Watertakenplan 2024 - 2034De raad van de gemeente Berkelland; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 03-10-2023; b e s l u i t : Het Watertakenplan 2024 - 2034 vaststellen Samenvatting De gemeente Berkelland heeft een drietal wettelijke watertaken: afvalwater, hemelwater en grondwater. De gemeentelijke watertaken zijn gericht op het beschermen van de volksgezondheid en het bevorderen van de bewoonbaarheid. Het Watertakenplan Berkelland 2024-2034 beschrijft het beleid en de uitvoeringsstrategie, waarmee de gemeente Berkelland invulling geeft aan de gemeentelijke watertaken. Het watertakenplan is een periodieke herijking van het voorgaande Watertakenplan 2019-2023. Daarnaast is het een uitwerking van de doelen uit de Watervisie Berkelland 2030, die is opgesteld in samenwerking met Waterschap Rijn en IJssel. Verschillende onderdelen van het watertakenplan krijgen de komende jaren een plek in de nieuwe gemeentelijke instrumenten van de Omgevingswet, zoals de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Het in stand houden van riolering en andere voorzieningen vraagt investeringen Om de gemeentelijke watertaken uit te voeren beheert de gemeente een omvangrijk systeem van bijna 300 kilometer aan vrijverval riolering en ruim 650 kilometer aan drukriolering, met de bijbehorende kolken, pompunits en gemalen. In Nederland is de gemeente Berkelland een van de gemeenten met het grootste aantal kilometers aan drukriolering. Een belangrijk deel van de jaarlijkse kosten hangt samen met het beheer en onderhoud van de drukriolering. In het watertakenplan bevestigt de gemeente de doelstelling en werkwijze om het huishoudelijk afvalwater in het buitengebied via drukriolering in te zamelen, omdat dit systeem doelmatig functioneert. Vanaf 2050 zullen de investeringen om de drukriolering te vervangen wel geleidelijk oplopen. Om hierop te anticiperen doet de gemeente onderzoek naar de kwalitatieve toestand van de drukriolering, zodat een betere inschatting kan worden gemaakt van de levensduur en investeringskosten. Naast de strategie voor beheer en onderhoud geeft dit watertakenplan ook beleidsuitgangspunten voor de omgang met (bedrijfsmatige) lozingen. Klimaatadaptatie Mede door klimaatverandering wordt de omgang met regenwater steeds belangrijker. Bij ingrepen in de openbare ruimte legt de gemeente zoveel mogelijk regenwaterriolering aan, zodat het regenwater en afvalwater wordt gescheiden. Daarnaast infiltreert de gemeente regenwater zoveel mogelijk met behulp van andere gemeentelijke voorzieningen (onder andere wadi’s). Het watertakenplan geeft een voorkeursvolgorde voor de omgang met regenwater en eisen voor waterberging bij projecten in de openbare ruimte en nieuwbouwprojecten. De voorzieningen voor het bergen en infiltreren van regenwater dragen bij aan het aanvullen van de grondwatervoorraad. Het watertakenplan geeft ook uitgangspunten voor het voorkomen van problemen door hoge grondwaterstanden. Wij werken samen met waterschap Rijn en IJssel Waar knelpunten in het watersysteem ten aanzien van wateroverlast, droogte en waterkwaliteit raken aan gemeentelijke voorzieningen, vindt overleg plaats met Waterschap Rijn en IJssel over de aanpak en prioritering. Een voorbeeld hiervan is de regionale aanpak droogte. De belangrijkste rol hierin ligt bij de provincie en het waterschap. De gemeente levert via de gemeentelijke watertaken een kleine bijdrage aan het regionale vraagstuk. Het zwaartepunt van het watertakenplan ligt echter bij de gemeentelijke watertaken. Rioolheffing De kosten voor het (afval)waterbeheer dekt de gemeente vanuit de rioolheffing. In 2023 bedragen de tarieven voor het eigenarendeel per aansluiting € 210,98 per jaar en het gebruikersdeel gemiddeld € 128 per jaar (gemiddeld huishouden). Tot nu toe hanteerde de gemeente een vaste stijging van de rioolheffing van 2% per jaar, exclusief inflatie. In dit watertakenplan kiest de gemeente om dit uitgangspunt los te laten. De rioolheffing blijft in 2024 gelijk aan die van 2023 (exclusief inflatiecorrectie). Van 2025 tot en met 2028 gaan we uit van een stijging van € 2,50 per jaar (exclusief inflatiecorrectie) tot een stabiele heffing van € 349 per jaar. Hiermee volgt de rioolheffing de oplopende jaarlijkse kosten en wordt voorkomen dat de bestaande voorziening wordt uitgeput. Daarna kan de rioolheffing een aantal jaren gelijk blijven, om vanaf 2050 weer te stijgen, zodat de verwachte vervangingsinvesteringen kunnen worden bekostigd. 1.Inleiding en context 1.1Bedoeling van het watertakenplan Het Watertakenplan Berkelland 2024-2034 geeft inhoudelijke, financiële en programmatische sturing aan de uitvoering van de watertaken van de gemeente Berkelland. De gemeentelijke watertaken zijn uit het oogpunt van volksgezondheid, leefbaarheid en milieubescherming één van de kerntaken van elke gemeente. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt de wettelijke plicht voor gemeenten om een watertakenplan of Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) op te stellen. Gezien de wettelijke taken van de gemeente, de beleidskeuzes die daarbij aan de orde zijn en de consequenties hiervoor voor inwoners en bedrijven, kiest de gemeente ervoor om toch een watertakenplan uit te werken en vast te stellen. Hiermee maakt de gemeente duidelijk wat inwoners en bedrijven van ons als gemeente kunnen verwachten als het gaat om de gemeentelijke watertaken en wat er gebeurt met de inkomsten uit de gemeentelijke rioolheffing. Per 1 januari 2024 wordt de Omgevingswet ingevoerd. Verschillende onderdelen van dit watertakenplan krijgen de komende jaren een plek in de nieuwe gemeentelijke instrumenten van de Omgevingswet, zoals de omgevingsvisie en het omgevingsplan (zie paragraaf 1.2). De gemeente kiest voor een looptijd van het watertakenplan van 10 jaar. De gemeente verwacht dat het beleidsmatig kader dat het watertakenplan biedt voor de uitvoering van de gemeentelijke watertaken passend is voor de komende 10 jaar. Wel zal het onderdeel kostendekking (hoofdstuk 6) iedere 5 jaar worden herzien, zodat de onderbouwing van het tarief van de rioolheffing actueel is en periodiek wordt aangepast aan de gerealiseerde uitgaven en prognoses. Ook het onderliggende rioleringsbeheerplan zal eens per 5 jaar worden geactualiseerd. Het Watertakenplan Berkelland 2024-2034 is de opvolger van het Watertakenplan Berkelland 2019-2023 en is daarnaast deels een uitwerking van de bestaande Watervisie Berkelland 2030. Deze watervisie is in 2018 opgesteld, samen met Waterschap Rijn en IJssel. In de visie wordt niet alleen richting gegeven aan de inrichting en uitvoering van het beheer van de afvalwaterketen (riolering en afvalwaterzuivering), maar ook van het watersysteem. Het voorliggende watertakenplan is opgesteld in afstemming met het waterschap, maar richt zich primair op de gemeentelijke watertaken en is daarom geschreven vanuit gemeentelijk perspectief. Het watertakenplan kan worden gezien als programma onder de Omgevingswet. In deze inleiding (hoofdstuk 1) wordt weergegeven hoe het watertakenplan zich verhoudt tot andere plannen voor de fysieke leefomgeving en hoe de samenwerking met partners in de regio verloopt. Ook komt een korte evaluatie van het voorgaande watertakenplan terug en wordt toegelicht hoe het voorliggende watertakenplan tot stand kwam. 1.2Watertakenplan in relatie tot andere plannen voor de fysieke leefomgeving Het watertakenplan is gericht op de invulling van de gemeentelijke watertaken en uitwerking van de Watervisie Berkelland 2030. Op veel onderdelen is sprake van overkoepelende of onderliggende plannen, documenten en/of beheerprogramma’s. De informatie daaruit wordt aangestipt in dit watertakenplan. Figuur 1 1 geeft weer hoe het watertakenplan zich verhoudt tot deze verschillende plannen en documenten. Onderstaande alinea’s geven daarop een korte toelichting. Verderop in het watertakenplan komen de plannen uitvoeriger aan de orde. Figuur 1 1: De positie van het Watertakenplan ten opzichte van andere plannen, instrumenten en programma’s 1.2.1Het Watertakenplan onder de Omgevingswet De inhoud van het watertakenplan sluit onder de Omgevingswet grotendeels aan bij het begrip ‘programma’. De hoofdlijnen van de invulling van de gemeentelijke watertaken en beleidsdoelen krijgen een plek in de gemeentelijke omgevingsvisie, terwijl de maatregelen worden opgenomen in een programma. De juridisch bindende regels voor inwoners en bedrijven over bijvoorbeeld het lozen in de riolering krijgen een plek in het omgevingsplan. Het integreren van de verschillende aspecten uit het watertakenplan in de 3 kerninstrumenten zorgt voor een stevige inbedding in het gemeentelijk beleid en de gemeentelijke regelgeving voor de fysieke leefomgeving. 