wet, 10.23 tot en met 10.26 Wet milieubeheer, 3.16 en 9.1. Erfgoedwet in samenhang met de artikelen 15 en 38 van de Monumenten wet zoals die luidde voor inwerkingtreding van de Erfgoedwet, 3.5 van de
Artikel3
.12Doel 1.De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: het waarborgen van de veiligheid; de bescherming van de gezondheid; de bescherming van de bodem; het voorkomen en beperken van gevaar, schade en hinder; de verkeersveiligheid en de doorstroming van het verkeer; de bescherming van archeologische waarden. Artikel3.13Aanwijzen activiteiten Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het bouwen van een gebouw op een locatie waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is, met uitzondering van de activiteiten die naar aard en omvang gelijk zijn aan de activiteiten bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; Het bouwen van gebouwen en bouwwerken die de omgeving ontsieren. §3.2.2Bouwen op verontreinigde bodem Artikel3.14Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem 1.Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en dat de grond raakt, of, waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke, gebruik niet wordt gehandhaafd. 2.Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. §3.2.3Beoordeling excessen Artikel3.15Beoordeling excessen 1.Het is verboden bouwwerken op te richten die voor de omgeving als ontsierend zijn aan te merken. 2.Naar aanleiding van eigen waarnemingen of klachten is het college bevoegd zich een oordeel te vormen over de buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn. 3.Bij deze beoordeling dient de excessenregeling Terneuzen als kader. Deze excessenregeling maakt als bijlage 2 deel uit van deze verordening. Afdeling 3.3. Milieubelastende activiteiten §3.3.
Artikel3
.16Doel De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: het waarborgen van de veiligheid; het beschermen van de gezondheid; en het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om: het beschermen tegen milieuverontreiniging; het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; een doelmatig beheer van afvalstoffen; het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder; het beperken van de kans op en het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan. §3.3.2.Geluid en lichthinder door festiviteiten Artikel3.17Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten in de daarbij aan te wijzen woonkernen of delen van woonkernen gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen tot de vermelde eindtijd. 2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht, zoals bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3.In een aanwijzing, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen, dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer van de volgende woonkernen of delen van woonkernen: Axel, Koewacht, Nieuwe Molen (bij Koewacht), Zuiddorpe, Overslag, Magrette, Spui, Schapenbout, Sas van Gent, Philippine, Westdorpe, Zandstraat, Binnenstad Terneuzen (het gebied binnen de ring Scheldeboulevard inclusief restaurant aan de Scheldeboulevard 1, Binnenvaartweg, Kennedylaan, Herengracht en De Blokken), Terneuzen, Biervliet, Driewegen (bij Biervliet), Hoek, Sluiskil en Zaamslag. 4.Het college maakt de aanwijzing, bedoeld in het eerste en tweede lid, tenminste 4 weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5.Als een festiviteit in één of meer woonkernen of delen van woonkernen redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college deze terstond aanwijzen als een collectieve festiviteit, bedoeld in het eerste en tweede lid. Artikel3.18Melding incidentele activiteiten 1.Het is een inrichting toegestaan op maximaal twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting tenminste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar met de viering van incidentele festiviteiten, de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting tenminste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van meldingen, bedoeld in het eerste en tweede lid. 4.De melding, bedoeld in het eerste en tweede lid, is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid is ingevuld en tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5.De melding, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de eigenaar of beheerder van het bedrijf of de instelling (houder van de inrichting) een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 7.Het eerste lid is uitsluitend van toepassing op ruimtes in gebouwen waarvan de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie een volgens NEN 5077 karakteristieke geluidwering heeft van tenminste 15 dB. 8.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in ruimtes, bedoeld in het zesde lid, blijven ramen en deuren van die ruimtes gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel3.19Geluidhinder door onversterkte muziek 1.Het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18 eerste lid onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is uitsluitend toegestaan tussen 10.00 en 23.00 uur. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten, bedoeld in de artikelen 3.17, eerste lid en 3.18, eerste lid. Artikel3.20Geluidhinder door knapapparaten 1.Het is verboden in de openlucht een knalapparaat in werking te hebben, te gebruiken of te doen gebruiken. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op knalapparaten voor het verjagen van vogels van ingezaaide of ingeplante akkers en knalapparaten voor het verjagen van vogels uit boomgaarden ter bescherming van rijpend fruit of noten, als: een knalapparaat in werking is tussen 07.00 en 21.00 uur; de kortste afstand tussen een knalapparaat en een geluidgevoelig gebouw of terrein 300 meter of meer bedraagt; de kortste afstand tussen een knalapparaat en de openbare weg tenminste 50 meter bedraagt; de loop van een knalapparaat van geluidgevoelige gebouwen en terreinen af gericht staat; binnen 250 meter van een knalapparaat geen ander knalapparaat staat opgesteld. 3.In andere dan de onder het tweede lid onder a. tot en met e. vermelde gevallen kan door het college ontheffing worden verleend. Een verzoek om ontheffing moet vergezeld gaan van een akoestisch onderzoek, waaruit het geluid op de geluidgevoelige gebouwen en terreinen blijkt. 4.Op de ontheffing, bedoeld in het derde lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel3.21Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden om zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Artikel3.22Geluidhinder door vrachtauto’s 1.Het is verboden een vrachtauto, bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, op zodanige wijze te laden of te lossen tussen 19.00 en 07.00 uur dat daarvoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel3.23Geluidhinder door mosquito’s 1.Onder een mosquito wordt verstaan een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken. 2.In afwijking van artikel 3.24 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito laten aanbrengen en gebruiken bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats. 3.De aanwezigheid van een mosquito, bedoeld in het tweede lid, wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht. 4.Een mosquito, bedoeld in het tweede lid, is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten. 5.Een mosquito, bedoeld in het tweede lid, wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste drie maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste drie maanden verlengen. Artikel3.24Overige geluidhinder 1.Het is verboden op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening Artikel3:25Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: Verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; Sfeervuren, zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; Vuur voor koken, bakken en braden; 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van flora en fauna. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429 , aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale milieuverordening. Artikel3:26(tijdelijke) Opslag van vaste mest en overige organische mest 1.Dit artikel verstaat onder: Compost: product als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Geurgevoelig object gebouw: gevoelig object gebouw als bedoeld in bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving de Wet geurhinder en veehouderij;(de Wet geurhinder en veehouderij komt te vervallen en in het Besluit kwaliteit leefomgeving en de bruidsschat wordt op 1 januari a.s. gesproken over geurgevoelig gebouw i.p.v. geurgevoelig object). Overige organische mest: overige organische meststoffen als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; Groenafval: als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van groenafval als bedoeld in de Vrijstellingsregeling plantenresten. Vaste mest: dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn als bedoeld in bijlage 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Zuiveringsslib: slib als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. 2.Behoudens het bepaalde in of krachtens de Omgevingswet is het verboden vaste mest, overige organische mest, zuiveringsslib en groenafval op te slaan, indien deze opslag (te rekenen vanaf het tijdstip van eerste aanvoer) langer aanwezig is dan 48 uur, maar niet langer dan veertien dagen. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet indien de opslag van vaste mest plaatsvindt op een perceel binnen de bebouwde kom, waarvoor krachtens een ontheffing als bedoeld in artikel 2:60 APV toestemming is verleend voor het houden van hoefdieren en de opslag van vaste mest daarmee verband houdt; 4.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt tevens niet indien op een akkerbouw-perceel vaste mest en overige organische mest is opgeslagen die bestemd is voor bemesting van het betreffende perceel. Pluimvee- en nertsenmest dient binnen 24 uur na de eerste aanvoer te worden voorzien van een 15 cm dikke afdeklaag compost. 5.De in lid 4 aangegeven vrijstelling van het in lid 2 omschreven verbod geldt slechts indien de opslag plaatsvindt op ten minste een afstand van 100 meter van een geurgevoelig gebouw object dat is gelegen binnen de bebouwde kom en op ten minste 50 meter van een geurgevoelig gebouw object dat is gelegen buiten de bebouwde kom. §3.3.3Afvalbeheer Artikel3.27Aanwijzing activiteiten 1.Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1 worden aangewezen: het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen; het ter inzameling aanbieden, overdragen en achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen; het inzamelen van de kadavers van gezelschapsdieren; andere activiteiten met afvalstoffen, met uitzonderingen van activiteiten op een daarvoor aangewezen terrein, en activiteiten waardoor zwerfafval kan ontstaan. 