Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Gemeente Halderberge1.Inleiding De Verordening maatschappelijke ondersteuning (hierna: de verordening) geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). Binnen de Wmo 2015 wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk. Vervolgens stelt de gemeente waar nodig in aanvulling hierop hem of haar in staat gebruik te maken van een algemene voorziening of— als dat niet volstaat - een maatwerkvoorziening. Met deze voorziening wordt een bijdrage geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Iedere keer wordt een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen. Hierbij wordt uitgezocht wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren. Ook wordt bepaald of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan of dat een maatwerkvoorziening nodig is en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015, de verordening en deze beleidsregels leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de 'oude' Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, leidt elke keer tot een juist besluit; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan de cliënt daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter toetst of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, of het onderzoek naar de omstandigheden van de cliënt op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. In de uitvoeringspraktijk van de Wmo worden resultaten onderscheiden. Een resultaat wordt gedefinieerd als een antwoord op de hulpvraag/ ondersteuningsvraag van een inwoner. De Wmo beoogt inwoners te ondersteunen in hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Dit wordt door de gemeente Halderberge in deze beleidsregels verder uitgewerkt in de volgende resultaten: • Een gestructureerd huishouden • Het wonen in een geschikte woning • Het zich verplaatsen in en om de woning • Het zich lokaal verplaatsen per vervoersmiddel • Het ontmoeten van medemensen en het aangaan van sociale verbanden • Begeleiding (ontwikkeling, stabilisatie, verminderde zelfredzaamheid en logeerzorg) • Beschermd wonen en beschermd thuis De Wmo 2015 en de verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in de verordening en in de wet 'het college' staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.Procedure In de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Halderberge is in de artikelen 2 tot en met 7 de procedure omtrent een mogelijke ondersteuningsvraag vermeld. Deze artikelen worden onderstaand verder uitgewerkt. 2.1Hulpvraag of aanmelding Wanneer een cliënt behoefte heeft aan ondersteuning, kan hij of zij bij het wijkteam de vraag stellen. Soms blijkt na een korte vraagverkenning dat informatie en advies voldoende is voor cliënt om het ondervonden probleem op te lossen. Wanneer het een vraag voor de Wmo is en verdere vraagverheldering of verdieping nodig blijkt dan neemt de Wmo professional (WP) de aanmelding over. Uiterlijk vijf werkdagen na de aanmelding ontvangt de cliënt een bevestiging dat zijn of haar melding is ontvangen. In deze ontvangstbevestiging is informatie opgenomen over hoe te komen tot het te voeren gesprek, maar ook over: · onafhankelijke cliëntondersteuning; · de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan, uiterlijk binnen zeven dagen na de melding; · de identificatieplicht; · de verwerking van persoonsgegevens; · folder keukentafelgesprek; · (indien van toepassing) een akkoordverklaring voor het opvragen/delen van persoonsgegevens. 2.2Vooronderzoek In de aanloop naar een gesprek met de cliënt vindt door de Wmo professional een vooronderzoek plaats. Ter voorbereiding op het te voeren gesprek wordt onder andere nagegaan of de cliënt al gebruik maakt van bepaalde voorzieningen of diensten. 2.3Het gesprek en het verslag De Wmo professional heeft na de aanmelding met de cliënt een afspraak gemaakt voor een gesprek, het zogenaamde keukentafelgesprek. Dit wordt schriftelijk bevestigd. Voor zover daartoe aanleiding is, komen in dat gesprek ook de andere domeinen (jeugd- en participatiewet, Wlz, zorgverzekeringswet) aan de orde. In het geval ook zaken betreffende de andere domeinen aan de orde zijn, zal de Wmo professional een en ander voorleggen/bespreken met de consulenten jeugd- en participatiewet voor zover de privacy dat toelaat en in overleg met de cliënt. Indien er sprake is van een meer complexe problematiek kan de Wmo professional de casus inbrengen in het wijkteam. Het gesprek vindt op vrij korte termijn plaats, aangezien een erop volgend onderzoek (zie 2.4) binnen zes weken na de melding dient te zijn afgerond. Aan het gesprek neemt de cliënt deel en/of diens contactpersoon en zijn eventuele mantelzorger. Ook kan de onafhankelijke, gratis cliëntondersteuner erbij aanwezig zijn. De "zelfredzaamheidmatrix" (bijlage 1) kan als instrument worden gebruikt bij het onderzoek. Indien een persoonlijk plan is ingediend door de cliënt wordt dit betrokken in het gesprek. De Wmo professional maakt tijdens het gesprek aantekeningen die worden uitgewerkt tot een verslag. Het formulier met aantekeningen (het gespreksverslag) wordt ondertekend door de cliënt wanneer het gespreksverslag als aanvraag dient. Het uitgewerkte verslag wordt naar de cliënt opgestuurd na het gesprek of bij de beschikking als bijlage toegevoegd. Wanneer tijdens het gesprek blijkt dat verder onderzoek niet nodig is kan de cliënt direct een aanvraag doen. 2.4Onderzoek Het gesprek is het uitgangspunt tijdens het uitgebreide onderzoek naar de situatie van cliënt. Daarbij is aandacht voor alle elementen die in artikel 5 van de verordening zijn opgenomen. De Wmo professional doet op basis van de gegevens uit het gesprek nader onderzoek om te bepalen of de cliënt een voorziening of dienst op grond van de Wmo nodig heeft. Het aanvragen van een medisch advies, bij het door de gemeente gecontracteerde bureau voor sociaal medisch advies, kan onderdeel uitmaken van het onderzoek. Dit onderzoek vindt uiterlijk binnen zes weken na de melding plaats. De Wmo professional zoekt samen met cliënt verder uit welke voorziening het meest geschikt is in de situatie van cliënt. Na het vaststellen van de noodzaak van een maatwerkvoorziening kan een passing van een voorziening (bijvoorbeeld een rolstoel), een haalbaarheidstraining of een offerte opmaken door een woningaanpassingsbedrijf onderdeel uitmaken van het te doorlopen proces. 2.5Aanvraag Als de cliënt (of gemachtigde) het verslag ondertekent en het verslag is voorzien van zijn naam, Burgerservicenummer (BSN), geboortedatum en dagtekening, kan het verslag fungeren als aanvraagformulier voor een maatwerkvoorziening; als dat (mede) de uitkomst is van het gesprek. Zonder de correcte persoonsgegevens en/of ondertekening neemt de gemeente de aanvraag niet in behandeling. De datum waarop de aanvraag juist en volledig is, geldt als aanvraagdatum. Indien de gemeente een aanvraag ontvangt die door een ander bestuursorgaan behandeld moet worden, heeft de gemeente doorzendplicht (art. 2:3 Awb). In de praktijk wordt contact opgenomen met cliënt om te vragen of de stukken moeten worden doorgezonden. 2.6De beschikking De cliënt ontvangt de beslissing op zijn Wmo-aanvraag in principe binnen twee weken na de aanvraag in de vorm van een schriftelijke beschikking (besluit van het college van burgemeester en wethouders van Halderberge). Voor Wmo-aanvragen huishoudelijke ondersteuning moet bij de beschikking het leveringsplan toegevoegd worden. De aanbieder heeft maximaal twee weken voor het opstellen van een leveringsplan, deze wordt opgevraagd bij de zorgaanbieder op het moment dat het gespreksverslag naar de client wordt gestuurd. Mocht naar aanleiding van nader onderzoek een ander besluit genomen worden dan verwacht tijdens het keukentafelgesprek, wordt voor het verzenden van de beschikking contact opgenomen met de cliënt. Indien het er naar uitziet dat deze termijn niet gehaald kan worden, wordt de cliënt (op grond van de Awb) schriftelijk geïnformeerd over een verlenging van deze termijn met maximaal acht weken. In de beschikking staan de aanvraagdatum, de beslissing, de motivering van de beslissing en informatie over de effectuering van het besluit. Tegen de beslissing zijn bezwaar en beroep volgens de Awb mogelijk. 3.Criteria voor een maatwerkvoorziening 3.1 Beoordeling maatwerkvoorzieningen Het beoordelingskader en de toegangscriteria voor aanspraken op maatwerkvoorzieningen worden bepaald door de Wmo 2015 (zoals de doelgroep en de eigen verantwoordelijkheid), de Verordening (criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening) en de onderhavige beleidsregels. Daarnaast geldt dat sprake moet zijn van maatwerk. Bij de aanspraak op iedere maatwerkvoorziening wordt in ieder geval gekeken naar: · het algemene beoordelingskader (in 3.2); · de algemene toegangscriteria (3.3. tot en met 3.12); · de algemene weigeringsgronden (in 3.13). 3.2Algemeen beoordelingskader Bij het beoordelen van aanspraken wordt gekeken naar: · is de cliënt ingezetene van de gemeente? · is er een noodzaak tot langdurige compensatie? · zijn er andere mogelijkheden, zoals de eigen kracht, mantelzorger(
- s)of iemand uit het sociale netwerk? · is er sprake van gebruikelijke hulp? · zijn er - deels - (wettelijk) voorliggende voorzieningen beschikbaar? · zijn er - deels - algemeen gebruikelijke voorzieningen beschikbaar? · zijn er - deels - algemene en/of collectieve voorzieningen beschikbaar? 3.3Hoofdverblijf / Woonplaats Een voorwaarde om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen is dat de cliënt zijn hoofdverblijf in Halderberge heeft. De cliënt moet ingeschreven staan in de gemeentelijke Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Halderberge. Hoofdverblijf betekent volgens jurisprudentie meer dan alleen ingeschreven staan in het BRP; cliënt moet daadwerkelijk het grootste deel van de tijd in de gemeente verblijven. Als de cliënt kan aantonen dat hij op korte termijn in Halderberge komt wonen kan, als hij nog niet staat ingeschreven in het BRP, de aanvraag in behandeling worden genomen. Er wordt dan wel een termijn afgesproken waar binnen de inschrijving in het BRP geregeld moet zijn. 3.4Langdurig noodzakelijk De voorzieningen of diensten moeten langdurig noodzakelijk zijn ter compensatie van beperkingen. Dat wil allereerst zeggen dat er een noodzaak voor compensatie moet zijn. Er moet worden vastgesteld dat er sprake is van beperkingen waardoor cliënt niet kan deelnemen aan het leven van alle dag. Hierbij kan de medisch adviseur (arts in dienst van een door de gemeente gecontracteerd bureau voor sociaal medisch advies) of een al bij de cliënt betrokken medische discipline een rol spelen om te bepalen of voorzieningen medisch noodzakelijk zijn of dat deze juist anti-revaliderend werken. De medisch adviseur kan ook uitsluitsel geven over de vraag of er sprake is van een langdurige noodzaak. Onder 'langdurig' wordt over het algemeen verstaan langer dan zes maanden of dat het een blijvende situatie betreft. Een blijvende situatie kan bijvoorbeeld een palliatieve fase of terminale fase zijn. Voor sommige maatwerkvoorzieningen, bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning, kan het ook om een kortere periode gaan, bijvoorbeeld na ontslag uit het ziekenhuis. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Als de verwachting is dat cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag van kortdurende medische noodzaak worden uitgegaan. Bij een wisselend ziektebeeld, waarbij verbetering in de toestand opgevolgd wordt door periodes van terugval, kan uitgegaan worden van een langdurige medische noodzaak. Een voorziening wordt alleen verstrekt wanneer deze noodzakelijk is en niet indien er sprake is van gewenste of makkelijke verstrekkingen. 3.5Eigen verantwoordelijkheid Onder de eigen verantwoordelijkheid wordt verstaan het vermogen van een cliënt om op eigen kracht dan wel met de hulp van mantelzorger(s), personen uit het sociale netwerk en gebruikelijke hulp de belemmeringen redelijkerwijs zelf op te lossen. Oplossingen die een cliënt redelijkerwijs kan realiseren op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid gaan voor op de verstrekking van een maatwerkvoorziening. 3.6Gebruikelijke hulp Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening indien de cliënt huisgenoten heeft die wel in staat zijn hulp te bieden bij bijvoorbeeld het voeren van een gestructureerd huishouden of het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen. Dit wordt gebruikelijke hulp genoemd. Voor verdere uitwerking van dit begrip wordt verwezen naar de beleidsregels van de maatwerkvoorzieningen (zie pag. 19 en 20 voor huishoudelijke ondersteuning, pag. 31 voor begeleiding). 3.7Verantwoordelijkheden cliënt versus college In de Verordening worden de verantwoordelijkheid van het college en de verantwoordelijkheid van cliënt benoemd. In de Wmo 2015 wordt uitgegaan van wederzijdse inspanningen van zowel gemeente als cliënt. Er wordt zowel een beroep gedaan op de gemeente om zeer uitgebreid alle mogelijkheden om tot oplossingen te komen te onderzoeken, als op de eigen kracht van de cliënt van wie wordt verwacht eerst zelf naar oplossingen te zoeken voordat bij de gemeente om ondersteuning wordt gevraagd. 3.8Algemene (gebruikelijke) voorzieningen Wanneer blijkt dat cliënt niet op eigen kracht of met hulp van het sociaal netwerk tot een oplossing kan komen, wordt beoordeeld of er zogenaamde algemene voorzieningen zijn die de problemen die cliënt ervaart (gedeeltelijk) kunnen oplossen. Een algemene voorziening is een breed begrip. Het betreft voorzieningen waar iedereen, zonder indicatie of andere vorm van toegang en doorgaans tegen betaling, gebruik van kan maken. Algemene voorzieningen kunnen commerciële diensten zijn, maar ook diensten zonder winstoogmerk. De bedoeling is dat er steeds meer algemene voorzieningen komen zodat inwoners minder een beroep doen op (duurdere) maatwerkvoorzieningen. Deze algemene voorzieningen moeten voor de client daadwerkelijk beschikbaar zijn, en door de client financieel gedragen kunnen worden met een inkomen op minimum niveau. Onder het minimum inkomen hanteren we de definitie en hoogte zoals deze door de rijksoverheid is vastgesteld. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn: · rolstoel- of scootmobielpools/verhuur · klussendienst · buurt inloopactiviteiten · muur- steunbeugels · drempelhulpen · computercursus, taalles · gezelschap of ondersteuning door vrijwilliger. Bijlage 2 geeft nog meer voorbeelden van algemeen (gebruikelijke) voorzieningen. Dit is geen limitatieve lijst omdat ontwikkelingen zich blijven voordoen. 3.9Voorliggende voorzieningen op grond van andere wet- of regelgeving Voorliggend op de Wmo is een voorziening/dienst op grond van een andere wettelijke regeling, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), ziektekostenverzekering of het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV). Indien dit het geval is, wordt op grond van de Wmo geen voorziening/dienst verstrekt. 3.10Algemeen gebruikelijke voorzieningen Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die voldoet aan de volgende criteria: · het is niet speciaal bedoeld voor personen met een beperking; · het levert een passende bijdrage aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie; · het is daadwerkelijk beschikbaar; · het is verkrijgbaar in de reguliere handel; · het kan financieel gedragen worden met een inkomen op minimumniveau; · het kan voor een persoon zonder beperkingen in een financieel vergelijkbare positie worden gerekend tot het normale aanschaffingspatroon; · het is niet of niet veel duurder dan vergelijkbare producten. Een fiets met lage instap of met elektrische trapondersteuning is een goed voorbeeld van een algemeen gebruikelijke voorziening. Een dergelijke fiets wordt ook gebruikt door mensen zonder beperkingen (bijvoorbeeld door mensen die een lange afstand naar hun werk of school moeten fietsen), is gewoon bij de fietsenwinkel te koop, is duurder dan een gewone fiets maar is wel betaalbaar voor de meeste mensen. Maar ook valt te denken aan de bijvoorbeeld bij de ANWB verkrijgbare rollator. Zie bijlage 2. In geval van een laag inkomen (op bijstandsniveau) kan bij de gemeente geïnformeerd worden of een beroep gedaan kan worden op de bijzondere bijstand. 3.11Collectieve voorzieningen Collectieve voorzieningen zijn voorzieningen die individueel worden verstrekt, maar die door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Tot nu toe is het collectief vervoer (Deeltaxi) het meest duidelijke voorbeeld van een collectieve voorziening. Bij beperkingen op het gebied van vervoer ligt het primaat bij de Deeltaxi. Dat wil zeggen dat wanneer men geen gebruik kan maken van het reguliere openbaar vervoer, men mogelijk in aanmerking kan komen voor een cliëntenpasje van de Deeltaxi. Alleen wanneer is aangetoond dat de Deeltaxi niet geschikt is voor de cliënt, kan een individuele vervoersvoorziening (zoals taxikostenvergoeding) worden verstrekt. 3.12Goedkoopst adequate maatwerkvoorziening De verstrekking is altijd gebaseerd op de goedkoopst adequate voorziening. Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen, maar er wordt naast de adequaatheid en daarmee kwaliteit gekozen voor de oplossing die naar objectieve maatstaven de goedkoopste is. Indien cliënt een duurdere voorziening wil (die eveneens adequaat
- is)komen de meerkosten voor rekening van cliënt. In dergelijke situaties vindt de verstrekking plaats in de vorm van een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) gebaseerd op de goedkoopst compenserende voorziening. Een voorziening kan ook bestaan uit compensatie van noemenswaardige meerkosten ten opzichte van de algemeen gebruikelijke kosten die iemand voor de noodzakelijke voorziening moet maken. Hierbij kan worden gedacht aan een auto of fiets met (specifiek vanwege de beperking (noodzakelijke) aanpassingen. Een auto of fiets is algemeen gebruikelijk, dus de kosten hiervoor (normbedragen zoals vastgesteld door het NIBUD) worden niet vergoed, uitsluitend eventueel de meerkosten. 3.13Algemene weigeringsgronden 3.13.1Hoofdverblijf/woonplaats De cliënt komt alleen in aanmerking voor een maatwerkvoorziening (voor zelfredzaamheid en participatie) indien hij zijn hoofdverblijf in de gemeente heeft. 3.13.2Vermijdbaarheid en voorzienbaarheid De cliënt kan alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komen als de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs niet vermijdbaar was of niet voorzienbaar was. Achtergrond is dat van iedereen mag worden verwacht op tijd te anticiperen op ondersteuningsvragen die te voorzien zijn, bijvoorbeeld door rekening te houden met zijn of haar beperkingen in keuzes die worden gemaakt. Zo moet degene die weet dat als traplopen nu al lastig gaat en uiteindelijk zeer moeizaam of zelfs onmogelijk gaat worden, op tijd maatregelen nemen en gaan zoeken naar een alternatieve woning. Wachten tot het niet langer kan, gaat voorbij aan de eigen verantwoordelijkheid en leidt tot een afwijzing. Het verhuizen naar een woning waarvan bij verhuizing duidelijk is dat deze niet geschikt is voor de cliënt en/of zijn huisgenoten of dat de betreffende woning niet bedoeld is voor permanente bewoning, betekent ook dat er geen aanspraak bestaat op woonvoorzieningen. Ook een verhuizing die samenhangt met een levensfase (bijvoorbeeld ouder worden en kleiner en gelijkvloers willen gaan wonen) is voorzienbaar. Hierbij dient wel altijd maatwerk geboden te worden en de situatie per cliënt beoordeeld te worden. Indien een voorziening in de woning is aangebracht, zoals een douchescherm of een bad en het was op dat moment te voorzien dat deze voorziening in de toekomst niet meer adequaat zou zijn, bestaat geen aanspraak op compensatie in het kader van de wet. Voorzienbaarheid moet goed onderzocht worden en in kaart gebracht. Als een cliënt een aantal jaar geleden een bad heeft laten plaatsen en in de jaren daarna gezondheidsklachten heeft ontwikkeld, kan gesteld worden dat de problemen niet te voorzien waren. Echter is het wel mogelijk dat op het moment dat de gezondheidsklachten ontstonden, cliënt al had kunnen voorzien dat er problemen met de woning zouden ontstaan en kan dus verwacht worden van een cliënt dat hij rekening houdend met deze verwachting nagedacht zou hebben over bijvoorbeeld verhuizen. 3.13.3Algemene voorziening De cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening indien er een algemene voorziening is die: · daadwerkelijk beschikbaar is voor de cliënt; · financieel gedragen kan worden door de cliënt; Het college beoordeelt of de cliënt in redelijkheid de algemene voorziening kan betalen. Het is vervolgens aan de cliënt om dit te weerleggen. De cliënt moet aannemelijk maken dat de algemene voorziening financieel niet gedragen kan worden; passend en toereikend is voor de cliënt. 3.13.4Algemeen gebruikelijk In paragraaf 3.10 is al uitgelegd wat een algemeen gebruikelijke voorziening is. Er is voor een cliënt geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als deze eigenlijk algemeen gebruikelijk is. Met het criterium 'algemeen gebruikelijk' wordt dus beoogd om te voorkomen dat het college een cliënt een voorziening verstrekt waarover de cliënt, ook als hij of zij geen beperkingen had en gelet op de omstandigheden van betrokken cliënt, zou (hebben kunnen) beschikken. 3.13.5Eerder verstrekte voorziening Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover de aanvraag betrekking heeft op een al eerder verstrekte voorziening in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening is nog niet verstreken. Een uitzondering kan worden gemaakt als de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen. Hieronder wordt ook verstaan het risico dat verzekerd kan worden met een opstalverzekering. Het is eveneens redelijk te achten dat de cliënt - indien een derde schade heeft veroorzaakt - deze aansprakelijk stelt. 3.13.6Normale afschrijvingstermijn Het college verstaat onder de normale afschrijvingsduur de technische afschrijvingsduur. Dit houdt in dat het college niet gehouden is een economisch afgeschreven voorziening, die nog in goede staat is en passend voor de cliënt, in te nemen en een nieuwe maatwerkvoorziening te verstrekken. De normale afschrijvingstermijnen zijn als bijlage opgenomen (bijlage 3). Bij woonvoorzieningen mag rekening gehouden worden met de 'algemeen gebruikelijk te achten levensduur van een te vervangen voorziening'. Voor de beoordeling van bovenstaande en een overzicht van de gehanteerde afschrijvingstermijnen wordt de beleidsregel 'levensduur woonvoorzieningen Wmo', gepubliceerd in het gemeenteblad op 23 maart 2016, gehanteerd. Deze is terug te vinden via https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-35286.html. 3.13.7Reeds gemaakte kosten Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening indien de kosten voorafgaand aan het moment van aanvragen of beschikken zijn gemaakt en niet meer op dat moment is na te gaan of de maatwerkvoorziening noodzakelijk is en als goedkoopst adequaat is aan te merken. 3.13.8Niet voldoen aan verplichtingen De cliënt heeft de volgende verplichtingen: Inlichtingenplicht Op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het de cliënt redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn om het besluit tot toekenning van de maatwerkvoorziening te heroverwegen. Dit stelt het college in staat om te beoordelen of het beroep op die maatwerkvoorziening of het daaraan gekoppelde persoonsgebonden budget nog terecht is. Verstrekt de cliënt niet onverwijld uit eigen beweging of op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de toekenning van de maatwerkvoorziening of het daaraan gekoppelde persoonsgebonden budget. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de cliënt vragen. Het niet naleven van de inlichtingenverplichting kan leiden tot: · buiten behandeling laten of afwijzen van de aanvraag of · beëindigen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en/of herzien/intrekken van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en terugvorderen. Medewerkingsplicht De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het verlenen van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met de (beoordeling van
- de)aanspraak op maatwerkvoorzieningen. Deze medewerking verplichting geldt ook voor huisgenoten indien het gaat om de beoordeling van eventuele gebruikelijke hulp. Het niet of onvoldoende meewerken aan het onderzoek kan leiden tot: · buiten behandeling laten van de aanvraag (Awb), indien onvoldoende informatie bekend is; · beëindigen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en/of · herzien/intrekken van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en terugvorderen. 3.13.9Geen aanleiding voor verhuizen, tenzij belangrijke reden Aanspraken op maatwerkvoorzieningen die het gevolg zijn van een verhuizing vanuit een voor de cliënt geschikte woning en waarvoor dus geen noodzaak bestaat, leiden tot afwijzing. Dat is anders indien er een belangrijke reden voor de verhuizing bestaat. Onder belangrijke reden kan bijvoorbeeld worden verstaan: het gaan samenwonen, huwelijk of echtscheiding en het aanvaarden van werk op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is steeds afhankelijk van een weging van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de maatwerkvoorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vergen eigen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen. In deze uitzonderingssituaties mag verwacht worden dat de cliënt vooraf contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst adequate oplossing is. 3.13.10College niet vooraf geïnformeerd Uit de jurisprudentie blijkt dat van cliënten mag worden verwacht dat ze eerst contact opnemen met het college voordat ze een andere woning huren of kopen of een (nieuw) gehuurde of gekochte woning willen gaan aanpassen. Het college moet de gelegenheid krijgen om vooraf eventuele alternatieven en de goedkoopst adequate oplossing in kaart te brengen met cliënt. Het is aan cliënt om tijdig maar in ieder geval ruim voordat men een huurcontract of (voorlopig) koopcontract aangaat, contact op te nemen. 3.14Herziening, intrekking, terugvordering en verhaal 3.14.1Herziening of intrekking 3.14.1.1Bij een beleidswijziging Artikel 2.3.9 van de Wmo 2015 geeft aan dat de gemeente de verantwoordelijkheid heeft om elke indicatie periodiek te onderzoeken. De aanleiding hiertoe kan een beleidswijziging zijn. De gemeente zal in voorkomende gevallen: · tijdig de nodige algemene, publieke communicatie daartoe verzorgen · en daarbij de situatie van elke individuele cliënt zorgvuldig en nader onderzoeken met in acht name van een redelijke overgangstermijn. 3.14.1.2Op individueel niveau Artikel 2.3.10, eerste lid Wmo 2015 geeft aan dat het college een beslissing tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget kan herzien dan wel intrekken. De bevoegdheid kan worden toegepast wanneer: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet meer toereikend is; d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden; e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt. Om de ondersteuning betaalbaar te houden en alleen ter beschikking te stellen aan diegene die het daadwerkelijk nodig heeft, voert het college als beleid dat wanneer een of meer van de hiervoor (onder a tot en met
