Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2024Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder; gelet op: titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022; het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2024; overwegende dat het college het voor de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de wet noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daar mee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen; besluit de volgende beleidsregels vast te stellen: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2024 Hoofdstuk1Algemene uitgangspunten 1.1Inleiding Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4.81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb): "Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Bij beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift zoals de Verordening maatschappelijke ondersteuning. Beleidsregels gaan over de vaststelling van feiten, wetsinterpreterend beleid of over hoe bepalingen in de Verordening door het college worden toegepast. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens het door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. 1.2Begripsbepalingen In deze beleidsregels en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Bewust-keuzegesprek: een gesprek waarin de vaardigheden van de cliënt worden getoetst rondom het beheren en uitgeven van het persoonsgebonden budget (pgb), Budgethouder: degene aan wie het pgb is toegekend (de cliënt), Budgetperiode: de periode waar een pgb betrekking op heeft, Besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2024, Derde: degene aan wie het pgb wordt besteed, Ondersteuningsplan: een plan dat is opgesteld door de aanbieder in samenspraak met de cliënt, en indien aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociale netwerk. In het ondersteuningsplan staan begrijpelijke doelen die samen met de cliënt zijn opgesteld om de resultaten te behalen. De doelen in het ondersteuningsplan zijn SMART geformuleerd. Bij de doelen horen ook activiteiten. Bij een doel kunnen meerdere activiteiten horen, Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022, Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening, het Besluit en de Awb. 1.3Goed samenhangend stelsel De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van maatwerkvoorzieningen te komen voor inwoners van de gemeente die niet of nog niet zelf of met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en/of participatie. De beleidsregels volgen in principe zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening en zijn ook gebaseerd op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt en hoe de aanspraak daarop wordt beoordeeld. Kernbegrippen zijn: eigen verantwoordelijkheid; uitgaan van te bereiken resultaten; en het leveren van maatwerk. Hoofdstuk2Procedure Artikel 2.3.2 Wmo 2015 Artikel 2.3.3 Wmo 2015 Hoofdstuk 2 Verordening 2.1Inleiding De Wmo 2015 schrijft voor dat de burger met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zijn ondersteuningsvraag eerst moet melden bij het college. Dan bestaat er recht op een onderzoek. Het college kan op deze manier in samenspraak met de cliënt, zijn eventuele mantelzorger of andere personen uit het sociale netwerk eerst zorgvuldig de ondersteuningsbehoefte en de mogelijke oplossingen in kaart brengen. De Wmo 2015 voorziet in voorwaarden waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen en bepaalt welke onderwerpen in ieder geval in het onderzoek (na de melding van de ondersteuningsvraag) moeten worden meegenomen. De CRvB heeft een zogeheten stappenplan opgesteld waarin staat hoe het college bij het onderzoek te werk moet gaan. Pas na het verstrekken van het onderzoeksverslag met de onderzoeksresultaten kan een aanvraag worden gedaan. De regels van de Awb zijn niet van toepassing op de procedure van de melding en het onderzoek. Het onderzoek valt wel onder de voorbereiding van het besluit als de aanvraag wordt ingediend (art. 3:2 Awb). Verordening De Verordening is voor wat betreft de toegang tot maatschappelijke ondersteuning procedureel ingericht zodat het voor de inwoners van de gemeente Noordoostpolder duidelijk is hoe het college te werk gaat nadat zij hun ondersteuningsvraag hebben gemeld. Daarbij kan de cliënt gebruik maken van cliëntondersteuning. De Wmo 2015 schrijft voor dat het college een onderzoeksverslag aan de cliënt verstrekt met daarin de resultaten van het onderzoek. Daaruit kan de cliënt afleiden of hij in aanmerking komt voor ondersteuning. Na de melding van de ondersteuningsvraag wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld zijn eigen persoonlijk plan in te dienen. Daaruit kan het college afleiden waarom de cliënt van mening is dat hij ondersteuning van de gemeente nodig heeft. Verder heeft het college een voorlichtingsplicht. Die bestaat uit het informeren van de cliënt onder welke voorwaarden hij in aanmerking kan komen voor een persoonsgebonden budget (pgb) en wat de eventuele hoogte is van de bijdrage in de kosten voor voorzieningen. Nadat het onderzoek is afgerond kan de cliënt een aanvraag indienen. Daarvoor kan het verslag van het onderzoek worden gebruikt. Bij de beslissing op de aanvraag vormt het onderzoeksverslag en het eventueel ingediende persoonlijk plan van de cliënt het uitgangspunt. Criteria in de Verordening In de Verordening zijn diverse criteria vastgesteld. Die criteria verschillen naar gelang de aard van de ondersteuning waarop de cliënt is aangewezen. Het college baseert de beslissing op de aanvraag mede op basis van de Verordening. 2.2Spoedeisende gevallen Voor spoedeisende gevallen is in de Wmo 2015 een procedure opgenomen die los staat van het onderzoek ná de melding van de ondersteuningsvraag en de beslissing op de aanvraag. Het gaat om situaties waarin de cliënt het onderzoek niet kan afwachten. Daar mag het college immers zes weken over doen. Er kan één dag na de melding van de ondersteuningsvraag sprake zijn van “spoed” maar dat zou ook één week kunnen zijn. Eenvoudig gezegd: “zo spoedig als nodig en mogelijk”. Daarover moet een (tijdelijk) besluit worden genomen. Onverwijld inzetten Het college moet in spoedeisende situaties onverwijld een geschikte tijdelijke maatregel nemen in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek en de aanvraag van betrokkene (art. 2.3.3 Wmo 2015). De noodzaak om een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken, zal slechts in bijzondere gevallen aanwezig zijn. Onder een spoedeisende situatie kan ook een tijdelijke indicatie vallen gedurende de periode van de beslissing op de aanvraag om een indicatie voor de Wet langdurige zorg (EK 2013/14, 33 841, G, p. 24). Het Centrum Indicatiestelling zorg (CIZ) kent ook een spoedprocedure: beslissen binnen twee weken. In geval van bijzondere omstandigheden bestaat de mogelijkheid om snel over een Wlz-indicatiebesluit te moeten beschikken. Dit ter beoordeling aan het CIZ. Denk ook aan plotselinge wijzigingen in de situatie van een cliënt zoals aangewezen op zorg aansluitend aan geriatrische revalidatie (Zvw) en eerstelijns verblijf (Zvw). Het ligt bij een tijdelijke Wmo-indicatie voor de hand dat ook een tijdelijke indicatie wordt afgegeven voor persoonlijke verzorging en/of verpleging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Die indicatie wordt door de wijkverpleegkundige gesteld. Geen maatwerkoplossing Bij zo’n tijdelijke inzet van een maatwerkvoorziening met een spoedeisend karakter geldt niet het criterium van wat de (goedkoopst) passende bijdrage is. Artikel 2.3.3 Wmo 2015 kent een dergelijke voorwaarde niet. Bij het toekennen van een maatwerkvoorziening via de reguliere procedure geldt een oordeel over de (goedkoopst) passende bijdrage wel (art. 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo 2015). Daarom kan bij de tijdelijke inzet in een spoedprocedure ook nog niet gesproken worden van een te behalen resultaat want het onderzoek heeft nog niet plaatsgevonden. Afronden onderzoek Het college zal het onderzoek (naar aanleiding van de melding) afronden volgens de reguliere procedure. De cliënt ontvangt daarvan een onderzoeksverslag. Dat wil zeggen: pas dan is het resultaat vastgesteld. Spoed tijdens toegekende maatwerkvoorziening Een spoedeisende situatie kan ook ontstaan tijdens een lopende indicatie. Strikt genomen moet de cliënt dan een nieuwe melding doen van een gewijzigde ondersteuningsbehoefte. Volgens de Verordening kan het college afspraken maken met aanbieders op welke wijze zij, namens de cliënt, met (een gewijzigde) behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, een ondersteuningsvraag kunnen indienen (art. 2.1 lid 6 Verordening). In die gevallen kan de aanbieder dus (met toestemming van de cliënt natuurlijk) een melding van een ondersteuningsbehoefte doen. Het college beoordeelt vervolgens of er sprake is van een spoedeisend geval en zo ja, of er tijdelijk meer ondersteuning moet worden ingezet. Nadat de tijdelijke is ingezet wordt de reguliere procedure gevolgd: het college doet onderzoek en stelt een onderzoeksverslag op. De cliënt kan dan een aanvraag indienen waarop het college beslist. 2.3Ondersteuningsvraag gericht op beschermd wonen en/of opvang Gemeente Almere is verantwoordelijk om een besluit te nemen over de aanvraag voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. De Centrale Toegang (CT) voor beschermd wonen is belegd bij GGD Flevoland. Een melding voor beschermd wonen kan de cliënt met eventuele ondersteuning doen bij de CT. GGD Flevoland voert in opdracht van gemeente Almere een onderzoek uit naar de noodzaak voor beschermd wonen. Hiervan wordt een onderzoeksverslag gemaakt. Dit onderzoeksverslag wordt na het intakegesprek naar cliënt opgestuurd met het verzoek om dit voor akkoord te ondertekenen en retour te zenden. Met deze handtekening is de aanvraag voor beschermd wonen bekrachtigd. In een multidisciplinair overleg (MDO) komt het advies voor de toegang tot beschermd wonen tot stand. Het team met toegangsbepalers van GGD Flevoland is alleen verantwoordelijk voor een professioneel inhoudelijk advies op het onderzoeksverslag. Het advies wordt gedeeld met gemeente Almere. Gemeente Almere neemt het besluit en brengt de cliënt hiervan met een beschikking op de hoogte. Ook geeft de gemeente Almere voor de maatschappelijke opvang een beschikking af. 2.3.1Maatschappelijke opvang De maatschappelijke opvang in de regio Flevoland biedt onderdak en ondersteuning aan personen, die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht of met hulp van anderen te handhaven in de samenleving. Vaak is er sprake van meerdere problemen, zoals een combinatie van dak- en thuisloosheid, schulden, psychiatrische, somatische en/of verslavingsproblemen en/of werkloosheid of het ontbreken van een zinvolle dagbesteding. De begeleiding bij opvang bestaat uit een integrale aanpak gericht op het zich weer kunnen handhaven in de samenleving waarbij aangewezen hulp en bestaande hulp zo veel mogelijk wordt gebundeld. Die is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie. Opvang wordt bij voorkeur gerealiseerd door het college van de gemeente waar een opvangtraject voor de cliënt de meeste kans van slagen heeft. De Wmo 2015 is overigens niet bedoeld om een oplossing te bieden voor de schaarste op de woningmarkt (CRVB:2020:1651, CRVB:2022:1181-VV). 2.4Persoonlijk plan en cliëntondersteuning Nadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het college op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. De Wmo 2015 bepaalt dat een persoonlijk plan zeven dagen na de melding bij het college kan worden ingediend. Er kunnen zich individuele omstandigheden voordoen waardoor het college van deze termijn afwijkt. Zowel het college als de cliënt is er namelijk bij gebaat dat een persoonlijk plan voldoende inzichtelijk maakt op welke maatschappelijke ondersteuning de cliënt is aangewezen. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, als een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het college wel nader moeten motiveren bij de besluitvorming. De cliënt kan voor het opstellen van een persoonlijk plan gebruik maken van cliëntondersteuning. 2.5Cliëntondersteuning Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning van de cliënt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Een cliëntondersteuner kan de cliënt tijdens het onderzoek helpen zijn ondersteuningsvraag te verwoorden en keuzes te maken. Het college moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein. Bij de melding van de ondersteuningsvraag wijst het college erop dat gebruik kan worden gemaakt van cliëntondersteuning. Verder moet het college er zorg voor dragen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt te handelen. De cliëntondersteuner kan ook iemand uit het netwerk van cliënt of vanuit een belangenorganisatie of een professional in dienst van een welzijnsorganisatie zijn, bijvoorbeeld een ouderenadviseur of een maatschappelijk werker. 2.6Signaleringsfunctie aanbieder Artikel 2.1 lid 6 Verordening Zoals hiervoor al is gezegd kan het college met aanbieders afspraken maken over het melden van een ondersteuningsvraag namens cliënten. Het is logisch dat aanbieders snel kunnen constateren dat de behoefte aan ondersteuning van een cliënt toeneemt, of daar tenminste aanleiding voor is dat aan te nemen (signaleringsfunctie). Ook kan er natuurlijk sprake zijn van een afname aan de behoefte aan ondersteuning. Het college doet in ieder geval onderzoek naar de gewijzigde ondersteuningsbehoefte; dat kan door een afspraak te maken met de cliënt. De wettelijke bevoegdheid om onderzoek te doen nadat een maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) is toegekend is neergelegd in artikel 2.3.9 Wmo 2015. 