2.In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, zijn de regels in deze paragraaf ook van toepassing op het inzamelen van afvalstoffen dat wordt verricht door of vanwege de gemeente Terneuzen voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak. Artikel3.28Specifieke zorgplicht De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.27 in ieder geval in dat: geen hinder of verontreiniging van het milieu of een weg wordt veroorzaakt door een afvalstof: op of in de bodem of op een weg te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen; of te vervoeren of te laden of te lossen; het ontstaan van zwerfafval wordt voorkomen door: op of bij een locatie waar eet- of drinkwaren worden verkocht, die ter plaatse kunnen worden genuttigd, een voor het publiek toegankelijke afvalbak beschikbaar te hebben en door deze tijdig te legen; etenswaren, verpakkingen, afval en andere materialen, afkomstig van een locatie als bedoeld onder a, binnen een straal van 25 m van die locatie zo vaak als nodig te verwijderen; huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht niet achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van die afvalstoffen; drukwerk, inclusief de verpakking, dat onder het publiek wordt verspreid en in de openbare ruimte wordt achtergelaten, onverwijld op te ruimen; afvalstoffen of inzamelmiddelen met afvalstoffen die klaar staan voor inzameling niet te doorzoeken, te verspreiden, te stoten, te schoppen of omver te stoten; als verontreiniging van het milieu of een weg is ontstaan door het verrichten van een activiteit, alle maatregelen worden getroffen om die verontreiniging ongedaan te maken of zoveel mogelijk te beperken; geen afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht worden opgeslagen, tenzij dat opslaan in overeenstemming is met de regels in deze verordening en de daarvoor geldende rijksregels; autowrakken niet worden achtergelaten maar worden afgegeven aan: een autodemontagebedrijf als bedoeld in artikel 3.152 van het Besluit activiteiten leefomgeving; degene die onderhoud en reparatie van motorvoertuigen uitvoert als bedoeld in artikel 3.276 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of degene die in een ander land dan Nederland is gevestigd en die overeenkomstig de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen en titel 10.7 van de Wet milieubeheer het autowrak naar dat land brengt; ongeadresseerd reclamedrukwerk alleen wordt bezorgd als de ontvanger kenbaar heeft gemaakt daar prijs op te stellen. Artikel3.29Regulering van andere inzamelaars 1.Het is voor anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: daartoe is aangewezen door het college; bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld, of verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer. 2.Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 2.7 lid 2, van overeenkomstige toepassing. Artikel3.30Algemene verboden Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.32, eerste lid; over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.32, eerste lid, of achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 2.8 en 3.
- Artikel3.31Inzamelmiddelen en –voorzieningen 1.De inzameling kan plaatsvinden via: een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel; een inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen; een inzamelvoorziening op wijkniveau; een brengdepot op lokaal of regionaal niveau (milieustraat) . 2.Het college is bevoegd aan te wijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt. Artikel3.32Gescheiden afvalinzameling 1.De inzameldienst zamelt huishoudelijk restafval samen met plastic- en metaalverpakkingen en drankenkartons (PMD+) tenminste eenmaal per twee weken afzonderlijk in, bij of nabij elk perceel. 2.De inzameldienst zamelt bioafval tenminste eenmaal per twee weken afzonderlijk in, bij of nabij elk perceel. 3.In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders besluiten om bioafval bij bepaalde bouwtypes niet afzonderlijk in te zamelen. 4.De inzameldienst zamelt oud papier en karton tenminste eenmaal per vier weken afzonderlijk in, bij of nabij elk perceel. 5.De inzameldienst zamelt grof huishoudelijk afval op basis van afroep (op vooraf vastgestelde dagen) afzonderlijk in bij of nabij elk perceel. 6.De inzameldienst zamelt grof huishoudelijk tuinafval tenminste twee maal per jaar afzonderlijk in, bij of nabij elk perceel, op basis van afroep. 7.Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, die afzonderlijk middels inzamelvoorzieningen nabij percelen ingezameld worden en gescheiden aangeboden dienen te worden alsook op een daartoe ter beschikking gestelde plaats afzonderlijk ingezameld en gescheiden aangeboden dienen te worden. 8.Ten behoeve van pilots en uit het oogpunt van een doelmatig beheer kan het college afwijken van het bepaalde in lid 1 t/m
- Artikel3.33Gescheiden aanbieding 1.Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.32, anders dan afzonderlijk: ter inzameling aan te bieden; achter te laten op een inzamelplaats, als bedoeld in artikel 2.
- 2.Hert college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel3.34Tijdstip van aanbieding Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. Artikel3.35Wijze en plaats van aanbieding 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over het gebruik van: inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel; inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel. 2.Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, als bedoeld in artikel 3.34, buiten een perceel te laten staan. 3.Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. Artikel3.36Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 2.
- Artikel3.37Aanbieding ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 3.36 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden, of over te dragen of bij een inzamelplaats, als bedoeld in artikel 2.8, achter te laten. Op de milieustraat worden geen bedrijfsafvalstoffen geaccepteerd. Artikel3.38Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen 1.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 3.36 aangewezen bedrijfsafvalstoffen. 2.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden, overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. Artikel3.39Dumpingsverbod 1.Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Omgevingswet, de Waterwet of het Besluit activiteiten leefomgeving. 3.Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. Artikel3.40Zwerfafval in de openbare ruimte 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen. 2.Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3.Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen. Artikel3.41Ongeadresseerd drukwerk 1.Een huis-aan-huisblad mag worden bezorgd bij een perceel, tenzij de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen ervan. Artikel3.42Zwerfafval rondom inrichtingen 1.Degene die eet- of drinkwaren verkoopt die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de locatie waar de activiteit plaatsvindt, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2.De verkoper van eet- en of drinkwaren verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk met de activiteit samenhangen, binnen een straal van ten minste 25 meter van het punt van verkoop. 3.De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel3.43Afval en verontreiniging op de weg 1.Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. 2.Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel3.44Geen opslag van afval in de open lucht Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met de artikelen 3.29 tot en met 3.35 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Het verbod geldt niet als voor de opslag van afvalstoffen een omgevingsvergunning is afgegeven. Artikel3.45Kadavers van gezelschapsdieren 1.Van ingezamelde kadavers wordt aangifte gedaan bij Rendac Son B.V. De kadavers worden bewaard en overgedragen aan Rendac Son B.V. in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens artikel 3.1 van de Wet dieren. 2.Uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de dag waarop het gezelschapsdier dood is aangetroffen, geeft de houder van het kadaver dit af aan de ondernemer, bedoeld in artikel 2.7, lid
- 3.Tot het tijdstip van afgifte bewaart de houder het kadaver zodanig dat er geen vermenging is met ander materiaal. 4.Het derde lid is niet van toepassing op het kadaver dat wordt begraven op een terrein dat ter beschikking staat van de houder van het kadaver of dat uiterlijk de eerste werkdag na overlijden wordt afgegeven aan een ondernemer die is erkend op grond van artikel 24, eerste lid, onder b, c of d, van de Verordening 1069/2009/EG.] Artikel3.46Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan de houder van een omgevingsvergunning voor het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen. §3.3.4Bodem-, weg-, en milieuverontreiniging Artikel3.47Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel3.48Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel3.49Verontreiniging door honden 1.Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is een ieder die een hond bij zich heeft binnen de bebouwde kom, verplicht een deugdelijk hulpmiddel ter onmiddellijke verwijdering van hondenuitwerpselen op een openbare plaats bij zich te hebben en dit hulpmiddel op eerste aanvraag van een daartoe bevoegd opsporingsambtenaar te tonen. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen, bedoeld in artikel 2.11 van deze verordening. Artikel3.50Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Afdeling 3.
- Activiteiten in de openbare ruimte §3.4.
Artikel3
.51Doel 1.De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: het behoeden van de staat en werking van wegen en openbare wateren voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die wegen of wateren; het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid; het behouden en bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; het beperken van hinder, en het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte. 2.De regels over uitritten in artikel 3.57 zijn ook gesteld met het oog op de bescherming van het openbaar groen. 3.De regels over standplaatsen in paragraaf 3.5.4 zijn ook gesteld met het oog op: het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om: het beschermen tegen milieuverontreiniging; het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; een doelmatig beheer van afvalwater en afvalstoffen; en het voorkomen of beperken van geluidhinder en geurhinder; en het behoud van een goed woon- en leefklimaat. Artikel3.52Aanwijzing activiteiten Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.
