Beleidsregels Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe Dijkgraaf en heemraden van Waterschap Vallei en Veluwe; overwegende dat, met ingang van 1 januari 2024 de Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013 wordt vervangen door de op de Omgevingswet gebaseerde Waterschapsverordening Waterschap Vallei en Veluwe; het vanwege de systematiek noodzakelijk is nieuwe beleidsregels vast te stellen omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten en de uitleg van wettelijke voorschriften, voor de vergunningverlening op grond van de Waterschapsverordening Waterschap Vallei en Veluwe; aangezien de omzetting van de keur naar de waterschapsverordening beleidsneutraal heeft plaatsgevonden, ook de nieuwe beleidsregels inhoudelijk vrijwel gelijk zijn aan de huidige beleidsregels; gelet op artikel 5.3 van de Omgevingswet, artikel 4.2 van het Omgevingsbesluit, de Waterschapsverordening Waterschap Vallei en Veluwe, artikelen 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; en artikel 7, aanhef en sub h, van de Organisatieverordening Waterschap Vallei en Veluwe; b e s l u i t e n vast te stellen de volgende beleidsregels: Artikel1.Beleidsregels Waterschapsverordening Waterschap Vallei en Veluwe Hoofdstuk1.Algemeen Paragraaf1.1Algemeen Beleidsregel 1.1.1 Algemene beleidsregel watersysteem Toepassingsbereik De beleidsregels in hoofdstuk 1 tot en met 5 zijn van toepassing op het beoordelen van vergunningaanvragen voor de volgende wateractiviteiten: beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk en activiteiten met betrekking tot grondwater in het beheergebied van het waterschap. Deze beleidsregel bevat het generieke beoordelingskader. Beoordelingsregels De beoordelingsregels zoals die zijn vastgelegd in artikel 1.10 van de Waterschapsverordening gelden voor de beoordeling van vergunningaanvragen voor de hiervoor genoemde wateractiviteiten. In het eerste lid staan de doelen van het waterbeheer: Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en de vervulling van maatschappelijk functies door het watersysteem. Alleen de waterbelangen die binnen de reikwijdte van deze drie doelstellingen vallen, betrekt het waterschap bij zijn belangenafweging. Bij deze belangenafweging betrekt het waterschap geen andere belangen, tenzij anders is bepaald in specifieke beoordelingsregels. In het tweede tot en met vierde lid van artikel 1.10 van de Waterschapsverordening gaat het over de waterprogramma's waarmee rekening moet worden gehouden, zoals waterbeheerprogramma's, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma. De koppeling tussen waterprogramma's en vergunningaanvragen is nodig in verband met de beoordeling van aanvragen voor activiteiten die worden verricht in het beheergebied van een andere waterbeheerder of voor activiteiten die gevolgen hebben voor het water in dat beheergebied. De waterprogramma's worden opgesteld met het oog op omgevingswaarden en andere doelstellingen die gelden voor dat watersysteem. Beleidsregels Voor activiteiten die niet voldoen aan de criteria van de algemene regels uit de waterschapsverordening, is het mogelijkheid een vergunning voor de werkzaamheden aan te vragen. De beleidsregels bieden het toetsingskader voor de vergunningplichtige activiteiten. Ze voorkomen dat bij het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning iedere keer een volledige belangenafweging moet worden gemaakt. De beleidsregels vormen een beschermingsbeleid: indien een derde (burger, bedrijf) een vergunningplichtige activiteit wil gaan uitvoeren, wordt getoetst of die activiteit geen nadelige gevolgen voor het watersysteem met zich meebrengt. Juridische basis Op grond van artikel 4.18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het dagelijks bestuur beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hen toekomende bevoegdheid, in dit geval het verlenen van watervergunningen. Deze beleidsregels moeten ervoor zorgen dat aanvragen voor een omgevingsvergunningen steeds op dezelfde manier worden beoordeeld. Omdat een beleidsregel een besluit in de zin van de Awb is, moet zowel het waterschap als de burger zich aan de beleidsregel houden. De burger mag dus in principe verwachten dat hij/zij een omgevingsvergunningen krijgt als de activiteit die hij/zij wil uitvoeren, voldoet aan de beleidsregel. Aan de andere kant zal het waterschap een aanvraag om een omgevingsvergunningen in principe weigeren als de aanvraag niet voldoet aan de beleidsregel. Voor de motivering van de beslissing op de aanvraag kan verwezen worden naar de (bekendgemaakte) beleidsregels. Afwijken van de beleidsregel In bijzondere gevallen kan van een beleidsregel worden afgeweken. Bijvoorbeeld omdat het belang van de aanvrager groter is dan het belang van het waterschap. Andersom kan ook: dan werkt het waterschap niet mee, terwijl dat volgens de beleidsregels wel zou kunnen, bijvoorbeeld door nieuwe relevante besluiten of beleid van het waterschap of andere overheden of door bijzondere (fysieke) omstandigheden. Ook kan soms een precieze toepassing van een beleidsregel gevolgen (voor de aanvrager of voor derden) hebben die niet met die beleidsregel bedoeld waren of onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de beleidsregel. In die gevallen kan het waterschap afwijken, mits goed gemotiveerd. Projectbesluit en vergunning eigen dienst In het geval dat het waterschap zelf overgaat tot de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk, wordt daarvoor een projectbesluit vastgesteld of een vergunning eigen dienst verleend. Zowel met een projectbesluit als met een vergunning eigen dienst wordt, gelet op de aan het waterschap toegekende wettelijke taken, een verdere ontwikkeling van het watersysteem beoogd. Dat is een andere invalshoek dan die, zoals verwoord in het beschermingsbeleid. Om die reden zijn deze beleidsregels niet van toepassing op dergelijke besluiten. Overigens zijn de regels van de waterschapsverordening niet van toepassing op reguliere onderhoudswerkzaamheden en beheermaatregelen door of namens het waterschap. De beleidsregels zijn wél toepassing op activiteiten van het waterschap die niet gericht zijn op verdere ontwikkeling van het watersysteem. Regelgeving en beleid van andere overheden In de Waterschapswet (artikel 56) is bepaald dat het waterschapsbestuur bevoegd is “tot regeling en bestuur ter behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen”. Dit betekent dat het waterschapsbestuur een autonome bevoegdheid heeft tot het stellen van regels. De regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap binnen haar beheergebied stelt, zijn vastgelegd in de waterschapsverordening. Dit zijn regels die voor iedereen gelden over watergangen, waterkeringen en grondwater. Waterkwaliteitsaspecten zijn geregeld in landelijke wet- en regelgeving, zoals de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Ten dele echter zijn waterkwaliteitsregels ook onderdeel van de waterschapsverordening, in eerste instantie bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet via de Bruidsschat. Ook andere wet- en regelgeving kan aan de orde zijn. Vastgestelde ecologische functies zijn aangegeven in het waterbeheerprogramma en de Provinciale omgevingsverordening en de bijbehorende provinciale programma’s. Belangenafweging Maatschappelijke functies Zoals gezegd mag het waterschap alleen de waterbelangen die binnen de reikwijdte van de drie doelen van waterbeheer vallen, betrekken bij zijn belangenafweging. Het derde doel is het vervullen van maatschappelijke functies door het watersysteem. Hierbij gaat het om maatschappelijke belangen zoals scheepvaart, recreatie, cultuurhistorie, natuur, archeologie en landschap, voor zover er geen ander wettelijk voorschrift geldt dat in de bescherming van deze belangen voorziet. Het is inmiddels vaste jurisprudentie dat onder dit derde doel ook feitelijk aanwezige functies kunnen vallen, die niet als zodanig als maatschappelijke functie aan een watersysteem zijn toegekend in een regionaal waterprogramma of waterbeheerprogramma. In bepaalde situaties zijn activiteiten in principe niet vergunbaar. Dit is expliciet aangegeven in de betreffende beleidsregel. Het waterschap kan afwijken van deze norm bij zwaarwegende economische of andere zwaarwegende maatschappelijke belangen. Hier gelden voorwaarden voor. In het algemeen is sprake van een zwaarwegend economisch