Verordening nadeelcompensatie gemeente Doesburg 2024De raad van de gemeente Doesburg; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 oktober 2023; gelet op de artikelen 108 en 149 van de Gemeentewet, titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 15.1 van de Omgevingswet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening nadeelcompensatie gemeente Doesburg 2024 Artikel1.Toepassingsbereik 1. Deze verordening heeft betrekking op aanvragen om schadevergoeding als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarvan de aanvrager stelt dat die wordt veroorzaakt door een bestuursorgaan van de gemeente. 2. Deze verordening heeft geen betrekking op aanvragen om schadevergoeding waarop een bijzondere regeling van toepassing is. Artikel2.Heffen recht Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om schadevergoeding verband houdende met een schadeoorzaak genoemd in artikel 15.1 van de Omgevingswet wordt een recht van € 300,- geheven. Artikel3.Aanvraag 1.Het bestuursorgaan kan een elektronisch en/of papieren formulier vaststellen, met eventuele bijkomende indieningsvereisten. Indien er een vastgesteld formulier is, moet daar bij aanvragen gebruik van worden gemaakt. Verder dient aan de overige bijbehorende indieningsvereisten te worden voldaan. 2.In aanvulling op artikel 4:127 van de Algemene wet bestuursrecht bevat een aanvraag mede: als het schade betreft wegens winst- of inkomstenderving: jaarrekeningen over het jaar waarin schade is geleden en voor zover van toepassing de drie daaraan voorafgaande jaren en de aanslagen vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting over deze vier jaren. als het schade betreft wegens gederfde huurinkomsten: een afschrift van de huurovereenkomst of gebruiksovereenkomst en een eigendomsakte. een omschrijving van de verzochte vergoeding, indien aanvrager aangeeft vergoeding niet in geld te willen ontvangen. overige informatie en bescheiden, door of namens het college van burgemeester en wethouders te stellen. 3.Het bestuursorgaan bevestigt de ontvangst en de datum van ontvangst van de aanvraag. Hierbij vermeldt het de te volgen procedure en de beslistermijnen. Artikel4.Adviescommissie 1.Het bestuursorgaan wint slechts advies in bij een adviescommissie voor zover dat naar zijn oordeel noodzakelijk is om op de aanvraag om schadevergoeding te kunnen beslissen. 2.Advies als bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval niet ingewonnen als: de aanvraag naar het oordeel van het bestuursorgaan kennelijk ongegrond is, omdat zich kennelijk een weigeringsgrond voordoet als bedoeld in artikel 4:126, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht; de schade kennelijk niet kan worden toegerekend aan een door het bestuursorgaan genomen besluit of verrichte handeling; de aanvraag naar het oordeel van het bestuursorgaan voldoende gelijkenis vertoont met andere aanvragen waarvoor al advies is uitgebracht; de aanvraag om schadevergoeding kennelijk gegrond en eenvoudig van aard is, naar het oordeel van het bestuursorgaan in de gemeentelijke organisatie voldoende deskundigheid voor de beoordeling van de aanvraag aanwezig is. 3.Een adviescommissie bestaat uit een of meer deskundigen. 4.Een adviescommissie kan worden benoemd als: vaste commissie, waarbij de leden door het bestuursorgaan voor een termijn van maximaal vier jaar worden benoemd met de mogelijkheid tot herbenoeming voor maximaal vier jaar, of tijdelijke commissie voor advisering met betrekking tot een of meer aanvragen, door het bestuursorgaan dat de aanvragen behandelt. Artikel5.Procedure 1.Als advies wordt ingewonnen bij een adviescommissie, informeert het bestuursorgaan de aanvrager en andere belanghebbenden daarover. 2.Binnen twee weken na het informeren als bedoeld in het eerste lid, kunnen aanvrager en andere belanghebbenden schriftelijk en gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere leden van de adviescommissie bij het bestuursorgaan indienen. Het bestuursorgaan beslist binnen twee weken na ontvangst van het verzoek. 3.Het betrokken bestuursorgaan formuleert per geval het adviesverzoek aan de commissie. 4.De commissie kan een hoorzitting houden. Op de hoorzitting kunnen aanvrager en andere belanghebbenden een mondelinge toelichting op hun standpunten geven. 5.Indien geen hoorzitting plaats vindt, stelt de commissie de aanvrager en in voorkomend geval de derde-belanghebbende in de gelegenheid schriftelijk dan wel mondeling een toelichting te geven over de aanvraag. 