2.7Onderwerpen van het onderzoek De Wmo 2015 schrijft voor dat het college een onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als de cliënt dat bij het college heeft gemeld. De onderwerpen die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen zijn neergelegd in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015. Daarin staat dat het college het volgende onderzoekt: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 of 2.1.4a, verschuldigd zal zijn. Voorlichting Tijdens het onderzoek wordt de cliënt ook: verteld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor een pgb en wordt hij/zij in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze; geïnformeerd over het gebruik en oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen, al dan niet in de vorm van een pgb en de manier waarop het college vorm kan geven aan de controle. 2.8Stappenplan voor het onderzoek Volgens de CRvB zijn er zes stappen nodig om een zorgvuldig onderzoek uit te voeren, dit zijn: Stap 1: Na de melding dient eerst de precieze ondersteuningsvraag te worden geduid. Stap 2: Vervolgens moet bepaald worden wat – kort gezegd – de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie zijn. Stap 3: Als deze beide vragen op papier staan, kan (en moet) inzicht worden verkregen in de aard, omvang en frequentie van de ondersteuning die nodig is. Stap 4: Daarna wordt in kaart gebracht of: de eigen kracht, gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp uit het sociale netwerk, en gebruikmaking van algemene voorzieningen, en zo ja: in welke mate – deze voorliggende oplossingen beschikbaar, geschikt en toereikend zijn. Stap 5: Zijn de mogelijkheden onder stap 4 ontoereikend, dat zal het college een maatwerkvoorziening moeten verstrekken, tenzij een (andere) weigeringsgrond van toepassing is. Stap 6: Voor zover dit in het individuele geval noodzakelijk is, zal specifieke deskundigheid moeten worden ingeschakeld. 2.9Ondersteuning vragen Cliënten kunnen het moeilijk vinden om een ander te vragen iets voor hen te doen terwijl mensen in het netwerk vaak best bereid zijn iets voor een ander te betekenen, maar niet weten hoe ze dat moeten aankaarten. Dit kan onderwerp zijn van het onderzoek, waarbij het college kan ondersteunen bij het betrekken van personen uit de sociale omgeving. Van de cliënt mag worden verwacht dat hij de personen uit het sociaal netwerk vraagt of zij hem kunnen en willen ondersteunen. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het onderzoek. 2.10Inlichtingen- en medewerkingsplicht Om het onderzoek volledig uit te kunnen voeren is het van belang dat de cliënt daaraan zijn medewerking verleend. In artikel 2.3.2 lid 7 Wmo 2015 is bepaald dat de cliënt dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor daarvoor nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Deze verplichting geldt naar analogie van artikel 4:2 Awb. Het komt er op neer dat de cliënt noodzakelijke informatie verstrekt die het college kan onderzoeken. 2.10.1Inlichtingenplicht Artikel 2.3.8 lid 1 Wmo 2015 bepaalt de inlichtingenplicht voor cliënten aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt, al dan niet in de vorm van een pgb. Dat wil zeggen dat inlichtingen die relevant zijn voor een verstrekte maatwerkvoorziening spontaan bij het college gemeld moeten worden. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt een huisgenoot heeft gekregen die mogelijk de gebruikelijke hulp op zich kan nemen. 2.10.2Medewerkingsplicht Artikel 2.3.8 lid 3 Wmo 2015 regelt de medewerkingsplicht die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Onder het niet verlenen van medewerking wordt in ieder geval verstaan: Het niet meewerken aan een onderzoek, al dan niet door een deskundige, door niet te verschijnen of relevante vragen niet te beantwoorden. Denk ook aan een onderzoek door een ergotherapeut. De medewerkingsverplichting geldt ook voor de huisgenoot ingeval van een onderzoek over het kunnen bieden van gebruikelijke hulp. Als de vertegenwoordiger stelt dat het college de cliënt niet hoeft te zien en/of te spreken voor het onderzoek. Gebruikmaking van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b Burgerlijk Wetboek. Het niet overleggen van het indicatiebesluit op grond van de Wlz als dat noodzakelijk is voor de beoordeling van de ondersteuningsbehoefte (RBLIM:2021:1423). Gevolgen Niet of onvoldoende medewerking verlenen kan leiden tot weigering aanvraag als daardoor de noodzaak tot ondersteuning niet kan worden vastgesteld (CRVB:2019:224, CRVB:2020:567, CRVB:2021:1739). De gevolgen van het niet verstrekken van relevante inlichtingen kan leiden tot een herziening of intrekking van het toekenningsbesluit onder toepassing van artikel 2.3.10 Wmo 2015. En mogelijk ook tot een terugvordering. Zie verder Hoofdstuk 16 heroverweging, beëindiging, herziening of intrekking, terug- en invordering van deze beleidsregels. 2.11Beperking, chronisch psychisch probleem en psychosociaal probleem Beperking De Wmo 2015 bepaalt niet wat onder een beperking wordt verstaan. Onder een beperking kunnen aan de cliënt verbonden factoren worden verstaan die ertoe leiden dat de cliënt niet (volledig) in staat is tot zelfredzaamheid en participatie. Denk aan: ouderdomsklachten, ziekte, aandoening of DSM-5 problematiek. Zelfredzaamheid en participatie Zelfredzaamheid bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), het voeren van een gestructureerd huishouden. Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kunnen doen aan de samenleving. Diagnose alleen geeft geen toegang Het feit dat de cliënt bekend is met een bepaalde diagnose, leidt niet zonder meer tot een noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Het moet duidelijk zijn dat de cliënt door de beperkingen belemmerd wordt in de zelfredzaamheid en/of participatie én dat ‘voorliggende oplossingen’ niet passend zijn in de individuele situatie. Zie onder meer Hoofdstuk 3 Beoordeling van de aanspraak van deze beleidsregels. Chronisch psychisch probleem Psychische problemen hebben te maken met gevoelens en gedachten van mensen waarvoor vaak geen fysieke oorzaak is. Psychische problemen worden vastgesteld aan de hand van de DSM-5. Dat is een classificatiesysteem voor psychiatrische aandoeningen. De DSM-5 biedt een geclusterde beschrijving van alle stoornissen op basis van symptomen. Daaronder vallen bijvoorbeeld: Angststoornissen Depressie Persoonlijkheidsproblematiek Autisme Spectrum Stoornissen (ASS) Beoordeling ondersteuningsvraag Dat wil zeggen als uit het onderzoek blijkt dat de ondersteuningsvraag betrekking heeft op een chronisch psychisch probleem (DSM-5 problematiek), bijvoorbeeld een angststoornis, dan zal dat aannemelijk moeten worden door een diagnose. Is de aanvraag om een maatwerkvoorziening primair gericht op het oplossen van een chronisch psychisch probleem (DSM-5 problematiek), dan beoordeelt het college of de maatwerkvoorziening een therapeutisch karakter heeft (zie verder hierna). Psychosociaal probleem Psychosociale problematiek is een containerbegrip. Het gaat om problemen die cliënten kunnen ondervinden in hun relaties en contacten met andere mensen. De wetsgeschiedenis van de Wmo 2015 gaat niet concreet in op dit begrip. In de Wmo (oud) was dat wel het geval. Is het verlies van zelfstandig functioneren of een gebrek aan deelname aan het maatschappelijk verkeer het gevolg zijn van iemands problemen in zijn relatie met zijn sociale omgeving, dan is sprake van een psychosociaal probleem (TK 2004/05, 30 131, nr. 3, p. 29). Ongeacht de aard van de psychosociale problematiek, de beperkingen moet wel geobjectiveerd kunnen worden aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (bijv. CRVB:2019:2909 en CRVB:2019:1173). 2.12Bevorderen gezondheid Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Tijdens het onderzoek wordt gekeken of de cliënt, gelet op de vastgestelde problematiek, gebruik kan maken van een andere wet. Zie verder 3.2.5 Gebruik maken van een andere wet (voorliggende voorziening) in deze beleidsregels. Therapeutisch of medisch doel Als een maatwerkvoorziening (ook) een therapeutisch of medisch doel dient, dan onderzoekt het college of er daarnaast ook beperkingen zijn in de zelfredzaamheid of participatie en gelet daarop een maatwerkvoorziening voor de cliënt is aangewezen (CRVB:2023:1508, CRVB:2023:349, CRVB:2021:1595). Zie verder 11.8.1 Individuele omstandigheden en mogelijkheden in deze beleidsregels. 2.13De aanvraag Het college beslist in principe binnen twee weken op de aanvraag. Pas na verstrekking van een onderzoeksverslag kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden gedaan, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2 lid 9 Wmo 2015). Er zijn twee mogelijkheden om een aanvraag in te dienen voor een maatwerkvoorziening: schriftelijk of mondeling. Het college stelt de identiteit van de cliënt altijd vast. 2.13.1Schriftelijke aanvraag Een aanvraag wordt schriftelijk gedaan (art. 4:1 Awb). Dat kan op twee manieren. Als eerste kan, om administratieve lasten voor zowel de cliënt als het college te voorkomen, een onderzoeksverslag voorzien van de NAW-gegevens én een handtekening van de cliënt, als aanvraag worden aangemerkt. De cliënt mag het door hem (digitaal) ondertekende onderzoeksverslag digitaal of fysiek naar het college sturen. Dat is de reguliere procedure. Een tweede mogelijkheid om een aanvraag om een maatwerkvoorziening in te dienen is middels een aanvraagformulier dat tijdens een huisbezoek kan worden ingevuld als: volstrekt duidelijk is dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening, en het college in de beschikking volledig tegemoet komt aan de vraag van de cliënt. Het onderzoeksverslag wordt nog wel aan de cliënt verzonden. 2.13.2Mondelinge aanvraag Het college kan bepalen dat een aanvraag mondeling kan worden gedaan (art. 3.1 lid 3 Verordening). Het gaat om situaties waarin na het onderzoek en het nog op te stellen onderzoeksverslag: volstrekt duidelijk is dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening, en het college in de beschikking volledig tegemoet komt aan de vraag van de cliënt, en het eerst moeten terugsturen van een ondertekend onderzoeksverslag (= aanvraag) of een aanvraagformulier bij de cliënt tot verwarring over de procedure kan leiden; of het college op grond van het dossier of adviezen van deskundigen vindt dat de cliënt gebaat is bij het voortvarend handelen gelet op de problematiek. Het onderzoeksverslag wordt ook aan de cliënt verzonden. 2.14Advisering Voor de uitvoering van de Wmo 2015 kan het college advies vragen omdat het zelf niet ter zake deskundig is. Denk bijvoorbeeld aan: de beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en/of participatie vast laten stellen (wettelijk toetsingskader); te laten beoordelen of er in het individu gelegen omstandigheden zijn die het recht op een pgb in de weg staan (wettelijke voorwaarden); de goedkoopst passende bijdrage (maatwerkvoorziening) te laten indiceren en te selecteren zonodig aan de hand van de door een arts (of iemand die functioneert op vergelijkbaar niveau) vastgestelde (medische) beperkingen; zaken van technische aard te laten beoordelen, zoals die bij woningaanpassingen aan de orde kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheden van een inpandige woningaanpassing in plaats van een aanbouw. Advies vragen Als vuistregel geldt dat, als dat oordeel betrekking heeft op een medische kwalificatie van lichamelijke of geestelijke gebreken en de beperkingen die daaruit kunnen voortvloeien, het college in beginsel niet ter zake kundig zal zijn (vergelijk CRVB:2012:BY0324). Afhankelijk van de aard van de problematiek moet het college de cliënt laten oproepen door een deskundige die (zonodig) op het niveau van een arts functioneert. Het college kan advies vragen gedurende de procedure (melding, onderzoek of alvorens te beslissen op de aanvraag). Ook als het college het besluit heroverweegt als bedoeld in artikel 2.3.9 Wmo 2015 kan er aanleiding om advies op te vragen. Zie verder Hoofdstuk 17 Advisering bij deze beleidsregels. 2.15Maatwerk Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Noordoostpolder komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; met gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. Passende bijdrage Bij de beslissing op de aanvraag om een maatwerkvoorziening gaat het om maatwerk. Uit de Wmo 2015 volgt dat de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dat wil zeggen dat het bij het bieden van maatwerk om een resultaatverplichting van het college gaat. Het resultaat kan op verschillende manieren worden bereikt. Daarom is het van groot belang dat het onderzoek zich richt op het bereiken van een resultaat. Dit in samenspraak met de cliënt, zijn eventuele mantelzorger of andere personen uit het sociaal netwerk. Het resultaat van de ondersteuning zal waar mogelijk én nodig zo veel mogelijk moeten aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van de cliënt zelf en zijn eventuele sociale omgeving. Niveau van maatschappelijke ondersteuning De verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in beleidsregels; het gaat immers om maatwerk. Het gaat erom dat de cliënt in redelijke mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie (CRVB:2022:224). 