← Nederland

Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving 2024 – 2027 (Zuid-Holland)

Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving 2024 – 2027Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben op 24 oktober 2023 de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving 2024 – 2027 (Nota VTH 2024 – 2027) vastgesteld. De Nota VTH 2024 – 2027 bevat de provinciale visie, koers en sturing en de daarbij behorende uitvoeringskaders voor vergunningverlening, toezicht en handhaving voor de komende vier jaar. Deze nota treedt op 1 januari 2024 in werking. De uitvoeringskaders gaan onder andere over het actualiseringsbeleid voor vergunningen en hoe wordt opgetreden tegen overtredingen. Verder gaat Nota VTH 2024 – 2027 in op de wijze waarop burgers en andere belanghebbenden over vergunningverlening en de resultaten van toezicht en handhaving worden geïnformeerd. De provinciale VTH-taken worden in opdracht van de provincie Zuid-Holland uitgevoerd door vijf omgevingsdiensten: Zuid-Holland Zuid te Dordrecht, DCMR Milieudienst Rijnmond te Schiedam, West-Holland te Leiden, Midden-Holland te Gouda en Haaglanden te Den Haag. Inzage Nota VTH 2024 – 2027: is te vinden op www.overheid.nl en https://www.zuid-holland.nl/onderwerpen/milieu/vergunningen/ is uitsluitend digitaal beschikbaar, (tel. 070 441 73 52, E-mail: zuidholland@pzh.nl). Nadere informatie Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met de heer Willem-Jan Spreeuwers van de afdeling Mobiliteit en Milieu, tel. 06 5006 4874, E-mail: wj.spreeuwers@phz.nl Introductie nota VTH Voor u ligt de nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) 2024-2027. Deze nota bevat de visie en de koers van de provincie Zuid-Holland op de uitvoering van deze taken. De hoofdlijnen uit de vorige nota VTH 2018-2021 zijn overgenomen in dit document. Waar wet- en regelgeving, nieuwe ontwikkelingen en onderzoeksrapporten daartoe aanleiding hebben gegeven, is dit aangepast De nota gaat over VTH bij complexe en risicovolle bedrijven en over VTH-taken op het gebied van onder andere bodemsanering, zwemwater, natuur- en soortenbescherming, luchtvaart en vuurwerk. Voor de omgevingsdiensten binnen de provincie Zuid-Holland dient het document als uitvoeringskader. Het bestaat uit twee delen: Deel 1: Provinciale visie, koers en sturing op VTH 2024-2027 Deel 2: Uitvoeringskader VTH 2024-2027 Gezond en Veilig Zuid-Holland In Zuid-Holland werken we samen met onze partners aan een duurzame, gezonde en veilige leefomgeving voor mens en natuur. Zuid-Holland is de dichtstbevolkte provincie van Nederland met veel bedrijvigheid en unieke natuurgebieden. Bedrijven in Zuid Holland behoren tot de meest innovatieve ter wereld en zijn belangrijk voor de werkgelegenheid in de provincie. Deze bedrijven moeten veilig zijn met zo min mogelijk emissies naar het water, de lucht en de bodem om zo een gezonde en veilige leefomgeving te behouden en waar mogelijk te bevorderen. De provincie draagt hieraan bij vanuit verschillende rollen. Eén daarvan is de rol van bevoegd gezag voor het verlenen van vergunningen1Onder vergunningverlening wordt in deze context ook verstaan: het verlenen van ontheffingen, toestemmingen en anderebeschikkingen op grond van de wetten, waarvoor de provincie het bevoegde gezag is., het houden van toezicht en handhaven bij overtredingen (VTH) op basis van wet- en regelgeving. Het doel van de inzet van dit instrumentarium is het voorkomen en oplossen van knelpunten in de leefomgeving. Daarnaast beschermen we met de inzet van deze instrumenten de kwaliteit van de leefomgeving, zonder de economische belangen uit het oog te verliezen. De basis voor de uitvoering van deze VTH-taken door de provincie ligt in verschillende Europese en nationale wetten en regels, met name in de Omgevingswet, maar ook in de Wet milieubeheer, het Vuurwerkbesluit of de Wet luchtvaart. Ook zijn de provinciale Omgevingsverordening, thematische beleidsregels voor onder andere bodem, geur of natuur en de gemeentelijke omgevingsplannen van belang voor het uitvoeren van de taken waarvoor de provincie bevoegd gezag is. Omgevingsdiensten In Zuid-Holland voeren vijf omgevingsdiensten in mandaat namens de provincie en gemeenten verschillende wettelijke VTH-taken uit. Ze houden zich naast het uitvoeren van de wettelijke VTH-taken ook bezig met advisering op onder andere milieuvraagstukken en het beoordelen van (voor)ontwerp omgevingsplannen op provinciale belangen, zoals bijvoorbeeld op externe veiligheid (omgevingsveiligheid). Ook houden zij milieu-informatie bij voor onder andere geluid, lucht en bodemkwaliteit ten behoeve van beleidsontwikkeling en ruimtelijke ordening. Gedeputeerde Staten zijn bestuurlijk verantwoordelijk voor de provinciale VTH-taken die omgevingsdiensten in mandaat uitvoeren. De nota VTH en de daaronder hangende beleidsstukken, zijn voor de omgevingsdiensten hét uitvoeringskader voor deze taken. De provincie stemt jaarlijks de (landelijke) prioriteiten en het uitvoeringsprogramma op nationaal, provinciaal en regionaal niveau inhoudelijk af met haar partners bij de (Rijks)overheid. De provincie en de omgevingsdiensten in Zuid-Holland maken ten aanzien van de provinciale taken jaarlijks afspraken over de prioriteiten en waar de beschikbare capaciteit wordt ingezet. Bijvoorbeeld bij het actualiseren van vergunningen en het uitvoeren van toezicht en handhaving. Deze afspraken zijn opgenomen in het werkplan van een omgevingsdienst. Gedurende het jaar monitort de provincie de voortgang van de afspraken die in het werkplan zijn gemaakt. Daarbij moeten de omgevingsdiensten conform hetgeen opgenomen in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) voldoen aan de landelijk opgestelde kwaliteitscriteria2Landelijke kwaliteitseisen voor toezicht en handhaving vinden hun grondslag in Afdeling 18.3 van de Omgevingswet.. Omgevingswet De Omgevingswet vraagt de overheden om de leefomgevingskwaliteit te bewaken, zo nodig te verbeteren en daarnaast ruimte te geven aan maatschappelijke initiatieven. Onder de Omgevingswet moeten het Rijk, gemeenten en provincies in hun omgevingsvisie aangeven wat de gewenste (maatschappelijke) doelen en resultaten zijn. Deze worden vervolgens als uitgangspunt genomen bij de inzet van de kerninstrumenten van de wet, waaronder het omgevingsplan en -programma, de omgevingsverordening maar ook de omgevingsvergunning. Onder de Omgevingswet dienen verschillende belangen integraal afgewogen te worden om tot een besluit te komen. Samenwerking tussen ketenpartners is daarbij cruciaal. Het is de ambitie van de provincie om waar nodig te coördineren en een bijdrage te leveren aan het opstellen van afspraken ten aanzien van gezamenlijk VTH-beleid en/of kennisuitwisseling. In het omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland (i.e. de omgevingsvisie en omgevingsverordening) is aangegeven dat de provincie streeft naar ‘een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit’. Hieraan wordt richting gegeven door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit de provinciale opgaven. Onder de provinciale opgave ‘een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder’ vallen de samenhangende beleidskeuzes die betrekking hebben op de taken die nader zijn uitgewerkt in de nota VTH. Ook moeten beleidskeuzes een bijdrage leveren aan een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie, zoals circulair Zuid-Holland en de energietransitie. Specifiek bij deze beleidskeuzes kan het VTH-instrumentarium, waar mogelijk, ingezet worden en een bijdrage leveren aan de gestelde doelen. Vanuit Nationaal Milieubeleidskader (NMK), het National Milieuprogramma (NMP) en het Interbestuurlijk Programma VTH (IBP VTH) wordt gekeken naar de mogelijkheden om het VTH-stelsel effectiever en slagvaardiger te maken, de aanpak milieucriminaliteit te verbeteren en de robuustheid en onafhankelijkheid van de omgevingsdiensten te borgen. Ten slotte is er aandacht voor innovaties bij bedrijven en “Green Deals” voor het creëren van experimenteerruimte. Deze uitgangspunten zijn meegenomen in voorliggende nota VTH 2024-2027. Toezicht op uitvoering VTH-taken gemeenten Het interbestuurlijk toezicht door de provincie op de wettelijke taakuitvoering van gemeenten is gebaseerd op de Wet revitalisering generiek toezicht. In de bestuursovereenkomst interbestuurlijk toezicht, die Gedeputeerde Staten hebben gesloten met de gemeenten, is opgenomen hoe de provincie invulling geeft aan het toezicht op de uitvoering van de wettelijke VTH-taken van gemeenten3Meer informatie over interbestuurlijk toezicht en de bestuursovereenkomst, is te vinden op www.zuid-holland.nl.. Het toezicht op de uitvoering van VTH-taken door gemeenten is geen onderdeel van deze nota. Deel 1 Provinciale visie, koers en sturing Visie op vergunningverlening, toezicht en handhaving Het stellen van voorschriften of regels, het houden van toezicht op de naleving van regels en het optreden tegen overtredingen is een kerntaak van de provincie Zuid-Holland. De provincie zet conform de bestuurlijke afspraken de instrumenten vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) uniform, risicogericht en proportioneel in om op basis van het wettelijk kader zorg te dragen voor een goede milieukwaliteit (o.a. luchtkwaliteit, bodem, geluid en omgevingsveiligheid) als onderdeel van een goede leefomgevingskwaliteit4Onder leefomgevingskwaliteit verstaan we het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Vanuit ons bestaande beleid gaat het hier om een samenvoeging van de ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid).. Centraal staat een gezonde en veilige leefomgeving, het beperken van overlast en hinder voor onze inwoners en het terugdringen van het belasten van het milieu. Daarnaast staan we in Zuid-Holland ook voor de opgave tot het behouden van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie, het bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening en te zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond.5Zie ook Omgevingsbeleid Zuid-Holland – https://omgevingsbeleid.zuid-holland.nl/. De uitvoering van de wettelijke provinciale VTH-taken is in Zuid-Holland gemandateerd aan vijf omgevingsdiensten. Zij streven in de uitvoering van deze taken naar een hoge professionaliteit, een optimale samenwerking met de ketenpartners en zorgen ervoor dat de eindproducten, zoals een vergunning of het toezicht bij een activiteit of een bedrijf, van hoge kwaliteit is. Daar waar dat noodzakelijk is, neemt de provincie haar verantwoordelijkheid door samen met de omgevingsdiensten sturing te geven aan de uitvoering en waar nodig nieuw beleid te ontwikkelen. Doortastend waar het moet en met de verantwoordelijkheid waar die hoort. Zo kan de provincie het VTH-instrumentarium, via het stellen van scherpe voorwaarden of juist door ruimte te scheppen voor experimenten, op verantwoorde wijze inzetten voor gewenste transities richting een gezonde en veilige leefomgeving, duurzamer energiebeleid en een circulaire economie. De provincie heeft de volgende visie op vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH): Visie op VTH De provincie werkt risicogericht met de juiste focus, is betrouwbaar en professioneel, werkt samen, integraal en legt de verantwoordelijkheden waar deze horen. Uitgangspunten De provincie als bevoegd gezag en omgevingsdiensten als uitvoerders hanteren voor het uitvoeren van de visie op VTH de volgende uitgangspunten: 1. Risicogericht: actuele vergunning en ieder jaar fysiek controleren De provincie richt zich op de zaken waar de grootste risico’s liggen en wil ervoor zorgen dat wet- en regelgeving wordt nageleefd. Het doel is de veiligheid te verhogen, de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren en onnodige (administratieve) lasten te voorkomen. In het bijzonder wordt hierbij aandacht besteed aan luchtkwaliteit, externe veiligheid (omgevingsveiligheid), aanpak (potentieel) Zeer Zorgwekkende Stoffen ((p)ZZS) en energietransitie. Bij het actualiseren van vergunningen vindt risicobepaling en prioritering plaats aan de hand van het actualiseringsbeleid. Elke omgevingsdienst maakt jaarlijks een actualisatieprogramma waaruit blijkt welke vergunningen wanneer worden geactualiseerd. Daarnaast werkt de provincie Zuid-Holland binnen het programma Altijd Actuele Digitale Vergunning (AADV) aan het digitaliseren van het proces van vergunningverlening. Bij toezicht en handhaving wordt gebruikt gemaakt van de provinciale toezichtstrategie. Toezicht is het doen van onderzoek en het beïnvloeden van gedrag van bedrijven op een zodanige wijze dat een bijdrage wordt geleverd aan het behalen van de provinciale doelstellingen. Toezicht bestaat uit preventief toezicht en repressief toezicht. Preventief toezicht wordt gericht en effectief ingezet daar waar de risico’s het grootst zijn. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een mix van toezichtinstrumenten. De provinciale toezichtstrategie biedt ruimte voor ontwikkeling van nieuwe (digitale) vormen van toezicht. Preventief toezicht Middels een projectmatige aanpak, in (gezamenlijke) brancheplannen en/of toezicht plannen, wordt het preventief (fysiek) toezicht door de omgevingsdiensten geprogrammeerd. Bedrijven en branches worden op strategisch niveau geanalyseerd door het verzamelen van informatie, zo nodig uit externe bronnen, het deskundig beoordelen van deze informatie en het inzetten van doeltreffende interventies. Er wordt hierbij zoveel als mogelijk samenwerking gezocht met handhavingspartners, zowel bij het in beeld brengen van de risico’s (bijvoorbeeld in de vorm van een landelijk analyseteam) als bij het uitvoeren van toezicht. In deel 2 van de nota VTH en in de bijlage Risicogericht toezicht zijn uitgangspunten opgesteld voor het preventieve fysieke toezicht, als een belangrijk instrument van toezicht. Het duurzaamheidsaspect energie heeft nadrukkelijk een plaats in het preventief toezicht, maar past minder goed in de methodiek van periodiek fysiek toezicht. Uit expertmeetings blijkt dat bij dit milieuaspect een projectmatige, bedrijfsoverstijgende aanpak als de meest geschikte en effectieve methode wordt gezien. Derhalve zal energie, in relatie tot het houden van regulier (preventief) toezicht, in de nota VTH niet expliciet aan de orde komen. Repressief toezicht Het repressief toezicht reageert op onwenselijke situaties die zich voordoen, zoals overtredingen, klachten en incidenten. Hierbij wordt de landelijke handhavingsstrategie Omgevingswet (LHSO) toegepast. Voor de Seveso-inrichtingen is een specifieke landelijke handhavingsstrategie vastgesteld. De omgevingsdiensten maken jaarlijks een concreet werkplan waarin de afspraken ten aanzien van uit te voeren werkzaamheden zijn vastgelegd. Zelf stelt de provincie elk jaar prioriteiten vast, onder andere in het omgevingsbeleid, die voortvloeien uit landelijke dan wel provinciale (beleid)prioriteiten en actuele ontwikkelingen. Daarbij zorgt de provincie, in samenwerking met de omgevingsdiensten, landelijk, provinciaal en regionaal voor een goede afstemming en samenwerking met het Openbaar Ministerie, andere bevoegde gezagen en ketenpartners. 