← Nederland

TAM-voorbereidingsbesluit Bodem Haarlemmermeer (Haarlemmermeer)

lege van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer, gelet op: het besluit van de gemeenteraad van 20 april 2023 over adviesrecht, delegatie van bevoegdheden en verplichte participatie onder de Omg

Artikel1

.7Toepassingsbereik 1.Deze paragraaf geldt voor het kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

, als het bodemvolume waarin wordt gegraven 25 m3of minder is. 2.Het kleinschalig graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; het tijdelijk opslaan van grond; en het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op: het graven in de waterbodem; het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel. 4.In deze paragraaf wordt verstaan onder: interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt; en locatie die is beschikt als ernst, geen spoed: locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Artikel1.8Voorafgaand bodemonderzoek 1.Voordat kleinschalig in de bodem gegraven wordt, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2.Als het gaat om het kleinschalig graven in de bodem op een locatie in de openbare weg met uitzondering van de openbare weg binnen de bebouwde kom van zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart, of in een niet-gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart, wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 3.Het tweede lid geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. 4.In afwijking van het tweede lid kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek. In dat geval gelden de regels van paragraaf 22.3.7.2 van het omgevingsplan of paragraaf 1.2.2 van dit voorbereidingsbesluit. 5.Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Artikel1.9Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit 1.Als een verkennend bodemonderzoek is verricht wordt dit samen met het vooronderzoek bodem ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt. 2.Het verkennend bodemonderzoek voldoet aan de eisen voor aanlevering zoals opgenomen in bijlage II bij dit voorbereidingsbesluit en wordt verstrekt in: PDF-formaat; en ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. 3.Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Artikel1.10Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur op een locatie in de openbare weg met uitzondering van de openbare weg binnen de bebouwde kom van zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart, op een locatie die is beschikt als ernst, geen spoed, of op een locatie in een niet-gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart, worden, als sprake is van afvoer van grond, aan het bevoegd gezag, onverwijld na beëindiging van de spoedreparatie gegevens en bescheiden verstrekt over: de begrenzing van de activiteit; de data waarop de activiteit is verricht; en de aanleiding en het doel van de activiteit. Artikel1.11Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De onderzoeken, bedoeld in artikel 1.9 van dit voorbereidingsbesluit, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit. Artikel1.12Grond gescheiden houden 1.Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het kleinschalig graven, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en civieltechnisch scheidbare grondsoorten, zoveel mogelijk gescheiden gehouden. 2.Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen. Artikel1.13Tijdelijk uitnemen van grond 1.Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt na het tijdelijk uitnemen van grond, die grond op of nabij het ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem. 2.In afwijking van het eerste lid wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal. Artikel1.14Geen grond met PFAS terugplaatsen In afwijking van artikel 1.13, eerste lid, van dit voorbereidingsbesluit, wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 59 µg/kg ds bij PFOS; 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 59 µg/kg ds bij overige PFAS. Artikel1.15Tijdelijke opslag van vrijkomende grond Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen. Paragraaf1.2.2Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de

Artikel1

.16Toepassingsbereik 1.Deze paragraaf geldt voor het kleinschalig graven in de bodem, bedoeld in artikel 22.127 van het omgevingsplan. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning, als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties, als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel. 3.In deze paragraaf wordt verstaan onder: interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt; locatie die is beschikt als ernst, geen spoed: locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; en afdeklaag: afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder de voormalige Wet bodembescherming. Artikel1.17Voorafgaand bodemonderzoek 1.Voordat kleinschalig in de bodem gegraven wordt, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2.In aanvulling op het eerste lid wordt als het gaat om het graven in de bodem op een locatie in de openbare weg met uitzondering van de openbare weg binnen de bebouwde kom van zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart, of in een niet-gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart, een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 3.Het tweede lid is niet van toepassing voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. 4.In afwijking van het tweede lid kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek. 5.Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Artikel1.18Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit 1.Artikel 22.128, derde lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, is niet van toepassing als het gaat om kleinschalig graven op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag. 2.Als het gaat om kleinschalig graven op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag, worden ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven ook gegevens en bescheiden verstrekt over de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding, bedoeld in artikel 22.130 van het omgevingsplan, gaan verrichten. Dit geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. 3.Onverwijld na het wijzigen van de gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. 4.Als een verkennend bodemonderzoek is verricht wordt dit samen met het vooronderzoek bodem ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven volgens de eisen voor aanlevering zoals opgenomen in bijlage II bij dit voorbereidingsbesluit aan het bevoegd gezag verstrekt in: PDF-formaat; en ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel1.19Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur op een locatie in de openbare weg met uitzondering van de openbare weg binnen de bebouwde kom van zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart, op een locatie die is beschikt als ernst, geen spoed, of op een locatie in een niet-gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart, worden, als sprake is van afvoer van grond, aan het bevoegd gezag, onverwijld na beëindiging van de activiteit gegevens en bescheiden verstrekt over: de begrenzing van de activiteit; de data waarop de activiteit is verricht; en de aanleiding en het doel van de activiteit. Artikel1.20Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 22.128 van het omgevingsplan of artikel 1.18 van dit voorbereidingsbesluit, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit. Artikel1.21Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk) Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt om de ontgravingslocatie inclusief de opgeslagen partijen grond een hekwerk geplaatst of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden. Artikel1.22Grond gescheiden houden 1.Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het kleinschalig graven, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en civieltechnisch scheidbare grondsoorten, zoveel mogelijk gescheiden gehouden. 2.Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen. Artikel1.23Tijdelijk uitnemen van grond 1.Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt na het tijdelijk uitnemen van grond, die grond in hetzelfde ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem. 2.In afwijking van het eerste lid wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal. Artikel1.24Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen 1.In afwijking van artikel 1.23, eerste lid, van dit voorbereidingsbesluit wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als: een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in tabel 1.24 opgenomen mobiele stoffen; of bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 59 µg/kg ds bij PFOS; 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 2.Het eerste lid, aanhef en onder a geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is uitgevoerd volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden. Tabel 1.24 Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen: Minerale olie Artikel1.25Kwaliteitsborging uitvoeren kleinschalig graven Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt het kleinschalig graven uitgevoerd volgens BRL SIKB 7000, als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag. Paragraaf1.2.3Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

, anders dan kleinschalig graven Artikel1.26Toepassingsbereik 1.Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

als bedoeld in artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2.In deze paragraaf wordt verstaan onder: interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Artikel1.27Voorafgaand bodemonderzoek 1.In aanvulling op artikel 4.1221 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt, als het gaat om het graven in de bodem op een locatie in de openbare weg met uitzondering van de openbare weg binnen de bebouwde kom van zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart of in een niet-gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart, een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 2.Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. Artikel1.28Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit 1.In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag ten minste een week voor het begin van het graven de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.27 van dit voorbereidingsbesluit, verstrekt. 2.Het eerste lid geldt niet als alleen sprake is van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3.De onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de eisen voor aanlevering zoals opgenomen in bijlage II bij dit voorbereidingsbesluit en worden verstrekt in: PDF-formaat; en ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel1.29Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en artikel 1.27 van dit voorbereidingsbesluit, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit. Artikel1.30Grondsoorten gescheiden houden 1.In aanvulling op artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden, met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen, civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden. 2.Gescheiden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen. Artikel1.31Geen grond met PFAS terugplaatsen In afwijking van artikel 4.1222a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 59 µg/kg ds bij PFOS; 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 59 µg/kg ds bij overige PFAS. Paragraaf1.2.4Graven in bodem met een kwaliteit boven de

, anders dan kleinschalig graven Artikel1.32Toepassingsbereik 1.Deze paragraaf geldt voor het graven in bodem met een kwaliteit boven de