1.2.2Gemeentelijke omgevingsvisie Gemeenten zijn verplicht om een omgevingsvisie vast te stellen, waarin zij de hoofdlijnen van het beleid voor de fysieke leefomgeving vastleggen. De omgevingsvisie bevat tenminste: Een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied. De hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid. In de gemeentelijke omgevingsvisie geeft elke gemeente aan op welke wijze zij haar taken invult en welke strategische beleidsdoelen en ambities voor de fysieke leefomgeving gelden. De omgevingsvisie toont de hoofdlijnen van het langetermijnbeleid en is daarbij voldoende concreet om het vaststellen van programma’s en/of juridisch bindende regels in het omgevingsplan te legitimeren. Een omgevingsvisie biedt zo een samenhangende beleidsmatige basis voor inzet van juridische, financiële of andere instrumenten, om de beleidsdoelen in de visie na te streven. Dat geldt ook voor het stedelijk waterbeheer en de riolering. In de omgevingsvisie worden de strategische aspecten van de gemeentelijke watertaken beschreven. De wet kent deze watertaken weliswaar aan gemeenten toe, maar de taken kennen op onderdelen een grote beleidsvrijheid. Dat geldt met name voor de omgang met afvalwater in het buitengebied en voor de omgang met overtollig hemelwater en grondwater. Als gemeente willen wij duidelijk maken richting inwoners en bedrijven hoe deze beleidsvrijheid wordt ingevuld en wat de inwoners en bedrijven van de gemeente kunnen verwachten. Uiteindelijk gaat het hierbij om de vragen: Welk beschermingsniveau streeft de gemeente na ten aanzien van overtollig hemelwater en grondwater? In hoeverre zamelt de gemeente afvalwater, hemelwater en/of grondwater in en onder welke voorwaarden? Een antwoord op deze vragen past in de gemeentelijke omgevingsvisie. Hoofdstuk 2 van dit watertakenplan geeft de aspecten weer van de gemeentelijke watertaken die een relatie hebben met de gemeentelijke omgevingsvisie. 1.2.3Gemeentelijk omgevingsplan Het watertakenplan geeft op onderdelen een gedetailleerde uitwerking van het beleid. Dit is meestal gebiedsgericht, dat wil zeggen dat op de ene plek andere regels gelden dan op de andere plek, vanwege lokale omstandigheden. Vooruitlopend op het omgevingsplan staan in dit watertakenplan uitgangspunten en een opzet voor juridische regels voor een aantal aspecten van de gemeentelijke watertaken (o.a. lozingen). 1.2.4Onderzoek / plannen voor beheer water en openbare ruimte Systeemoverzichten stedelijk water (SSW) In 2023 is de gemeente gestart met het opstellen van systeemoverzichten stedelijk water (SSW) voor de kernen in de gemeente. Het doel hiervan is het verkrijgen van een actueel overzicht van het hydraulisch functioneren van de riolering, inclusief de bovengrondse voorzieningen (verwerken afvalwater en regenwater). Ook het functioneren van het stedelijk watersysteem (grondwater/oppervlaktewater) wordt hierin meegenomen. Meer informatie hierover volgt in hoofdstuk 4. Klimaatstresstesten In 2020 voerde de gemeente in samenwerking met Waterschap Rijn en IJssel stresstesten uit voor de gebouwde omgeving. Op basis daarvan zijn aandachtspunten en algemene principes geformuleerd voor de omgang met de thema’s wateroverlast, droogte en hitte. Ook volgde er een lijstje met aan te pakken knelpunten. Meer informatie hierover volgt in hoofdstuk 4. Ontwikkeling Leidraad Inrichting Openbare Ruimte De gemeente ontwikkelt momenteel de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR). Hierin komen uitgangspunten en eisen voor de inrichting van de openbare ruimte. Deze bevatten ook uitgangspunten die voortkomen uit de uitwerking van de gemeentelijke watertaken. Het gaat bijvoorbeeld om ontwerpeisen voor o.a. wegen, groen en oppervlakkige afvoer regenwater. In hoofdstuk 4 volgt hier meer over. Regenwaterstructuurplan Het Regenwaterstructuurplan is een totaalvisie voor een doelmatige inzameling en verwerking van hemel- en grondwater in de openbare ruimte. Daarnaast wordt hierbij uniformiteit aangebracht in de systeemkeuzen en oplossingen in de kernen. Voor iedere kern is een schetsontwerp opgesteld met daarin de hoofdstructuur. In hoofdstuk 4 volgt hoe dit plan wordt gebruikt bij onderhoud van riolering of bij projecten in de openbare ruimte. Rioleringsbeheerplan Bij het nieuwe watertakenplan (2024-2034) hoort een onderliggend rioleringsbeheerplan, dat we als gemeente periodiek (eens in de 5 jaar) bijstellen. Het plan gaat over het beheer van de riolering geeft de activiteiten voor de komende planperiode weer. Het kostendekkingsplan uit hoofdstuk 6 vormt het kader financiële voor het beheerplan. Andere plannen beheer openbare ruimte Vanuit andere beleidsterreinen zijn er ook plannen voor het beheer van de openbare ruimte die raken aan de gemeentelijke watertaken. Werkzaamheden in de openbare ruimte voor het waterbeheer worden namelijk vaak gekoppeld aan andere ingrepen in de openbare ruimte (‘werk met werk maken’). Dit gaat bijvoorbeeld over de uitvoering van beleidsplannen voor wegen en groen. 1.3Samenwerking met partners in de regio De gemeente Berkelland is onderdeel van het samenwerkingsverband Achterhoek+. Het samenwerkingsverband bestaat uit verschillende gemeenten, Waterschap Rijn en IJssel, provincie Gelderland en Vitens. In dit verband werkt de gemeente samen in de (afval)waterketen en aan klimaatadaptatie. Een aantal van de onderdelen en projecten uit dit watertakenplan komen voort uit deze samenwerking. Wanneer dit het geval is, staat dat erbij vermeld. 1.4Evaluatie voorgaand watertakenplan Het watertakenplan 2018-2023 is vastgesteld door de gemeenteraad van Berkelland en ter kennisgeving op de agenda van het Dagelijks Bestuur van WRIJ geweest. De afgelopen periode zijn de voorgenomen maatregelen uitgevoerd. Het gaat hierbij zowel om de maatregelen die de gemeente of het waterschap zelfstandig uitvoert en ook om gezamenlijke projecten. In financiële zin vormen de investeringen voor het vervangen en vernieuwen van riolering het grootste deel van de jaarlijkse kosten voor de uitvoering van de gemeentelijke watertaken. Naast deze grootschalige vervangings- en vernieuwingsprojecten heeft de gemeente de afgelopen planperiode ingezet op onderzoek naar meer risico gestuurd beheer, analyses van de kwetsbaarheid voor extreme weersituaties (stresstesten), het doorrekenen van de mechanische riolering in het kader van optimalisatie, het benutten van regenwater voor grondwateraanvulling en de aanleg van een beter dekkend grondwaternet. Ook heeft de gemeente ingezet op het vergroenen van enkele schoolpleinen (met subsidie provincie Gelderland) en het verzorgen van klimaatlessen op scholen. Daarnaast is de gemeente aangesloten bij de website weetvanwater.nl. De gemeente heeft binnen het beleidsmatige en financiële kader van het watertakenplan een rioolbeheerplan uitgewerkt, waarin is uitgewerkt welke werkzaamheden nodig zijn en gepland staan voor het operationeel beheer en onderhoud van het rioolstelsel in de gemeente. Daarnaast is een regenwaterstructuurplan opgesteld, waarmee per kern is uitgewerkt op welke wijze en met welke systemen het regenwater kan worden verwerkt. Op basis van het regenwaterstructuurplan wordt bij vervanging van de gemengde riolering het systeem aangepast en wordt het afvalwater en het regenwater van elkaar gescheiden (en het regenwater geïnfiltreerd). Met het huidige watertakenplan werkt de gemeente verder aan de gemeentelijke watertaken op de ingeslagen weg. 1.5Totstandkoming en besluitvormingstraject Om tot een breed gedragen watertakenplan te komen, zijn er werksessies georganiseerd met medewerkers van verschillende beleidsterreinen van de gemeente. Daarnaast waren ook Waterschap Rijn en IJssel (WRIJ) en de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) betrokken bij een aantal van deze bijeenkomsten. De uitkomsten uit de werksessies zijn verwerkt in het watertakenplan. 