2. Betrouwbaar: doen wat we moeten doen De provincie is betrouwbaar voor haar burgers, partners en het bedrijfsleven. Bij het verlenen van vergunningen, het controleren en het handhaven van de wet- en regelgeving behandelt de provincie haar medeoverheden hetzelfde als burgers en bedrijfsleven. Dat gebeurt door het werk te standaardiseren – bijvoorbeeld door toepassing van eenduidige vergunningvoorschriften en een uniforme handhavingsstrategie. De provincie legt niet alleen regels op, ook maakt zij duidelijk welke regels voor wie van toepassing zijn en hoe deze in elkaar zitten. Bij het uitvoeren van toezicht worden, op basis van kennis over bedrijven, milieubelastende activiteiten en expertise van de toezichthouders, door de omgevingsdiensten keuzes gemaakt over de inzet van verschillende toezichtinstrumenten, zoals controles, maar ook andere vormen van gedragsbeïnvloeding. Uit het oogpunt van onafhankelijke oordeelsvorming en belangenweging rouleren de uitvoerende medewerkers bij toezicht en handhaving. Tot slot gaat de provincie vertrouwelijk om met interne en externe klokkenluiders. Bij alle omgevingsdiensten die namens de provincie VTH-taken uitvoeren, bestaat de mogelijkheid om misstanden, gevaarlijke situaties en dergelijke anoniem te melden. Daarbij worden waarborgen zoals werkinstructies voor de medewerkers, in acht genomen om de identiteit van de melder te beschermen bij de (verdere) behandeling van de melding. 3. Professioneel: kwaliteit, kennis en kunde De uitvoering van de VTH-taken door de omgevingsdiensten, moet minimaal voldoen aan de landelijk gestelde VTH-kwaliteitscriteria. Dit is vastgelegd in de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. De omgevingsdiensten leggen hierover verantwoording af aan de eigenaren en opdrachtgevers. Waar mogelijk wordt er tussen de omgevingsdiensten kennis uitgewisseld en op onderdelen intensief samengewerkt. Zo werken administratief toezicht (AT) experts van de vijf omgevingsdiensten intensief samen om kennis te bundelen en over te dragen en op kwalitatief hoog niveau invulling te geven aan diepgaand administratief toezicht en ketentoezicht. De provincie en de omgevingsdiensten beschikken over een sluitende beleids- en uitvoeringscyclus en professionele medewerkers met adequate kennis, waarmee zij de kwaliteit en continuïteit van haar werkzaamheden kan waarborgen. Dit betekent ook dat omgevingsdiensten tijdig worden betrokken bij het evalueren, actualiseren en opstellen van provinciale (thematische) beleidsstukken die voor de uitvoeringspraktijk van belang zijn. 4. Verantwoordelijkheid waar deze hoort De provincie neemt haar verantwoordelijkheid en werkt binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving. Voor toezicht en handhaving handelt zij vanuit de beginselplicht6Dit houdt in dat bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bevoegd gezag daartegen in de regel handhavend dient op te treden. tot handhaving. De provincie benadert bedrijven, instellingen en particulieren vanuit het principe dat iedere partij vertrouwen moet verdienen. Dit principe geldt ook voor de eigen (vergunde) werkzaamheden en die van medeoverheden. Om die reden verwacht de provincie ook dat bedrijven, instellingen en particulieren hun eigen verantwoordelijkheid oppakken, onder andere door: primair zelf verantwoordelijk te zijn voor de naleving van de eigen verplichtingen; goede en volledige vergunningaanvragen aan te leveren; te zorgen voor actieve en betrouwbare informatie over (risicovolle) activiteiten. 5. Duidelijk informeren De provincie neemt haar verantwoordelijkheid richting burgers. Zij informeert hen in begrijpelijke taal over relevante ontwikkelingen bij bedrijven, via de monitor leefomgeving, de Brzo-viewer en websites van de omgevingsdiensten. Daarnaast wordt jaarlijks gerapporteerd over het naleefgedrag van de Seveso-inrichtingen en de voortgang van VTH-taken bij inrichtingen en milieubelastende activiteiten waar de provincie op basis van de Omgevingswet bevoegd gezag is. Alle vergunningen, ontheffingen, handhavingsbesluiten en in ieder geval ongewone voorvallen die een effect hebben op de omgeving, worden door de provincie of de desbetreffende omgevingsdienst gepubliceerd op een website. De inzet hiervan is de toegankelijkheid van de besluiten te verhogen. Hierdoor worden burgers en bedrijven geïnformeerd over initiatieven die mogelijk effect hebben op de omgeving waarin men woont en werkt. Inzet van de provincie is het realiseren van een Altijd Actuele Digitale Vergunning (AADV). Voor het digitaal kunnen vastleggen en opstellen van nieuwe besluiten is een applicatie ontwikkeld, Digi-V®. Digi-V®, wordt door alle Zuid-Hollandse omgevingsdiensten gebruikt. Digi-V® biedt burgers inzicht in welke voorschriften voor bedrijven gelden en dus ook inzicht in wat bedrijven allemaal mogen (o.a. uitstoten en/of lozen). Koers naar de praktijk Vergunningverlening milieubelastende activiteit De provincie stelt vergunningen op volgens eisen die (landelijke) wettelijk gelden en die zij zelf heeft opgesteld in bijvoorbeeld de omgevingsverordening. Het doel is om vergunningen helder, transparant en handhaafbaar te maken en te houden. Vergunningen met hoofdzakelijk doelvoorschriften dragen daaraan bij. Middelvoorschriften zijn in beginsel alleen van toepassing bij vergunningen en ontheffingen als een bedrijf de regels slecht naleeft, de (landelijke) voorschriften onvoldoende helder zijn of als doelvoorschriften niet toereikend zijn. De provincie hanteert bij omgevingsvergunningen de Beste Beschikbare Technieken (BBT) als uitgangspunt voor vergunningen. Waar gewenst en haalbaar wordt bij het verlenen van omgevingsvergunningen gekeken of verder dan BBT maatregelen kunnen worden voorgeschreven. Specifiek is daarbij aandacht voor omgevingsveiligheid en gezondheid. De provincie vindt dat bedrijven en burgers een eigen verantwoordelijkheid hebben om aan hun verplichtingen te voldoen. Een actueel vergunningenbestand draagt bij aan het verbeteren van naleefgedrag. Een actuele vergunning is ook beter toetsbaar, handhaafbaar en kan bijdragen aan het behalen van provinciale ambities op het gebied van energie, circulaire economie, veiligheid en gezondheid. In de nota VTH is het actualiseringsbeleid van de provincie nader uitgewerkt. Dit beleid bevat de frequentie en de prioriteiten voor het actualiseren van het milieudeel in relatie tot een milieubelastende activiteit. Door standaardisering en met de komst van de AADV en Digi-V® wordt het actualiseren van een vergunning eenvoudiger. De omgevingsdiensten beschikken voor alle milieubelastende activiteiten waar de provincie het bevoegd gezag is, over een geconsolideerd overzicht van vigerende vergunningen. Zo blijft het vergunningenbestand van de provincie actueel, overzichtelijk en handhaafbaar. In deel 2 van deze nota zijn de hier genoemde uitgangspunten voor vergunningverlening verder uitgewerkt. Toezicht en handhaving milieubelastende activiteit De provincie houdt toezicht en handhaaft op basis van verleende vergunningen, het gestelde in Omgevingsplannen en (landelijke) wet- en regelgeving7Bijvoorbeeld het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).. Dit met als doel het naleefgedrag te bevorderen en de veiligheid, leefbaarheid, gezondheid en duurzaamheid te verbeteren. Bij de uitvoering van handhaving hanteert de provincie de landelijke handhavingsstrategie Omgevingswet (LHSO) en de specifieke landelijke handhavingsstrategie voor de Seveso-inrichtingen. Risicogericht toezicht De provincie werkt risicogestuurd en richt zich op activiteiten die de grootste risico’s voor het milieu met zich meebrengen en stuurt aan op een goede naleving van de regels. Zij gebruikt een risicomethodiek om per situatie te bepalen wat het risico is voor de leefomgeving. Hierin spelen de volgende vragen een rol: Wat is de mogelijke impact van een bepaald risico voor de leefomgeving? In welke mate worden de regels nageleefd? Zijn er klachten uit de omgeving? Wat is de houding van een bedrijf/ burger tegenover (onder andere) de gestelde regels? Wat is het naleefgedrag bij andere inspectiediensten, zoals waterschappen of de Nederlandse Arbeidsinspectie? Wat is de heersende cultuur bij een vergunninghouder? Op basis van een risicoschatting, waarbij onder andere aandacht wordt besteed aan de thema’s luchtkwaliteit, externe veiligheid (omgevingsveiligheid) en Zeer Zorgwekkende Stoffen, zet de omgevingsdienst haar instrumenten in om toezicht te houden. Bedrijven, waarvan de milieubelastende activiteiten onder provinciaal bevoegd gezag vallen, zijn minstens éénmaal per jaar onderhevig aan een vorm van fysiek preventief toezicht8In uitzonderlijke situaties kan hiervan worden afgeweken. Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan de gevolgen van de Covid-19 pandemie en de daaruit volgende lockdown.. Dit toezicht vindt plaats aan de hand van een branchegerichte benadering. Er wordt gebruikgemaakt van toezichtplannen in de gevallen dat in het verzorgingsgebied van de omgevingsdienst slechts enkele bedrijven binnen het brancheprofiel vallen. Afhankelijk van de situatie kan dit zowel onaangekondigde als aangekondigde controles omvatten. In deel 2 van deze nota en in de bijlage Risicogericht Toezicht zijn uitgangspunten opgesteld voor het preventieve fysieke toezicht als een belangrijk instrument van toezicht. Handhavingsinzet De provincie geeft actief invulling aan haar taak van de beginselplicht tot handhaving. Bij geconstateerde overtredingen wordt een handhavingstraject opgestart met als doel de overtreding ongedaan te maken, de effecten van de overtreding te beperken en herhaling van de overtreding te voorkomen. Als handhaving uitblijft, gaat dat ten koste van de geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van de provincie. Dat kan bovendien rechtsongelijkheid scheppen binnen en buiten de provinciegrenzen. Afhankelijk van de ernst van de overtreding en het naleefgedrag van de overtreder kan de provincie overgaan tot bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke handhaving. Hierbij maakt zij optimaal gebruik van de wettelijke mogelijkheden, zoals vastgelegd in de LHSO. De uitvoering van de LHSO kent de volgende uitgangspunten: Iedere bevinding krijgt een passende interventie. Er geldt een strikte toepassing: Proces en besluitvorming zijn eenduidig. Gelijke gevallen krijgen gelijke behandeling. Termijnbewaking zorgt voor het tijdig in gang zetten van vervolgstappen. Gebruik maken van standaardbrieven voor alle fases in het proces. Wettelijke eisen worden in acht genomen. Op basis van naleefgedrag schrijft de handhavingsstrategie voor welk handhavingsinstrument het beste ingezet kan worden. Bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten zijn bijvoorbeeld het opleggen en innen van een last onder dwangsom, het opleggen van een last onder bestuursdwang en (gedeeltelijke) stillegging van een bedrijf. Ook kan gebruik worden gemaakt van de Bestuurlijke Strafbeschikking Milieu (BSBm), uitschrijven van proces verbaal (PV) of het opleggen van een bestuurlijke boete9Dit geldt alleen voor Seveso-inrichtingen.. Kwaliteit en sturing Omgevingsdiensten De provinciale VTH-taken die omgevingsdiensten in mandaat uitvoeren, vallen onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten (GS). Voor de omgevingsdiensten is de nota VTH hét uitvoeringskader voor de provinciale VTH-taken. Waar er sprake is van nieuw te ontwikkelen (thematisch) uitvoeringsbeleid, zal dat bij de provincie gezamenlijk met de omgevingsdiensten worden opgepakt en ontwikkeld.10Deze werkwijze sluit goed aan bij het gestelde in artikel 7.2 van het Besluit omgevingsrecht. De provincie maakt jaarlijks afspraken met de omgevingsdiensten over de invulling van de uit te voeren taken. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een door de omgevingsdiensten ontwikkelde producten diensten catalogus (PDC). De voortgang van het werkplan en de uitgangspunten van de nota VTH wordt door de provincie gemonitord. In het deel 2 van de nota VTH is verder invulling gegeven aan de praktische uitvoeringskaders voor de omgevingsdiensten en de door de provincie gestelde prioriteiten. Kwaliteit Een VTH-stelsel kan alleen effectief zijn als de kwaliteit van de uitvoering is gegarandeerd. Daarom zijn er landelijke kwaliteitscriteria voor de VTH-taken geformuleerd, het zogenoemde basiskwaliteitsniveau. De kwaliteitscriteria stellen eisen aan de (werk)processen en kritische massa bij de omgevingsdiensten en geven aan waar omgevingsdiensten minimaal aan moeten voldoen voor het uitvoeren van de (provinciale) VTH-taken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het vereiste opleidings- en ervaringsniveau van medewerkers en om de minimaal vereiste beschikbaarheid van ervaren deskundigen. Een opleidingsplan dat de omgevingsdienst opstelt, moet de kwaliteit van de medewerkers borgen. Daarnaast is essentieel dat gewaarborgd is dat medewerkers in voldoende mate inzetbaar zijn. Van de kwaliteitscriteria kan gemotiveerd worden afgeweken als de kwaliteitscriteria niet zijn of konden worden nageleefd. Dit gebeurt middels een rapportage en verbeterplannen, gericht aan het dagelijks- en algemeen bestuur van de omgevingsdiensten. Figuur 1: de gesloten beleids- en uitvoeringscyclus conform de BIG 8 De provincie verwacht van de uitvoerende organisaties dat zij met de door hen gehanteerde werkprocessen werken volgens de gesloten beleidscyclus (BIG-8). Centraal bij de gesloten beleidscyclus staan: het werken met risicoanalyse; het stellen van prioriteiten; het hebben van een actualiseringsbeleid voor vergunningen; het hebben van een toezicht-, handhavings- en gedoogstrategie; het opstellen van uitvoeringsprogramma’s; het monitoren en evalueren van de voortgang. Daarnaast stellen de kwaliteitscriteria een aantal organisatorische voorwaarden, zoals de aanwezigheid van een piketregeling11De omgevingsdiensten waar de provinciale taken worden uitgevoerd zijn 24 uur per dag beschikbaar en bereikbaar voor klachten en meldingen. en een functionele scheiding tussen vergunningverlening en toezicht en handhaving12In de kwaliteitscriteria is de minimale verplichte scheiding op persoonsniveau van vergunningen en toezicht en handhaving opgenomen. Zie paragraaf scheiding vergunningen, toezicht en handhaving.. Voor ’bodem‘ gelden daarnaast de landelijke kwaliteitseisen in het normblad SIKB 8001/8002 Bodem en Ondergrond. Voor het borgen van deze kwaliteit is er landelijk (i.e. door OmgevingsdienstNL13OmgevingsdienstNL is de overkoepelende vereniging van alle regionale omgevingsdiensten in Nederland. Deze vereniging zet zich in voor het versterken en verbinden van de gezamenlijke kennis en expertise.) gewerkt aan een visitatie, waarbij organisaties elkaar op onderdelen toetsen op het voldoen aan de kwaliteit. De zogenaamde collegiale toets. De omgevingsdiensten in Zuid-Holland doen hier actief aan