, bedoeld in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2.In deze paragraaf wordt verstaan onder: interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Artikel1.33Voorafgaand bodemonderzoek 1.In aanvulling op artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt, als het gaat om het graven in de bodem op een locatie in de openbare weg met uitzondering van de openbare weg binnen de bebouwde kom van zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart of op een locatie in een niet-gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart, een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 2.Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. Artikel1.34Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit 1.In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aan het bevoegd gezag ten minste vier weken voor het begin van het graven het verkennend bodemonderzoek, bedoeld in artikel 1.33 van dit voorbereidingsbesluit, verstrekt. 2.De onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.33 van dit voorbereidingsbesluit, voldoen aan de eisen voor aanlevering zoals opgenomen in bijlage II bij dit voorbereidingsbesluit en worden verstrekt in: PDF-formaat; en ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel1.35Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1225, tweede lid, artikel 4.1226, eerste en tweede lid, en artikel 4.1227, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en artikel 1.33 van dit voorbereidingsbesluit, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit. Artikel1.36Actuele risico’s Als bij het graven sprake is van actuele risico’s door het onverwacht aantreffen van asbest, asbestverdacht materiaal of een andere verontreiniging wordt het bevoegd gezag hierover direct geïnformeerd. Artikel1.37Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk) Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt om de ontgravingslocatie inclusief de opgeslagen partijen grond een hekwerk geplaatst of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden. Artikel1.38Grondsoorten gescheiden houden 1.In aanvulling op artikel 4.1230, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden, met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen, civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden, ook als het licht verontreinigde grond betreft. 2.Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen. Artikel1.39Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen 1.In afwijking van artikel 4.1230a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond na het tijdelijk uitnemen, niet teruggebracht in de bodem als: een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in tabel 1.39 opgenomen mobiele stoffen; of bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 59 µg/kg ds bij PFOS; 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 2.Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is uitgevoerd volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden. Tabel 1.39 Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen: Minerale olie Afdeling 1.3 Saneren Artikel1.40Toepassingsbereik 1.Deze afdeling is van toepassing op het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2.In deze paragraaf wordt verstaan onder: grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en waarde toelaatbare kwaliteit bodem: de waarde, bedoeld in artikel 22.30 van het omgevingsplan, in samenhang met artikel 1.2, derde en vierde lid, van dit voorbereidingsbesluit. gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie: lokale maximale waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie, opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder b, van de Omgevingswet. Artikel1.41Verwijderen verontreiniging met vluchtige stoffen 1.Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem vindt, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, het saneren van de bodem alleen plaats met de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om de aanwezigheid van verontreiniging met vluchtige stoffen boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem op de plek van het gebouw. 2.Onder vluchtige stoffen wordt verstaan de in tabel 1.41 opgenomen vluchtige stoffen. 3.De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 1.44 van dit voorbereidingsbesluit houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag kan toestaan dat de verontreiniging met vluchtige stoffen, bedoeld in het eerste lid, niet volledig wordt verwijderd, als volledige verwijdering van de verontreiniging redelijkerwijs niet kan worden gevraagd door: fysieke belemmeringen in de bodem; of de grote diepte van de verontreiniging. Tabel 1.41 Vluchtige stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) Artikel1.42Geen mobiele verontreiniging herschikken 1.Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1241, vijfde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, grond niet herschikt onder een afdeklaag als: een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in tabel 1.42 opgenomen mobiele stoffen; of bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 59 µg/kg ds bij PFOS; 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 2.Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet worden overschreden voor deze mobiele stoffen. Tabel 1.42 Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen Minerale olie Artikel1.43Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepassen grond Als op de locatie waar de sanering plaatsvindt een gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie geldt wordt in afwijking van artikel 4.1242, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof niet meer voorkomt in een concentratie die hoger is dan die gebiedsspecifieke waarde. Afdeling 1.4 Maatwerk Artikel1.44Maatwerk 1.Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de afdelingen 1.2 en 1.3 van dit voorbereidingsbesluit. 2.Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de afdelingen 1.2 en 1.3 van dit voorbereidingsbesluit. 3.Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op: het beschermen van de gezondheid; het beschermen van de kwaliteit van de bodem; of het doelmatig beheer van afvalstoffen. 4.Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. BIJLAGEIBIJ ARTIKELEN 1.6, 1.8, 1.10, 1.17, 1.19, 1.27 EN 1.33 VAN DIT VOORBEREIDINGSBESLUIT – ZONEKAART GEMEENTE HAARLEMMERMEER BIJLAGEIIBIJ ARTIKELEN 1.6, 1.9, 1.18, 1.28 VAN DIT VOORBEREIDINGSBESLUIT: EISEN AANLEVEREN RESULTATEN BODEMONDERZOEK IN PDF-BESTAND EN XML-BESTAND Het resultaat van een bodemonderzoek wordt als volgt aan het bevoegd gezag aangeleverd: PDF-bestand: digitale rapportage in PDF. Het aan te leveren PDF-bestand bevat slechts 1 bodemrapportage. Zijn er meerdere onderzoeken uitgevoerd, dan betekent dit ook aanlevering van meerdere PDF’s. XML-bestand: Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Het XML-bestand voldoet aan de verplichte velden van de basisdataset SIKB0101, aangevuld met analysedatum bij de analysegegevens. Eén XML-bestand per uitgevoerd bodemonderzoek. XML-bestanden waarbij een van de volgende situaties van toepassing is, voldoen niet: onderzoeksgegevens van één bodemonderzoek die zijn gespreid over meerdere XML-bestanden of; onderzoeksgegevens van meerdere bodemonderzoeken die zijn samengevoegd tot één XML-bestand. Gegevens zijn identiek aan de informatie zoals die in het Pdf-bestand staat vermeld (Alle meetpunten staan op dezelfde plek als op de kaart in PDF); Analyses die in het veld worden uitgevoerd worden zijn onderdeel van het XML-bestand. Bijvoorbeeld XRF-analyses voor lood; Het XML-bestand bevat zowel de data van het veldwerk als de basisdataset onderzoeksgegevens en is minimaal gevuld met de gegevens uit volgende tabel: Tabel met minimale dataset XML-bestand Onderdeel Gegevens per onderdeel Rapportgegevens rapportnaam: straat + huisnummer + plaatsnaam bijv. Stationsweg 1, Hoofddorp type onderzoek; aanleiding, conclusie en vervolg; naam adviesbureau; rapportnummer; rapportdatum; naam laboratorium. Meetpuntgegevens boringnaam; boringtype; bodemlaag; einddiepte boring in meter; grondwaterstand in meter; filter: - filternaam; filterdiepte (diepte bovenkant en diepte onderkant in meter); X en Y en Z coördinaten (in meter t.o.v. NAP). Monstergegevens veldmonster (volledig); analysemonster (volledig); naam (meng)monster; monstertype (bodem/sediment/asfalt/verharding); (meng)monstersamenstelling; (meng)monsterdiepte (diepte bovenkant en diepte onderkant in meter). Analysegegevens component; analyseresultaat; eenheid analyseresultaat; referentiewaarde (meetwaarde, detectielimiet, etc.); analysedatum; Eventuele opmerkingen of toelichting in een aantekeningenveld Bijvoorbeeld over geurwaarnemingen, vervolgtraject, aanbevelingen, enz. Koppeling mengmonsters aan geo-referentie van de meetpunten Voor alle mengmonsters geldt dat alle analyseresultaten gekoppeld zijn aan de veldmonsters (in meter t.o.v. NAP) waaruit het mengmonster is samengesteld. Dat geldt ook voor asbest. De contour van het onderzoeksgebied Geografische contour van het onderzoeksgebied (met X en Y- coördinaten). Opmerking: Bij een riool- of wegtracé bestaat de contour enkel uit de grenzen van het riool- of wegtracé. Hierdoor wordt voorkomen dat naastgelegen woningen en/of terreinen onterecht bij het onderzoek worden gerekend. BIJLAGE IIITEKENING BODEM Toelichting Algemene toelichting Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet ontstaat van rechtswege een tijdelijk omgevingsplan voor de gemeente Haarlemmermeer. Dit omgevingsplan bevat onder meer de bruidsschat: regels over onderwerpen die op dit moment nog bij het rijk liggen, maar onder de Omgevingswet bij de gemeente komen te liggen. Vanwege het vervallen van de Wet bodembescherming en het overhevelen van bodemtaken naar alle gemeenten, bevat de bruidsschat diverse regels over bodemgerelateerde activiteiten. De regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan komen op een aantal punten niet overeen met de (beleids)regels zoals deze zijn vastgelegd in de voormalige gemeentelijke Nota bodembeheer en het provinciale saneringsbeleid. Om zo beleidsneutraal mogelijk over te gaan bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn beleidsneutrale aanvullende bodemregels opgesteld (hierna: aanvullende bodemregels). Dit zijn maatwerkregels en omgezette bruidsschatregels die in het omgevingsplan worden opgenomen. Hierbij wordt rekening gehouden met de verbeterdoelen van de Omgevingswet. Als de aanvullende bodemregels niet van kracht worden op het moment van het inwerking treden van de Omgevingswet leidt dit tot 3 verschillende, elkaar opvolgende, juridische regimes: Het voormalige regime onder de Wet Bodembescherming, de Nota bodembeheer en het provinciale saneringsbeleid; Het regime van de rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving en het tijdelijke omgevingsplan, vanaf ingangsdatum Omgevingswet (niet beleidsneutraal); Het regime van de rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving en het nieuwe deel van het omgevingsplan waarin de aanvullende bodemregels via een reguliere aanpassing terecht zijn gekomen (beleidsneutraal). Jojo-beleid is ongewenst voor initiatiefnemers omdat de praktische uitvoerbaarheid en planningen van projecten in de knel kunnen komen. Ook zal dit consequenties hebben voor de VTH-processen en voor de gezondheid en het milieu, die onvoldoende beschermd zijn met alleen de rijksregels en de bruidsschat. Zo zijn er door het rijk geen interventiewaarden voor PFAS vastgesteld, en is de interventiewaarde voor lood niet in de lijn met de laatste wetenschappelijke inzichten van RIVM en GGD. Hierdoor kan bij het bouwen van bijvoorbeeld een woning met tuin een ongezonde situatie ontstaan, als er geen aanvullende regels worden gesteld voor PFAS en lood. Om de bestaande praktijk bij inwerkingtreding van de Omgevingswet te kunnen voortzetten (zo beleidsneutraal mogelijk, maar wel passend binnen de verbeterdoelen van de Omgevingswet) wil de gemeente Haarlemmermeer zo snel mogelijk de aanvullende bodemregels laten gelden. De snelste manier is het nemen van dit voorbereidingsbesluit, waarmee vooruitlopend op een reguliere wijziging van het omgevingsplan alvast aanvullende eisen aan activiteiten kunnen worden gesteld. Dit voorbereidingsbesluit wijzigt het omgevingsplan met voorbeschermingsregels en treedt tegelijk met de Omgevingswet in werking. Als in de artikelen en de toelichting wordt gesproken van ‘het omgevingsplan’, wordt gedoeld op het omgevingsplan zelf, en niet op dit voorbereidingsbesluit. Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels bodem Artikel 1.0 Begripsbepalingen In dit artikel wordt omschreven wat wordt verstaan onder een zone van de Bodemkwaliteitskaart. De Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Haarlemmermeer is op 8 mei 2020 vastgesteld door de gemeenteraad en geeft de gemiddelde bodemkwaliteit weer. De zonekaart van de Bodemkwaliteitskaart zoals die luidde op 1 september 2023 is in bijlage I bij dit voorbereidingsbesluit opgenomen. Op de zonekaart zijn gebieden in genummerde zones ingedeeld. In dit voorbereidingsbesluit wordt verwezen naar deze zones. Er zijn ook gebieden die op de zonekaart niet zijn ingedeeld in zones omdat er te weinig gegevens beschikbaar zijn over de bodemkwaliteit. Ook naar deze niet-gezoneerde gebieden wordt verwezen in dit voorbereidingsbesluit. Afdeling 1.1 Bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie Artikel 1.1 Uitbreiding begrip sanerende of andere beschermende maatregel Saneren van de bodem is geregeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij het saneren volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving gelden ook de maatwerkregels van afdeling 1.3 van dit voorbereidingsbesluit die van de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving afwijken, of deze aanvullen. Voor de toepassing van deze afdeling wordt een sanering onder het oude recht hiermee gelijkgesteld, mits een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt waarmee gezondheidsrisico’s voor de gebruikers voldoende worden weggenomen. Het overgangsrecht voor saneringen staat in artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem. Volgens dat artikel blijven de Wet bodembescherming en het Besluit uniforme saneringen van toepassing op saneringen als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet: een besluit is genomen dat spoedige sanering noodzakelijk is; een (deel)saneringsplan Wet bodembescherming is ingediend; of een melding is gedaan volgens het Besluit uniforme saneringen. Met een sanering onder het overgangsrecht kan een vergelijkbaar resultaat worden behaald als met een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Zowel een sanering onder het Besluit activiteiten leefomgeving als onder het overgangsrecht is erop gericht dat de gebruikers van het gebouw geen ontoelaatbare schadelijke gezondheidseffecten ondervinden door een verontreiniging van de bodem. Artikel 1.2 Afwijkende en aanvullende beoordelingsregels met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie Eerste lid: Om de vergunning te kunnen verlenen moet bij overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem aannemelijk worden gemaakt dat een sanering als bedoeld in artikel 1.1 van dit voorbereidingsbesluit wordt uitgevoerd. Dit is een sanering volgens de regels onder de Omgevingswet, of een sanering onder het overgangsrecht. Zie verder de toelichting bij artikel 1.1 en artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder b van dit voorbereidingsbesluit. Tweede lid: In artikel 2.4, vierde lid van de Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023 is opgenomen dat aan de omgevingsvergunning voor bouwen (van een bodemgevoelig gebouw) voorschriften kunnen worden verbonden om de bodem alsnog geschikt te maken. Om een grondslag voor een dergelijk voorschrift in het omgevingsplan te creëren is dit tweede lid opgenomen. Volgens onderdeel 1° van het tweede lid kan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie alleen worden verleend als het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is (anders dan bedoeld in het eerste lid) die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw. Als er wel verontreiniging in de bodem aanwezig is (anders dan bedoeld in het eerste lid) die schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de gebruikers van het gebouw maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel kan de omgevingsvergunning volgens onderdeel 2° ook worden verleend. De maatregelen staan in artikel 1.5, eerste lid, van dit voorbereidingsbesluit genoemd. Het tweede lid werkt als een vangnet voor niet-genormeerde stoffen. Derde lid: In artikel 22. 30, derde lid van dit omgevingsplan is bepaald dat de grens van 25 m3 uit artikel 22.30, tweede lid, niet geldt voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen. Hetzelfde geldt voor de stof lood, met name als er contactmogelijkheden zijn voor jonge kinderen. Dit is echter niet geregeld in artikel 22.30 van dit omgevingsplan. Gelet hierop is voor de stof lood voor tuinen of andere buitenruimtes bij een woning, kinderdagverblijf of school - dit zijn immers plaatsen waar kinderen spelen een aanvullende uitzondering opgenomen op het volumecriterium van 25 m3, zodat deze kwetsbare bodemfuncties beter beschermd worden. Vierde lid: In het vierde lid zijn voor verschillende bodemgevoelige gebruiksfuncties waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor de stoffen lood en PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen) vastgesteld. In afwijking van het uitgangspunt in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving (voetnoot 1), wordt hierbij uitgegaan van de gemeten waarde, zonder dat een bodemtypecorrectie wordt toegepast. Het vierde lid is noodzakelijk vanwege mogelijke schadelijke gezondheidseffecten bij blootstelling aan lood, met name bij jonge kinderen. Gebleken is dat blootstelling aan lood nog schadelijker is voor de gezondheid dan eerst werd gedacht, met name voor jonge kinderen. Naar aanleiding van een EFSA-advies (European Food and Safety Authority) heeft het RIVM een rapport opgesteld. De GGD heeft op basis hiervan gezondheidskundige advieswaarden afgeleid. De gemeente volgt het advies van het RIVM en de GGD op locaties waar verwacht wordt dat kinderen vaak in aanraking kunnen komen met de bodem (zoals een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school), en hanteert een afwijkende waarde voor lood gehanteerd op basis van de risicowaardes van het RIVM en de GGD. In afwijking van het uitgangspunt in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt hierbij uitgegaan van de gemeten waarde, zonder dat een bodemtypecorrectie wordt toegepast. Voor het toetsen of sprake is van gezondheidsrisico’s kan het beste van de gemeten waarde wordt uitgegaan. Dit is in lijn met het advies van de GGD over lood. Bij een bodemgevoelige gebruiksfunctie waar geen contact met de bodem door jonge kinderen voor de hand ligt, zoals winkels of kantoren met eventuele buitenruimte of tuin, wordt de interventiewaarde aangehouden conform bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. De schadelijkheid en aanwezigheid van PFAS is de laatste jaren uitdrukkelijk naar voren gekomen. Maar voor PFAS zijn landelijk nog geen interventiewaarden vastgesteld. Om gezondheidsrisico’s te voorkomen en de bodem te beschermen, zijn daarom in het vierde lid waarden vastgesteld op basis van inzichten van het RIVM die zijn vastgelegd in Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV's) voor onder andere PFOS en PFOA. PFOS en PFOA zijn veel voorkomende stoffen uit de PFAS-groep. Er kunnen echter ook verontreinigingen in de bodem aanwezig zijn met andere PFAS. Het RIVM heeft berekend wat de concentratie van onder andere PFOS en PFOA in de bodem mag zijn, waarbij geen ontoelaatbaar negatief gezondheidseffect te verwachten is (het Maximaal Toelaatbaar Risico, MTR) en deze waarden zijn gebruikt voor de INEV’s. De INEV voor perfluoroctaansulfonaten (PFOS) in grond is vastgesteld op 59 µg/kg ds en voor Perfluoroctaanzuur (PFOA) op 60 µg/kg ds. De gemeente heeft de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen gelijkgesteld aan deze INEV’s. Voor overige PFAS hanteert de gemeente dezelfde waarde als voor PFOS. Voor mengsels van PFAS wordt aangesloten bij de waarde voor PFOA. Artikel 1.3 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: uitvoering sanering Aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw die is verleend terwijl de bodem verontreinigd is boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem, wordt ook het voorschrift verbonden dat voorafgaand aan de ingebruikname van het bodemgevoelige gebouw, een sanering van de bodem is uitgevoerd. Dit artikel is opgenomen om te waarborgen dat bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem de sanering ook daadwerkelijk plaatsvindt. Hierdoor zijn er handhavingsmogelijkheden als tijdens de bouw bijvoorbeeld geen dampdichte vloer of geen mechanische ventilatie wordt gerealiseerd (bouwkundige maatregelen die onderdeel kunnen uitmaken van een sanering). Hiermee is het ook mogelijk om tijdens de bouw te handhaven, in plaats van alleen nadat er gebouwd is. Dit artikel geeft invulling aan artikel 5.89k van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 1.4 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: informatieplicht uitvoering sanering Aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw die is verleend terwijl de bodem verontreinigd is boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem, wordt ook het voorschrift verbonden dat voorafgaand aan de ingebruikname van het bodemgevoelige gebouw het bevoegd gezag een week voor ingebruikname wordt geïnformeerd over de wijze waarop de sanering is uitgevoerd. De termijn van een week geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om voldoende en tijdig toezicht te houden en om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat de bodem of het gebouw geschikt is gemaakt voor het bodemgevoelige gebruik. Dit artikel geeft invulling aan artikel 5.89m van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de activiteit bodemsanering (artikel 4.1246). De initiatiefnemer kan in één keer aan beide informatieplichten voldoen. De termijn van een week is een aanvulling op artikel 22.31 van dit omgevingsplan. Artikel 1.5 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: geschikt maken van de bodem Eerste lid: Als sprake is van een bodemverontreiniging met niet-genormeerde stoffen die ongewenste gezondheidseffecten kunnen hebben, kan het bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden waarin een of meer maatregelen verplicht worden gesteld met het oog op het alsnog geschikt maken van de bodem of het gebouw. Deze maatregelen voorkomen dat gebruikers van het gebouw aan een ongezonde situatie worden blootgesteld en zijn vergelijkbaar met de saneringsmaatregelen genoemd in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Tweede lid: In dit lid is de verplichting voor de initiatiefnemer opgenomen om minimaal een week voor ingebruikname van (een deel van) het bodemgevoelige gebouw de gemeente te informeren op welke manier de maatregelen (als bedoeld in het eerste lid) zijn genomen. Artikel 1.6 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie Dit artikel bevat, in aanvulling en afwijking van artikel 22.35, onder j, van dit omgevingsplan, de aanvraagvereisten die specifiek verband houden met de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De aanvraagvereisten in dit artikel zijn aanvullend op de aanvraagvereisten in afdeling 7.2 van de Omgevingsregeling. Met dit artikel is een beleidsneutrale voortzetting beoogd van de regels over bouwen van een bodemgevoelig gebouw in artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023. Eerste lid, onder a: Volgens artikel 5.89ka van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het verplicht om in het omgevingsplan te eisen dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw bodemonderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden verstrekt. Daarom verplicht dit onderdeel om bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij de aanvraag in te dienen. Het bodemonderzoek is nodig om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden. Er kan ook sprake zijn van niet-genormeerde stoffen, waarvoor wel een detectiegrens is bepaald, maar geen interventiewaarde. Eerste lid, onder b: Als sprake is van overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem moeten ook gegevens en bescheiden worden verstrekt die aannemelijk maken dat een sanering zal plaatsvinden. Dat kan bijvoorbeeld een melding zijn als bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een ingediend saneringsplan onder de Wet bodembescherming, of een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, of andere documentatie die aannemelijk maakt dat een sanerende maatregel in voorbereiding is en zal worden uitgevoerd. Tweede lid: In de bodem kan zich bodemvreemd materiaal bevinden. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal (juridisch is dan geen sprake van bodem), wordt gebruik gemaakt van andere onderzoekrichtlijnen dan bij bodem met minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat wordt de bodem onderzocht met een asbestonderzoek volgens NEN 5707 als sprake is van minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal vindt een asbestonderzoek plaats volgens NEN 5897. Derde lid: Voordat de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt uitgevoerd, wordt eerst onderzocht of de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd, verdacht is op het voorkomen van een specifieke bodemverontreiniging. Hiertoe wordt een zogenoemd vooronderzoek bodem verricht. Het uitgangspunt van het Besluit activiteiten leefomgeving is dat als uit het uitgevoerde vooronderzoek bodem een verdenking naar voren komt op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem, een verkennend bodemonderzoek (en eventueel een asbestonderzoek) moet worden uitgevoerd. Met een specifieke verontreiniging wordt een verontreiniging bedoeld die is veroorzaakt door een puntbron, bijvoorbeeld een lekkage bij een bedrijf. Naast specifieke verontreinigingen kunnen er ook diffuse verontreinigingen aanwezig zijn, die niet zijn te relateren aan een puntbron. In dit lid is opgenomen dat bij het uitvoeren van de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie het verplicht is om in bepaalde gebieden een verkennend bodemonderzoek uit te voeren, ook als uit het vooronderzoek bodem geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging naar voren komt. Dit is een voortzetting van het bepaalde in de Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023 over bodemonderzoek bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw. Vierde lid: De verplichting om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren zoals opgenomen in het derde lid, ook als uit het vooronderzoek bodem geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging volgt, geldt niet bij tijdelijke bouwwerken, waarbij er geen of nauwelijks verdenkingen zijn van een specifieke verontreiniging op basis van het vooronderzoek bodem. Onder een tijdelijk bouwwerk wordt volgens bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving een bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 15 jaar op dezelfde locatie verstaan. Vijfde lid: De resultaten van de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden verstrekt in een digitaal (PDF-) bestand (het gehele bodemonderzoeksrapport) en een XML-bestandsformaat met (meet)gegevens over de bodem. Een bestandsformaat XML (SIKB0101) is de standaard voor de bodembranche. Hiermee kunnen de resultaten van het bodemonderzoek, na beoordeling, geautomatiseerd en dus snel worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en zijn daarmee snel door iedereen online te raadplegen. Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor de verdere eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten bijlage II bij dit voorbereidingsbesluit. Afdeling 1.2 Graven Paragraaf 1.2.1 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