1.6Leeswijzer Na de inleiding geeft hoofdstuk 2 de aspecten weer van de gemeentelijke watertaken die een relatie hebben met de gemeentelijke omgevingsvisie. De opbouw van dit hoofdstuk volgt dan ook de onderdelen van de omgevingsvisie, zoals de Omgevingswet die voorschrijft. Vervolgens geeft hoofdstuk 3 de wettelijke gemeentelijke watertaken en hoe we die als gemeente beleidsmatig invullen. Hoofdstuk 4 geeft de (uitvoerings)strategie voor dit beleid weer en gaat o.a. in op de rioleringszorg. Hoofdstuk 5 geeft weer welke personele inzet nodig is om onze ambities voor de periode 2024-2034 waar te maken. Hoofdstuk 6 geeft het kostendekkingsplan weer. 2.Strategische doelen water en riolering Dit hoofdstuk behandelt de aspecten van de gemeentelijke watertaken die een relatie hebben met de gemeentelijke omgevingsvisie. De opbouw en paragrafen van het hoofdstuk volgen direct uit de onderdelen van de gemeentelijke omgevingsvisie, zoals de Omgevingswet die voorschrijft. De onderdelen uit dit hoofdstuk komen terug in de omgevingsvisie. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens een meer inhoudelijke uitwerking van de gemeentelijke watertaken weer. 2.1Hoofdlijnen huidige situatie In deze paragraaf komt aan de orde hoe het watersysteem en de afvalwaterketen (riolering en rioolwaterzuivering) binnen de gemeente er op dit moment uitzien. 2.1.1Watersysteem Het watersysteem in de gemeente Berkelland kenmerkt zich door een aantal grote beken, zoals de Berkel, Baakse Beek en Buurserbeek (Schipbeek) en een aantal (kleinere) beken, die in deze beken uitmonden (Figuur 2 1). De bovenloop van de Schipbeek stroomt als de Buurserbeek door het gebied. De bovenloop is sterk hellend en ligt diep in het beekdal. Door het hellende karakter komt neerslag hier snel tot afvoer. Het grootste deel van het stroomgebied kent een agrarisch landgebruik. Langs de oever zijn diverse grote natuurgebieden en landgoederen. De Berkel ontspringt bij Billerbeck in Duitsland en stroomt bij Zutphen in de IJssel. Tussen Borculo en Lochem sluit de Groenlose Slinge aan op de Berkel. De Groenlose Slinge wordt onder andere gevoed door de Beurzerbeek, Ratumsebeek en Willinkbeek die in Duitsland ontspringen. Het Berkeldal is zeer reliëfrijk. Het grootste deel van het stroomgebied heeft een agrarisch landgebruik. Langs de Berkel zijn rietoevers aangelegd en alle stuwen zijn voor vissen passeerbaar. Het stroomgebied van de Baakse Beek omvat ook de Veengoot, Oosterwijkse Vloed en de Grote Beek. Het water uit het bovenstroomse gebied van de Baakse Beek stroomt snel af naar het vlakke gebied tussen Lichtenvoorde en Ruurlo met de moeraslandbeken. Dit is een intensief agrarisch gebied met verspreide bebouwing en droogvallende beken. Figuur 2 1: Overzichtskaart van gemeente Berkelland. De 3 stroomgebieden van de Berkel, Schipbeek en Baakse Beek zijn weergegeven. De blauwe lijnen zijn de grootste beken in het gebied. 2.1.2Afvalwaterketen De gemeente Berkelland en Waterschap Rijn en IJssel hebben ieder eigen beheertaken in de afvalwaterketen. Het afvalwater wordt ingezameld via (druk)riolering van de gemeente Berkelland en afgevoerd naar een rioolwaterzuivering (RWZI) van Waterschap Rijn en IJssel. Het afvalwater uit de omgeving van Ruurlo wordt gezuiverd op de RWZI Ruurlo. In de rest van de gemeente wordt het afvalwater gezuiverd op de RWZI Haarlo, afgezien van een bedrijf in Borculo, dat met een separate leiding loost op RWZI Zutphen (Figuur 2 2). Figuur 2 2: Overzichtskaart afvalwaterketen gemeente Berkelland. De rode lijnen geven de gemeentelijke riolering weer, de bruine lijnen de transportleidingen naar de RWZI’s in Ruurlo en Haarlo. 2.2Ontwikkelingen en uitdagingen De leefomgeving en ook het water- en rioolsysteem van gemeente Berkelland staan onder invloed van verschillende ontwikkelingen en uitdagingen. Deze paragraaf vat de belangrijkste samen. 2.2.1Klimaatverandering Het klimaat verandert. Dit heeft verschillende gevolgen voor zowel het stedelijk als het landelijk gebied. Het aantal en de intensiteit (pieken) van extreme buien nemen toe. Deze hevige buien gaan de afvoercapaciteit van het rioleringsstelsel overstijgen. Dit zorgt voor meer/vaker water op straat en voor grotere overstorten van het riool op het oppervlaktewater. Daarnaast kan wateroverlast optreden in het gebied doordat sloten en beken het water niet snel genoeg bergen of afvoeren. Verder hebben toenemende perioden van hitte en droogte gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving. Hitte kan leiden tot gezondheidsklachten bij met name kwetsbare groepen, zoals zieken en ouderen. Daarnaast zorgt langdurige warmte o.a. voor opwarming van het oppervlaktewater, dat leidt tot meer algengroei en een verlaging van het zuurstofgehalte in de watergangen en daarmee een verlaging van de aquatische biodiversiteit. De uitdaging is om de bebouwde omgeving en het buitengebied zodanig in te richten dat de negatieve gevolgen van de effecten van klimaatverandering beperkt blijven. Het vergroten van het waterbergend vermogen van de bebouwde kom en in lager gelegen gebieden/beekdalen in het landelijk gebied via robuuste groene en blauwe netwerken speelt hierbij een belangrijke rol. Hierbij gaat het niet alleen om de openbare ruimte, maar ook om particulier terrein. Er is een trend waarneembaar van het verharden van tuinen (onderhoudsvrij maken) en de openbare ruimte door een toenemende druk op de ruimte (woningbouw, groei van bedrijventerreinen, etc.). Als gevolg hiervan zullen de effecten van klimaatverandering toenemen bij het optreden van intensieve buien en/of hoge temperaturen. Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie De Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie stelt dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust moet zijn ingericht. De Deltabeslissing maakt deel uit van het Deltaprogramma en wordt iedere 6 jaar herijkt. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk werken naar aanleiding van de deltabeslissing in 45 werkregio’s samen om ervoor te zorgen dat schade door hitte, wateroverlast, droogte en overstromingen zo beperkt mogelijk blijft1https://klimaatadaptatienederland.nl/overheden/deltaplan-ra/werkregio/. De gemeente Berkelland maakt deel uit van de werkregio Samenwerkingsverband Achterhoek+. Eén van de doelen van de herijking in 2021 is dat gemeenten klimaatbestendig en waterrobuust inrichten borgen in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Regionale aanpak droogte Achterhoek Om stappen te zetten in de aanpak van klimaatverandering zijn verschillende partijen in de Achterhoek betrokken bij de Regionale Aanpak Droogte Achterhoek, voor het landelijk gebied. Hierin spraken de partijen af zich in te blijven zetten op droogte- en klimaatmaatregelen voor de lange en korte termijn in verschillende deelgebieden in de Achterhoek. Voor het watersysteem is onder meer de ambitie uitgesproken om 100 mm (extra) water vast te houden om droogte tegen te gaan2https://www.gelderland.nl/themas/duurzaamheid/droogte-in-de-achterhoek. De provincie en het waterschap hebben de leiding in de aanpak, omdat het voornamelijk het landelijk gebied betreft. Gemeenten denken echter wel mee in de aanpak. Zo is gemeente Berkelland betrokken door een bijdrage te leveren aan kennissessies over het grond- en oppervlaktewatersysteem. 