- e)genoemde situaties zich voor doen, gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om de beslissing tot verstrekking van de maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget in te trekken of te herzien. Daaraan dient echter wel een zorgvuldige belangenafweging vooraf te gaan. In dat kader zal de cliënt (op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht) ook vooraf moeten worden gehoord. Daar waar mogelijk wordt het intrekkingsbesluit en een terugvorderingsbesluit in één brief gecombineerd. 3.14.2Terugvordering Terugvordering naar aanleiding van een beslissing op grond van artikel 2.3.10, eerste lid onder a Wmo 2015. In artikel 2.4.1, eerste lid Wmo 2015 en in art. 15, vierde tot en met zesde lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Halderberge 2020 is, ten aanzien van besluiten op grond van artikel 2.3.10, eerste lid onder a Wmo 2015, de bevoegdheid tot terugvordering geregeld. De mogelijkheid tot terugvordering is beperkt tot schending van de inlichtingenplicht en die schending moet bovendien opzettelijk hebben plaatsgevonden. Het college wenst bij de Wmo 2015 als uitgangspunt te hanteren dat bij een (opzettelijke) schending van de inlichtingenplicht in beginsel tot terugvordering van de geldwaarde van de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget wordt overgegaan. Daarvan ziet het college slechts af als achteraf nog objectief kan worden vastgesteld dat de gemeente niet (in financiële zin) is benadeeld. Van het opzettelijk schenden van de inlichtingenplicht is naar het oordeel van het college in ieder geval sprake wanneer de cliënt of degene die daaraan zijn medewerking heeft verleend, wist of behoorde te weten dat de informatie die hij niet, niet tijdig dan wel onvolledig aan het college heeft overgelegd van invloed kon zijn op het vaststellen van het recht op een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget en is vastgesteld dat die informatie niet, niet tijdig dan wel onvolledig aan het college is overgelegd. In dat verband zal bij de toekenningbeschikking nadrukkelijk moeten worden gewezen onder welke omstandigheden van de cliënt en/of zijn netwerk wordt verlangd welke informatie wanneer aan het college moet worden overgelegd. Het voorgaande moet niet limitatief worden opgevat. Ook in andere situaties kan sprake zijn van opzet. Het is aan het college om dit te onderbouwen en de beslissing tot terugvordering te motiveren. 3.14.3Verhaal Verhaal van kosten naar aanleiding van een beslissing op grond van artikel 2.3.10, eerste lid onder b tot en met e Wmo 2015. Het college kan het besluit op grond waarvan het pgb is verstrekt, herzien of intrekken in de onder artikel 2.3.10, eerste lid onder a tot en met e Wmo 2015 genoemde gevallen. Door de herziening of intrekking van het besluit komt de rechtsgrond van de verstrekking geheel (bij intrekking) of gedeeltelijk (bij herziening) te vervallen. Dit kan - indien van toepassing - met terugwerkende kracht. De terugvordering krachtens artikel 2.4.1 Wmo 2015 is beperkt tot de in artikel 2.3.10, eerste lid onder a Wmo 2015, genoemde gevallen waarin sprake is van (aantoonbare) opzet. Het college kan het in die gevallen terug te betalen bedrag bij dwangbevel invorderen. In de overige gevallen is titel 4.4 (Bestuursrechtelijke geldschulden) uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Artikel 4:85, eerste lid, onder b, Awb bepaalt dat titel 4.4 van toepassing is op geldschulden die voortvloeien uit een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep. De verplichting tot betaling van een geldsom (het ten onrechte verkregen persoonsgebonden budget of de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening) wordt bij beschikking vastgesteld (artikel 4:86, eerste lid Awb). 4.Maatwerkvoorzieningen De Wmo 2015 gaat uit van maatwerk door te kijken naar de mogelijkheden van de client in het participeren in de maatschappij. Hierbij wordt gekeken hoe de beperkingen die iemand ondervindt opgelost kunnen worden, en het te behalen resultaat en welke oplossingen daarbij passen. Twee personen met dezelfde beperking kunnen voor andere voorzieningen in aanmerking komen, omdat zij op andere terreinen beperkingen ondervinden of over verschillende oplossingen beschikken. Het is in deze beleidsregels dan ook niet de bedoeling om een lijst op te stellen waar iemand voor in aanmerking komt met een bepaalde beperking. Per persoon wordt eerst gekeken naar de mogelijkheden om zelf of in het netwerkoplossingen te vinden voor zijn beperking. Wel is getracht om, mede op basis van jurisprudentie - richtlijnen te geven waarin een maatwerkvoorziening kan voorzien. Wmo-maatwerkvoorzieningen worden resultaatgericht afgegeven. De Wmo professional bekijkt samen met de cliënt welke resultaten behaald moeten worden ("het WAT") en welke aandachtsgebieden nodig zijn. Op welke manier ("het HOE") de resultaten en daarmee samenhangend de aandachtsgebieden het beste gerealiseerd kunnen worden, wordt overgelaten aan de aanbieder in overleg met de cliënt. In de Wmo 2015 zijn in ieder geval de volgende resultaatgebieden te vinden: · huishoudelijke ondersteuning: het voeren van een gestructureerd huishouden · verplaatsen in en om de woning · normaal gebruik van de woning: het wonen in een geschikte woning · vervoer: lokaal verplaatsen per vervoermiddel · begeleiding: individueel, groepsbegeleiding en logeeropvang. Het hebben van (dag)structuur in het persoonlijke leven en voeren van regie daarover en het mogelijk maken van mantelzorg · ontmoeten van medemensen en het aangaan (en onderhouden) van sociale verbanden · uitvoeren noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen. 4.1De voorziening in natura Een voorziening in natura wordt door het college bij beschikking verstrekt. In de beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking plaatsvindt. De verdere uitwerking van natura voorzieningen wordt in andere hoofdstukken van deze beleidsregels beschreven. 4.2Beschikking natura Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: zie artikel 10 van de verordening aangevuld met: verplichting doorgeven van wijzigingen; op basis van welk artikel van de Verordening dit besluit is genomen; bezwaarmogelijkheid. 4.3.Eigen bijdrage Als sprake is van een door de cliënt te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover zowel tijdens het gesprek als in de beschikking geïnformeerd. Als een cliënt vragen heeft over zijn/haar eigen bijdrage is op www.hetcak.nl een antwoord te vinden op veel gestelde vragen. 4.4Huishoudelijke ondersteuning: Het voeren van een gestructureerd huishouden Huishoudelijke ondersteuning is een middel om te kunnen participeren en zelfredzaam te zijn, het is geen doel op zich. In eerste instantie wordt gekeken of algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen een oplossing bieden alvorens een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Daarnaast dient te worden gekeken naar de keuzes die cliënt maakt (of dient te maken) welke van invloed zijn op de ondersteuning en dienen tips gegeven te worden bij bevordering van de zelfstandigheid. Dit is maatwerk op basis van een persoonlijk onderzoek en daar waar nodig met flexibiliteit (maatwerk). Het doel van deze beleidsregels is helder te maken waar de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor dient en wat gemeente, cliënt en aanbieder kunnen verwachten. Wat kan de cliënt verwachten bij de indicatie voor de voorziening vanuit de gemeente en de levering van de benodigde zorg vanuit de aanbieder. De gemeente stelt op basis van het onderzoek vast welke resultaten en welke aandachtsgebieden voor de cliënt moeten worden geïndiceerd. De gemeente geeft aan de aanbieder door welk resultaat behaald moet worden en welke aandachtsgebieden verder uitgewerkt moeten worden. De aanbieder stelt vervolgens samen met de cliënt in het leveringsplan de verfijning op van de daadwerkelijke taken en werkzaamheden met samenhangend de frequentie daarvan. In de opgenomen frequentietabel zijn voor de verschillende resultaatgebieden de benodigde werkzaamheden met bijbehorende gemiddelde frequenties omschreven. Naar aanleiding van het maatwerk per cliënt kan hier gemotiveerd van worden afgeweken. Belangrijk moet zijn dat de inzet wordt bepaald in dialoog tussen aanbieder en cliënt. De gemeente toetst dit leveringsplan aan de hand van het verslag en gemeentelijke beleidsregels, zodat de uiteindelijke indicatie kan worden vastgesteld. 4.4.1Afwegingskader Alleen maatwerkvoorziening als er geen andere oplossingen zijn Hulp bij het voeren van een huishouden wordt alleen geboden wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen op dit leefgebied kunnen voorkomen of oplossen. Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren dan ook tot de eigen verantwoordelijkheid. In de dagelijkse praktijk kan dit ook betekenen dat een deel van het huishouden door cliënt wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden. Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking aan een zo efficiënt mogelijke ondersteuning. Dit betekent dat van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en de planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt aan het zo mogelijk voorbereiden van de was en het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning. Schoonmaakhulp voor eigen rekening Was men al gewend om voor eigen rekening een schoonmaakhulp in te huren, dan is het enkele feit dat er zich beperkingen voordoen geen reden om een beroep te doen op gemeentelijke ondersteuning. Wel moet worden meegewogen of door het ontstaan van beperkingen financiële mogelijkheden wegvallen of dat de ondersteuning door de 'gebruikelijk aanwezige' schoonmaak niet meer toereikend is. 4.4.2Resultaat gericht werken: een gestructureerd huishouden Zelfredzaamheid is het in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Bij het kunnen participeren en zelfredzaam zijn mag de huishouding geen obstakel vormen. Het hoeft niet overal 'spic en span' te zijn, maar het huishouden moet 'op orde' zijn. Er kan goed en veilig geleefd worden, het vormt een basis, waar de cliënt mensen kan ontvangen en van waaruit de cliënt kan participeren in de samenleving. Procesbeschrijvingen voor zowel zorg in natura en pgb zijn terug te vinden in de bijlage 5. Aandachtsgebieden Een gestructureerd huishouden wordt in Halderberge uitgewerkt in vijf aandachtsgebieden: 1) Een schoon en leefbaar huis; 2) Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften; 3) Beschikken over schone en draagbare kleding; 4) Instructie, advies en voorlichting; 5) Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren. 1) Een schoon en leefbaar huis Een schoon huis betekent dat het huis stof- en vlekvrij is, zodanig dat het niet vervuild is. Daarom dient er periodiek binnenshuis te worden schoongemaakt. Schoon volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Dit kan heel praktisch betekenen dat de uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden niet helemaal voldoen aan de persoonlijke standaard en verwachtingen van iedere cliënt afzonderlijk. Dat betekent dat er niet wordt schoongemaakt uit gewoonte, maar om te voorkomen dat het vervuilt. De inzet moet echter wel in alle redelijkheid en in voldoende mate aansluiten bij de persoonlijke situatie (mogelijkheden en beperkingen) en de leefwijze (gezinssamenstelling en gezondheid) van een cliënt. De cliënt moet eerst zelf al het mogelijke gedaan hebben om vervuiling te beperken. Leefbaar betekent dat het huis opgeruimd is en dat de cliënt gebruik kan maken van alle primaire leefruimten. Onder huis wordt verstaan alle primaire leefruimten die door een leefeenheid daadwerkelijk voor het daarvoor bestemde doel frequent gebruikt worden in de woning: woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer, toilet , trap, overloop en hal. In de jurisprudentie zijn hier verschillende uitspraken over terug te vinden, onder andere: ECLl:NL:CRVB:2017:885 (tuin), ECLl:NL:CRVB:2014:1627 (voortuin, hal, gang en trap), ECLl:NL:CRVB:2014:2330 (praktijkruimte aan huis), ECLl:NL:CRVB:2013:2032 (essentiële leefruimten van de cliënt) 2) Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften In elk huishouden zijn boodschappen voor de dagelijkse levensbehoeften (voedsel, toilet- en schoonmaakartikelen) en activiteiten nodig. Het is heel normaal dat mensen geclusterd boodschappen doen door eenmaal in de week grote voorraad in huis te halen. In het algemeen geldt dat het verzorgen van de boodschappen niet geïndiceerd wordt als maatwerkvoorziening. Hiertoe wordt in de meeste gevallen gebruik gemaakt van een algemeen gebruikelijke dienst (zoals de plaatselijke boodschappendienst) of zetten mensen uit het sociale netwerk zich hiervoor in. Uitsluitend wanneer het eigen netwerk en een boodschappenservice geen optie is, kan een indicatie worden afgegeven van in principe één keer per week boodschappen halen en opbergen. Hieronder vallen niet de grotere inkopen zoals kleding en duurzame goederen, zoals apparaten. Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat met betrekking tot maaltijden is dat de broodmaaltijden worden bereid en klaargezet en een warme maaltijd wordt opgewarmd en/of klaargezet. In de meeste situaties kan van een algemeen gebruikelijke dienst zoals maaltijdservice voor de warme maaltijd, gebruik worden gemaakt. Ook zijn er kant-en-klaar maaltijden te koop die een oplossing kunnen bieden. Tevens biedt het eigen sociale netwerk mogelijk opties. Uitsluitend wanneer het eigen netwerk of een maaltijdservice geen optie is (bv geen leveringsgebied), kan een indicatie worden afgegeven voor het opwarmen van de maaltijd en/of voor het klaar maken van de broodmaaltijd. 3) Beschikken over schone en draagbare kleding: Het doel van dit aandachtsgebied is dat de cliënt beschikt over schone kleding. Het omvat het wassen, het drogen, strijken en/of vouwen van kleding en het terugleggen van kleding in de garderobekast. Verwacht wordt dat de cliënt beschikt over een wasmachine. Als die er niet is, behoort het aanschaffen van een wasmachine tot de verantwoordelijkheid van de cliënt, aangezien een wasmachine als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd. Daarnaast wordt van de cliënt verwacht dat de reikwijdte van de ondersteuning tot een minimum wordt beperkt door bijvoorbeeld de aanschaf van een wasdroger of kleding die niet gestreken hoeft te worden. De dagelijkse kleding moet met enige regelmaat worden gereinigd. Het gaat dan om het wassen, drogen, strijken en opvouwen. Uitgegaan wordt van 1 maal per week. Op grond van de persoonlijke situatie van een cliënt kan er in overleg tussen aanbieder en cliënt een afwijkende frequentie worden vastgelegd in het leveringsplan. Begeleiden bij het kopen van kleding hoort niet binnen dit aandachtsgebied. Via de collectieve maatwerkvoorziening: het WasPunt Cliënten die vanwege hun beperking in aanmerking komen voor het aandachtsgebied "beschikken over schone en draagbare kleding" kunnen gratis gebruik maken van het WasPunt. Dit is een collectieve maatwerkvoorziening. Een cliënt komt voor het WasPunt in aanmerking als hij niet zelf en/of met behulp van zijn omgeving de wasverzorging uit kan voeren. Het WasPunt is voor het wassen, drogen, strijken en vouwen van het wasgoed. Het wasgoed wordt één keer per week op een vaste ochtend thuis opgehaald en vervolgens weer binnen twee dagen bij de cliënt thuisgebracht. Er kunnen maximaal drie waszakken (witte was, lichtbonte was en bonte was) per week worden meegegeven. In principe wordt de was gedroogd in de droger. De kleding die niet in de droger kan, wordt opgehangen. De schone was gaat gevouwen in een wasmand. Het WasPunt wast o.a. geen vitrage, overgordijnen, dekbedden, spreien en jassen. Als om medische of andere zwaarwegende redenen de was van de kleding niet via het WasPunt gedaan kan worden, wordt de was door de medewerk(st)er van de zorgaanbieder gedaan en kan het aandachtsgebied "beschikken over schone en draagbare kleding" als individuele maatwerkvoorziening worden geïndiceerd. 4) Advies, Instructie en voorlichting Het doel van dit aandachtsgebied om de cliënt te leren om zelfstandig of met lichte ondersteuning de huishoudelijke taken uit te voeren. De activiteit is gericht op het aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis en de wasverzorging en/of boodschappen en maaltijden. Dit aandachtsgebied is alleen van toepassing als een cliënt ontwikkelbaar is. 5) Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is primair een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er voor zorg dragen dat er op tijden dat zij beiden werken, opvang voor de kinderen is. Dat kan worden ingevuld op de manier waarop zij dat willen (oppas, grootouders, kinderopvang), maar het is een eigen verantwoordelijkheid. Dat is niet anders in de situatie dat één of beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. Kan/kunnen de ouder(