Artikel 1

.7 Toepassingsbereik Eerste lid: Deze paragraaf gaat over de activiteit kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

. In dit omgevingsplan zijn geen regels opgenomen over kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

. Dit voorbereidingsbesluit voegt regels hierover toe. Onder kleinschalig graven wordt verstaan: het graven in maximaal 25m3 bodemvolume. In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn alleen regels opgenomen over graven in een bodemvolume van meer dan 25m3. Bij (kleinschalig) graven kan sprake zijn van het tijdelijk uitnemen en na afloop weer terugplaatsen van grond, maar ook van afvoer van grond naar elders. Het doel van de regels in deze paragraaf is het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het vermengen van partijen grond met verschillende kwaliteitsklassen en grondsoorten. In deze paragraaf worden regels aan de activiteit verbonden die een minimale belasting voor de initiatiefnemer met zich meebrengen in relatie tot de verwachte beperkte milieu-impact van de activiteit. Bij het stellen van regels is aansluiting gezocht bij de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving over graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

in een bodemvolume van meer dan 25m3 (zie paragraaf 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de toelichting daarop). Het is in de meeste gevallen niet goed uit te leggen dat bij het ontgraven van 26 m3 (geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving) het wel van belang is om bepaalde regels te hanteren en bij 24 m3 (kleinschalig graven) niet, zoals regels over het gescheiden houden van kwaliteitsklassen en grondsoorten. Het onderzoek bij kleinschalig graven zal vaker beperkt kunnen blijven tot een vereenvoudigd vooronderzoek bodem en graafwerkzaamheden zonder afvoer van grond in een tuin bij een woning en overige kleine graafwerkzaamheden tot 1 m3 zijn uitgezonderd van de regels voor kleinschalig graven. Zie hiervoor de toelichting op het derde lid, onderdelen b en c. Tweede lid: De aangewezen activiteit omvat ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie, het tijdelijk opslaan en het terugplaatsen van grond na afloop van het tijdelijk uitnemen. Met zeven wordt veelal puin uit de grond gehaald waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of elders wordt toegepast. Dit zeven is niet gericht op kwaliteitsverbetering en wordt bij deze activiteit niet beschouwd als bewerking. Andere bewerkingen van grond vallen onder de milieubelastende activiteit grondbank of grondreinigingsbedrijf, aangewezen in artikel 3.178, eerste lid, onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving. Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond. Bemalen dat nodig is voor het graven valt niet onder de milieubelastende activiteit, maar is een wateractiviteit (geregeld in de waterschapsverordening). Derde lid, onder a: In het derde lid is aangegeven dat het uitvoeren van de activiteit zich niet uitstrekt tot graven in de waterbodem. Hiermee wordt bedoeld dat deze activiteit zich beperkt tot de landbodem. Onder waterbodem wordt verstaan de bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer bij het Rijk of het waterschap berust. De regels voor de activiteit gelden wel voor voormalige droge oevergebieden, die als term/aanduiding niet meer terugkomen onder de Omgevingswet. Derde lid, onder b en c: In de onderdelen b en c worden nog meer handelingen genoemd waarvoor de regels voor de activiteit niet gelden. Het gaat om graafwerk (tot een maximum van 25 m3) dat in een tuin bij een woning zonder afvoer van grond wordt uitgevoerd. Grond mag op of vlak bij het ontgravingsprofiel worden teruggeplaatst. Als het gaat om graven in een tuin betekent dit dat de grond in de tuin blijft. Het gaat ook om zeer kleine graafwerkjes van minder dan 1 m3 zonder afvoer van grond (zoals bijvoorbeeld voor het herstelwerk van het trottoir of het plaatsen van straatmeubilair). Bij deze graafwerkzaamheden is de moeite van het uitvoeren van een (vereenvoudigd) vooronderzoek bodem te groot voor de risico’s van het graafwerk. De regels voor kleinschalig graven gelden dus niet voor de hier genoemde uitzonderingen. De algemene zorgplicht van artikel 1.7 Omgevingswet is wel van toepassing. Vierde lid, onder a: De

is opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. De

geeft aan wanneer de functionele eigenschappen van de bodem voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd, als gevolg van verontreiniging van de bodem. Bij een kwaliteit boven de

gaat het om sterk verontreinigde grond. Bij een kwaliteit onder of gelijk aan de

is sprake van niet-sterk verontreinigde grond. Vierde lid, onder b: Hier is aangegeven wat onder het begrip «grond» wordt verstaan in deze paragraaf. Het begrip wordt gebruikt in de betekenis die ze heeft in het Besluit bodemkwaliteit. Grond wordt in het Besluit bodemkwaliteit gedefinieerd als vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter en ten hoogste 20% bodemvreemd materiaal, niet zijnde baggerspecie. Vierde lid, onder c: Onder partij wordt in deze paragraaf verstaan een hoeveelheid (bodem)materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Hoewel in artikel 1, tweede en derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit een uitleg wordt gegeven wat in dat besluit en daarop berustende bepalingen als een partij moet worden aangemerkt, moet verder worden gekeken dan dat artikel. In de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit zijn onder andere bepalingen opgenomen over het samenvoegen en splitsen van partijen, deze moeten ook worden meegenomen in de afweging of van een partij sprake is. In de toelichting bij artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit is nader aangegeven wat onder partij wordt verstaan. Daarin zijn ook voorbeelden opgenomen. Vierde lid, onder d: Op grond van de voormalige Wet bodembescherming is voor sommige locaties een zogenaamde ernst, geen spoed-beschikking vastgesteld. Een dergelijke beschikking betekent dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (met sterk verontreinigde grond en eventueel sterk verontreinigd grondwater), maar dat spoedige sanering niet nodig is. De sanering kan op een natuurlijk moment plaatsvinden, bijvoorbeeld bij herontwikkeling van de locatie. Artikel 1.8 Voorafgaand bodemonderzoek Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de regels over het voorafgaand onderzoek bodem zoals opgenomen in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving ook gelden voor de activiteit kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

. Het gaat in eerste instantie om het verrichten van een vooronderzoek bodem (artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving). In de meeste gevallen is een vooronderzoek bodem voldoende. Afhankelijk van de uitkomsten van het vooronderzoek bodem kan het verrichten van verkennend bodemonderzoek (artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving) of een verkennend bodemonderzoek asbest (artikel 5.7c van het Besluit activiteiten leefomgeving) als vervolgstap nodig zijn. Het is belangrijk dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het uitvoeren van het graven kennis heeft van de bodemkwaliteit. Zonder die kennis is het niet mogelijk om grond van verschillende kwaliteiten te herkennen en gescheiden te ontgraven en bestaat het gevaar dat verontreinigde grond zich kan verspreiden. Tweede lid: Volgens het Besluit activiteiten leefomgeving wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd als op grond van het uitgevoerde vooronderzoek bodem een verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. In het Besluit activiteiten leefomgeving wordt ten opzichte van het oude recht (de Wet bodembescherming) eerder afgezien van het verkennend bodemonderzoek. Voor sommige gebieden binnen de gemeente Haarlemmermeer is dit ongewenst. In dit lid is daarom opgenomen dat bij het uitvoeren van de activiteit binnen bepaalde gebieden in Haarlemmermeer verplicht is om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren, ook als uit het vooronderzoek bodem geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging volgt. Het gaat om de volgende gebieden: De openbare weg behalve de openbare weg binnen de bebouwde kom van zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart is niet opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Om deze reden kan geen betrouwbare uitspraak worden gedaan over de te verwachten bodemkwaliteit op de graaflocatie. Daarom is voor het ontgraven van grond in dit gebied een verkennend bodemonderzoek verplicht gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de

, of de regels over kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

van toepassing zijn. Sommige gebieden weergegeven op de Bodemkwaliteitskaart zijn niet gezoneerd (zie de zonekaart in bijlage I) vanwege het ontbreken van (representatieve) informatie over de bodemkwaliteit. Dit is de reden waarom een verkennend bodemonderzoek verplicht wordt gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de