2.2.2Energietransitie Om klimaatverandering te beperken werken overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties aan de energietransitie, met als doel om het gebruik van hernieuwbare energiebronnen te vergroten en minder afhankelijk te worden van fossiele brandstoffen. De energietransitie raakt ook de afvalwaterketen en het watersysteem: Ruimte in de ondergrond: de toenemende vraag naar elektriciteit en het toewerken naar alternatieve warmtebronnen kan consequenties hebben voor de inrichting van de ondergrond in wijken en straten. Dat gaat over de beschikbare ruimte voor bijvoorbeeld de aanleg van een warmtenet, maar ook om afstemming en regie over het moment dat projecten in de ondergrond worden uitgevoerd. Daarnaast moet opwarming van waterleidingen (van Vitens) worden voorkomen, omdat anders de kwaliteit van het drinkwater in het geding komt. De verschillende uitdagingen hebben consequenties voor de ligging en het moment van vervangen van de gemeentelijke riolering. Het overhouden van voldoende ruimte voor het bergen van water in de ondergrond is ook een aandachtspunt. Het werken aan het energieneutraal maken van de afvalwaterketen. Hernieuwbare energie: de afvalwaterketen en het watersysteem kennen mogelijkheden voor opwekking van duurzame energie, zoals energie uit temperatuurverschillen van grond- en oppervlaktewater, afvalwater of energie uit stromend water. Uit een analyse van het waterschap en gemeente Berkelland bleek eerder dat de kosten voor het toepassen hiervan op grote schaal op dit moment nog niet opwegen tegen de baten. De gemeente blijft echter wel zoeken naar kansen en mogelijkheden voor bijvoorbeeld het hergebruik van koelwater uit fabrieken voor verwarming. 2.2.3Circulaire economie Het sluiten van kringlopen en het beperken van afvalstromen staan hoog op de maatschappelijke agenda. Een volledig circulaire economie in 2050 is de doelstelling van de Rijksoverheid. Dit kan ook consequenties hebben voor riolering en de afvalwaterketen. Hergebruik van afvalwater kan zorgen voor minder gebruik van hoogwaardig drinkwater, bijvoorbeeld door regenwater of gezuiverd afvalwater te benutten bij het sproeien van tuinen, het doorspoelen van het toilet of voor proceswater. Belangrijk is wel dat dit water van goede kwaliteit is. Ook materiaalgebruik en waarde creatie uit afvalwater is een thema dat bij de overheid, markt en inwoners in de belangstelling staat. Waterschap Rijn en IJssel is hiermee aan de slag gegaan, onder andere via de grondstoffenfabriek Kaumera in Zutphen. 2.2.4Technologische ontwikkelingen Technologie en de digitalisering van de samenleving gaan onverminderd door en raken ook het werkveld ‘water en riolering’. Door nieuwe en verbeterde meettechnieken, zoals sensortechnieken, mobiele toepassingen, radar- en satellietbeelden komen steeds meer en betere digitale gegevens beschikbaar. Data gedreven werken wordt steeds belangrijker. Ook Artificial Intelligence (AI) en Machine learning zullen de komende jaren hun intrede doen bij water en riolering. 2.2.5Ruimtelijke ontwikkelingen Het landelijk gebied in de gemeente Berkelland is voor circa 80% landbouwkundig in gebruik. Door schaalvergroting is een rationele inrichting van het landschap ontstaan. Natuurgebieden zijn hierdoor als eilanden gaan functioneren voor soorten die ook deels van agrarisch gebied gebruik maken. De aanpak voor de versterking van natuur (terugbrengen stikstofuitstoot) en verbetering van de kwaliteit van water en bodem, komt samen in het Nationaal Programma Landelijk Gebied. Hierin gaan provincies, waterschappen, gemeenten, maatschappelijke partners, (agrarisch) ondernemers, grondeigenaren en grondgebruikers gebiedsgericht op zoek naar oplossingen. De gemeente is voortdurend in gesprek met partners en belanghebbenden (zoals Waterschap Rijn en IJssel, provincie Gelderland, buurgemeenten, Stichting Landschapsbeheer Gelderland) over hoe ze bij kan dragen en aan kan sluiten bij projecten rondom het robuuster en veerkrachtiger maken van het watersysteem en de natuur in het buitengebied van de gemeente. Hier wordt ook aan gewerkt in de Regionale Aanpak Droogte Achterhoek voor het landelijk gebied, zoals omschreven in paragraaf 2.2.1. 2.2.6Nieuwe stoffen in het afvalwater In toenemende mate worden stoffen in het afvalwater aangetroffen die niet (kunnen) worden verwijderd in de huidige RWZI’s. Het gaat hierbij om stoffen als medicijnresten, zware metalen, gewasbeschermingsmiddelen en een veelheid aan microverontreinigingen afkomstig uit consumentenproducten en bedrijfsprocessen. Deze nieuwe stoffen kunnen nadelige effecten hebben op de chemische en ecologische waterkwaliteit. De uitdaging is om te voorkomen dat deze nieuwe stoffen in de riolering (aanpak bij de bron) en in het watersysteem terecht komen (eventueel aanvullen met extra maatregelen op de zuivering). Het waterschap is eigenaar van dit vraagstuk en de gemeente denkt mee over de oplossingen waar nodig. De oplossingen zijn bijvoorbeeld te vinden in het beperken van uitlogende materialen, aanpassen van strooibeleid en actief inzamelen van oude medicijnen. 2.3Wat willen de gemeente bereiken? In de Watervisie Berkelland 2030 staat beschreven hoe de gemeente wil dat de afvalwaterketen en het watersysteem er in 2030 uit ziet. Samen met Waterschap Rijn en IJssel geeft de gemeente richting aan de inrichting en uitvoering van het beheer van de afvalwaterketen en het watersysteem. De doelen en ambities uit de Watervisie Berkelland 2030 sluiten aan bij de uitvoering van de gemeentelijke watertaken. Bij de uitvoering van de gemeentelijke watertaken richt de gemeente zich op 4 strategische doelstellingen: Voorkomen van contact met afvalwater. Aanpassen aan klimaatverandering (klimaatadaptatie). Bevorderen van schoon en gezond water. Bedrijfszeker en doelmatig beheer van rioolsystemen. 2.3.1Voorkomen van contact met afvalwater Ten behoeve van een gezonde en veilige leefomgeving streeft de gemeente Berkelland naar het zo veel mogelijk voorkomen van het contact met afvalwater (vuilwater). Het hoofddoel van de vuilwaterriolering is om afvalwater uit de directe leefomgeving te verwijderen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de volksgezondheid, doordat ziektekiemen niet verblijven in de nabijheid van inwoners. Om contact met afvalwater te voorkomen hanteert de gemeente een aantal leidende principes: Inzamelen van huishoudelijk afvalwater via vuilwaterriool. Wanneer dit niet doelmatig is, gebruik maken van een andere publieke of private voorziening, die ervoor zorgt dat er geen ongezuiverd afvalwater in het milieu terecht komt. De doelmatige werking van het afvalwatersysteem wordt niet negatief beïnvloed door lozingen van huishoudelijk of bedrijfsmatig afvalwater. Bij het uitwerken van het omgevingsplan neemt de gemeente ook regels op over het lozen van afvalwater op de riolering (zie paragraaf 3.1). Scheiden van afvalwater en relatief schoon regenwater. Zo blijft relatief schoon regenwater schoon en is water op straat ten gevolge van hevige regen zo schoon mogelijk. Het vuilwaterstelsel is robuust gedimensioneerd en kent voldoende bergingscapaciteit, zodat in geval van calamiteiten in de afvoercapaciteit (o.a. gemalen) er voldoende hersteltijd is, waardoor voorkomen wordt dat afvalwater uittreedt in woningen of overstort op het oppervlaktewater. 