belang als een gewenste ontwikkeling aanmerkelijke economische voordelen heeft die het toestaan van grotere belasting rechtvaardigen. Bijvoorbeeld ontwikkelingen die sterk bijdragen aan de werkgelegenheid. Of aan de economische ontwikkeling of structuur van een gebied. Zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn bijvoorbeeld ontwikkelingen die het niveau van de maatschappelijke voorzieningen in een gebied verhogen. Of ontwikkelingen die het realiseren van sociaal beleid ondersteunen. Of die het behoud of de ontwikkeling van kwetsbare functies of delen van de fysieke leefomgeving ondersteunen. De grotere belasting mag dan maar voor een beperkt aantal gebouwen of mensen gelden. Toestemming eigenaar en participatie Een duiker in een oppervlaktewaterlichaam A van het waterschap. Een vlonder op het talud van de gemeente. Dat zijn enkele voorbeelden van aanvragen waarbij eigendommen van anderen dan de aanvrager betrokken zijn. Als de aanvrager geen eigenaar is van de grond waarop de aanvraag ziet, dan kan hij het aangevraagde plan in beginsel niet realiseren en is de aanvrager dus geen belanghebbende en kan hij geen aanvraag indienen. Indien hij toestemming heeft gekregen van de eigenaar, kan hij als aanvrager aantonen dat hij - ook al is hij geen eigenaar van de grond - het aangevraagde plan wel kan realiseren, hij dus belanghebbende is en een aanvraag kan indienen. Niet alleen de toestemming van andere eigenaren is van belang bij een aanvraag. De aanvrager dient bij het indienen van de aanvraag aan te geven of en zo ja op welke manier participatie met belanghebbenden heeft plaatsgevonden. Overigens moet op grond van artikel 7.4 van de Omgevingsregeling bij de aanvraag van iedere omgevingsvergunning ook worden aangegeven of en hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. De initiatiefnemer is er vrij in óf en hóe hij dat doet. Het feit dat er geen participatie heeft plaatsgevonden, is niet voldoende grond om de vergunning te weigeren. Heeft er wél participatie plaatsgevonden én blijkt eruit dat betrokkenen er positief tegenover staan, dan geldt dat het bevoegd gezag nog steeds een eigen afweging maakt. Als het waterschap eigenaar is van de locatie, zijn er situaties denkbaar waarin het waterschap bepaalde (bouw)werken en activiteiten niet zomaar wil toestaan, ook al voldoet het ontwerp aan de randvoorwaarden uit het beleid. Een voorbeeld is een kano-overdraagplaats direct nabij een groot gemaal van het waterschap. Vanuit haar eigenaarsrol kan het waterschap een dergelijke voorziening onder voorwaarden toestaan, bijvoorbeeld omdat het onveilig zou zijn. Deze voorwaarden worden dan privaatrechtelijk vastgelegd, bijvoorbeeld in een aparte toestemmingsbrief. Hoofdstuk2.Waterkeringen Paragraaf2.1Algemeen Beleidsregel 2.1.1 Algemene beleidsregel waterkeringen Toepassingsbereik Deze beleidsregel is van toepassing op beslissingen door het bestuur op aanvragen om een omgevingsvergunning voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterkering, voor zover geen specifieke beleidsregel van toepassing is of – indien dat wél het geval is – in aanvulling op deze specifieke beleidsregel en voor zover voor het betreffende aspect geen specifieke toetsingscriteria zijn geformuleerd. Begripsbepalingen Anders dan in de waterschapsverordening wordt in de beleidsregels geen onderscheid gemaakt tussen activiteiten in verholen waterkeringen en activiteiten in niet-verholen waterkeringen. Samenloop en raakvlakken Wanneer de waterkering is gelegen in de nabijheid van een oppervlaktewaterlichaam moet rekening worden gehouden met de desbetreffende beleidsregel(s) voor oppervlaktewaterlichamen. Doelen De regels in de waterschapsverordening met betrekking tot waterkeringen in de waterschapsverordening zijn, met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de wet, gericht op het: waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering; waarborgen van de mogelijkheid van doelmatige inspectie van de staat en werking van de waterkering, en in stand houden van het waterkerend vermogen van de waterkering tegen maatschappelijk aanvaardbare lasten. Algemene toetsingscriteria: Ten aanzien van de aspecten functioneren waterkering, risicoperiode, profiel van vrije ruimte, beheer, maatschappelijke functies en particulieren belangen, gelden de volgende toetsingscriteria: Functioneren waterkering De kerende hoogte van de waterkering moet behouden blijven. Micro en Macro stabiliteit De macrostabiliteit van het binnentalud is van belang om een voldoende groot grondlichaam te houden om de waterdruk bij hoogwater te keren. Het talud kan aangetast worden door infiltratie van het overstromend water bij een combinatie van hoge waterstand en golfoverslag. Instabiliteit kan ook optreden door een verhoogde waterspanning in de ondergrond, waardoor het gehele grondlichaam wegschuift. Voor het buitentalud treedt instabiliteit op bij snelle daling van de buitenwaterstand na hoogwater. Stabiliteit wordt onder meer verkregen door voldoende flauwe taluds in combinatie met het juiste grondsoort en de waterspanning in het dijklichaam. Dit houdt in dat graafwerkzaamheden in de dijk zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. De microstabiliteit van het binnentalud moet voldoende zijn om te voorkomen dat kwelwater door het dijklichaam uittreedt. Hierdoor kan de taludbekleding bij lagere waterstanden instabiel worden en loslaten van de waterkering. Erosiebestendigheid Bij het ontwerpen van de waterkering wordt rekening gehouden met een vooraf vastgesteld overslagdebiet bij de maatgevende hoogwaterstand. Dit houdt in dat zowel het buitentalud als het binnentalud gedurende het optreden van het maatgevend hoogwater bestand moet zijn tegen uitspoeling. Een goede (gras) bekleding dient om erosie te voorkomen. Door doorbreking van de bekleding van de waterkering neemt zeker bij overslag maar ook bij zware regenval de kans op erosie van de kruin en binnentalud toe. Een grasbekleding is alleen erosiebestendig met een goede, ononderbroken, goed doorwortelde en soortenrijke grasmat. Als de grasmat minder tot ontwikkeling komt vermindert doorworteling en is de grasmat minder bestand tegen erosie. Een steenbekleding vereist voldoende gewicht, een laagopbouw die uitspoeling van materiaal voorkomt en een goede aanaarding, zodat de bekleding vast blijft zitten aan de rest van de dijk. In de bekleding mogen geen potentieel objecten of zaken aanwezig zijn die de aaneengeslotenheid van de bekleding verstoren, zodat golven hierop geen grip hebben. De eisen aan de erosiebestendigheid hangen af van de veiligheidseisen voor de waterkering en de wijze van het beheer door het waterschap Kans op kwel en piping Kwel is het verschijnsel waarbij water door een verschil in waterstand onder de dijk doorstroomt en in het achterland weer aan de oppervlakte komt. Kwel zorgt vooral voor wateroverlast en kan op de lange duur leiden tot verweking van de binnenteen van de dijk, omdat het water via zandlagen onder of in het dijklichaam stroomt door de kleilaag achter de dijk wordt geperst. Bovendien kunnen door kwel (onverharde) onderhouds- en inspectiepaden onbegaanbaar raken. Als bij kwel ook zand wordt meegevoerd en daardoor de waterkering wordt ondermijnd is er sprake van piping. Overmatige kwel en een hoge kans op piping zijn onwenselijk. Risicoperiode De kans op falen van de waterkering moet geminimaliseerd worden. Deze kans is het grootst op het moment dat de dijk het zwaarst belast wordt. Deze belasting treedt op bij hoge waterstanden en sterke wind. In de periode van 1 november tot en met 31 maart (de ‘gesloten periode’) is er een grotere kans op het optreden van hoog water in combinatie met sterke wind. Bij het verrichten van werkzaamheden in de waterkering in deze periode wordt de functie van de waterkering aangetast, waardoor de faalkans van de waterkering wordt vergroot. Een belangrijk aspect van de bescherming van de stabiliteit en veiligheid van waterkeringen is gedurende de risicoperiode met name de dijkbekleding. Hierbij zijn de volgende factoren relevant, namelijk: de erosiebestendigheid (uitspoeling en afbraak waterkering), de waterdichtheid (relatie met de grondwaterstand in de waterkering) en de stabiliteit van de waterkering (weerstand met betrekking tot afschuiving). Werken in of nabij waterkeringen in de gesloten periode worden alleen toegestaan