- worden voor deze afdeling aangewezen het plaatsen, houden of achterlaten van voorwerpen op de weg ( par. 3.4.2); het aanleggen, veranderen of opbreken van een weg ( par. 3.4.3); het maken, veranderen of verleggen van een uitrit op een bestaande weg (par. 3.4.4); het graven in openbaar gebied en het opbreken van verharding in openbaar gebied, en het aanleggen, instandhouden, onderhouden, verleggen en verwijderen van kabels en leidingen - niet zijnde kabels en leidingen voor telecommunicatie - in, op en boven de openbare gronden, voor zover de gemeente deze gronden beheert, in eigendom heeft of daarover wettelijke coördinatieverplichtingen heeft. (par. 3.4.5); het plaatsen en houden van kampeermiddelen buiten een kampeerterrein (par. 3.4.6). §3.4.2.Gebruik en veiligheid van de weg Artikel3.53Voorwerpen op of aan de weg 1.Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg. 2.Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1.20 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3.50 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer met een vrije hoogte daarboven van 2,5 meter bij voetpaden en 4,2 meter bij rijbanen. 3.Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstalling, reclameborden en geveltuinen. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5.Het verbod is niet van toepassing op: evenementen; standplaatsen; het maken en hebben van geveltuinen voorzover deze zijn gemeld aan burgemeester en wethouders en zijn uitgevoerd overeenkomstig de nadere regels als bedoeld in lid
- overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 6.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk, waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening, of op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 Artikel3.54Winkelwagentjes 1.De winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze: te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en terstond te verwijderen of te doen verwijderen als deze zijn achtergelaten in de omgeving van dat bedrijf op een andere plaats dan in de stallingruimte voor deze winkelwagentjes. 2.Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3.Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet. Artikel3.55Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel3.56Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is, verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. §3.4.3Veranderen van de weg Artikel3.57(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college, een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet, of deze verordening. § 3.4.4 Uitrit aanleggen of veranderen Artikel3.58Omgevingsvergunning voor het maken, of veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.In afwijking van het bepaalde in artikel 3.11 kan de vergunning worden geweigerd: ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg, waaronder in ieder geval begrepen moet worden: als de uitweg aansluit op een gebiedsontsluitingsweg; als de uitweg wordt gerealiseerd op of nabij een rotonde, kruising, in of nabij een bocht in de weg of op een splitsing van wegen; als de uitweg wordt gerealiseerd op of nabij een voetgangersoversteekplaats; als de uitweg wordt gerealiseerd op of nabij een bushalte; als de uitweg op een plaats komt waar belemmeringen ontstaan voor het in- en uitrijden met een personenauto van één of meer bestaande garages. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; als er minder dan 2,5 meter breedte aanwezig is op eigen terrein naast de woning; als een uitweg bij een particuliere woning afwijkt van de maximale breedte van 5 meter (inclusief schuine banden) en bij een bedrijf de maximale breedte van 8 meter; 3.Per woning is maximaal één uitweg toegestaan. 4.Bij bedrijfspercelen is een tweede uitweg toegestaan als het perceel over een aaneengesloten lengte van ten minste 50 meter direct grenst aan een openbare weg. Hierbij geldt dat: Indien een bedrijf op een hoek van twee wegen is gelegen, onder de ‘aaneengesloten’ lengte wordt verstaan: de som van de lengte van de aan elkaar grenzende zijden van het bedrijfsperceel. De afstand tussen twee uitwegen van eenzelfde perceel tenminste 6 meter bedraagt. 5.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. §3.4.5Ondergrondse infrastructuur Artikel3.59Specifieke zorgplicht openbaar gebied De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor het opbreken van de verharding in openbaar gebied en het aanleggen, in stand houden en verwijderen van een kabel of leiding in het openbaar gebied, in ieder geval, in dat: beschadiging van in de grond aanwezige werken zo veel mogelijk wordt voorkomen; de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel en van funderingslagen zo veel mogelijk wordt hersteld; de grond zodanig wordt afgewerkt dat na klink een vlakke aansluiting op de aangrenzende ongeroerde grond wordt gerealiseerd, en de verharding zoveel mogelijk wordt hersteld naar de oorspronkelijke staat en, voor zover dat niet mogelijk is, een vlakke aansluiting op de aangrenzende verharding wordt gerealiseerd. Artikel3.60Nadere regels 1.Het college stelt ter uitvoering van deze verordening nadere regels vast. 2.Deze nadere regels hebben in ieder geval betrekking op: de wijze van uitvoering bij de aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en/of leidingen; het bevorderen van het medegebruik van voorzieningen; het opstellen van voorschriften op het gebied van markering en afzetting; het toepassen van proefsleuven. Artikel3.61Vereiste van instemming of vergunning 1.Het is verboden kabels en/of leidingen in of op openbare gronden aan te leggen, in stand te houden, te onderhouden, te verleggen of te verwijderen, zonder of in afwijking van een voorafgaand door het college genomen instemmingsbesluit c.q. verleende vergunning. 2.Voor het verrichten van werkzaamheden van niet ingrijpende aard of spoedeisende werkzaamheden of calamiteiten, is geen instemming of vergunning, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk maar kan worden volstaan met een melding vooraf aan het college. 3.Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente bij het uitvoeren van haar publiekrechtelijke taak. Artikel3.62Melding of aanvraag 1.Een aanvrager doet minimaal acht weken voor de geplande aanvang van de werkzaamheden bij het college of via een registratiesysteem melding voor een instemmingsbesluit dan wel een aanvraag voor een vergunning voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.61, eerste lid, van deze verordening. Afzonderlijke werken dienen per locatie en per discipline afzonderlijk te worden aangevraagd. 2.Een grondroerder die werkzaamheden wil verrichten kan hierover vooroverleg voeren met het college voor het voorbereiden van de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid; 3.Indien voor de voorgenomen werkzaamheden tevens (privaatrechtelijke) toestemming nodig is van andere grondeigenaren of grondbeheerders, dient de aanvrager dit bij de melding of aanvraag aan te geven en uiterlijk vier weken na de melding of aanvraag, aan het college het bewijs van verkregen toestemming te overleggen. 4.In geval van voorgenomen werkzaamheden van niet ingrijpende aard, moet de aanvrager minimaal vijf werkdagen voor uitvoering van deze werkzaamheden dit schriftelijk (in geval van e-mail bij het door de gemeente aangegeven mailadres) bij de gemeente melden. Op grond van belangen als genoemd in artikel 3.67, eerste lid, sub a tot en met i, van deze verordening, kan het college bepalen dat realisatie op een ander tijdstip moet plaatsvinden. 5.In geval van spoedeisende werkzaamheden of calamiteiten volstaat een melding voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de gemotiveerde melding uiterlijk binnen één werkdag na de start van de uitvoering worden gedaan aan het college. Indien achteraf blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden vergunnings-, of instemmingsplichtig zijn, dient er alsnog een vergunning of een instemmingsbesluit aangevraagd te worden 6.Het college is bevoegd via nadere regels delen van het grondgebied aan te wijzen waarop het vierde en vijfde lid van dit artikel niet van toepassing zijn. 7.Het melden van aanvang en einde werk dient (d.m.v. formulieren of een registratiesysteem) te gebeuren conform het handboek. Artikel3.63Gegevensverstrekking 1.Het college stelt nadere regels vast inzake de te verstrekken gegevens en de wijze waarop die worden verstrekt bij een aanvraag of melding als bedoeld in deze verordening. 2.Het college stelt de voor een melding of aanvraag, als bedoeld in de artikelen 3.61 en 3.62 van deze verordening, te gebruiken formulieren vast. Artikel3.64 Beslistermijnen
- Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de melding of aanvraag als bedoeld in artikel 3.62, eerste lid, van deze verordening.
- Betreft het een melding of aanvraag waarbij meer grondeigenaren/beheerders zijn betrokken of andere vergunningen vereist zijn, dan wordt de beslissing pas genomen als deze andere toestemmingen verkregen en overgelegd zijn.