, of de regels over kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

van toepassing zijn. Derde lid: Een verkennend bodemonderzoek is niet nodig als het bevoegd gezag al over voldoende informatie beschikt. Het moet hierbij gaan om recente en voor de graaflocatie relevante (representatieve) onderzoeksresultaten. In het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet gemeente Haarlemmermeer is dit nader uitgewerkt. In het uitgevoerde vooronderzoek bodem worden deze onderzoeksresultaten beschreven. Vierde lid: Om een initiatiefnemer niet onnodig te belasten met het doen van onderzoek bij kleinschalig grondverzet, kan een initiatiefnemer ervoor kiezen om in de in het tweede lid genoemde gebieden geen verkennend bodemonderzoek uit te voeren. In het geval een initiatiefnemer hiervoor kiest, moet bij het uitvoeren van de activiteit aan de regels voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de

worden voldaan. Vijfde lid: Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur ontbreekt over het algemeen de tijd om een voorafgaand bodemonderzoek uit te voeren. Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur moet gedacht worden aan het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen in geval van lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Bij een dergelijke spoedreparatie is het niet redelijk en ook vaak niet mogelijk om vooraf een bodemonderzoek uit te voeren. Op het uitvoeren van spoedreparaties is wel de specifieke zorgplicht van artikel 22.44 van dit omgevingsplan van toepassing. Deze zorgplicht betekent dat van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is – of visueel eenvoudig is vast te stellen – dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, moeten de verschillende lagen voorzichtigheidshalve gescheiden worden gehouden. Artikel 1.9 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit Eerste lid: Of het nodig is om een verkennend of nader bodemonderzoek (asbest) uit te voeren in aanvulling op het vooronderzoek bodem volgt uit artikel 1.8, eerste en tweede lid van dit voorbereidingsbesluit. Als een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd wordt dit, samen met het vooronderzoek bodem, ten minste één week voor het begin van de activiteit verstrekt aan het bevoegd gezag. De gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag door de opdrachtgever, de uitvoerend aannemer of een derde zoals een adviseur of directievoerder, betrokken bij het project. Tweede lid: De resultaten van het verkennend bodemonderzoek worden verstrekt in een digitaal (PDF-) bestand (het gehele bodemonderzoeksrapport) en een XML-bestandsformaat met (meet)gegevens over de bodem. Een bestandsformaat XML (volgens uitwisselingsformaat SIKB0101) is de standaard voor de bodembranche. Hiermee kunnen de resultaten van het bodemonderzoek, na beoordeling, geautomatiseerd en dus snel worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en zijn daardoor snel door iedereen online te raadplegen. Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor de verdere eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten bijlage II bij dit voorbereidingsbesluit. Derde lid: Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur is het niet vaak niet redelijk en ook niet mogelijk om vooraf een bodemonderzoek uit te voeren. Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur moet gedacht worden aan het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen in geval van lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). In deze gevallen is zowel het uitvoeren van een bodemonderzoek als het indienen van de benodigde gegevens en bescheiden voorafgaand aan de graafactiviteiten niet nodig. Op het uitvoeren van spoedreparaties is wel de specifieke zorgplicht van artikel 22.44 van dit omgevingsplan van toepassing. Deze zorgplicht betekent dat van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is – of visueel eenvoudig is vast te stellen – dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, moeten de verschillende lagen voorzichtigheidshalve gescheiden worden gehouden. Artikel 1.10 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur In dit artikel is de verplichting opgenomen om na een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur op een locatie in een niet-gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart of in de openbare weg behalve de openbare weg binnen de bebouwde kom van zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart, informatie over de uitgevoerde graafwerkzaamheden te verstrekken als sprake is van afvoer van grond. Het kan hierbij immers gaan om het afvoeren van sterk verontreinigde grond, waarop toezicht gewenst is. Het verstrekken van gegevens en bescheiden over de uitgevoerde werkzaamheden als sprake is van afvoer van grond, is ook verplicht in gevallen waarin op grond van de voormalige Wet bodembescherming een zogenaamde ernst, geen spoed-beschikking is verleend. Een dergelijke beschikking betekent dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, maar dat spoedige sanering niet nodig is. De sanering kan op een natuurlijk moment plaatsvinden, bijvoorbeeld bij herontwikkeling van de locatie. De gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag door de opdrachtgever, de uitvoerend aannemer of een derde zoals een adviseur of directievoerder, betrokken bij het project. In het artikel is aangegeven welke gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt. De gegevens en bescheiden bevatten een omschrijving van de werkzaamheden, zoals de begrenzing van de activiteit (in horizontale en verticale richting), de data waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd en de aanleiding en het doel van de werkzaamheden. Artikel 1.11 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie Bodemwerkzaamheden vinden niet steeds op een vaste locatie plaats, maar op wisselende locaties. Ook zijn de werkzaamheden vaak kortdurend. Er kan aan meerdere informatie- of meldplichten voor het uitvoeren van verschillende activiteiten zijn voldaan op één perceel. Het is dan niet altijd duidelijk onder welke informatie- of meldplicht de aannemer werkzaamheden uitvoert. Dat maakt het houden van toezicht lastig. Daarom is in dit artikel een plicht opgenomen om gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.9 van dit voorbereidingsbesluit, op locatie beschikbaar te hebben. Artikel 1.9, tweede lid, onder b van dit voorbereidingsbesluit over het verstrekken van de resultaten van een verkennend bodemonderzoek in XML-format (SIKB0101) geldt niet voor het beschikbaar hebben van onderzoeksgegevens op de locatie. Een digitaal (PDF-)bestand van het bodemonderzoeksrapport of een geprint exemplaar van het bodemonderzoeksrapport op locatie is voldoende. Artikel 1.12 Grond gescheiden houden Dit artikel bepaalt dat partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten gescheiden worden gehouden. Soms zal het gescheiden houden op basis van het (voor)onderzoek kunnen plaatsvinden. Bijvoorbeeld men graaft in verschillende te onderscheiden lagen zoals aangeduid op de Bodemkwaliteitskaart, of er is een bodemonderzoek uitgevoerd waaruit het verschil in kwaliteitsklassen kan worden afgeleid. In andere gevallen zal het gescheiden houden zoveel mogelijk op basis van waarneming plaatsvinden, bijvoorbeeld door grondsoorten (van verschillende kwaliteit) gescheiden te houden die visueel waarneembeer van elkaar afwijken. In paragraaf 3.2 van het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet gemeente Haarlemmermeer wordt dit nader toegelicht voor graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

(meer dan 25m3 grondverzet). Deze toelichting in het beleidskader is ook relevant voor kleinschalig graven. Eerste lid: Bij het ontgraven van grond wordt onderscheid gemaakt in partijen van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten. Dit geldt ook bij het terugplaatsen van grond in de bodem. Het gescheiden houden van partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten is voorgeschreven om ongewenste verspreiding van verontreinigde grond zoveel mogelijk te voorkomen en doelmatige (circulaire) afvalverwerking en duurzaam bodemgebruik te bevorderen. Bij het ontgraven wordt de grond direct ingedeeld in een kwaliteitsklasse (mits dit uit het (voor)onderzoek is af te leiden). De indeling vindt plaats op basis van de kwaliteitsklassen die in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn opgenomen. Het gaat dan om grond die voldoet aan de kwaliteitsklassen landbouw/natuur, wonen en industrie. Bij graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

kan ook matig verontreinigde grond vrijkomen. Deze grond kan niet (zonder reiniging) worden hergebruikt op een andere locatie. Tweede lid: De partijen die bij het ontgraven zijn ingedeeld en gescheiden, moeten ook bij het tijdelijk opslaan gescheiden worden gehouden, anders heeft het gescheiden houden bij ontgraven geen zin. Tussen de deelpartijen wordt enige afstand aangehouden of er wordt een fysieke scheidingswand aangebracht. Artikel 1.13 Tijdelijk uitnemen van grond In dit artikel zijn de eisen opgenomen waaraan voldaan moet worden bij het tijdelijk uitnemen van grond bij het kleinschalig graven. Eerste lid: Net als bij de activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

in het Besluit activiteiten leefomgeving (meer dan 25m3 graafvolume), mag bij kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