als er sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen. Dit vanwege de grotere kans op falen van de werking van de waterkering door aantasting van de dijkbekleding. Waterkeringen moeten voor het waterschap te allen tijde bereikbaar kunnen zijn voor onder andere inspectie of calamiteiten. Het uitvoeren van werken, zeker gedurende de risicoperiode, mag geen belemmering opleveren. In sommige gevallen zijn technische maatregelen noodzakelijk, om de invloed van de werkzaamheden op de waterkering te beperken dan wel te niet te doen. De te nemen maatregelen zijn afhankelijk van de locatie, type werkzaamheden en de tijdsduur. Bij een specifiek werk is het pas mogelijk om aan te geven hoe en met welke maatregelen de werkzaamheden mogen worden uitgevoerd. In de afweging kan na beoordeling van alle hierboven genoemde aspecten door het waterschap een pakket van te nemen maatregelen worden voorgeschreven in de omgevingsvergunning. Bij dit pakket kan gedacht worden aan erosiebestendige maatregelen, bereikbaarheid, waarschuwings- en toegankelijkheidsvoorzieningen of een vervangende waterkerende constructie. Profiel van vrije ruimte Het profiel van vrije ruimte is de benodigde ruimte voor eventuele uitbreidingen van de waterkering die benodigd zijn in verband met hogere waterstanden als gevolg van klimatologische wijzigingen en veranderingen in de hydraulische randvoorwaarden in de toekomst. Het is wenselijk deze ruimte alvast te reserveren, zodat deze ruimte in de toekomst niet volgebouwd is, maar gebruikt kan worden voor uitbreidingen. Een profiel van vrije ruimte wordt vastgelegd in de omgevingswetlegger of beheerregister. Het profiel van vrije ruimte staat onafhankelijk van de werkingsgebieden van de regels uit de waterschapsverordening. Activiteiten of effecten van deze activiteiten die buiten het profiel van vrije ruimte liggen, hebben geen of veel minder invloed op de waterkering dan activiteiten binnen het profiel van vrije ruimte. Handelingen die erbuiten liggen zullen veelal zonder het stellen van bijzondere voorschriften kunnen worden vergund. Bij handelingen die binnen het profiel van vrije ruimte liggen zal een nadere beoordeling plaats moeten vinden. Deze nadere beoordeling kan resulteren in het weigeren van het aangevraagde dan wel het stellen van bijzondere voorwaarden. Beheer (= inclusief onderhoud) Het beheer moet tegen maatschappelijk verantwoorde kosten kunnen worden uitgeoefend. Met beheer wordt bedoeld alle activiteiten die nodig zijn om de waterkeringen op het vereiste veiligheidsniveau te houden, nu en in de toekomst. Hieronder vallen eventueel benodigde veiligheidstoetsing, regelmatig terugkerende onderhoudswerken, dijkversterkingen, inspecties, schouw en bestrijding van muskusratten. Met onderhoud wordt bedoeld al het onderhoud en herstel aan de bekleding en het profiel van het dijklichaam dat noodzakelijk is om de stabiliteit van de waterkering te waarborgen (maaien, taludherstel e.d.). Medegebruik kan ertoe leiden dat beheer en onderhoud van de kering belemmerd wordt. Het waterschap moet de waterkering regelmatig kunnen inspecteren, kunnen onderzoeken (bijvoorbeeld door uitvoering van grondonderzoek), toetsen en kunnen onderhouden (bijvoorbeeld door het maaien en repareren van de bekleding, ophogen van verzakte delen). Werken en activiteiten op de waterkering kunnen de uitvoering van deze werkzaamheden belemmeren en kunnen voor het waterschap kostenverhogend zijn. Daarom worden ten aanzien van de toegankelijkheid en onderhoud voorwaarden gesteld. De maatschappelijke functies, particuliere belangen en regelgeving en beleid van andere overheden Zoals aangegeven in de Algemene beleidsregel watersysteem (BR 1.1.1) wordt de vergunningaanvraag aan niet alleen aan bovengenoemde waterhuishoudkundige toetsingscriteria getoetst, maar wordt ook rekening gehouden met de betrokken maatschappelijke functies, particuliere belangen van derden en van de aanvrager en regels van andere overheden. Bij waterkeringen spelen maatschappelijke functies zoals recreatie (wandelen, fietsen, paardrijden), cultuurhistorie, landschap en ecologie. Deze aspecten dienen bij de toetsing van de vergunningaanvraag tevens in beschouwing te worden genomen, voor zover er geen ander wettelijk voorschrift is dat in de bescherming van deze belangen voorziet. Het verlenen van de vergunning mag niet leiden tot het onaanvaardbaar benadelen van de maatschappelijke functies die van toepassing zijn. Paragraaf2.2Specifieke beleidsregels Beleidsregel 2.2.1 Grondboringen en sonderingen Toepassingsbereik Deze beleidsregel heeft betrekking op artikel 2.15 en artikel 2.19 van de Waterschapsverordening. Begripsbepaling In deze beleidsregel worden de volgende begrippen onderscheiden: Milieu-, bodem- en archeologisch onderzoek: alle soorten onderzoek waarbij sonderingen/boringen worden uitgevoerd of grond wordt ontgraven. Hieronder vallen in ieder geval ook het uitvoeren van sonderingen/boringen, het plaatsen van peilbuizen, het graven van proefsleuven en het uitvoeren van explosiekernonderzoek. Motivering Functioneren waterkering Bij het uitvoeren van boringen, sonderingen en diepere ontgravingen bestaat het risico dat de afdichtende kleilaag van de waterkering doorsneden wordt. Dit kan, met name in kwel- en pipinggevoelige gebieden, leiden tot een waterstroom tussen verschillende watervoerende lagen (kortsluiting). Hierdoor kunnen kwelstromen ontstaan en wordt het risico op piping vergroot. Kans op instabiliteit Bij ontgravingen kunnen problemen ontstaan met de stabiliteit van de waterkering, in het bijzonder als deze ontgravingen in het talud of bij de teen van de waterkering plaatsvinden. Daarnaast kunnen door het uitvoeren van boringen, sonderingen en/of het plaatsen van peilbuizen veranderingen in de grondwaterstanden ontstaan. Veranderingen in de grondwaterstanden kunnen leiden tot stabiliteitsproblemen bij waterkeringen. Beheer waterkering Het uitvoeren van milieu-, bodem- of archeologisch onderzoek, het plaatsen van peilbuizen, en het uitvoeren van sonderingen en grondboringen heeft relatief weinig invloed op het beheer en onderhoud van de waterkering. Het is van belang dat de waterkering, en in het bijzonder het buitentalud, voor aanvang van de risicoperiode volledig is hersteld. Het is daarom in principe niet toegestaan dit soort onderzoek uit te voeren gedurende de risicoperiode. Toetsingscriteria Het uitvoeren van milieu- of archeologisch onderzoek in de kernzone en beschermingszone A is alleen toegestaan indien er een zwaarwegend belang wordt aangetoond (bijvoorbeeld wanneer het onderzoek vanuit andere wetgeving vereist is). Ontgravingen moeten zover mogelijk buiten de kernzone plaatsvinden en mogen niet dieper worden dan voor het onderzoek noodzakelijk is. Indien de ontgraving in de kernzone en beschermingszone A dieper wordt dan 1 meter, moet de initiatiefnemer aantonen dat de stabiliteit van de waterkering niet in gevaar is. Boringen en sonderingen binnen de kernzone en beschermingszone A zijn alleen toegestaan indien het intredepunt van de sondering/boring boven het MHW ligt of als de noodzaak voor sonderingen/boringen op die locatie is aangetoond. Peilbuizen moeten worden voorzien van een waterdichte afsluitmogelijkheid. Niet meer in gebruik zijnde peilbuizen moeten worden verwijderd. Gaten die zijn ontstaan door de werkzaamheden moeten direct volledig worden gevuld met zwelklei of bentoniet, ten behoeve van een blijvend waterdichte afdichting Sleuven die gegraven zijn voor onderzoek dienen te worden gedicht met het uitkomend materiaal in oorspronkelijke volgorde van aanwezige bodemlagen. Seismische onderzoeken in/op de kernzone zijn in principe niet toegestaan. Seismisch onderzoek in de beschermingszones is alleen toegestaan indien de aanvrager aantoont dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de waterkering. Beleidsregel 2.2.2 Ontgraven van, ploegen in en ophogen van de bodem Toepassingsbereik Deze beleidsregel heeft betrekking op artikel 2.21 en 2.25 van de Waterschapsverordening. Begripsbepaling In deze beleidsregel wordt onder ploegen mede verstaan de bewerkingen in de grond zoals daar o.a. zijn: woelen, frezen en spitten. Motivering Functioneren waterkering In het profiel van de waterkering moet de bekleding in stand blijven en het stabiliteitsevenwicht gewaarborgd zijn. Het ontgraven van en het ploegen in de bodem