- In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, houdt het college de beslissing aan, indien er een eventuele andere toestemming en/of vergunning is vereist.
- Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
- Paragraaf 4.1.3.
- van de Algemene wet bestuursrecht betreffende de van rechtswege verleende beschikking is niet van toepassing op het bepaalde in deze paragraaf. Artikel3.65Geldigheid 1.Binnen 12 maanden na verlening van de vergunning of het instemmingsbesluit moeten de werkzaamheden zijn voltooid, tenzij anders is bepaald in de vergunning of het instemmingsbesluit dan wel tenzij sprake is van aantoonbare overmacht. Indien de (graaf)werkzaamheden niet binnen de vastgestelde data en termijnen zijn uitgevoerd, vervalt de vergunning of het instemmingsbesluit. Een situatie van overmacht moet tijdig worden medegedeeld, met in acht name van de maximale geldigheidsduur en ter beoordeling van het college. 2.De termijn van 12 maanden, genoemd in het vorige lid, kan door het college met maximaal 6 maanden worden verlengd, na een schriftelijk -binnen die termijn ingediend- met redenen omkleed verzoek. 3.Het instemmingsbesluit of de vergunning vervalt indien de netbeheerder schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer te willen maken van het instemmingsbesluit of de vergunning. Artikel3.66.Intrekking instemmingsbesluit 1.Het college kan een instemmingsbesluit of vergunning wijzigen, geheel of gedeeltelijk intrekken, indien: de beschikking op basis van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend; de netbeheerder, dan wel de door deze ingeschakelde derde partij, het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning of instemmingsbesluit niet naleeft. Artikel3.67.Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden 1.Het college kan aan een instemmingsbesluit of een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden, dan wel een vergunning weigeren, dan wel bij werkzaamheden van niet ingrijpende aard bepalen dat realisatie op een ander tijdstip moet plaatsvinden, in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid, waaronder in elk geval moet worden verstaan de verkeersveiligheid en/of een goede doorstroming van het verkeer; het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van schade; de bescherming van eventuele archeologische vondsten en van groenvoorzieningen; het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik van openbare gronden en gebouwen, het doelmatig beheer en onderhoud en het belang van nader aan te geven grote lokale evenementen als weekmarkten en kermissen; de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het zo min mogelijk hinder veroorzaken voor in de grond aanwezige werken en het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze werken, waaronder werken ten behoeve van de levering of het transport van elektronische informatie, gas, water en elektriciteit; de bescherming van het milieu. 2.De netbeheerder draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd. 3.Het college stelt nadere regels vast in de vorm van een Handboek voor de wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen en medegebruik van voorzieningen. Bij tegenstrijdigheden tussen de bepalingen van deze verordening en het Handboek hebben de bepalingen van deze verordening voorrang. 4.Het college stelt nadere regels vast over schadeherstel en vergoeding van degeneratiekosten. De netbeheerder of diens grondroerder is gehouden tot het, op basis van redelijkheid en billijkheid, vergoeden van alle schade, geleden en te lijden door de gemeente, voortvloeiende uit de door of vanwege de aanvrager of diens grondroerder uit te voeren werkzaamheden. De berekening van de schadevergoeding is gebaseerd op vijf kostensoorten: herstel-, onderhouds-, beheers- en degeneratiekosten of werkelijke kosten, met als uitgangspunt kostendekkendheid voor de gemeente 5.Indien het leidingentracé geen ruimte biedt voor de aanleg van nieuwe kabels, legt de netbeheerder (dan wel de door deze ingeschakelde derde partij) de gemeente een alternatief tracé voor en wordt daarbij bezien of andere netbeheerders eventuele voorgenomen werkzaamheden op dat tracé willen combineren, of (in geval van elektronische communicatienetwerken) doet hij aan andere netbeheerders een verzoek tot medegebruik van kabels en/of leidingen. 6.De netbeheerder (dan wel de door deze ingeschakelde derde partij) is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en beplanting terug te brengen in de oude staat, tenzij het college vooraf heeft aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf zorg voor te willen dragen. 7.Indien binnen 3 jaar na groot onderhoud of herinrichting van de openbare gronden de netbeheerder werkzaamheden moet uitvoeren verlangt het college specifiek schadeherstel. 8.Indien de netbeheerder werkzaamheden moet uitvoeren in bijzondere bestrating, verlangt het college specifiek schadeherstel. 9.Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een instemmingsbesluit of het verlenen van een vergunning zijn leges verschuldigd conform de Legesverordening van de gemeente. Artikel3.68.Eigendom 1.Indien de eigendom, exploitatie of beheer van een net, kabel of leiding wordt overgedragen aan een andere netbeheerder, gaan de rechten en plichten volgens deze verordening die betrekking hebben op de kabel en/of leiding van rechtswege over op de nieuwe netbeheerder; 2.De netbeheerder stelt het college onverwijld in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert. 3.Op het eigendom van de kabels en/of leidingen zijn de desbetreffende wettelijke bepalingen van toepassing. Artikel3.69.Overleg 1.Het college organiseert periodiek een overleg, waarvoor de bij de gemeente bekende netbeheerders en andere belanghebbende partijen worden uitgenodigd. 2.Dit overleg is mede gericht op de beoordeling van mogelijk medegebruik van voorzieningen en afstemming van gezamenlijk of gelijktijdig uit te voeren werkzaamheden. 3.Netbeheerders kunnen desgewenst om overleg verzoeken. Artikel3.70.Niet-openbare kabels en leidingen 1.Het college kan een vergunning weigeren in geval van werkzaamheden aan niet-openbare kabels en/of leidingen in of op openbare gronden. In het geval van te verlenen toestemming is het bepaalde in deze verordening van overeenkomstige toepassing, maar houdt dit geen gedoogplicht in van de betreffende kabels en leidingen. 2.Niet-openbare kabels en/of leidingen dienen op verzoek van het college op gronden genoemd in artikel 3.67, lid 1, op kosten van de eigenaar van de kabels en/of leidingen, te worden verlegd. Artikel3.71.Informatieplicht 1.De netbeheerder stelt het college onverwijld en schriftelijk in kennis van het feit dat een kabel of leiding niet langer ten dienste staat van een openbaar net in of op openbare gronden. 2.De netbeheerder levert op verzoek van het college een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen. De bewijslast met betrekking tot het gebruik ligt bij de netbeheerder. Artikel3.72Verleggingen van leidingen 1.Voor verleggingen van leidingen van een netwerk van een nutsbedrijf in of op openbare gronden op verzoek van het college, gelden de volgende bepalingen: De netbeheerder is verplicht op verzoek van het college over te gaan tot het nemen van maatregelen voor kabels en leidingen ten dienste van zijn net, waaronder het verplaatsen, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege de gemeente in het algemeen belang; Eventuele compensatie wordt verleend op basis van een publiekrechtelijke regeling of schriftelijk vastgelegde (privaatrechtelijke) afspraken; Compensatie wordt verder uitsluitend verleend op basis van een gespecificeerd kostenoverzicht; De gemeente en de netbeheerder zullen bij verwijdering, verlegging of aanpassing van leidingen elkaars schade zo veel mogelijk beperken; Na een schriftelijk verzoek van het college tot het nemen van maatregelen gaat de netbeheerder zo spoedig mogelijk over tot de uitvoering, doch niet later dan dertien weken na de datum van ontvangst van het verzoek. 2.Indien ten gevolge van werkzaamheden, niet zijnde gemeentelijke werkzaamheden, verplaatsing, wijziging of verwijdering van enig eigendom van de gemeente noodzakelijk is, dan wel ten behoeve van werkzaamheden speciale voorzieningen moeten worden getroffen, komen de kosten ervan voor rekening van de opdrachtgever, tenzij er redelijkerwijs aanleiding bestaat om de kosten over meerdere partijen te verdelen, dan wel om geen kosten in rekening te brengen. Artikel3.73Verwijderen van leidingen 1.De netbeheerder is verplicht na het geheel of gedeeltelijk intrekken van de vergunning de leiding binnen een door het college te bepalen termijn te verwijderen. 2.Buiten gebruik gestelde kabels en leidingen dienen bij reconstructies op aanzegging van de gemeente te worden verwijderd. 3.De bepalingen van deze verordening is overeenkomstig van toepassing op verwijdering van kabels en leidingen. Artikel3.74Naleving voorschriften 1.Indien een grondroerder zich niet houdt aan de voorschriften en beperkingen uit het instemmingsbesluit of vergunning, kan het college het instemmingsbesluit of de vergunning intrekken. 2.Wanneer het college een besluit neemt op grond van het eerste lid, kan het college verlangen dat de oorspronkelijke situatie wordt hersteld op grond van een besluit inhoudende een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Artikel3.75Bevoegdheid college 1.Het college is bevoegd de werkzaamheden stil te leggen, indien er wordt gewerkt: zonder voorafgaande aanvraag of melding, als bedoeld in artikel 3.62 van deze verordening; zonder instemmingsbesluit of vergunning of zonder toestemming ingeval van meldingsplicht; in afwijking van de uitvoeringsvoorschriften; in afwijking van de voorschriften uit het instemmingsbesluit of de vergunning; in strijd met het geldende breekverbod. 