2.3.2Aanpassen aan klimaatverandering (klimaatadaptatie) Volgens de landelijke ambitie zijn de woonkernen en het buitengebied van de gemeente Berkelland uiterlijk in 2050 klimaatbestendig ingericht. Dat betekent dat de gemeente een basis beschermingsniveau biedt met als streven dat inwoners en bedrijven in de kernen geen of zo min mogelijk schade ondervinden door wateroverlast in geval van een bui met een herhalingstijd die statistisch gezien 1 keer per 100 jaar op een locatie voorkomt (grofweg 1 keer per generatie). Concreet betekent dit dat in 2050 bij extreem hevige neerslag (70 mm in een uur) er geen schade optreedt aan bebouwing, infrastructuur en aan vitale voorzieningen. Er staat maximaal 20 cm water op straat. Bij een bui van 90 mm in een uur blijven hoofdwegen bereikbaar en drinkwater en energie beschikbaar. Inwoners en bedrijven zijn zich bewust van de consequenties van extreem weer en weten welke maatregelen zij zelf kunnen nemen om schade te voorkomen. Daarnaast zijn zij zich er van bewust dat de negatieve gevolgen van extreem weer niet altijd kunnen worden voorkomen. Om bovenstaande te bereiken, werkt de gemeente Berkelland aan de klimaatbestendige inrichting van de publieke (openbare) en private buitenruimte (o.a. tuinen en (parkeer)terreinen) en het watersysteem. Hiervoor hanteert de gemeente een aantal leidende principes: Benutten van fysieke veranderingen in de openbare ruimte om klimaatbestendige maatregelen te nemen. Dat geldt voor projecten van de gemeente en van het waterschap en ook voor projecten van anderen: inwoners, (agrarische) bedrijven, woningcorporaties, terreinbeheerders en maatschappelijke organisaties. Dat betekent dat onderhoudscycli van infrastructuur, riolering, groen en gebouwen op elkaar worden afgestemd en optimaal worden benut. Bij keuzes in de inrichting is het water- en bodemsysteem zoveel mogelijk leidend. Door zuiniger om te gaan met water komen er meer grondwatervoorraden. Voor bouwlocaties gaat de voorkeur uit naar locaties waar geen conflict ontstaat met de belangen van water en bodem. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het vermijden van bouwen op locaties die noodzakelijk zijn voor het bergen en afvoeren van water. Verder is het streven om verharding van de bodem tegen te gaan, waardoor meer water infiltreert. Ook wordt een hoger grondwaterpeil beoogd. Om te kunnen anticiperen op klimaatverandering en overlast tijdens hevige neerslag en droogte te voorkomen, hanteert de gemeente Berkelland een gebiedsgerichte strategie voor de verwerking van regenwater (zie hoofdstuk 3). Bij (ver)nieuwbouw zorgt de gemeente ervoor dat er sprake is van een klimaatbestendige bouw en inrichting, met zo min mogelijk afwenteling naar de omgeving. Hierbij geldt het principe dat bij elk initiatief, bouw, verbouw of reconstructie het schone regenwater, voor zover redelijkerwijs mogelijk, geheel binnen de plangrenzen wordt verwerkt. Het vuilwater wordt gescheiden van het regenwater aangesloten op het gemeentelijke hoofdriool. Er wordt hierop gestuurd via regels in het omgevingsplan (zie paragraaf 3.2). 2.3.3Bevorderen van schoon en gezond water Het Regionaal waterprogramma van de provincie Gelderland bevat doelstellingen en beleid om te voldoen aan de Europese Kaderrichtlijn Water en andere waterkwaliteitsopgaven. De provincie en het waterschap hebben de primaire verantwoordelijkheid voor de verschillende waterkwaliteitsopgaven. De gemeente heeft geen oppervlaktewater meer in beheer, met uitzondering van specifieke voorzieningen zoals zaksloten. Waar de initiatieven van het waterschap voor de waterkwaliteit raken aan de gemeentelijke watertaken of voorzieningen, draagt de gemeente bij om de doelen te behalen. Dit draagt bij aan het oplossen van knelpunten zoals blauwalgen, vissterfte of stankoverlast zijn hierdoor ook zoveel mogelijk opgelost en nieuwe knelpunten worden voorkomen. 2.3.4Bedrijfszeker en doelmatig beheer van rioolsystemen De gemeente beheert de voorzieningen voor de gemeentelijke watertaken tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten en stuurt op bedrijfszekerheid. Om dat te bereiken werkt de gemeente met de volgende leidende principes: Bij het beheer en de inrichting van de openbare ruimte werkt de gemeente integraal en volgens het principe van ‘werk met werk maken’. Door risico gestuurd ontwerp en beheer worden er bewust en expliciet keuzes gemaakt (zie hoofdstuk 4). Lozingen die een negatieve invloed hebben op het functioneren van de riolering worden zoveel mogelijk voorkomen of zijn aan specifieke voorwaarden gebonden. Gemeentelijke voorzieningen voor riolering en de verwerking van regenwater liggen zoveel mogelijk op gemeentelijk grondgebied opdat deze (kosten)efficiënt bereikbaar zijn voor onderhoudswerkzaamheden en vervanging. 3.Beleid gemeentelijke watertaken Deze paragraaf beschrijft de gemeentelijke watertaken. Deze taken vormen de wettelijke basis voor onze inspanningen en kennen een zekere mate van beleidsvrijheid. Dit hoofdstuk geeft weer hoe de gemeente Berkelland invulling geeft aan haar watertaken. Achtereenvolgens komen aan bod: afvalwaterbeleid, hemelwaterbeleid en grondwaterbeleid. 3.1Beleid afvalwater 3.1.1Wettelijke taak De wettelijke basis voor de gemeentelijke taak voor de inzameling van stedelijk afvalwater staat verwoord in artikel 2.16 van de Omgevingswet3https://iplo.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/overzicht-geconsolideerde-teksten-omgevingswet/. De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater naar een zuiveringtechnisch werk van het waterschap (het overnamepunt is in dit geval een gemaal, persleiding of RWZI) en doet dit binnen de gebouwde omgeving (kernen) door de aanleg en beheer van vuilwaterriolen (of gelijkwaardige voorzieningen). Ook buiten de gebouwde omgeving (het buitengebied) geldt in beginsel de gemeentelijke zorgplicht. Maar als sprake is van agglomeraties met lozingen van minder dan 2.000 inwonerequivalenten en als aanleg van een vuilwaterriool niet doelmatig is, dan kan de gemeente hiervan afwijken. In dat geval hebben eigenaren van gebouwen en percelen een eigen verantwoordelijkheid als lozer van afvalwater. Dit houdt in dat zij zelf voor een zuiveringsvoorziening voor het afvalwater moeten zorgen. 3.1.2Invulling beleidsvrijheid Bij de invulling van de zorgplicht van stedelijk afvalwater maakt de gemeente Berkelland onderscheid tussen huishoudelijk afvalwater in de gebouwde omgeving, huishoudelijk afvalwater buitengebied en bedrijfsmatig afvalwater. De centrale doelstelling daarbij is het zoveel mogelijk voorkomen van contact met afvalwater en continuïteit van de bedrijfsvoering (zie hoofdstuk 2). Het algemene uitgangspunt dat de gemeente hanteert is daarom dat het afvalwater van gebouwen wordt ingezameld als dit in het belang is van de leefbaarheid en/of volksgezondheid. Huishoudelijk afvalwater gebouwde omgeving Voor bestaande bouw en (ver)nieuwbouw geldt een aansluitplicht voor het lozen van afvalwater op de riolering. De gemeente zorgt voor inzameling van afvalwater en transport naar een zuiveringtechnisch werk. Dat kan via een gemeentelijk rioolstelsel of een andere voorziening die er voor zorgt dat er geen ongezuiverd afvalwater in het milieu terecht komt. Er zijn ook uitzonderingen op de aansluitplicht. Dit betreffen alternatieve woonvormen of niet-woningen. Onderstaand kader geeft het beleid voor een aantal voorbeelden hiervan. Bedrijfsmatig afvalwater komt later als losstaand onderwerp terug en wordt daarom niet genoemd in het kader. Afvalwaterbeleid voor alternatieve woningen en niet-woningen Voor woningen met focus op duurzaamheid, circulariteit en het zogenaamde ‘off-grid’ -streven, kan onder strikte voorwaarden tijdelijke ontheffing worden verleend voor de aansluitplicht op de riolering. Een dergelijke ontheffing wordt vooralsnog alleen overwogen in gebieden met een speciale status. De voorwaarden zijn: De woning is niet aangesloten op het drinkwaternet. Aansluiting op het drinkwaternet geeft gerede kans op grote hoeveelheden afvalwater. Dit is ontoelaatbaar in