doorbreken de bekleding en kunnen het stabiliteitsevenwicht aantasten. Grondroeringen in de kernzone hebben over het algemeen zodanige invloed op de waterkernede hoogte (stevigheid van de kering) dat met uitzondering van zeer zwaarwegende maatschappelijke belangen, dit niet toegestaan zal worden. Kans op instabiliteit Als gevolg van het ontgraven van, ploegen in de bodem en het ophogen van de bodem op of in de directe nabijheid van de waterkering kan de stabiliteit van de waterkering verminderen. Ook kan doorsnijden (= lek maken van de bekleding/bovenlaag) van de waterkering ervoor zorgen dat meer water de waterkering intreedt, wat de stabiliteit van de waterkering negatief beïnvloed. Kans op erosie Bij het ontwerpen van de waterkering wordt rekening gehouden met een vooraf vastgesteld en geaccepteerd overslagdebiet bij maatgevende waterstand. Dit houdt in dat zowel het buitentalud als het binnentalud gedurende het optreden van het maatgevend hoogwater bestand moet zijn tegen uitspoeling. Dit kan alleen met een goede, ononderbroken, goed doorwortelde en soortenrijke grasmat waarin geen onderbrekingen aanwezig zijn. Door doorbreking van de bekleding van de waterkering neemt zeker bij overslag maar ook bij zware regenval de kans toe op erosie van de kruin en de taluds. Beheer en onderhoud Grondroeringen op kruin en/of taluds en het onderhoudspad werken belemmerend op de mogelijkheden tot beheer van de waterkering. Toetsingscriteria Specifiek: ontgraven van en ploegen in bodem en ophogen in kernzone Deze activiteiten worden in principe niet toegestaan in de kernzone. Specifiek: ontgraven van en ploegen in bodem beschermingszone A Deze activiteiten worden toegestaan mits: er geen aantasting van het beoordelingsprofiel van de waterkering optreedt en de stabiliteit van de waterkering gewaarborgd blijft; de geroerde grond weer hersteld en de samenstelling van de grond zoveel mogelijk gelijk is aan de situatie voorafgaand aan de grondroering. Beleidsregel 2.2.3 houden van dieren Toepassingsbereik Deze beleidsregel heeft betrekking op artikel 2.30 van de Waterschapsverordening. Begripsbepaling Onder dieren wordt verstaan alle gedomesticeerde dieren, dus zowel de grote huisdieren als varkens, paarden, rundvee en overige hoefdieren o.a. schapen, als de kleine huisdieren als kippen, ganzen en ook honden. Motivering Functioneren waterkering Het beleid is erop gericht de sterkte van de grasmat op de waterkering te behouden en het beperken en voorkomen van trapschade aan en kaalpluk van de waterkering. Het houden van dieren op de waterkering kan trapschade veroorzaken waardoor de kans op erosie toeneemt. Daarom wordt het houden van dieren op de waterkering in principe niet toegestaan. Kans op erosie Bij het ontwerpen van de waterkering wordt rekening gehouden met een vooraf vastgesteld en geaccepteerd overslagdebiet bij maatgevende waterstand. Dit houdt in dat zowel het buitentalud als het binnentalud gedurende het optreden van het maatgevend hoogwater bestand moet zijn tegen uitspoeling. Dit kan alleen met een goede, ononderbroken, goed doorwortelde en soortenrijke grasmat waarin geen onderbrekingen aanwezig zijn. Het houden van dieren op de waterkering kan vertrappingsschade veroorzaken. Daardoor ontstaan kale plekken in de vegetatie en hierdoor is de grasmat minder bestand tegen erosie. Beheer waterkering Het houden van dieren werkt belemmerend voor het berijden van de waterkering en onderhoudspaden en daarmee het onderhoud van de waterkering. Dieren kunnen schade aan het dijklichaam aanrichten waardoor het onderhoud wordt bemoeilijkt. Het waterschap streeft naar een zo sterk mogelijke bekleding. Het grazen van dieren kan daar een negatief effect op hebben. Schapen kunnen echter onder de juiste omstandigheden het maaibeheer door machines vervangen of aanvullen. Dit vraagt om de juiste begeleiding die uitsluitend door het waterschap zelf kan worden uitgevoerd. Toetsingscriteria Specifiek: het houden van de dieren in de kernzone Het houden van dieren wordt in principe niet toegestaan op de kruin, het talud en het onderhoudspad van de waterkering. Op waterkeringen is enkel gecontroleerde beweiding met schapen in opdracht van het waterschap toegestaan. Beleidsregel 2.2.4 Aanbrengen van meststoffen Toepassingsbereik Deze beleidsregel heeft betrekking op artikel 2.32 van de Waterschapsverordening. Motivering Functioneren waterkering Het beleid is erop gericht de sterkte van de grasmat op de waterkering te behouden. Het bemesten van de waterkering kan schade veroorzaken waardoor de kans op erosie toeneemt. Kans op erosie Bij het ontwerpen van de waterkering wordt rekening gehouden met een vooraf vastgesteld en geaccepteerd overslagdebiet bij maatgevende waterstand. Dit houdt in dat zowel het buitentalud als het binnentalud gedurende het optreden van het maatgevend hoogwater bestand moet zijn tegen uitspoeling. Dit kan alleen met een goede, ononderbroken, goed doorwortelde en soortenrijke grasmat. Door het bemesten op de waterkering verandert de soortenrijke vegetatie in een homogene grasmat. Daardoor vermindert de doorworteling en hierdoor is de grasmat minder bestand tegen erosie. Beheer waterkering Bemesten zorgt voor de ontwikkeling van extra maaisel. De kosten voor afvoer van maaisel nemen hierdoor toe. Toetsingscriteria Het bemesten wordt in principe niet toegestaan. Beleidsregel 2.2.5 Rijden Toepassingsbereik Deze beleidsregel heeft betrekking op artikel 2.34 van de Waterschapsverordening Begripsbepaling In deze beleidsregel wordt onder rijden verstaan het rijden met rijdieren, rijwielen en motorvoertuigen. Motivering Functioneren waterkering Kans op erosie Bij het ontwerpen van de waterkering wordt rekening gehouden met een vooraf vastgesteld en geaccepteerd overslagdebiet bij maatgevende waterstand. Dit houdt in dat zowel het buitentalud als het binnentalud gedurende het optreden van het maatgevend hoogwater bestand moet zijn tegen uitspoeling. Dit kan alleen met een goede doorwortelde en ononderbroken bekleding. Door het rijden met een rijdier, rijwiel of motorvoertuig kan door spoorvorming de bekleding worden aangetast. Door doorbreking van de bekleding van de waterkering neemt zeker bij hoge rivierstanden en bij overslag maar ook bij zware regenval de kans op erosie van de bekleding van de kruin en het buiten- en binnentalud toe. Beheer waterkering Het beheer en onderhoud van de waterkering mogen door het rijden met rijdieren, rijwielen en motorvoertuigen niet worden belemmerd en niet tot onevenredig hoge kosten voor het waterschap leiden. Toetsingscriteria Specifiek: rijden met rijdieren, rijwielen en motorvoertuigen in de kernzone en niet op de daarvoor bestemde paden Voor rijden met rijdieren, rijwielen en motorvoertuigen in de kernzone en niet op de daar aanwezige verharde paden en wegen of niet overeenkomstig de functie van het pad of weg, wordt geen vergunning verleend tenzij: er sprake is van een tijdelijke situatie en locatiegebondenheid, en de belasting van de waterkering niet tot instabiliteit kan leiden, en er voorzorgsmaatregelen worden genomen zodat de bekleding niet beschadigt. Beleidsregel 2.2.6 Evenementen Toepassingsbereik Deze beleidsregel heeft betrekking op artikel 2.38 van de Waterschapsverordening. Begripsbepaling In deze beleidsregel wordt onder evenement verstaan een georganiseerde activiteit waaraan meerdere mensen deelnemen. Samenloop In aanvulling op deze beleidsregel, is mogelijk ook de beleidsregel bouwwerken en beleidsregel ontgraven van, ploegen in de bodem en het ophogen van de bodem op of in de directe nabijheid van de waterkering ontgraven van toepassing. Motivering Functioneren waterkering Het gebruiken van de kernzone van een waterkering als locatie voor een evenement kan gevolgen hebben voor de stabiliteit van de waterkering en daarmee voor het functioneren daarvan. Kans op erosie Het gebruiken van een waterkering voor evenementen brengt een vergrote kans op beschadiging van de grasmat met zich mee. De erosiebestendigheid van de bekleding zal daardoor afnemen. Beheer waterkering Daarnaast kan de aanwezigheid daarvan de bereikbaarheid en het voeren van onderhoud belemmeren. Toetsingscriteria Specifiek: grondroeringen kernzone de grasmat mag niet beschadigd worden Grondroeringen worden niet toegestaan in de kernzone. Zie BR ontgraven etc. Beleidsregel 2.2.7 Erfafscheidingen Toepassingsbereik Deze