6.De commissie kan een plaatsopneming houden. 7.De commissie bepaalt in overleg met de aanvrager het tijdstip waarop hij de situatie ter plaatse zal opnemen. De commissie kan zich door andere gemeentelijke vertegenwoordigers laten vergezellen. 8.Van een hoorzitting, mondelinge toelichting door aanvrager en de derde-belanghebbende, de hem door het bestuursorgaan verstrekte informatie alsmede een plaatsopneming wordt door de commissie een verslag gemaakt. Verslagen worden als onderdeel aan het advies toegevoegd. 9.De commissie kan de aanvrager schriftelijk en met redenen omkleed verzoeken om binnen een door hem te bepalen termijn nadere gegevens of bescheiden over te leggen. 10.De commissie kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden. 11.In het advies gaat de commissie in elk geval in op de aanvraag, op het adviesverzoek, op de verslagen genoemd in het achtste lid, op het inwinnen van inlichtingen en adviezen bij derden en op de betrokken wettelijke en overige juridische aspecten. 12.Alvorens aan het bestuursorgaan definitief advies uit te brengen stelt de adviseur de derde-belanghebbende en de aanvrager in de gelegenheid ter zake binnen vier weken opmerkingen te maken. 13.In het geval tijdig opmerkingen zijn ingediend, brengt de commissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het twaalfde lid bedoelde termijn een advies uit aan het bestuursorgaan, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken. 14.In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het twaalfde lid bedoelde termijn een advies uit aan het college. 15.Bij de toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht wordt naast de aanvrager voor zover van toepassing betrokken: degene die de activiteit verricht en met wie een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.3c, eerste lid, van de Omgevingswet is gesloten, en, als sprake is van een schadeveroorzakend besluit naar aanleiding van een aanvraag, zoals geregeld in artikel 13.3d van de Omgevingswet, de aanvrager van dat besluit of degene die de toegestane activiteit verricht, tenzij: de schadevergoeding redelijkerwijze voor rekening behoort te blijven van het bestuursorgaan, of de schadevergoeding voldoende op een andere manier is verzekerd. Artikel6.Uitbetaling Bij geheel of gedeeltelijke toewijzing van een aanvraag om schadevergoeding, wordt de toegewezen schadevergoeding uiterlijk betaald bij het onherroepelijk worden van het besluit op de aanvraag. Artikel7.Aanvraag voorschot 1.Het bestuursorgaan kan, vooruitlopend op de beslissing op een aanvraag om schadevergoeding, een voorschot verlenen als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld. 2.De artikelen 4:95 en 4:96 van de Algemene wet bestuursrecht zijn op dit voorschot van toepassing. 3.Met het verlenen van een voorschot wordt geen aanspraak op nadeelcompensatie erkend. 4.Het bestuursorgaan verleent een voorschot niet dan nadat de aanvrager schriftelijk heeft verklaard onterecht betaalde bedragen te zullen terugbetalen. Het bestuursorgaan kan van de aanvrager een zekerheidstelling verlangen. Artikel8Nadere regels Het bestuursorgaan kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de onderwerpen in deze verordening. Artikel9.Intrekking oude regeling en overgangsbepaling 1.De ‘Procedureregeling voor advisering tegemoetkoming in planschade 2008’ wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 10, eerste lid, genoemde datum (van ingang van deze verordening), met dien verstande dat zij van toepassing blijven op een verzoek om schadevergoeding dat wordt ingediend binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als vóór inwerkingtreding van die wet de schade is veroorzaakt door een onherroepelijk besluit omtrent een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan of het van kracht worden van een bestemmingsplan, beheersverordening, wijzigingsplan of uitwerkingsplan. 2.In uitzondering op het gestelde in het eerste lid geldt dat als vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet is gevraagd om een schadeveroorzakend besluit of een ontwerp van een ambtshalve te nemen schadeveroorzakend besluit ter inzage is gelegd, de planschaderegeling op grond van de Wet ruimtelijke ordening en de in het eerste lid genoemde verordeningen blijven gelden als binnen vijf jaar nadat het besluit van kracht is geworden wordt verzocht om een schadevergoeding. Artikel10.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024; 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening nadeelcompensatie gemeente Doesburg 2024. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 30 november 2023.De griffier, J.B. Voorhof De voorzitter,drs. L.W.C.M. van der MeijsToelichting Verordening Nadeelcompensatie gemeente Doesburg 2024 Algemeen Per 1 januari 2024 treedt de nadeelcompensatieregeling, titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in werking. In deze regeling worden bestaande landelijke regelingen voor bestuursrechtelijke nadeelcompensatie - die nu geregeld zijn in verschillende wetten en de buitenwettelijke regelingen - samengevoegd, geharmoniseerd en geactualiseerd. Titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal voorzien in een algemene regeling voor de vergoeding (of tegemoetkoming) van schade door rechtmatig overheidshandelen. Daarbij kan worden gedacht aan verzoeken wegens winst- of inkomstenderving, gederfde huurinkomsten, of de lagere opbrengst bij de verkoop van een bedrijf of een onroerende zaak. Vaak gaat het om schade door infrastructurele werkzaamheden (omzetschade door gemeentelijke wegopbrekingen). Titel 4.5 van de Awb geldt bij alle bestuursrechtelijke nadeelcompensatie. Per dezelfde datum treedt ook de Omgevingswet (hierna: Ow) in werking. In de Ow wordt een specifieke nadeelcompensatieregeling opgenomen die aansluit op de generieke regeling uit de Awb (Afdeling 15.1 van de Ow). Afdeling 15.1 Ow is een verbijzondering van titel 4.5 Awb, en geldt alleen voor omgevingsrechtelijke besluiten. Het gaat om een zogenoemde generalis – specialis verhouding. De afbakening van schadeoorzaken in artikel 15.1 van de Ow is ten opzichte van titel 4.5 van de Awb limitatief en exclusief. Dat betekent dat als een schadeoorzaak op grond van deze wet niet in artikel 15.1 Ow is opgenomen, niet alsnog hiervoor langs de weg van de Awb om schadevergoeding kan worden gevraagd. De regels over nadeelcompensatie in de Ow hebben zo voorrang op de regels in de Awb. Een bekend voorbeeld van een vorm van omgevingsrechtelijke bestuursrechtelijke schadevergoedingsregeling is planschade (nu: Afdeling 6.1 Wet ruimtelijke ordening). Planschadeverzoeken worden behandeld op grond van de algemene nadeelcompensatieregeling van titel 4.5 Awb en Afdeling 15.1 van de Ow. De landelijke en buitenwettelijke nadeelcompensatie was tot op heden uitgewerkt in gemeentelijke verordeningen, die vooral uitwerkingen en procedurele bepalingen inhielden. De gemeente Doesburg had een verordening planschade, maar geen verordening voor andere nadeelcompensatie. De nu voorliggende integrale gemeentelijke verordening nadeelcompensatie, vervangt derhalve de bestaande gemeentelijke regeling ‘Procedureregeling voor advisering tegemoetkoming in planschade 2008’ en is daarmee breder van opzet door niet alleen in te gaan op planschade. Deze regeling is op de juiste wijze geënt op de nieuwe landelijke wetgeving (titel 4.5 Awb en Afdeling 15.1 Ow) en geactualiseerd. Normaal maatschappelijk risico Vooropgesteld wordt dat de overheid niet verplicht is om iedere schade die zij in de rechtmatige uitoefening van haar publieke taken veroorzaakt, altijd en in zijn geheel moet vergoeden. Dat overheidsingrijpen voor sommige burgers en ondernemingen nadelige gevolgen kan hebben, is namelijk tot op zekere hoogte onvermijdelijk. Zodoende moeten deze gevolgen dus ook tot op zekere hoogte worden geaccepteerd: dit noemen we “normaal maatschappelijk risico”. Burgers en ondernemingen die door rechtmatig overheidsoptreden echter schade lijden die uitgaat boven het normaal maatschappelijk risico en in vergelijking tot anderen onevenredig zwaar worden getroffen, kunnen desgevraagd schadevergoeding ontvangen (artikel 4:126 van de Awb). De hoogte daarvan moet in zo’n geval redelijk zijn. De schadevergoeding dekt dus niet vanzelfsprekend alle schade en dekt de schade ook niet altijd volledig. Verordening De voorliggende verordening nadeelcompensatie is gebaseerd op het model hiervoor van de VNG (ledenbrief Lbr. 21/041, 26 mei 2021). Zowel ten opzichte van het model voor de verordening als ten opzichte van de model-toelichting zijn aanpassingen op maat gemaakt. Dit zowel inhoudelijk als redactioneel. Er is voor gekozen om nadeelcompensatie uit te werken in een verordening en niet in een beleidsregel. Reden hiervoor is dat het heffen van een recht (behandelkosten, leges) bij wettelijk voorschrift moet worden geregeld (zie artikel 4:128, eerste lid, van de Awb). De adviescommissie zou wel via een beleidsregel geregeld kunnen