2.16Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening (Wet langdurige zorg) De Wmo 2015 kent slechts één weigeringsgrond (art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015). Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als: de cliënt een indicatie heeft op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), of een Wlz-indicatie kan krijgen maar daar geen aanvraag voor wil indienen. Geen Wlz-aanvraag willen indienen Een hogere bijdrage op grond van de Wlz, in vergelijking met de Wmo 2015, is geen reden om geen aanvraag op grond van de Wlz te doen. Het niet willen indienen van een aanvraag op grond van de Wlz, als er aanleiding is om aan te nemen dat zo’n aanvraag door het CIZ zal worden toegekend, leidt tot een afwijzing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening. Het college kan zonder Wlz-indicatie de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet vaststellen. Wet langdurige zorg en mantelzorg (kortdurend verblijf) Ook kan mantelzorg worden verleend aan een cliënt die thuis woont. Heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij deze krijgen, dan wordt een aanvraag om kortdurend verblijf geweigerd. Op grond van de Wlz bestaat namelijk aanspraak op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1 lid 1 onder g Wlz). 2.16.1Toegang Wlz verruimd Sinds 1 januari 2021 hebben verzekerden die vanwege een psychische stoornis blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg toegang tot de Wlz. Zij worden dan niet anders behandeld dan verzekerden met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap, of verzekerden met een somatische of psychogeriatrische beperking of aandoening. 2.16.2Verblijf in een Wlz-instelling In dit onderdeel staan een aantal aandachtspunten die van belang zijn bij de beoordeling van een aanvraag om maatwerkvoorziening van een cliënt die in een Wlz-instelling woont (al dan niet in deeltijd). Outillagemiddelen Wlz -instelling Er worden op grond van de Wmo geen outillagemiddelen verstrekt aan een client die in een Wlz-instelling verblijft. Voor de uitleg van het begrip outillage kan worden aangesloten bij het algemene spraakgebruik. Het gaat om datgene waarmee een Wlz-instelling is uitgerust ter operationalisatie van zijn doelstelling. De inrichting van een instelling moet zijn uitgerust met die standaardvoorzieningen die nodig zijn om de doelgroep waarop de instelling zich richt adequaat te kunnen verzorgen. Daarbij is van belang of de gevraagde voorziening door meerdere mensen, eventueel na elkaar en met een geringe individuele aanpassing, te gebruiken is of dat sprake is van een op het individu toegesneden voorziening, die alleen na een kostbare aanpassing door verschillende personen na elkaar te gebruiken is (CRVB:2013:CA0312 Wmo). Mobiliteitshulpmiddelen Sinds 1 januari 2020 is het Zorgkantoor verantwoordelijk voor mobiliteitshulpmiddelen (zoals een rolstoel en een scootmobiel) voor individueel gebruik voor verzekerden met een Wlz-indicatie die in een Wlz-instelling verblijven. Voor hen worden deze voorzieningen verstrekt vanuit de Wlz en niet meer vanuit de Wmo. Per die datum is ook art. 2.3 Regeling langdurige zorg gewijzigd waarmee het recht van verzekerden op het individueel gebruik van een mobiliteitshulpmiddel is verruimd. In dat artikel is een limitatieve opsomming van mobiliteitshulpmiddelen opgenomen. De Minister van VWS heeft wel afspraken gemaakt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Zorgverzekeraars Nederland dat gemeenten verantwoordelijk blijven voor onderhoud, aanpassing en reparatie van het vóór 1 januari 2020 verstrekte mobiliteitshulpmiddel tot aan het moment dat het hulpmiddel vervangen moet worden. Sociaal Vervoer Cliënten die in een Wlz-instelling wonen kunnen een maatwerkvoorziening sociaal vervoer aanvragen, zoals de Regiotaxi. Bedenk dat deze bewoners mogelijk aanspraak kunnen maken op een mobiliteitshulpmiddel voor individueel gebruik op grond van de Wlz (zie hiervoor). Deeltijdverblijf Wlz Deeltijdverblijf is een combinatie van thuis wonen en in een Wlz-instelling wonen. Met ingang van 1 januari 2020 is het eenvoudiger om deels thuis te wonen en daar Wlz-zorg te ontvangen en deels in een Wlz-instelling te wonen. Deeltijdverblijf maakt het mogelijk om langer thuis te blijven wonen en/of te wennen aan verblijf in een instelling. In de regelgeving is er niets geregeld bij deeltijdverblijf voor wat betreft hulpmiddelen. Het is de bedoeling om per categorie hulpmiddelen afspraken te maken over een verdeling van verantwoordelijkheden (www.regelhulp.nl). Bezoekbaar maken woning Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan: het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. Cliënten met een Wlz-indicatie die in een Wlz-instelling wonen kunnen een maatwerkvoorziening aanvragen voor het bezoekbaar maken van de woning zodat de cliënt op bezoek kan komen bij partner of kinderen. Bedenk ook dat de partner of kinderen ook bij de cliënt op bezoek kunnen gaan. Als uitgangspunt geldt dat de woning niet logeerbaar gemaakt hoeft te worden. Logeerbaar houden woning (bestuursafspraken) Het gaat hier om de vraag of het college een toekenningsbesluit voor bijvoorbeeld een tillift, toiletstoel of traplift, kan intrekken omdat de cliënt verhuist naar een Wlz-instelling (art. 2.3.10 lid 1 onder b Wmo 2015). Er gelden landelijke bestuursafspraken voor cliënten die in een Wlz-instelling gaan wonen en die minimaal 18 dagen per jaar thuis logeren. De eerder verstrekte hulpmiddelen kunnen thuis achterblijven. Het gaat hierbij om hulpmiddelen die redelijkerwijs niet vanuit de Wlz-instelling zijn mee te nemen. Het gaat om hulpmiddelen uit de Wmo 2015 en de Zvw. De hulpmiddelen uit de Wmo 2015 die mogelijk in aanmerking komen om thuis te blijven staan zijn vooral tilliften en douchezitjes/stoelen. De afspraken zijn: De uitvoering van deze afspraken zal plaatsvinden met zo weinig mogelijk administratieve lasten voor betrokkenen, in het bijzonder de hulpmiddelengebruiker en hun naasten. De hulpmiddelen blijven thuis staan als de cliënt de intentie heeft minimaal 18 dagen per jaar thuis te logeren. Voor de hulpmiddelen geldt het volgende: Het gaat uitsluitend om hulpmiddelen die op basis van de Wmo 2015 thuis al eerder zijn verstrekt (natura of pgb) op het moment van de verhuizing en niet redelijkerwijs vanuit de Wlz-instelling zijn mee te nemen in geval van thuis logeren. Het al dan niet kunnen meenemen van een hulpmiddel beoordeelt de Wlz-instelling in overleg met de cliënt (vertegenwoordiger), waarbij de woonsituatie thuis wordt meegewogen. Een traplift valt ook onder de afspraken, als dit hulpmiddel nodig is om thuis te logeren. Mobiliteitshulpmiddelen (zoals rolstoelen en aangepaste fietsen) worden niet op twee plekken verstrekt en vallen daarmee niet onder deze landelijke afspraken. Mogelijk vallen deze hulpmiddelen onder het verhuisconvenant dat is gesloten. Onderhoud, reparatie en het vervangen van de verstrekte hulpmiddelen thuis op een later moment door hulpmiddelen met dezelfde functionaliteiten vallen onder deze afspraken. Zolang de Wmo 2015 of de Wlz niet wijzigt, houdt het college zich aan deze landelijke afspraken. 2.16.3Samenloop Wlz en Wmo Volgens de CRvB kunnen de Wmo en de Wlz naast elkaar bestaan (CRVB:2018:3933). Dat wil zeggen dat het college verantwoordelijk kan zijn voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de verzekerde betrekking heeft op maatschappelijke participatie. Dat valt namelijk niet binnen de reikwijdte van de Wlz. Denk bijvoorbeeld aan sociaal vervoer. 2.16.4Uitzondering weigeringsgrond bij thuis wonen Er geldt één uitzondering op het kunnen weigeren van een aanvraag om een maatwerkvoorziening: voor de cliënt die thuis woont mag een aanvraag om een hulpmiddel of woningaanpassing (nog) niet worden geweigerd (art. 8.6a Wmo 2015). Voor huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, dagactiviteiten of kortdurend verblijf geldt de uitzondering niet. Het is van belang dat het college bij de melding van de ondersteuningsvraag onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie of zo’n indicatie heeft, tenzij er geen aanleiding is om dat aan te nemen. 2.16.5Thuis wonen Een cliënt met een Wlz-indicatie kan op een locatie (woning) wonen waar wonen en zorg gescheiden is. Dat wil zeggen dat een afzonderlijke huurovereenkomst is gesloten voor het wonen; de cliënt betaalt zelf huur en geniet huurbescherming. De Wlz-zorg wordt ambulant geboden. De cliënt kan in de woning blijven wonen ongeacht de aard en (toename van
- de)omvang van de benodigde Wlz-zorg of bij welke organisatie de cliënt de Wlz-zorg inkoopt. Voor cliënten die thuis wonen mag het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing niet weigeren (art. 8.6a Wmo 2015). 2.16.6Niet thuis wonen Is de zorg en het wonen onlosmakelijk met elkaar verbonden, dan is geen sprake van thuis wonen. Dat wil zeggen: de cliënt verliest zijn woonruimte als bijvoorbeeld de zorgvraag te groot is (RBOBR:2022:448, RBGEL:2023:4967). Het college is bevoegd de aanvraag voor een hulpmiddel of woningaanpassing af te wijzen onder toepassing van art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 (zie verder hierna). Bij twijfel vraagt het college de huurovereenkomst op bij de cliënt. Voorbeelden niet thuis wonen Uit het onderzoek blijken dat de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt. Cliënten met een Wlz-indicatie die niet thuis wonen (maar niet in een Wlz-instelling) kunnen een maatwerkvoorziening aanvragen: Voor het sociaal vervoer, zoals de Regiotaxi, of hulpmiddel of woningaanpassing). Het college onderzoekt of: in redelijkheid verwacht mag worden dat de ‘exploitant’ van het wonen zorgt voor de aanwezigheid van de noodzakelijke hulmiddelen en geschikte woonruimte. Mogelijk kan de cliënt de ‘exploitant’ daarop aanspreken, de exploitant van het wonen meerdere cliënten heeft die eenzelfde hulpmiddel nodig hebben. Mogelijk kan worden volstaan met het verstrekken van één hulpmiddel. 2.16.7Toepassingsvoorwaarden Eerst beoordeelt het college of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 is voldaan. Dat wil zeggen: heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij daarvoor in aanmerking komen. en zo ja, is er sprake is van een uitzondering als bedoeld in art. 8.6a Wmo 2015 (zie 2.16.4 Uitzondering weigeringsgrond bij thuis wonen van deze beleidsregels). Onderzoek De procedure van artikel 2.3.2 Wmo 2015 moet volledig worden doorlopen, zie 2.8 Stappenplan voor het onderzoek. Uit het onderzoek zal moeten blijken wat het doel, inhoud en omvang van de ondersteuningsvraag is en of er een noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015 bestaat. Daar kan sprake van zijn als de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt. Toepassing kan-bepaling Het college kan de maatwerkvoorziening weigeren: De cliënt heeft een tekort in zijn zelfredzaamheid of participatie die niet wordt gedekt door de Wlz. Weigeren maatwerkvoorziening is een bevoegdheid (geen verplichting om te verstrekken). Wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de maatwerkvoorziening te weigeren. 2.16.8Motivatie weigeren maatwerkvoorziening De beslissing op de aanvraag is gebaseerd op art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015. Daarbij heeft het college een zeer ruime beslisruimte (CRVB:2018:3933 en CRVB:2019:3171). Het gaat om de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de aanvraag om een maatwerkvoorziening, bij een behoefte die niet door de Wlz wordt gedekt, af te wijzen of toe te kennen. De belangen van de cliënt spelen een rol bij de motivatie (RBGEL:2023:4967). Passende bijdrage geldt niet Het gaat om een redelijkheidstoets. Er hoeft bij een toekenning in ieder geval niet te worden vastgesteld of de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie. 2.16.9Subsidie of natura-verstrekking woonvorm Het college kan er ook voor kiezen om een hulpmiddel te verstrekken aan de exploitant van de woonvorm, al dan niet in de vorm van een subsidie. Dit is te vergelijken met outillagemiddelen waarover een Wlz-instelling beschikt voor de bewoners. De exploitant kan het betreffende hulpmiddel voor meerdere cliënten gebruiken. Hoofdstuk3Beoordeling van de aanspraak Artikel 2.3.5 Wmo 2015 Hoofdstuk 4 Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 3.1Inleiding De cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Noordoostpolder kan aanspraak maken op ondersteuning van de gemeente Noordoostpolder. Door de toevoeging ‘zal hebben’ wordt cliënten niet de mogelijkheid ontnomen naar de gemeente Noordoostpolder te verhuizen. Dat staat ook in de begripsbepaling van hoofdverblijf in de Verordening. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met de aanwezige of redelijkerwijs te verwachten beperkingen. 3.2Algemene criteria In deze paragraaf komen de belangrijkste algemene criteria aan bod die van belang zijn bij de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening. 