beleidsregel heeft betrekking op artikel 2.40 van de Waterschapsverordening. Begripsbepaling Onder een erfafscheiding wordt verstaan een afbakening van een erf of perceel van een ernaast gelegen erf of perceel. Deze kunnen bestaan uit een afrastering: in de grond geplaatste palen met een onderlinge afstand van minimaal 3 meter met daartussen prikkeldraad, staaldraad of schrikdraad; hek: in de grond geplaatste palen met daartussen een frame van spijlen of gaas; schutting: in de grond geplaatste palen met daartussen een gesloten scherm van hout, beton of andersoortige materialen. Samenloop In aanvulling op deze beleidsregel, is mogelijk ook de beleidsregel ontgraven van, ploegen in de bodem en het ophogen van de bodem op of in de directe nabijheid van de waterkering ontgraven van toepassing. Motivering Bij aanwonenden bestaat vaak de wens om erfafscheidingen op en langs waterkeringen te plaatsen. Deze werken moeten goed worden gereguleerd opdat de veiligheid van de waterkeringen nu en in de toekomst niet in gevaar komt. Ook het beheer en onderhoud van de waterkering mogen er niet door worden belemmerd en ze mogen niet tot onevenredig hoge kosten voor het waterschap leiden. Het beheer van de waterkering is gericht op het in stand houden van het vastgestelde profiel zoals omschreven in de omgevingswetlegger. Uitgangspunt is dat dit minimum profiel niet aangetast mag worden. Functioneren waterkering De waterkering dient zoveel mogelijk vrij te zijn van werken omdat niet waterkerende objecten of werkzaamheden in of nabij een waterkering in beginsel het waterkerend vermogen en beheer van de kering in gevaar kunnen brengen, belemmeren of de kosten van het beheer onevenredig kunnen doen toenemen. Kans op piping Deze kans is aanwezig bij het aanbrengen van palen. Door zetting van slappe grondlagen kunnen onder de fundering of funderingsbalken holle ruimten ontstaan, waardoor de kans op uitschuring van gronddeeltjes door stromend grondwater toeneemt. De kans daarop wordt versterkt als de grondopbouw wordt verstoord en/of funderingspalen met een verzwaarde voet worden toegepast (waardoor rondom de palen holle ruimte ontstaat). Kans op instabiliteit Het aanbrengen en verwijderen van palen kan de stabiliteit van de waterkering beïnvloeden; de mate waarin is zonder berekeningen echter moeilijk aan te geven. Wel kan gesteld worden dat bij zwaardere, maar (als gevolg van met name windbelasting) ook bij hogere erfafscheidingen, de afname van stabiliteit aanzienlijk kan zijn. Een reductie van deze nadelige effecten kan worden verkregen door de erfscheidingen op voldoende afstand uit de waterkering te plaatsen. Kans op erosie Door doorbreking van de bekleding van de waterkering neemt zeker bij overslag maar ook bij zware regenval de kans op erosie van de kruin en het talud nabij een erfscheidingen toe. Met name bij schuttingen. Dit effect zal nog worden versterkt door de verwachte toename van menselijke activiteiten, zoals grondbewerking in tuinen. Beheer waterkering De aanwezigheid van een erfscheidingen op kruin en/of taluds en/of onderhoudspad werken belemmerend op de mogelijkheden tot beheer en onderhoud van de waterkering. Controle van de afmetingen van de waterkering en inspectie op mogelijk schade kunnen niet goed worden uitgevoerd. Toetsingscriteria Specifiek: Algemeen Afrasteringen mogen niet worden gefundeerd op paalkoppen met een verzwaarde voet. Gaten die zijn ontstaan bij het verwijderen van een erfscheidingen moeten direct volledig worden gevuld met zwelklei of bentoniet voor een blijvende waterdichte afdichting. Specifiek: erfscheiding kernzone Een nieuwe erfafscheiding in de vorm van een schutting wordt niet toegestaan op de kruin en het buitentalud tot 1 meter buiten de teen van de dijk. Een nieuwe erfafscheiding in de vorm van een hek op de kruin en het buitentalud wordt toegestaan mits vergunninghouder onderhoudsplichtige is van de dijk en het hek op een onderhoudsgrens wordt geplaatst. Een nieuwe erfafscheiding in de vorm van een hek of een schutting wordt niet toegestaan op het binnentalud tot 1 meter buiten de teen van de dijk, tenzij er sprake is van een overhoogte ten opzichte van het leggerprofiel, zoals deze in de legger is vastgelegd. Een nieuw hek of een nieuwe schutting meer dan 1 meter buiten de teen van de dijk moet voldoen aan de algemene toetsingscriteria. Een nieuwe afrastering moet voldoen aan de algemene toetsingscriteria. Beleidsregel 2.2.8 Wegmeubilair Toepassingsbereik Deze beleidsregel heeft betrekking op artikel 2.46 van de Waterschapsverordening. Begripsbepaling Wegmeubilair is alle voor het wegbeheer noodzakelijke objecten. In de Waterschapsverordening wordt onderscheid gemaakt tussen: groot wegmeubilair: verkeerslichten, straatverlichting, vangrails, informatieborden met een oppervlakte van meer dan 2 m2, informatiezuilen, waarvan de totale hoogte meer bedraagt dan 4 meter; en, klein meubilair: straatmeubilair, verkeersborden, hectometerpaaltjes, informatieborden met een oppervlakte van niet meer dan 2 m2, waarvan de totale hoogte niet meer bedraagt dan 4 meter. Beoordelingsprofiel: denkbeeldig minimum profiel van gedefinieerde afmetingen dat binnen het werkelijk aanwezig profiel van een dijk moet passen. Dit is vastgelegd in de legger en/of beheerregister. Samenloop In aanvulling op deze beleidsregel, is mogelijk ook de beleidsregel bouwwerken, beleidsregel ontgraven van, ploegen in de bodem en het ophogen van de bodem, de beleidsregel bouwwerken en de beleidsregel kabels en leidingen van toepassing. Motivering Vanuit de maatschappij bestaat de wens om wegmeubilair op of nabij een waterkering aan te brengen dan wel te verwijderen. Wegmeubilair moet goed worden gereguleerd opdat de veiligheid van de waterkeringen nu en in de toekomst niet in gevaar komt. Ook het beheer en onderhoud van de waterkering mogen niet worden belemmerd en niet tot onevenredig hoge kosten voor het waterschap leiden. Functioneren waterkering De waterkering dient zoveel mogelijk vrij te zijn van werken en objecten omdat niet waterkerende objecten of werkzaamheden nabij een waterkering in beginsel het waterkerend vermogen en beheer van de kering in gevaar kunnen brengen, belemmeren of de kosten van het beheer onevenredig kunnen doen toenemen. Kans op piping Deze kans is aanwezig bij palen en dieper dan de afdeklaag gefundeerde objecten. De kans op uitschuring van gronddeeltjes door stromend grondwater neemt toe als de grondopbouw wordt verstoord en/of palen met een verzwaarde voet worden toegepast (waardoor rondom de palen holle ruimte ontstaat). Kans op erosie Door doorbreking van de bekleding van de waterkering neemt zeker bij overslag maar ook bij zware regenval de kans toe op erosie van de kruin en de taluds. Beheer waterkering De aanwezigheid van werken op kruin en/of taluds werken belemmerend op de mogelijkheden tot beheer van de waterkering. Controle van de afmetingen van de waterkering en inspectie op mogelijke schade kunnen niet goed worden uitgevoerd. Door het met grond ophogen van de waterkering (kruin/binnentalud) nabij werken neemt de kans op schade aan de waterkering toe, tenzij bij het ontwerp van het werk en de fundering ervan afdoende op dit risico wordt geanticipeerd. Om doelmatig beheer en onderhoud aan de waterkering uit te kunnen voeren is het van belang dat objecten niet te dicht op elkaar geplaatst worden Toetsingscriteria Specifiek: algemeen Wegmeubilair mag niet worden gefundeerd op paalkoppen met een verzwaarde voet. Gaten die zijn ontstaan bij het verwijderen van wegmeubilair moeten direct volledig worden gevuld met zwelklei of bentoniet voor een blijvende waterdichte afdichting. Specifiek: wegmeubilair in kernzone Aangetoond dient te worden dat het wegmeubilair logischerwijs niet buiten de kernzone kan worden geplaatst. Wegmeubilair wordt in principe niet toegestaan op het buitentalud en op de kruin, binnen 1 meter van de buitenkruinlijn. Wegmeubilair wordt niet toegestaan op het binnentalud tot 1 meter buiten de teen van de dijk, tenzij er sprake is van een overhoogte ten opzichte van het leggerprofiel, zoals deze in de legger is vastgelegd. Bij verwijderen van wegmeubilair mogen geen kale plekken achterblijven en moet een door het waterschap voorgeschreven bekleding worden aangebracht. Voor het funderen van het wegmeubilair mogen alleen gladde palen worden gebruikt. Bij ontgraving voor de