schade is aangericht, dan verwachten gedeputeerde staten een maximale inspanning van de aanvrager om zijn gewassen of dieren te beschermen. Standaardopbrengst van het gewas Bij de vraag wat van een grondgebruiker verwacht mag worden, achten gedeputeerde staten het redelijk om de standaardopbrengst van een gewas mee te wegen. De categorie (hoog-midden-laag) is dus (mede) bepalend voor wat redelijkerwijs van een grondgebruiker verwacht wordt, om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Het overzicht van de gewascategorieën is te vinden op bij12.nl. Hoog en midden salderend Onder hoog salderend wordt in elk geval verstaan: de teelt van bloemen, bloembollen, boom- en kwekerijgewassen, fruit, en kapitaalintensieve groenten en akkerbouwgewassen, zoals aardbeien, asperges, kolen en ijsbergsla. Het gaat bij kapitaalintensieve gewassen om eenjarige gewassen die per hectare hoge financiële opbrengsten opleveren (hoog salderen), ofwel om teelten die meerdere jaren op een plek staan c.q. meerjarige gewassen, waarbij schade een opbrengstderving over meerdere jaren kan veroorzaken. Een voorbeeld hiervan is schade door bevers aan fruitbomen. Onder midden salderend worden bijvoorbeeld uien en aardappelen verstaan. Gedeputeerde staten verlangen niet dat een aanvrager álle in de Faunaschade Preventiekit opgesomde maatregelen treft, om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Wel kan bij hoog en midden salderende teelten en gewassen, in redelijkheid worden verlangd dat een aanvrager twee verschillende maatregelen treft, voor de betreffende schadeveroorzakende diersoort, zoals beschreven in de Faunaschade Preventiekit. De maatreg