3.2.1Geen tekort in de zelfredzaamheid of participatie Uit het onderzoek kan blijken dat er geen tekort is in de zelfredzaamheid of participatie omdat de cliënt: al dan niet door een ergotherapeut gebruik kan (leren) maken van ergonomische hulpmiddelen, een juiste werkhouding aan te nemen en/of de huishoudelijke werkzaamheden in een rustig tempo verdeelt over de week uit te voeren (CRVB:2022:308, CRVB:2018:2272), met het gebruik van het OV in redelijke mate kan participeren (CRVB:2022:224), met de beschikbare voorzieningen (bijv. scootmobiel en/of gebruikerspas Regiotaxi) kan voorzien in de vervoersbehoefte (CRVB:2020:2644, CRVB:2021:511, CRVB:2021:3222). 3.2.2Eigen kracht De eigen kracht vormt een belangrijk onderdeel van de beoordeling of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Daaronder wordt dat verstaan wat volgens het college binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en/of participatie te komen. De cliënt zal zich, in een door het college te beoordelen mate, moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Dat is wat de wetgever voor ogen heeft gehad. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is echter niet verplicht. Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. 3.2.3Eigen verantwoordelijkheid is ook eigen kracht In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd en wordt daarom betrokken bij het onderzoek en de beslissing op aanvraag. Zelf of met anderen Als het college vindt dat de cliënt eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om ondersteuning afgewezen. Het spreekt voor zich dat het college dat telkens in het individuele geval moet beoordelen. In hoeverre medewerking of hulp kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is afhankelijk van de individuele situatie. Voorbeelden Tijdens het onderzoek (meestal een gesprek met de cliënt) kunnen allerlei oplossingen aan de orde komen die kunnen leiden tot het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Hierna staan een aantal voorbeelden genoemd wanneer de cliënt in staat kan worden geacht zijn zelfredzaamheid en/of participatie te verbeteren of op te lossen. De voorbeelden zijn ook gebaseerd op de jurisprudentie die onder de Wmo oud tot stand is gekomen en van toepassing zijn op de Wmo 2015. Herinrichting woning Van de cliënt kan worden verwacht dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht zodat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verstrekt (vergelijk CRVB:2011:BQ8290 en CRVB:2016:429). Aanspreken woningeigenaar Van de cliënt mag worden verwacht dat hij de woningeigenaar regelmatig met goede pogingen aanspreekt om gebreken in de woning te doen wegnemen. Denk bijvoorbeeld aan het oplossen van vocht en schimmelplekken. Is er mede gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van die gebreken, dan zal het college een maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming (verhuiskostenvergoeding) moeten verstrekken (CRVB:2013:2509). Is de aanvrager de eigenaar van de woning, dan zal hij dat zelf moeten realiseren. Privaatrechtelijke verbintenis Het college kan verlangen dat de cliënt een aanspraak op grond van een privaatrechtelijke verbintenis naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is gebruikelijk om te doen (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). Het gaat om de situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen. 3.2.4Feitelijk eigen kracht Uit het onderzoek kan blijken dat de cliënt de huishoudelijke taken verdeeld over de week in rustig tempo zelf kan (leren) uitvoeren (bijv. CRVB:2022:308, CRVB:2018:2272). De cliënt heeft in dat geval geen tekort in diens zelfredzaamheid of participatie (zie ook hiervoor). Om dat vast te stellen kan een deskundigenadvies nodig zijn, zie 2.14 Advisering van deze beleidsegels. 3.2.5Gebruik maken van een andere wet (voorliggende voorziening) Artikel 4.3 lid 2 onder a en 1.1 lid 1 onder w Verordening (begripsbepaling) Onder de 'eigen kracht' valt ook aanspraak maken op voorzieningen die op grond van een andere wettelijke regeling bestaan (CRVB:2023:1046). Volgens de CRvB heeft de wetgever op dit punt geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de Wmo (oud) en is de rechtspraak die eerder is gedaan ook van toepassing voor de Wmo 2015. Dat betekent ook dat evenmin recht op maatschappelijke ondersteuning bestaat als de specifieke regeling, zoals de Zvw, slechts in een gedeeltelijke vergoeding van de kosten voorziet door de eigen bijdrage die iemand moet betalen (CRVB:2013:CA1427). Dat is ook te vergelijken met de kosten van het verplicht eigen risico op grond van de Zvw. Ook de aanspraak op gelden met het oog op een specifieke bestemming valt onder de voorliggende voorziening, zoals een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (CRVB:2012:BV9433). Onderzoek aanspraak andere wet Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling en/of de Wmo 2015 (CRVB:2022:441, CRVB:2023:1046). Denk bijvoorbeeld aan een sta-op stoel die op grond van de Zvw verstrekt kan worden. Als dat nodig is, neemt het college contact op met bijvoorbeeld de zorgverzekeraar om duidelijkheid te krijgen over een mogelijke aanspraak op grond van de Zvw. Reële mogelijkheden van behandeling Behandeling op grond van de Zvw is geen voorliggende voorziening. Maar van de cliënt mag wel worden verwacht dat als er reële mogelijkheden van behandeling zijn, dat de cliënt daar gebruik van maakt en zich ten volle inspant om deze zo optimaal mogelijk te laten verlopen (CRVB:2023:1508). Denk aan (laagdrempelig toegankelijke) paramedische zorg als bedoeld in de Zvw vanwege lichamelijke of psychische klachten (CRVB:2011:BT7241, CRVB:2018:1444). Het college is dan niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken. Onderzoek maatwerkvoorziening en behandeling Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling. Maar ook of er daarnaast nog een behoefte is aan bijvoorbeeld begeleiding of huishoudelijke ondersteuning en of na de behandeling eventueel enige behoefte daarop zal blijven bestaan. 3.2.6Gebruik maken van ergotherapie Ergotherapie heeft als doel de zelfzorg en zelfredzaamheid te bevorderen of te herstellen. Bij ergotherapie is de behandeling gericht op het opheffen, verminderen of compenseren van lichamelijke of psychische stoornissen, beperkingen of handicaps. De ergotherapeut geeft advies, instructie of behandeling om weer algemene dagelijkse of arbeidsgerelateerde handelingen te kunnen doen en weer zo zelfstandig mogelijk te kunnen functioneren in zijn leefsituatie, woonsituatie of werksituatie. De Zvw (basis) dekt de kosten voor maximaal 10 behandeluren per kalenderjaar. Huishoudelijke ondersteuning Gebruik maken van ergotherapie kan de aanspraak op huishoudelijke ondersteuning voorkomen of de omvang daarvan verminderen. Het college onderzoekt, in samenspraak met een ergotherapeut, of dat het geval is of kan zijn. De cliënt is verplicht om medewerking te verlenen aan dat onderzoek maar ook om gebruik te maken van ergotherapie als dat de inzet van huishoudelijke ondersteuning voorkomt of vermindert. Dit geldt ook voor de huisgenoot. Verplicht eigen risico De kosten van ergotherapie vallen binnen het verplicht eigen risico. Dat is geen reden om geen gebruik te maken van ergotherapie. Immers iedereen die gebruik maakt van zorg kan met deze kosten worden geconfronteerd, het is inherent aan het zorgstelsel. Wordt er geen huishoudelijke ondersteuning verstrekt, dan is de cliënt ook geen maandelijkse eigen bijdrage (abonnementstarief) verschuldigd. De kosten van het verplicht eigen risico mogen betaald worden uit de tegemoetkoming meerkosten, zie Hoofdstuk 14 Tegemoetkoming meerkosten van deze beleidsregels. 3.2.7Algemeen gebruikelijke voorziening Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, volgens het college, met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De CRvB heeft in november 2019 een uitspraak gedaan met betrekking tot het begrip algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2019:3535). De CRvB geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De beoordeling Het college beoordeelt aan de hand van de vier genoemde punten of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat. 1. Niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking Bij het eerste criterium wordt bepaald of een voorziening specifiek bedoeld is voor de doelgroep van de Wmo 2015. Dat betekent (eenvoudig gezegd) dat iemand hierover beschikt of zou kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen (CRVB:2016:614). Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar. Bijvoorbeeld een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel in een bouwmarkt, een elektrische fiets, een robotstofzuiger, een spoel-föhn installatie of een boodschappendienst bij de supermarkt. 2.Daadwerkelijk beschikbaar Bij het tweede criterium geldt dat als de voorziening niet daadwerkelijk beschikbaar is voor de aanvrager, deze niet als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden aangemerkt. Een boodschappenservice moet bijvoorbeeld wel door de supermarkt worden geboden. 3.Levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is Bij het derde criterium gaat het om maatwerk. Dat wil zeggen: er wordt bekeken of de beoogde algemeen gebruikelijk voorziening een passende bijdrage levert aan de situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Een elektrische fiets kan bijvoorbeeld een passende bijdrage zijn. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de cliënt. De boodschappendienst moet bijvoorbeeld wel gebruikt kunnen worden door de cliënt gelet op diens beperkingen. 4.Kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Onder een minimum inkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan. Het vierde en laatste criterium gaat over de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening. Het gaat bij de hoogte om de ondergrens van een inkomen op minimumniveau: Er wordt dus niet gekeken of de persoon van de aanvrager het kan betalen. Voor de “eenmalige” aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert het college het volgende beleidsuitgangspunt. Hoogte van de kosten Het bedrag dat kan worden gedragen met een minimum inkomen is gebaseerd op: de aflossingsduur van 36 maanden die in Noordoostpolder geldt voor leenbijstand in de vorm van bijzondere bijstand (gebruiksgoederen); een aflossing van 5% van de norm voor personen (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden, art. 21 van de Participatiewet). Er wordt bij de norm geen onderscheidt gemaakt tussen personen die wel of niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben. Het percentage van 5% sluit aan op dat wat buiten de beslagvrije voet valt. Aansluiting op deze systematiek is in de rechtspraak redelijk bevonden (RBDHA:2021:2084, RBDHA:2022:5272). Datum aanvraag De datum van de aanvraag is bepalend voor welke bijstandsnorm wordt toegepast voor de berekening. Berekening alleenstaande of alleenstaande ouder 5% van de bijstandsnorm € 1.216,62 [bedrag per 1 juli 2023] = € 60,83 x 36 maanden = € 2.189,88. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 januari of 1 juli. Dat zijn de momenten waarop de bijstandsnormen worden aangepast. Rekenvoorbeeld Cliënt dient een aanvraag in voor een maatwerkvoorziening. Uit onderzoek is gebleken dat een elektrische fiets een passende oplossing is. De fiets kost € 1.525,00. De kosten zijn lager dan € 2.189,88 [bedrag geldt per 1 juli 2023] en komt daarom niet voor verstrekking in aanmerking. Is de cliënt binnen 36 maanden opnieuw aangewezen op een maatwerkvoorziening en dan resteert voor een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening nog een bedrag van € 664,88 (€ 2.189,88 minus € 1.525,00). Het gaat om eenmalige aanschafkosten en niet de periodieke kosten van bijvoorbeeld de maaltijdservice of boodschappendienst. Tweedehands en inruil Een tweedehands elektrische fiets kan ook als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Net als voor een nieuwe elektrische fiets moet bij een tweedehands ook worden voldaan aan ‘kwaliteitseisen’. Bij de aankoop bij een reguliere fietsenhandelaar kan daar van uit worden gegaan maar de afschrijvingstermijn zal wel korter zijn. Verder kan het zijn dat de cliënt een korting krijgt op de aanschaf wegens inruil. Het college houdt dan het bedrag minus de korting aan. Meerkosten Het kan ook voorkomen dat het college alleen de noodzakelijke meerkosten bij een algemeen gebruikelijke voorziening verstrekt. Het gaat dan om (een deel van) de voorziening die specifiek voor personen met een beperking bestemd is. Voorbeelden hiervan zijn: De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles. Geveerde zijwielen aan een fiets. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. Kosten Tafeltje Dekje, maaltijdservice Gebruikmaking van Tafeltje Dekje of een andere maaltijdservice kan voor een cliënt een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin hij/zij in staat is tot zelfredzaamheid. De kosten van een maaltijd behoren tot de algemene kosten van het bestaan en zijn, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen worden gemaakt, niet zodanig dat deze in financiële zin niet passend zijn (CRVB:2018:2182). Voor de meerkosten, bijvoorbeeld de bezorgkosten kan een aanvraag om bijzondere bijstand worden gedaan. Het op deze manier invulling geven aan de ondersteuningsplicht, zodat de kosten financieel draagbaar zijn, is een aanvaardbare keuze (CRVB:2014:1403, CRVB:2015:97). Zowel deze maaltijden als ook de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt kunnen een voorliggende oplossing zijn. Kosten boodschappendienst Een boodschappendienst kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat (CRVB:2019:3690, CRVB:2019:397). Bezorgkosten van een boodschappendienst die bijvoorbeeld € 4,95 per keer bedragen waarbij een minimum bestelbedrag van € 70 geldt kunnen in ieder geval worden gedragen uit een inkomen op minimumniveau (CRVB:2017:1302). Bedenk ook dat bepaalde boodschappen opgespaard kunnen worden. Besteding pgb Het spreekt voor zich dat de cliënt het pgb niet mag besteden aan een algemeen gebruikelijke voorziening (zie art. 9.2 lid 1 Verordening). 