verankering van het wegmeubilair, moet minimaal 0,20 meter kleidekking worden aangebracht. De verankering of aangebrachte verbrede paalvoet mag niet dieper dan de afdeklaag worden aangebracht. Specifiek: wegmeubilair in beschermingszone A Het wegmeubilair moet bij voorkeur buiten het beoordelingsprofiel worden aangelegd. Indien het wegmeubilair niet buiten het beoordelingsprofiel kan worden aangebracht, moet met berekeningen worden aangetoond dat het waterkerend vermogen van de waterkering, nu en in de toekomst niet in gevaar komt. Beleidsregel 2.2.9 Beplanting Toepassingsbereik Deze beleidsregel heeft betrekking op artikel 2.53 en 2.55 van de Waterschapsverordening Begripsbepaling In deze beleidsregel wordt onder beplanting verstaan bomen, heesters, struiken en lage beplanting, met uitzondering van gras. Motivering Vanuit de maatschappij bestaat de wens om beplanting op of nabij een waterkering aan te brengen dan wel te verwijderen. Op de waterkering staat vaak beplanting die in het verleden is aangebracht. Beplanting moet goed worden gereguleerd opdat de veiligheid van de waterkeringen nu en in de toekomst niet in gevaar komt. Ook het beheer en onderhoud mogen niet worden belemmerd en niet tot onevenredig hoge kosten voor het waterschap leiden. Het beheer van de waterkering is gericht op het in stand houden van het vastgestelde in stand te houden profiel zoals is omschreven in de omgevingswetlegger Functioneren waterkering De waterkering dient vrij te zijn van diepwortelende of hoog opgaande beplanting, omdat deze in beginsel het waterkerend vermogen en beheer van de kering in gevaar kunnen brengen, belemmeren of de kosten van het beheer onevenredig kunnen doen toenemen. Kans op instabiliteit Als gevolg van het omwaaien van bomen op of in de directe nabijheid van de waterkering, en de daardoor ontstane ontgrondingskuilen kan de stabiliteit van de waterkering verminderen. Door beweging van beplanting kan defrictie ontstaan. Dit kan een negatief effect hebben op de stabiliteit van de waterkering. Afstervende wortels als gevolg van veroudering of na het omhakken van boom of struik veroorzaken holle ruimten waardoor niet controleerbare waterstromingen kunnen ontstaan die ongunstige invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering. Kans op erosie Bij het ontwerpen van de waterkering wordt rekening gehouden met een vooraf vastgesteld en geaccepteerd overslagdebiet bij maatgevende waterstand. Dit houdt in dat zowel het buitentalud als het binnentalud gedurende het optreden van het maatgevend hoogwater bestand moet zijn tegen uitspoeling. Dit kan alleen met een goede, ononderbroken, goed doorwortelde en soortenrijke grasmat waarin geen potentieel storende objecten als bomen, struiken ed. aanwezig zijn. Door de aanwezigheid van beplanting komt de grasmat minder tot ontwikkeling als gevolg van schaduwwerking en bladval. De doorworteling vermindert en hierdoor is de grasmat minder bestand tegen erosie. Door doorbreking van de bekleding van de waterkering neemt zeker bij overslag maar ook bij zware regenval de kans op erosie van de kruin en het talud nabij beplanting toe. Dit effect zal nog worden versterkt door de verwachte toename van menselijke activiteiten, zoals grondbewerking in tuinen. Het onderhoud van de grasmat zal door aanwezigheid van beplanting bemoeilijkt worden. Beheer waterkering De aanwezigheid van beplanting anders dan gras op kruin en/of taluds werken belemmerend op de mogelijkheden tot beheer van de waterkering. Controle van de afmetingen van de waterkering en inspectie op mogelijk schade kunnen niet goed worden uitgevoerd. Toetsingscriteria Specifiek: Algemeen Bij verwijdering dient de beplanting volledig te worden gerooid met inbegrip van de stobben. Hierbij mag niet meer grond worden vergraven of losgemaakt dan strikt noodzakelijk is. Bij verwijdering van beplanting moeten de ontstane gaten gevuld worden met grond met dezelfde samenstelling als op het desbetreffende perceel aanwezig en ook de toplaag moet worden hersteld. Specifiek: Beplanting kernzone en profiel van vrije ruimte Beplanting wordt in principe niet toegestaan op de kruin en het buitentalud. Beplanting wordt niet toegestaan op het binnentalud tenzij er sprake is van een overhoogte ten opzichte van het beoordelingsprofiel, zoals deze in de legger is vastgelegd. Deze overhoogte dient van zodanige afmetingen te zijn dat bij ontworteling het beoordelingsprofiel niet wordt aangetast. De stabiliteit en de erosiebestendigheid van het talud en de kruin moet gewaarborgd blijven en de beworteling moet buiten het beoordelingsprofiel van de waterkering blijven. Beplanting mag vijf meter uit de teen van de dijk worden aangebracht mits er bij ontworteling geen aantasting van het beoordelingsprofiel van de waterkering optreedt en de stabiliteit en de erosiebestendigheid van het talud en de kruin gewaarborgd blijven en de beworteling buiten de kernzone van de waterkering blijft. Specifiek: Beplanting beschermingszone A Beplanting moet vijf meter uit de teen van de dijk worden aangebracht mits er bij ontworteling geen aantasting van het beoordelingsprofiel van de waterkering optreedt, de stabiliteit en de erosiebestendigheid van het talud en de kruin gewaarborgd blijven en de beworteling buiten de kernzone van de waterkering blijft. Beleidsregel 2.2.10 Aanleg en onderhoud wegen, paden, op- en afritten, verhardingen Toepassingsbereik Deze beleidsregel heeft betrekking op artikel 2.10, artikel 2.57 en artikel 2.61 van de Waterschapsverordening Begripsbepaling Onverharde wegen, paden, op- en afritten zijn aangelegd zonder wegcunet (zoals wandelpaden, zandwegen of schelpenpaden). Gesloten verhardingen zijn opgebouwd uit een materiaal dat na het aanbrengen een solide geheel vormt en niet meer op te delen is, zoals asfalt en beton. Bij open verhardingen bestaat het wegdek uit losse elementen, zoals klinkers, stelconplaten of tegels. Onder een op- en afrit wordt verstaan een, ten behoeve van de ontsluiting van een perceel op de openbare weg, aangelegde op- en afrit. Wanneer een object of bouwwerk wordt aangebracht op onroerende zaken van het waterschap zal het object of bouwwerk door natrekking onderdeel worden van deze onroerende zaak. Het beleid van het waterschap bij natrekking staat aangegeven in het eigendommenbeheerbeleid van het waterschap. Samenloop In aanvulling op deze beleidsregel, is mogelijk ook de beleidsregel ontgraven van, ploegen in de bodem en het ophogen van de bodem van toepassing. Motivering Vanuit de maatschappij bestaat de wens om wegen en paden die geen waterkerende functie hebben op waterkeringen te situeren. In het verleden zijn veel wegen en paden op een waterkering aangebracht. Deze werken moeten goed worden gereguleerd opdat de veiligheid van de waterkeringen nu en in de toekomst niet in gevaar komt. Ook het beheer en onderhoud van de waterkering mogen daardoor niet worden belemmerd en ze mogen niet tot onevenredig hoge kosten voor het waterschap leiden. Het beheer van de waterkering is gericht op het in stand houden van het profiel zoals omschreven in de Legger of beheerregister. Uitgangspunt is dat dit profiel niet aangetast mag worden. Op- en afritten kunnen door hun aanwezigheid en het transport hierover invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering. Bovendien zorgen op- en afritten voor een vergroting van het dijklichaam, wat aan de ene kant extra stabiliteit betekent, maar aan de andere kant extra belasting voor het bestaande dijklichaam oplevert. Bovendien kan door de toegankelijkheid van verkeer een aanzienlijke verkeersbelasting ontstaan. Trillingen door verkeer kunnen bij met water verzadigde waterkeringen leiden tot verweking. Het wegcunet en de verharding van een op- en afrit mogen geen nadelige invloed hebben op de dijkbekleding. Op- en afritten kunnen buitendijks door de vorm van aansluiten op de waterkering de stroming van de rivier beïnvloeden. Dit veroorzaakt snellere waterstroming bij de waterkering of juist verzameling van drijfvuil. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor de erosiebestendigheid. Op- en afritten worden veelal voorzien van een verharding. Deze verharding en de aansluiting van deze verharding op de bestaande weg vraagt extra aandacht. Functioneren waterkering De waterkering dient zoveel mogelijk vrij te zijn van wegen, paden, op- en afritten en andere verhardingen, omdat de aanwezigheid en het gebruik ervan in beginsel het waterkerend vermogen en beheer van de kering in gevaar kunnen brengen, belemmeren of de kosten van het beheer onevenredig kunnen doen toenemen. Kans op kwel Bij (half)verharde wegen, paden, op- en afritten en andere verhardingen op waterkeringen bestaat het gevaar dat door het zakken van de relatief poreuze funderingsconstructie van de verharding (veelal zand bij open bestrating en gebroken puin of slakken (een restproduct van de hoogovens) bij een gesloten verharding) de doorlatendheid van de waterkering toeneemt. Dit effect kan bij een starre funderingsconstructie op de relatief slappe ondergrond nog worden versterkt door het ontstaan van onderloopsheid van die constructie. Kans op instabiliteit De verkeersbelasting van wegen en op- en afritten op waterkeringen kan de stabiliteit van de waterkering in negatieve zin beïnvloeden. Kans op erosie Met name het met (vracht)auto’s berijden van de waterkering brengt een vergrote kans op beschadiging van de grasmat direct naast de verharding met zich mee. Kwetsbare plekken zijn met name de bermen en de op- en afritten. De erosiebestendigheid van de bekleding zal daardoor afnemen. Beheer waterkering De aanwezigheid van wegen, paden, op- en afritten en andere verhardingen op de kruin en/of taluds werkt belemmerend op de mogelijkheden tot beheer van de waterkering. Controle van de afmetingen van de waterkering en inspectie op mogelijke schade kunnen niet goed worden uitgevoerd. Daarnaast bestaat er een wisselwerking tussen de belasting door de weg en verzakking van een waterkering, waarbij de onderhoudskosten toenemen. Toetsingscriteria Specifiek: Wegen in kernzone en beschermingszone A Een weg moet op een zodanige wijze worden aangebracht dat er een functiescheiding tussen wegfunctie en waterkerende functie wordt gerealiseerd door: het gehele wegpakket inclusief cunet op de waterkering buiten het beoordelingsprofiel aan te leggen. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de te verwachten zettingen voor primaire keringen 100 jaar, voor regionale keringen 50 jaar en voor overige keringen 10 jaar. Deze benodigde hoogte en breedte van de waterkering is het profiel van vrije ruimte, zoals opgenomen in de omgevingswetlegger; of door bij aanleg binnen het beoordelingsprofiel te zorgen voor een vervangende waterkerende constructie (grond, damwand, etc.). Het ontwerp daarvan moet voldoen aan de vigerende ontwerpvoorwaarden. De wegverharding moet gerealiseerd worden als gesloten verharding met asfaltbekleding of aaneengesloten elementverharding. De wegverharding en het onderliggende cunet moet de verkeersbelasting voldoende spreiden naar het onderliggende dijklichaam. Het gebruik van grof (ongebroken) puin als verharding of cunet is niet toegestaan omdat dit steeds verder het dijklichaam kan binnentreden waardoor het afsluitende kleidek wordt geperforeerd. Met stabiliteits- en zettingsberekeningen moet aangetoond worden dat een weg het waterkerend vermogen niet in gevaar brengt: in de aanlegfase; en in de gebruiksfase inclusief verkeersbelasting; De afwatering van de verharding mag geen negatieve gevolgen hebben op de erosiebestendigheid en stabiliteit van de waterkering. Bermen dienen voldoende beschermd te worden tegen uitwijkend verkeer. Wegen smaller dan 5m moeten aan beide zijden voorzien zijn van betonnen grastegels van 0,40 m breed, die een goede ontwikkeling van de grasmat het minst belemmeren Het beheer van de weg ligt niet bij het waterschap. Dit is in de legger voor waterkeringen opgenomen. Indien nodig wordt de weg privaatrechtelijk gescheiden van de waterkering d.m.v. bijv. een opstalrecht. Specifiek: Onderhoud aan bestaande wegen Het verbeteren, aanpassen of vervangen van een bestaande weg wordt gelijkgesteld aan het aanleggen van een nieuwe weg. Daarom moet voldaan worden aan de criteria onder “Specifiek: Wegen in kernzone en beschermingszone A”. Bij onderhoud aan wegen mag de waterkering niet beroerd worden. Wanneer de onderhoudswerkzaamheden beschadiging van de waterkering tot gevolg hebben dient deze direct te worden hersteld. De aansluitende kleilaag en de grasbekleding naast de weg dienen volledig hersteld te worden. Indien geen functiescheiding van toepassing is conform de eerste criteria uit “Specifiek: Wegen in kernzone en beschermingszone A”, is een maximale verstoring van de wegconstructie tot aan Maatgevend HoogWater (MHW) toelaatbaar. Een diepere verstoring wordt alleen toegestaan als er een kleikist wordt aangebracht. De kleikist moet: minimaal 0,50 meter breed zijn; aan de waterzijde van de weg gelegen zijn; zo diep worden aangelegd dat wordt aangesloten op een slecht doorlatende ondergrond; evenals de bovenkant van de weg, op voldoende kerende hoogte komen te liggen. Specifiek: op- en afritten Algemeen Voor de noodzakelijke ontsluiting van een perceel wordt vergunning verleend voor een op- of afrit waarbij wordt uitgegaan van maximaal één afrit per perceel. In bijzondere gevallen kunnen twee afritten worden toegestaan (bijv. bij percelen die over een lengte van meer dan 250 meter grenzen aan een waterkering). Bovendien geldt dat als redelijkerwijs gebruik gemaakt kan worden van bestaande op- en afritten, al dan niet met een kleine aanpassing daarvan, geen vergunning verleend zal worden voor nieuwe ontsluitingen. Bij splitsing van percelen moet de bestaande ontsluiting gehandhaafd blijven en moet deze voor de opgesplitste delen van het perceel als ontsluiting blijven dienen, tenzij hiervan redelijkerwijs geen gebruik kan worden gemaakt. Specifiek: Op- en afritten in kernzone en beschermingszone A De op- en afritten mogen het onderhoud van de waterkering niet onevenredig belemmeren. De op- en afritten moeten buiten het leggerprofiel van de waterkering aangelegd worden en mogen de stabiliteit niet negatief beïnvloeden. De bekleding van de dijken mag niet worden aangetast door de nieuwe op- en afritten. In gebieden waar door de aanleg van een op- en afrit grote zettingen verwacht worden, zal de initiatiefnemer door middel van berekeningen aan moeten tonen dat de aanleg geen nadelige gevolgen heeft of kan veroorzaken op de waterkering en bijbehorende of inliggende voorzieningen (bijv. kabels en leidingen) en/of belendende percelen. De wegverharding en onderliggende fundering op de op- en afrit moet de verkeersbelasting voldoende spreiden naar het onderliggende grondlichaam en mag geen negatieve invloed hebben op de constructie en functie van de waterkering. De verharding moet op een zandbed worden aangelegd. Onder het zandbed moet grondkerend doek worden aangebracht. De verharding moet goed aangeaard en rondom ingezaaid worden. De verharding inclusief fundering moet op de kleibekleding worden aangebracht. Als de op- en afritten in de waterkering worden aangelegd moet de constructie zodanig opgebouwd zijn dat deze geen schade ondervindt als deze bereden wordt door het gangbaar onderhoudsmaterieel van of namens het waterschap. De breedte, talud helling, bekleding en samenstelling van de op- en afritten dienen in overeenstemming te zijn met de bestemming daarvan. Nieuwe taludhellingen moeten geleidelijk aansluiten op taluds van de waterkering. Het ontwerp is ter beoordeling door het waterschap. De verharding op de op- en afrit dient goed aan te sluiten op de bestaande verharding op de waterkering. Daarbij dient de berm op de kruin van de waterkering beschermd te worden tegen uitwijkend verkeer. Wegen smaller dan 5m moeten aan beide zijden voorzien zijn van grasbeton tegels, van 0,40 m breed, die een goede ontwikkeling van de grasmat het minst belemmeren. Voor op- en afritten op het buitentalud wordt in principe geen vergunning verleend, tenzij de verkeersveiligheid dit nadrukkelijk vereist. Specifiek: Onderhoud aan (bestaande) op- en afritten De eigenaar van het te ontsluiten perceel en/of aangebrachte voorzieningen draagt op zijn kosten zorg voor het onderhoud van de op- of afrit en voorzieningen. Voor het verbeteren, aanpassen of vervangen van een bestaande op- en afrit gelden dezelfde criteria als voor nieuw aan te leggen op- en afritten. Specifiek: op- en afritten in profiel van vrije ruimte Met het ontwerp van de op- en afritten dient rekening te worden gehouden met een toekomstige verhoging van de waterkering. Beleidsregel 2.2.11 Bouwwerken Toepassingsbereik Deze beleidsregel heeft betrekking