de bebouwde kom. De woning heeft een droog toilet met separate opvang en verwerking van de droge en de natte fractie. Fecaliën zijn te verwerken in de tuin. Urine heeft potentie voor verwerking. De woning heeft geen bad of douchevoorziening. Bad en douche gaan gepaard met grote hoeveelheden afvalwater. De woning heeft geen wasmachine. Een wasmachine leidt tot een grote hoeveelheid afvalwater met zeepresten. De keuken heeft water uit een jerrycan. Een klein beetje afvalwater uit de keuken kan worden uitgegoten over de tuin. De ontheffing (door de gemeente) is tijdelijk voor de periode van 1 jaar en kan steeds worden verlengd na toetsing. Als aan één van genoemde voorwaarden niet meer wordt voldaan, dan vervalt de ontheffing en wordt aansluiting op de riolering alsnog verplicht. Evenementen Voor evenementen geldt de plicht om afvalwater op verantwoorde wijze in te zamelen. De verantwoordelijkheid ligt bij de organisator. In sommige gevallen kan er na goedkeuring van de gemeente direct worden geloosd op rioolputten. Echter dient het lozen op het regenwaterriool te worden voorkomen. Het kan ook zijn dat het afvalwater per as wordt afgevoerd naar de zuivering. Gebouwen zonder afvalwater Diverse gebouwen hebben in principe geen afvalwater, zoals trafohuisjes en garageboxen zonder drinkwater. Deze behoeven geen verplichte aansluiting op de riolering. Vakantieparken Vakantieparken en campings (zowel in de gebouwde omgeving als in het buitengebied) worden zoveel mogelijk aangesloten op de riolering. De gemeente geeft bij de vergunningverlening randvoorwaarden mee aan de initiatiefnemer (voorwaarden lozingen op de riolering). Huishoudelijk afvalwater buitengebied Voor het buitengebied geldt dat de gemeente huishoudelijk afvalwater inzamelt en afvoert via drukriolering. Inwoners zijn zelf verantwoordelijk voor het aansluiten op de riolering. Nieuwe lozingen moeten door het bestaande systeem verwerkt kunnen worden. Er kan ook sprake zijn van omstandigheden waarin een uitzondering geldt, zoals: Centrale inzameling is niet doelmatig (kosten en inspanning wegen niet op tegen het resultaat). De capaciteit van het bestaande collectieve systeem is niet toereikend. Dit komt bijvoorbeeld voor bij ontwikkelingen als gevolg van Rood voor Rood, huisvesting van seizoenarbeiders, of de aanleg van een kampeerterrein. Zie voor voorbeelden ook het bovenstaande tekstkader: Afvalwaterbeleid voor alternatieve woningen en niet-woningen. Het einde van de technische levensduur van het collectieve systeem (leidingen) is aanstaande. In zo’n geval maakt de gemeente eerst een afweging over de meest logische en effectieve oplossing. Decentrale technieken leveren een vergelijkbaar of beter zuiveringsresultaat. In geval van bovengenoemde (niet uitputtende) omstandigheden maakt de gemeente, waar nodig in overleg met het waterschap, een nieuwe afweging over de wijze van verwerken van huishoudelijk afvalwater in het buitengebied. In de komende planperiode wordt de nog beschikbare extra capaciteit van de drukriolering verkend en op welke manier de randvoorwaarden gesteld kunnen worden aan ruimtelijke ontwikkelingen, zodat aansluiten op drukriolering mogelijk blijft (zie hoofdstuk 4). Bedrijfsafvalwater Voor bedrijfsafvalwater geldt dat de gemeente afvalwater dat qua biologische afbreekbaarheid vergelijkbaar is met huishoudelijk afvalwater inzamelt via (druk)riolering. Ook ander bedrijfsafvalwater dat niet lokaal kan worden teruggebracht in het milieu, zamelt de gemeente in, tenzij dit ten koste gaat van het doelmatig functioneren van de vuilwaterriolering of de rioolwaterzuivering. In dat geval weigert de gemeente nieuwe aansluitingen van bedrijven, stelt specifieke voorwaarden of beëindigt bestaande aansluitingen. De Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) voert het toezicht en de handhavingstaken uit voor lozingen van bedrijfsafvalwater op de riolering, op basis van afspraken met de gemeente en het waterschap. Het waterschap gebruikt daarbij zijn adviesbevoegdheid voor de bedrijfsmatige lozingen. Hoofdstuk 4 geeft de verdere strategie weer voor deze samenwerking. Hieronder wordt het specifieke beleid uitgewerkt voor verschillende typen bedrijfsafvalwater. Niet-industriële voedselbereiding (vetafscheiders) Het lozen van afvalwater bij niet-industriële voedselbereiding (zoals de horeca) kan leiden tot vetophoping in riolering en hoge onderhoudskosten. De gemeente wil voorkomen dat er een nadelige impact is op het functioneren van de riolering. Ook in de toekomst blijft het gebruik van een vetafscheider en slibvangput daarom vereist. In het omgevingsplan neemt de gemeente de (huidige landelijke) regels over in het omgevingsplan, eventueel met specificaties van de vetafscheider en slibvangput. Bijlage A geeft een voorbeeld van een dergelijke maatwerkregel. Agrarisch bedrijfsafvalwater In het buitengebied hebben de meeste lozingen van bedrijfsmatig afvalwater een agrarische herkomst. In de moderne agrarische bedrijfsvoering komen typen lozingen voor die de doelmatige werking van het drukrioolsysteem kunnen beperken, zowel door kwaliteit als door kwantiteit van het geloosde afvalwater. De gemeente heeft te maken met verschillende typen agrarische lozingen op de riolering. De tekst hieronder geeft weer wat de voorkeurslozingsroutes voor deze lozingen zijn en of de gemeente via het omgevingsplan specifieke lozingsvoorwaarden gaat stellen. Ontijzeringsinstallaties Ontijzeringswater is afkomstig van ontijzeringsinstallaties. Het lozen hiervan op de drukriolering kan leiden tot verstoppingen. Dit is een sluimerend probleem en het is daardoor lastig op te sporen en aan te tonen. Het lozen op de riolering is momenteel nog wel toegestaan. Samen met de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) en het waterschap wil de gemeente graag op korte termijn voorkomen dat nieuwe probleemlozingen zich voordoen en op de lange termijn de bestaande probeemlozingen oplossen. Dit kan door bijvoorbeeld toe te werken naar het lozen op de bodem als voorkeurslozingsroute. De gemeente verkent daarom in de komende planperiode hoe groot het probleem is en wat op korte en lange termijn het meest doelmatig is om verdere problemen te voorkomen (zie ook hoofdstuk 4). Melkspoelwater Melkspoelwater leidt tot problemen in de riolering, door de aanwezigheid van vet in het water. Op dit moment is de voorkeurslozingsroute voor melkspoelwater op de bodem, zo lang het afvalwater gelijkmatig wordt verspreid over de onverharde bodem. Daarnaast wordt melkspoelwater bij voorkeur hergebruikt. Wanneer het water wel op de riolering wordt geloosd is een vetafscheider nodig die het spoelwater reinigt. Bij het maken van het omgevingsplan maakt de gemeente een afweging van de noodzaak voor het opnemen van regels in het omgevingsplan. Daarnaast inventariseert zij samen met de ODA hoe de regels in de praktijk worden toegepast, om meer zicht te krijgen op oorzaken van huidige knelpunten in de riolering met melkspoelwater (zie hoofdstuk 4). Luchtwassers Een luchtwasser in een stal ‘wast’ de ammoniak uit de lucht. Het afvalwater dat hierbij vrijkomt wordt spuiwater genoemd. De voorkeurslozingsroute voor het spuiwater is op de bodem. In het Besluit Activiteiten Leefomgeving is een verbod op lozing van afvalwater op een vuilwaterriool opgenomen. De gemeente kan via een maatwerkvoorschrift afwijken van dit lozingsverbod en de lozing (eventueel onder specifieke voorwaarden) toestaan. Ondanks het lozingsverbod treden nog steeds kwantiteitsknelpunten in de riolering op als gevolg van spuiwater. De gemeente inventariseert daarom samen met de ODA hoe de regels in de praktijk worden toegepast, om meer zicht te krijgen op oorzaken van huidige knelpunten in de riolering met melkspoelwater (zie hoofdstuk 4). Waar eerst voornamelijk biologische luchtwassers werden gebruikt, is er nu ook sprake van chemische