Verordening Fysieke Leefomgeving HarderwijkDe raad van de gemeente Harderwijk gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders (nr. 02430000080741 van 11 juli 2023); Gelet op de artikelen 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, gelezen in samenhang met de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (grondslag Erfgoedverordening) de artikelen 10.23, 10.24, tweede lid, 10.25 en 10.26 van de Wet milieubeheer (grondslag Afvalstoffenverordening); de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (grondslag diverse Wabo-toestemmingen); de artikelen 108, 147, 149, 154, 156, 225 en 229 van de Gemeentewet (algemene en specifieke grondslag gemeentelijke verordenende bevoegdheid). Artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging; Artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht, de artikelen 5.2 en 5.4 vierde lid van de Telecommunicatiewet; Artikel 3 van de Winkeltijdenwet; Overwegende dat; De Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking zal treden; Door de Omgevingswet in principe alle gemeentelijke regelgeving met betrekking tot de fysieke leefomgeving samengebracht zal worden, uiteindelijk in één omgevingsplan; Het een omvangrijke operatie is om alle betrokken gemeentelijke regelgeving af te stemmen en te integreren; Hiertoe een tussenstap nuttig is, in de vorm van het nu alvast integreren van diverse gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving, voor zover het niet om bestemmingsplannen, (ver)bouwen, openbare orde en strafbepalingen gaat; Een Verordening Fysieke Leefomgeving hiervoor de goede vorm is; Besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening fysieke leefomgeving Harderwijk HOOFDSTUK1:ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.1Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: BESCHERMING MILIEU, UITERLIJK AANZIEN EN GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN (HOOFDSTUK 2) Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; Bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; College: het college van burgemeester en wethouders; Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit Bouwwerken Leefomgeving; bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; Geveloppervlak: de oppervlakte van de gevel tussen de onderkant, bovenkant en de hoeken van een bouwwerk; Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; Kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 5.1 lid 2 sub a van de Omgevingswet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; Openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; Terras: een buiten de besloten ruimte van het bedrijf liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. Tijdelijke handelsreclame: handelsreclame zoals bedoeld in sub g van dit hoofdstuk, met dien verstande dat deze niet langer dan 4 weken aanwezig is. Vrijstaande reclameborden: een handelsreclame-uiting (reclamebord) die niet is bevestigd aan een onroerende zaak maar is geplaatst op de weg; Weg: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet
(25)meter; Instemmingsbesluit: besluit van het college op een aanvraag van voorgenomen werkzaamheden; Werken: een constructie, of werkzaamheden, niet zijnde een gebouw, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; Niet-openbare kabels en leidingen (dan wel het netwerk waartoe deze behoren): leidingen die niet gebruikt worden om openbare (voor het publiek beschikbare) diensten aan te bieden; Marktconforme kosten: kosten zoals deze onder normale omstandigheden in een markteconomie op de desbetreffende markt worden gemaakt; Breekverbod: verbod voor het uitvoeren van breek- en/of graafwerkzaamheden in de grond, geldend bij extreme weersomstandigheden; Uitvoeringsvoorschriften: uitvoeringsvoorschriften volgens het “Handboek kabels en leidingen van de regio Noord-Veluwe”; Omwonenden: de bewoners en bedrijfsmatige gebruikers van alle percelen, grenzend aan het tracé van kabels en leidingen; Registratiesysteem: geautomatiseerd systeem waarin meldingen van (graaf)werkzaamheden aan kabels en leidingen worden verwerkt door of namens de gemeente. MARKT (HOOFDSTUK 11) Markt: de door het college ingestelde warenmarkt; Standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel; Vaste standplaats: de standplaats die voor onbepaalde tijd ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder; Dagplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen; Standwerken: de activiteit voor de verkoop van één artikelsoort waarbij de vergunninghouder publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel; Standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld om te standwerken; Vergunninghouder: degene aan wie door het college vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats; Anciënniteitlijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste standplaats; Marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het college. RIOOL (HOOFDSTUK 12) Hoofd: de directeur van het domein Stad en Omgeving; Eigenaar: de beheerder van- en voorts ieder, die krachtens enig zakelijk recht, bezit daaronder begrepen, beschikking heeft over enig onroerend goed; Hoofdriool: de doorgaande rioolleiding in de openbare weg; Dienstriool: de rioolleiding, welke loopt van het hoofdriool tot de plaatsen van afvoer van het aangesloten perceel. HAVEN (HOOFDSTUK 13) behoudsorganisatie: vereniging of stichting die het behoud van traditionele vaartuigen nastreeft; FVEN (Federatie Varend Erfgoed Nederland): de FVEN is de overkoepelende organisatie van de behoudsorganisaties voor historische schepen. De FVEN behartigt de gemeenschappelijke belangen van de behoudsorganisaties, en coördineert en stimuleert activiteiten die van belang zijn voor het Varend Erfgoed. Daarnaast faciliteert de koepel de behoudsorganisaties, waaronder de registratie in het Register Varend Erfgoed Nederland (RVEN); Historisch schip: een vaartuig dat bestemd is en gebruikt wordt om te varen en dat voldoet aan het in het Beleid historische schepen Harderwijk opgenomen toetsingskader; Havenmeester: de door burgemeester en wethouders als zodanig aangewezen functionaris / ambtenaar, zijn plaatsvervanger, alsmede bij afwezigheid van hen de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, belast met het toezicht op het openbaar water; Havens en wateren: alle havens voor de beroepsvaart en pleziervaart alsmede alle andere bevaarbare wateren binnen de grenzen van de gemeente Harderwijk; Kade: een aan een haven grenzend gebied; Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; RVEN (Register Varend Erfgoed Nederland): de RVEN is een register waarin schepen zijn opgenomen die voldoen aan de criteria van de FVEN en de bij de FVEN aangesloten behoudsorganisaties voor het type schip; Schip: elk vaartuig, hoe ook genaamd en van welke grootte, inhoud, toerusting of inrichting het ook zij, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing te water; Vaartuig: elk drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebruikt, dan wel bestemd of geschikt is voor het vervoer te water van personen of goederen/en drijvend lichaam voor vervoer of transport over wateroppervlakten; Wonen: het wonen op een historisch schip, binnen de kaders die in het Beleid historische schepen Harderwijk zijn opgenomen. WINKELTIJDEN (HOOFDSTUK 14) de wet: de Winkeltijdenwet; feestdagen: feestdagen: Nieuwjaarsdag, Eerste Paasdag, Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste Pinksterdag, Tweede pinksterdag, Eerste Kerstdag en Tweede kerstdag. SBI: Standaard Bedrijfsindeling 2008 van de Kamer van Koophandel (versie SBI codering 2018). Wanneer de in deze verordening genoemde SBI wordt gewijzigd door de Kamer van Koophandel, dan moet voor de in deze verordening genoemde SBI de meest recente SBI worden gelezen, zoals gepubliceerd door de Kamer van Koophandel. Artikel1.2Toepassingsbereik Deze verordening is van toepassing op het grondgebied van de gemeente Harderwijk. Artikel1.3Doelen van de verordening De doelen van de Verordening Fysieke Leefomgeving Harderwijk zijn: een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit bereiken en in stand houden, en een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel1.4Beslistermijn 1.Voor zover niet anders bepaald in de hoofdstukken van deze verordening beslist het bevoegd bestuursorgaan op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 2.Voor zover niet anders bepaald in de hoofdstukken van deze verordening kan het bevoegd bestuursorgaan de in lid 1 genoemde termijn met ten hoogste acht weken verlengen. Hiervan dient het bevoegd bestuursorgaan de aanvrager binnen de in het eerste lid genoemde termijn in kennis te stellen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. 