2.Indien het college vaststelt dat de verplichtingen van deze verordening niet zijn nagekomen, kan het college besluiten handhavend op te treden met inachtneming van de bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. §3.4.6.Recreatief nachtverblijf Artikel3.76Recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 3.11 kan het college de ontheffing weigeren in het belang van de bescherming van: natuur en landschap, of een stadsgezicht Artikel3.77Uitzonderingsbepaling Artikel 3.76, lid 1, is niet van toepassing: Voor het plaatsen van één of enkele kampeermiddelen voor eigen gebruik voor perioden van maximaal twee weken door de rechthebbende op een terrein; Voor het plaatsen van kampeermiddelen ten behoeve van het kamperen door groepen, uitgaande van een vereniging of andere organisatie met een doelstelling van sociale, culturele, sportieve, educatieve of wetenschappelijke aard, gedurende een periode van maximaal twee weken indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: er toestemming is van de rechthebbende op het terrein; er voldoende verlichting is op het terrein; er voldoende begeleiding aanwezig is; geen geluidsoverlast wordt veroorzaakt; geen schade wordt toegebracht aan de flora en fauna op het terrein; in verband met brandpreventie tussen de kampeermiddelen of een groepje van kampeermiddelen een ruimte wordt vrij gehouden van minstens 5 meter; er verspreid over het terrein zichtbaar voldoende handbrandblusapparaten aanwezig zijn met een minimale inhoud van 7 kg, die voor direct gebruik beschikbaar zijn; de brandweer en politie tijdig van de activiteiten in kennis worden gesteld en eventuele aanwijzingen hunnerzijds onmiddellijk worden opgevolgd, evenals de aanwijzingen van gemeentelijke toezichthouders; er voldoende sanitaire voorzieningen aanwezig zijn; na afloop het terrein in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht en schoongemaakt; al de redelijkerwijs mogelijke maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat de gemeente dan wel derden schade lijden als gevolg van het gebruik van het terrein; Voor het plaatsen van kampeermiddelen ten behoeve van kamperen tijdens het bijwonen van een evenement, indien dit een onderdeel is van het evenement en als zodanig op de evenementenvergunning is aangegeven; Voor het plaatsen van kampeermiddelen ten behoeve van het kamperen op zogenaamde ‘paalkampeerterreinen’ van Staatsbosbeheer; Voor het plaatsen van kampeermiddelen ten behoeve van het kamperen daarin, op plaatsen die daarvoor door het college zijn aangewezen, indien de kampeerauto niet langer dan 72 uur op die locatie aanwezig is; Voor het plaatsen van kampeermiddelen tijdens het nachtvissen, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: er geen schade wordt toegebracht aan de flora en fauna; er geen geluidsoverlast wordt veroorzaak of van drankmisbruik sprake is; er geen kampvuren worden aangelegd; afval in het kampeermiddel wordt bewaard en na afloop niet wordt achtergelaten. Afdeling 3.5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de Gemeente. §3.5.1.Parkeerexcessen Artikel3.78Aanwijzing activiteiten Als activiteit als bedoeld in artikel 3.
- wordt aangewezen het parkeren van een voertuig op de weg. Artikel3.79Specifieke zorgplicht De zorgplicht als bedoeld in artikel 3.
- houdt voor het parkeren van motorvoertuigen, aanhangers en (brom)fietsen op de openbare weg in ieder geval in dat: Parkeerruimte niet buitensporig lang wordt ingenomen; Het uitzicht vanuit verblijfsruimten niet onevenredig wordt gehinderd; Defecte motorvoertuigen, aanhangers en (brom)fietsen worden verwijderd Artikel3.80Voertuigen van autobedrijf e.d. 1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen, of het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon: voertuigen waarvoor een standplaats op een automarkt is aangewezen, op deze standplaats gedurende de tijd dat deze markt wordt gehouden. 3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel3.81Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel3.82Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel3.83Voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op de weg te parkeren. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel3.84Kampeermiddelen e.a. voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen (binnen de bebouwde kom) op de weg te plaatsen of te hebben, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. 4.Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel3.85Reclamevoertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 3.Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.
- van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel3.86Grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 4.Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 5.Het college kan ontheffing verlenen van de verboden. 6.Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel3.87Uitzichtbelemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel3.88Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. 2.Dit verbod is niet van toepassing op: de weg; voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan van ontheffing verlenen het verbod. Artikel3.89Fietswrakken, weesfietsen en overlast van fiets of bromfiets 1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2.Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in verwaarloosde toestand verkeren, op een openbare plaats te laten staan. 3.Het is verboden fietsen en bromfietsen langer dan 28 dagen onafgebroken op een openbare plaats te laten staan. §3.5.2.Parkeerregulering Artikel3.90Aanwijzing activiteiten Als activiteit als bedoeld in artikel 3.
- wordt aangewezen het parkeren van een voertuig op een parkeerplaats, gelegen binnen de zone die op grond van artikel 2.12 van deze verordening is aangewezen. Artikel3.91De parkeervergunningverlening Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een parkeervergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen en/of parkeerapparatuur plaatsen. Artikel3.92Soorten parkeervergunningen 1.Bewonersparkeervergunning. Een bewonersparkeervergunning kan worden verleend aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig die volgens de Basis Registratie Personen als bewoner op een adres ingeschreven staat in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuur plaatsen aanwezig zijn en het adres een zelfstandige woning betreft. In afwijking van het bepaalde in lid a, kan aan diegene die volgens de Basis Registratie Personen als bewoner op een adres ingeschreven staat in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuur plaatsen aanwezig zijn en het adres een zelfstandige woning betreft een bewonersvergunning worden verleend ten behoeve van mantelzorg tegen overlegging van een recente verklaring (niet ouder dan twee
(2)maanden) van de huisarts of een andere instantie waaruit blijkt dat de aanvrager aangewezen is op mantelzorg 2.Ondernemers/werknemersparkeervergunning. Een ondernemers/werknemersparkeervergunning kan worden verleend aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent of werkzaam is voor een bedrijf en is gevestigd in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuur plaatsen aanwezig zijn. 3.Dienstverleningsparkeervergunning. Een dienstverleningsparkeervergunning kan worden verleend aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuur plaatsen aanwezig zijn en daar niet is gevestigd en aantoont dat het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in medische, overheid, ANBI, Ambulante handel en algemene parkeervergunningen. 4.Bezoekersparkeervergunning. Een bezoekersparkeervergunning kan worden verleend aan diegene die volgens de Basis Registratie Personen als bewoner op een adres ingeschreven staat in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuur plaatsen aanwezig zijn en het adres een zelfstandige woning betreft. Artikel3.93Beperkingen aan parkeervergunningverlening 1.Het college kan nadere regels stellen omtrent het maximum aantal parkeervergunningen dat kan worden verleend en omtrent het vergunningengebied of de vergunning gebieden waarvoor de parkeervergunning geldig is. 2.Het college kan in bijzondere gevallen een parkeervergunning ook verlenen aan degene die niet voldoet aan één of meer van de voorwaarden genoemd in artikel 3.92, lid 1 tot en met
- 3.Het college kan bij openbaar te maken besluit een maximum aantal uit te geven parkeervergunningen per aaneengesloten gebied en per categorie vaststellen en voorschriften over wachtlijsten geven. 4.Aan de parkeervergunning kunnen zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de parkeervergunning van kracht is. 5.Het college kan aan een parkeervergunning ook andere voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen mogen alleen strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Artikel3.94Beleidsregels aanvragen parkeervergunningen Het college kan, met inachtneming van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, regels geven voor het aanvragen en verlenen van een vergunning. Artikel3.95Geldigheid parkeervergunningen 1.Een parkeervergunning wordt voor ten hoogste één jaar verleend. 2.Een parkeervergunning vermeldt ten minste: de naam en het adres van de vergunninghouder; het gebied (ook zone en bronpunt) waarvoor de parkeervergunning geldt; de periode waarvoor de parkeervergunning geldt. 3.Alle parkeervergunningen zijn alleen geldig na registratie van het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de parkeervergunning wordt gebruikt in de centrale computer. Artikel3.96Intrekken en wijzigen parkeervergunningen 1.Het college kan een parkeervergunning intrekken of wijzigen: op verzoek van een vergunninghouder; wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de parkeervergunning is verleend; wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van parkeervergunningen komt te vervallen; wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de parkeervergunning; wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn parkeervergunning heeft voldaan; wanneer de vergunninghouder in strijd handelt met de aan de parkeervergunning verbonden voorschriften; wanneer de parkeervergunning voor een ander doel wordt gebruikt dan waarvoor de parkeer vergunning is afgegeven; wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de parkeervergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt; om redenen van openbaar belang. 2.De vergunninghouder wordt van het besluit tot intrekking of wijzigen in kennis gesteld. Artikel3.97Verbodsbepalingen 1.Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig te plaatsen of te laten staan: op een parkeerapparatuur plaats; op een belanghebbendenplaats. 2.Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik ervan wordt belemmerd of verhinderd. 3.Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. Artikel3.98Verbod parkeren op plaats parkeervergunninghouder 1.Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats en / of parkeerapparatuur plaats slechts aan parkeervergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden: zonder parkeervergunning; zonder dat het kenteken van het betreffende motorvoertuig in de centrale computer is geregistreerd; in strijd met de aan de parkeervergunning verbonden voorwaarden. 2.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. §3.5.3.Weekmarkten Artikel3.99Gereserveerd Artikel3.100Gereserveerd Artikel3.101Gereserveerd Artikel3.102.Gereserveerd Artikel3.103Gereserveerd Artikel3.104Gereserveerd Artikel3.105Gereserveerd Artikel3.106Gereserveerd Artikel3.107Gereserveerd Artikel3.108Gereserveerd Artikel3.109Gereserveerd Artikel3.110Gereserveerd Artikel3.111Gereserveerd Artikel3.112Gereserveerd Artikel3.113Gereserveerd Artikel3.114Gereserveerd §3.5.4.Standplaatsen Artikel3.115Aanwijzing activiteiten Als activiteit bedoeld in artikel 3.