, grond worden teruggeplaatst na tijdelijk uitnemen mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. De voorwaarden zijn dat de grond zonder te zijn bewerkt, op of nabij het ontgravingsprofiel waar het uit vandaan kwam, en onder dezelfde omstandigheden wordt teruggeplaatst. Er is geen sprake van terugplaatsen «onder dezelfde omstandigheden» als bijvoorbeeld grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel (of andersom) of als grond afkomstig uit de onderlaag wordt teruggeplaatst als toplaag. Tweede lid: Door een bewerking kunnen de fysische of chemische eigenschappen van de grond wijzigen, waardoor het terugbrengen van de bewerkte grond als een nieuwe toepassing moet worden beschouwd. Een uitzondering is gemaakt voor het uitzeven van bodemvreemde bestanddelen. Als dit uitzeven niet gericht is op het veranderen van de milieuhygiënische kwaliteit, wordt dit niet aangemerkt als een bewerking. Het gaat hierbij vaak om het verwijderen van bodemvreemde bestanddelen zoals puin of afval die om andere dan milieuhygiënische redenen uit de partij wordt verwijderd, voordat deze wordt teruggebracht. Artikel 1.14 Geen grond met PFAS terugplaatsen Voor PFAS is aangesloten bij de INEV’s (Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging). De INEV’s zijn afgeleid door het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en gelden als de meest actuele wetenschappelijke inzichten. Het is ongewenst dat grond met een PFAS-verontreiniging boven de genoemde waarden wordt teruggeplaatst vanwege de verwachte effecten op het milieu en de gezondheid. Ook bij andere stoffen kunnen zich situaties voordoen waarbij terugplaatsen van de grond in de bodem niet gewenst is vanwege verspreiding of gezondheidsrisico’s. Bijvoorbeeld bij naftaleen, cyanide, sommige bestrijdingsmiddelen, zware metalen. Hierbij kan het gaan om bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een afwijkende pH-waarde in de bodem waardoor een verontreiniging met metalen mobiel kan worden. Dat de verontreiniging met de genoemde stoffen mobiel is, zal in de meeste gevallen pas blijken uit grondwateronderzoek. Niet altijd is een interventiewaarde of signaleringsparameter beschikbaar. In alle situaties geldt de zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 1.15 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond Tijdens of na afloop van graven kan het nodig zijn om de grond die bij het graven is vrijgekomen, tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de graafwerkzaamheden weer wordt teruggebracht in de bodem of omdat de grond naar elders moet worden afgevoerd. Dit artikel staat de tijdelijke opslag van vrijkomende grond toe gedurende de looptijd van de werkzaamheden en gedurende maximaal acht weken na het beëindigen van de werkzaamheden. De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of het cunet op te slaan. Het is onwenselijk dat de grond langer dan 8 weken is opgeslagen, vanwege mogelijke blootstelling van derden aan een eventuele verontreiniging en mogelijke verspreiding van verontreinigde grond in de omgeving. Als het voornemen bestaat om de grond langer dan de toegestane periode op te slaan of de vrijgekomen grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie op te slaan, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie. Voor een korte overschrijding van de termijn kan eventueel een maatwerkvoorschrift worden aangevraagd waarmee de termijn van 8 weken wordt verlengd. In dit artikel staan geen regels die verplichten tot maatregelen om te voorkomen dat de bodem ter plaatse van de tijdelijke opslag verontreinigd raakt, of dat emissies zich verspreiden naar de omgeving. De achtergrond hiervan is dat de opslag doorgaans een kortdurend karakter kent en plaatsvindt op de locatie van ontgraving, waardoor meestal de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit heeft als de onderliggende bodem. Als dit laatste niet het geval is, kunnen maatregelen aan de orde zijn op basis van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan. Het nemen van bodembeschermende maatregelen als het aanbrengen van een folie is in principe niet nodig. Dit kan anders zijn wanneer de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op basis van de specifieke zorgplicht van dit omgevingsplan verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Een ander voorbeeld is dat bij droge condities voorkomen moet worden dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in afsluitbare containers. Paragraaf 1.2.2 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de

Artikel 1

.16 Toepassingsbereik Eerste lid: Deze paragraaf gaat over de activiteit kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de

. Hierover zijn regels gesteld in paragraaf 22.3.7.2 van dit omgevingsplan. De regels in paragraaf 1.2.2 van dit voorbereidingsbesluit vullen deze regels aan, of wijken ervan af. Onder kleinschalig graven wordt verstaan het graven in maximaal 25m3 bodemvolume. In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn alleen regels opgenomen over graven in een bodemvolume van meer dan 25m3. Bij (kleinschalig) graven kan sprake zijn van het tijdelijk uitnemen en na afloop weer terugplaatsen van grond, maar ook van afvoer van grond naar elders. Het doel van de regels in deze paragraaf is het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het vermengen van partijen grond met verschillende kwaliteitsklassen en grondsoorten. In deze paragraaf worden regels aan de activiteit verbonden die een minimale belasting voor de initiatiefnemer met zich meebrengen in relatie tot de verwachte milieu-impact van de activiteit. Bij het stellen van regels is aansluiting gezocht bij de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving over graven in bodem met een kwaliteit boven de

in een bodemvolume van meer dan 25m3 (zie paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de toelichting daarop). Het is in de meeste gevallen niet goed uit te leggen dat bij het ontgraven van 26 m3 (geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving) het wel van belang is om bepaalde regels te hanteren en bij 24 m3 (kleinschalig graven) niet, zoals regels over het gescheiden houden van kwaliteitsklassen en grondsoorten. Het onderzoek bij kleinschalig graven zal vaker beperkt kunnen blijven tot een vereenvoudigd vooronderzoek bodem en graafwerkzaamheden zonder afvoer van grond in een tuin bij een woning en overige kleine graafwerkzaamheden tot 1 m3 zijn uitgezonderd van de regels over kleinschalig graven. Zie hiervoor de toelichting op het tweede lid, onderdelen a en b. Tweede lid, onder a en b: In de onderdelen a en b worden handelingen genoemd waarvoor de regels voor de activiteit niet gelden. Het gaat om graafwerk (tot een maximum van 25 m3) dat in een tuin bij een woning zonder afvoer van grond wordt uitgevoerd. Grond mag op of vlakbij het ontgravingsprofiel worden teruggeplaatst. Als het gaat om graven in een tuin betekent dit dat de grond in de tuin blijft. Het gaat ook om zeer kleine graafwerkjes van minder dan 1 m3 zonder afvoer van grond (zoals bijvoorbeeld voor het herstelwerk van het trottoir of het plaatsen van straatmeubilair). Bij deze graafwerkzaamheden is de moeite van het uitvoeren van een (vereenvoudigd) vooronderzoek bodem te groot voor de risico’s van het graafwerk. De regels voor kleinschalig graven gelden dus niet voor de hier genoemde uitzonderingen. De algemene zorgplicht van artikel 1.7 Omgevingswet is wel van toepassing. Derde lid, onder a: De

is opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. De

geeft aan wanneer de functionele eigenschappen van de bodem voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd, als gevolg van verontreiniging van de bodem. Bij een kwaliteit boven de

gaat het om sterk verontreinigde grond. Bij een kwaliteit onder of gelijk aan de

is sprake van niet-sterk verontreinigde grond. Derde lid, onder b: Hier is aangegeven wat onder het begrip «grond» wordt verstaan in deze paragraaf. Het begrip wordt gebruikt in de betekenis die ze heeft in het Besluit bodemkwaliteit. Grond wordt in het Besluit bodemkwaliteit gedefinieerd als vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter en ten hoogste 20% bodemvreemd materiaal, niet zijnde baggerspecie. Derde lid, onder c: Onder partij wordt in deze paragraaf verstaan een hoeveelheid (bodem)materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Hoewel in artikel 1, tweede en derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit een uitleg wordt gegeven wat in dat besluit en daarop berustende bepalingen als een partij moet worden aangemerkt, moet verder worden gekeken dan dat artikel. In de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit zijn onder andere bepalingen opgenomen over het samenvoegen en splitsen van partijen, deze moeten ook worden meegenomen in de afweging of van een partij sprake is. In de toelichting bij artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit is nader aangegeven wat onder partij wordt verstaan. Daarin zijn ook voorbeelden opgenomen. Derde lid, onder d: Op grond van de voormalige Wet bodembescherming is voor sommige locaties een zogenaamde ernst, geen spoed-beschikking vastgesteld. Een dergelijke beschikking betekent dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (met sterk verontreinigde grond en eventueel sterk verontreinigd grondwater), maar dat spoedige sanering niet nodig is. De sanering kan op een natuurlijk moment plaatsvinden, bijvoorbeeld bij herontwikkeling van de locatie. Derde lid, onder e: Op een locatie kan een afdeklaag zijn aangebracht als onderdeel van een sanering onder de Omgevingswet of een sanering onder de voormalige bodemwetgeving. Artikel 1.17 Voorafgaand bodemonderzoek Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de regels over voorafgaand bodemonderzoek zoals opgenomen in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving ook gelden voor de activiteit kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de

. Het gaat in eerste instantie om het verrichten van een vooronderzoek bodem (artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving). In de meeste gevallen is een vooronderzoek bodem voldoende. Afhankelijk van de uitkomsten van het vooronderzoek bodem kan het verrichten van een verkennend bodemonderzoek (artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving) of een verkennend bodemonderzoek asbest (artikel 5.7c van het Besluit activiteiten leefomgeving) als vervolgstap nodig zijn. Het is belangrijk dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het uitvoeren van het graven kennis heeft van de bodemkwaliteit. Zonder die kennis is het niet mogelijk om grond van verschillende kwaliteiten te herkennen en gescheiden te ontgraven en bestaat het gevaar dat (sterk) verontreinigde grond zich kan verspreiden. Tweede lid: Volgens het Besluit activiteiten leefomgeving wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd als op grond van het uitgevoerde vooronderzoek bodem een verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. In het Besluit activiteiten leefomgeving wordt ten opzichte van het oude recht (de Wet bodembescherming) eerder afgezien van het verkennend bodemonderzoek. Voor sommige gebieden binnen de gemeente Haarlemmermeer is dit ongewenst. In dit lid is daarom opgenomen dat bij het uitvoeren van de activiteit binnen bepaalde gebieden in Haarlemmermeer verplicht is om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren, ook als uit het vooronderzoek bodem geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging volgt. Het gaat om de volgende gebieden: De openbare weg behalve de openbare weg binnen de bebouwde kom van zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart is niet opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Om deze reden kan geen betrouwbare uitspraak worden gedaan over de te verwachten bodemkwaliteit op de graaflocatie. Daarom is voor het ontgraven van grond in dit gebied een verkennend bodemonderzoek verplicht gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de

, of de regels over kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

van toepassing zijn. Sommige gebieden weergegeven op de Bodemkwaliteitskaart zijn niet gezoneerd vanwege het ontbreken van (representatieve) informatie over de bodemkwaliteit (zie de zonekaart in bijlage I). Dit is de reden waarom een verkennend bodemonderzoek verplicht wordt gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de