4.De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op de aanvragen genoemd in artikel 13.4 en hoofdstuk 14. De artikelen 13.5, lid 2 en 14.1, lid 2 zijn van toepassing op het bepaalde in artikel 13.4 en hoofdstuk 14. 5.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing in deze verordening, tenzij anders bepaald in de hoofdstukken. Artikel1.5Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1.6Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1.7Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of de houder van de vergunning/ontheffing dit verzoekt. Artikel1.8Termijnen vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel1.9Weigeringsgronden 1.Een vergunning of ontheffing kan op algemene gronden worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel1.10Handhaving door toezichthouders en/of opsporingsambtenaren Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aan te wijzen personen. HOOFDSTUK2:BESCHERMING MILIEU, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN PARAGRAAF1VERTONINGEN E.D. OP DE WEG Artikel2.1Voorwerpen op of aan een openbare plaats 1.Het is verboden een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan een openbare plaats, de bruikbaarheid daarvan belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de openbare plaats; of het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, is het zonder vergunning verboden de openbare plaats te gebruiken als terras. Dit verbod geldt niet, indien er een exploitatievergunning, als bedoeld in art. 2:28 Apv, is verleend met inbegrip van het terras. 3.Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4.Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5.In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 11.1; standplaatsen als bedoeld in artikel 5.1; en overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 7.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of een provinciale verordening. 8.Het is verboden voorwerpen aan te brengen of vast te maken aan bomen of aan objecten die zijn bestemd voor of gebruikt worden ten behoeve van de openbare dienst. Artikel2.2(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij het omgevingsplan of voorbereidingsbesluit; of door het college in de overige gevallen. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 4.Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel2.3(Omgevings)vergunning voor het maken en veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag: een uitweg te maken naar de weg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente; dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Artikel2.4Gedoogplicht aanduidingen 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen of andere voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting, worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het college geeft tevoren schriftelijk kennis aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid van hun voornemen over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringwet Privaatrecht. 4.Het is verboden enige aanduiding als bedoeld in het eerste lid, te verwijderen, wijzigen, beschadigen, verplaatsen of onleesbaar te maken. 5.Het in het vierde lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. 6.Het in het vierde lid bepaalde geldt niet voor de rechthebbende op een bouwwerk die met inachtneming van het door het college vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in afwijkende vorm wenst aan te brengen. Het college kan ter zake nadere regels stellen. PARAGRAAF2VEILIGHEID OP DE WEG OF OP EEN ANDERE PLAATS Artikel2.5Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel2.6Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in stuifzandgebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: te roken gedurende een door het college aangewezen periode en/of als een fase 2 (voorheen: code rood) is afgegeven voor natuurgebieden, zolang deze fase 2 van toepassing is; voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2.De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3.De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel2.7Objecten onder hoogspanningslijn 1.Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig functioneren van de hoogspanningslijnen en de veiligheid daarvan en vooraf hierover schriftelijk advies is ingewonnen van de beheerder van de betrokken hoogspanningslijnen. 3.Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel2.8Veiligheid op het ijs 1.Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of een provinciale omgevingsverordening. PARAGRAAF3BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING Artikel2.9Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Artikel2.10Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen, als bedoeld in art. 1.1 hoofdstuk 2 onder h, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Omgevingswet of door of krachtens een provinciale omgevingsverordening. PARAGRAAF4KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN Artikel2.11Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.9 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; of de bescherming van een stadsgezicht. Artikel2.12Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Het verbod van artikel 2.11, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 2.11, derde lid. PARAGRAAF5HANDELSRECLAME Artikel2.13Verbod aanbrengen handelsreclame zonder omgevingsvergunning 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: handelsreclame aangebracht achter de binnenzijde of op de buitenzijde van een doorzichtige raam/venster op de begane grondverdieping van een gebouw mits: per raam/venster maximaal 1/3 deel van het vensteroppervlak wordt benut voor handelsreclame indien op de buitenzijde, plat op het venster is aangebracht en niet dikker is dan 3 mm; het handelsreclame betreft van diensten of producten die in het betreffende bouwwerk of het bijbehorende perceel plaatsvinden respectievelijk worden verkocht het geen bewegende, knipperde en periodiek oplichtende handelsreclame betreft handelsreclame op zuilen, borden, muren of op andere bouwwerken, aangewezen door de overheid; handelsreclame betrekking hebbend op: openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; het beroep, de dienst of het bedrijf, dat in of op het bouwwerk wordt uitgeoefend of waarvoor deze zaak is bestemd, zomede op naamborden; mits deze handelsreclame, gezamenlijk geen grotere oppervlakte hebben dan 0,50 m2en geen van alle een grotere afmeting in één richting hebben dan 1,00 meter en mits deze opschriften en aankondigingen plat zijn aangebracht op of aan het bouwwerk; handelsreclame, betrekking hebbend op de naam en/of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken en/of op de naam van degenen die bij het ontwerp en/of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf en niet