mee. Sturing Een belangrijk element in de BIG-8 is planning & control. Hierin maken provincie en omgevingsdienst afspraken met elkaar over de jaarlijks uit te voeren taken. Daarbij zijn de kaders van de provincie leidend. Het onderstaande figuur schetst de jaarlijkse planning & control-cyclus. Het werkplan van de omgevingsdiensten voldoet aan de provinciale uitgangspunten en past binnen de begroting. Na vaststelling voert de omgevingsdienst het werkplan uit, waarbij de provincie voortgangsrapportages ontvangt. Wanneer nodig kan de provincie bijsturen. Figuur 2: planning & control-cyclus jaarprogramma omgevingsdiensten. Monitoren, rapportage en evaluatie Met in achtneming van het uitvoerings- en handhavingsbeleid wordt aangegeven welke activiteiten door de omgevingsdiensten in een jaar zullen worden uitgevoerd. Deze afspraken zijn opgenomen in het werkplan. De schakels ‘monitoren’ en ‘rapportage en evaluatie’ in de beleidscyclus vormen via ‘planning & control’ de verbinding tussen de praktische uitvoering en de meer strategische beleidsvorming. Indien dit proces goed doorlopen wordt, is er sprake van het ‘sluiten van de beleidscyclus’. Hierin staat de vraag centraal of de geleverde inspanningen hebben bijgedragen aan het realiseren van de doelen. Deze doelen zijn gericht op het bewerkstelligen van positieve veranderingen in de leefomgeving. Het antwoord op de vraag kan leiden tot het aanpassen van het beleidskader en bijgevolg de uitvoeringskaders. Monitoring is het periodiek meten van dezelfde indicatoren om de voortgang te kunnen volgen. Monitoring kan op verschillende niveaus plaatsvinden. Zo kunnen effecten in de leefomgeving worden gemeten door middel van effectindicatoren/outcome. Deze monitorgegevens worden voornamelijk via de inhoudelijke beleidsthema’s zoals lucht, geluid en omgevingsveiligheid verzameld en verwerkt. Daarbij heeft de provincie de monitor ‘kwaliteit leefomgeving’. Deze monitor beschrijft de staat van de leefomgeving en de ontwikkelingen gekoppeld aan de thema’s van het Omgevingsbeleid. Elke omgevingsdienst rapporteert aan de provincie over de voortgang van de uitvoering van de VTH-taken zoals opgenomen in het werkplan. Om na te kunnen gaan of de omgevingsdiensten ten aanzien van de uit te voeren taken op koers liggen, worden kritische prestatie-indicatoren (KPI’

  1. s)gebruikt. Er zijn indicatoren geformuleerd voor vergunningverlening en voor toezicht en handhaving. Denk hierbij aan doorlooptijden, actualiteit van vergunningen en aantallen controles. De omgevingsdiensten verantwoorden hierover via de voortgangrapportages aan de provincie. Op landelijk niveau zijn specifieke afspraken gemaakt over toezicht op Seveso-inrichtingen. BRZO+ stelt jaarlijks een jaarverslag op over het naleefgedrag door de Seveso-inrichtingen. In Zuid-Holland wordt op basis van het landelijke jaarverslag een specifieke monitor over Seveso-inrichtingen in Zuid-Holland voor Provinciale Staten opgesteld. Scheiding vergunningverlening, toezicht en handhaving De organisatie van de uitvoering van de provinciale VTH-taken voldoet aan de wettelijke eisen betreffende de scheiding tussen vergunningverlening en handhaving. Op grond van Artikel 13.9, tweede lid, onder b van het Omgevingsbesluit is functiescheiding op persoonsniveau vereist tussen de processen vergunningverlening enerzijds en toezicht en handhaving anderzijds. Ook de landelijke kwaliteitscriteria schrijven volgens de Omgevingswet een principiële functiescheiding voor op persoonsniveau tussen vergunningen enerzijds en toezicht en handhaving anderzijds. De Zuid-Hollandse omgevingsdiensten voldoen allemaal aan deze minimale eis van functiescheiding. De provincie gaat met de omgevingsdiensten zelfs nog een flinke stap verder: vergunningverlening en toezicht en handhaving zijn bij de omgevingsdiensten ook organisatorisch gescheiden op bureau- dan wel afdelingsniveau. Daarnaast is binnen het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland vergunningverlening en toezicht en handhaving niet bij dezelfde portefeuillehouder ondergebracht. Deel2 Uitvoeringskader VTH 1.Inleiding De nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) 2024–2027 bestaat uit twee delen: Deel 1: Provinciale visie, koers en sturing op VTH Deel 2: Uitvoeringskader VTH In deel 1 is de provinciale visie, koers en sturing op VTH beschreven. Voorliggende deel 2 van de nota bevat het uitvoeringskader voor VTH-taken, waar Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor zijn. Het uitvoeringskader gaat niet in op het toezicht op uitvoering van VTH-taken door gemeenten in het kader van het interbestuurlijk toezicht. In de bestuursovereenkomst interbestuurlijk toezicht die GS hebben gesloten met de gemeenten is opgenomen hoe de provincie invulling geeft aan het toezicht op de uitvoering van de gemeentelijke VTH-taken. Inhoud en reikwijdte Het voorliggende uitvoeringskader VTH is aangepast daar waar wet- en regelgeving, nationaal beleid, ontwikkelingen en onderzoeksrapporten daartoe aanleiding hebben gegeven. De provincie Zuid-Holland behoudt het goede van het vorige beleid, zoals dat in de nota VTH 2018-2021 is opgenomen. Indien van toepassing wordt in deze nota verwezen naar onderliggend provinciaal (uitvoerings)beleid. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het Zuid-Hollandse Omgevingsbeleid waaronder de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening, het geurhinderbeleid, de beleidsregels (p)ZZS of het BRIKS-uitvoeringskader. In hoofdstuk twee van deze nota wordt ingegaan op de provinciale uitvoeringskaders ten aanzien van vergunningverlening. Hierbij gaat het zowel om de inhoud van vergunningen als de mogelijkheden voor experimenteerruimte in een vergunning, het opstellen van milieueffectrapportages en de provinciale ambities in vergunningverlening op het gebied van onder andere externe veiligheid, (potentieel) Zeer Zorgwekkende Stoffen ((p)ZZS), geur, natuur, water en bodem. Op basis van de verleende vergunningen en algemene regels houden de omgevingsdiensten namens de provincie toezicht op naleving en treden waar nodig handhavend op. In hoofdstuk drie is omschreven wat de provinciale kaders zijn op het gebied van toezicht en handhaving. De provinciale ambities op het gebied van onder andere toezicht en handhaving bij Seveso-inrichtingen14De Seveso III-richtlijn van de Europese Unie richt zich op het beheersen van de risico’s op en de gevaren van zware ongevallen door gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt enerzijds door de kans dat dergelijke ongevallen plaatsvinden te verkleinen (preventie). Anderzijds door de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. De Seveso is in Nederland geïmplementeerd door middel van het Besluit risico zware ongevallen 2015 (Brzo). Met het in werking treden van de Omgevingswet wordt het Brzo opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)., toezicht en handhaving groen, grondwateronttrekkingen, bodemsanering en nazorg en vuurwerk ontbrandingstoestemmingen en meldingen worden nader toegelicht. In het laatste en vierde hoofdstuk is omschreven wat de provinciale lijn is ten aanzien van communicatie en informatie over VTH. 2.Vergunningen 2.1Ambitie/strategie Vanuit de door Provinciale Staten vastgestelde omgevingsvisie van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en een gezonde en veilige leefomgeving. Dit doet de provincie door middel van het terugdringen van de milieudruk, het behoud van natuurwaarden en het verbeteren en handhaven van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Door het uniform en effectief inzetten van het instrument vergunningen en door het gebruikmaken van Europese en landelijke wet- en regelgeving, zorgt de provincie ervoor dat de druk op de fysieke leefomgeving en het milieu in Zuid-Holland zo veel mogelijk wordt beperkt. Daarbij stelt de provincie verdergaande regels. Onder andere in de omgevingsverordening of in thematische beleidsregels op het gebied van bijvoorbeeld externe veiligheid, bodemsanering, geur of de aanpak van (potentieel) Zeer Zorgwekkende stoffen. Bij voorgenomen activiteiten, die gevolgen hebben voor de leefomgeving en het milieu, worden de verschillende belangen zorgvuldig afgewogen. Bij het afwegen van de verschillende belangen zijn transparantie, heldere informatievoorziening en participatie onderdeel van het besluitvormingsproces. Dit komt onder andere terug in het Zuid-Hollandse programma Altijd Actuele Digitale Vergunning (AADV). In het AADV wordt door de provincie en de omgevingsdiensten gewerkt aan een online omgeving voor digitale vergunningen (Digi-V®) waar burgers, bedrijven en omgevingsdiensten vergunningen overal en op elk tijdstip kunnen raadplegen/inzien. Het resultaat van de inzet op het gebied van vergunningverlening wordt door de omgevingsdiensten samengevat en gemonitord met behulp van kritische prestatie-indicatoren (KPI’s). Dit geldt voor alle vergunningplichtige of meldingsplichtige milieubelastende activiteiten en complexe inrichtingen waarvoor GS het bevoegd gezag zijn. De omgevingsdiensten controleren met regelmaat de verstrekte omgevingsvergunningen of deze voldoen aan nieuwe of gewijzigde wetgeving. Op basis van het actualisatieprogramma worden vergunningen waar nodig aangescherpt. Hierover wordt door de omgevingsdiensten aan de provincie gerapporteerd in de voortgangsrapportages.15In het hoofdstuk ‘Kwaliteit en sturing’ van deel 1 van de nota VTH 2024-2027 wordt een nadere toelichting gegeven op monitoring, rapportage en evaluatie. 2.2Inhoud vergunningen Bij de uitvoering van de werkzaamheden ten aanzien van vergunningen hanteert de provincie de volgende uitgangspunten: Een gezonde en veilige leefomgeving staan centraal; Vergunningen moeten minimaal voldoen aan de eisen van de wet- en regelgeving; Bij het milieudeel van de omgevingsvergunning worden ten minste de Beste Beschikbare Technieken (BBT) als uitgangspunt genomen; In vergunningverlening en toezicht wordt rekening gehouden met beschikbare landelijke handreikingen; Vergunningen zijn helder, transparant en handhaafbaar; Vergunningen bevatten vooral doelvoorschriften; Middelvoorschriften16Doelvoorschriften zijn voorschriften met een norm. Wanneer u een activiteit uitvoert, bepaalt u zelf met welke techniek of maatregel u die uitvoert. Als u maar aan die norm voldoet. Middelvoorschriften zijn voorschriften waarin een specifieke techniek of maatregel staat voorgeschreven. Degene die de activiteit uitvoert, moet deze techniek of maatregel toepassen. Bron: https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toelichting-milieubelastende-activiteiten/rijksregels-mba/doel-middelvoorschriften/ worden opgelegd wanneer (landelijke) voorschriften onvoldoende helder zijn, er sprake is van slecht naleefgedrag of als doelvoorschriften niet toereikend zijn; Er is een geconsolideerd vergunningenoverzicht voor alle milieubelastende activiteiten en complexe bedrijven waarvan GS het bevoegd gezag zijn; Voor activiteiten waarbij meerdere bevoegde gezagen betrokken zijn, vindt altijd (inhoudelijke) afstemming plaats. De omgevingsdiensten betrekken wettelijke adviseurs en ketenpartners proactief bij aanvragen voor vergunningen. Van een initiatiefnemer wordt verwacht dat ze een kwalitatief goede aanvraag indienen die voldoet aan de daarvoor gestelde wettelijke vereisten; Er wordt indien nodig gebruikgemaakt van de wettelijke opschortings- en verlengingsmogelijkheden. Indien een aanvraag onvolledig of van onvoldoende kwaliteit is, wordt deze, nadat de mogelijkheid is geboden om de aanvraag aan te vullen, buiten behandeling gelaten. Voor een nadere toelichting zie de bijlage Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening bij deze nota. Om de kwaliteit van de in te dienen stukken te bevorderen is het bij complexe vergunningaanvragen wenselijk om tijdig vooroverleg te doorlopen met betrokken ketenpartners en wettelijk adviseurs, bijvoorbeeld aan de zogenoemde omgevingstafel. Een precisering en verduidelijking van het uitvoeringskader vergunningverlening is voor een aantal onderwerpen vastgelegd in de bijlage Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening. Vergunningen, ontheffingen en bestuurlijke rechtsoordelen kunnen betrekking hebben op activiteiten waarvoor tevens een andere vorm van toestemming nodig is. Voor zover GS het bevoegd gezag zijn voor het verlenen van meerdere toestemmingen, streven de provincie en de omgevingsdiensten naar afstemming om tot een eensluidend oordeel te komen. Hoewel het verlenen van de ene toestemming juridisch gezien niet in alle gevallen afhankelijk is van het verlenen van de andere toestemming, is het niet wenselijk dat door of namens de provincie op grond van één wettelijk kader wel toestemming wordt verleend voor een activiteit, terwijl er op grond van een ander wettelijk kader toestemming wordt geweigerd. Beste Beschikbare Technieken Een vergunningprocedure start altijd met een risicoanalyse mede om vast te stellen tot welke categorie een bedrijf behoort. Daarin worden onder meer de jaarlijkse resultaten van de naleving meegenomen. Daarnaast moeten vergunningen voldoen aan de eisen die de Europese, landelijke en provinciale wet- en regelgeving stellen. Uitgangspunt voor het onderdeel milieu in omgevingsvergunningen is altijd het toepassen van de Beste Beschikbare Technieken (BBT). Waar milieuhygiënisch gewenst en haalbaar wordt gekeken of verder dan BBT-maatregelen kunnen worden voorgeschreven. Dit in het kader van het terugdringen van de milieudruk en het beschermen van de gezonde en veilige leefomgeving. De vergunning schrijft BBT vooral voor door middel van doelvoorschriften. Bedrijven moeten dan zelf invulling geven aan de manier waarop aan de verplichtingen kan worden voldaan. Dit past in de visie van de wetgever die uitgaat van maatschappelijke verantwoordelijkheid en zelfsturing van bedrijven en afspraken die met bedrijven zijn gemaakt over deregulering en vermindering van administratieve lasten. Middelvoorschriften worden toegepast wanneer (landelijke) voorschriften onvoldoende helder zijn, er sprake is van slecht naleefgedrag door de vergunninghouder of als doelvoorschriften niet toereikend zijn. Bij bedrijven die de vergunning slecht naleven, zijn doelvoorschriften vaak moeilijker handhaafbaar. Middelvoorschriften geven het bedrijf minder speelruimte en meer duidelijkheid, ook voor de toezichthouders en handhavers. In de bijlage Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening is het toepassen van doel- of middelvoorschriften bij vergunningvoorschriften nader uitgewerkt. Digitaal Stelsel Omgevingswet Het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO) is het landelijke, digitale loket en de centrale ingang waar initiatiefnemers, overheden en belanghebbenden snel kunnen zien wat is toegestaan in de fysieke leefomgeving. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is elke provincie aangesloten op het DSO. Eén digitaal loket voor het aanvragen van vergunningen, raadplegen van de geldende regels per locatie, en op termijn informatie over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het DSO vervangt het Omgevingsloket online (OLO), de Activiteitenbesluit Internet Module (AIM) en Ruimtelijkeplannen.nl. Digitale Vergunning Met het programma Altijd Actuele Digitale Vergunning (AADV) wil de provincie samen met de vijf omgevingsdiensten de uitvoeringspraktijk van vergunningverlening toekomstbestendig maken. In deze visie is een grote rol voor digitalisering weggelegd, komt er meer nadruk op de (gestructureerde) aanvraag en meer focus op de verantwoordelijkheid van bedrijven. Er is binnen het programma AADV een applicatie (Digi-V®) ontwikkeld waarmee een geconsolideerd overzicht van vigerende vergunningvoorschriften gerealiseerd kan worden. Hierdoor is het voor burgers, bedrijven en de omgevingsdiensten inzichtelijk aan welke vergunningvoorschriften een bedrijf moet voldoen. Met deze applicatie kunnen nieuwe vergunningen ook op een digitale wijze worden opgesteld en blijft het geconsolideerd overzicht ook altijd actueel. Op termijn zou een integratie van Digi-V® met het DSO mogelijk zijn. Hierover vindt afstemming plaats met de ministeries van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Participatie, milieuleges, voorzorgsbeginsel en financiële zekerheidstelling Participatie is een belangrijk onderwerp onder de Omgevingswet. Participatie is het, door de initiatiefnemer, in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en (andere) overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Meer over participatie in paragraaf 4.4 van deze nota. Onder de Omgevingswet is het mogelijk om milieuleges te heffen en om bij specifieke branches een financiële zekerheidsstelling als vergunningsvoorwaarde in een omgevingsvergunning op te nemen. Daarnaast heeft het voorzorgsbeginsel een plek in de Omgevingswet gekregen. Het voorzorgsbeginsel houdt in dat de overheid maatregelen kan nemen als er gegronde redenen zijn om te vrezen dat activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving en gezondheid. 2.3Actualiseringsbeleid (prioriteiten en doelen) Het actualiseren van vergunningen van milieubelastende activiteiten heeft verschillende doelen: het tegengaan van (milieu)emissies, verlagen van de milieudruk door bedrijven en ze veiliger laten werken. Een actuele vergunning is daarnaast beter toetsbaar en handhaafbaar en kan bijdragen aan het behalen van provinciale ambities op het gebied van energie, circulaire economie, veiligheid en gezondheid. Het is daarvoor noodzakelijk de actualiteit van de vergunningen te bewaken.17Zie voor de actualiseringsplicht artikel 5.38 van de Omgevingswet en de artikelen 8.98 en 8.99 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het actualiseringsbeleid van de provincie bevat de frequentie en de prioriteiten voor het actualiseren van het milieudeel in relatie tot een milieubelastende activiteit. De provincie hanteert hiervoor de volgende uitgangspunten: De omgevingsdiensten voeren een actualisatietoets uit op het bestand van milieubelastende activiteiten waarbij: De milieubelastende activiteiten naar aanleiding van nieuwe wet- en regelgeving jaarlijks worden getoetst op actualiteit; De actualisatietoets bevat in ieder geval de (milieu)thema’s luchtkwaliteit, externe veiligheid en zeer zorgwekkende stoffen; De vergunningen van Seveso-inrichtingen worden minimaal elke vijf jaar beoordeeld op inhoud en overzichtelijkheid; De vergunningen inzake de overige milieubelastende activiteiten worden minimaal elke tien jaar beoordeeld op inhoud en overzichtelijkheid. Jaarlijks wordt een actualiseringsprogramma opgesteld en in het werkplan opgenomen met daarin: De volgorde en prioritering van de te actualiseren vergunningen. Deze zijn afhankelijk van de risico’s voor gezondheid, veiligheid en de leefomgeving en de wettelijke termijnen voor implementatie van nieuwe wet- en regelgeving. Bij de totstandkoming van het actualisatieprogramma worden in ieder geval betrokken: Politiek bestuurlijke prioriteiten; De resultaten van de actualisatietoets; De bevindingen van toezicht en handhaving in het afgelopen jaar. Actualisatietoets en actualiseringsprogramma Op basis van een inhoudelijke toetsing wordt jaarlijks bepaald welke vergunningen daadwerkelijk worden geactualiseerd. Daarbij wordt het vergunningenbestand getoetst op de mate waarin het toereikend is en actualiteit. Vervolgens worden prioriteiten bepaald en een actualiseringsprogramma opgesteld. Dit gebeurt op basis van het hierboven gestelde, samenhangend met in ieder geval de thema’s luchtkwaliteit, externe veiligheid en Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Het actualisatieprogramma wordt jaarlijks bijgesteld. Reikwijdte actualisatie en revisie De provincie hanteert de stelregel dat alle milieubelastende activiteiten waarvoor GS het bevoegd gezag zijn periodiek worden beoordeeld op inhoud en overzichtelijkheid en volledig worden geactualiseerd dan wel aangepast aan de meest recente inzichten. De frequentie waarmee dit plaatsvindt, is onder meer afhankelijk van de branche en gewijzigde beleidsinzichten en wet- en regelgeving. Ook kunnen incidenten, politiek bestuurlijke ontwikkelingen en de bevindingen van toezichthouders aanleiding geven voor het actualiseren van een milieubelastende activiteit. Voor vergunningen met een eenmalig karakter of een beperkte tijdsduur is actualisatie of revisie niet aan de orde. De revisievergunning onder de Omgevingswet Het doel van de revisievergunning is om een onoverzichtelijke vergunningssituatie te verhelpen. Het bevoegd gezag krijgt met de komst van de Omgevingswet de mogelijkheid om een ambtshalve revisie door te voeren en is niet meer afhankelijk van het bedrijf. Zo kan bijvoorbeeld na een wijziging van een (milieubelastende) activiteit de nieuwe en de oude vergunningen samenvoegen tot een overzichtelijke vergunning. Ook kan het bevoegd gezag de revisie combineren met het wijzigen van vergunningvoorschriften of het intrekken van een omgevingsvergunning. Dan verloopt de wijziging of intrekking en de revisie in één procedure. De provincie is voorstander van dit instrument. In de bijlage Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening wordt nader ingegaan op de revisievergunning. Magneetactiviteiten Omgevingsbesluit Een aantal activiteiten wordt in het Omgevingsbesluit aangewezen als een zogenaamde 'magneetactiviteit'. Een magneetactiviteit is een activiteit die, als hij onderdeel is van een meervoudige vergunningaanvraag, alle activiteiten naar zich toetrekt en belegt bij het bevoegd gezag van de magneetactiviteit. Er zullen tussen de betreffende overheden heldere afspraken gemaakt worden hoe in het geval van een magneetactiviteit in praktische zin moet worden gehandeld. De omgevingsdiensten zullen hiervoor namens de provincie afspraken maken met gemeenten en waterschappen. 2.4Bibob en vergunningen GS vergewissen zich van de integriteit van de relaties waaraan zij onder meer vergunningen verlenen. Uitgangspunt is dat de provincie niet onbedoeld via een afgegeven vergunning faciliteiten wil verlenen om met middelen die verkregen zijn via misdrijven – waaronder economische delicten – vergunde activiteiten uit te oefenen. Evenmin is het wenselijk dat door een vergunning van de provincie de mogelijkheid tot het plegen van misdrijven wordt gefaciliteerd. De provincie zal daarom de integriteit van de aanvrager toetsen. Indien daartoe risico’s aanwezig worden geacht, zal gebruik worden gemaakt van de bevoegdheden die GS hebben op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Naast de bevoegdheid om de integriteit van de aanvrager en daarbij direct betrokkenen te onderzoeken, biedt deze wet de mogelijkheid tot aanvullende bevoegdheden. Ter voorkoming van de risico’s in relatie tot mogelijk criminele antecedenten kunnen hierop gerichte aanvullende voorschriften worden gesteld, of is het mogelijk een vergunning te weigeren of in te trekken. GS zijn zich bewust van het ingrijpende karakter van de bevoegdheden die zij op grond van deze wet hebben. Zij hechten daarom aan een zorgvuldige toepassing. Daartoe is de beleidsregel Wet Bibob provincie Zuid-Holland vastgesteld. Deze beleidsregel bepaalt dat de bevoegdheden alleen worden toegepast als er een aanleiding is om potentiële risico’s te veronderstellen en dat betrokkenen worden geïnformeerd indien van de bevoegdheid tot het doen van onderzoek gebruik wordt gemaakt. 2.5Experimenten en vergunningen De provincie stelt zich open en met vertrouwen op voor initiatieven uit de samenleving. Daarbij wordt ruimte gegeven voor experimenten en maatwerk. Het doel hiervan is nieuwe methoden, processen, stoffen of technieken te ontwikkelen, te verbeteren en/of te beproeven. Er zijn verschillende aanleidingen voor bedrijven om wijzigingen aan te willen brengen in de werkwijze. Dat kunnen veranderingen in de markt zijn, maar ook beschikbare technologie en/of wensen om efficiënter of duurzamer te werken, bijvoorbeeld in het kader van een circulaire economie en/of energietransitie. Doorgaans experimenteert een bedrijf eerst met deze wijzigingen, alvorens ze structureel deel gaan uitmaken van de bedrijfsvoering. Voorbeelden van experimenten zijn: Het testen van een nieuw grondreinigingsprocedé; Het testen van een chemische stof in een industrieel proces; Het testen of voor de verwerking van organisch groen afval een fermenteermethode een alternatief kan zijn voor composteren. De experimenten die het betreft, hebben de volgende algemene kenmerken: De milieugevolgen van experimenten of proefnemingen kunnen niet altijd van tevoren volledig bekend zijn, maar dienen zich te begeven binnen een bandbreedte die naar oordeel van de provincie verantwoord is. Waar nodig laat de provincie zich hierover nader adviseren; De startsituatie van het experiment, oftewel de nulmeting, dient bekend te zijn; Ze zijn tijdelijk: het experiment of de proefneming heeft een start- en eindpunt en een beperkte duur, doorgaans variërend van enkele maanden tot een jaar. De geldende vergunning kan een drempel zijn voor innovatieve ontwikkelingen die bijdragen aan duurzaamheid. Voor een experiment of proefneming is het aanvragen van en besluiten op een veranderingsvergunning een veelal buitenproportioneel zware en tijdrovende procedure. Een gevolg is belemmering van innovatie. De provincie hanteert het uitgangspunt dat experimenten of proefnemingen mogelijk zijn binnen de juridische mogelijkheden die de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Wet milieubeheer (Wm) daarvoor bieden. De experimenten of proefnemingen moeten bovendien voldoen aan de relevante milieu-hygiënische eisen. Per geval zal steeds gezocht worden naar het meest efficiënte instrument dat past binnen de wettelijke mogelijkheden die de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving biedt. 2.6Milieueffectrapportage Milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang een volwaardige plaats te geven bij de besluitvorming. Een milieueffectrapport is een openbaar document waarin is beschreven welke milieueffecten zijn te verwachten en welke alternatieven er zijn18Met de afkorting m.e.r. wordt de procedure van milieueffectrapportage aangeduid van begin tot eind inclusief het onderzoek, inspraak- en adviesmomenten, e.d. De afkorting m.e.r. staat voor het eindproduct van de procedure, het milieueffectrapport.. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de procedure die moet worden doorlopen voor het betreffende plan of besluit, de zogenoemde ‘moederprocedure’. Het doel van m.e.r. is het laten meewegen van het milieubelang bij besluitvorming. De provincie heeft de uitvoering van alle bevoegd gezag taken voor m.e.r. (procedureel en inhoudelijk) belegd bij de omgevingsdiensten. De taken inzake project-m.e.r. zijn regionaal verdeeld, waarbij de betreffende omgevingsdienst verantwoordelijk is voor de m.e.r.-taken binnen zijn werkgebied waarvoor de provincie Zuid-Holland bevoegd gezag is. Deze project-m.e.r.-taken kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten op grond van de Omgevingswet, grondwateronttrekkingen, ontgrondingen, luchthavenbesluiten en wijzigingen aan primaire waterkeringen. Op deze regel van regionale verdeling gelden twee uitzonderingen. De bevoegd gezag taken inzake plan-m.e.r. voor provinciale plannen, zoals bijvoorbeeld (herzieningen van) de provinciale omgevingsvisie of provinciale omgevingsplannen, en de taken inzake project-m.e.r. voor Seveso-inrichtingen zijn voor het gehele grondgebied van de provincie als geconcentreerde taak belegd bij DCMR Milieudienst Rijnmond. Rolverdeling, bevoegdheden en passende scheiding van functies Wat betreft de bevoegdheden voor m.e.r. geldt voor vrijwel alle vergunningplichtige activiteiten dat GS bevoegd gezag zijn voor de vergunningverlening, maar dat zij deze bevoegdheid hebben gemandateerd aan de directeuren van de omgevingsdiensten. Datzelfde geldt ook voor daaraan gekoppelde m.e.r.-(beoordelings)besluiten. Dit houdt in dat voor vergunningen alle m.e.r.-gerelateerde besluiten inclusief processtappen zelfstandig kunnen worden uitgevoerd door de omgevingsdiensten. Voor andere niet-vergunning gerelateerde besluiten, zoals dijkversterkingsplannen en alle andere relevante provinciale plannen en beleidsnota’s, geldt dat de besluitvorming daarover, inclusief de bijbehorende m.e.r.-gerelateerde besluiten, wettelijk gezien belegd is bij Provinciale Staten (PS) of GS en niet verder gemandateerd kan worden. Door in deze gevallen de ambtelijke voorbereiding van de bevoegd gezag taak voor m.e.r. uit te laten voeren door de betreffende omgevingsdienst en de verantwoordelijke provinciale afdeling ambtelijk op te laten treden als initiatiefnemer voor het plan of project, is binnen de provincie een duidelijke scheiding aangebracht tussen deze soms tegenstrijdige rollen. Een dergelijke ‘passende scheiding’ van taken is wettelijk verplicht voor project-m.e.r. in gevallen waarin de initiatiefnemer voor de activiteit ook het bevoegd gezag is. In alle overige gevallen (plan-m.e.r. of een externe initiatiefnemer) is het aanbrengen van deze passende scheiding niet wettelijk verplicht, maar wordt wel wenselijk geacht. Door de werkwijze binnen Zuid-Holland wordt daaraan voldaan. 2.7Vergunningen en meldingen BRIKS GS zijn op grond van de Omgevingswet bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen en meldingen van bedrijven die vallen onder de Seveso III-richtlijn en/of onder de Richtlijn Industriële Emissies (RIE), alsmede voor een (beperkt) aantal andere categorieën milieubelastende activiteiten. Het gaat daarbij niet alleen om de milieuactiviteiten van (aanvragen voor) een omgevingsvergunning of melding bij deze milieubelastende activiteiten, maar ook om (eventuele) BRIKS- activiteiten19BRIKS staat voor Bouwen, Reclame, Inritten, Kappen en Slopen. Het begrip omvat echter alle actviteiten genoemd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In de Productencatalogus BRIKS zijn deze activiteiten naar producten voor de omgevingsdiensten omgezet.2 Het signaaltoezicht is nader uitgewerkt in het Uitvoeringskader BRIKS.. De omgevingsdiensten voeren deze taken uit voor de provincie. Als zij voor de beoordeling van BRIKS-activiteiten niet zelf de deskundigheid in huis hebben, kunnen zij hiervoor externen inschakelen. Zij voeren echter wel altijd de regie en integreren de ontvangen beoordelingen (adviezen) in de door hen - namens de provincie - te nemen besluiten inzake de melding of vergunningsaanvraag. Bij de beoordeling van BRIKS-activiteiten wordt getoetst aan alle van toepassing zijnde actuele wet- en regelgeving, toetsings- en beleidskaders en het provinciale Uitvoeringskader BRIKS, inclusief die van andere overheden. 