luchtwassers. Het kan zijn dat in geval van chemische luchtwassers een reinigingsvoorziening noodzakelijk is, voordat het afvalwater op de bodem kan worden geloosd (vanuit het oogpunt van bodem- en waterkwaliteit). De gemeente verkent daarom in de komende planperiode ook in hoeverre er in de regels onderscheid nodig is tussen lozingswater afkomstig van biologische en chemische luchtwassers (zie hoofdstuk 4). Wasplaatsen Op wasplaatsen in het buitengebied worden motorvoertuigen en werktuigen gewassen. De regelgeving maakt onderscheid in voorschriften voor het wassen van machines waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, en machines waarbij dit niet het geval is. Daarbij wordt ook nog onderscheid gemaakt tussen het uitwendig wassen en inwendig wassen van de machines waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt. Kenmerkend voor het afvalwater van deze wasplaatsen, is dat het afvalwater zich vaak vermengt met hemelwater dat op de wasplaats valt. Vanaf wasplaatsen zonder overkapping loost de agrariër dus eigenlijk én bedrijfsafvalwater én verontreinigd hemelwater. Dit is onwenselijk. In de komende planperiode verkent de gemeente hoe ze doelmatig om kan gaan met de lozingen van wasplaatsen en vermenging van het water kan voorkomen (zie hoofdstuk 4). 3.2Beleid hemelwater 3.2.1Wettelijke taak De wettelijke basis voor de gemeentelijke taak voor de omgang met hemelwater staat verwoord in artikel 2.16 van de Omgevingswet4https://iplo.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/overzicht-geconsolideerde-teksten-omgevingswet/. De gemeente is verantwoordelijk voor inzameling van afstromend hemelwater van percelen waarvan de eigenaren niet zelf kunnen voorzien in afvoer naar oppervlaktewater of bodem. Als de gemeente hemelwater inzamelt, is zij ook verantwoordelijk voor de verdere omgang, inclusief de lozing op oppervlaktewater of in de bodem. De gekozen route bepaalt de betrokkenheid van de waterbeheerder. Het waterschap kan betrokken zijn als beheerder van de ontvangende zuivering of van het ontvangende oppervlaktewater, en soms van beide. 3.2.2Invulling beleidsvrijheid Hemelwater niet inzamelen, tenzij… De gemeente hanteert het algemene uitgangspunt dat gebouwen en percelen geen hemelwater lozen op de gemeentelijke riolering, tenzij dit in het belang van de leefbaarheid of volksgezondheid noodzakelijk is. Dat geldt naast de private percelen ook voor gebouwen en percelen van de gemeente zelf. De onderstaande alinea’s beschrijven per gebiedstypologie (bestaande bouw, nieuwbouw en buitengebied) hoe de gemeente invulling geeft aan de hemelwatertaak. Bestaande bouw - kernen Voor bestaande gebouwen en percelen geldt dat de gemeente het hemelwater blijft inzamelen en transporteren naar een gemeentelijke voorziening, het oppervlaktewater (bij gescheiden riolering) of een zuiveringtechnisch werk (RWZI in geval van gemengde riolering). Het gescheiden aanleveren van te lozen regenwater en afvalwater op het gemeentelijk rioolstelsel en het verwerken van overtollig regenwater op het eigen perceel worden door de gemeente en het waterschap gestimuleerd (zie hoofdstuk 4). Daarnaast werkt de gemeente aan het omvormen van gemengde riolering naar gescheiden riolering. Voor het verwerken van regenwater via gescheiden riolering maakt ze gebruik van het regenwaterstructuurplan (zie hoofdstuk 4). Bij de aanleg van een nieuwe regenwatervoorziening koppelt de gemeente, indien doelmatig, de voorkant van daken af en sluit deze aan op de regenwatervoorziening. De kosten hiervoor nemen we als gemeente ook voor onze rekening. De systeemoverzichten stedelijk water die de gemeente opstelt leiden mogelijk tot aanvullend beleid voor afkoppelen en bijbehorende maatregelen (zie hoofdstuk 4). Bestaande bouw - buitengebied In het buitengebied zamelt de gemeente geen regenwater in. De eigenaar van gebouwen en percelen verwerkt zijn regenwater zelf op het eigen terrein of voert het in overleg met het waterschap af naar het oppervlaktewater of de bodem. Hemelwater mag niet worden geloosd op drukriolering, want dat is enkel bedoeld voor en berekend op de inzameling en transport van huishoudelijk afvalwater. Illegale lozing van hemelwater op drukriolering leidt tot meer storingen, risico op wateroverlast (soms bij andere mensen dan degene die illegaal loost), overmatige slijtage aan de pompen en hoge energiekosten. Afstromend hemelwater kan, net zoals dat voor de aanleg van riolering in het buitengebied ging, in de bodem, een greppel of sloot worden geloosd. Bij risico op verontreinigd afstromend water, zoals bij sommige erven, gierkelders, kuilbulten, wasplaatsen, opslag van machines of overslagplaatsen, is het beter het afstromende water via een zuiverende voorziening te laten lopen. Dit spoor verloopt via de omgevingsvergunning. Verbouw - nieuwbouw/klimaatadaptief bouwen Als algemeen principe geldt dat bij elk initiatief, bouw, verbouw of reconstructie, het schone regenwater voor zover redelijkerwijs mogelijk geheel binnen de plangrenzen wordt verwerkt, om afwenteling te voorkomen. Het vuilwater wordt gescheiden van het regenwater aangesloten op het gemeentelijke hoofdriool. In het plangebied mag bij extreme neerslag (70 mm in een uur) geen schade optreden aan infrastructuur en aan vitale voorzieningen. Er staat maximaal 20 cm water op straat. Bij een bui van 90 mm in een uur blijven hoofdwegen bereikbaar en drinkwater en energie beschikbaar. De gemeente hanteert de volgende voorkeursvolgorde voor de verwerking van regenwater, om te voldoen aan bovenstaande richtlijn: Voorkomen van afstromend hemelwater, bijvoorbeeld door toepassing van groene daken, beperken van verharding, toepassen van (groene) water passeerbare verharding (infiltratie). Hergebruik van hemelwater, bijvoorbeeld voor toilet doorspoeling. (Dit is ook relevant in het kader van de doelen van Vitens voor drinkwaterbesparing.) Vertraagd afvoeren, bij voorkeur over het maaiveld, naar een bovengrondse berging, bijvoorbeeld infiltratievoorzieningen als een wadi of zaksloot. Vertraagd afvoeren naar een ondergrondse berging door het gebruik van buizen en kratten. In geval van extreme neerslag: overloop buiten plangebied naar het oppervlaktewater of een gemeentelijke (riolerings)voorziening. De volgorde toont aan dat we ons als gemeente richten op waterberging op plangebiedsniveau5Het plangebied kan een enkele kavel omvatten, of meerdere kavels inclusief een deel openbare ruimte.. Daarnaast richten de gemeente zich zoveel mogelijk op bovengrondse waterberging in combinatie met groen (groenblauwe structuren). Indien bovengrondse afvoer of ondergrondse infiltratie redelijkerwijs niet mogelijk of gewenst is, dan is overleg nodig tussen de initiatiefnemer en de gemeente over een maatwerkoplossing. De voorkeursvolgorde is generiek voor de gemeente. Echter kunnen bij de kernen Haarlo en Olden-Eibergen aanvullende regels van toepassing zijn uit de omgevingsverordening van Provincie Gelderland, gericht op grondwaterbeschermingsgebieden voor de drinkwaterwinning. Door de voorkeursvolgorde te hanteren, biedt een nieuwbouwplan de kans om het gehele projectgebied waterneutraal te maken ten opzichte van wanneer dit gebied onverhard zou zijn. Waterneutraliteit houdt in dat het hemelwater binnen het projectgebied wordt verwerkt en niet wordt afgewenteld op naastgelegen gebieden. Bijlage B geeft de inhoudelijke eisen voor waterberging. Door de voorkeursvolgorde en de bijbehorende uitgangspunten voor waterberging sluit de gemeente aan bij de landelijke Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving6https://klimaatadaptatienederland.nl/hulpmiddelen/overzicht/maatlat-groene-klimaatadaptieve-gebouwde-omgeving/. De uitgangspunten vormen de basis voor afspraken met initiatiefnemers in een realiseringsovereenkomst (anterieure overeenkomst). De eisen verwerkt de gemeente ook in de LIOR (Leidraad Inrichting Openbare Ruimte). Daarnaast krijgen ze deels een plek als juridisch bindende regels in het omgevingsplan. Wanneer in het omgevingsplan ook normen afkomstig uit het Groenbeleidsplan een plek krijgen, draagt dat ook bij aan een klimaatbestendige inrichting. Te denken valt aan de 3-30-300 richtlijn, die inhoudt: 3 bomen zichtbaar vanuit elk huis, 30% van de omgeving is groen en binnen 300m van elk huis is een groene ruimte van minimaal 200 m2 om te recreëren. 