verlicht zijn, zulks voor zover zij feitelijke betekenis hebben; handelsreclame aan gebouwen en in openbaar vervoer (inclusief bushokjes), indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer; handelsreclame op of aan een bouwwerk mits: het een wijziging betreft van een bestaande legale handelsreclame; de afmetingen (lengte, breedte en/of hoogte) niet groter worden en de positie niet wijzigt; het geen bewegende, knipperde of periodiek oplichtende handelsreclame betreft; het handelsreclame betreft van diensten of producten die in het betreffende bouwwerk plaatsvinden, respectievelijk worden verkocht handelsreclame op de gevel van een bestaand bedrijfspand, die gelegen op één van de bedrijventerreinen, mits: plat aangebracht op gevel, de gezamenlijke oppervlakte van alle reclame-uitingen op de betreffende gevel niet meer dan 15% van het betreffende geveloppervlak bedraagt haaks aangebracht op de gevel, niet meer dan 1 meter uit de gevel steekt; het handelsreclame betreft van diensten of producten die in het betreffende pand/perceel plaatsvinden respectievelijk worden verkocht; niet boven de dakrand uitsteekt, of op het dak is geplaatst; het geen bewegende, knipperde of periodiek oplichtende handelsreclame betreft; handelsreclame op of aan een vlaggenmast, reclamezuil of reclamebord, die volgens de welstandsnota welstandsvrij is mits: het geen bewegende, knipperde of periodiek oplichtende handelsreclame betreft; het handelsreclame betreft van diensten of producten die in of bij het bijbehorende gebouw of perceel plaatsvinden, respectievelijk worden verkocht. Artikel2.14Tijdelijke handelsreclame 1.Het in artikel 2.13 lid 1 gestelde verbod geldt niet voor tijdelijke handelsreclame, voor zolang deze feitelijke betekenis heeft en voldaan is aan de in het tweede lid van dit artikel opgenomen criteria. 2.De in het derde lid gestelde criteria gelden niet voor reclame-uitingen in het inwendige gedeelte van het onroerend goed, ook niet als deze zichtbaar zijn vanaf de weg. 3.Tijdelijke handelsreclame zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel moet betrekking hebben op de dienst die wordt verleend of het bedrijf of het beroep dat wordt uitgeoefend in de onroerende zaak. Voor de binnenstad geldt dat het gebruik van fluorescerende kleuren of spiegelende materialen niet is toegestaan en maximaal 1 tijdelijke handelsreclame-uiting per onroerende zaak is toegestaan. 4.Tijdelijke reclame mag maximaal tweemaal per kalenderjaar per bouwwerk en per onderneming worden aangebracht. Per keer mag de tijdelijke handelsreclame maximaal 4 weken aanwezig zijn. 5.Aan het bevoegd gezag kan, schriftelijk en onder opgaaf van redenen, worden verzocht de tijdelijke reclame voor een langere duur dan 4 weken in stand te houden. Het bevoegd gezag beslist binnen vier weken na ontvangst van het in dit artikellid bedoelde verzoek of, en zo ja, voor welke periode, de tijdelijke reclame kan worden toegestaan. Artikel2.15Indieningsvereisten aanvraag reclamevergunning 1.Onverminderd het gestelde in de Algemene wet bestuursrecht en de ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) moet een aanvraag om omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 1, lid 1, bij het bevoegd gezag worden ingediend onder overlegging van: een tekening op een schaal van één op honderd, van het bouwwerk met op dezelfde schaal de plaats waar het opschrift, de aankondiging of afbeelding zal worden aangebracht. Artikel2.16Weigeringsgronden reclamevergunning 1.Een vergunning als bedoeld in artikel 2.13, lid 1 kan worden geweigerd: indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersveiligheid; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor de omgeving gebruikers van het in de nabijheid gelegen onroerend goed. 2.Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden, die uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen, die de vergunningverlening beoogt. Artikel2.17Eisen aan niet-vergunningsplichtige handelsreclame Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in artikel 2.13 lid 2, de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken. Artikel2.18Hardheidsclausule In gevallen dat de toepassing van deze paragraaf tot een onredelijke of onbillijke beslissing leidt, kan het bevoegd gezag, ter zijner beoordeling in afwijking van de bepalingen in artikel 2.13, 2.14 en 2.16 een handelsreclame toe staan. HOOFDSTUK3:GELUIDHINDER Artikel3.1Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 3.3 van deze verordening gelden niet op ten hoogste tien door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen: de binnenstad van Harderwijk zoals gedefinieerd in het gemeentelijk geluidbeleid voor de binnenstad, de rest van de bebouwde- en de onbebouwde kom van Harderwijk, Hierden. 4.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor de eerste collectieve festiviteit bekend. 5.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6.Bij een festiviteit, zoals bedoeld in lid 1, blijven de ramen van de ruimte(
- s)waarin de festiviteit plaatsvindt gesloten en worden deuren die de ruimte(
- s)verbinden met de buitenlucht uitsluitend geopend voor het onmiddellijk doorlaten van bezoekers en goederen. In gevallen van nood is het verbod uit dit lid niet van toepassing. 7.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 3.3 van deze verordening - uiterlijk om 00.30 uur te worden beëindigd. Artikel3.2Kennisgeving incidentele festiviteiten 1.Het is een bedrijf toegestaan maximaal vier incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 3.3 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de vergunning ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2.Wanneer een bedrijf beschikt over een goed werkende geluidssluis geldt in afwijking van lid 1 dat het de bedrijf is toegestaan om per kalenderjaar acht incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 3.3 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de vergunning ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3.Onder geluidssluis wordt verstaan de ruimte die zich bevindt tussen de buitenlucht en de ruimte waarin de festiviteit plaatsvindt, en welke is gericht op het reduceren van geluidsoverlast door de plaatsing van twee goed sluitende deuren waarvan één toegang geeft tot de buitenlucht en één tot de ruimte waarin de festiviteit plaatsvindt en die niet gelijktijdig geopend worden. 4.Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 5.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 6.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de bedrijf een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 7.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 3.3 van deze verordening - uiterlijk om 00.30 uur beëindigd. 8.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel3.3Onversterkte muziek 1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen bedrijven is de onder f. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven waarden gelden als maximaal toegestane waarden; de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. Tabel 7.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 7.00 uur Lar.LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Lar.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 B(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 2.Onversterkte muziek vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een bedrijf gedurende de dag- en avondperiode, is uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 3.Indien bij het oefenen zoals bedoeld in lid 2, versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing. 4.Bij het ten gehore brengen van in lid 2 bedoeld muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 5.Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 3.1 en artikel 3.2. Artikel3.4Overige geluidhinder 1.Het is verboden op een openbare plaats op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Van geluidhinder is sprake indien de waarden in de onderstaande tabel worden overschreden. 7.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-7.00 uur LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 4.Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod, vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, (recreatie) toestellen of (bouw)machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of een provinciale omgevingsverordening. HOOFDSTUK4:NATUUR PARAGRAAF1HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN Artikel4.1Bomenlijst 1.Het college is bevoegd de bomenlijst te beheren. 2.De bomenlijst omvat ten minste een voor ieder goed herkenbare omschrijving, de standplaats, het kadastrale perceelnummer, de eigenaar en/of zakelijk gerechtigde en de reden van registratie van iedere houtopstand. 3.De eigenaar van een houtopstand die op de lijst staat, is verplicht schriftelijk aan het college mededeling te doen van: het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de houtopstand anders dan door velling op grond van een verleende vergunning. De mededeling dient te geschieden binnen 4 weken na het geheel of gedeeltelijk tenietgaan; de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan als gevolg van voorgenomen werkzaamheden van welke aard dan ook. De mededeling dient te geschieden onmiddellijk indien sprake is van dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan. 4.Indien er werkzaamheden gepland staan binnen de kroonprojectie van een houtopstand die op de bomenlijst voorkomt, dient er tenminste 8 weken voor aanvang van de voorgenomen werkzaamheden een kapvergunningaanvraag te worden ingediend. Artikel4.2Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen, wanneer deze houtopstand voorkomt op de Bomenlijst, in eigendom is van de gemeente Harderwijk of zich bevindt buiten de bebouwde kom. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.9 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: de natuurwaarde van de houtopstand; de landschappelijke waarde van de houtopstand; de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; de beeldbepalende waarde van de houtopstand; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 3.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor: zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet natuurbescherming; vruchtbomen die deel uitmaken van een bedrijfsmatige exploitatie; bomen die moeten worden gekapt krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.3. acute noodsituaties, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.3. hakhout indien de kapmaatregel noodzakelijk is voor het duurzaam in stand houden van het hakhoutelement indien niet meer dan 30% van de kroonomvang door de kapmaatregel verloren gaat; dunning waarbij niet meer dan 30% van de kroonomvang verloren gaat. 4.Een vergunning voor het vellen van waardevolle bomen (categorie 2 Bomenlijst) wordt slechts verleend, indien: een zwaarwegend maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand, of naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade, en alternatieven zijn onderzocht. 5.Aan een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand kan het voorschrift worden verbonden dat overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant. 6.Indien het niet mogelijk is om te herplanten, kan aan een omgevingsvergunning het voorschrift worden verbonden dat een geldelijke bijdrage wordt gestort in de voorziening ‘bomenfonds’. 7.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het vijfde en/of zesde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. 8.Voor de toepassing van deze verordening wordt onder vellen mede verstaan, rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. 9.Het college kan nadere regels stellen, met betrekking tot de uitoefening van bevoegdheden uit dit artikel. Artikel4.3Kappen zonder vergunning en instandhoudingsplicht 1.Indien een houtopstand, waarop het verbod van toepassing is, zonder vergunning is gekapt, legt het bevoegd gezag de verplichting op te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen en binnen een door haar te bepalen termijn. Is herplant op de betreffende locatie niet mogelijk dan kan per gevelde houtopstand een financiële bijdrage worden verlangd voor groencompensatie op een andere locatie binnen de gemeente. 2.Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen. 3.Indien houtopstand waarop het verbod van toepassing is, ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door haar te geven aanwijzingen binnen een door haar te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. 4.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en met derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. 5.Het college kan nadere regels stellen, met betrekking tot de uitoefening van bevoegdheden uit dit artikel. PARAGRAAF2BESCHERMING VAN FLORA EN FAUNA Artikel4.4Bescherming groenvoorzieningen Het is verboden op een openbare plaats schade toe te brengen aan groenvoorzieningen, zoals groenstroken, grasperken, bomen, bloem- en heesterperken en bloembakken. Artikel4.5Crossterreinaen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel4.6Beperking verkeer natuurgebieden 1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- of milieuwaarden; de veiligheid van het publiek. 3.Het verbod in het eerst lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing: op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; binnen de bij of krachtens een provinciale verordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel4.7Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven; onder sfeervuren worden geen kampvuren en vuren van grotere en grote omvang verstaan; vuur voor koken, bakken en braden. 3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4.Het college kan gebieden of plaatsen aanwijzen waar het verbod niet geldt en kan daarvoor nadere regels stellen. 5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.9 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 6.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of een provinciale verordening. HOOFDSTUK5:STANDPLAATSEN Artikel5.1Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan of voorbereidingsbesluit. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.9 kan de vergunning worden geweigerd: indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. Artikel5.2Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel5.3Afbakeningsbepalingen 1.Het verbod van artikel 5.1, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. 2.De weigeringsgrond van artikel 5.1, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. HOOFDSTUK6:ERFGOED Artikel6.1Gemeentelijk erfgoedregister 1.Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2. eerste lid van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld. 2.Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed. PARAGRAAF1AANWIJZING GEMEENTELIJK MONUMENT Artikel6.2Aanwijzing als gemeentelijk monument 1.Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2.Dit artikel is niet van toepassing op: rijksmonumenten, en monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Artikel6.3Voornemen tot aanwijzing 1.Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 6.2 wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel6.4Voorbescherming 1.De bescherming van paragraaf 2, van hoofdstuk 6 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, is bekendgemaakt. 2.De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.. Artikel6.5Advies gemeentelijke adviescommissie 1.Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 6.2 eerste lid advies aan een gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevinsgwet. 