3.2.8Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp heeft alleen betrekking op personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen (zie begripsbepalingen van de Verordening). Als volgens het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat er geen (of slechts gedeeltelijk) aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie verder Hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels. 3.2.9Mantelzorg en hulp van personen uit het sociale netwerk Mantelzorg is niet afdwingbaar; het is vrijwillig en wordt onbetaald geboden. Maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie door de cliënt. Het is ook van groot belang dat het college tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zo ja welke behoefte de mantelzorger heeft aan hulp zodat de taken kunnen worden volgehouden. Zie verder Hoofdstuk 5 Mantelzorg van deze beleidsregels. Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Daaronder kunnen een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot, geregistreerd partner of andere personen vallen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociale netwerk is niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie worden verminderd of weggenomen. 3.2.10Gebruikmaking algemene voorzieningen De Wmo 2015 geeft het college opdracht om algemene voorzieningen te treffen. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Algemene voorzieningen zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). De wetgever heeft met algemene voorzieningen beoogd dat het in de daarvoor geschikte situaties een voorliggend en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 34). Algemene voorzieningen kunnen ook een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren (TK 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 21). Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening voor de cliënt als passende oplossing kan worden aangemerkt. Daarvoor hoeft de cliënt geen aanvraag in te dienen; gebruikmaking van algemene voorzieningen kan zonder indicatie. 3.2.11Overige voorliggende oplossingen In 2.7 Onderwerpen van het onderzoek van deze beleidsregels staat wat het college onderzoekt als de cliënt zijn ondersteuningsvraag heeft gemeld. Daarin staat ook het wettelijk beoordelingskader volgens het stappenplan van de CRvB waarop de beslissing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt gebaseerd. Beschikbare voorliggende oplossingen Andere beschikbare voorliggende oplossingen in Noordoostpolder vallen ook onder het beoordelingskader. Het zal namelijk niet altijd zo zijn dat het college alle beschikbare mogelijkheden heeft gecontracteerd als algemene voorziening. Het zal wel duidelijk moeten zijn waaruit deze bestaan, zodat vastgesteld kan worden of het een passende oplossing is. Denk bijvoorbeeld aan een inloopmiddag bij een buurthuis die dagbestedingsactiviteiten organiseert of vrijwilligers die als boodschappenmaatje kunnen fungeren. Het kan ook gaan om vrijwilligers bij een manege. Denk in dat kader ook aan een rijinstructeur die een cliënt kan helpen (CRVB:2018:3348). Wanneer het gaat om vrijwilligers zal het college ook moeten vaststellen dat zij beschikbaar en geschikt zijn. 3.3Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget Artikel 4.4 Verordening 3.3.1Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór de melding Het kan voorkomen dat de melding van de ondersteuningsvraag pas wordt gedaan nadat de cliënt de maatwerkvoorziening heeft gerealiseerd. Bijvoorbeeld de badkamer is aangepast en pas daarna wendt de cliënt zich met een ondersteuningsvraag tot het college. Er is op dat moment voorzien in de behoefte. Omdat de Wmo 2015 niet voorziet in een grondslag, bepaalt de Verordening dat de maatwerkvoorziening in die situatie wordt geweigerd (CRVB:2020:1099). In de praktijk zal het gaan om een verzoek de gemaakte kosten te vergoeden want een (gerealiseerde) maatwerkvoorziening in natura kan niet terugwerkende kracht worden verstrekt. Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). 3.3.2Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór besluitname Het kan ook voorkomen dat de cliënt een maatwerkvoorziening realiseert tijdens de procedure van de melding maar voordat is beslist op de aanvraag. Dat wil zeggen: de cliënt heeft de beslissing van het college op de aanvraag niet afgewacht. In zo’n situatie wordt de maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) alleen verstrekt als de cliënt het college om toestemming heeft gevraagd en die toestemming schriftelijk heeft verkregen. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt een woning kan verkrijgen en de normale procedure niet kan afwachten omdat de woning dan aan iemand wordt toegewezen of verkocht. 3.3.3Niet gerealiseerd, noodzaak achteraf vaststellen Er kan ook sprake zijn van een nog niet gerealiseerde maatwerkvoorziening voordat de cliënt zijn ondersteuningsvraag heeft gemeld of het college heeft beslist op de aanvraag. Echter door zich niet eerder te melden kan het zijn dat het college de mogelijkheid is ontnomen om nog te kunnen beoordelen of er een noodzaak is voor een maatwerkvoorziening. En zo ja, welke. Kan het college de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan het college overgegaan tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening, al dan niet in de vorm van een pgb die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de cliënt al is begonnen met het aanpassen van de badkamer door het bad te verwijderen. De vraag is of het college op dat moment nog, aan de hand van bijvoorbeeld bouwtekeningen of foto’s, kan vaststellen dat de al in gang gezette aanpassing noodzakelijk was, en zo ja wat de goedkoopst passende bijdrage is. 3.3.4Aanpassing zelf aangeschaft hulpmiddel Het kan voorkomen dat de cliënt zelf een hulpmiddel heeft aangeschaft en een melding doet voor een aanpassing van dat hulpmiddel. De omstandigheid dat het om een zelf aangeschaft hulpmiddel gaat wil niet zeggen dat een aanpassing daarvan niet voor verstrekking in aanmerking kan komen als die nog niet is gerealiseerd (zie hiervoor). Het college beoordeelt in zo’n situatie of het betreffende hulpmiddel noodzakelijk is en zo ja, of dat ook geldt voor de aanpassing. 3.3.5Nieuwe pgb-aanvraag binnen budgetperiode Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de budgethouder, al dan niet met hulp van diens vertegenwoordiger, verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode. Ruimte in de besteding Een cliënt kan zich echter binnen de budgetperiode opnieuw melden. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:3102, CRVB:2018:819, CRVB:2009:BK2502). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gegaan, dan verstrekt het college niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818). Rekening en risico budgethouder Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door de budgethouder gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen namelijk voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als de maatwerkvoorziening weliswaar verloren is gegaan maar dat niet aan de budgethouder is te wijten. Ook bij gewijzigde omstandigheden in de ondersteuningsbehoefte zal er geen aanleiding zijn om een pgb op voorhand te weigeren. 3.3.6Ingangsdatum diensten Wordt een aanvraag gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, die al door de cliënt is gerealiseerd, kan er wel een indicatie voor een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Er wordt in principe niet met terugwerkende kracht geïndiceerd (zie hiervoor en vergelijk CRVB:2019:772). Dit laat overigens onverlet dat de inzet van een maatwerkvoorziening in natura bij spoedeisende gevallen onverkort van toepassing blijft. 3.3.7Technisch geschikte maatwerkvoorziening De ondersteuningsvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschaft hulpmiddel, zoals een scootmobiel of een tillift. Is de budgetperiode verstreken, dan geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de eerder met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor reële instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om (aangeschafte) maatwerkvoorzieningen die technisch gezien nog niet zijn afgeschreven. Dat wil zeggen ze nog voldoen in de zin van kwaliteit én het resultaat dat bereikt moet worden. De strekking van deze bepaling gaat ook over de maatwerkvoorziening in natura. 3.3.8Afdoende verzekeren Neemt de cliënt een maatwerkvoorziening (al dan niet aangeschaft met een pgb) mee naar het buitenland, dan is hij/zij verantwoordelijk een afdoende verzekering af te sluiten tegen verlies, schade of diefstal. In de praktijk zal het meestal gaan om een hulpmiddel zoals een rolstoel. De kosten vallen binnen het pgb of komen voor rekening van het college in geval van een maatwerkvoorziening in natura. 3.3.9Afsluiten opstalverzekering Het is van belang dat de te verzekeren waarde van de woning dan wel de waarde van de verstrekte woningaanpassing is gedekt voor het risico van schade. Daarom zal de cliënt aan wie een woningaanpassing voor de eigen woning is verstrekt, al dan niet in de vorm van een pgb, moeten zorgen voor een (aangepaste) opstalverzekering. 3.3.10Risicosfeer Artikel 4.3 lid 2 onder d Verordening Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven van de cliënt. In voorkomende gevallen betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd. Het gaat in ieder geval over keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het college kunnen worden tegengeworpen (vergelijk CRVB:2014:1161 en CRVB:2013:BZ7735). Specifieke bepalingen Artikel 7.4 Verordening In dit artikel is nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woningaanpassingen of een traplift. Denk bijvoorbeeld aan de aankoop van een woning die niet geschikt is in verband met de iemands beperkingen of verhuizen naar een woning waarvan te voorzien is dat daarin beperkingen zullen worden ondervonden (CRVB:2019:2951, CRVB:2019:290). Dat is bijvoorbeeld het geval als de cliënt rolstoelgebruiker is en verhuist naar een woning met een trap maar zonder traplift. Zie verder Hoofdstuk 10 Ondersteuning gericht op het wonen en in en om de woning verplaatsen van de beleidsregels. 3.4Primaat collectieve maatwerkvoorziening Artikel 5.2 lid 1 Verordening De hoofdregel volgens de Verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals collectief vervoer (Regiotaxi). Bij de beoordeling door het college of het primaat kan worden toegepast, wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Het genoemde primaat was al bekend onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de Wmo 2007. De Regiotaxi kan in de omstandigheden van het individuele geval bijvoorbeeld als passende bijdrage worden aangemerkt om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie. 3.5Kortdurend en ontwikkelingsgericht Artikel 5.2 lid 2 en 3 Verordening De maatwerkvoorziening kan ook voor een kortdurende periode worden verstrekt. De maatwerkvoorziening wordt dan ontwikkelingsgericht verstrekt hetgeen aansluit bij de bedoeling van de wetgever. Met ontwikkelingsgerichte ondersteuning wordt beoogd de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt te versterken, verbeteren of behouden. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen, voorliggende voorzieningen of andere voorliggende oplossingen worden verstaan. Verder kan kortdurende ondersteuning ook aan de orde zijn als degene van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd dat (nog) niet kan, maar dat wel kan leren. 3.6Geheel aan maatregelen Onder omstandigheden kan een maatwerkvoorziening ook een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen zijn. Daarbij kan het gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om op maat voor iemand bedachte oplossingen. Deze kunnen ook betrekking hebben op de afstemming van de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015. 3.7Eigen bijdrage Artikel 10.1 lid 4 Verordening Cliënten aan wie één of meerdere maatwerkvoorzieningen is verstrekt zijn daarvoor een bijdrage in de kosten verschuldigd: het abonnementstarief. Het gaat om een vast bedrag per maand, ongeacht het aantal maatwerkvoorzieningen. Het abonnementstarief wordt door het CAK altijd volledig in rekening gebracht. Het kan voorkomen dat een cliënt tijdelijk geen gebruik maakt van de maatvoorziening. Het valt binnen de beleidsvrijheid van het college om te bepalen of het abonnementstarief wordt opgeschort bij tijdelijke niet-gebruik (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 155-157). Artikel 10.2 Verordening Cliënten die gebruik maken van beschermd wonen zijn een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten verschuldigd die wordt berekend op basis van de regels in het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Indexering Het abonnementstarief is per 1 januari 2024 geïndexeerd en de parameters in de berekening van de inkomensafhankelijke bijdragen voor beschermd wonen zijn geïndexeerd (Stcrt. 