2.8Geluid- en omgevingsvergunningen Het is de ambitie van de provincie om op het gebied van geluid zo dicht mogelijk aan de onderkant van de BBT-range te vergunnen met als doel geluidshinder te minimaliseren. Een geluidruimteverdeelplan kan deel uitmaken van een (gemeentelijk) omgevingsplan. Sommige aanvragen voor een omgevingsvergunning hebben zowel betrekking op een milieubelastende activiteit als op het gebruik van gronden en zijn in strijd met het geluidruimteverdeelplan. In die gevallen kan de provincie de aanvraag toetsen aan het omgevingsplan of de omgevingsvergunning verlenen na een verklaring van geen bedenkingen door de gemeente. 2.9Geur- en omgevingsvergunningen Het Zuid-Hollands geurhinderbeleid is een uitwerking van het geurhinderbeleid van het Rijk. Uitgangspunt is het zoveel mogelijk beperken van geurhinder. Onder de Omgevingswet kunnen lokale overheden in hun omgevingsplannen een afweging maken van het acceptabel hinderniveau, zodat zij rekening kunnen houden met alle relevante belangen om tot een duurzame kwaliteit van de leefomgeving te komen. Voor de provincie Zuid-Holland is het beleidskader nader uitgewerkt in de Beleidsnota Geurhinderbeleid Zuid-Holland. Het beleidskader legt de systematiek vast waarmee de grens van hinder en ernstige hinder wordt bepaald. Indien een gemeentelijk omgevingsplan (nog) niet beschikt over een afwegingskader inzake geurhinder zal, voor wat betreft milieubelastende activiteiten die onder bevoegd gezag vallen van GS, gebruik worden gemaakt van de Beleidsnota Geurhinderbeleid Zuid-Holland. Indien er wel geurbeleid in het omgevingsplan is opgenomen, is dat leidend voor vergunningverlening. 2.10Lucht- en omgevingsvergunningen In het Zuid-Hollandse Omgevingsbeleid is luchtkwaliteit één van de beleidskeuzes die een bijdrage leveren aan een gezonde en veilige leefomgeving. Daarbij heeft de provincie zich aangesloten bij de uitvoering van het nationale Schone Lucht Akkoord (SLA). Het beperken van de emissies naar de lucht van industriële activiteiten wordt gereguleerd via vergunningen die zijn vastgesteld op basis van de rijksregelgeving en de Handleiding luchtemissie bij bedrijven. Het is onze ambitie om zo dicht mogelijk aan de onderkant van de BBT-range te vergunnen met als doel de luchtkwaliteit te verbeteren en daarmee uitvoering te geven aan de industriemaatregelen uit het SLA. De te gebruiken werkwijze hiertoe wordt middels een verkenning bepaald. 2.11Externe veiligheid en omgevingsvergunningen Externe veiligheid gaat over risico’s voor de omgeving door opslag, productie, gebruik en transport (inclusief buisleidingen) van gevaarlijke stoffen. Ook gaat externe veiligheid over omgevingsrisico’s door luchtvaart en windturbines. De provincie Zuid-Holland, en de regio Rijnmond in het bijzonder, wordt meer dan andere delen van Nederland geconfronteerd met deze risico’s. Er vindt hier veel transport van gevaarlijke stoffen plaats en er is een concentratie van risicovolle bedrijvigheid. Tegelijkertijd is Zuid-Holland een dichtbevolkte provincie, wat het risico op een groot aantal slachtoffers bij rampen vergroot. Een risicoloze samenleving is ondenkbaar, maar de provincie Zuid-Holland zet zich in om risico’s voor de burgers te minimaliseren. Dit doet de provincie via haar groepsrisicobeleid, waarmee de provincie normen stelt omtrent het verantwoorden en het beoordelen van het groepsrisico. Het groepsrisicobeleid is vastgelegd en uitgewerkt in verschillende beleidsdocumenten, waaronder de Zuid-Hollands Omgevingsvisie, de Nota VTH en in de beleidsregel ‘Groepsrisicoverantwoording bij provinciale omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten’. Groepsrisicobeleid Uitgangspunten Het doel van het groepsrisicobeleid is het zoveel mogelijk voorkómen van ongevallen met een groot aantal slachtoffers. Hierbij is het groepsrisico20Het groepsrisico verwijst naar de kans dat een groep van tien of meer mensen, die niet rechtstreeks betrokken zijn bij een (milieubelastende) activiteit met gevaarlijke stoffen, bij een luchthaven of windturbine, gelijktijdig komt te overlijden. en de groepsrisicoverantwoording van essentieel belang. Groepsrisicoverantwoording verwijst naast bestuurlijke afweging van situaties waarbij risicovolle activiteiten samengaan met de aanwezigheid van mensen. De provincie Zuid-Holland blijft als referentiewaarde bij de beoordeling van het berekend groepsrisico de oriëntatiewaarde21De oriëntatiewaarde hangt af van het aantal mogelijke slachtoffers: hoe meer mogelijke slachtoffers, hoe kleiner de kans daarop moet zijn. Het is daarom geen vaste waarde maar een lijn die de punten met elkaar verbindt waarbij de cumulatieve kans op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers 10-5 per jaar is, de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers 107 per jaar is en de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers 109 is. hanteren uit het externe veiligheid beleid onder de voormalige Wet milieubeheer. Een overschrijding van de oriëntatiewaarde wordt geduid als een situatie met een verhoogd groepsrisico. In dergelijke gevallen vraagt de provincie bij zowel ruimtelijke besluiten als bij de eigen vergunningverlening voor milieubelastende activiteiten een goed onderbouwde groepsrisicoverantwoording. In deze Nota wordt uitsluitend ingegaan op de vergunningverlening van milieubelastende activiteiten. Het streven bij vergunningverlening voor een milieubelastende activiteit is dat deze niet leidt tot een situatie met een verhoogd groepsrisico, maar waarbij ruimte wordt geboden voor een expliciete afweging van belangen waarin zo’n overschrijding mogelijk toch wordt geaccepteerd. In autonome gevallen waarbij er al sprake is van een verhoogd groepsrisico, is het streven dat het groepsrisico gelijk blijft of kleiner wordt. De provincie zet zich in om bedrijven een de hoogste standaard voor veiligheid te laten voldoen, wat in sommige situaties meer dan BBT kan zijn. Daarnaast wordt gestimuleerd dat specifieke risico veroorzakende bedrijven zich bij voorkeur vestigen en ontwikkelen in risicogebieden die speciaal voor dat type bedrijven zijn ingericht. In situaties waarin een vergunning wordt aangevraagd die een verhoogd groepsrisico met zich meebrengt, informeert de omgevingsdienst voorafgaand aan de besluitvorming de provincie hierover. Dit volgt uit de in het mandaatbesluit opgenomen informatieplicht van de omgevingsdiensten. Afwegingskaders: kwantitatieve of kwalitatieve groepsrisicobenadering Volgens de Omgevingsregeling is het groepsrisico een integraal onderdeel van de beoordeling van een omgevingsvergunning en kan het deel uitmaken van de aanvraagvereisten. Oftewel, de Omgevingsregeling biedt voldoende basis om een groepsrisicoberekening uit te voeren. In de beleidsregel ‘Groepsrisicoverantwoording bij provinciale omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten’ is vastgelegd in welke situaties een groepsrisicoberekening vereist is voor een goede groepsrisicobeoordeling bij vergunningverlening en wanneer een kwalitatieve benadering van het groepsrisico afdoende is. Om doeltreffende besluitvorming te garanderen bij vergunningverlening is het wenselijk dat de ontwikkeling van het groepsrisico en de effectiviteit van veiligheidsmaatregelen zoveel mogelijk kwantitatief worden onderbouwd. Nadere afwegingskaders: rekening houden met in ieder geval het omgevingsplan Bij de afweging van het groepsrisico zijn de vergunde milieubelastende activiteit en de (bestaande en/of geplande) ruimtelijke ordening twee zijden van dezelfde medaille. Het groepsrisico wordt immers bepaald door zowel de gevaren die verbonden zijn aan de milieubelastende activiteiten als door het aantal personen dat zich (langdurig) in nabijheid van de risicovolle activiteit bevindt. Daarom wordt in de groepsrisicoverantwoording voor omgevingsvergunningen voor een milieubelastende activiteiten, de locaties en gebouwen binnen het aandachtsgebied van de desbetreffende activiteit meegenomen zoals vastgesteld het omgevingsplan, de omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en de ter inzage gelegde ontwerpen. Dit wordt tevens nader toegelicht in de beleidsregel ‘Groepsrisicoverantwoording bij provinciale omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten’. Werkwijze Prioriteiten bij het actualiseren van vergunningen Voor het actualiseren van een vergunning gelden voor externe veiligheid de volgende prioriteiten: Huidige overschrijding van de grens- of standaardwaarde van het plaatsgebonden risico tot onder de grens- of standaardwaarde brengen; Huidige overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico tot onder de oriëntatiewaarde brengen; In lijn brengen met gewijzigde wet- en regelgeving waarbij er ook aandacht is voor de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen (PGS) en de te hanteren rekenvoorschriften; Handhaafbaarheid verbeteren door relevante aannames en uitgangspunten uit de QRA beter in de vergunningen op te nemen; Actualisatie van de vergunning, bijvoorbeeld als uit de vijfjaarlijkse veiligheidsrapportages blijkt dat er sprake is van een nieuwe overschrijding of dat er een knelpunt is opgelost; Om toekomstige knelpunten te voorkomen: Inventarisatie potentiële overschrijdingen. Keuringsregime Voor opslagtanks, installaties en leidingen zijn verschillende keuringsregimes van toepassing die volgen uit verschillende wettelijke kaders. Daar waar het keuringsregime geen directe werking heeft op grond van het wettelijk kader, worden in de vergunningvoorschriften opgenomen over de keuringstermijnen en welke (onafhankelijke) instantie de keuring moet uitvoeren. 2.12Zeer Zorgwekkende Stoffen en omgevingsvergunningen In Zuid-Holland zijn relatief veel bedrijven en activiteiten geconcentreerd, waarbij de emissie van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) een aandachtspunt is. Het voorkomen van elke blootstelling aan ZZS kan de provincie niet realiseren binnen de Europese en nationale kaders. Daartoe reiken onze bevoegdheden in het algemeen en als bevoegd gezag in het kader van de Omgevingswet in het bijzonder niet ver genoeg. In ons streven naar een gezond en vitaal Zuid-Holland zet de provincie in op een proactieve aanpak van de minimalisatieverplichting van bedrijven om daarmee de blootstelling van omwonenden en milieu aan ZZS verder te beperken en te streven naar de 0-emissie. In 2017 is de provincie Zuid-Holland middels een programmatische aanpak ZZS actief aan de slag gegaan met het terugdringen van de emissie van en blootstelling aan ZZS. In 2019 is het provinciale beleid met betrekking tot (p)ZZS vastgesteld. Met het (p)ZZS beleid loopt de provincie Zuid-Holland landelijk voorop en geeft de provincie ten aanzien van potentiële ZZS actief invulling aan het voorzorgsbeginsel. Inmiddels zijn alle bedrijven waarbij zich een milieubelastende activiteit bevindt waarvoor GS bevoegd gezag zijn aangeschreven om inhoud te geven aan de informatieplicht voor ZZS. De uitkomsten van deze aanschrijving zijn/worden betrokken bij de reguliere actualisatie van de omgevingsvergunning. Gezien het landelijke speelveld van bedrijven in de afvalbranche is in 2020, in samenwerking met Noord-Holland, een Handreiking opgesteld om de ZZS-uitvraag van alle provincies voor deze branche zo veel mogelijk te harmoniseren. Coördinatie hiervan loopt inmiddels via Interprovinciaal Overleg (IPO). In de komen de jaren zijn de volgende hoofdacties te verwachten met betrekking tot ZZS: Een voortschrijdende uitvraag aan bedrijven in de afvalsector die erop gericht is zicht te krijgen op alle ZZS en het verkregen inzicht te verwerken in omgevingsvergunningen. Voor de gewenste voortgang van onze stapsgewijze benadering is de provincie mede afhankelijk van het Rijk (o.a. herziening SGS Intron rapport betreffende ZZS in afval en de aangekondigde aanpassing van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen); Het faciliteren van het opzetten van een regionaal kennisschakelpunt gericht op het verspreiden en ontwikkelen van kennis bij de Zuid-Hollandse omgevingsdiensten, waterschappen en gemeenten op het snijvlak van ZZS-afval-circulaire economie. Dit in samenwerking met het Rijk, Rijkswaterstaat en diverse kennisinstellingen, zoals het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); Een verdere bijdrage vanuit de provincie aan de door het Rijk te ontwikkelen nationale kennisinfrastructuur ZZS tussen RIVM, Rijkswaterstaat en Seveso-omgevingsdiensten en een goede verbinding hiervan met de Europese kennisinfrastructuur; Een voortgaande bezinning - vanuit de Zuid-Hollandse bestuurspraktijk - op de mogelijkheden om de toepassing van Europese en nationale regelgeving waar mogelijk te versnellen, waar wenselijk te doen verhelderen en waar noodzakelijk te doen bijstellen. Deze acties vragen om professionele en intensieve samenwerking van het ambtelijke beleidsmatig opdrachtgeverschap en de Zuid-Hollandse omgevingsdiensten. 2.13Bodemsanering en grondwaterkwaliteitsbeheer Het bodemsaneringsbeleid van het overgangsrecht ligt vast in wetten, algemene maatregelen van bestuur, circulaire bodemsanering, ministeriële regels, normen en richtlijnen en protocollen. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet verandert er veel in het domein bodem. De gemeenten worden het bevoegd gezag bodem; zij gaan werken vanuit het juridisch regiem van de Omgevingswet. GS blijven onder de Omgevingswet wel bevoegd gezag voor de bodemtaken bij complexe bedrijven. In het eeuwigdurend overgangsrecht voor het domein bodem is vastgelegd dat de provincie het bevoegd gezag bodem blijft voor de dossiers/gevallen die vallen onder het overgangsrecht bodem. Complexe bedrijven vallen onder het regiem van de Omgevingswet en de nieuwe Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. GS zijn op grond van de Omgevingswet bevoegd gezag voor alle locaties die vallen onder het overgangsrecht en de complexe bedrijven (zoals omschreven in afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving). In de beleidsregels is hiervoor een uitwerking opgenomen, namelijk de beleidsregel diffuus lood in de bodem en de beleidsregel Onderzoek en sanering van bodemverontreiniging. Zij geven daartoe beschikkingen af en behandelen meldingen op grond van het Besluit uniforme saneringen. Alle omgevingsdiensten voeren deze bevoegd gezag taken uit namens de provincie voor grote delen van het grondgebied. De gemeenten Rotterdam, Den Haag, Dordrecht, Leiden en Schiedam zijn bevoegd gezag voor het overgangsrecht onder de Omgevingswet op het grondgebied van hun eigen gemeente. Voor specifieke Zuid-Hollandse situaties maakt de provincie gebruik van de geboden beleidsvrijheid in wet- en regelgeving. De Zuid-Hollandse beleidsvrijheid is uitgewerkt in de Omgevingsverordening en in beleidsregels. De beleidsvrijheid heeft betrekking op: Aanvullende eisen aan bodemonderzoek bij enkele specifieke verontreinigingssituaties, zoals voormalige stortplaatsen, toemaakdek, voormalige baggerspecieloswallen en gebieden met verhoogde achtergrondwaarden; Saneringsmaatregelen in specifieke omstandigheden, zoals het ontgraven van een verontreiniging in vaste bodem, de wijze van verwijdering van een bodemverontreiniging met geringe dikte of bij het achterlaten van een geringe verontreiniging, en de beoordeling en sanering van slootdempingen in de Krimpenerwaard; De wijze van omgaan met afwijkingen bij de uitvoering van het saneringsplan. Grondwaterkwaliteitsbeheer De Omgevingswet gaat gepaard met een stelselherziening. Specifiek voor het bodem(verontreiniging)beleid is er sprake van een beleidsrijke wijziging die consequenties heeft voor de wijze waarop de provincie uitvoering geeft aan de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de gelieerde Grondwaterrichtlijn (GWR). De provincie blijft, net als onder de Waterwet, primair verantwoordelijk voor het halen van de doelen van de KRW en de bijbehorende GWR. Hiertoe neemt de provincie maatregelen op in het regionaal Waterprogramma, de opvolger van het regionaal waterplan onder de Waterwet. De KRW stelt doelen aan de kwaliteit van het oppervlaktewater, het grondwater en specifiek voor menselijke consumptie bestemd water. Daarnaast dient de provincie op grond van de Omgevingswet de grondwaterkwaliteit in grondwaterbeschermingsgebieden te beschermen met het oog op de winning van voor menselijke consumptie bestemd water. Gezien bovenstaande taken is het een provinciaal belang om het grondwater in geheel Zuid-Holland te beschermen en te zorgen dat de gebruiksfunctie die afhangt van dat grondwater wordt gewaarborgd. De focus ligt hierbij op kwetsbare gebieden die grondwater gebruiken, zoals oppervlaktewater dat gevoed wordt door het grondwater, grondwaterafhankelijke natuur en grondwater in verband met de winning van water dat bestemd is voor menselijke consumptie. Voorts wordt aandacht besteed aan de algemene grondwaterkwaliteit met als doel vergrijzing van het grondwater tegen te gaan. Een grondwaterverontreiniging is in staat om de grondwaterkwaliteit te bedreigen en is aanleiding tot het vaststellen van maatregelen in het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 en het stellen van regels in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Een bodemverontreiniging kan aanleiding geven tot het vaststellen van maatregelen indien het gaat om mobiele verontreinigende stoffen die uitspoelen naar het grondwater. In het nieuwe Beleidskader Grondwaterkwaliteit, onderdeel van het waterprogramma, wordt nader ingegaan op de KRW-doelen voor grondwater, de risicobeoordelingen, mogelijke maatregelen en ook op de bodem- en grondwaterinformatie. 2.14vergunningen op de activiteiten die de natuur betreffen De provincie is bevoegd gezag voor het nemen van besluiten over activiteiten die de natuur betreffen in het kader van de Omgevingswet en het aanvullingsbesluit Natuur. Het gaat daarbij kort samengevat om gebiedsbescherming, soortenbescherming, beheer en schadebestrijding en houtopstanden. De Omgevingsdienst Haaglanden voert deze taken in mandaat namens de provincie uit voor het gehele grondgebied van de provincie Zuid-Holland. Dit gebeurt binnen het kader van de daarvoor geldende wetten en regels inclusief de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening en de Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland. Bij gebiedsbescherming gaat het om het beschermen van de wezenlijke kenmerken van een gebied op grond waarvan het gebied is aangewezen als Natura-2000 gebied. Het gaat daarbij om voorgenomen activiteiten waarbij mogelijk effecten optreden in deze gebieden. Te denken valt aan het veroorzaken van stikstofdepositie bij activiteiten22Hierbij wordt aangesloten bij het gestelde in de wet- en regelingeving inzake stikstofreductie en natuurverbetering., maar ook het veroorzaken van licht- of geluidhinder of effecten op de waterhuishouding. Bij soortenbescherming gaat het om de inspanningsverplichting van de provincie voor de actieve bescherming van onder meer vogel- en habitatrichtlijnsoorten en de nationaal beschermde soorten. Daaronder valt onder andere de vergunningverlening voor beschermde flora en fauna in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De provincie verleent vergunningverlening en stelt opdrachten op in het kader van faunabeheer op basis van aanvragen van de Faunabeheereenheid (FBE) en door GS goedgekeurde Faunabeheerplannen. Het onderdeel houtopstanden is gericht op de instandhouding van het Nederlandse bosareaal. Degene die een houtopstand wil gaan vellen, is verplicht hiervan melding te maken en de eigenaar van de grond is verplicht deze grond te herplanten. Tenietgegane houtopstanden dienen vervangen te worden. 2.15Water vergunningen en bodemenergiesystemen GS zijn bevoegd gezag voor het verlenen van vergunningen voor drinkwaterwinning en de industriële onttrekkingen groter dan 150.000 m3/p/j. Op grond van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn zij ook bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen, beoordelen van meldingen en het geven van advies voor/over milieubelastende activiteiten in de grondwaterbeschermingsgebieden. Bij de uitoefening van bevoegdheden en toepassing van wettelijke voorschriften door bestuursorganen geldt de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening als een dwingende reden van groot openbaar belang. De provincie zet in op het planmatig aanleggen van bodemenergiesystemen middels bodemenergie-plannen. Deze plannen worden door lokale overheden en/of andere belanghebbende organisaties opgesteld, waarbij de potenties van bodemenergie optimaal worden benut door middel van een integrale afweging met andere ondergrondse en bovengrondse functies. De aan de provincie aangeboden bodemenergieplannen worden beoordeeld op basis van de bij het Waterprogramma behorende bijlage C ‘Operationeel Grondwaterbeleid‘. Hierin is onder andere de voormalige provinciale ‘beleidsregel open bodemenergiesystemen in bodemenergieplannen Zuid-Holland 2016’ opgenomen. Indien het bodemenergieplan aan dit beleid voldoet, wordt het plan door GS/PS vastgesteld. Een door GS/PS vastgesteld bodemenergieplan vormt vervolgens het toetsingskader voor vergunningaanvragen voor bodemenergiesystemen. De omgevingsdienst Haaglanden voert deze taken namens de provincie uit voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland. Zij voert deze taken uit binnen de daarvoor geldende wet- en regelgeving. In de komende periode zullen er diverse ontwikkelingen plaats gaan vinden ten aanzien van de water gerelateerde vergunningverlening, toezicht en handhaving. Onderstaand zijn deze taken, niet limitatief, omschreven: Er zijn ontwikkelingen ten aanzien van de opzet van drinkwatervergunningen. Er vindt een transitie plaats van maatwerkvoorschriften naar doelvoorschriften. Dit is een trendbreuk met de traditionele kwantitatieve opzet, de hoeveelheid te (infiltreren
  2. en)onttrekken (grond)water van deze vergunningen; Door de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn ook de Aanvullende Strategische Voorraden ten behoeve van de drinkwaterwinning vastgelegd. Het areaal waar de VTH-taken uitgevoerd moeten worden, is hierdoor toegenomen; De bodem van Zuid-Holland is in potentie grotendeels geschikt voor geothermie. Daarnaast zijn er vanuit de energietransitie ontwikkelingen waarbij de aanleg van warmtenetten gestimuleerd worden. Dit om de CO2-uitstoot te verminderen. Warmteopslag in de bodem, in de watervoerende pakketten, is een essentiële schakel in deze ontwikkelingen. De VTH-taken gelieerd aan de Open Bodemenergiesystemen zullen toenemen, waarbij het spanningsveld tussen het beschermen en benutten van bodem- en grondwater steeds meer aandacht vraagt; De landelijke ontwikkeltrajecten van de Basisregistratie Ondergrond (BRO), met daarin in het bijzonder de registratieobjecten die betrekking hebben op ‘grondwatergebruik’ zoals ‘Grondwatergebruikssysteem (GUF)’ en ‘Grondwaterproductiedossier (GPD)’ zullen extra inzet van de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) vragen. Dit geldt ook voor de registratieobjecten gerelateerd aan bodem; De provincie is het beoogde bevoegde gezag voor uitvoering van de EU-verordening (2020/741) inzake minimumeisen voor hergebruik van water. Uitvoering van dit bevoegd gezag start op het moment van het van toepassing worden van de verordening op 26 juni 2023. De met het bevoegd gezag gepaard gaande taken zullen bij een omgevingsdienst worden belegd. 2.16Ontbrandingstoestemmingen en meldingen volgens het Vuurwerkbesluit De provincie is op grond van het Vuurwerkbesluit bevoegd gezag voor het beoordelen van de mogelijke effecten van het bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk op de gezondheid van de mens en op het milieu. Afhankelijk van de omvang en het soort vuurwerk moet de afsteker van het vuurwerk een ontbrandingstoestemming (vergunning) aanvragen of het ontbranden melden. Daarbij gelden de regels uit de ‘Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk’, de toepassingsvergunning van de vuurwerkbeziger en de voorschriften uit de eventuele ontbrandingstoestemming. Het verlenen van ontbrandingstoestemmingen en het toezicht en de handhaving op de naleving, voeren alle omgevingsdiensten namens de provincie uit in hun regio. De provinciaal vuurwerkcoördinator draagt zorg voor de coördinatie en uniforme uitvoering van de vuurwerktaken. Naast ontbrandingstoestemmingen en meldingen volgens het Vuurwerkbesluit kunnen er voor vuurwerkevenementen ook vergunningen, toestemmingen of ontheffingen nodig zijn op grond van andere (wettelijke) bepalingen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan besluiten over activiteiten die de natuur betreffen in het kader van de Omgevingswet en het aanvullingsbesluit Natuur, waarvoor GS ook bevoegd gezag zijn. Ook kan een ontheffing of toestemming nodig zijn voor het tijdelijk afsluiten van (vaar)wegen tijdens het evenement. Veelal is een door de gemeente te verlenen evenementenvergunning nodig op basis van de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV). De verantwoordelijkheid voor het aanvragen en verkrijgen van alle voor een vuurwerkontbranding noodzakelijke vergunningen of ontheffingen ligt bij de aanvrager. De provincie streeft ernaar te voorkomen dat een activiteit wordt toegestaan, maar op basis van andere wetgeving toch niet kan plaatsvinden. Voorafgaand aan een besluit over de gevraagde ontbrandingstoestemming stemmen de omgevingsdiensten altijd onderling af over de eventuele noodzakelijkheid van andere provinciale vergunningen of ontheffingen. Andere bevoegde medeoverheden en instanties die over toepassing van andere (wettelijke) bepalingen gaan, zal de provincie actief informeren. Tijdens de voorbereiding van het besluit neemt de omgevingsdienst over het resultaat van de afstemming zo nodig contact op met de afsteker van het vuurwerk (beziger). Dit gebeurt in ieder geval wanneer het tot ontbranding brengen van vuurwerk op grond van de andere (wettelijke) bepalingen niet is toegestaan. Over de wijze van onderlinge afstemming en het informeren van andere bevoegde gezagen en degene die het vuurwerk afsteekt, worden tussen de omgevingsdiensten werkafspraken gemaakt. 2.17Luchtvaart De provincie is op grond van de Wet luchtvaart (Wlv) bevoegd gezag voor het vaststellen van luchthavenbesluiten en -regelingen als bedoeld in de artikelen 8.43 en 8.63 van de wet. GS zijn ook bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen voor het tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van terreinen voor de luchtvaart (TUG-ontheffingen). De provincie vult deze taken in door de Beleidsregel Landen en Opstijgen van Terreinen anders dan Luchtvaartterreinen toe te passen. DCMR milieudienst Rijnmond voert deze luchtvaarttaken namens de provincie uit voor het grondgebied van de provincie. DCMR verleent de TUG-ontheffingen in mandaat namens GS en bereidt de vaststelling van luchthavenregelingen en -besluiten door respectievelijk GS en PS inhoudelijk voor. 2.18Energietransitie en circulaire economie De provincie Zuid-Hollands onderschrijft de Rijksdoelstellingen voor de circulaire economie, het Nationaal Grondstoffenakkoord en het Klimaatakkoord[1] Hiermee wordt nader invulling gegeven aan het gestelde in de Klimaatwet.. Daarnaast zijn de ambities ten aanzien van energie en circulaire economie vastgelegd in het Zuid-Hollandse omgevingsbeleid. De kennis en het netwerk bij de Zuid-Hollandse omgevingsdiensten helpen bij de vormgeving van het provinciale beleid op het gebied van gezonde en veilige leefomgeving, circulaire economie en energietransitie. Energiebesparing De provincie Zuid-Holland gaat in haar energiebeleid uit van de doelen die zijn gesteld in het nationale Klimaatakkoord. Energiebesparing wordt gezien als belangrijk onderdeel van de energietransitie om de vraag naar energie te minimaliseren. De schoonste energie is immers bespaarde energie. Dit, als basis voor de maatregelen om het gebruik van duurzame energiebronnen te stimuleren en het gebruik van fossiele bronnen drastisch te verminderen. De provincie kiest voor een economie die duurzaam is: die uiteindelijk geen emissie uitstoot en gebaseerd is op een circulair energie- en grondstoffensysteem. Vanuit haar rol als bevoegd gezag voor VTH bij milieubelastende activiteiten en complexe bedrijven werkt de provincie samen met onder andere de omgevingsdiensten aan het verbeteren van de energiebesparing bij bedrijven. Onderdeel van het Klimaatakkoord is dat energiebesparing voor bedrijven per 1 juli 2023 een algemene regel is. . Dit betekent dat voor alle bedrijven minimaal de inzet van de BBT geldt. Waar milieuhygiënisch gewenst en haalbaar wordt gekeken of verder dan BBT-maatregelen kunnen worden voorgeschreven. Productie duurzame energie Voor bedrijven die mogelijkheden hebben om duurzame energie te produceren is er als onderdeel van de normering onder het Klimaatakkoord een CO2-reductieplicht om die potentie te realiseren. Voor daken van bedrijfspanden betekent dat bijvoorbeeld rekening houden met benutting voor energieproductie uit zonlicht. Bij het verlenen van de vergunning geldt dat voor de inzet van duurzame energie als minimum de inzet van BBT wordt gehanteerd. Warmte-uitkoppeling De provincie stimuleert de uitwisseling van warmte om de warmtevoorziening in de industrie, glastuinbouw en de gebouwde omgeving te verduurzamen. De industrie is een belangrijke bron voor dit