2.De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3.De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Artikel6.6Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel6.7Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1.De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel6.8Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1.In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 6.5 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2.Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 6.2 eerste lid. 3.Paragraaf 2 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 6.7 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel6.9Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2.Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 1 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. PARAGRAAF2BESCHERMING GEMEENTELIJK MONUMENT Artikel6.10Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel6.11Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. 3.Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. Artikel6.12.Intrekken van de omgevingsvergunning [vervallen] Artikel6.13Weigeringsgronden 1.De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2.Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. PARAGRAAF3RIJKSMONUMENTEN Artikel6.14Advies omgevingsvergunning rijksmonument [vervallen] PARAGRAAF4GEMEENTELIJKE STADS- EN DORPSGEZICHTEN Artikel6.15Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2.Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 6.5, eerste lid. Artikel 6.5, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3.De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4.Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5.De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6.Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functieaanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads-of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel6.16Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 6.15, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet als bedoeld in artikel 2.34 lid 3 van de Omgevingswet of; 3.Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel6.17Verbodsbepaling en aanvraag vergunning 1.Het is in een gemeentelijk beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen. 2.De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3.De artikelen 6.12 en 6.13 zijn van overeenkomstige toepassing. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. artikel 3.6 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. PARAGRAAF5VANGNET ARCHEOLOGIE Artikel6.18Vangnet archeologie 1.Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving , tenzij: voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1 van de Omgevingswet is verleend; het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de Beleidskaart Archeologie en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met de door de raad aangeven beleidsregels over de toegestane mate van verstoring; de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of met een vooronderzoek is aangetoond dat er een lage archeologische verwachting is. 2.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek. Artikel6.19Overgangsbepaling Een krachtens de Erfgoedverordening Harderwijk 2017 aangewezen en geregistreerd gemeentelijk monument, wordt geacht aangewezen te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. HOOFDSTUK7:PARKEREN PARAGRAAF1PLAATSEN VOOR VERGUNNINGHOUDERS, VERGUNNINGEN EN VERGUNNINGBEWIJZEN Artikel7.1Aanwijzen parkeergelegenheden 1.Burgemeester en wethouders wijzen bij openbaar te maken besluit, de weggedeelten en terreinen aan die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. 2.Burgemeester en wethouders kunnen bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren aan vergunninghouders is toegestaan. 3.Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de parkeerregulering of om andere dringende redenen tijdelijk van de in het eerste en/of tweede lid bedoelde beslissing bij openbaar te maken besluit afwijkende maatregelen treffen. Artikel7.2Vergunningverlening 1.Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden van dit artikel regels geven voor het aanvragen en verlenen van een vergunning. 2.Burgemeester en wethouders kunnen op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek vergunning verlenen voor het parkeren op daartoe aangewezen vergunningplaatsen, parkeerapparatuurplaatsen of in de kelder van het stadhuis. 3.De vergunning, bedoeld in lid 1, geeft geen recht op een parkeerplaats. Artikel7.3Bewonersvergunning 1.Een bewoner zijnde eigenaar of houder van een motorvoertuig en geen bewoner zijnde van een wooncomplex die parkeergelegenheid heeft op eigen erf, bijvoorbeeld Pius en Muntplein, kan in aanmerking komen voor een vergunningplaats en/of een plaats in de kelder van het stadhuis. 2.Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het eerste lid, met uitzondering van bewoners van een wooncomplex met parkeergelegenheid op eigen erf bijvoorbeeld Pius en Muntplein, in het belang van de parkeerregulering een bewoner vergunning verlenen voor een parkeerapparatuurplaats. 3.Burgemeester en wethouders kunnen het maximaal aantal uit te geven vergunningen voor de vergunningplaatsen, parkeerkelder stadhuis en parkeerapparatuurplaatsen vaststellen. Een bewoner wordt op verzoek op een wachtlijst geplaatst wanneer het vastgestelde aantal vergunningen is uitgegeven. Een vergunning wordt steeds verleend aan de als eerste op een wachtlijst geplaatste bewoner. 4.Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen een vergunning verlenen aan eigenaren of houders van motorvoertuigen die niet voldoen aan één van de in het eerste en/of tweede lid genoemde voorwaarden. Artikel7.4Werkersvergunning 1.Burgemeester en wethouders kunnen op een daartoe strekkend verzoek van de directie van een bedrijf een vergunning verlenen aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer deze een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar vergunningplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en aantoont dat het in het belang is van diens beroeps- of bedrijfsvoering noodzakelijk is in dit gebied een motorvoertuig te parkeren. 2.Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in lid 1 aan een zware werker vergunning verlenen op een daartoe aangewezen vergunningplaats en/of parkeerapparatuurplaats en/of parkeerkelder stadhuis dan wel een algemene vergunning. 3.Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan eigenaren of houders van motorvoertuigen die niet voldoen aan de in lid 1 of 2 genoemde voorwaarden. Artikel7.5Voorschriften en beperkingen 1.Aan de vergunning, bedoeld in de artikelen 7.3 en 7.4, kunnen door burgemeester en wethouders zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is. 2.Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning de volgende voorschriften verbinden: aanwijzingen van politieambtenaren en andere door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren dient onmiddellijk gevolg te worden gegeven; op een daartoe strekkend verzoek van de hiervoor genoemde ambtenaren dient het vergunningbewijs onmiddellijk aan hen overhandigd te worden; het is de vergunninghouder niet toegestaan om zijn vergunningbewijs, al dan niet tegen betaling, aan derden beschikbaar te stellen, met uitzondering van werkgevers die deze vergunningen aan de werknemers beschikbaar stellen; de vergunninghouder is verplicht om wijzigingen in één of meer van de omstandigheden die relevant waren voor het verstrekken van de vergunning terstond te melden aan burgemeester en wethouders; bij het parkeren in het vergunningengebied moet een doorrijbreedte worden vrijgelaten die zodanig is dat een voertuig met een breedte van 2.60 meter te allen tijde ongehinderd kan passeren; indien de vergunning geldig is voor de kelder van het stadhuis mag daarvan geen gebruikgemaakt worden door auto's voorzien van een L.P.G.