- s)deze rol tijdelijk niet vervullen waarbij het gaat om een onvoorziene, acute, situatie dan kan aanvullend op de eigen mogelijkheden extra huishoudelijke ondersteuning voor de duur van maximaal 3 maanden worden geïndiceerd. Het gaat nooit om een volledige overname. De wet heeft in deze vooral een taak om tijdelijk in te springen, zodat ruimte ontstaat om een goede oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost, zodat gezocht kan worden naar een permanente oplossing. 4.4.3Afwegingskader voor een schoon en leefbaar huis Alleen maatwerkvoorziening als er geen andere oplossingen zijn Huishoudelijke ondersteuning wordt alleen geboden wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen op dit leefgebied kunnen voorkomen of oplossen. Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd dan wel kunnen worden aangeleerd (reablement) behoren dan ook tot de eigen verantwoordelijkheid. In de dagelijkse praktijk kan dit ook betekenen dat een deel van het huishouden door cliënt wordt uitgevoerd en voor een ander deel (tijdelijk als er sprake is van reablement) ondersteuning wordt geboden. Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking aan een zo efficiënt mogelijke ondersteuning. Dit betekent dat van de betrokkene mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en de planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt aan het zo mogelijk voorbereiden van de was en het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning. Hanteren van cliëntprofielen Bij de inzet van huishoudelijke ondersteuning wordt gekeken naar de wijze waarop de cliënt kan worden gestimuleerd om zelf huishoudelijke werkzaamheden te blijven doen of weer te gaan doen. Daarom wordt gewerkt met twee cliëntperspectieven, te weten: 1. ontwikkeling 2. stabilisatie We verstaan onder ontwikkeling en stabilisatie het volgende: Ontwikkeling: met de cliënt wordt toegewerkt naar ontwikkeling in zijn of haar zelfredzaamheid waardoor geen of minder huishoudelijk ondersteuning vanuit de Wmo noodzakelijk is. Stabilisatie: er is sprake van een behoefte aan huishoudelijke ondersteuning vanuit de Wmo, omdat de cliëntsituatie en de mogelijkheden van diens netwerk zich er niet toe lenen om zich te ontwikkelen om de huishoudelijke taken volledig of deels zelfstandig uit te (gaan) voeren. NB: Er kan ook sprake zijn van achteruitgang in de situatie van de cliënt. Voor de taken die de huishoudelijke ondersteuning uitvoert, die gericht zijn op een schoon en leefbaar huis, heeft dit geen consequenties. Behalve dat de ondersteuningsbehoefte zo groot kan worden dat de huishoudelijke ondersteuning wordt overgenomen door de Wlz. Gebruikelijke hulp Als de cliënt huisgenoten heeft die in staat zijn de huishoudelijke werkzaamheden over te nemen komt de cliënt niet in aanmerking voor huishoudelijke ondersteuning. Volgens algemeen aanvaarbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Gebruikelijke hulp heeft dus een verplichtend karakter en hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, drukke werkzaamheden of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden. Er kunnen zich bijzonderheden voordoen waardoor de gebruikelijke hulp niet kan worden verleend. Denk bijvoorbeeld aan overbelasting of dreigende overbelasting. Zie verder hierna. Volwassene, jongeren en kinderen Iedere volwassene wordt geacht ook naast een (drukke) baan en/of gezin een huishouden te voeren. Jonge volwassenen in de leeftijd van 18 tot 23 jaar worden geacht een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Vanaf 23 jaar wordt iemand geacht een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. Van kinderen in de leeftijd tussen twaalf en achttien jaar wordt verwacht dat zij hun eigen kamer schoonhouden en een bijdrage leveren in de licht huishoudelijke taken (zoals tafel afruimen, afwassen, kleding in de wasmand doen, kleine boodschappen halen). Uitzondering op een of meer van bovenstaande huishoudelijke taken kan worden gemaakt als de 18-23 jarige zelf beperkingen heeft en/of er sprake is van (mogelijke) overbelasting en/of een negatieve invloed op schoolprestaties. Leefeenheid en/of huisgenoot Aangezien bij iedere vraag een onderzoek naar de individuele kenmerken en mogelijkheden van de cliënt wordt gedaan, is het mogelijk om af te wijken van gebruikelijke hulp. Uit jurisprudentie van de Wmo is bekend dat als een huisgenoot afwezig is met een verplichtend karakter én er sprake is van taken die niet uitgesteld kunnen worden er geen gebruikelijke hulp kan worden verwacht. Wel zal eerst onderzocht worden welke andere eigen en/of voorliggende oplossingen beschikbaar zijn (binnen het gezin/sociale netwerk). Wanneer een huisgenoot afwezig is met een verplichtend karakter én er sprake is van taken die niet uitgesteld kunnen worden, wordt onderzocht in hoeverre de huisgenoot een deel van de (uitstelbare) taken al dan niet kan overnemen. Als dat niet (volledig) kan, kan een (gedeeltelijke) maatwerkvoorziening worden toegekend. Voor huisgenoten die aangeven geen huishoudelijke taken over te kunnen nemen, omdat ze niet weten hoe dit moet en dit nog nooit hebben gedaan, kan korte tijd huishoudelijke ondersteuning worden ingezet om de huisgenoot de vaardigheden aan te leren. Wanneer een huisgenoot overbelast blijkt te zijn of dreigt te worden door de zorg voor cliënt, kan tevens tijdelijk huishoudelijke ondersteuning worden ingezet. Voor een objectieve beoordeling van (dreigende) overbelasting zal in de meeste gevallen een medisch adviseur geraadpleegd worden. Van cliënt en huisgenoot wordt dan verwacht dat zij onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te verminderen, zodat op den duur de huishoudelijke taken weer door de huisgenoot kunnen worden overgenomen. Alleen wanneer blijkt dat - na een tijdelijke indicatie - ondanks pogingen van betrokkenen om tot oplossingen te komen het echt niet mogelijk is om de overbelasting te reduceren, kan langduriger huishoudelijke ondersteuning worden ingezet. Tevens geldt dat eerst onderzocht wordt welke andere eigen en/of voorliggende oplossingen dan wel voorzieningen beschikbaar zijn (binnen het gezin/sociale netwerk). Mantelzorg Veel personen zijn bereid mantelzorg te verlenen. Deze vorm van vrijwillige ondersteuning door derden, doorgaans niet behorend tot de leefeenheid, gaat voor op ondersteuning van de gemeente. Tegelijk is deze vorm van vrijwillige hulp niet afdwingbaar en daarmee in de praktijk vaak incidenteel en aanvullend op andere vormen van zorg. Indien noodzakelijk kan de gemeentelijke ondersteuning bestaan uit tijdelijke vervanging van de mantelzorger. Algemene voorziening - algemeen gebruikelijke voorziening Algemene voorziening Als eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg of vrijwilligershulp geen of onvoldoende oplossing bieden, wordt bekeken of een algemene voorziening een (gedeeltelijke) oplossing kan bieden. Om van een algemene voorziening gebruik te kunnen maken wordt niet naar de specifieke individuele behoefte aan maatschappelijke ondersteuning gekeken. Dat is bij een maatwerkvoorziening wel het geval. Denk bijvoorbeeld aan een maaltijdservice (tafeltje-dek-
- je)of vrijwilligers. Beoordeeld wordt of de betreffende algemene voorziening beschikbaar is, financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau en een compenserende oplossing is. Algemeen gebruikelijk Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de cliënt met een voor hem als algemeen gebruikelijk te beschouwen zaak of dienst kunnen worden opgelost dan wel verminderd. Ratio Deze bepaling heeft als doel te voorkomen dat een voorziening wordt verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen, aannemelijk is dat deze daarover zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een zaak of dienst is voor de cliënt als aanvrager algemeen gebruikelijk als deze: 1. niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; en 2. de voorziening is daadwerkelijk beschikbaar; en 3. een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is: en 4. financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. De criteria zijn cumulatief. Dat betekent dat een voorziening pas als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt indien aan alle voornoemde criteria wordt voldaan. Het is ter beoordeling aan het college of er op het moment van de aanvraag sprake is van een zaak of dienst die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruikspatroon van een persoon als de cliënt (aanvrager) behoort. Hierbij is het inkomen in principe niet van belang. Bij structurele kosten zoals de maaltijdservice of de boodschappendienst kan dat anders zijn. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt echter wel dat deze kosten ook passend worden geacht voor personen met een inkomen op het sociaal minimum. Uitzonderingen zijn mogelijk als de zaak (of dienst) vanwege omstandigheden van de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om een plotseling optredende beperking waardoor algemeen gebruikelijke zaken eerder dan normaal moeten worden vervangen. Zaken die zijn afgeschreven worden algemeen gebruikelijk geacht en als renovatie aangemerkt. Voorbeelden zijn badkamers (inclusief sanitair en kranen) of keukens. Bij algemeen gebruikelijke zaken voor een schoon en leefbaar huis kan onder andere worden gedacht aan algemene technische hulpmiddelen: afwasmachine, aangepast bestek, (robot)stofzuiger, steelstofzuiger, wasmachine, wasdroger, verhoging voor wasmachine of wasdroger. In bijlage 2 is een lijst van algemeen gebruikelijke voorzieningen opgenomen. Invloed van de woonvorm Als mensen zelfstandig samenwonen op één adres en gemeenschappelijke ruimte(
- n)delen, wordt verwacht dat het aandeel in het schoonmaken van de gedeelde ruimtes bij uitval van één van de bewoners wordt overgenomen door een andere bewoner. Bij kamerverhuur wordt de huurder van de betreffende ruimte niet als een huisgenoot gezien van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht. Dat er sprake is van kamerhuur moet met een huurovereenkomst worden aangetoond. Huishoudelijke ondersteuning wordt bij meerdere bewoners alleen geleverd in de woonruimte van cliënt en een evenredig deel van het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimte. Hierbij kan worden gedacht aan woongroepen of vormen van beschermd wonen of meerdere generaties in één huis. Voor de aanwezige beschermde woonvormen wordt specifiek op de situatie afgestemde ondersteuning geïndiceerd. Hierbij wordt naast de eigen mogelijkheden van de bewoners ook rekening gehouden met het doel en de intensiviteit van het gebruik van de gemeenschappelijke ruimtes. Een grotere woning leidt niet vanzelfsprekend tot meer inzet van ondersteuning. Er wordt uitgegaan van het niveau van sociale woningbouw. In vakantiewoningen, tweede woningen, hotels/pensions, kamerhuur c.q. huisvesting niet bedoeld voor permanente bewoning wordt geen huishoudelijke ondersteuning verstrekt. Aangezien een vakantie doorgaans van korte duur is, is er sprake van uitstelbare taken of kan schoonmaak bij de verhuurder worden ingekocht. Ook wanneer men langer verblijft in de hierboven genoemde woonvormen, wordt geen huishoudelijke ondersteuning verstrekt. Invloed van aanwezigheid huisdieren De aanwezigheid van een huisdier, behoudens een hulphond, geeft in beginsel geen aanleiding tot het vaststellen van extra activiteiten of het voorzien in een hogere frequentie. Voortzetten hulp na overlijden huisgenoot of bij permanente opname van de cliënt (naar bijvoorbeeld een verpleeghuis met WLZ indicatie) Wanneer binnen een leefeenheid de cliënt overlijdt wordt onderzocht of huishoudelijke ondersteuning nodig is voor de overgebleven partner. Dit beleid is ook van kracht als er sprake is van een permanente opname van de cliënt. Partner overledene heeft geen ondersteuning nodig Bij overlijden van een cliënt (of permanente opname met een Wlz indicatie) kan de huishoudelijke ondersteuning (ten behoeve van de partner) tot en met de eerstvolgende kalendermaand worden door geleverd op naam van de overleden cliënt. Partner overledene heeft wel ondersteuning nodig De huishoudelijke ondersteuning wordt doorgeleverd, zoals hierboven is beschreven. De gemeente zal zo spoedig mogelijk een nieuw besluit (beschikking) afgeven aan de partner. Vervuiling voorkomen Dit aandachtsgebied heeft tot doel dat cliënt kan wonen in een huis dat schoon is. Schoon is een subjectief begrip waar geen objectieve maatstaven voor te geven zijn. Daarom hanteren wij als leidend principe dat door de maatwerkoplossing vervuiling voorkomen moet worden. Bij dit resultaat gaat het om huishoudelijk werk in de ruimten die dagelijks in gebruik zijn, bijvoorbeeld de woonkamer, de in gebruik zijnde slaapvertrekken, de keuken en de sanitaire