3.3Beleid grondwater 3.3.1Wettelijke taak De wettelijke basis voor de gemeentelijke taak voor de grondwaterstand staat verwoord in artikel 2.16 van de Omgevingswet7https://iplo.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/overzicht-geconsolideerde-teksten-omgevingswet/. De gemeente is verantwoordelijk voor maatregelen in de openbare ruimte om nadelige gevolgen van de grondwaterstanden voor de gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen. Dit geldt voor zover de maatregelen doelmatig zijn en niet tot de zorg van het waterschap of de provincie behoren. Deze maatregelen zijn vooral kwantitatief gericht en gaan niet over de bescherming van de grondwaterkwaliteit. Vaak zal het gaan om het aanbieden van inzamelvoorzieningen voor overtollig grondwater. Als de gemeente inzamelt, is zij ook verantwoordelijk voor de verdere omgang met het grondwater. Tevens is zij aanspreekpunt bij grondwaterproblemen voor het onderzoeken van oorzaken en vinden van oplossingen. 3.3.2Invulling beleidsvrijheid De gemeente hanteert het algemene uitgangspunt dat eigenaren van gebouwen en percelen zelf verantwoordelijk zijn voor de verwerking van overtollig grondwater, tenzij dit in het belang van de leefbaarheid of volksgezondheid niet haalbaar en niet doelmatig8Niet doelmatig: wanneer kosten en inspanning niet opwegen tegen het resultaat. is. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt naar gebiedstypen. Dat geldt dus ook voor de gemeente zelf als gebouw- en perceeleigenaar. Daarnaast spant de gemeente zich, voor zover dit binnen haar bereik ligt, in om problemen met een te hoge of te lage grondwaterstand in de kernen te voorkomen. De voorzieningen voor het bergen en infiltreren van water (vanuit de regenwatertaak), dragen hieraan bij. Wanneer is sprake van structurele nadelige gevolgen van grondwater? Voor de gemeente is sprake van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming in het geval dat: De overlast vrijwel jaarlijks voorkomt, en de overlast niet tijdelijk is, dus nog zeker 4 jaar zal aanhouden, en de overlast niet van afnemende aard is, en de overlast optreedt gedurende minstens 4 aaneengesloten weken, en de overlast doorwerking heeft in de woonruimten, en bouwkundige ingrepen onmogelijk of onredelijk kostbaar zijn. In dergelijke gevallen ligt in de rede dat de gemeente maatregelen in de openbare ruimte treft of mede mogelijk maakt. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van drainage. De gemeente hanteert de volgende uitgangspunten om nadelige gevolgen van een te hoge of te lage grondwaterstand te voorkomen. Deze uitgangspunten zijn deels van toepassing op particulier terrein en deels op de openbare ruimte. Kelders en souterrains horen waterdicht te zijn, zodat ze geen last hebben van hogere grondwaterstanden. Dit is een verantwoordelijkheid van de eigenaar, conform regels uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Kruipruimten horen ondiep te zijn. Een redelijke maat is een diepte van 50 centimeter onder de vloerisolatie. Vaak hanteert de gemeente daarvoor 90 centimeter vanaf bouwpeil. Woningen horen voorzieningen te hebben waardoor vocht vanuit de fundering niet optrekt in de muren. Dit is een verantwoordelijkheid van de eigenaar. Vochtoverlast in de woning wordt soms veroorzaakt door onbewust bewonersgedrag, zoals te weinig ventileren, geen afzuigkap gebruiken of de was drogen in huis. Dit is een verantwoordelijkheid van de bewoner. Bij bovengenoemde punten kan de gemeente voorlichtingsmateriaal verstrekken of op maat adviseren of doorverwijzen naar een deskundig bureau. Gemeente Berkelland kent weinig overlast en kiest voor persoonlijke advisering. Om de wegconstructie te beschermen kan de gemeente drainage toepassen. Bij het opstellen van plannen voor rioolvervanging is de gemeente alert op mogelijke verhoging van de grondwaterstand door het wegvallen van de drainerende werking van de oude lekke riolen en huisaansluitingen. Vaak wordt dit aangepakt door de aanleg van Drainage-Infiltratie riolering (zie paragraaf 4.1 voor de uitleg hiervan), op basis van het regenwaterstructuurplan. Deze riolering heeft ook een drainerende functie. Hierbij is er aandacht voor dat de grondwaterstand niet onbedoeld wordt verlaagd. Een bijzondere categorie wordt gevormd door problemen die ontstaan na vernattingsmaatregelen in het watersysteem of na stopzetting van een grondwateronttrekking. Dergelijke gevallen dienen in goed overleg tussen waterschap, vergunninghouder van de grondwateronttrekking en gemeente te worden opgelost. Uitkomst van dit overleg kan bijvoorbeeld een lokale extra ontwatering of grondwateronttrekking zijn. Hiervoor is echter vooraf onderzoek nodig om de risico’s te inventariseren. Tijdens bouwwerkzaamheden wordt soms grondwater onttrokken. Het waterschap is bevoegd gezag voor de hiertoe benodigde watervergunning. Speciale aandacht verdienen kapitale bomen die kwetsbaar zijn voor grote veranderingen van grondwaterstand. Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering De gemeente is bevoegd gezag voor het lozen op de riolering van grondwater dat afkomstig is van sanering of ontwatering. Tenzij de lozing dieper dan 10 meter onder het maaiveld plaatsvindt, of de lozing plaatsvindt binnen een inrichting die onder bevoegdheid van de provincie valt. In dat geval is de provincie bevoegd gezag. Voor het lozen van het grondwater hanteert de gemeente de volgende voorkeursvolgorde: Infiltreren. Afvoer naar het dichtstbijzijnde oppervlaktewater. Afvoer naar het hemelwaterriool. Afvoer naar gemende riolering. Aanvullende lozingseisen en meldingstermijnen staan in de Bruidsschat omgevingsplan en krijgen een plek in het omgevingsplan van de gemeente. 4.Uitvoeringsstrategie Het in stand houden en laten functioneren van de voorzieningen en infrastructuur voor de gemeentelijke watertaken vraagt om goede invulling van het dagelijks beheer en onderhoud, herstel- en vervangingsinvesteringen. Dit hoofdstuk beschrijft welke activiteiten de gemeente hiervoor onderneemt. Paragraaf 4.1 geeft een overzicht van de gemeentelijke rioleringsvoorzieningen. Daarna komt onderhoud van de riolering aan de orde (4.2) en renovatie, vervanging en verbetering van het (afval)watersysteem (4.3). Paragraaf 4.4 geeft weer hoe de gemeente omgaat met afval- en regenwater in projecten van derden. In 4.5 komt de samenwerking met andere partijen in de afvalwaterketen aan de orde en 4.6 geeft weer hoe de gemeente bijdraagt aan de energietransitie en circulariteit. Verder komt de bijdrage aan de bredere doelstellingen voor het watersysteem en klimaatadaptatie aan de orde (in respectievelijk paragraaf 4.7 en 4.8). Paragraaf 4.9 geeft een (samenvattend) overzicht van het uit te voeren onderzoek, maatregelen en projecten in de komende planperiode. 4.1Gemeentelijke rioleringsvoorzieningen Onderstaande tabel geeft een overzicht van aantallen gemeentelijke rioleringsvoorzieningen. Gemeentelijke voorzieningen Lengte vrijverval riolering: Vuil water Regenwater Gemengd Drainage 77 km 88 km (waarvan 31 km IT-DIT riolering*) 133 km 7 km Gemalen 86 Bergbezinkvoorzieningen 6 Regenwatervoorzieningen: Kolken Wadi’s 16.750 15 ha (schatting) Drukriolering (buitengebied): Persleiding (incl. aansluitleidingen) CVK’s Drukrioolunit P Drukrioolunit PV 688 km 217 1258 498 Individuele behandeling van Afvalwater (IBA’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.