-installatie. 3.Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning ook andere voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen mogen alleen strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Artikel7.6Vergunningtermijn en vergunningvorm 1.Een vergunning wordt verleend voor een kalenderjaar of het deel daarvan. Binnen dat tijdvak kan de geldigheidsduur worden beperkt tot bepaalde dagen en/of tot bepaalde tijden en/of tot bepaalde parkeerplaatsen. 2.het vergunningsbewijs vermeldt ten minste: naam van het bedrijf; het kenteken van het motorvoertuig; het gebied waarvoor de vergunning geldt; de periode waarvoor de vergunning geldt. Artikel7.7Intrekking of wijziging van de vergunning Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken of wijzigen: op verzoek van de vergunninghouder; ingeval van overlijden van de vergunninghouder; wanneer de vergunninghouder het gebied waarvoor de vergunning is verleend verlaat of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt; wanneer er zich een wijziging voordoet in één van de omstandigheden die relevant waren voor de vergunningverlening; wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen of wordt gewijzigd; indien aan de in het gebied gelegen terreinen of weggedeelten, waarvoor de vergunning is verleend, de bestemming voor parkeerdoeleinden wordt ontnomen; indien gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; wanneer blijkt, dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt; om redenen van openbaar belang; bij misbruik. PARAGRAAF2VERBODSBEPALINGEN Artikel7.8Gebruik parkeerplaats 1.Het is verboden enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig te plaatsen of te laten staan: op een parkeerapparatuurplaats; op een vergunningplaats; in de kelder van het stadhuis. 2.Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij een parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan dat daardoor een normaal gebruik van die meter belemmerd of verhinderd wordt. 3.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. Artikel7.9 In werking stellen parkeerapparatuur 1. Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen. 2. Het is verboden met een motorvoertuig te parkeren in strijd met enige in de kennisgeving op de parkeerapparatuur en/of op bijbehorende borden gegeven aanwijzing, met uitzondering van de betaling van parkeergeld. Artikel 7.10 Parkeren motorvoertuig 1. Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een vergunningplaats of in de kelder van het stadhuis slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden: zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van het vergunningbewijs; in strijd met de aan de parkeervergunning verbonden voorschriften. 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op bestuurders van gehandicaptenvoertuigen en bestuurders van motorvoertuigen, waarin op de voorgeschreven wijze een geldige en behoorlijk leesbare gehandicaptenparkeerkaart is aangebracht. Zij mogen niet langer dan drie uur parkeren en bestuurders van een motorvoertuig moeten daarbij duidelijk zichtbaar een parkeerschijf voeren waarmee het tijdstip waarop met parkeren is begonnen wordt aangegeven. 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. PARAGRAAF3PARKEEREXCESSEN Artikel7.11Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: voertuigen: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens, als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990), met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen, als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). Artikel7.12Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op een openbare plaats te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; een openbare plaats als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Artikel7.13Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden op een door het college aangewezen openbare plaats een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Artikel7.14Defecte voertuigen 1.Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op een openbare plaats te parkeren. Artikel7.15Voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op een openbare plaats te parkeren. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel7.16Kampeermiddelen e.a. 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden is bestemd en in gebruik is, te plaatsen of te hebben op een openbare plaats. 2.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden is bestemd langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een openbare plaats. Dit verbod geldt ook voor aanhangwagens. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste en tweede lid. 4.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of een provinciale verordening. Artikel7.17Parkeren van reclamevoertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op een openbare plaats te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel7.18Parkeren van grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter of een breedte van meer dan 2 meter te parkeren op een openbare plaats, gelegen binnen de bebouwde kom. 2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college bij openbaar bekend te maken besluit aangewezen openbare plaats gelegen buiten de bebouwde kom. 3.Het in lid 1 en 2 gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 8.00 tot 18.00 uur. 4.Het in lid 1 gestelde verbod geldt niet voor de door het college aangewezen weggedeelten of andere openbare plaatsen. 5.Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel7.19Parkeren uitzichtbelemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op een openbare plaats te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel7.20Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. 2.Dit verbod is niet van toepassing: op de weg; op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; en op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel7.21Overlast van fiets of bromfiets 1.Het is verboden op door het college, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare ruimte of gezondheid, aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan. 3.Het is verboden fietsen en bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op of aan de weg te laten staan. HOOFDSTUK8:AFVALSTOFFEN PARAGRAAF1ALGEMEEN Artikel8.1Doelstelling De toepassing van deze verordening is gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afvalstoffen. PARAGRAAF2HUISHOUDELIJKE AFVALSTOFFEN Artikel8.2Aanwijzing van de inzameldienst 1.Burgemeester en wethouders wijzen de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2.Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. 3.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt. Artikel8.3Regulering van andere inzamelaars 1.Het is voor anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: daartoe is aangewezen door burgemeester en wethouders; bij nadere regels van burgemeester en wethouders van het verbod is vrijgesteld; of verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer. 2.Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 8.2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Artikel8.4Aanwijzing van inzamelplaats Burgemeester en wethouders dragen zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Artikel8.5Algemene verboden 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid; over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid; of achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 8.4. Artikel8.6Gescheiden afvalinzameling 1.Burgemeester en wethouders stellen regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel. 2.In ieder geval de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld: bioafval; oud papier en karton; verpakkingsglas; textiel; klein chemisch afval; grof tuinafval; grof huishoudelijk afval; huishoudelijk restafval; afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. 