worden, maar krijgt op deze manier een meer solide basis. In deze verordening zijn beide onderwerpen dan ook geregeld, zodat de regels over nadeelcompensatie zoveel mogelijk bij elkaar worden geregeld. Zo is het ook directer kenbaar voor benadeelden in welke gevallen en welke vorm de adviescommissie wordt betrokken bij de afhandeling van aanvragen om schadevergoeding. Een andere reden om de adviescommissie in de verordening te regelen (en niet per afzonderlijke beleidsregel) is dat daarmee afdeling 3.3 van de Awb van toepassing is. Deze afdeling bevat zorgvuldigheidsbepalingen bij wettelijke advisering. Artikelsgewijs Alleen die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader behandeld. Artikel 1. Toepassingsbereik [Eerste lid] Deze verordening heeft betrekking op aanvragen om schadevergoeding vanwege rechtmatige overheidsdaad. Het gaat om nadeelcompensatie als bedoeld in titel 4.5 van de Awb en afdeling 15.1 van de Omgevingswet. Het kan voorkomen dat de schade door meerdere overheden wordt veroorzaakt, bijvoorbeeld zowel de gemeente als het waterschap. In deze bepaling wordt verduidelijkt dat de aanvrager in dat geval het loket kiest. Het gaat in deze verordening om schade waarvan door de aanvrager wordt gesteld dat die wordt veroorzaakt door een bestuursorgaan van de gemeente. Hierop bestaat een uitzondering. Dat betreft de situatie waarbij de aanvraag om schadevergoeding betrekking heeft op een besluit ter uitvoering van een projectbesluit. Op die situatie is de regeling van artikel 15.8 van de Omgevingswet van toepassing. Daarin is geregeld dat het bestuursorgaan dat het projectbesluit heeft vastgesteld het bestuursorgaan is dat de schadevergoeding toekent. [Tweede lid] Een bijzondere regeling zoals hier bedoeld, kan bijvoorbeeld een verordening zijn voor een specifiek onderwerp, zoals kabels en leidingen, riolering en wegopbrekingen, of voor een specifiek project binnen de gemeente. Artikel 2. Heffen recht Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om schadevergoeding verband houdende met een schadeoorzaak genoemd in artikel 15.1 van de Omgevingswet wordt een recht geheven. Het betreft hier gevallen die onder het oude recht bekend stonden als planschadeverzoeken. De figuur van de heffing is in artikel 4:128 van de Awb geïntroduceerd om te voorkomen dat er al te lichtvaardig wordt overgegaan tot indiening van een aanvraag om schadevergoeding. Het recht bedraagt net zoals in de oude regeling € 300,-. Als het recht niet wordt voldaan, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld (de aanvraag is dan niet ontvankelijk). Als de betreffende aanvraag om nadeelcompensatie wordt toegekend, wordt het toe te kennen bedrag verhoogd met het geheven recht (en dus terugbetaald) (artikel 4:129, aanhef en onder c, van de Awb). Voor overige verzoeken om nadeelcompensatie, anders dan hierboven genoemd, wordt – net zoals onder de oude regeling - geen recht geheven. Artikel 3. Aanvraag [Eerste lid] De artikelen 4:2 en 4:127 van de Awb bevatten een grondslag voor de aanvraagvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om schadevergoeding. Als niet aan de aanvraagvereisten wordt voldaan kan de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling worden gesteld. In aanvulling hierop is in het eerste lid geregeld dat de aanvrager van schadevergoeding gebruik maakt van een mogelijk door het bestuursorgaan vast te stellen formulier (elektronisch of papier). Wanneer de aanvraag niet wordt aangeleverd via het [elektronische] formulier, kan na het bieden van een hersteltermijn worden besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dat kan betekenen dat de aanvrager wordt verzocht de aanvraag nadeelcompensatie alsnog binnen een bepaalde termijn via het formulier in te dienen. Het bestuursorgaan moet dan aan de aanvrager aangeven dat de aanvraag niet compleet is, en vooralsnog niet in behandeling kan worden genomen. Tevens moet het bestuursorgaan aangeven dat de aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld als niet aan het verzoek wordt voldaan. Het bestuursorgaan kan dan expliciet de termijnen van afhandeling van de aanvraag opschorten tot het moment dat wel de stukken zijn ingediend. [Tweede lid] Hier zijn aanvullende eisen gesteld ten aanzien van schadeclaims wegens winst- of inkomstenderving of gederfde huurinkomsten opgenomen. In artikel 4:2 van de Awb is vastgelegd dat een aanvraag wordt ondertekend en ten minste bevat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.