2023 nr. 25444). Artikel 10.5 Verordening Artikel 3.8 Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Cliënten die gebruik maken van de algemene voorziening wasservice zijn een bijdrage in de kosten verschuldigd aan de aanbieder. De bijdrage voor de algemene voorziening wasservice is gebaseerd op gebruikelijke kosten van het wassen en drogen van de was volgens de Nibudprijzengids 2023-2024. Die bedragen zijn lager dan de prijzen die het Nibud hanteert op hun algemene website. Het gaat om kosten die ieder huishouden maakt. Dat is ook de reden waarom deze bijdrage niet gelijk is aan het abonnementstarief en ook naast het abonnentstarief kan bestaan (TK 2018/19, 35 093, nr. 6, p. 17). Hoogte van de bijdrage wasservice De hoogte van de wekelijkse bijdrage in de kosten is gebaseerd op de Nibudprijzengids 2023-2024 voor het wekelijks wassen en drogen van de was per waszak. Het gaat om variabele bijdragen die in het voordeel zijn van de cliënt. 3.7.1Beleidsuitgangspunten tijdelijk niet gebruik Abonnementstarief Als uitgangspunt geldt dat het abonnementstarief wordt opgeschort bij het niet-gebruik van de maatwerkvoorziening van drie maanden of meer waarvoor het abonnementstarief verschuldigd is. Het gaat dus niet om situaties waarin meerdere maatwerkvoorzieningen zijn verstrekt en slechts één daarvan tijdelijk niet wordt gebruikt. Beschermd wonen Verblijft een cliënt met een indicatie voor beschermd wonen tijdelijk elders maar de plek blijft wel voor de cliënt beschikbaar (bezet), dan blijft de eigen bijdrage verschuldigd. 3.7.2Bijdrage niet verschuldigd Het college is bevoegd om te bepalen dat de cliënt (tijdelijk) geen eigen bijdrage verschuldigd is (art. 3.8 lid 3 onder g en h Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Tijdelijk geen betalingscapaciteit Het gaat om cliënten die tijdelijk door (abrupte) veranderingen in de betalingscapaciteit door bijvoorbeeld bijzondere omstandigheden geen mogelijkheid hebben de bijdrage (tijdelijk) te voldoen. De bevoegdheid is nadrukkelijk bedoeld voor het ontbreken van betalingscapaciteit en niet het ontbreken van inkomen en vermogen. Dat betekent dat iemand geen beschikking heeft over voldoende vrij besteedbaar inkomen om aan de betalingsverplichtingen te voldoen. Het college berekent de betalingscapaciteit op basis van de individuele situatie. Deze bevoegdheid geldt sinds 1 januari 2018 toen de eigen bijdrage nog inkomensafhankelijk was. Gelet op de hoogte van het abonnementstarief zal zelden sprake van zijn van het ontbreken van betalingscapaciteit. Het hebben van schulden valt niet onder het ontbreken van betaalcapaciteit. Zorgmijders Het gaat bij zorgmijders specifiek om cliënten die de stap naar ondersteuning niet kunnen of willen maken. Meestal is er sprake van een vorm van verwaarlozing. Het kan voorkomen dat het vragen van een eigen bijdrage maakt dat de stap naar ondersteuning niet wordt gezet. Dat wil zeggen: het opleggen van een eigen bijdrage heeft nadelige gevolgen voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in Noordoostpolder. In die gevallen kan het college besluiten om tijdelijk geen eigen bijdrage op te leggen. 3.8Regresrecht Artikel 2.4.3 Wmo 2015 Een onrechtmatige daad is in het burgerlijk recht de term voor een fout die een ander schade berokkent. In het algemeen betekent dit dat degene die een onrechtmatige daad heeft begaan, ervoor verantwoordelijk is de hieruit voortkomende schade te vergoeden. Door een onrechtmatige daad kan een cliënt aangewezen zijn op een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de gevolgen van een ongeval. Regres plegen Het college heeft de bevoegdheid regres te plegen en de schade te verhalen op degene die de onrechtmatige daad heeft begaan. De datum van de onrechtmatige daad is bepalend: plaatsgevonden op of ná 1 januari 2019. Daarvoor waren convenanten van toepassing op grond waarvan gemeenten geen zelfstandig regres hoefden te plegen. Erkenning van de onrechtmatige daad kan overigens een langdurige kwestie zijn. Het college kan vanzelfsprekend niet meer verhalen dan wat daadwerkelijk aan de client is verstrekt. Het ligt overigens voor de hand dat de client zelf ook een procedure voert om overige geleden schade te verhalen op de aansprakelijke partij of diens verzekeraar. Erkenning onrechtmatige daad Op het moment dat de onrechtmatige daad wordt erkend, kan de aansprakelijke partij of diens verzekeraar voorschotten verstrekken. Op dat moment hoeft het college geen maatwerkvoorziening te verstrekken. Gebruik formulier Het college kan ook gebruik maken van het model-schadeformulier voor de declaratie van regreskosten. Het formulier is beschikbaar via de website van de VNG. Hoofdstuk4Gebruikelijke hulp Artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 (begripsbepaling) Artikel 1.1 lid 1 onder g, n en z Verordening (begripsbepalingen) Artikel 4.2 Verordening (beoordeling aanspraak) 4.1Inleiding Gebruikelijke hulp is in de Wmo 2015 gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Gebruikelijke hulp strekt zich daarom alleen uit tot personen die met de cliënt woonachtig zijn in een woning. De zogeheten leefeenheid bestaat uit de bewoners die gemeenschappelijk een woning bewonen met het oog op gezamenlijk een huishouden te voeren. Onder een huisgenoot wordt iedere andere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt kan worden gerekend. Dat wil zeggen dat volwassen huisgenoten alleen bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie geen deel uitmaken van de leefeenheid. Het gaat om personen die een (pension)kamer huren via een (huur)overeenkomst. In zo’n overeenkomst kan overigens wel staan dat ruimten voor gemeenschappelijk gebruik door de huurder of kostganger moeten worden schoongehouden. In dat geval stemt het college de omvang van de ondersteuning daarop af. Dat wil overigens niet zeggen dat als er geen contractuele bepalingen zijn opgenomen over het schoonmaken, dat het college meer huishoudelijke ondersteuning moet verstrekken. Voor zover er sprake is van meer vervuiling vanwege intensiever gebruik door de huurder of kostganger, dan valt dat buiten de omvang van de indicatie. 4.2Beleidsuitgangspunten In de Wmo 2015 staat voorop dat door het college allereerst wordt bezien of en in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen (beperkingen) op te lossen of te verminderen. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, geregistreerde partner, zij die een gezamenlijke huishouding voeren, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen binnen de leefeenheid (het huishouden), zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich brengt. Gebruikelijke hulp is dan ook de normale, dagelijkse hulp die de hiervoor genoemde huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. In dit hoofdstuk wordt verder de term partner gebruikt. Daarmee wordt bedoeld: echtgenoot, geregistreerde partner of zij die een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 1.1.2 Wmo 2015. 4.3Objectief afwegingskader Artikel 4.2 Verordening Objectief wegingskader Het is wenselijk om een objectief afwegingskader vast te stellen wat betreft de afbakening en inzet van gebruikelijke hulp om te voorkomen dat in voorkomende gevallen sprake is van toeval of van willekeur. Onderzoek Tijdens het onderzoek worden de problemen geïnventariseerd die de cliënt heeft in zijn zelfredzaamheid en/of participatie. Op basis van die inventarisatie beoordeelt het college of er ondersteuning nodig is en zo ja, welke (zie Hoofdstuk 2 Procedure van deze beleidsregels). Pas dan kan op juiste wijze worden vastgesteld of gebruikelijke hulp mag worden verwacht van huisgenoten (bijv. CRVB:2018:3243 en CRVB:2018:3108). Verordening De Verordening bepaalt dat het college bij het afwegingskader in ieder geval rekening houdt met: De aard en omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Dat is nader uitgewerkt in 4.4 Algemeen aanvaardbare opvattingen en 4.5 In redelijkheid te verwachten van huisgenoten in dit hoofdstuk. Daarbij geldt dat van partners in redelijkheid meer hulp worden verwacht dan van bijvoorbeeld kinderen aan hun ouders of van andere huisgenoten (RBLIM:2022:7897). 4.4Algemeen aanvaardbare opvattingen Onder hulp die op grond van algemeen aanvaardbare opvattingen geacht wordt geboden te kunnen worden valt in ieder geval: Overname van huishoudelijke taken, Overname van of hulp bij de thuisadministratie, hulp gericht op zelfzorg, hulp bij het doen van aankopen, hulp bij structureren van de dag/week, hulp bij participatie, Legen en reinigen van de toiletemmer, Zorg voor minderjarige inwonende kinderen. Het gaat bij gebruikelijke hulp om niet-professionele ondersteuning die niet per se door een professional geboden hoeft te worden (bijv. CRVB:2021:1114). Daarom wordt in dit hoofdstuk de term hulp gebruikt. Verder is geen limitatieve opsomming beoogd. Andere ondersteuning kan volgens het college ook onder algemene aanvaardbare opvattingen vallen. 4.5In redelijkheid te verwachten van huisgenoten Artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 (begripsbepaling) Artikel 4.2 Verordening In redelijkheid Of in redelijkheid mag worden verwacht dat huisgenoten gebruikelijke hulp bieden is afhankelijk van de individuele situatie. Als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, zal het college vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de gebruikelijke hulp te bieden over te nemen. De individuele situatie gaat in ieder geval over: de beschikbaarheid van de huisgenoot voor de niet-uitstelbare taken, mogelijke overbelasting van de huisgenoot, de (totale) omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Voor de vaststelling of de huisgenoot in staat is tot het bieden van gebruikelijke hulp kan het college bijvoorbeeld om advies vragen (zie Hoofdstuk 17 Advisering van deze beleidsregels). 4.5.1Aard van de ondersteuningsbehoefte De aard van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). Het college houdt rekening met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt (art. 4.2 Verordening). Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en andere huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. In het algemeen wordt ook verwacht dat aan personen van het sociaal netwerk, uitleg wordt gegeven in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc. Dit voor zover het niet-professionele hulp betreft. Niet beheersen Nederlandse taal Het (nog) niet beheersen van de Nederlandse taal is geen beperking in de zin van de Wmo. Het kan wel voorkomen dat dit een probleem oplevert bij het bieden van gebruikelijke hulp. Het college wijst de cliënt en degene van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht op de mogelijkheden. Denk aan een tolk of cliëntondersteuning. 4.5.2Omvang van de ondersteuningsbehoefte Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). De vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning is daarbij ook van belang. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op: hulp bij het vervoer, de administratie of aansporing bij zelfzorg. De omvang van de hulp kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit, etc. De totale omvang (en aard) van de ondersteuningsbehoefte kan met zich meebrengen dat een deel van de taken of activiteiten niet als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt. Dat deel wordt als boven-gebruikelijke hulp aangemerkt. Zijn er geen andere oplossingen beschikbaar, dan moet het college een maatwerkvoorziening verstrekken. 4.5.3Leerbaarheid cliënt of huisgenoot Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd om huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. 4.5.4Overname van huishoudelijke taken Voor huishoudelijke ondersteuning (schoonmaakondersteuning) geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten de huishoudelijke taken overnemen als een andere huisgenoot deze niet kan uitvoeren. Dit uitgangspunt is in lijn met de vaste rechtspraak van de CRvB (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721 en CRVB:2017:4476). Dat wil zeggen dat geen rekening wordt gehouden met de aard van de relatie die de cliënt heeft met de huisgenoot. Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp. Uitgangspunten: Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Kinderen tussen 5 en 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden zoals: opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand doen. Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken, hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Ook kunnen zij geïnstrueerd worden was te sorteren, de wasmachine of wasdroger aan te zetten en de was op te vouwen en op te ruimen. Kinderen vanaf 18 jaar kunnen de huishoudelijke taken binnen de leefeenheid overnemen. Kind zijn De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder het omgaan met leeftijdgenoten, het doen aan vrijetijdsbesteding en de schoolprestaties (TK 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 116). Het college let in het bijzonder op de situatie van jonge mantelzorgers en zorgt er zo mogelijk voor dat zij worden uitgenodigd bij het onderzoek. 