3.Plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons worden gezamenlijk met het restafval ingezameld. Artikel8.7Gescheiden aanbieding 1.Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 8.6, anders dan afzonderlijk: ter inzameling aan te bieden; achter te laten op een inzamelplaats als bedoeld in artikel 8.4. 2.In afwijking van het eerste lid is het verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen waarvoor geen gescheiden inzameling geldt als bedoeld in artikel 8.6 anders aan te bieden dan afzonderlijk of gezamenlijk met de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, genoemd in artikel 8.6, derde lid. 3.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel8.8Tijdstip van aanbieding Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door burgemeester en wethouders daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. Artikel8.9Wijze en plaats van aanbieding 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouder te stellen regels over het gebruik van: inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel; inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel. 2.Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, bedoeld in artikel 8.8 buiten een perceel te laten staan. 3.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. PARAGRAAF3BEDRIJFSAFVALSTOFFEN Artikel8.10Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Burgemeester en wethouders kunnen bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 8.2, in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens Verordening reinigingsheffingen verschuldigde heffing is voldaan. Artikel8.11Aanbieding ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 8.10 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden of over te dragen, of bij een inzamelplaats als bedoeld in artikel 8.4, achter te laten. Artikel8.12Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen 1.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouders te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 8.10 aangewezen bedrijfsafvalstoffen. 2.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het aanbieden, overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. PARAGRAAF4ZWERFAFVAL EN OVERIGE Artikel8.13Dumpingsverbod 1.Het is verboden zonder ontheffing van burgemeester en wethouders, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Omgevingswet of het Besluit bodemkwaliteit. 3.Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. Artikel8.14Zwerfafval in de openbare ruimte 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen. 2.Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3.Het is verboden zwerfafval te veroorzaken door ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen Artikel8.15Zwerfafval rondom inrichtingen 1.Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2.Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen, die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd, binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting. 3.De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel8.16Afval en verontreiniging op de weg 1.Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. 2.Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigd of het milieu nadelig beïnvloedt, of diens opdrachtgever, zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel8.17Geen opslag van afval in de open lucht Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 2 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel8.18Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken. Artikel8.19Ongeadresseerd drukwerk 1.In dit artikel wordt verstaan onder: huis-aan-huisblad: ongeadresseerd blad dat met een vaste frequentie gratis huis aan huis wordt verspreid in een geografisch beperkt gebied, waarvan tenminste 30% van de inhoud bestaat uit informatie over en nieuws uit het eigen verspreidingsgebied, niet zijnde reclame; ongeadresseerd reclamedrukwerk: reclamedrukwerk of proefmonsters van producten die gratis huis aan huis worden verspreid zonder vermelding van naam, adres of postbus en woonplaats van de ontvanger, niet zijnde: een huis-aan-huisblad of andere informatie over werkzaamheden of activiteiten in de buurt die voor de bewoners of gebruikers van een woning, bedrijf of woonschip in die buurt van belang zijn om te weten; drukwerk van vrijwilligers of niet-commerciële organisaties. 2.Een huis-aan-huisblad mag worden bezorgd bij een perceel, tenzij de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen ervan. 3.Ongeadresseerd reclamedrukwerk mag uitsluitend worden bezorgd bij een perceel als de bewoner of gebruiker zichtbaar met een JA/JA-sticker kenbaar heeft gemaakt prijs te stellen op het ontvangen ervan. HOOFDSTUK9:BEGRAAFPLAATSEN PARAGRAAF1INLEIDENDE BEPALING Artikel9.1Uitbreiding begrippen particulier en algemeen graf 1.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt, voor zover van belang onder 'particulier graf' mede verstaan: particulier urnengraf, particulier natuurgraf, particuliere urnennis en particuliere gedenkplaats. 2.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt, voor zover van belang onder 'algemeen graf' mede verstaan: algemeen urnengraf. PARAGRAAF2INDELING EN UITGIFTE VAN DE GRAVEN Artikel9.2Indeling graven en asbezorging 1.Op de begraafplaats(
- en)kunnen worden uitgegeven: particuliere graven en particuliere urnengraven; particuliere urnennissen; particuliere gedenkplaatsen. particulier natuurgraf. 2.Het college bepaalt bij nader vast te stellen regels hoeveel lijken en hoeveel asbussen met of zonder urnen er kunnen worden bijgezet in de particuliere graven en hoeveel verstrooiingen van as er op de particuliere graven kunnen plaatshebben. Het college bepaalt tevens de afmetingen en de uitgifteduur van de particuliere graven. De uitgifteduur kan niet korter zijn dan de minimumtermijn vastgesteld in de Wet op de lijkbezorging. Artikel9.3Aantal overledenen in algemene graven 1.In de algemene graven kan een door het college te bepalen aantal lijken worden begraven. 2.In de algemene urnengraven kan een door het college te bepalen aantal asbussen met of zonder urn worden bijgezet. Artikel9.4Volgorde van uitgifte 1.De particuliere graven worden slechts voor directe begraving door of namens burgemeester en wethouders in een door de beheerder te bepalen volgorde van ligging uitgegeven; 2.Burgemeester en wethouders kunnen een eigen graf toewijzen anders dan voor directe begraving en buiten de volgorde van uitgifte, indien dit wegens de situatie op de begraafplaats(
- en)niet bezwaarlijk is. Artikel9.5Categorieën Het college kan bij nader vast te stellen regels de algemene en particuliere (natuur)graven onderverdelen in categorieën. Het college bepaalt voor de verschillende categorieën de situering en oppervlakte. Artikel9.6Termijnen particuliere graven 1.Het college verleent, voor zover de daartoe bestemde ruimte van de begraafplaats(