- wordt aangewezen het innemen van een standplaats op de openbare weg voor het bedrijven van handel Artikel3.116Specifieke zorgplicht De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor het innemen van een standplaats in ieder geval in dat: voldoende vrije doorgang voor hulpdiensten overblijft; voldoende vrije doorgang op voetpaden overblijft; de vrije toegang tot brandputten of vluchtroutedeuren is geborgd; het uiterlijk van een standplaats niet in strijd is met de goede omgevingskwaliteit; alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt, en afvalwater en afvalstoffen doelmatig worden beheerd. Artikel3.117Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Het college weigert een vergunning wegens strijd met het omgevingsplan en het gemeentelijk standplaatsenbeleid. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 3.11 kan de vergunning worden geweigerd als: een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. in het belang van een zorgvuldig ingerichte weekmarkt of kermis. 4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel3.118Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel3.119Afbakeningsbepaling Artikel 3.117, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. §3.5.5Snuffelmarkten Artikel3.120Aanwijzing activiteiten Als activiteit bedoeld in artikel 3.
- wordt aangewezen het verhandelen van goederen of diensten vanaf een standplaats. Artikel3.121Organiseren van een snuffelmarkt 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren. 2.Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. 3.De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. §3.5.6Openbaar water en waterstaatswerken Artikel3.122Aanwijzing activiteiten Als activiteit bedoeld in artikel 3.
- wordt aangewezen het plaatsen c.a van voorwerpen in openbaar water, het gebruiken of veranderen van openbaar water en waterstaatwerken, het innemen van ligplaats en het varen op de Otheense kreek. Artikel3.123Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4.Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. 5.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel3.124Ligplaats vaartuigen 1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, of het Binnenvaartpolitiereglement. 4.Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Artikel3.125Varen op de Otheense kreek 1.Het is verboden op de Otheense kreek te varen vanuit of vanaf andere plaatsen dan de jachthaven en de daarvoor bestemde steigers. 2.Het varen op de Otheense kreek is verboden tussen een half uur na zonsondergang tot een half uur voor zonsopgang. 3.Het varen is verboden met vaartuigen, welke voorzien zijn van een motor met een vermogen van meer dan 5 PK; het is tevens verboden te varen met een snelheid van meer dan 12 km per uur. 4.Het is een ieder die op de Otheense kreek vaart verboden zich zodanig te gedragen dat de veiligheid van anderen in gevaar wordt gebracht. Artikel3.126Beschadigen van waterstaatswerken 1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, of de provinciale omgevingsverordening. Afdeling 3.6 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed §3.6.
Artikel3
.127Doel De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beheer en behoud van cultureel erfgoed dat van bijzonder belang is voor de gemeente Terneuzen vanwege de esthetische, cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. §3.6.2Beschermde gemeentelijke monumenten en voorbeschermde monumenten Artikel3.128Aanwijzing activiteiten Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.
- worden aangewezen: Het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een beschermd gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument, of Het herstellen of gebruiken van een beschermd gemeentelijk monument, of een voorbeschermd gemeentelijk monument, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht (§ 3.6.3). Het uitvoeren van bodemverstorende werkzaamheden in een beschermd archeologisch monument (§ 3.6.4). Artikel3.129Specifieke zorgplicht De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, in ieder geval in dat: alle maatregelen worden getroffen om beschadiging of vernieling van een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument te voorkomen, en onderhoud wordt verricht voor de instandhouding van een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument; Alle maatregelen worden getroffen om beschadiging of vernieling van een archeologisch monument te voorkomen. §3.6.3Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken Artikel3.130Instandhoudingbepaling en omgevingsvergunning 1.Het is verboden op, aan en/of bij een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1.1, en bijlage 1, te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. 2.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3.Het tweede lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; doen van begravingen of asbijzettingen, of ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. 4.Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel3.131De aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 16.55 van de Omgevingswet jo. artikel 2.19 van het Besluit bouwwerken leefomgeving voor een vergunning als bedoeld in artikel 3.130 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden digitaal ingediend. Artikel3.132Termijnen advies 1.Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de commissie voor ruimtelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 6.2, voor advies. 2.Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de commissie ruimtelijke kwaliteit schriftelijk advies uit aan het college. Artikel3.133Weigeringsgronden De omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het college rekening met het gebruik van het monument. §3.6.4Instandhouding van archeologische terreinen Artikel3.134Vangnet archeologie 1.Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij: voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaart of de gemeentelijke Vrijstellingenkaart 2017 totdat nieuw Archeologiebeleid is vastgesteld inclusief een nieuwe versie van de gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaart of de gemeentelijke Vrijstellingenkaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; u beschrijft hoe u rekening houdt met de cultuurhistorische waarden in het gebied of de mogelijke monumenten in de grond en in hoeverre u onevenredige schade aan archeologische waarden voorkomt of: met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Dit wordt gedaan op basis van de gemeentelijke Cultuurhistorische Waardenkaart (zie ook Bijlage 2: Cultuurhistorie), de diverse rapporten gepubliceerd binnen het kader van het project Leemten in Kennis, maar ook op basis van de diverse kaartlagen van de Provincie: de CHS van de Provincie Zeeland (o.a. kaartbladen Historische kaarten, Historisch landschap; Defensie; SSL -Staats Spaanse Linies- en Dijken; Dijken Zeeland en MIP-objecten), dienen nader bestudeerd te worden en beschrijvingen van de diverse kaartbladen dienen in de lopende tekst verder te worden verduidelijkt. Daarbij dient ook in de beschrijvende teksten verwezen te worden naar de projecties en de van toepassing zijnde legenda’s (zaken die niet in het plangebied voorkomen, komen daarmee ook niet voor in de legenda’s). het een verstoring betreft van een archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, en waarbij die verstoring plaatsvindt en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2, en het geen diepere verstoring betreft dan 0,50 m beneden maaiveld. Een archeologisch monument is een vastgestelde behoudenswaardige vindplaats, daarvoor geldt geen vrijstellingsruimte. in het geldend omgevingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; de gemeenteraad nadere beleidsregels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische waardenkaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart, dan wel bij het ontbreken daarvan, de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden; een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag en haar archeoin voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd, of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad, of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2.Het college kan op basis van gevraagd advies van de archeologisch deskunduige nadere regels stellen over de noodzaak tot en de vorm van een archeologisch onderzoek. Dit geld voor de diverse onderzoeksstappen binnen de volledige Archeologische Monumentenzorg Cyclus (waaronder o.a. het goedkeuren van onderzoeksrapporten, plannen van aanpak en programma's van eisen). Artikel3.135Bodemverstorend Archeologisch onderzoek 1.Indien binnen het grondgebied van de gemeente Terneuzen. onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het verrichten van werkzaamheden met als doel het opsporen of onderzoeken van monumenten, waardoor verstoring van de bodem optreedt (zoals bijvoorbeeld inventariserende veldonderzoeken middels proefsleuven, archeologische begeleidingen of opgravingen) in de zin van de Erfgoedwet, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet: het college een door de archeologisch deskundige goedgekeurd programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1.1 en bijlage 1, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek. de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1.1 en bijlage 1 van deze verordening ter goedkeuring aan het college en haar archeologisch deskundige te overleggen. 2.In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college en haar archeologisch deskundige in acht te worden genomen. 3.Om te kunnen beoordelen of een plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag advies aan haar archeologisch deskundige (Reguliere bestemmings/omgevingsplan wijzigingen en vergunningaanvragen worden getoetst door de gemeentelijke deskundigen (water, milieu, zo ook archeologie en cultuurhistorie, etc.). 4.Om te kunnen beoordelen of vergunningaanvragen tot sloop en/of wijzigen van rijks- en gemeentelijke monumenten en bijbehorende plannen van aanpak aan de programma’s van eisen en eventuele nadere regels voldoen vraagt het bevoegd gezag daarbij advies aan een deskundige als bedoeld in artikel 6.