ruimten. Deze ruimten zijn die ruimten die, op het niveau sociale woningbouw, voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn. Indien aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege het feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont, wordt in Halderberge het niveau sociale woningbouw gehanteerd . Maatwerkvoorzieningen Als de hiervoor beschreven afweging niet geleid heeft tot een (volledige) oplossing van de hulpvraag zal het College een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van: • huishoudelijke ondersteuning light • Huishoudelijke ondersteuning ontwikkeling • Huishoudelijke ondersteuning stabilisatie kortdurend • Huishoudelijke ondersteuning stabilisatie langdurend • Wasverzorging • Boodschappen • Maaltijden Voor de doelgroep huishoudelijke ondersteuning plus • Huishoudelijke ondersteuning ontwikkeling plus • Huishoudelijke ondersteuning stabilisatie plus • Wasverzorging • Boodschappen • maaltijden Een combinatie van huishoudelijke ondersteuning stabilisatie (plus), wasverzorging, boodschappen en maaltijden kan voorkomen. In bijlage 6 worden deze vormen toegelicht Huishoudelijke ondersteuning plus Huishoudelijke ondersteuning plus (ontwikkeling of stabilisatie) wordt ingezet als er sprake is van gedragsproblematiek. Hierbij heeft of toont iemand grensoverschrijdend gedrag waardoor de huishoudelijke hulp naast het huishouden ook extra inzet moet plegen op het disfunctioneren van de leefeenheid en er bijzondere vaardigheden nodig zijn om met de situatie ter plaatse om te kunnen gaan om een schoon en leefbaar huis te kunnen realiseren. Denk bij gedragsproblemen als iemand zich negatief, dwars, opstandig, vijandig en/of agressief gedraagt en/of veel aandacht vraagt. Huishoudelijke ondersteuning offerte: Gemeenten blijven de mogelijkheid behouden om een offerte aan te vragen in die situaties waarbij het vullen van het leveringsplan uitwijst dat de cliëntsituatie zeer afwijkend is en het resultaat niet afdoende bereikt kan worden door middel van de eerder geformuleerde producten. Aanvraag op offerte is mogelijk indien als gevolg van objectiveerbare (medische) beperkingen klanten onvoldoende ondersteund worden door inzet van de bovengenoemde maatwerkvoorzieningen Voor het vaststellen van deze aanvullende activiteiten en/of frequenties wordt als richtlijn gebruik gemaakt van het Normenkader Huishoudelijk Ondersteuning 2019. Kindzorg wordt altijd op offertebasis verstrekt. 4.4.4. Werkwijze resultaatgericht werken: een gestructureerd huishouden Leveringsplan Huishoudelijke ondersteuning (zorg in natura en persoonsgebonden budget) wordt geïndiceerd op basis van resultaat. Bij zorg in natura maakt de aanbieder in opdracht van de gemeente in overleg met de cliënt een leveringsplan, waarin vastgelegd is welke activiteiten er plaatsvinden en wat de frequentie van activiteiten is. In het leveringsplan is opgenomen dat de uitvoering van het plan flexibel moet zijn. De gemeente toetst het leveringsplan met de bevindingen uit het verslag en met de beleidsregels voor huishoudelijke ondersteuning. Als het leveringsplan daarmee niet in overeenstemming is, wordt de aanbieder opdracht gegeven een aangepast leveringsplan te maken dat wel voldoet. Het leveringsplan maakt onderdeel uit van de beschikking. Op basis van persoonsonderzoek en in overleg met de cliënt zijn in het leveringsplan gemotiveerd aanpassingen in activiteiten en frequentie mogelijk. Om maatwerk te kunnen leveren is tevens een flexibele uitvoering van het leveringsplan mogelijk. Dat betekent dat er met instemming van de cliënt in de ene week meer/minder/andere activiteiten uitgevoerd kunnen worden dan in de andere week. Leidend is dat het resultaat passend moet zijn voor de cliënt. Beschikking Het leveringsplan maakt onderdeel uit van de beschikking en uit deze documenten moet duidelijk zijn wat de cliënt kan verwachten aan ondersteuning. Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019: Activiteiten en frequentie De activiteiten en frequenties binnen het leveringsplan dat de cliënt ontvangt én het niveau van schoon dat hiermee behaald kan worden is gebaseerd op het objectieve en onafhankelijke onderzoek, uitgevoerd door KPMG Plexus en Bureau HHM. Dit onderzoek is gepubliceerd onder de naam Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2016. De gemeente Halderberge volgt het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019. Dit is terug te vinden in bijlage 7. 4.5Verplaatsen in en om de woning 4.5.1Rolstoelvoorziening Het verplaatsen in en om de woning kan op verschillende wijzen plaatsvinden: met een rollator, lopend met krukken, met een trippelstoel of met een rolstoel. Van deze voorzieningen valt uitsluitend de rolstoel onder de Wmo. Een rolstoel is een voorziening om het bestaande verplaatsingsprobleem in en om de woning te compenseren. Verplaatsen is vervoer over kleine afstanden, van enkele tientallen tot maximaal enkele honderden meters. Wie op grond van beperkingen geen andere mogelijkheid heeft dan zich verplaatsen met een rolstoel, kan een rolstoel toegekend krijgen. De resultaatverplichting daarbij bestaat uit het zich kunnen verplaatsen, al dan niet met hulp van anderen. Voor een individuele maatwerkrolstoel geldt nog als eis dat "dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning" noodzakelijk is. Het gaat om verplaatsingen die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om cliënten die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel. Rolstoelen voor het zogenaamde 'incidentele' gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes, te gebruiken, vallen niet onder dit met een maatwerkvoorziening te bereiken doel. De algemene rolstoelvoorziening biedt mogelijkheden voor die cliënten die een rolstoel niet dagelijks maar incidenteel nodig hebben. Voor rolstoelen geldt dat voor kortdurend gebruik een beroep kan worden gedaan op de uitleen- of verhuurservice. 4.5.2Aanpassingen aan de rolstoel Met aanpassingen wordt bedoeld; extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten (zoals comfort beensteunen of een werkblad), maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt. Accessoires zoals een boodschappenmand en een extra spiegel zijn doorgaans wenselijk, maar niet noodzakelijk en worden daarom niet vergoed. 4.5.3Sportvoorziening Sporten kan een belangrijk middel tot participatie zijn. Wanneer het voor de cliënt zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn - dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport - kan een sportvoorziening worden verstrekt. Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel. De aanvrager moet aantonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening. De ervaring leert dat sportclubs, sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. Bovendien kost sporten zonder beperking ook geld dus mag van de aanvrager zelf ook worden verwacht dat hij een deel van de kosten draagt. 4.6Het wonen in een geschikte woning Om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving zijn er veel voorzieningen die dit mogelijk maken. We kennen de volgende woonvoorzieningen: · losse woonvoorzieningen: voorzieningen die niet nagelvast, dus verplaatsbaar zijn (bijvoorbeeld een toiletstoel); · bouwkundige woonvoorziening: nagelvaste voorzieningen (bijvoorbeeld een aangepaste keuken); · verhuiskostenvergoeding. Voor kortdurend gebruik (maximaal zes maanden) zijn losse woonvoorzieningen te leen via de uitleendepots van thuiszorgaanbieders of hulpmiddelenleveranciers. Losse voorzieningen hebben als voordelen dat ze vaak snel kunnen worden ingezet, soms voordeliger zijn, vaak voor meerdere doeleinden kunnen worden ingezet (bijvoorbeeld: een douchestoel ook gebruiken om aan de wastafel te zitten of om op te zitten bij het aankleden) en meegenomen kunnen worden in geval van verhuizing. Losse voorzieningen zijn daarom voorliggend op bouwkundige woonvoorzieningen. Een losse tillift is bijvoorbeeld te verkiezen boven een plafondlift. Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorgt dient te dragen voor een woning. Dit kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Daarbij mag ervan uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met beperkingen, ook wat betreft de toekomst. Gemeenten dragen niet de verantwoordelijkheid voor woningaanpassingen voor mensen met een indicatie voor de Wet Langdurige Zorg (WLZ - die op 1 januari 2015 is ingegaan) tenzij de indicatie een modulair pakket thuis of volledig pakket huis betreft. Dit houdt in dat bij het wachten op een plaats in een intramurale setting geen woningaanpassing verricht hoeft te worden. 4.6.1Voorzienbaarheid Uit de criteria voor een maatwerkvoorziening in artikel 8 van de Verordening blijkt dat de cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs niet vermijdbaar was, de noodzaak voor de voorziening niet voorzienbaar was of van cliënt niet verwacht kon worden dat hij maatregelen getroffen zou hebben die de hulpvraag overbodig hadden gemaakt. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer men verhuist naar een woning waarvan bij verhuizing duidelijk is dat deze niet geschikt is voor de cliënt of zijn huisgenoten, men niet in aanmerking komt voor woningaanpassingen. Een verhuizing die samenhangt met een levensfase (bijvoorbeeld ouder worden en kleiner en gelijkvloers willen gaan wonen) is voorzienbaar. Deze verhuizingen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd en hiervoor heeft men geld kunnen reserveren. Hiervoor wordt geen verhuiskostenvergoeding verstrekt. Als men ten gevolge van plotseling opgetreden beperkingen onvoorzien met een verhuizing wordt geconfronteerd, kan bij de gemeente een melding worden gedaan om met de Wmo professional in kaart te brengen welke mogelijkheden van bijstand en/of een maatwerkvoorziening er zijn. De cliënt moet zelf zoeken naar geschikte woonruimte en aan te tonen welke activiteiten hij heeft ondernomen. Een cliëntondersteuner kan hierbij, indien nodig, tot op zekere hoogte ondersteuning bieden. Een Wmo-professional bespreekt de casus in het structureel overleg met de woningcorporatie. 4.6.2Normaal gebruik van de woning Uit jurisprudentie blijkt dat een woningaanpassing als doel heeft normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden in principe geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals bijvoorbeeld een dialyseruimte en therapeutische baden. 4.6.3Algemeen gebruikelijke voorzieningen Veel woonvoorzieningen zijn tegenwoordig in de reguliere handel te koop, worden ook door mensen zonder beperkingen gebruikt en worden daarom als algemeen gebruikelijk beschouwd. Zie bijlage 2 waarin voorbeelden hiervan zijn benoemd. Deze lijst is niet limitatief en voortdurend in ontwikkeling. Indien producten tegen redelijke prijzen in bouwmarkten en warenhuizen worden verkocht, gaat dit voor op de verstrekking van een voorziening. Voor roerende woonvoorzieningen wordt een ondergrens gehanteerd van € 250. Indien een voorziening duurder is dan dit bedrag, kan dit als maatwerkvoorziening worden verstrekt. 4.6.4Primaat van verhuizen Als vaststaat dat een aanpassing aan de woning noodzakelijk is, zal allereerst worden bekeken of compensatie gerealiseerd kan worden door middel van een verhuizing naar een beschikbare geschikte woning of makkelijker geschikt te maken woning. Bij beoordeling van de mogelijkheid tot verhuizen wordt onderzoek gedaan naar de consequenties van de verhuizing, zoals financiële gevolgen, termijn van beschikbaarheid van een geschikte woning, aanwezige mantelzorg, sociale contacten, gevolgen voor kinderen etc. Blijft de noodzakelijke aanpassing beneden de grens van het primaat (ad 2.470,00 prijspeil 2021) dan wordt de noodzakelijke aanpassing uitgevoerd. Als de kosten voor de aanpassing hoger dan de verhuiskostenvergoeding zijn, wordt het primaat van verhuizen toegepast. Een cliënt moet als er sprake is van het primaat van verhuizen op zoek gaan naar een woning in heel de gemeente en een aangeboden woning accepteren ook al ligt die woning niet in de wijk of de kern waarin hij op dat moment woont. Een cliënt moet aantoonbaar maken dat hij actief op zoek is gegaan naar een andere woning. Dit kan door bijvoorbeeld de inschrijving bij klik voor wonen te tonen en ook de huizen waarop gereageerd is in beeld brengen. Bij een koopwoning moet de cliënt aantonen dat hij actief op zoek is gegaan naar een andere woning (koop/huur). Denk hierbij aan bijvoorbeeld enkele afspraken voor bezichtigingen van passende woningen. De rol van de Wmo professional is een cliënt hierop te wijzen en algemene informatie te verstrekken. Verder heeft de Wmo professional geen rol in het vinden van andere huisvesting. Een clientondersteuner kan hierbij ondersteuning bieden. In plaats van verhuizen kan een cliënt ook de keuze maken voor een persoonsgebonden budget. De hoogte van het persoonsgebonden budget is maximaal de primaatgrens. De overige noodzakelijke aanpassingen zullen door de cliënt zelf moeten worden gerealiseerd. Voorwaarde om voor dit persoonsgebonden budget in aanmerking te komen is dat de op basis van het advies noodzakelijke aanpassingen ook daadwerkelijk binnen een gestelde termijn uitgevoerd worden. 4.6.6Primaat losse woonunit Wanneer het primaat van verhuizing niet van toepassing is, dan moet beoordeeld worden welke aanpassingen noodzakelijk zijn. Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare beperkingen behoefte hebben aan een dergelijke woning, zal het College een herplaatsbare losse woonunit verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan'. Dit primaat nemen we op om te voorkomen dat grote bedragen over een gering aantal jaren afgeschreven moet worden: na aanpassing van een eigen woning is de kans op hergebruik immers gering. Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld doordat er voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit als er ook ruimte is voor het realiseren van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van de betrokkene een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel. De minimale afmeting waaraan een woonunit/aanbouw moet voldoen om goede ondersteuning te kunnen bieden en genoeg ruimte voor de inzet van hulpmiddelen is 12m2 voor een (eenpersoons)slaapkamer en 7,5m2 voor een natte cel. Het programma van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woonunit. Het is daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat - als de unit niet meer nodig is - dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan voor zorgdragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van een losse woonunit. Ook zal bij het toekennen van een losse woonunit staat het resultaat centraal, dat wil zeggen dat beoordeeld zal moeten worden of de losse unit de problemen bij het normale gebruik van de woning voldoende oplost. De weerstand tegen losse units kan groot zijn. Ook op dit punt moet een zorgvuldige afweging gemaakt worden. Maar anders dan bij het primaat van de verhuizing zal het in deze situatie minder snel voorkomen dat afgezien moet worden van het plaatsen van een losse unit. In principe zal de oplossing immers gelijk kunnen zijn aan een aanbouw. Het verschil zal primair gelegen zijn in het gegeven dat woning niet blijvend van een aanbouw voorzien zal zijn. Maar om voor een bepaalde aanvrager het resultaat te bereiken dat zijn woonprobleem oplost is, hoeft die oplossing niet langer te bestaan dan de band tussen de woning en de gehandicapte. Is een losse unit niet mogelijk, of is de aanpassing niet zodanig dat een afweging gemaakt moet worden, dan kan de stap naar de al dan niet bouwkundige aanpassing worden gemaakt. 4.6.7Bezoekbaar Wanneer de cliënt in een Wlz-instelling woont, kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van ouders) bezoekbaar worden gemaakt. Bezoekbaar houdt in dat de cliënt toegang heeft tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken. 4.6.8Woningsanering Wanneer sprake is van aantoonbare beperkingen ten gevolge van COPD, astma of allergie (zolang de allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of de bouwtechnische staat van de woning) waardoor vervanging van vloerbedekking of gordijnen noodzakelijk is, kan hiervoor (onder voorwaarden) een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. In principe wordt alleen de slaapkamer gesaneerd. Bij kinderen onder de vier jaar kan ook de woonkamer worden gesaneerd (vloerbedekking en/of gordijnen). De hoogte van de financiële tegemoetkoming is afhankelijk van de afschrijvingstermijn van de te saneren artikelen: - 100% als het artikel nieuwer is dan twee jaar; - 75% als het artikel tussen de twee en vier jaar oud is; - 50 % als het artikel tussen de vier en zes jaar oud is; - 25% als het artikel tussen de zes en acht jaar oud is. Cliënt dient zijn aanvraag te onderbouwen met facturen die de leeftijd van de materialen aantonen. Wanneer deze niet meer beschikbaar zijn, wordt in principe uitgegaan van een leeftijd van zes tot acht jaar. Bedragen op basis van Nibud prijzen (vloerbedekking, vinyl en jaloezieën). 4.6.9Gemeenschappelijke ruimten Het college zet geen maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing in, bijvoorbeeld automatische deuropeners, hellingbanen en/of het verbreden van een toegangsdeur, voor het aanpassen van een gemeenschappelijke ruimte. De (maatschappelijke) ondersteuning vanuit de Wmo is gericht op de aanvrager en strekt niet tot algemeen nut. Evengoed zal het college onderzoek doen naar de situatie van de cliënt om de situatie te beoordelen. 4.6.10Kosten van onderhoud en reparatie Alle voorzieningen in natura, waarvan de kosten € 1000 -(excl. Btw) of minder bedragen, zijn na verstrekking eigendom van de aanvrager. De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor het onderhoud en reparatie van deze voorzieningen. Voor alle voorzieningen in natura die meer kosten dan € 1000, - (excl. Btw) is de gemeente verantwoordelijk voor onderhoud, reparatie en de verzekering, mits er geen sprake is van nalatigheid van de cliënt; Het bedrag voor onderhoud en reparatie en voor verzekering van met een pgb verstrekte voorzieningen, wordt vastgesteld naar aanleiding van een pro-forma offerte van een hulpmiddelenleverancier, specifiek gericht op de betreffende voorziening. Het bedrag wordt vastgesteld voor vijf jaar en wordt uitgekeerd op declaratiebasis (na indienen van de facturen) via de gemeente; Bouwkundige woonvoorzieningen in natura (met uitzondering van traplift) worden eigendom van de woningeigenaar. De woningeigenaar is verantwoordelijk voor onderhoud en reparatie van de voorzieningen; Trapliften worden in bruikleen verstrekt. Deze zijn her inzetbaar, waardoor kapitaalvernietiging kan worden voorkomen. 4.6.11Terugbetaling woonvoorziening bij verkoop 1. De waardestijging als gevolg van het treffen van een woonvoorziening van meer dan €15.000 aan een eigen woning, dient bij eventuele vervreemding van de woning binnen 10 jaar na gereed melding van de woningaanpassing, aan de gemeente te worden terugbetaald door de aanvrager van de voorziening. 2. De waardestijging die door het treffen van een woningaanpassing ontstaat, wordt bepaald door taxatie van de woning voorafgaand aan het realiseren van de woningaanpassing en taxatie van de woning na gereed melding hiervan. De taxatie wordt uitgevoerd door een beëdigd taxateur, in opdracht van de gemeente. 3. De restitutie bedraagt in het eerste jaar 100% van de waardestijging, recht evenredig aflopend tot 10% van de waardestijging in het tiende jaar. 4. Het college beoordeelt bij een buiten de persoon gelegen, gedwongen verkoop van de woning, buiten de persoon gelegen omstandigheden, of bovenstaande regeling toegepast wordt. Bovenstaande regeling is niet van toepassing indien de aanvrager door omstandigheden, buiten de persoon gelegen, de woning gedwongen dient te verkopen. Dit is ter beoordeling aan het college. 5. In alle gevallen wordt de bijdrage, die voor rekening van de aanvrager is gekomen bij de toekenning van de woonvoorziening(en), in mindering gebracht op de waardestijging. Het terug te betalen bedrag bedraagt nooit meer dan het verstrekte pgb. 6.Wanneer de aanvrager van de voorziening komt te overlijden, binnen 10 jaar na gereed melding van de woningaanpassing, dient dit gemeld te worden aan de gemeente. Het college besluit wat er moet gebeuren met eventuele terugvordering of kwijtschelding, op basis van maatwerk. 5. Begeleiding: ontwikkeling, stabilisatie, verminderde zelfredzaamheid en logeerzorg Met ingang van de Wmo 2015 is de gemeente ook verantwoordelijk voor ondersteuning in de vorm van begeleiding. Door begeleiding wordt ondersteuning geboden gericht op de cliënt, zodat deze zelfredzaam blijft of wordt, zelfstandig kan blijven wonen, zijn week op orde heeft en kan deelnemen aan de maatschappij. Dit zijn activiteiten die gericht zijn op het structureren van de dag, het oefenen met vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen, toezicht op of aansturing bij activiteiten op het gebied van praktische vaardigheden, ondersteuning bij het organiseren van het dagelijks leven en het uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen. Anderzijds kan ondersteuning er ook op gericht zijn om het netwerk rondom de cliënt in staat te stellen om hun mantelzorgtaken (langer) vol te houden. Een combinatie van beide vormen van ondersteuning is mogelijk. 5.1Afwegingskader Het gaat om activiteiten gericht op het bevorderen of behoud van de zelfredzaamheid en / of maatschappelijke participatie en het voorkomen van opname of verwaarlozing van de cliënt. Gedacht kan worden aan het kunnen doen van de administratie, het plannen van de week, regelzaken- en geldzaken, het uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen, het hebben van een zinvolle invulling van de dag en ondersteuning bij het oplossen van problemen. Ook het ontlasten van de mantelzorger en/of gezinsleden maakt hier onderdeel van uit. Het gaat om activiteiten gericht op het bevorderen van de inzet van mantelzorg en / of het continueren van de inzet van de mantelzorg (voorkomen van overbelasting bij de mantelzorger). Gedacht kan worden aan logeervoorzieningen, het tijdelijk overnemen van toezicht, vormen van dagbesteding etc. Sinds 1 januari 2015 kunnen cliënten aanspraak maken op persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding. Deze verzorging houdt dan geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 kan dan bestaan uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), waaronder in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning en sociaal contact. Hanteren van clientperspectieven Het perspectief van de inwoner is van invloed op wat een inwoner zelf kan, wat binnen zijn sociale netwerk kan of wat met voorliggende / algemene voorzieningen opgelost kan worden. Bij begeleiding onderscheiden we drie clientperspectieven: Ontwikkelen: Met de client kan worden toegewerkt naar een verbetering in zijn of haar zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie waardoor geen of minder begeleiding vanuit de Wmo noodzakelijk is. Dit perspectief is gericht op afschalen en / of uitstroom. Stabiliseren: Er is sprake van een langdurige behoefte aan begeleiding vanuit de Wmo, omdat de clientsituatie zich op moment van indicatiestelling er niet toe leent zich op alle leefgebieden verder te ontwikkelen om zelfredzamer te worden en / of de maatschappelijke participatie te vergroten. Voor een deel van de cliënten is het perspectief stabilisatie tijdelijk, zij stromen uit of stromen door naar ontwikkeling als hun situatie is gestabiliseerd. Voor een ander deel van de cliënten is op één of enkele leefgebieden wel ontwikkeling mogelijk hetgeen op termijn kan leiden tot afschaling of uitstroom. Mogelijk regieverlies kan door het sociaal netwerk dan wel de aanbieder worden opgevangen. Verminderde zelfredzaamheid ( ondersteunen bij achteruitgang): Door een progressieve ziekte is de client in de situatie gekomen dat zijn zelfredzaamheid en participatie zodanig structureel achteruit zijn gegaan dat sprake is van regieverlies wat zodanig is dat dit uiteindelijk niet meer door het sociaal netwerk dan wel de aanbieder opgevangen kan worden en overgang naar de WLZ noodzakelijk is. De ondersteuning is erop gericht om de client en diens netwerk met deze onomkeerbare achteruitgang om te laten gaan en deze draaglijk te maken. De begeleiding kan zich richten op alle gebieden van de Zelfredzaamheidmatrix (zie bijlage 1). Allereerst beoordeelt het college of er eigen mogelijkheden zijn. Hierbij is niet de diagnose leidend (van welk ziektebeeld/ welke grondslag is sprake) maar zijn de mogelijkheden en beperkingen van de cliënt en zijn sociale netwerk leidend. Het is wel zaak om daarbij in kaart te brengen van welke aandoening of beperking sprake is en wat de effecten daarvan zijn op de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de cliënt. Bij het in kaart brengen van de eigen mogelijkheden kan gedacht worden aan handige hulpmiddelen waardoor de hulpvrager een (deel van
- de)activiteiten weer zelf kan doen zoals een boodschappen-app voor mensen met een verstandelijke beperking, een pictogrammen bord of speciale multomap waarmee de administratie overzichtelijk opgeborgen kan worden. Ter ondersteuning van de mantelzorger kan hierbij gedacht worden aan beeld-spraakverbindingen (skype), een alarmeringssysteem of scholing van mantelzorgers waardoor de draagkracht wordt vergroot. Gebruikelijke hulp Het college beziet of er sprake is van gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp is hulp die verwacht wordt van huisgenoten. Deze hulp wordt normaal geacht in de relatie tussen de huisgenoten en/of vraagt niet structureel meer inzet dan wanneer de huisgenoot geen beperking zou hebben (zoals bezoek familie/ vrienden, bezoek (huis)arts, het doen van de administratie). Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurige situaties. Alle begeleiding van de cliënt door de partner, ouder, volwassen kind en /of elke andere volwassen huisgenoot is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende situatie, met uitzicht op een dusdanig herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat deze dan niet meer is aangewezen op Wmo-ondersteuning. Hierbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening indien de cliënt huisgenoten heeft die wel in staat zijn hulp te bieden bij bijvoorbeeld het voeren van een gestructureerd huishouden of het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen. Dit wordt gebruikelijke hulp genoemd. Langdurig: als het gaat om een chronische situatie dan is de begeleiding van een cliënt gebruikelijke hulp wanneer die begeleiding naar algemeen aanvaarde maatstaven voor partner, ouder, inwonend kind en /of andere huisgenoot in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden, te denken valt aan het bezoeken van familie/ vrienden, (huis)arts of zaken die bij een gezamenlijk huishouden horen zoals het doen van de administratie. Alleen wanneer sprake is van een langdurige situatie waarbij de tijdsinvestering in activiteiten in relatie tot een situatie waarin geen sprake is van een beperking substantieel wordt overschreden, is er sprake van bovengebruikelijke hulp. De draaglast- draagkracht van de betrokken mantelzorger(