4.5.5Jonge mantelzorgers Jonge mantelzorgers zijn kinderen en jongeren die opgroeien met een familielid dat chronisch ziek of gehandicapt is of een psychische aandoening heeft. Deze situatie kan een grote impact hebben op hun leven. Zij helpen omdat ze zich verantwoordelijk voelen voor het reilen en zeilen van het gezin en nemen daarbij vaak taken en verantwoordelijkheden op zich die niet altijd passen bij gewoon kind zijn. Ook kan het kind na verloop van tijd de rol van de ouder aannemen binnen het gezin. Ondersteuning (jonge) mantelzorger Carrefour biedt ondersteuning aan (jonge) mantelzorgers in Noordoostpolder. Het college wijst de (jonge) mantelzorger op deze ondersteuning, ook als huishoudelijke ondersteuning wordt ingezet. Overbelasting (dreigende) overbelasting Het college kan (tijdelijk) huishoudelijke ondersteuning verstrekken als uit onderzoek blijkt dat de (jonge) mantelzorger overbelast is of dreigt te geraken. Zie Bijlage 1 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels. 4.5.6Overname van of hulp bij de thuisadministratie Voor overname van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten deze taak van elkaar overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. CRVB:2021:1114, RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072). Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval: de postverzorging, de betaling van rekeningen en dergelijke. Van een inwonend meerderjarig kleinkind mag bijvoorbeeld worden verwacht dat hij, naast de huishoudelijke taken ook de thuisadministratie van oma overneemt (CRVB:2021:1114). Daaronder zou ook de aansporing kunnen vallen in de zin van het helpen herinneren of dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen. In die situatie biedt de huisgenoot ondersteuning bij de thuisadministratie. Het bieden van gebruikelijke hulp moet overigens niet verward worden met personen die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt. 4.5.7Hulp gericht op zelfzorg Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van partners mag worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen: het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel moeten activeren van de cliënt; dat valt onder professionele ondersteuning. Een aantal adl-activiteiten gaat partners beiden aan en valt alleen al om die reden onder de gebruikelijke hulp die zij elkaar geacht worden te bieden, zoals het eten en drinken. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(
- s)aansporen tot zelfzorg. 4.5.8Hulp bij het doen van aankopen Van partners wordt in ieder geval verwacht dat zij elkaar hulp bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is of daar hulp bij nodig heeft. Denk bijvoorbeeld aan: kleding kopen, vakantie boeken, boodschappen doen of andere normale aankopen. Daarmee is nadrukkelijk niet uitgesloten dat van meerderjarige inwonende kinderen niet ook mag worden verwacht dat zij hun ouder(
- s)incidenteel hulp bieden bij bijvoorbeeld het boodschappen doen. 4.5.9Hulp bij structureren van de dag/week Van partners wordt verwacht dat zij elkaar hulp bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. De hulp kan bestaan uit het bespreken van een dag-of weekplanning (vergelijk CRVB:2021:823). Daarin staat bijvoorbeeld de volgorde waarin activiteiten plaats vinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan: Bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist, e.d., Regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, uitvoeren van huishoudelijke taken, e.d., Bezoek aan familie, Deelname aan dagactiviteiten (brengen en/of opgehaald worden). Er is geen limitatieve opsomming beoogd. Het gaat om activiteiten die kunnen gaan over het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. De hulp heeft een niet-professioneel karakter. In geval van ouders en hun meerderjarige inwonende kinderen overlegt het college met alle betrokkene wat redelijk is om als gebruikelijke hulp te bieden (vergelijk CRVB:2018:3243). 4.5.10Hulp bij participatie Is vastgesteld dat de cliënt beperkingen heeft in de participatie, dan mag van partners of andere huisgenoten worden verwacht daar gebruikelijke hulp bij te bieden. Denk bijvoorbeeld aan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook hulp (meegaan) bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. In het algemeen geldt dat van partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders (RBLIM:2022:7897). Dat wil echter niet zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind niet mag worden verwacht dat het incidentele vervoer of hulp (meegaan) bij het vervoer aan de cliënt wordt geboden. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen. Vervoer en hulp bij vervoer Of het vervoer of de hulp (meegaan) bij vervoer als gebruikelijke hulp geboden kan worden is mede afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en dan met name de frequentie. Verder wordt rekening gehouden met een individuele vervoersbehoefte van de cliënt, zie verder 4.7 Geen gebruikelijk hulp in dit hoofdstuk. Het college kan bij het verstrekken van een vervoersvoorziening rekening houden met de gebruikelijke hulp die bij het vervoer geboden kan worden. Bijvoorbeeld een gebruikerspas voor de Regiotaxi verstrekken in plaats van individueel (rolstoel)taxivervoer. Ook bij het bezit van een eigen auto kan sprake zijn van gebruikelijke hulp. Dat wil zeggen dat in zo’n situatie geen financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de auto verstrekt hoeft te worden. Begeleider Regiotaxi Een verplichte begeleider (medisch begeleider) mag gratis met de Regiotaxi mee. Ook als de cliënt in het bezit is van een geldige OV-begeleiderskaart, dan kan diens begeleider gratis mee. Een sociale begeleider betaalt net als de cliënt het gereduceerde tarief (de ritbijdrage). Los van de vraag of er sprake is van gebruikelijke hulp, het volgende. Er geldt geen ondersteuningsplicht voor het college om begeleiding toe te kennen zodat gebruik gemaakt kan worden van de Regiotaxi. 4.5.11Legen en reinigen van de toiletemmer Is er geen noodzaak voor het verstrekken van een tweede toilet op de eerste verdieping, dan kan worden volstaan met losse toiletstoel. Van partners en inwonende meerderjarige kinderen mag worden verwacht dat zij het legen en reinigen van de toiletemmer als gebruikelijke hulp verrichtten (CRVB:2019:1334). Dat is natuurlijk anders als wordt vastgesteld dat zij niet in staat zijn om dat te doen. 4.5.12Zorg voor minderjarige inwonende kinderen Ouders hebben een plicht en het recht om hun minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en te onderhouden (art. 1:247 en 1:395a van het Burgerlijk Wetboek). Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(
- s)strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(
- s)normaal gesproken geeft aan het kind, waaronder ook de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte met uitzicht op herstel. Onder de gebruikelijke hulp valt (vanzelfsprekend) ook het bieden van toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Zie voor zorg van kinderen 8.3.2 Resultaat thuis zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behoren van deze beleidsregels. Verder wordt verwezen naar Bijlage 2 Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(
- s)voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels. 4.6Overbelasting of dreigende overbelasting Steeds moet duidelijk zijn hoe de (dreigende) overbelasting zich uit en wat deze feitelijk inhoudt. Dat wil zeggen dat een beroep op (dreigende) overbelasting van de huisgenoot aannemelijk moet worden gemaakt en zonodig nader worden onderbouwd. Is dat het geval, dan zal het college een (nader) onderzoek instellen. Bijvoorbeeld door om medisch advies te vragen. De betreffende huisgenoot is verplicht daaraan zijn medewerking te verlenen. Zie verder 2.10.2 Medewerkingsplicht van deze beleidsregels voor wat daar onder wordt verstaan en wat de gevolgen zijn van het niet meewerken. Verwezen wordt naar Bijlage 1 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting van deze beleidsregels. Omvang planbare en onplanbare ondersteuning Soms is het duidelijk dat de huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare ondersteuning, maar ook de mate van de noodzaak tot het telkens aanwezig zijn om onplanbare ondersteuning te bieden is van invloed op de belastbaarheid van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij telkens aanwezigheid en alertheid wordt gevraagd van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Denk bijvoorbeeld aan de beschikbare huisgenoot die geacht wordt om niet-uitstelbare taken in het kader van gebruikelijke hulp te bieden. Aard van de beperkingen Het kan voorkomen dat de huisgenoot weliswaar psychische beperkingen heeft maar geen aantoonbare fysieke beperkingen om de huishoudelijke taken uit te voeren (bijv. CRVB:2018:3101). In geval van psychische beperkingen kan het nodig zijn om vast te stellen dat de cliënt de betreffende huisgenoot kan aansturen bij de uitvoering van de huishoudelijke activiteiten. Geen overbelasting Uit het medisch advies kan ook blijken dat de huisgenoot medisch gezien in staat is om huishoudelijke taken verdeeld over de week en in eigen tempo uit te voeren (bijv. CRVB:2018:2721). 4.7Geen gebruikelijk hulp In de volgende situaties gaat het college er in principe van uit dat de huisgenoot (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden: de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting (terminale fase); de huisgenoot is overbelast of dreigt dat te geraken; de huisgenoot is voor aaneengesloten periode(
- n)niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; of er is volgens het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan. Deskundigenadvies Bij (dreigende) overbelasting kan het college om advies vragen, tenzij daar geen enkele twijfel over bestaat. In voorkomende gevallen kan het college ook al dan niet tijdelijk een maatwerkvoorziening verstrekken zodat de cliënt en zijn huisgenoot in de gelegenheid worden gesteld een oplossing te vinden. In de volgende situaties is in ieder geval geen sprake van gebruikelijke hulp. Individuele vervoersbehoefte De cliënt kan een individuele lokale vervoersbehoefte hebben die zelfstandig kan worden gedaan met een vervoersvoorziening. In die gevallen kan (mag) de cliënt niet voor alle ondersteuning bij vervoer afhankelijk zijn van zijn huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp. In die gevallen kan het verstrekken van een vervoersvoorziening of tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van eigen auto aan de cliënt zijn aangewezen. Niet leerbaar Voor zover de huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft of kennis dan wel vaardigheden mist om gebruikelijke hulp aan de cliënt te bieden en deze vaardigheden niet kunnen worden aangeleerd wordt van hen geen gebruikelijke hulp verwacht. Permanent toezicht Het bieden van permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid valt niet onder gebruikelijke hulp. 4.8Boven-gebruikelijke hulp Verder kan het zijn dat de naar algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijk hulp substantieel wordt overschreden. Dat kan te maken hebben met een combinatie van factoren. Denk bijvoorbeeld aan de aard en omvang van de totale ondersteuningsbehoefte van de cliënt of het combineren van het bieden van gebruikelijke hulp en de eigen activiteiten van de huisgenoot. Ook kan de zorg van ouders voor kinderen boven-gebruikelijk zijn. In vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel kan deze zorg worden overschreden. Daarvoor wordt wel een bandbreedte van één uur per etmaal aangehouden (zie Bijlage 2 Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(