- 5.De opgravende instelling moet gecertificeerd zijn tot het verrichten van archeologisch onderzoek als bedoeld in artikelen 5.
- en volgende van de Erfgoedwet. Het Programma van Eisen voor bodem verstorend onderzoek moet voldoen aan de vigerende Protocollen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Artikel3.136Procedure De bepalingen uit artikel 3.131, 3.132 en 3.133 zijn van overeenkomstige toepassing op de bepalingen uit artikel 3.134, eerste lid, onder g, en artikel 3.135, eerste lid, onder b. Afdeling 3.7 Activiteiten met betrekking tot planten en dieren §3.7.
Artikel3
.137Doel 1.De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming. 2.De regels over het vellen van houtopstanden in paragraaf 3.7.2 zijn ook gesteld met het oog op: de instandhouding van het bosareaal in de gemeente Terneuzen; de leefbaarheid van gebieden, en de volgende waarden van houtopstanden: de natuur- en milieuwaarde; de landschappelijke waarde; de cultuurhistorische waarde; de dendrologische waarde; de beeldbepalende waarde; de stads- en dorpsschoon waarde. Artikel3.138Aanwijzing activiteiten Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het vellen van monumentale en waardevolle bomen, zoals opgenomen in de Waardevolle bomenlijst bedoeld in artikel 2.10 van deze verordening. §3.7.2Vellen van bomen Artikel3.139Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de in artikel 2.10, lid 1 van deze verordening genoemde waardevolle bomenlijst. 2.In afwijking van artikel 3.11 van deze verordening, kan de vergunning worden geweigerd op grond van: de natuurwaarde van de houtopstand; de landschappelijke waarde van de houtopstand; de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; de beeldbepalende waarde van de houtopstand; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand, of de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 3.Het verbod is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen. 4.Het verbod onder lid 1 geldt niet voor: het vellen van een houtopstand dat is vereist op grond van de Plantenziektenwet of een bestuurlijke sanctie van het college; het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vorm- en knotbomen; dunning op basis van een door college goedgekeurd beheerplan, van houtopstanden in eigendom van de gemeente, of velling van dode of niet meer te herstellen houtopstand in eigendom van de gemeente, waarvan de toestand door een boomdeskundige is vastgesteld. 5.Het college kan een herplantplicht alsmede een instandhoudingsplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. Afdeling 3.8 Activiteiten met betrekking tot begraafplaatsen §3.8.1.Algemeen Artikel3.140Aanwijzing activiteiten Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1. wordt aangewezen het maken van een grafkelder op een begraafplaats en het aanbrengen wijzigen en onderhouden van grafbedekking. §3.8.2.Vergunningen grafkelder en grafbedekking en onderhoud Artikel3.141Grafkelder Het college kan aan de rechthebbende op een particulier graf vergunning verlenen tot het daarin voor eigen rekening doen aanbrengen van een grafkelder overeenkomstig de door het college te stellen voorwaarden. Artikel3.142Historische graven 1.Het college houdt een lijst bij van graven die van historische betekenis zijn of waarvan de grafbedekking een opvallende kwaliteit heeft. 2.De oorlogsgravenstichting houdt een lijst bij met oorlogsgraven en geldt, met uitzondering van de oorlogsgraven waarvan nabestaanden over het recht beschikken, als rechthebbende van in deze lijst opgenomen graven. 3.Het aanbrengen van wijzigingen aan grafbedekkingen die voorkomen op de lijst, genoemd in lid 1, is alleen toegestaan indien de belanghebbende beschikt over een omgevingsvergunning. 4.Het college kan de vergunning uit lid 3 weigeren indien het van mening is dat daarmee de historische waarde van het grafmonument verminderd wordt. 5.Derden kunnen voorafgaand aan ruimingen het college verzoeken om in contact gebracht te worden met nabestaanden van graven waarop een naar hun mening historisch waardevol grafmonument is geplaatst. Dit met als doel het grafmonument niet verloren te laten gaan Afdeling 3.9 Activiteiten met betrekking tot het gebruik van woningen §3.9.
Artikel3
.143Doel De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van de leefbaarheid en de vitaliteit en de beschikbare woningvoorraad in de gemeente Artikel3.144Aanwijzing activiteiten Als activiteit als bedoeld in artikel 3.
- van de verordening wordt aangewezen het in gebruik geven of nemen van een woonruimte, zonder dat de gebruiker van de woonruimte ingeschreven is in het persoonsregister van de gemeente (register als bedoeld in artikel 1.
- van de Wet basisregistratie personen). §3.9.2.Gebruik woningen Artikel3.145Gebruiksverbod 2e woningen 1.Het is de rechthebbende op een woning verboden om zonder gebruiksvergunning van het college deze woning te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken als tweede woning. 2.Onder het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken van een tot bewoning bestemd gebouw als tweede woning wordt in elk geval verstaan het beschikbaar hebben of houden van zodanig gebouw ten behoeve van zichzelf of van een ander, zonder dat hij of die ander zijn hoofdverblijf in dat gebouw heeft en er een redelijke termijn is verstreken, na welke het beschikbaar hebben of houden dan niet meer geacht kan worden te geschieden met het doel het gebouw te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken als hoofdverblijf. 3.Als criterium voor de vaststelling of iemand zijn hoofdverblijf in een gebouw heeft, geldt, dat hij is opgenomen in het persoonsregister van de gemeente. Artikel3.146Uitzondering gebruiksverbod 1.Het verbod, vervat in artikel 3.145, geldt niet ten aanzien van iemand die een woning als tweede woning in gebruik heeft op het tijdstip van het van kracht worden van deze verordening. 2.De uitzondering, genoemd onder lid 1, heeft een persoonlijk karakter. Voor een opvolgende bewoner geldt het verbod onverkort. 3.Het verbod geldt evenmin ten aanzien van de zakelijke gerechtigde die een woning verhuurt op het tijdstip van het van kracht worden van deze verordening. 4.De uitzondering, genoemd onder lid 3, heeft een persoonlijk karakter. Voor een rechtsopvolger, hetzij onder bijzondere, hetzij onder algemene titel, geldt het verbod onverkort. Artikel3.147Criteria vergunningverlening 1.Het college verleent de gebruiksvergunning, als bedoeld in artikel 145, lid 1, als naar zijn oordeel de woning niet geschikt is voor permanente bewoning en deze daartoe redelijkerwijs, tegen lonende kosten, niet geschikt te maken is. 2.Het college kan aan de vergunning voorschriften verbinden. 3.De vergunning heeft een persoonlijk karakter. Voor een rechtsopvolger, hetzij onder bijzondere titel, hetzij onder algemene titel, geldt het verbod, genoemd in artikel 145, onverkort. Artikel3.148Procedure beslistermijn en nadere regels 1.Het college beslist zoveel mogelijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 2.Het college kan nadere eisen en regels stellen omtrent de wijze waarop een vergunning kan worden aangevraagd en de gegevens, die daarbij door de aanvrager moeten worden overgelegd. HOOfDSTUK4BEHEER EN ONDERHOUD Afdeling 4.1 Onderhoud- en instandhoudingsverplichtingen Gereserveerd Afdeling 4.