op artikel 2.63 en 2.65 van de Waterschapsverordening Begripsbepaling Onder een bouwwerk wordt verstaan een door menselijk toedoen ontstane of te maken constructie van enige omvang met toebehoren welke met de bodem is verankerd. Dit betreffen niet-waterkerende (semi) permanente bouwwerken. Verbouw of herbouw van een bestaand bouwwerk buiten het bestaande bouwwerk wordt beschouwd als nieuw gebruik. Motivering Vanuit de maatschappij bestaat de wens om bouwwerken die geen waterkerende functie hebben op waterkeringen te plaatsen. In het verleden zijn veel niet waterkerende bouwwerken op een waterkering aangebracht. Dat kan gaan om een woning, bedrijfsgebouw, transformatorhuis of een brug. Deze bouwwerken moeten goed worden gereguleerd opdat de veiligheid van de waterkeringen nu en in de toekomst niet in gevaar komt. Ook het beheer en onderhoud mogen niet worden belemmerd en niet tot onevenredig hoge kosten voor het waterschap leiden. Het beheer van de waterkering is gericht op het in stand houden van het vastgestelde profiel zoals omschreven in de omgevingswetlegger of beheerregister. Uitgangspunt is dat dit minimum profiel niet aangetast mag worden. Samenloop In aanvulling op deze beleidsregel, is mogelijk ook de beleidsregel ontgraven van, ploegen in de bodem en het ophogen van de bodem en de beleidsregels kabels en leidingen van toepassing. Functioneren waterkering De waterkering dient zoveel mogelijk vrij te zijn van bouwwerken, omdat niet waterkerende bouwweken of daarmee gepaard gaande werkzaamheden nabij een waterkering in beginsel het waterkerend vermogen en beheer van de kering in gevaar kunnen brengen, belemmeren of de kosten van het beheer onevenredig kunnen doen toenemen. Kans op piping Deze kans is aanwezig bij zowel op palen als op staal gefundeerde bebouwing. Door zetting van slappe grondlagen kunnen onder de fundering of funderingsbalken holle ruimten ontstaan, waardoor de kans op uitschuring van gronddeeltjes door stromend grondwater toeneemt. De kans daarop wordt versterkt als de grondopbouw wordt verstoord en/of funderingspalen met een verzwaarde voet worden toegepast (waardoor rondom de palen holle ruimte ontstaat). Kans op instabiliteit Een op staal gefundeerd bouwwerk geeft zijn belasting direct af aan de ondergrond. Deze hogere belasting beïnvloedt de stabiliteit van de waterkering direct; de mate waarin is zonder berekeningen echter moeilijk aan te geven. Wel kan gesteld worden dat bij zwaardere, maar (als gevolg van met name windbelasting) ook bij hogere bouwwerken, de afname van stabiliteit aanzienlijk kan zijn. Een reductie van deze nadelige effecten kan worden verkregen door de bebouwing op voldoende afstand uit de waterkering te plaatsen. Het meest effectief, bij verwachting van instabiliteit als gevolg van hoge windbelasting, is toepassing van een fundering op palen in plaats van een fundering op staal. Kans op erosie Door doorbreking van de bekleding van de waterkering neemt zeker bij overslag maar ook bij zware regenval de kans op erosie van de kruin en het talud nabij bouwwerken toe. Dit effect zal nog worden versterkt door de verwachte toename van menselijke activiteiten, zoals grondbewerking in tuinen. Beheer waterkering De aanwezigheid van bouwwerken op kruin en/of taluds werken belemmerend op de mogelijkheden tot beheer van de waterkering. Controle van de afmetingen van de waterkering en inspectie op mogelijk schade kunnen niet goed worden uitgevoerd. Door het met grond ophogen van de waterkering (kruin/binnentalud) nabij bouwwerken neemt de kans op schade aan de waterkering toe, tenzij bij het ontwerp van het bouwwerk en de fundering ervan afdoende op dit risico wordt geanticipeerd. Vaak moet overgestapt worden naar een aangepaste onderhoudsmethode. Het op hoogte onderhouden van het grondlichaam onder de bebouwing is uiteraard onmogelijk, zowel bij een fundering op staal als een fundering op palen. Hier mag op den duur geen gevaar voor de waterkering uit voortvloeien. Toetsingscriteria Specifiek: Algemeen Bouwwerken mogen niet worden gefundeerd op paalkoppen met een verzwaarde voet. Specifiek: Bouwwerken kernzone Een nieuw bouwwerk is in principe niet toegestaan. Verbouw en herbouw moeten binnen het bestaande bouwoppervlak plaatsvinden. Het bouwwerk moet bij voorkeur buiten het beoordelingsprofiel dan wel het profiel van vrije ruimte, worden aangelegd. Indien het bouwwerk niet buiten het beoordelingsprofiel kan worden aangebracht, moet een vervangende waterkerende constructie worden aangelegd. Het ontwerp moet voldoen aan de vigerende ontwerpvoorwaarden en er moet met berekeningen worden aangetoond dat het waterkerend vermogen van de waterkering in de toekomst niet in gevaar komt. Specifiek: Bouwwerken beschermingszone A Het bouwwerk moet bij voorkeur buiten het beoordelingsprofiel dan wel profiel van vrije ruimte worden aangelegd en er moet met berekeningen worden aangetoond dat het waterkerend vermogen van de waterkering, nu en in de toekomst niet in gevaar komt. Beleidsregel 2.2.12 Kabels en leidingen Toepassingsbereik Deze beleidsregel heeft betrekking op artikel 2.71 en 2.77 van de Waterschapsverordening Begripsbepaling In deze beleidsregel wordt onderscheid gemaakt tussen een de volgende typen roepen kabels en leidingen: Kabel: een elektriciteits-, signaal- en telecommunicatiekabel, inclusief bijbehorende voorzieningen, met uitzondering van de glasvezelkabel omdat deze altijd in een mantelbuis worden gelegd. Glasvezelkabels worden daarom als kleine leiding beoordeeld. Mantelbuis: een korte drukloze leiding ter bescherming van kabels en/of mediumvoerende leidingen, veelal gelegen onder wegen, op- en afritten, bouwwerken of beplanting. Kleine (druk)leidingen: een leiding met een externe diameter tot maximaal 110 millimeter en/of een maximale druk van 10 bar, inclusief bijbehorende voorzieningen. Hieronder vallen onder andere huisaansluitingen voor water en gas, mantelbuizen voor glasvezelkabels en drainageleidingen. Grote (druk)leidingen: een leiding met een externe diameter van meer dan 110 millimeter en/of een druk van meer dan 10 bar, inclusief bijbehorende voorzieningen. Hieronder vallen onder andere hoofdtransportleidingen. Grote (druk)leidingen zijn (vaak) kapitaalintensieve objecten. Daarnaast wordt in deze beleidsregel verstaan onder: Bijbehorende voorzieningen: voorzieningen die noodzakelijk zijn vanuit waterkeringtechnische overwegingen of voor het in goede staat behouden van het kabel- of leidingnet. Dit zijn bijvoorbeeld kwelschermen, kleikisten, appendages voor kathodische bescherming, drukregulatiesystemen en afsluiters. Bodemenergiesysteem: een systeem waarbij door middel van warmtewisselaars energie (waaronder warmte) wordt onttrokken aan het (diepe) grondwater. Samenloop Voor het realiseren van bouwwerken ten behoeve van het functioneren van het kabel- en/of leidingnet (zoals bijvoorbeeld transformatorstations, pompputten, etc.) is de beleidsregel Bouwwerken op waterkeringen (BR 2.11) van toepassing. Motivering Functioneren waterkering De aanleg en de aanwezigheid van kabels en leidingen kan de waterkerende functie van de waterkering aantasten. Het waterschap is daarom terughoudend in het toestaan van kabels en leidingen en bodemenergiesystemen binnen de waterkering en de bijbehorende beschermingszones. Het waterschap hanteert de 'nee, tenzij'-benadering bij het toetsen van deze omgevingsvergunningsaanvragen. Schade aan leidingen komt regelmatig voor. Dit kan grote gevolgen hebben voor de stabiliteit van de waterkering. Schade aan de waterkering door verweking of explosie moet worden voorkomen. Door de leidingen die dit effect kunnen veroorzaken buiten de waterkering of beschermingszone A te leggen, wordt instabiliteit voorkomen. Dit laatste geldt ook voor bodemenergiesystemen. Dijkkruisende kabels en/of leidingen Kruisingen van kabels en/of leidingen met de waterkering verdienen aparte aandacht. Een kabel en/of leiding die de waterkering kruist vermindert de weerstand voor grond- en/of kwelwater. Daarom moeten deze kruisingen zo aangelegd worden, dat het risico van falen (van zowel de waterkering als de kabel en/of leiding) zo klein mogelijk wordt. Toetsingscriteria Specifiek: Algemeen Het ontwerp, de aanleg en het beheer van leidingen in en nabij waterkeringen moet uitgevoerd worden zoals in de NEN 3650-serie
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.