- en)dat toelaat, op een daartoe bij hen schriftelijk in te dienen aanvraag, voor de tijd van tien, vijftien, twintig, vijfentwintig, dertig jaar of voor onbepaalde tijd recht op een particulier (natuur)graf. De termijn begint te lopen op de datum waarop het particuliere graf is uitgegeven. 2.Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde recht wordt op aanvraag van de rechthebbende verlengd telkens met een termijn van vijf, tien, vijftien of twintig jaar, mits de aanvraag voor het verstrijken van de lopende termijn wordt ingediend. Artikel9.7Grafkelder Het college kan aan de rechthebbende op een particulier graf vergunning verlenen tot het daarin voor eigen rekening doen aanbrengen van een grafkelder overeenkomstig de door het college te stellen voorwaarden. Artikel9.8Sluiting van graven 1.Op aanvraag van de rechthebbende kan het college een graf gesloten verklaren. Gedurende de tijd dat een graf gesloten is, mag daarop geen andere grafbedekking worden geplaatst, tenzij onderhoud of schade dit wenselijk maakt, en mag daarin geen andere begraving plaatshebben, of asbus worden bijgezet, dan die van de stoffelijke overschotten van de personen die de rechthebbende in zijn aanvraag met name heeft genoemd. 2.Burgemeester en wethouders bepalen in overleg met de rechthebbende de periode waarvoor de in het eerste lid bedoelde sluiting zal geschieden. Zij stellen de bijzondere voorwaarden vast, waaraan moet zijn voldaan alvorens het graf gesloten wordt verklaard. PARAGRAAF3GRAFBEDEKKINGEN Artikel9.9Vergunning en grafbedekking 1.Voor het hebben van een grafbedekking is een schriftelijke vergunning nodig van het college. 2.De rechthebbende van een particulier graf vraagt de vergunning voor het hebben van een grafbedekking aan. 3.Het college kan nadere regels vaststellen omtrent de wijze van aanvragen van de vergunning, de aard en de afmetingen van de grafbedekking en de wijze van aanbrengen. 4.Het college kan de vergunning weigeren indien: niet voldaan wordt aan de vastgestelde nadere regels, genoemd in het derde lid; de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats; de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is; de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is. 5.In afwijking van het eerste lid is op een particulier natuurgraf geen bedekking toegestaan. Artikel9.10Onderhoud door de gemeente Het college voorziet in het één maal per jaar schoonmaken van het gedenkteken en in de zorg voor de winterharde beplantingen. Artikel9.11Onderhoud door rechthebbende of gebruiker uitgezonderd particulier natuurgraf 1.Het (doen) plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of verwijderen van de grafbedekking geschiedt door, voor rekening van en voor risico van de rechthebbende of de gebruiker. 2.De rechthebbende of de gebruiker is verplicht de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen. 3.Indien de rechthebbende of de gebruiker nalaat de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de gehele grafbedekking doen verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende dertien weken ter beschikking van de rechthebbende of de gebruiker en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is. 4.De verwijdering vindt niet plaats dan nadat het college de rechthebbende of de gebruiker door middel van een verklaring schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van de toestand van de grafbedekking. Wanneer het adres van de rechthebbende of de gebruiker niet bekend is maakt het college de verklaring bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht. 5.Het college kan de rechthebbende of de gebruiker per aanschrijving verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te herstellen binnen de door het college gestelde termijn indien de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of indien de beschadiging van de grafbedekking gevaar op levert voor derden. Artikel9.12Verwijdering grafbedekking na verstrijken van de termijn 1.De grafbedekking kan na het verstrijken van de termijn van uitgifte van het graf door het college worden verwijderd. 2.Het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking maakt het college ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd per brief aan de rechthebbende of, wanneer het een algemeen graf betreft, aan de belanghebbende bekend. Wanneer het adres van de rechthebbende of belanghebbende niet bekend is, maakt het college het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd door middel van een bij het graf te plaatsen bordje en bij de ingang van de begraafplaats bekend. 3.Indien de grafbedekking niet binnen dertien weken na de verwijdering is afgehaald, vervalt deze aan de gemeente, zonder dat de gemeente tot enige vergoeding verplicht is. Artikel9.13Afwijkende regels en kennisgeving onderhoudsbehoefte van graven Het college kan na overleg met het bestuur van het kerkgenootschap ten aanzien van de openstelling van het gedeelte, de indeling van graven, de onderverdeling van graven in categorieën en de eisen voor de grafbedekking op het ter beschikking van het kerkgenootschap gestelde deel van de begraafplaats nadere regels stellen die afwijken van de regels krachtens de artikelen 9.2, tweede lid, 9.5 en 9.9, derde lid, van deze verordening en artikel 8.1 Algemene Verordening Harderwijk. Artikel9.14Lijst 1.Het college houdt een lijst bij van graven die van historische betekenis zijn of waarvan de grafbedekking een opvallende kwaliteit heeft. 2.Alvorens tot ruiming van graven wordt overgegaan onderzoekt het college of er graven zijn die in aanmerking komen om op de lijst te worden bijgeschreven. 3.De gemeenteraad beslist over het ruimen van graven en het verwijderen van grafbedekkingen die op de in het eerste lid bedoelde lijst staan. Artikel 9.15 Aanvullende regels particulier natuurgraf 1. De locatie wordt middels coördinaten vastgelegd. 2. Er zijn geen uitingen of dergelijke toegestaan op of naast het graf (zoals bijvoorbeeld een grafsteen, herdenkingsplaatje of beeld). 3. Eenmalig wordt een houten schijf ter beschikking gesteld door de gemeente ter markering van het graf. 4. Kleding van de overledene dient van natuurlijk afbreekbaar materiaal te zijn. 5. Persoonlijke spullen die worden meegegeven mogen alleen van natuurlijk afbreekbaar materiaal zijn, uitgezonderd voorwerpen die aan de persoon verbonden zijn zoals: brillen, ringen, armbanden, kettingen, oorbellen en piercings; 6. Bloemstukken en bloemen worden maximaal twee weken na de natuurbegrafenis door de beheerder verwijderd; 7. Op de graflocatie mogen alleen tijdelijk aandenkens geplaatst worden die organisch zijn en binnen afzienbare tijd vergaan zoals bijvoorbeeld losse snijbloemen en veldbloemen. 8. Het is verboden om bomen, struiken of bloemen aan te planten. HOOFDSTUK10:ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUREN PARAGRAAF1INLEIDENDE BEPALINGEN Artikel10.1Toepasselijkheid Dit hoofdstuk is van toepassing op de procedures en voorschriften voor het aanleggen, in stand houden en opruimen van kabels en leidingen in openbare gronden, voor zover de gemeente Harderwijk deze gronden beheert, in bezit heeft dan wel daarover coördinatie verplichtingen heeft. Artikel10.2Nadere regels 1.Het college kan ter uitvoering van dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. 2.Deze nadere regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op de wijze van uitvoering bij de aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen, het medegebruik van voorzieningen en het opstellen van voorschriften op het gebied van markering, afzetting en het toepassen van proefsleuven. PARAGRAAF2AANVRAGEN EN MELDEN VAN GRAAFWERKZAAMHEDEN Artikel10.3Instemmingsvereiste 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college verleend instemmingsbesluit over plaats, tijdstip en wijze van uitvoering van werkzaamheden, medegebruik van voorzieningen en de afstemming van voorgenomen werkzaamheden met overige netbeheerders, kabels en/of leidingen in of op openbare gronden aan te leggen, in stand te houden of op te ruimen. 2.Ook voor werkzaamheden van minder ingrijpende aard als bedoeld onder onderdeel l van de begripsbepalingen behorende bij hoofdstuk 10 van deze verordening (te lezen in hoofdstuk 1), is een instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk. 3.Het instemmingsbesluit vervalt als daarvan niet uiterlijk binnen één