- Gedoogplichten Artikel4.2Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet. HOOFDSTUK5FINANCIËLE BEPALINGEN Afdeling 5.1 Wegslepen voertuigen Artikel5.1Kosten overbrengen en bewaren van voertuigen 1.De kosten van het overbrengen van een voertuig met een totaalmassa lager dan 3.500 kilogram naar de bewaarplaats bedragen: op werkdagen van 08.00 uur tot 18.00 uur € 242,00 excl. BTW; op werkdagen van 18.00 uur tot 08.00 uur € 284,00 excl. BTW; op feestdagen en in het weekend € 284,00 excl. BTW. 2.De kosten voor het onvolledig bergen van een voertuig met een totaalmassa lager dan 3.500 kilogram bedragen op werkdagen van 08.00 uur tot 18.00 uur € 194,00 excl. BTW; op werkdagen van 18.00 uur tot 08.00 uur € 227,00 excl. BTW; op feestdagen en in het weekend € 227,00 excl. BTW. 3.De kosten van het overbrengen van een voertuig met een totaalmassa hoger dan 3.500 kilo naar de bewaarplaats bedragen: op werkdagen van 08.00 uur tot 18.00 uur € 161,00 excl. BTW op werkdagen van 18.00 uur tot 08.00 uur € 214,00 excl. BTW; op feestdagen en in het weekend € 214,00 excl. BTW loze rit € 149,00 excl. BTW. 4.De bijkomende bergingskosten voor het overbrengen van een voertuig met een totaalmassa hoger dan 3.500 kilo bedragen op werkdagen van 08.00 uur tot 18.00 uur € 241,00 excl. BTW per uur; op werkdagen van 18.00 uur tot 08.00 uur € 281,00 excl. BTW per uur op feestdagen en in het weekend € 281,00 excl. BTW per uur. 5.De kosten van het overbrengen van een snorscooter en bromscooter naar de bewaarplaats bedragen: op werkdagen van 08.00 uur tot 18.00 uur € 75,00 excl. BTW; op werkdagen van 18.00 uur tot 08.00 uur € 100,00 excl. BTW; op feestdagen en in het weekend € 100,00 excl. BTW; loze rit € 50,00 excl. BTW. 6.De kosten voor een loze rit bedragen Voor een voertuig met vier wielen € 149,00 excl. BTW; voor een voertuig op twee wielen (snorfiets, fiets, bromfiets) € 50,00 excl BTW 7.de kosten voor het bewaren van een voertuig per etmaal of een gedeelte daarvan bedragen voor een voertuig met een totaalmassa lager dan 3.500 kilo € 10,00 excl. BTW; voor een voertuig met een totaalmassa hoger dan 3.500 kilo € 50,00 excl. BTW. 8.Het tarief wordt jaarlijks per 1 januari, aangepast. Wijziging van de tarieven vindt plaats op basis van de wijziging van het maandprijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI) reeks alle huishoudens (2015=100), gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het gewijzigde tarief wordt berekend volgens de formule: het gewijzigde tarief is gelijk aan het geldende tarief op de wijzigingsdatum, vermenigvuldigd met het indexcijfer van de kalendermaand die ligt vier kalendermaanden voor de kalendermaand waarin de huurprijs wordt aangepast, gedeeld door het indexcijfer van de kalendermaand die ligt zestien kalendermaanden voor de kalendermaand waarin het wordt aangepast. Het wordt niet gewijzigd indien een indexering van het tarief leidt tot een lager tarief. Artikel5.1.1.Overbrengen en in bewaring stellen van motorrijtuigen in het geval van gebleken onvoldoende rijgeschiktheid of rijvaardigheid dan wel het ontbreken van een behoorlijk zichtbare kentekenplaat. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 130, vierde lid, 164, zevende lid, en 174, eerste lid van de wet, zijn de artikelen 1.1, 2.14 en 5.1 van deze verordening van overeenkomstige toepassing. Afdeling 5.2 Tegemoetkoming in schade Artikel5.2Gemeentelijke en archeologische monumenten Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot: de weigering van het college een vergunning als bedoeld in artikel 3.130 lid 2 te verlenen; de voorschriften door het college verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 3.130; een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.135, tweede lid, tweede volzin. HOOFDSTUK6PROCEDUREREGELS Afdeling 6.
- Advies Artikel6.1.De marktcommissie 1.Het college kan een commissie van advies instellen, die tot taak heeft het college te adviseren over marktaangelegenheden. 2.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de samenstelling en de werkwijze van deze marktcommissie. Artikel 6.
- Gemeentelijke Adviescommissie ruimtelijke kwaliteit 1.Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.2, advies aan een gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit, zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet 2.De commissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3.De commissie adviseert schriftelijk binnen vier weken na ontvangst van het verzoek van het college. Artikel6.3Advisering omgevingsvergunning 1.De advisering over de monumentale waarden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning is opgedragen aan de commissie als bedoeld in artikel 6.2 van deze verordening. 2.De commissie brengt advies uit over plannen voor Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten, waarin zowel de aspecten op grond van de Omgevingswet en de Erfgoedwet als aspecten op grond van deze verordening worden betrokken. 3.Een aanvraag omgevingsvergunning, waarbij de monumentale waarden beoordeeld moeten worden, wordt gelijk na ontvangst ter advisering voorgelegd aan de adviescommissie bedoeld in artikel 6.
- 4.Binnen vier weken nadat door of namens het college daarom is verzocht, brengt deze commissie schriftelijk advies uit aan het college. Het advies van de commissie is openbaar en dient een deugdelijke motivering te bevatten. 5.In het verzoek om advies kan het college een langere termijn dan vier weken geven voor het uitbrengen van advies. Een langere termijn kan worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 16.64, tweede lid van de Omgevingswet. 6.Zodra het advies is uitgebracht, wordt het door of namens het college gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel6.4Niet wettelijk verplichte taken De commissie als bedoeld in artikel 6.2 kan desgevraagd adviezen uitbrengen aan het college over de monumentale en archeologische aspecten van in voorbereiding zijnde ruimtelijke plannen. HOOFDSTUK7HANDHAVING EN STAFBEPALING Artikel7.1Toezichthouders 1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens § 3.2.2, § 3.2.3, § 3.3.3 en § 3.9.2 van deze verordening zijn belast de krachtens artikel 18.6 van de Omgevingswet door het college aangewezen ambtenaren 2.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens § 3.3.2, § 3.3.4, § 3.4.2, § 3.4.3, § 3.4.4, § 3.4.6, § 3.5.1, § 3.5.4, § 3.5.5, § 3.5.6 en § 3.7.2 van deze verordening bepaalde zijn belast: de in artikel 141 Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren en de als buitengewoon opsporingsambtenaar of- ambtenaren beëdigde ambtenaren zoals bedoeld in artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering. 3.Het college dan wel de burgemeester kan, naast het bepaalde in lid 2, andere personen met dit toezicht belasten. 4.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens § 3.4.5 van deze verordening zijn belast de bij besluit van het college aangewezen personen. 5.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens § 3.5.2 van deze verordening zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, de door het college aangewezen ambtenaren als bedoeld in artikel 142 van het Wetboek