warmtenet. Restwarmte uit de industrie dient zo veel als mogelijk benut te worden. Dat betekent bijvoorbeeld dat bedrijven met restwarmte minimaal uitkoppelgereed moeten zijn, zodat de restwarmte zo goed mogelijk kan worden opgevangen en overgedragen. Mogelijk wordt ook het onderzoeken en opgeven van de uitkoppelpotentie voor warmte onderdeel in de vergunning. De provincie zal hiervoor haar wettelijk instrumentarium waar mogelijk benutten. Ten aanzien van afvalverbranding steunen we het beleid van het Rijk: Als een AVI vanuit afvalbeheer perspectief niet meer nodig is, dan doet de energiefunctie er ook niet meer toe. Werk gebonden mobiliteit Onderdeel van het Klimaatakkoord is de rapportageverplichting werk gebonden personenmobiliteit waarbij bedrijven rekening dienen te houden met de CO2-emissie van werk gebonden personenvervoer. Indien wenselijk kunnen vergunningverleners naar aanleiding van dit rapport bedrijven adviseren over het reduceren van CO2-emissies. Circulaire economie Binnen de provincie Zuid-Holland wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een gezonde en groene economie. De provincie streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. In de strategie ‘Circulair Zuid-Holland’ zijn de provinciale ambities vastgelegd, zoals de ambitie om beschikbare grondstoffen zo hoogwaardig en efficiënt mogelijk te (her)gebruiken en om kringlopen te sluiten. Vanuit de bevoegdheden op het gebied van VTH kunnen, daar waar verantwoord en zorgvuldig afgewogen, ontheffingen verleend worden of kan experimenteerruimte voor hergebruik van reststromen worden geboden. Gezonde en veilige transitie De ontwikkeling van een circulaire economie en de energietransitie vragen om voortdurende scherpte en goede afstemming tussen de opgaven gezond en veilig, circulaire economie en verduurzaming van de industrie. De energietransitie en circulaire economie zullen leiden tot nieuwe industriële processen, producten en bedrijvigheid. Het stelsel van milieuwet- en regelgeving bevindt zich in een transitie naar een stelsel dat de ontwikkeling van een gezonde en veilige circulaire economie en energietransitie accommodeert. Het tempo waarin dat gebeurt kan de ontwikkelingen niet altijd bijhouden. De provincie wil zich waar nodig en mogelijk voorbereiden op nieuwe bedrijvigheid door na te gaan welke regels als belemmerend worden ervaren, waar meer uniformiteit in de VTH-uitvoeringspraktijk kan worden gecreëerd en waar ruimte voor experimenten kan worden toegekend. Hierbij worden in het bijzonder experimenten en pilots beoogd die leiden tot een meer hoogwaardige benutting van grondstoffen, reststromen en afval. Bij het gecontroleerd blijven circuleren van stoffen in grondstofkringlopen kunnen ook vraagstukken rond de aanwezigheid en emissies van ZZS ontstaan. In dat geval staat voor de provincie Zuid-Holland streng en zorgvuldig handelen voorop. 3.Toezicht en handhaving 3.1Ambitie/strategie Op basis van de verleende vergunning en algemene regels houdt de provincie toezicht op de naleving. Door middel van het afdwingen van goed naleefgedrag bij bedrijven handhaaft en bevordert de provincie de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Bij het constateren van een overtreding wordt de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingswet (LHSO) gevolgd. Het toezicht en de handhaving is te verdelen in drie stappen: Het verzamelen van informatie door het uitoefenen van een vorm van toezicht (preventief en repressief toezicht23Preventief toezicht is gericht op gedragsbeïnvloeding en het bevorderen van spontane naleving van wetten en regels, zodat overtredingen worden voorkomen. Voorlichting en informatieverstrekking aan belanghebbenden zijn de belangrijkste middelen. Waar toezichthouders dwang uitoefenen om ervoor te zorgen dat mensen zich aan wetten en regels houden, is sprake van repressief toezicht.); Het toetsen van waarnemingen aan doelstellingen en de norm van wet- en regelgeving, beleid en vergunning; Het interveniëren bij een overtreding (inzet handhavingsinstrumentarium). Bestuursrechtelijke handhaving is gericht op het ongedaan maken van een overtreding en, waar mogelijk, op het ongedaan maken van de gevolgen van de overtreding. De wijze waarop de provincie toezicht- en handhavingsinstrumenten kan inzetten, is vastgelegd in de nalevingsstrategie. Deze strategie bestaat uit de toezichtstrategie, de handhavingsstrategie en de gedoogstrategie. 3.2Toezicht De provincie hanteert bij de uitvoering van risicogericht toezicht24Toezicht vindt plaats op basis van wet- en regelgeving waar GS het bevoegd gezag van zijn. de volgende uitgangspunten: Toezicht gebeurt aan de hand van een branchegerichte benadering, uitgewerkt in (gezamenlijke) door de omgevingsdiensten opgestelde brancheplannen; Er wordt gebruikgemaakt van toezichtplannen in de gevallen dat in het verzorgingsgebied van de omgevingsdienst slechts enkele bedrijven binnen het brancheprofiel vallen. De risico’s worden ingeschat op basis van: De potentiële gevolgen van de activiteiten voor het milieu, de veiligheid en gezondheid in de omgeving op brancheniveau, per bedrijf, installatie of activiteit; De mate van naleving en het daarbij vertoonde gedrag; Klachten of incidenten; Inschatting en bevindingen van de toezichthouder; In geval van Seveso-inrichtingen ook de veiligheidsprestatie van het bedrijf, de procesveiligheid, de heersende veiligheidscultuur en mogelijke domino-effecten25Er is sprake van een domino-effect, wanneer een zwaar ongeval bij een bedrijf mogelijk leidt tot een zwaar ongeval bij een naburig bedrijf (bijvoorbeeld door een explosie of vrijkomen brandbare stoffen). Aan de hand van het instrument Identificatie Domino-Effecten (IDE) kan worden vastgesteld of sprake is van een domino-effect. Als sprake is van een domino-effect, kan het veroorzakend SEVESO inrichting op basis van art 8.38 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) worden aangewezen als “domino effecten veroorzakende inrichting”.; Het (actuele) overzicht van het vergunningenbestand; Bij alle bedrijven waarvan de milieubelastende activiteiten onder provinciaal bevoegd gezag vallen, vindt minstens eenmaal per jaar een vorm van fysiek preventief toezicht plaats26In uitzonderlijke situaties kan hiervan worden afgeweken. Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan de gevolgen van de Covid-19 pandemie en de daaruit volgende lockdown.. Hierbij kunnen ook individuele locatie specifieke omstandigheden bij de afweging betrokken worden; Bij alle Seveso-inrichtingen vindt minstens eenmaal per jaar specifiek en fysiek toezicht plaats; Bij alle overige bedrijven waar zich een milieubelastende activiteit bevindt waarvoor GS bevoegd gezag zijn, wordt aan de hand van een branchegerichte benadering en de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het houden van risicogericht toezicht, bepaald wanneer en op welke wijze toezicht wordt gehouden; Bij het houden van toezicht wordt gebruikgemaakt van een op de branche toegesneden mix van toezichtinstrumenten. Onderdeel van dit risicogerichte toezicht kunnen controles in diverse vormen zijn, zowel fysiek als administratief en digitaal, waar nodig verbijzonderd op basis van naleefgedrag en klachten; Bodemsanering: toezicht op bodemsanerings- en nazorglocaties gebeurt ook risicogestuurd: het meeste toezicht vindt plaats op locaties met hoge risico’s. Er vindt steekproefsgewijs toezicht plaats bij locaties met een laag risico. Het houden van toezicht begint met een goed inzicht in de feitelijke situatie, waaronder het provinciale vergunningenbestand (milieubelastende activiteiten, bedrijven, bodemsanerings- en nazorglocaties, grondwateronttrekkingen, etc.). Daarnaast is het van belang dat directe afhandeling plaatsvindt van voorvallen en meldingen bij provinciale bedrijven inclusief het informeren van de omgeving. Tevens is het uitvoeren van onderzoek naar de oorzaak van incidenten en het leereffect dat daaruit volgt voor vergelijkbare activiteiten van belang ten behoeve van het preventieve risicogestuurde toezicht dat de provincie hanteert. De resultaten van het toezicht dat wordt gehouden, worden samengevat en gemonitord met behulp van de kritische prestatie-indicatoren (KPI’s). Dit geldt voor alle milieubelastende activiteiten en activiteiten waarvoor de provincie het bevoegd gezag is met uitzondering van Seveso-inspecties. De resultaten van de Seveso-inspecties worden opgenomen in een landelijke rapportage op basis van de BRZO+ verantwoordingsafspraken. Hierover wordt gerapporteerd aan Provinciale Staten (PS). Risicomethodiek of risicogericht toezicht Risicogericht toezicht bij milieubelastende activiteiten Het risicogerichte toezicht, zoals dat door de omgevingsdiensten in de afgelopen jaren is toegepast, is in de afgelopen jaren in sterke mate doorontwikkeld, waarbij uit wordt gegaan van een installatie- en activiteitgerichte benadering. In samenwerking met de omgevingsdiensten is bepaald welke milieuaspecten per branche essentieel en/of relevant zijn. Dit is vastgelegd in de bijlage Risicogericht toezicht van de nota VTH. Afhankelijk van locatie specifieke omstandigheden kunnen bij specifieke milieubelastende activiteiten ook niet-essentiële milieuaspecten van zeer groot belang zijn. Bijvoorbeeld als er sprake is van veel geluidoverlast of geurhinder, terwijl dat branche breed geen essentieel milieuaspect is. De mate waarin de regelgeving wordt nageleefd is - onder meer - afhankelijk van de inzet van het toezichtinstrumentarium. Toezicht dient steeds in die vorm en in die intensiteit te worden ingezet, dat een optimaal rendement wordt behaald. Afhankelijk van de branche en de individuele omstandigheden van het geval zal dan ook het juiste toezichtinstrument moeten worden ingezet om het meest optimale rendement te behalen. Het doel is het positief beïnvloeden van het gedrag. Instrumenten variëren daarbij van het geven van voorlichting en informatie en zelfaudits, tot toezicht op de systemen van bedrijven, fysieke controles, administratieve controles en toezicht op de veiligheidscultuur. Controles zijn in aangewezen gevallen onaangekondigd en buiten werktijden. De omgevingsdiensten maken keuzes welke vormen van toezicht het meest geëigend zijn om de gestelde doelen efficiënt en effectief te realiseren. Dit doen zij in het licht van gestelde provinciale prioriteiten en doelen27Zie daarvoor deel I van de Nota VTH: Visie op vergunningverlening toezicht en handhaving en de omgevingsvisie van Zuid-Holland. en de normgetrouwheid van de doelgroepen. De basisrisico-inschatting bij het houden van preventief toezicht wordt op installatie- dan wel activiteitniveau gemaakt, waarbij een hoog risico betekent dat een installatie of activiteit ieder jaar aan toezicht onderworpen moet worden. Een laag risico houdt in dat het toezicht plaatsvindt met een lagere intensiteit. Het uitgangspunt voor de frequentiedifferentiatie is een risico-inschatting die op de verschillende branches en milieuthema's is gemaakt. De frequentie voor het houden van toezicht hangt onder meer samen met de risicoscore op het milieuthema. Ook locatie specifieke omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen. De milieuthema’s lucht, externe veiligheid en ZZS wegen hierbij zwaarder in verband met de grote relevantie die daaraan wordt toegekend. In branche- of toezichtplannen wordt door de omgevingsdiensten de omvang van het toezicht bepaald, bij welke installaties of activiteiten risico’s en prioriteiten liggen, op welke voorschriften toezicht gehouden wordt en met welke diepgang dit geschiedt. Hierbij worden ook de essentiële milieuaspecten per branche betrokken, Indien de situatie daar aanleiding voor geeft, zal een steekproef worden genomen van de te controleren installaties en/of activiteiten. Door rekening te houden met bijvoorbeeld bevindingen uit eerdere controles en inschattingen van de toezichthouder, het naleefgedrag, overlastmeldingen en inschattingen van de toezichthouder kan maatwerk bij het houden van toezicht worden geleverd. Indien er sprake is van slecht naleefgedrag heeft dit als gevolg dat het toezicht geïntensiveerd wordt. Deze intensivering kan bestaan uit het verbreden van het toezicht naar andere milieuthema’s dan de essentiële, maar ook door verdieping op de essentiële milieuthema’s van een branche. Gedacht kan worden aan het nemen van een grotere steekproef of het diepgaand administratief doorlichten van de administratie van een bedrijf. Met het toepassen van de doorontwikkelde risicomethodiek wordt invulling gegeven aan een adequate en behoorlijke uitvoering van het handhavingsbeleid. Bij risicogericht toezicht wordt de algemene methodiek voor het houden van toezicht per branche beschreven, inclusief de opties die er per branche zijn om waar nodig de toezichtstrategie te intensiveren bij slecht naleefgedrag. Roulatie toezichthouders Er is een spanningsveld tussen een goed ingevoerde toezichthouder en de mogelijkheid dat de kwaliteit van het toezicht onbewust kan verminderen als een toezichthouder gedurende meerdere jaren bij hetzelfde bedrijf toezicht houdt. Ook kan na verloop van tijd een ongewenste (persoonlijke) band ontstaan tussen de toezichthouder en degene op wie toezicht wordt gehouden. Dit effect is sterker bij bedrijven waar jaarlijks controlebezoeken worden gehouden en intensief contact is dan bij bedrijven met een lagere toezichtfrequentie. Bij complexe bedrijven kan te snel wisselen van toezichthouder contraproductief zijn in verband met een lange inwerkperiode. Om de kwaliteit van het toezicht en de efficiency op adequaat niveau te houden, zien de directeuren van de omgevingsdiensten erop toe dat toezichthouders iedere drie tot vijf jaar rouleren. Ongewone voorvallen, incidenten en crisisorganisatie De provincie gebruikt ongewone voorvallen c.q. incidenten en klachten van burgers en bedrijven als een belangrijke indicator voor het risicogericht werken. Incidenten en klachten maken deel uit van de risicomethodiek bij het houden van preventief toezicht. Binnen de reguliere bedrijfsvoering van bedrijven kunnen zich ongewone voorvallen voordoen. Deze ongewone voorvallen vormen afwijkingen van de - door het bedrijf - beoogde reguliere bedrijfsvoering. Ze dienen door het bedrijf direct aan het bevoegd gezag te worden gemeld. De meeste van deze voorvallen vormen geen bedreiging voor omwonenden en het milieu en kunnen binnen de reguliere toezichtskaders door het bevoegd gezag worden afgewikkeld met natuurlijk aandacht voor de oorzaak van het voorval en leereffecten. Ongewone voorvallen kunnen echter ook potentiële of feitelijke effecten hebben voor omwonenden en het milieu. Voor het beheersen van de (gezondheids)risico's en effecten van incidenten van deze omvang zijn de veiligheidsregio's in het leven geroepen. De veiligheidsregio is bij incidenten het bevoegd gezag en coördineert daartoe de inzet van alle hulpdiensten en de inzet van communicatiemiddelen. De bevoegdheden, opschalingsniveaus en in te zetten communicatiemiddelen zijn in de Gecoördineerde Regionale