, of de regels over kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

van toepassing zijn. Derde lid: Een verkennend bodemonderzoek is niet nodig als het bevoegd gezag al over voldoende informatie beschikt. Het moet hierbij gaan om recente en voor de graaflocatie relevante (representatieve) onderzoeksresultaten. In het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet gemeente Haarlemmermeer is dit nader uitgewerkt. In het uitgevoerde vooronderzoek bodem worden deze onderzoeksresultaten beschreven. Vierde lid: Om een initiatiefnemer niet onnodig te belasten met het doen van onderzoek bij kleinschalig grondverzet, kan een initiatiefnemer ervoor kiezen om in de in het tweede lid genoemde gebieden geen verkennend bodemonderzoek uit te voeren. In het geval een initiatiefnemer hiervoor kiest, moet bij het uitvoeren van de activiteit aan de regels voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de

worden voldaan. Vijfde lid: Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur ontbreekt over het algemeen de tijd om een voorafgaand bodemonderzoek uit te voeren. Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur moet gedacht worden aan het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen in geval van lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Bij een dergelijke spoedreparatie is het niet redelijk en ook vaak niet mogelijk om vooraf een bodemonderzoek uit te voeren. Op het uitvoeren van spoedreparaties is wel de specifieke zorgplicht van artikel 22.44 van dit omgevingsplan van toepassing. Deze zorgplicht betekent dat van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is – of visueel eenvoudig is vast te stellen – dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, moeten de verschillende lagen voorzichtigheidshalve gescheiden worden gehouden. Artikel 1.18 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit Eerste lid: Voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de

moeten ten minste één week voor het begin ervan gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag. Dit is alleen nodig als grond wordt afgevoerd (zie artikel 22.128, eerste lid, en derde lid, aanhef en onder a, van dit omgevingsplan) of als dieper wordt gegraven dan een al aanwezige afdeklaag op de locatie (volgens het eerste lid van dit artikel van het voorbereidingsbesluit) ook als daarbij geen grond wordt afgevoerd. Als sprake is van een spoedreparatie van ondergrondse infrastructuur, dan geldt deze verplichting tot het verstrekken van gegevens en bescheiden voorafgaand aan de activiteit niet (zie artikel 22.128, derde lid, aanhef en onder b). De gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag door de opdrachtgever, de uitvoerend aannemer of een derde zoals een adviseur of directievoerder, betrokken bij het project. Tweede en derde lid: Het tweede lid bepaalt dat - in aanvulling op artikel 22.128, eerste en tweede lid van dit omgevingsplan - ook gegevens en bescheiden worden verstrekt over de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding, bedoeld in artikel 22.130 van dit omgevingsplan, gaan verrichten. Het bevoegd gezag kan op basis hiervan controleren of voor milieukundige begeleiding bij graven een erkenning aanwezig is. Wijzigingen in deze gegevens moeten direct worden doorgegeven aan het bevoegd gezag. Als sprake is van een spoedreparatie van ondergrondse infrastructuur, dan geldt deze verplichting tot het verstrekken van gegevens en bescheiden voorafgaand aan de activiteit niet. Vierde lid: De resultaten van het verkennend bodemonderzoek worden verstrekt in een digitaal (PDF-) bestand (het gehele bodemonderzoeksrapport) en een XML-bestandsformaat met (meet)gegevens over de bodem. Een bestandsformaat XML (volgens uitwisselingsformaat SIKB0101) is de standaard voor de bodembranche. Hiermee kunnen de resultaten van het bodemonderzoek, na beoordeling, geautomatiseerd en dus snel worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van Zaanstad en zijn daarmee snel door iedereen online te raadplegen. Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor de verdere eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten bijlage II bij dit voorbereidingsbesluit. Artikel 1.19 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur In dit artikel is de verplichting opgenomen om na een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur op locaties in niet-gezoneerde gebieden op de Bodemkwaliteitskaart (zie de zonekaart in bijlage I) of in de openbare weg behalve de openbare weg binnen de bebouwde kom van zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart, informatie over de uitgevoerde graafwerkzaamheden te verstrekken als sprake is van afvoer van grond. Het kan hierbij immers gaan om het afvoeren van sterk verontreinigde grond, waarop toezicht gewenst is. Het verstrekken van gegevens en bescheiden over de uitgevoerde werkzaamheden als sprake is van afvoer van grond, is ook verplicht in gevallen waarin op grond van de voormalige Wet bodembescherming een zogenaamde ernst, geen spoed-beschikking is vastgesteld. Een dergelijke beschikking betekent dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, maar dat spoedige sanering niet nodig is. De sanering kan op een natuurlijk moment plaatsvinden, bijvoorbeeld bij herontwikkeling van de locatie. De gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag door de opdrachtgever, de uitvoerend aannemer of een derde zoals een adviseur of directievoerder, betrokken bij het project. In het artikel is aangegeven welke gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt. De gegevens en bescheiden bevatten een omschrijving van de werkzaamheden, zoals de begrenzing van de activiteit (in horizontale en verticale richting), de data waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd en de aanleiding en het doel van de werkzaamheden. Artikel 1.20 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie Bodemwerkzaamheden vinden niet steeds op een vaste locatie plaats, maar op wisselende locaties. Ook zijn de werkzaamheden vaak kortdurend. Er kan aan meerdere informatie- of meldplichten voor het uitvoeren van verschillende activiteiten zijn voldaan op één perceel. Het is dan niet altijd duidelijk onder welke informatie- of meldplicht de aannemer werkzaamheden uitvoert. Dat maakt het houden van toezicht lastig. Daarom is in dit artikel een plicht opgenomen om gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 22.128 van dit omgevingsplan of artikel 1.18 van dit voorbereidingsbesluit, op locatie beschikbaar te hebben. Artikel 1.18, vierde lid, onder b over het verstrekken van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek in XML-format (SIKB0101) geldt niet voor het beschikbaar hebben van onderzoeksgegevens op de locatie. Een digitaal (PDF-)bestand van het bodemonderzoeksrapport of een geprint exemplaar van het bodemonderzoeksrapport op locatie is voldoende. Artikel 1.21 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk) Voor graven in sterk verontreinigde grond was een bepaling opgenomen in de voormalige Regeling uniforme saneringen dat de ontgravingslocatie en buiten de ontgravingslocatie liggende depots zijn omgeven door een hekwerk. Deze bepaling is echter is niet overgenomen in de bruidsschatregels over kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de

. Een dergelijke eis valt onder de zorgplicht van artikel 22.44 van het omgevingsplan. Het is wenselijk dat voor degene die de activiteit verricht (aannemer) duidelijk is wat in het kader van de zorgplicht van hem wordt verwacht. Daarom wordt in dit artikel expliciet geregeld dat een hekwerk moet worden geplaatst rondom de ontgravingslocatie of op een andere manier moet worden voorkomen dat de locatie wordt betreden door derden. Dit is een concretisering van de specifieke zorgplicht waarmee een voormalige bepaling wordt gecontinueerd. Een afzetting is vooral van belang als de medewerkers die het graven uitvoeren de locatie hebben verlaten en de ontgravingsput of de opslag van uitgenomen grond er onbewaakt bij liggen. Het artikel is erop gericht om te voorkomen dat derden (bijvoorbeeld spelende kinderen) in contact komen met de (sterke) verontreiniging, en om te voorkomen dat (sterk) verontreinigde grond in de omgeving verspreid raakt. Artikel 1.22 Grond gescheiden houden Dit artikel bepaalt dat partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten gescheiden worden gehouden. Soms zal het gescheiden houden op basis van het (voor)onderzoek kunnen plaatsvinden. Bijvoorbeeld men graaft in verschillende te onderscheiden lagen zoals aangeduid op de Bodemkwaliteitskaart, of er is een bodemonderzoek uitgevoerd waaruit het verschil in kwaliteitsklassen kan worden afgeleid. In andere gevallen zal het gescheiden houden zoveel mogelijk op basis van waarneming plaatsvinden, bijvoorbeeld door grondsoorten (van verschillende kwaliteit) gescheiden te houden die visueel waarneembeer van elkaar afwijken. In paragraaf 3.3 van het Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet gemeente Haarlemmermeer wordt dit nader toegelicht voor graven in bodem met een kwaliteit boven de

(meer dan 25m3 grondverzet). Deze toelichting in het beleidskader is ook relevant voor kleinschalig graven. Eerste lid: Bij het ontgraven van grond wordt onderscheid gemaakt in partijen van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten. Dit geldt ook bij het terugplaatsen van grond in de bodem. Het gescheiden houden van partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten is voorgeschreven om ongewenste verspreiding van verontreinigde grond zoveel mogelijk te voorkomen en doelmatige (circulaire) afvalverwerking en duurzaam bodemgebruik te bevorderen. Bij het ontgraven wordt de grond direct ingedeeld in een kwaliteitsklasse (mits dit uit het (voor)onderzoek is af te leiden). De indeling vindt plaats op basis van de kwaliteitsklassen die in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn opgenomen. Het gaat dan om grond die voldoet aan de kwaliteitsklassen landbouw/natuur, wonen en industrie. Bij graven in bodem met een kwaliteit boven de

kan ook matig verontreinigde grond vrijkomen. Deze grond kan niet (zonder reiniging) worden hergebruikt op een andere locatie. Tweede lid: De partijen die bij het ontgraven zijn ingedeeld en gescheiden, moeten ook bij het tijdelijk opslaan gescheiden worden gehouden (anders heeft het gescheiden houden bij ontgraven geen zin). Tussen de deelpartijen wordt enige afstand aangehouden of er wordt een fysieke scheidingswand aangebracht. Artikel 1.23 Tijdelijk uitnemen van grond In dit artikel zijn de eisen opgenomen waaraan voldaan moet worden bij het tijdelijk uitnemen van grond bij het kleinschalig graven. Eerste lid: Net als bij de activiteit graven (meer dan 25m3 graafvolume) in bodem met een kwaliteit boven de

in het Besluit activiteiten leefomgeving, mag bij kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de

, grond worden teruggeplaatst na tijdelijk uitnemen mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. De voorwaarden zijn dat de grond zonder te zijn bewerkt, in het ontgravingsprofiel waar het uit vandaan kwam, en onder dezelfde omstandigheden wordt teruggeplaatst. Anders dan de zinsnede «op of nabij het ontgravingsprofiel» bij kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde, laat het criterium «in hetzelfde ontgravingsprofiel» in dit artikel weinig speelruimte. Er is geen sprake van terugplaatsen «onder dezelfde omstandigheden» als bijvoorbeeld grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel (of andersom) of als grond afkomstig uit de onderlaag wordt teruggeplaatst als toplaag. Tweede lid: Door een bewerking kunnen de fysische of chemische eigenschappen van de grond wijzigen, waardoor het terugbrengen van de bewerkte grond als een nieuwe toepassing moet worden beschouwd. Een uitzondering is gemaakt voor het uitzeven van bodemvreemde bestanddelen. Als dit uitzeven niet gericht is op het veranderen van de milieuhygiënische kwaliteit, wordt dit niet aangemerkt als een bewerking. Het gaat hierbij vaak om het verwijderen van bodemvreemde bestanddelen zoals puin of afval die om andere dan milieuhygiënische redenen uit de partij wordt verwijderd, voordat deze wordt teruggebracht. Artikel 1.24 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen Eerste lid, aanhef en onder a: Hierin is bepaald dat grond met een mobiele verontreiniging boven de