- s)voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels). In voorkomende gevallen kan tijdelijk een maatwerkvoorziening zijn aangewezen, tenzij (bij kinderen) aanspraak bestaat op een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet. Hoofdstuk5Mantelzorg Artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 (begripsbepaling) Artikel 4.1 lid 1 Verordening (beoordeling aanspraak) Artikel 6.4 Verordening (kortdurend verblijf) 5.1Inleiding Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overschreden. Mantelzorg kan worden verleend door een huisgenoot maar ook door uitwonende kinderen of een andere persoon uit het sociale netwerk van de cliënt. Dat wil zeggen dat in die gevallen geen sprake is van gebruikelijke hulp dan wel boven-gebruikelijke hulp. 5.2Wettelijk begrip In de Wmo 2015 wordt mantelzorg als volgt beschreven: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). 5.2.1Niet verzilveren van een aanspraak Uit de begripsbepaling van mantelzorg volgt dat de hulp of zorg die door de mantelzorger wordt geboden een wettelijke aanspraak vertegenwoordigd. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en/of verzorging zoals bedoeld in de Zvw of hulp aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Bij mantelzorg is het dus zo dat die aanspraak niet wordt verzilverd. 5.2.2Maatwerk als aanvulling op mantelzorg Het college mag bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt (CRVB:2017:17 en CRVB:2017:3209). Dit neemt overigens niet weg dat het bieden van mantelzorg (onbetaald) vrijwillig is. Ook zal het college oog moeten hebben voor de ondersteuning die nodig is om de inzet van mantelzorg structureel mogelijk te laten zijn dan wel voor wat nodig is om de mantelzorger (af en toe) te kunnen ontlasten. Dat gebeurt in ieder geval tijdens het onderzoek. 5.3Ondersteuning mantelzorg De ondersteuning aan de mantelzorger geeft geen aanspraak op een maatwerkvoorziening (RBNHO:2017:1022). Het college moet wel onderzoek doen naar de vraag of er de behoefte is aan maatregelen ter ondersteuning zodat de mantelzorger de taken uit kan blijven voeren. Dat behoort tot de wettelijke opdracht (art. 2.3.2 lid 4 onder d Wmo 2015). Daarnaast zijn er lokale (Carrefour) of mogelijk regionale organisaties die daarin iets voor mantelzorgers kunnen betekenen. De mantelzorger kan worden verwezen naar dergelijke initiatieven. 5.3.1Hulpmiddelen Bij het bepalen van hulpmiddelen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Ook kan het zijn dat de mantelzorger niet of moeizaam in staat is om de rolstoel te duwen. Omdat de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening het uitgangspunt is, kan duwondersteuning op de rolstoel worden verstrekt. 5.3.2Overbelasting van de mantelzorger Respijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan ook worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Van cliënt en mantelzorger mag in principe worden verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning) onderzoek doen naar mogelijkheden om de overbelasting te voorkomen of te verminderen. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kunnen hierin ook een rol spelen. De belangen en de draagkracht/draaglast van de mantelzorger worden hierbij meegewogen (zie Bijlage 1 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels). Inzet van (tijdelijke) respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. 5.3.3Wet langdurige zorg Ook kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie op grond van de Wlz. In die gevallen heeft het college geen plicht om maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger in te zetten. Mogelijk kan voor deze verzekerden aanspraak bestaan op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1 lid 1 onder g Wlz). Wel kunnen deze verzekerden mogelijk gebruik maken van algemene voorzieningen. 5.4Respijtzorg De maatwerkvoorziening beoogt in eerste instantie de cliënt zelf passend te ondersteunen. Maatwerkvoorzieningen zijn immers in overwegende mate individueel gericht (zie art. 4.3 lid 1 onder c Verordening). Het college houdt in het algemeen rekening met wat de cliënt aan mantelzorg heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Dat betekent dat de cliënt (tijdelijk) aangewezen kan zijn op een maatwerkvoorziening op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem deze ondersteuning te bieden. Dat is respijtzorg. Denk bijvoorbeeld aan dagactiviteiten. Respijtzorg moet worden onderscheiden van: de ondersteunende maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. De mantelzorger is dan zelf cliënt en zal de ondersteuningsvraag moeten melden bij het college waarna een onderzoek plaatsvindt. Het ligt niet voor de hand dat deze situaties snel zullen leiden tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. De maatwerkvoorziening als respijtzorg wordt altijd aan de cliënt toegekend die daar mogelijk een bijdrage in de kosten voor verschuldigd is. Opgemerkt wordt nog dat het college ook een maatwerkvoorziening kan verstrekken die erop is gericht dat de mantelzorger leert omgaan met de beperkingen van de cliënt. 5.5Kortdurend verblijf De Wmo 2015 kent één specifieke maatwerkvoorziening die door het college kan worden verstrekt om de mantelzorger te ontlasten Het gaat om kortdurend verblijf (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Het college beoordeelt wel eerst of de cliënt in aanmerking kan komen voor een indicatie voor de Wlz. Nadat is vastgesteld dat de mantelzorger van de cliënt moet worden ontlast geldt nog een ander criterium. De cliënt is door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg aangewezen op ondersteuning die gepaard gaat met voortdurend toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid. Daarnaast is het zo dat geen sprake is van het bieden van noodzakelijke geneeskundige zorg. In dat geval zal de cliënt namelijk een beroep moeten doen op Eerstelijns verblijf op grond van de Zvw. Het is ook mogelijk dat de cliënt op grond van zijn aanvullende zorgverzekering in aanmerking kan komen voor kortdurend verblijf. 5.5.1Accommodatie en vervoer Het kortdurend verblijf wordt geboden in een instelling of accommodatie van een door het college gecontracteerde aanbieder. Is de cliënt aangewezen op kortdurend verblijf dan ligt het niet voor de hand dat de cliënt zelf in staat is de accommodatie te bereiken. In het algemeen wordt aangenomen dat de mantelzorger de cliënt kan brengen en weer ophalen. Is dat niet het geval en er zijn ook geen andere voorliggende oplossingen dan kan een vervoersindicatie worden verstrekt. 5.5.2Omvang en duur Kortdurend verblijf kan voor een etmaal per week worden verstrekt. Het is niet vereist dat het kortdurend verblijf slechts voor wekelijks (of maandelijks) gebruik kan worden toegekend. Afhankelijk van de omstandigheden in het individuele geval kunnen de periodieke aanspraken ook voor aaneengesloten gebruik van maximaal 52 etmalen per kalenderjaar worden toegekend en gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de mantelzorger op vakantie wil. Het college kan afwijken van de gestelde norm. Bij de beoordeling van de aanspraak houdt het college in het algemeen rekening met de vraag of de cliënt aanspraak kan maken op Eerstelijns verblijf op grond van de Zvw of een indicatie op grond van de Wlz. 5.6Mantelzorgwoning Woningen dus ook mantelzorgwoningen worden niet als maatwerkvoorziening verstrekt. Tijdens de wetsbehandeling van de Wmo 2015 is aangegeven dat initiatieven als mantelzorgwoningen aandacht verdienen en waar mogelijk belemmeringen tot plaatsing te worden verminderd. Zo zijn de regels voor omgevingsvergunningvrij bouwen vereenvoudigd. Daartoe is het Besluit omgevingsrecht gewijzigd (Stb. 2014, nr. 333). In voorkomende gevallen wordt afstemming gezocht met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving omdat, zoals gezegd, de regels hierover zijn gewijzigd. Hoofdstuk6Begeleiding Hoofdstuk 6 Verordening 6.1Inleiding Met de maatwerkvoorziening begeleiding (individueel) wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip begeleiding. Daaronder worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie wil zeggen dat de cliënt zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kan doen aan de samenleving. De compensatieplicht van het college is echter niet gericht op het optimaliseren. Dat wil zeggen: niet alle beperkingen hoeven te worden opgelost. 6.2Algemene uitgangspunten Tijdens het onderzoek stelt het college vast of er voorliggende oplossingen zijn die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding in de weg staat. Daaronder valt in ieder geval gebruikelijke hulp die een eventuele huisgenoot van de cliënt geacht wordt te bieden (zie Hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels). Ook de begeleiding die geboden kan worden door bijvoorbeeld de welzijnsorganisatie kan een voorliggende oplossing zijn. Verder bepaalt de Verordening dat het college de te verstrekken maatwerkvoorziening kan combineren met eigen kracht, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk en vrijwilligers. Als uitgangspunt geldt ook dat een collectieve maatwerkvoorziening in principe voor gaat op een individuele maatwerkvoorziening (art. 6.2 Verordening). De achtergrond daarvan is onder meer dat een collectief aanbod goedkoper is dan een individueel aanbod. Het college is immers niet gehouden meer dan de goedkoopst passende bijdrage te verlenen (zie art. 4.3 lid 1 onder b Verordening). Verder kan het natuurlijk zijn dat dagactiviteiten (collectieve maatwerkvoorziening in groepsverband) een beter passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. 6.3Zelfredzaamheid en participatie Zelfredzaamheid bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl), het voeren van een gestructureerd huishouden. Om de dagelijkse handelingen en praktische zaken uit te kunnen voeren moet de cliënt daar lichamelijk toe in staat zijn maar ook over vaardigheden beschikken om daar regie over te kunnen voeren. De vaardigheid is het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem op te lossen. Vaardigheden op een of ander gebied wordt veelal vergaard door praktische ervaring, door korte of langere tijd regelmatig te oefenen. Participatie Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer; waaronder ook deelname aan dagactiviteiten kan vallen. Zie Hoofdstuk 7 Dagactiviteiten en zie voor het sociaal vervoer Hoofdstuk 11 Ondersteuning deelname maatschappelijk verkeer van deze beleidsregels. 6.4Afbakening Zorgverzekeringswet en Wmo 2015 De behoefte aan (alleen) verzorging zoals die tot 1 januari 2015 op grond van de AWBZ werd verleend, kan ook meer in het verlengde van de behoefte aan begeleiding liggen. Het gaat bij deze verzorging om mensen die behoefte hebben aan ondersteuning bij de adl. Deze verzorging houdt geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Deze behoefte aan ondersteuning bij adl komt met name voor bij mensen met een verstandelijke of zintuiglijke beperking of psychiatrische problematiek. Deze vorm van ondersteuning bij adl is niet naar de Zvw overgeheveld, maar per 1 januari 2015 gepositioneerd onder de Wmo 2015. Als cliënten een lichamelijke aandoening krijgen waardoor een geneeskundige zorgvraag ontstaat, zullen zij zowel verpleging als hun bij de geneeskundige zorgvraag behorende verzorging vanuit de Zvw ontvangen. Verder valt voor cliënten die begeleiding en adl-ondersteuning krijgen via de Wmo 2015, de overige medische zorg vanzelfsprekend onder de te verzekeren prestaties van de Zvw. 6.5Bereiken van een resultaat Tijdens het onderzoek wordt bekeken of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding en zo ja, welke. Zo’n indicatie is natuurlijk ook afhankelijk van de aard en de mate van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Het gaat om een te bereiken resultaat. Op grond daarvan bepaalt het college ook waar de begeleiding op is gericht: oplossen van de problematiek. Dat wil zeggen: er is tijdelijk een maatwerkvoorziening nodig, ontwikkeling van de cliënt. Dat wil zeggen: de begeleiding bestaat uit methodisch handelen gericht op ontwikkeling. stabilisatie van de problematiek. Denk in dit verband aan een cliënt voor wie de beperkingen niet met voorliggende oplossingen kunnen worden weggenomen of er geen (enkel) ontwikkelperspectief wordt vastgesteld. 6.5.1Reikwijdte en integraal werken De gebieden die tijdens het onderzoek worden uitgevraagd vallen niet allemaal (volledig) binnen de reikwijdte van de Wmo 2015. Het breed uitvragen op verschillende gebieden maakt het mogelijk om cliënten op een goede manier door te geleiden naar andere regelingen maar ook om de maatwerkvoorziening af te stemmen op die regelingen, als daar aanleiding voor is (art. 2.3.5 lid 5 Wmo 2015). Op die manier wordt (betere) integrale dienstverlening aan inwoners bereikt. Hierna wordt een voorbeeld genoemd. Financiën/ administratie Voor zover de problematiek betrekking heeft op het oplossen van schulden, waarvoor het minnelijk (gemeentelijke) of wettelijke (WSNP) traject is bedoeld, valt de begeleiding buiten de reikwijdte van de Wmo 2015. Dan kan alleen tijdelijk begeleiding worden verstrekt voor een toeleiding (warme overdracht) naar bijvoorbeeld het financieel loket. Naast eventuele schulddienstverlening kan dan ook toeleiding naar budgetbeheer of bewindvoering worden opgepakt. Bij het financieel loket kan ook worden bekeken of de cliënt eventueel aanspraak kan maken of inkomensondersteunende maatregelen. Wettelijk beschermingsmaatregelen Er bestaan een aantal wettelijke beschermingsmaatregelen; bij de kantonrechter kan een verzoek om toelating worden gedaan. Tegen de achtergrond van de problematiek binnen dit resultaatgebied zijn dat: Beschermingswind. Als iemand niet meer alleen voor zijn financiële zaken kan zorgen, kan hij hulp daarbij krijgen door zijn vermogen onder bewind te laten stellen en zijn financiële zaken door een ander laten regelen. Problematische schulden en verkwisting kunnen redenen zijn om beschermingsbewind uit te spreken. Curatele. Als iemand zowel zijn persoonlijke én financiële zaken niet meer zelf kan regelen. Persoonlijke zaken zijn bijvoorbeeld een medische behandeling of verpleging. Het gaat om personen die handelingsonbekwaam zijn. Mentorschap. Als iemand alleen niet meer voor zijn persoonlijke en immateriële zaken kan zorgen, kan hij een mentor krijgen om hem te helpen. 6.5.2Aandachtspunten De cliënt kan beperkingen ondervinden op verschillende gebieden (zie verder hierna). Het college maakt bij het onderzoek ook gebruik van Bijlage 3 Aandachtspunten resultaatgebieden begeleiding bij deze beleidsregels. Deze aandachtpunten kunnen van belang zijn om het resultaat maar ook de omvang en frequentie van de begeleiding vast te stellen. 6.5.3Resultaat Het college stelt tijdens het onderzoek vast welk resultaat of welke resultaten bereikt moeten worden en welke aandachtspunten er eventueel zijn bij het bieden van de begeleiding. Daaruit volgt de begeleiding waarop de cliënt is aangewezen qua aard, omvang en frequentie. Dat wordt aangeduid met een intensiteit. Begelei