- s)zal, waar van toepassing, in het onderzoek in beeld worden gebracht. Het college beziet of personen uit het sociale netwerk een oplossing kunnen zijn voor de hulpvraag. Kunnen zij bijvoorbeeld samen de administratie doen, regelmatig een oogje in het zeil te houden, structuur in de week aanbrengen, kunnen zij door het samen activiteiten ondernemen zorgen voor een zinvolle invulling van (een deel van) de dag? Voorliggende voorzieningen – algemene voorzieningen – algemeen gebruikelijke voorziening Vervolgens beoordeelt het college of in het gesprek alle voorliggende voorzieningen zijn meegenomen. Behandeling is bijvoorbeeld een voorliggende voorziening. Alvorens een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo te verstrekken is het van belang om na te gaan wat de mogelijkheden van behandeling zijn. Hierbij geldt dat als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) nog mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Soms kunnen een maatwerkvoorziening Wmo (begeleiding) en behandeling gelijktijdig worden ingezet. De maatwerkvoorziening Wmo neemt de taak dan tijdelijk over totdat de taak in de behandeling is aangeleerd. Ook de mogelijkheden van wettelijk voorliggende voorzieningen worden in kaart gebracht zoals opvoedingsondersteuning voor de ouders vanuit de Jeugdwet, persoonlijke verzorging of mantelzorgondersteuning vanuit de Zorgverzekeringswet, arbeidsvoorzieningen op grond van de ziektewet, WlA, Wajong, Participatiewet. Als aangepast werk of speciaal onderwijs op grond van genoemde regelingen niet mogelijk is dan kan een maatwerkvoorziening Wmo worden overwogen. De hulpvraag van een cliënt kan, door de zwaarte van de beperking, zo omvangrijk zijn dat een indicatie voor de Wet Langdurige Zorg aan de orde is. Het gaat hier om cliënten die 24-uur intensieve zorg en toezicht dichtbij nodig hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om ouderen met ernstige dementie, om mensen met een ernstige verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking en om mensen met een ernstige psychische stoornis. In de memorie van toelichting op de wet is opgenomen dat indien cliënten een beroep kunnen doen op de Wlz, geen beroep kunnen doen op ondersteuning op grond van de Wmo. Mantelzorgers van cliënten met een toelating tot de WLZ kunnen geen gebruik maken van een maatwerkvoorziening Wmo voor respijtzorg. Voor algemene mantelzorgondersteuning ( zoals advies, voorlichting etc) kan wel een beroep op de Wmo gedaan worden. Het college beoordeelt of algemene en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn meegenomen en beoordeelt of deze passend zijn in de individuele situatie van de cliënt. Deze voorzieningen moeten voor de cliënt daadwerkelijk beschikbaar zijn, door cliënt financieel gedragen kunnen worden met een inkomen op minimumniveau en adequate compensatie bieden. Bieden welzijnsactiviteiten een oplossing? Bijvoorbeeld een huiskamerproject of Inloopvoorziening (waar ontmoeting en activiteiten plaatsvinden), een administratie-maatjes project, vrijwillige thuiszorg, mantelzorgondersteuning door de welzijnsinstelling, een cursus waardoor de cliënt zijn sociale netwerk uitbreidt, de inzet van vrijwilligers of een soos voor mensen met een verstandelijke beperking. Maatwerkvoorziening Als de hiervoor beschreven afweging niet geleid heeft tot een (volledige) oplossing van de hulpvraag zal het college een maatwerkvoorziening verstrekken op basis van het van toepassing zijnde clientperspectief en de benodigde intensiteit ( waakvlam, laag, midden, hoog). We onderscheiden de volgende maatwerkvoorzieningen begeleiding: - Waakvlam ontwikkeling - Begeleiding ontwikkeling - Dagbesteding ontwikkeling - Waakvlam stabilisatie - Begeleiding stabilisatie laag - Begeleiding stabilisatie midden - Begeleiding stabilisatie hoog - Daginvulling stabilisatie - Arbeidsmatige dagbesteding - Begeleiding bij verminderde zelfredzaamheid - Daginvulling verminderde zelfredzaamheid - Logeerzorg Een combinatie van bovengenoemde voorzieningen kan voorkomen. In bijlage 8 worden alle vormen van de maatwerkvoorziening Wmo begeleiding verder toegelicht. Indien een cliënt niet zelf kan voorzien in het vervoer naar daginvulling stabilisatie, daginvulling bij verminderde zelfredzaamheid of arbeidsmatige dagbesteding, kan hiervoor een indicatie worden afgegeven per etmaal of etmalen per week per kilometer categorie. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen gewoon- en rolstoelvervoer. Bij dagbesteding ontwikkeling reist de client in principe zelfstandig. Er kan tijdelijk vervoer worden ingezet met als doel toewerken naar zelfstandig reizen naar de dagbesteding. De ondersteuning kan door het college worden toegekend in natura of in de vorm van een pgb. In de verordening zijn de uitgangspunten voor het pgb vastgelegd. Bij het vormgeven van de maatwerkvoorziening wordt het uitgangspunt gehanteerd dat de ondersteuning zo dichtbij mogelijk bij de inwoner (thuis, school, kern of wijk) georganiseerd is. Voor het proces van melding tot en met besluit is in bijlage 9 een stroomschema opgenomen. 5.2Voorliggende voorzieningen 5.2.1Behandeling Alvorens begeleiding te verstrekken is het van belang dat wordt onderzocht wat de mogelijkheden van behandeling zijn. De stelregel hierbij is dat als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) nog mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Het is uiteraard niet aan de Wmo professional om dit te bepalen. Hiervoor wordt de medische adviseur (onafhankelijk arts) ingeschakeld. Behandeling kan worden geboden door bijvoorbeeld: ergotherapeut, psychiater, psycholoog, specialist ouderen geneeskunde of in een revalidatiecentrum of een centrum gespecialiseerd in bepaalde problematiek (zoals een reumacentrum). Behandeling is gericht op: het verbeteren van de aandoening/ stoornis/beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek. Anders dan in de AWBZ is de diagnose niet leidend maar een diagnose is doorgaans wel vereist om behandeling in te kunnen zetten en om te bepalen hoe begeleiding de behandeling eventueel kan versterken (en niet contra- productief is). Begeleiding kan wel worden ingezet om de tijdens behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of in te slijten. Soms kan begeleiding en behandeling ook tegelijkertijd worden ingezet; dan neemt de begeleiding de taak tijdelijk over, totdat deze tijdens behandeling is aangeleerd. Uiteraard dient hierover een goede afstemming tussen behandelaar en begeleider plaats te vinden. 5.2.2(wettelijk) Voorliggende voorzieningen Dit zijn (wettelijke) voorzieningen waar eerst een beroep op kan worden gedaan alvorens de maatwerkvoorziening begeleiding wordt overwogen: · Onderwijs: begeleiding van kinderen met problemen is de verantwoordelijkheid van school. Tevens zijn er mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs. Alleen in uitzonderlijke situaties; als toezicht en aansturen meer vraagt dan van school en ouders kan worden verwacht en de mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs ontoereikend zijn kan begeleiding worden geïndiceerd. · Kinderopvang: kinderopvang is de verantwoordelijkheid van ouders, werkgever en overheid (kinderopvangtoeslag). Kinderopvang is ook voor kinderen met een beperking voorliggend en het leidsters leren omgaan met een kind met een beperking is gebruikelijke hulp van ouders. Alleen in uitzonderlijke situaties, als extra begeleiding nodig is die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan begeleiding worden geïndiceerd. · Jeugdwet: Opvoedingsondersteuning voor alle ouders en ouders van kinderen met een beperking, zoals medisch kinderdagverblijf, specialistische hulp thuis of tijdelijke opname worden op grond van de Jeugdwet geboden. Begeleiding kan in sommige gevallen ondersteunend op opvoedingsondersteuning thuis ter bevordering van de zelfredzaamheid van ouders worden geboden. · Arbeidsvoorzieningen: op grond van ziektewet, WlA, Wajong en WSW zijn er mogelijkheden voor aangepast werk. Het uitgangspunt is dat - als aangepast werk of speciaal onderwijs op grond van genoemde regelingen niet mogelijk is - begeleiding groep (dagbesteding) kan worden overwogen. 5.2.3Algemeen gebruikelijke voorzieningen en gebruikelijke hulp Wanneer mensen een beperking hebben, wordt bij activiteiten van het dagelijks leven en vrijetijdsbesteding vaak gedacht aan begeleiding waar voorliggende voorzieningen mogelijk zijn of het gewoon de verantwoordelijkheid is van de cliënt of zijn huisgenoten. Er zijn veel algemeen beschikbare en redelijke oplossingen voorhanden (die mensen zonder beperking ook zelf moeten regelen of betalen). Zie bijlage 2. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen: Net als bij huishoudelijke ondersteuning wordt bij begeleiding het begrip:" gebruikelijke hulp" (afgeleid van de AWBZ-term "gebruikelijke zorg") gehanteerd. Gebruikelijke hulp is hulp die verwacht wordt van huisgenoten, die "normaal" wordt geacht in de relatie tussen huisgenoten en/of niet structureel meer is dan wanneer de huisgenoot geen beperking zou hebben. Begeleiding door partner, ouder, volwassen inwonend kind of andere volwassen huisgenoot wordt als gebruikelijke hulp beschouwd: - In kortdurende situaties (maximaal drie maanden): als uitzicht op herstel (van de zelfredzaamheid) dusdanig is dat begeleiding daarna niet meer nodig zal zijn. - In langdurige situaties: Bij normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer (bezoek familie/vrienden, bezoek huisarts, brengen en halen van kinderen naar school, sport of clubjes); Hulp bij overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden behoren zoals de thuisadministratie; · Het leren omgaan van derden (familie/vrienden/leerkracht etc.) met cliënt; - Ouderlijk toezicht op kinderen, de aard en mate hiervan is afhankelijk van de leeftijd van het kind. Alleen wanneer er sprake is van een langdurige situatie waarbij de begeleiding, in vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel, substantieel wordt overschreden is er sprake van boven gebruikelijke hulp en kan begeleiding worden ingezet. 5.3Kortdurend verblijf (logeerzorg) Logeerzorg is bedoeld voor cliënten, waarvan de mantelzorger(
- s)of gezinsleden ontlast moeten worden dan wel waarvan de mantelzorger(
- s)of gezinsleden tijdelijk afwezig zijn. Logeerzorg is bedoeld voor cliënten wiens ondersteuningsbehoefte gepaard gaat met toezicht. Het toezicht is gericht op één of meerdere van de volgende situaties: · Bieden van fysieke zorg, zodat tijdig kan worden ingegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, risico op verwaarlozing of complicaties bij een ziekte; en/of · Het verlenen van zorg op ongeregelde en/of frequente tijden, omdat de cliënt zelf niet (meer) in staat is om hulp in te roepen: en/of · Het preventief ingrijpen bij gedragsproblemen (voorkomen van escalatie en gevaar). Het aantal etmalen logeeropvang is maximaal 15 per jaar. Logeerzorg kan plaatsvinden in bijvoorbeeld een gehandicapteninstelling of verpleeghuis. Hierdoor wordt de mantelzorg ontlast, zodat deze de zorg langer kan volhouden en de cliënt thuis kan blijven wonen. Kortdurend verblijf is bedoeld voor mensen die permanent toezicht nodig hebben. Bijvoorbeeld als er valgevaar is of als cliënt zelf niet in staat is hulp in te roepen als dat nodig is of omdat er ernstige gedragsproblemen zijn. Dit toezicht kan ook een vorm van actieve observatie zijn, zoals bij kinderen met een lichamelijke beperking waarbij ouders actief de vitale functies van het kind moeten controleren. Het kan ook gaan om constante zorg of zorg op ongeregelde tijdstippen, bijvoorbeeld voor iemand met een ernstige hartaandoening of dementie. Er zijn veel manieren om de mantelzorg te ontlasten, bijvoorbeeld door een vrijwilliger in te schakelen om een paar uur de zorg voor een cliënt over te nemen en ook dagbesteding kan dit als belangrijk neveneffect of zelfs doel hebben. Soms is dat niet voldoende om de mantelzorg langdurig vol te kunnen houden of is de zorg die een vrijwilliger kan bieden onvoldoende. Alleen als er sprake is van de combinatie van voortdurend zorg en toezicht van de cliënt en het voorkomen of verminderen van overbelasting van de mantelzorger en als andere voorliggende voorzieningen niet voldoen kan kortdurend verblijf worden geïndiceerd. De omvang van kortdurend verblijf is maximaal 15 etmalen per jaar, afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt. Logeerzorg kan ook een aantal etmalen aansluitend worden ingezet, bijvoorbeeld verblijf van een week, zodat mantelzorg op vakantie kan. Dan moet wel vaststaan dat andere oplossingen, zoals bijvoorbeeld respijtzorg vergoed door de ziektekostenverzekeraar, geen optie zijn. In de instelling waar de cliënt kortdurend verblijft, wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Wanneer verpleging nodig is, moet hiervoor apart een indicatie op grond van de zorgverzekeringswet worden geïndiceerd. Behandeling behoort nadrukkelijk niet bij kortdurend verblijf. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Hij kan hiervoor gebruik maken van eigen vervoer of van hulp uit het eigen netwerk. 5.4Beschermd wonen De maatwerkvoorziening Beschermd Wonen bestaat uit een aantal verschillende producten die waar nodig aangevuld kunnen worden met een bouwsteen. De producten zijn als volgt: - Beschermd Wonen - Beschermd Thuis Zwaar - Beschermd Thuis midden - Beschermd Thuis licht - Aanvullende bouwsteen beschermd wonen dagbesteding - Aanvullende bouwsteen wonen Cliënten die door hun beperkingen behoefte hebben aan een beschermd woonklimaat dat gericht is op het bieden van structuur en ondersteuning van alle dagelijks activiteiten, wonen vaak in een zogenaamde woonvorm voor beschermd wonen. Waar mogelijk wonen de cliënten op een eigen woonplek met begeleiding naar gelang de benodigde hulpvraag. De doelgroep voor het product beschermd wonen bestaat uit mensen met psychiatrische problematiek, verslavingsproblematiek, ernstige gedragsproblemen, psychosociale problematiek en licht verstandelijke beperking (ouder - kind project valt hier bijvoorbeeld ook onder). Er moet sprake zijn van behoefte aan 24-uurszorg en/of toezicht. Cliënten krijgen begeleiding bij het brengen van structuur in hun dagelijks leven, ondersteuning bij regelzaken en geldbeheer en het vinden van een passende daginvulling. Voor een groot deel van de cliënten is beschermd wonen een opstap naar zelfstandig wonen; er is sprake van perspectief. Centrumgemeente Bergen op Zoom is verantwoordelijk voor het indiceren en uitvoeren van beschermd wonen. Wanneer een cliënt in Halderberge een melding doet voor beschermd wonen vindt er afstemming plaats met de Wmo professional van beschermd wonen. Vaak zijn beide professionals betrokken bij het keukentafelgesprek. Indien blijkt dat een indicatie voor beschermd wonen nodig is, en op dat moment is er geen plaats, biedt de gemeente Halderberge overbruggingszorg aan in de vorm van ambulante begeleiding. 