, na het tijdelijk uitnemen, niet wordt teruggebracht in de bodem. De

geeft aan wanneer de functionele eigenschappen van de bodem voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd, als gevolg van verontreiniging van de bodem. In het eerste lid onder a wordt uitgegaan van de

voor de vaste bodem. Door het benoemen van de specifieke mobiele stoffen (zie tabel 1.24) wordt duidelijkheid aan de initiatiefnemer gegeven wanneer sprake is van een mobiele verontreiniging boven de

. De in de tabel opgenomen stoffen zijn de meest voorkomende mobiele stoffen in stedelijke omgeving. Ook bij andere stoffen kunnen zich situaties voordoen waarbij terugplaatsen van de grond in de bodem niet gewenst is vanwege verspreiding of gezondheidsrisico’s. Bijvoorbeeld bij naftaleen, cyanide, sommige bestrijdingsmiddelen, zware metalen. Hierbij kan het gaan om bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een afwijkende pH-waarde in de bodem waardoor een verontreiniging met metalen mobiel kan worden. Dat de verontreiniging met de genoemde stoffen mobiel is, zal in de meeste gevallen pas blijken uit grondwateronderzoek. Niet altijd is een interventiewaarde of signaleringsparameter beschikbaar. In alle situaties geldt de zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Eerste lid, onder b: Voor PFAS is aangesloten bij de INEV’s (Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging. De INEV’s zijn afgeleid door het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en gelden als de meest actuele wetenschappelijke inzichten. Het is ongewenst dat grond met een PFAS-verontreiniging boven de genoemde waarden wordt teruggeplaatst vanwege de verwachte effecten op het milieu en de gezondheid. Tweede lid: De aard van de verontreinigingen bepaalt in samenhang met de aanwezige bodemopbouw en -samenstelling of er sprake is van een mobiele dan wel immobiele verontreinigingssituatie. Onder de oude systematiek (de Circulaire bodemsanering 2013) werd een verontreiniging mobiel genoemd als deze zich kan verplaatsen door het grondwater en onder invloed van de grondwaterstroming. Een immobiele verontreiniging verspreidt zich daarentegen niet of nauwelijks omdat de stof gebonden is aan de bodemdeeltjes. Dit onderscheid wordt ook in dit omgevingsplan gehanteerd. In het eerste lid, onder a is bepaald dat grond met een mobiele verontreiniging boven de

niet wordt teruggeplaatst in de bodem. Uit een grondwateronderzoek kan echter blijken dat de stof in de specifieke omstandigheden op de locatie toch niet (erg) mobiel is. Dit kan bijvoorbeeld komen door de bodemopbouw. Om die reden is in dit lid opgenomen dat als uit een grondwateronderzoek blijkt dat de signaleringsparameters als bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit activiteiten leefomgeving niet worden overschreden voor deze stoffen, het eerste lid, onder a, niet van toepassing is. Artikel 1.25 Kwaliteitsborging uitvoeren kleinschalig graven Graven in een bodem met een kwaliteit boven de

komt vaak voor. In Nederland hebben ongeveer 600 organisaties een erkenning om de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving te mogen uitvoeren volgens de BRL SIKB 7000. Circa 170 organisaties mogen deze activiteit milieukundig begeleiden volgens de BRL SIKB 6000. Ook bij kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de

moet gewerkt worden conform deze normdocumenten. De milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven is geregeld in artikel 22.130 van dit omgevingsplan. Paragraaf 1.2.3 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

, anders dan kleinschalig graven Artikel 1.26 Toepassingsbereik Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de regels in deze paragraaf gaan over de activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

die is aangewezen in artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving. De

is opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. In artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving staat dat het graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

een milieubelastende activiteit is als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3. Voor het uitvoeren van de activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

gelden de regels uit paragraaf 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Op grond van artikel 2.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving is het mogelijk om maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. De maatwerkregels in deze paragraaf van het voorbereidingsbesluit gelden in afwijking van of aanvulling op de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij het graven in de bodem met een bodemvolume van 25 m3 of minder gelden de paragrafen over kleinschalig graven in dit omgevingsplan. Zie ook de paragrafen 1.2.1 en 1.2.2 van dit voorbereidingsbesluit over kleinschalig graven. Bij graven gaat het om alle graafwerkzaamheden in de bodem. Daarbij kan het gaan om het graven voor het leggen van kabels en leidingen waarbij de grond weer wordt teruggebracht (tijdelijk uitnemen). Maar het kan ook gaan om het afgraven van bodem voor het bouwen van een ondergrondse parkeergarage waarbij de afgegraven grond wordt afgevoerd. Tweede lid, onder a: De

geeft aan wanneer de functionele eigenschappen van de bodem voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd, als gevolg van verontreiniging van de bodem. Bij een kwaliteit boven de

gaat het om sterk verontreinigde grond. Bij een kwaliteit onder of gelijk aan de

is sprake van niet-sterk verontreinigde grond. Tweede lid, onder b: Hier is aangegeven wat onder het begrip «grond» wordt verstaan in deze paragraaf. Het begrip wordt gebruikt in de betekenis die ze heeft in het Besluit bodemkwaliteit. Grond wordt in het Besluit bodemkwaliteit gedefinieerd als vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter en ten hoogste 20% bodemvreemd materiaal, niet zijnde baggerspecie. Tweede lid, onder c: Onder partij wordt in deze paragraaf verstaan een hoeveelheid (bodem)materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Hoewel in artikel 1, tweede en derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit een uitleg wordt gegeven wat in dat besluit en daarop berustende bepalingen als een partij moet worden aangemerkt, moet verder worden gekeken dan dat artikel. In de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit zijn onder andere bepalingen opgenomen over het samenvoegen en splitsen van partijen, deze moeten ook worden meegenomen in de afweging of van een partij sprake is. In de toelichting bij artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit is nader aangegeven wat onder partij wordt verstaan. Daarin zijn ook voorbeelden opgenomen. Artikel 1.27 Voorafgaand bodemonderzoek Eerste lid: Voordat de activiteit graven in de bodem wordt uitgevoerd, wordt een zogenoemd vooronderzoek bodem verricht. Volgens het Besluit activiteiten leefomgeving moet er een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd als uit het vooronderzoek bodem blijkt dat er sprake is van een verdenking op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging. In het Besluit activiteiten leefomgeving wordt ten opzichte van het oude recht, de Wet bodembescherming, eerder afgezien van het verkennend bodemonderzoek. Voor sommige gebieden binnen de gemeente Haarlemmermeer is dit ongewenst. In dit lid is daarom opgenomen dat bij het uitvoeren van de activiteit binnen bepaalde gebieden in Haarlemmermeer verplicht is om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren, ook als uit het vooronderzoek bodem geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging volgt. Het gaat om de volgende gebieden: De openbare weg behalve de openbare weg binnen de bebouwde kom van zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart is niet opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Om deze reden kan geen betrouwbare uitspraak worden gedaan over de te verwachten bodemkwaliteit op de graaflocatie. Daarom is voor het ontgraven van grond in dit gebied een verkennend bodemonderzoek verplicht gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor graven in bodem met een kwaliteit boven de

, of de regels over graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

van toepassing zijn. Sommige gebieden, weergegeven op de Bodemkwaliteitskaart zijn niet gezoneerd vanwege het ontbreken van (representatieve) informatie over de bodemkwaliteit (zie de zonekaart in bijlage I). Dit is de reden waarom een verkennend bodemonderzoek verplicht wordt gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor graven in bodem met een kwaliteit boven de

, of de regels over graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de

van toepassing zijn. Tweede lid: Een verkennend onderzoek is niet nodig als het bevoegd gezag al over voldoende informatie beschikt. Het moet hierbij gaan om recente en voor de graaflocatie relevante (representatieve) onderzoeksresultaten. In het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet gemeente Haarlemmermeer is dit nader uitgewerkt. In het uitgevoerde vooronderzoek bodem worden deze onderzoeksresultaten beschreven. Artikel 1.28 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit Eerste lid: In artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving is opgenomen welke gegevens en bescheiden ten minste een week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt. Het gaat om het verstrekken van informatie over de begrenzing van de locatie, de verwachte begindatum van de activiteit en de verwachte duur van de activiteit. In aanvulling daarop volgt uit het eerste lid dat een verkennend of nader bodemonderzoek (asbest), bedoeld in de artikelen 5.7b tot en met 5.7e van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.27, samen met het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, ten minste één week voor het begin van de activiteit wordt aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van de onderzoeksresultaten van het verkennend (of nader) bodemonderzoek (asbest). Tweede lid: Als alleen een vooronderzoek bodem is uitgevoerd, hoeft het niet te worden verstrekt aan het bevoegd gezag. Deze situatie kan zich voordoen als er geen verdenking bestaat op het voorkomen van een specifieke verontreiniging, en de graaflocatie ook niet gelegen is in de gebieden genoemd in artikel 1.27, eerste lid. Derde lid: De resultaten van het bodemonderzoek worden verstrekt in een digitaal (PDF-) bestand (het gehele bodemonderzoeksrapport) en een XML-bestandsformaat met (meet)gegevens over de bodem. Een bestandsformaat XML (volgens uitwisselingsformaat SIKB0101) is de standaard voor de bodembranche. Hiermee kunnen de resultaten van het bodemonderzoek, na beoordeling, geautomatiseerd en dus snel worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en zijn daarmee snel door iedereen online te raadplegen. Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor de verdere eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten bijlage II bij dit voorbereidingsbesluit. Artikel 1.29 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie Bodemwerkzaamheden vinden niet steeds op een vaste locatie plaats, maar op wisselende locaties.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.