Incidentenbestrijdingsprocedure (GRIP) vastgelegd. Na instellen van een GRIP zijn het betreffende bedrijf en bevoegd gezag toeleveraars en uitvoerders onder regie van de veiligheidsregio. In deze fase kunnen zowel het bedrijf als het bevoegd gezag gevraagd worden relevante (milieu)informatie aan te reiken. Met het oog hierop kennen de vijf omgevingsdiensten piketregelingen die voorzien in een 24/7 bereikbaarheid voor klachten en incidenten. De veiligheidsregio is in deze fase ook verantwoordelijk voor informatieverstrekking over mogelijke gezondheidseffecten voor mens en dier als gevolg van bijvoorbeeld inademing, eten van producten uit eigen tuin en/of uit commerciële (vee)teelt. In adviserende zin zijn hierbij betrokken de gemeentelijke gezondheidsdienst en waar nodig het RIVM en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Na de acute fase van beheersing van de risico's van het incident volgt een vervolg, waarbij ook het bevoegd gezag zowel een meer technische als een meer beleidsmatige verantwoordelijkheid heeft. Bij incidenten van deze orde wordt door de betrokken omgevingsdienst namens het bevoegd gezag standaard een technisch onderzoek voorgeschreven. Dit onderzoek richt zich op oorzaak en gevolgen van het incident en staat onder andere ten dienste van het voorkomen van gelijksoortige incidenten in de toekomst bij dit bedrijf. De uitkomsten van dit onderzoek worden beoordeeld door de omgevingsdienst en kunnen conform de sanctiestrategie leiden tot sancties. Incidenten kunnen de aanleiding zijn voor het geheel of gedeeltelijk stilleggen van de activiteiten van een bedrijf. Het bedrijf is zelf primair verantwoordelijk voor een verantwoorde herstart van activiteiten na een incident. Bij incidenten die geleid hebben tot het geforceerd stilleggen van activiteiten vraagt herstart vooraf instemming van de betrokken omgevingsdienst. Hierbij wordt gehandeld conform de algemene mandaatregeling. Een belangrijk punt bij incidenten is het snel onderkennen van de situatie en het daarop inrichten van een passende organisatie. Binnen de veiligheidsregio is dat geregeld in draaiboeken, protocollen en oefeningen. Ook voor de fase waarin bevoegd gezag en omgevingsdienst weer zelf ‘in the lead' zijn, is het goed onderkennen van de vereiste rollen en samenspel van belang. Naast het beschrijven daarvan vraagt dit ook blijvend professionaliseren om nog sneller in te zien welke situatie wat vraagt op inhoud, rolverdeling en samenspel. Klachten Voor het melden van milieuklachten en overlast, zoals stank of lawaai, kunnen burgers en bedrijven bellen met de provinciale Milieutelefoon. Deze is dag en nacht bereikbaar via 0888 333 55. De Milieutelefoon is een gezamenlijk initiatief van de provincie en de vijf omgevingsdiensten. Bedrijven met een omgevingsvergunning van de provincie zijn verplicht bijzondere voorvallen28Het begrip omvat elke gebeurtenis bij een milieubelastende activiteit, ongeacht de oorzaak van die gebeurtenis, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten, met inbegrip van storingen in het productieproces en storingen in de voorzieningen (mits daaruit nadelige gevolgen voor het milieu voortkomen) van de milieubelastende activiteit alsook ongelukken en calamiteiten. te melden. Meldingen gaan telefonisch via 0888 333 555 of door het invullen van een formulier op de website van de betreffende omgevingsdienst. Dit gebeurt zo spoedig mogelijk na ontdekking van een afwijking in het bedrijfsproces. Daarnaast is het mogelijk om eventuele (gezondheids)klachten over zwemwaterlocaties door te geven via de zwemwatertelefoon, telefoonnummer 0800 9036. Dit nummer is (tijdens het zwemwaterseizoen van 1 mei tot 1 oktober) dagelijks bereikbaar van 09:00 uur tot 16:30 uur. 3.3Handhaving Als tijdens het toezicht een overtreding wordt geconstateerd, start de handhaving. De provincie hanteert de landelijk ontwikkelde handhavingsstrategie Omgevingswet (LHSO) en sluit aan bij de landelijke ontwikkelingen over het toezicht op Seveso-inrichtingen. Bij het uitvoeren van de handhavingsstrategie hanteert de provincie de volgende uitgangspunten: Iedere bevinding krijgt een passende interventie; De handhavingsstrategie wordt strikt toegepast: Eenduidige proces- en besluitvorming; Gelijke gevallen gelijk behandelen; Bewaken van de termijnen en tijdig de vervolgstappen in gang zetten; Gebruikmaken van standaardbrieven voor alle fases in het proces; Wettelijke eisen worden in acht genomen; Het naleefgedrag bepaalt mede welk handhavingsinstrument het beste past. De bevoegdheid tot handhaving heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een beginselplicht tot handhaving. Dit houdt in dat bij overtreding van een wettelijk voorschrift het bevoegd gezag daartegen in de regel handhavend dient op te treden. Het niet doorzetten van handhavingsacties gaat ten koste van de geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van de provincie. Bovendien kan dit rechtsongelijkheid scheppen. Wel kan het bevoegd gezag bij het houden van toezicht prioriteiten stellen. Afhankelijk van de ernst van de overtreding en het naleefgedrag van de overtreder kan worden overgegaan tot: Bestuursrechtelijke handhaving; Het instrument Bestuurlijke Strafbeschikking milieu (BSBm); Bestuurlijke boete (Seveso-inrichtingen) Strafrechtelijke handhaving (Openbaar Ministerie). De keuze welk handhavingsinstrument29Bestuurlijke handhavingsinstrumenten zijn: aanspreken (informeren, waarschuwen), bestuurlijk gesprek, het uitoefenen van bestuursdwang, het opleggen van een last onder dwangsom, het intrekken van een vergunning of ontheffing en BSBm (op snijvlak van bestuurlijke en strafrechtelijke handhaving). wordt ingezet, is afhankelijk van de ernst van de overtredingen (mogelijke gevolgen) in relatie tot het gedrag van de overtreder. Naast bestuurlijke of strafrechtelijke handhaving kunnen door de omgevingsdiensten ook alternatieve middelen worden ingezet zoals bijvoorbeeld naming en shaming. De ernst gaat over de gevolgen voor het milieu, natuur, veiligheid, gezondheid en leefomgeving. Gedrag loopt van goedwillend, via onverschillig en calculerend, naar crimineel gedrag. Eigen initiatief van een onderneming in het aanleveren van informatie en het oplossen en voor de toekomst voorkomen van overtredingen kan ook meetellen in de bepaling van de passende sanctie. Figuur 2: De Landelijke interventiematrix Bestuursrechtelijke handhaving richt zich op het ongedaan maken van de overtreding en het ongedaan maken van de gevolgen van de overtreding. Strafrechtelijke handhaving richt zich op het strafbaar stellen van de overtreder van een milieudelict. Bij BSBm ligt de nadruk op overtredingen van eenmalige en aflopende aard, met een boete tot gevolg. De landelijke handhavingsstrategie gaat uit van het in principe zo licht mogelijk starten met interveniëren gericht op herstel en het vervolgens snel inzetten van zwaardere interventies als naleving uitblijft. Bij het opleggen van sancties is het uitgangspunt dat slecht gedrag niet mag lonen. De provincie neemt daarbij de wettelijke eisen en de nadere concretisering daarvan in de jurisprudentie in acht, zoals: Er is een hoor plicht van de overtreder en eventueel omwonenden en derde-belanghebbenden. De hoogte van de dwangsom moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van het opleggen van de dwangsom. Er dient een maximumbedrag bepaald te worden. Het moet voor de overtreder aantrekkelijker zijn de overtreding en de gevolgen daarvan ongedaan te maken dan de dwangsom te betalen. Aanvullend interventiebeleid bij verscherpt toezicht Het komt voor dat een bedrijf een ernstig incident heeft en/of zware overtredingen blijft begaan op grond van houding en gedrag. Indien het reguliere interventiebeleid in dergelijke situaties ontoereikend is om de overtredingen op te heffen en verdere herhaling te voorkomen, wordt in Zuid-Holland een zwaarder regime toegepast, namelijk het verscherpt toezicht. Met het aanvullend interventiebeleid bij verscherpt toezicht wordt er per bedrijf een maatwerkaanpak opgesteld. Hierbij kan worden gedacht aan het uitvoeren van (uitgebreid) gedragsonderzoek en/of het toepassen van andere toezicht vormen. Ook wordt bij verscherpt toezicht Provinciale Staten geïnformeerd. Verscherpt toezicht gaat gepaard met een hogere inspectiefrequentie. Verscherpt toezicht moet worden aangekondigd, als ook onder welke voorwaarden het verscherpt toezicht weer zal worden opgeheven. Verscherpt toezicht wordt in elk geval ingesteld als: Niet-naleving is geconstateerd en er geen zicht is op verbetering van het naleefgedrag (gericht op notoire zware overtreder) en/of, niet-naleving is geconstateerd en een groot risico van voortgezette niet-naleving voor omgevingsveiligheid (gericht op ernst overtreding) en/of, ernstig incident heeft plaatsgevonden met (potentieel) grote gevolgen voor de omgevingsveiligheid. 3.4Toezicht en handhaving bij Seveso-inrichtingen De Europese Seveso III-richtlijn integreert wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding in één juridisch kader. In Nederland is deze richtlijn geïmplementeerd in hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (voorheen het Brzo). Doelstelling is het voorkomen en beheersen van zware ongevallen, waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Het Bal stelt hiertoe eisen aan de meest risicovolle bedrijven in Nederland. De wijze waarop de overheid daarop moet toezien wordt geregeld in het Omgevingsbesluit. Bij het toezicht op Seveso-inrichtingen zijn specialistische inspecteurs betrokken van drie overheden: veiligheidsregio’s, Nederlandse Arbeidsinspectie en de Seveso-omgevingsdiensten (namens het bevoegd gezag Milieu). De waterkwaliteitsbeheerders hebben als adviseur van het bevoegd gezag eveneens een rol. Ook van deze diensten zijn, waar relevant, specialistische inspecteurs betrokken. Gezamenlijk vormen zij één inspectieteam. De Seveso-omgevingsdiensten hebben hierin een coördinerende rol. Het team werkt samen in de voorbereiding, uitvoering (bedrijfsbezoek) en afronding van de inspectie. De eventuele handhaving die uit de inspecties voortvloeit, is voor de eigen verantwoordelijkheid van de betreffende inspectiepartners. De inspectiepartners maken -afhankelijk van de aard van de geconstateerde overtredingen en de handhavende bevoegdheden- onderling een afspraak welke handhavingsmiddelen door wie worden ingezet. De Seveso-omgevingsdiensten houden toezicht op het deel externe veiligheid. Met de landelijke inspectiemethodiek wordt een Seveso-inrichting beoordeeld op de aspecten beheersing van de risico’s (veiligheidsbeheerssysteem), de technische integriteit van de installatie en de houding van het bedrijf t.a.v. veiligheid (veiligheidscultuur). Dit sluit aan bij het provinciale beleid. In Zuid-Holland zijn de bevoegd gezag-taken van GS voor Seveso-inrichtingen op het gebied van omgevingsveiligheid ondergebracht bij DCMR Milieudienst Rijnmond. Voor de handhaving bij Seveso-inrichtingen sluit de provincie aan bij de daarvoor geldende instrumenten en de specifiek landelijke handhavingsstrategie. Meerjarenagenda In een meerjarenagenda (MJA) leggen de gezamenlijke provincies de ambities vast die aansluiten bij hun bestuurlijke agenda VTH gezonde en veilige leefomgeving voor de Seveso-inrichtingen vallend onder hun bevoegd gezag. Het doel van het uitvoeringsprogramma MJA is het excelleren in de uitvoering van de VTH-taken bij Seveso-inrichtingen. Voor de realisatie van dat doel gelden de volgende ambities: Gelijk speelveld op gebied van VTH; Uniformiteit tussen 6 Seveso-omgevingsdiensten; Risicogericht werken; Kwaliteit/deskundigheid van medewerkers; Samenwerking met partners; Eenduidig opdrachtgeverschap. Jaarlijks wordt gerapporteerd over de voortgang van het uitvoeringsprogramma, de nieuwe activiteiten en resultaten die vervolgens worden geïmplementeerd binnen de Seveso-omgevingsdiensten. Voorgestelde onderwerpen uit het MJA neemt de individuele provincie op in het werkprogramma van de betreffende Seveso-omgevingsdienst. Dit ter bevordering van eenduidig opdrachtgeverschap door de provincies, maar ook voor een goede borging van de landelijk gerealiseerde resultaten binnen de Seveso-omgevingsdiensten. In de brancheplannen van de omgevingsdiensten worden de onderwerpen die in het MJA zijn benoemd opgenomen evenals de regionale focuspunten. Handhavingspartners stellen jaarlijks een inspectieplan op (artikel 13.3 Omgevingsbesluit), waarin ze de samenwerkingsafspraken tussen handhavingspartners beschrijven en daarmee richting bedrijf integraal en met één boodschap spreken. 3.5Zeer zorgwekkende stoffen Onder vergunningverlening is de Zuid-Hollandse aanpak voor ‘Zeer Zorgwekkende Stoffen’ (ZZS) beschreven. Onderdeel van deze programmatische aanpak is het vanuit toezicht geleidelijk aanschrijven van opeenvolgende branches om via deze proactieve aanpak bedrijven aan te zetten tot het daadwerkelijk inhoud geven aan de continue aandacht voor de minimalisatieverplichting die geldt voor ZZS. In aanvulling hierop dient het bedrijf eveneens continu na te gaan of stoffen die al langer worden gebruikt inmiddels als ZZS moeten worden aangemerkt (inclusief zelfclassificatie door derden). Is dat het geval, dan dient het bedrijf zo snel mogelijk een Vermijdings- en Reductieprogramma op te starten ter invulling van de continue minimalisatieverplichting. Hiervoor maakt de toezichthouder tevens gebruik van de landelijke emissie- en lozingendatabase die het RIVM ontwikkelt. Het toezicht op ZZS betrekt de provincie zodoende bij het risicogerichte toezicht dat wij voorstaan zoals opgenomen in de bijlage van deze nota. Stapsgewijs ontwikkelen we zo ook voor ZZS een sluitende VTH-cyclus. Naast de industrie draagt ook vervoer bij aan de uitstoot van ZZS. De scheepvaart is hierbij een belangrijke factor. Met name bij het zogeheten 'varend ontgassen' kunnen substantiële emissies ontstaan. Met het Rijk is de provincie in gesprek om ook deze emissies vergaand terug te dringen. 3.6Toezicht en handhaving op activiteiten die de natuur betreffen De provincie is het bevoegd gezag voor toezicht en handhaving op activiteiten die de natuur betreffen in het kader van de Omgevingswet. De Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) voert deze taken namens de provincie in mandaat uit voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland. Begin 2012 hebben de provincies het basisniveau provinciale regievoering groene handhaving ‘vastgesteld, een uitvloeisel van het Convenant Nalevingstrategie Natuurwetgeving. De provincie concentreert zich op de volgende drie terreinen: omgevingsvergunning plichtige activiteiten; aangewezen gebieden, in het bijzonder Natura 2000-gebieden; specifieke nalevingsproblemen in het vrije veld, waaronder ook in begrepen jacht, beheer- en schadebestrijding, houtopstanden, soortenbescherming en illegale activiteiten op het natuuronderdeel binnen de Omgevingswet. Het toezicht en de handhaving op activiteiten die de natuur betreffen, v

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.