5.5Maatschappelijke opvang Maatschappelijke opvang is het tijdelijk bieden van onderdak, begeleiding, informatie en advies aan personen die, door één of meer problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Centrumgemeente Bergen op Zoom is verantwoordelijk voor de uitvoering van een samenhangend aanbod van maatschappelijke opvang en heeft dit ondergebracht bij haar integrale toegang. Ook de ondersteuning van zwerfjongeren maakt onderdeel uit van het maatschappelijke opvangbeleid. Aanvragen voor maatschappelijke opvang moeten worden doorverwezen naar de gemeente Bergen op Zoom. 6.Persoonsgebonden budget Op basis van de wet zijn er twee verstrekking vormen voor maatwerkvoorzieningen. De eerste vorm is de voorziening in natura. Daarmee wordt bedoeld dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt, die hij of zij krijgt vanuit een overeenkomst met een door de gemeente gecontracteerde en gefinancierde partij. De tweede mogelijkheid is de in de wet verplicht gestelde mogelijkheid een alternatief te ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Voor het pgb geldt het trekkingsrecht. Dat wil zeggen dat de betaling verloopt via de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB). Een uitzondering geldt voor eenmalige pgb's, die kan de gemeente zelf uitbetalen. 6.1Regels voor een persoonsgebonden budget bij een maatwerkvoorziening Een pgb kan een geschikt instrument zijn voor de cliënt om zijn leven naar eigen wensen en behoeften in te vullen. Het is een verstrekking vorm die bij uitstek geschikt is voor mensen die zelf de regie over hun leven kunnen voeren. 6.2Voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb 6.2.1Pgb plan Een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt alleen verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd, aan de hand van een opgesteld plan aanvraagt. In het plan moet duidelijk worden aangetoond dat de verstrekking van een pgb aantoonbaar leidt tot goede en doelmatige ondersteuning. Indien noodzakelijk vraagt de cliënt offertes op voor het realiseren van de maatwerkvoorziening. Deze worden bij het plan gevoegd. De gemeente beoordeelt of dit plan voldoet. Door het opstellen van een persoonlijk plan wordt de cliënt gestimuleerd na te denken over zijn ondersteuningsvraag, deze uit te werken en te concretiseren. Op basis hiervan kan de kwaliteit van ondersteuning geëvalueerd worden. 6.2.2Bekwaamheid van de aanvrager De gemeente beoordeelt of de pgb houder ( of diens vertegenwoordiger) in staat is goed om te gaan met een pgb. De situaties waarbij het risico groot is dat het pgb niet besteed wordt aan het daarvoor bestemde doel zijn bijvoorbeeld: · de cliënt is verminderd handelingsbekwaam; · de cliënt heeft als gevolg van dementie, een verstandelijke handicap of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de eigen situatie; · er is sprake van schulden en/of verslavingsproblematiek; · er is eerder misbruik gemaakt van het pgb; · er is eerder sprake geweest van fraude; · er is sprake van een instabiele situatie ten aanzien van de beperkingen. Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een pgb niet gewenst is. Om een pgb af te wijzen op overwegende bezwaren, moet er enige feitelijke onderbouwing zijn op grond waarvan afgewezen kan worden. Dit kan een medische onderbouwing zijn, maar ook het aantonen van schulden of eerder misbruik. De onderbouwing wordt in de beschikking vermeld. 6.2.3Kwaliteit van dienstverlening Ook bij een pgb geldt dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn. De kwaliteit van de dienstverlening die ingezet wordt door een pgb moet van vergelijkbare kwaliteit zijn als de dienstverlening in zorg in natura. Een pgb wordt verstrekt als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de ondersteuning van goede kwaliteit is. In het gemotiveerd plan dient aangetoond te worden op welke wijze deze kwaliteit gewaarborgd is. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. 6.3Voorlichting Zoals uit de Wmo 2015 is af te leiden, is het belangrijk dat cliënten vooraf goed weten wat het pgb inhoudt en welke verantwoordelijkheden ze daarbij hebben. Informatie hier over wordt al bij het moment van aanvragen gegeven. Tijdens het gesprek, maar ook later tijdens de aanvraagprocedure, wordt cliënt door de Wmo professional geïnformeerd. Daarnaast verzorgt het servicecentrum pgb van de sociale verzekeringsbank (SVB) voorlichting voor en ondersteuning van budgethouders. 6.4Eigen verantwoordelijkheden van de cliënt als budgethouder De cliënt als budgethouder is zelf verantwoordelijk voor: · het inkopen van de maatwerkvoorziening met daarbij de keuze van zorgverlener; · het voeren van een overzichtelijke pgb administratie; · weten welke regels horen bij het pgb; · de communicatie met gemeente, zorgverlener, SVB; · het maken van afspraken en zich hieraan te houden; · het beoordelen of de zorg vanuit het pgb bij de cliënt past; · het regelen van de zorg met 1 of meer zorgverleners; · duidelijke afspraken met de zorgverleners, zodat zij weten wat ze moeten doen; · het zijn van een goede werkgever of opdrachtgever van een zorgverlener; · het onderhoud, de reparaties en de verzekering van het hulpmiddel (hiervoor kunnen jaarlijks kosten tot een vastgesteld maximum bedrag worden gedeclareerd). Degene die ingeschakeld wordt voor hulp is verantwoordelijk voor het doorgeven van loongegevens aan de belastingdienst. 6.5Beschikking pgb voorzieningen 6.5.1Beschikking pgb Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval het volgende vastgelegd ( in aanvulling op artikel 10 van de verordening), · de termijn waarbinnen de voorziening aangeschaft dient te zijn. · verplichting doorgeven van wijzigingen; · op basis van welk artikel van de Verordening dit besluit is genomen; . bezwaarmogelijkheid. 6.5.2Eigen bijdrage Als sprake is van een door de cliënt te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover zowel tijdens het gesprek als in de beschikking geïnformeerd. Als een cliënt vragen heeft over zijn/haar eigen bijdrage is op www.hetcak.nl een antwoord te vinden op veel gestelde vragen. 6.6Beëindiging toekenning De toekenning eindigt wanneer: · de budgethouder verhuist naar een andere gemeente; · de budgethouder overlijdt; · als de indicatieperiode of geldigheidsduur is verstreken; · als de budgethouder aangeeft dat zijn situatie is veranderd en de gemeente vaststelt dat de voorziening niet meer voldoet; · de budgethouder geen verantwoording aflegt; · de budgethouder zijn pgb laat omzetten in zorg in natura; · de budgethouder de (overige) voorwaarden, die gesteld zijn aan de toekenning van het pgb, niet nakomt. 6.7Terugvorderen pgb Het beëindigen van de toekenning kan er toe leiden dat (een deel van) het pgb wordt teruggevorderd. Hiertoe wordt verwezen naar de paragrafen 6.6 en 6.11.5. 6.8Trekkingsrecht In de Wmo 2015 is de verplichting opgenomen dat gemeenten pgb's uitbetalen in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het pgb niet op de bankrekening van de budgethouder stort, maar op rekening van de SVB. De budgethouder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren hulp zijn geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling aan de zorgverlener. De niet bestede pgb bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente. 6.9Inzetten sociaal netwerk of mantelzorgers In het gemotiveerde plan van de cliënt kan hij of zij de wens uitspreken om zijn sociale netwerk of mantelzorgers in te willen zetten. In navolging van de regering stelt de gemeente zich terughoudend op ten aanzien van het verstrekken van een pgb aan mantelzorgers en is de gemeente van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is dan zorg in natura. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen komt minder voor. In geval hiervoor een pgb wordt aangevraagd wordt dat slechts verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en kwalitatief goed worden verstrekt. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 6.10Hoogte pgb Bij een pgb wordt uitgegaan van het bedrag van de goedkoopst adequate voorziening in natura. De gemeente maakt onderscheid tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen en werken onder supervisie van professionals die werken volgens de kwaliteitsstandaarden De maximale hoogte van een pgb is begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Hierbij dient de cliënt wel in staat te zijn met zijn pgb een adequate maatwerkvoorziening in te kopen. Tussenpersonen, belangbehartigers en de eigen bijdrage mogen niet uit het pgb betaald worden. 6.11Pgb voor huishoudelijke ondersteuning Omdat het bij huishoudelijke ondersteuning (HO) gaat om de inhuur van menskracht (de cliënt wordt in feite werkgever), is het bij deze voorziening extra belangrijk dat de cliënt goed weet wat zijn rechten en plichten zijn. In het indicatietraject wordt nagegaan of de cliënt of iemand uit zijn sociaal netwerk ook daadwerkelijk in staat is de eigen regie te voeren. Het toegekende pgb dient te worden aangewend voor de inkoop van huishoudelijke ondersteuning. 6.11.1Uitgangspunt besteding pgb voor huishoudelijke ondersteuning De uitgangspunten voor de huishoudelijke ondersteuning pgb zijn: - Er wordt bij het HO pgb gekozen voor een resultaatgerichte werkwijze. - Er wordt onderscheid gemaakt in de pgb-tarieven. Hierbij wordt uitgegaan van verschillende marktconforme tarieven die gebaseerd zijn op diegene die de ondersteuning levert: • Professional: niet gecontracteerde zorgaanbieder/ zpp'er • sociaal netwerk/ niet-professional/ overig - Bij de inzet van huishoudelijke ondersteuning wordt gekeken naar de wijze waarop de cliënt kan worden gestimuleerd om zelf huishoudelijke werkzaamheden te blijven doen of weer te gaan doen. Daarom wordt gewerkt met twee cliëntperspectieven, te weten: 1. ontwikkeling 2. stabilisatie - De combinatie van de persoon die de ondersteuning levert en de leefsituatie van de cliënt leidt tot een specifieke pgb-categorie met een daarbij horend pgb-tarief (zie 6.11.2). - Het maximaal pgb-tarief is gelijk aan tarief HO zin. - Een PGB wordt verstrekt als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de ondersteuning van goede kwaliteit is. - Een pgb wordt verstrekt als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de ondersteuning van goede kwaliteit is. - Er wordt geen pgb ingezet wanneer de huishoudelijke ondersteuning wordt geleverd door een gecontracteerde aanbieder HO zin. - Bij HO+ kan alleen een pgb worden ingezet als de client een vertegenwoordiger heeft die pgb vaardig is (zie alinea 6.2.) en die erop stuurt dat de ondersteuning aansluit op de benodigde kwaliteit en het te behalen resultaat. - Bij HO+ is zorgcontinuïteit essentieel, de vertegenwoordiger van de cliënt is hiervoor verantwoordelijk, ook bij verlof of ziekte van de hulp. Kan dit niet worden gegarandeerd, dan wordt er geen pgb ingezet. 6.11.2Hoogte pgb De Wmo stelt dat de cliënt met zijn pgb een gelijkwaardige voorziening moet kunnen treffen als bij de inzet van zorg in natura. Het toegekende pgb dient te worden aangewend voor de inkoop van huishoudelijke ondersteuning. De combinatie van de persoon die de ondersteuning levert en de leefsituatie van de cliënt leidt tot een specifieke pgb-categorie met een daarbij horend pgb-tarief waarbij het HHM normenkader als richtlijn wordt gebruikt. Het tarief voor PGB HO sociaal netwerk is gebaseerd op de cao vvt, voor PGB HO professional zijn gelijk aan de tarieven voor Zorg in Natura. Dit alles leidt tot maximale pgb-tarieven per maand zoals opgenomen in bijlage 11. Indexering Huishoudelijke Ondersteuning PGB sociaal netwerk Voor de indexatie van de PGB tarieven sociaal netwerk wordt gebruikt gemaakt van het uurtarief gebaseerd op de cao VVT, hoogste periodiek behorende bij hulp bij huishouden te vermeerderen met vakantietoeslag en tegenwaarden van verlofuren. De indexatie vindt plaats bij aanpassing van de salarisschaal behorende bij cao VVT, hulp bij huishouden. PGB professioneel De tarieven pgb HO professioneel zijn gelijk aan de tarieven van gecontracteerd aanbod via ZIN. Indexatie van de tarieven pgb HO professioneel vindt gelijktijdig plaats met de momenten waarop de ZIN-tarieven worden geïndexeerd. Lager maandtarief Het pgb plan wat wordt ingediend door de cliënt is leidend. Ligt het maandtarief wat is opgenomen in het pgb plan lager dan de tarieven zoals die zijn opgenomen in bovenstaande tabellen, wordt dit tarief gehanteerd. Het uurtarief wordt wel gecheckt vanwege de wetgeving rondom het minimumloon en de inleg bij de SVB. Hoger maandtarief Is meer inzet van huishoudelijke ondersteuning nodig en dus een hoger maandtarief, dan wordt voor bepaling hiervan de urennormering van het CIZ aangehouden en het pgb-tarief wat passend is bij de persoon die de ondersteuning levert. Indien de bewoners van een meerpersoonshuishouden beiden volledig geen bijdrage kunnen leveren aan het huishouden met name licht huishoudelijk werk, kan het pgb-tarief volgens de CIZ norm verhoogd worden met een extra inzet van 30 minuten. Eigen bijdrage De gemeente keert een "bruto" pgb uit aan de SVB, hierop is geen eigen bijdrage in mindering gebracht. De eigen bijdrage wordt bij cliënt geïnd door het CAK en mag niet worden betaald uit het pgb. 6.11.3Salaris zorgverlener Het salaris van de zorgverlener is het uurloon dat de zorgverlener kan declareren. In het uurloon zijn de reiskosten en het vakantiegeld inbegrepen. Onder het salaris voor een zorgverlener wordt niet verstaan: a. Feestdagenuitkering: uit het pgb mag geen feestdagenuitkering aan de zorgverlener(
- s)worden betaald; b. Reiskosten c. Kosten voor het voeren van een pgb-administratie: De Sociale Verzekeringsbank (SVB) beheert het budget; d. Kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het pgb: in verband met fraudegevoeligheid is het niet toegestaan dat een (professionele) zorgverlener de administratie richting SVB verzorgt; e. Alle zorg en ondersteuning (door aanbieders) in het buitenland: controle op kwaliteit en financiën is dan nauwelijks mogelijk. Een pgb mag alleen na toestemming van het college besteed worden in het buitenland. Een eenmalige uitkering uit het PGB wordt niet toegestaan. In overleg met de gemeente kan hierop een uitzondering worden gemaakt als er sprake is van een plotselinge beëindiging van de werkzaamheden als gevolg van bijvoorbeeld een overlijden. De zorgverlener komt dan plotseling zonder werk te zitten. De beoordeling hiervan is aan de gemeente. 6.11.4Uurlonen Het is niet toegestaan vaste maandlonen af te spreken met zorgverlener(s). Alleen uurlonen worden toegestaan. 6.11.5Beëindiging toekenning Voor huishoudelijke ondersteuning geldt aanvullend dat de toekenning eindigt: · als de budgethouder wordt opgenomen in een Wlz-instelling en deze opname een permanent karakter heeft; · als de budgethouder langer dan 2 maanden aaneengeslot