Algemene plaatselijke verordening gemeente Cranendonck 2023De raad van de gemeente Cranendonck; gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2023; gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, 2.21, eerste lid, onder a en b, en 3.148, tweede lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer juncto artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Alcoholwet, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet, artikel 64, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s, artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 en de Omgevingswet; gezien het advies van de adviescommissie van de gemeenteraad van 28 november 2023; besluit vast te stellen de volgende verordening: Algemene plaatselijke verordening gemeente Cranendonck 2023 Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1:1Definities In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel1:2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen 8 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel1:3Indiening aanvraag (Vervallen) Artikel1:4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen; 3.Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald; 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1:6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of de houder dit verzoekt. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1:7Termijnen 1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel1:8Weigeringsgronden 1.Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 3.Verplaatst naar artikel 2:25, achtste lid. Hoofdstuk2.Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2.Degene die op een openbare plaats: aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5.Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel2:2Optochten (Vervallen) Artikel2:3Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2.De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3.Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4.Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel2:4Afwijking termijn (Vervallen) Artikel2:5Te verstrekken gegevens (Vervallen) Artikel2:6Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2.Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:7Feest, muziek en wedstrijd (Vervallen) Artikel2:8Dienstverlening (Vervallen) Artikel2:9Straatartiest e.d. 1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2.De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Afdeling2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel2:10Voorwerpen op of aan de weg 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd: als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 3.Het verbod is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 of het omgevingsplan; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen; beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening; 4.De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 5.De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. 6.De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 7.Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:11(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. 4. Artikel2:12Maken of veranderen van een uitweg 1.Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college door gebruikmaking van het “Meldingsformulier inrit”; het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2.Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als deze uitweg afwijkt van de door het college vastgestelde nadere regels “Uitvoeringsvoorschriften inritten”. 3. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen 8 weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 4.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Artikel2:13Veroorzaken van gladheid (Vervallen) Artikel2:14Winkelwagentjes (Vervallen) Artikel2:15Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel2:16Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel2:17Kelderingangen en dergelijke (Vervallen) Artikel2:18Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: te roken gedurende een door het college aangewezen periode; voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht. 3.Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel2:19Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (Vervallen) Artikel2:20Vallende voorwerpen (Vervallen) Artikel2:21Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet. Artikel2:22Objecten onder hoogspanningslijn (Vervallen) Artikel2:23Veiligheid op het ijs 1.Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening. Artikel2:23aGebruik van glas op de openbare weg Verplaatst naar artikel 2:31a Afdeling3. Evenementen Artikel2:24Definities 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoop- en theatervoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2.Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; een straatfeest of buurtbarbecue; een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3.In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; de activiteiten plaatsvinden tussen 08:00 uur en 23:59 uur; geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 08: 00 uur of na 23:59 uur, dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 70 dB(A) en 85 dB(C) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden; de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van maximaal 25 vierkante meter in totaal. Artikel2:25Evenementenvergunning 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3.Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator tenminste zes weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4.De burgemeester kan binnen de periode als genoemd in het derde lid besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5.Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 6.Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 7.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 8.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een evenement weigeren indien de aanvraag minder dan 12 weken vóór de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 9.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:26Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Afdeling4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel2:27Definitie 1.In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, camping of recreatiepark, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, ijssalon, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2.Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. Artikel2:28Exploitatie openbare inrichting 1.Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning (als) een leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is zoals bedoeld in artikel 8 van de Alcoholwet; een leidinggevende de leeftijd van 21 jaar niet heeft bereikt; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke situatie niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; in het geval en onder de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. . de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 5.Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; zorginstelling; museum; of bedrijfskantine of -restaurant. 6.De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als: zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede, derde lid en vierde lid. 7.De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het zesde lid, onderdeel a. 8.Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:28aExploitatievergunning terras 1.Het is verboden een terras bij een openbare inrichting in de zin van artikel 2:27, tweede lid, in te richten en te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1:8 en 2:28, tweede, derde en vierde lid, kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk weigeren, indien: Het terras hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving, niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; Het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig gebruik daarvan; Het gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; 3.Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgronden houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat of wijk waarin het terras is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het terras en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse al blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het terras; 4.Het bepaalde in het tweede lid, onderdelen ben c, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 5.Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:29Sluitingstijd 1.Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01:00 uur en 07:00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02:00 uur en 07:00 uur. 2.Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 4.Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 5.Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien. 6.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:30Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel2:31Verboden gedragingen binnen openbare inrichtingen Het is verboden in een openbare inrichting: de orde te verstoren; zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras. Artikel2:31aGebruik van glas op de openbare weg Het is openbare inrichtingen verboden om glas te gebruiken voor het schenken van drank op door de burgemeester te bepalen dagen binnen een door de burgemeester te bepalen gebied. Artikel2:32Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel2:33Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel2:34Het college als bevoegd bestuursorgaan (Vervallen) Afdeling5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Artikel2:34aDefinities In deze afdeling wordt verstaan onder: alcoholhoudende drank; horecabedrijf; horecalokaliteit; inrichting; paracommerciële rechtspersoon; sterke drank; slijtersbedrijf; zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Artikel2:34bRegulering paracommerciële rechtspersonen [vervallen] Artikel2:34cVerbod ‘happy hours’ Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. Afdeling6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel2:35Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel2:36Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel2:37Nachtregister De houder van een inrichting dan wel ieder ander die bedrijfsmatig kamers verhuurt en/of anderszins overnachting aanbiedt, of een voor hem handelend persoon, is verplicht: een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model, dan wel volgens een model dat minimaal dezelfde gegevens bevat; het register digitaal beschikbaar te stellen op een door de burgemeester te bepalen wijze. Artikel2:38Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Afdeling7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel2:38aDefinities 1.In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel2:39Speelgelegenheden 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of de gemeentelijke speelautomatenhallenverordening. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:40Kansspelautomaten 1.In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2.In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Afdeling7a Toezicht op Smart- en Headshops Artikel2:40aDefinities In deze afdeling wordt verstaan onder: Smartshop: een winkel waarin de hoofdactiviteit of één van de hoofdactiviteiten wordt gevormd door detailhandel in psychotrope stoffen; Headshop: een winkel waarin de hoofdactiviteit of één van de hoofdactiviteiten wordt gevormd door detailhandel in attributen die samenhangen met het gebruik van softdrugs; Inrichting: een smartshop of headshop. Houder: degene die een inrichting exploiteert; Leidinggevende: De natuurlijke persoon of bestuurder van een rechtspersoon of een gevolmachtigde voor wiens rekening en risico de inrichting wordt uitgeoefend; De natuurlijke persoon die algemene leiding geeft aan een onderneming waarin de inrichting wordt uitgeoefend in één of meer inrichtingen; De natuurlijke persoon die de onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van de inrichting. Bezoeker: een ieder die in de inrichting aanwezig is, met uitzondering van: Directe gezinsleden van de houder; Personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht; Personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel2:40bExploitatie inrichting 1.Het is verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester; 2.De burgemeester weigert de vergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, indien: De vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met het omgevingsplan De leidinggevende de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; De leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; De leidinggevende onder curatele staat of is ontzet uit de ouderlijke macht of voogdij; De houder binnen 5 jaar voor de aanvraag om een vergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van verstoring van de openbare orde, veiligheid, dan wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet, gesloten is geweest; Er geen verklaring omtrent gedrag (VOG) is overgelegd die uiterlijk 3 maanden vóór de datum waarop de vergunning is aangevraagd, is afgegeven; 3.Op de aanvraag van de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:40cVergunningaanvraag Bij een aanvraag om een vergunning, als bedoeld in artikel 2:40b moeten tenminste de volgende gegevens worden ingediend: Een kopie van een geldig legitimatiebewijs van de leidinggevende(n); Een verklaring omtrent gedrag van de leidinggevende(n); Een kopie van het arbeidscontract van de leidinggevende(n); Plattegrondtekeningen (schaal 1:100) van het pand waarin de inrichting zal zijn gevestigd; Een situatietekening van de kadastrale ligging van het pand waarin de inrichting zal zijn gevestigd; Een ingevuld, door de burgemeester vastgesteld, formulier inzake de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur met bijbehorende bescheiden. Artikel2:40dAfwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting 1.De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meerdere inrichtingen, tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijke sluiting bevelen. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 13b van de Opiumwet van toepassing is. Artikel2:40eAanwezigheid in gesloten inrichting Het is bezoekers van een inrichting verboden om gedurende de tijd dat de inrichting ingevolge het bij of krachtens de Winkeltijdenwet bepaalde, of op grond van een ingevolge artikel 2:40d genomen besluit, gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden. Afdeling8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel2:41Betreden gesloten woning of lokaal 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel2:42Plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5.Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6.Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. Artikel2:43Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1.Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. Artikel2:44Vervoer inbrekerswerktuigen en geprepareerde voorwerpen 1.Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen of geprepareerde voorwerpen ten behoeve van diefstal te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen of geprepareerde voorwerpen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal te vergemakkelijken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Artikel2:45Betreden van plantsoenen en dergelijke 1.Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken, grasperken of buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2.Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. Artikel2:46Rijden over bermen en dergelijke (Vervallen) Artikel2:47Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.Het is verboden op een openbare plaats: te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:48Verboden drankgebruik 1.Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins overlast veroorzaken. 2.Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 3.Het verbod is niet van toepassing op: een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. Artikel2:48aVerboden lachgasgebruik (Vervallen) Artikel2:49Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden zonder redelijk doel: zich in een portiek of poort op te houden; in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel2:50Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel2:50aVerbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (Vervallen) Artikel2:51Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijke verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw, of dat portiek, of als daardoor die ingang wordt versperd. Artikel2:52Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of een bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel2:53Bespieden van personen (Vervallen) Artikel2:54Bewakingsapparatuur (Vervallen) Artikel2:55Nodeloos alarmeren (Vervallen) Artikel2:56Alarminstallaties (Vervallen) Artikel2:57Loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd; op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3.Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel2:58Verontreiniging door honden 1.Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd alsmede een deugdelijk hulpmiddel bij zich te dragen dat gezien vorm en constructie geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen van die hond. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Artikel2:58aVerontreiniging door paarden en/of pony’s 1.Degene die zich met een aangespannen of bereden paard of pony op een openbare plaats binnen de bebouwde kom begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van dat paard of die pony binnen 4 uur worden verwijderd, en buiten de bebouwde kom op verharde wegen en voetpaden binnen 24 uur worden verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Artikel2:59Gevaarlijke honden 1.Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel2:59aGevaarlijke honden op eigen terrein 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid of heeft medegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. 2.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel2:60Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Het is verboden op door het college, ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: aanwezig te hebben; aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven of te voeren. 2.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid. Artikel2:61Wilde dieren (Vervallen) Artikel2:62Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.] Artikel2:63Duiven (Vervallen) Artikel2:64Bijen (Vervallen) Artikel2:65Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken. Afdeling9. Bestrijding van heling van goederen Artikel2:66Definitie In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:67Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2.De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3.Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:68Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen; dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Artikel2:69Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (Vervallen) Artikel2:70Handel in horecabedrijven (Vervallen) Afdeling10. Consumentenvuurwerk en Carbidschieten Artikel2:71Definitie 1.In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik; 2.In deze afdeling wordt onder carbidschieten verstaan: het tot ontbranding brengen van acetyleengas, afkomstig van een reactie tussen calciumcarbid (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen waarbij gebruik wordt gemaakt van melkbussen en/of dergelijke voorwerpen met een maximale inhoud van 50 liter. Artikel2:71aVerbod carbidschieten Carbidschieten in de openlucht is verboden Artikel2:71bVrijstelling verbod Het verbod, gesteld in artikel 2:71a geldt niet indien carbidschieten plaatsvindt buiten de bebouwde kom op 31 december tussen 10:00 uur en 24:00 uur en op 1 januari tussen 00:00 uur en 02:00 uur, mits: daarbij gebruik wordt gemaakt van een bus met een inhoud van ten hoogste 50 liter; daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarbij degene die het carbidschieten verricht, weet, of redelijkerwijs moet vermoeden, dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving; degene die het carbidschieten verricht, een schriftelijke toestemming kan overleggen van de eigenaar van het terrein waarop wordt geschoten; het schietterrein is gelegen op een afstand van tenminste 75 meter van woonbebouwing; op een afstand van tenminste 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg; op een afstand van ten minste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren; op een afstand van ten minste 500 meter van een vogelbeschermingsgebied; wordt geschoten in een richting die tegengesteld is aan de richting waarin de dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen; het vrije schootsveld tenminste 75 meter is en hierin geen verharde openbare wegen of paden liggen; er geen blusdeksels of andere gevaarzettende voorwerpen worden weggeschoten; het gebruik van (voet)ballen of andere afsluitingen zodanig is, dat daardoor geen schade aan mens, dier of goed kan worden veroorzaakt; het schietterrein is afgezet met linten of ander vergelijkbaar materiaal; binnen een cirkel met een straal van 100 meter rond de plaats waar het carbidschieten plaatsvindt, in totaal niet meer dan 10 bussen voor het carbidschieten worden gebruikt dan wel gebruiksklaar voor carbidschieten aanwezig worden gehouden; de bussen zodanig stevig in de bodem, in een frame of op andere wijze zijn verankerd, dat terugslag wordt voorkomen; het carbidschieten plaatsvindt door een persoon van tenminste 16 jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen; om de veiligheid van het publiek en de eigen veiligheid te waarborgen, toezicht op het carbidschieten wordt gehouden door tenminste één persoon van tenminste 18 jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen; het schietterrein goed is verlicht indien het carbidschieten plaatsvindt na zonsondergang. Artikel2:72Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1.Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk te verkopen of ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen of verkopen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college. 2.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:73Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2.Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3.De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht. Afdeling11. Drugsoverlast Artikel2:74Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel2:74aOpenlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Artikel2:74bVerboden gebruik lachgas (Vervallen) Afdeling12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel2:75Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:3, 2:26, 2:47, 2:48 en 2:50 groepsgewijs niet naleven. Artikel2:76Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel2:77Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2.De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke plaatsen. Artikel2:78Gebiedsontzeggingen 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste twee weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3.Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4.De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. Artikel2:79Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2.De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Artikel2:80Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen en/of erven 1.De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet in ieder geval, als daar: Wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend, of: Is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen, of; Door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn, dan wel zijn verworven of overgedragen, of; Zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die naar het oordeel van de burgemeester de vrees wettigen dat het geopend blijven van het voor publiek toegankelijk gebouw, of het bij dat gebouw behorend erf, ernstig gevaar oplevert voor de in het eerste lid genoemde gronden. 2.Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekendgemaakt door een afschrift waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang tot het gebouw of erf. 3.De rechthebbende is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft zolang de sluiting van kracht is. 4.Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf verboden daarin bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is. 5.Het is eenieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw of erf te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven. 6.Onder bezoekers worden niet verstaan de personen wiens aanwezigheid om dringende redenen wordt vereist. 7.De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen. Artikel2:81Tegengaan onveilig , niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.In dit artikel wordt verstaan onder: exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.