Werkafspraken Kwaliteitsverbetering Landschap Regio Hart van Brabant / Heusden, actualisering 2023Het college van Heusden heeft in de vergadering van 5 december 2023, gelet op de omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant, besloten: • de werkafspraken Kwaliteitsverbetering Landschap Regio Hart van Brabant vast te stellen (bijlage A); • de nadere invulling van de gemeente Heusden (bijlage E) vast te stellen; • de gehanteerde bestemmingswaarden (bijlage F) vast te stellen. namens het college van Heusden, de secretaris, mr. H.J.M.Timmermans Bijlage A: Werkafspraken Kwaliteitsverbetering Landschap Regio Hart van Brabant, actualisering 2023 (vastgesteld 04-10-2023 - Regio Hart van Brabant, poho fysiek) 1.Inleiding 1.1Waarom deze werkafspraken? In de kernagenda Regio Hart van Brabant streven we naar duurzame verstedelijking en een toekomstbestendig landelijk gebied. Particuliere initiatieven zijn belangrijk voor de ontwikkeling van Hart van Brabant. Voor zover deze ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk zijn, kan dat ten koste gaan van de kwaliteit van het landschap. Omdat de provincie Noord-Brabant versterking van het landschap nastreeft, heeft de provincie het principe van ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ geïntroduceerd. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: omgevingsverordening of OV) heeft de provincie de verplichting voor gemeenten opgenomen om een kwaliteitsbeleid voor het landschap te voeren. Deze verplichting gaat verder dan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit in artikel 5.7 OV, waar landschappelijke inpassing deel van uit kan maken. In artikel 5.11 lid 1 OV is geregeld dat een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Een ontwikkeling omvat het mogelijk maken van een functie of activiteit die op grond van het vigerende omgevingsplan niet is toegelaten. Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én dat de uitvoering is geborgd. Dit kan op 2 manieren: als dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; óf als de afspraken uit het regionaal overleg (afdeling 7.2 OV) worden nagekomen. In artikel 7.9, lid 4 is bepaald dat periodiek, ten minste eens per bestuursperiode, partijen in de (sub-)regio afspraken maken over de toepassing van artikel 5.11 OV en de resultaten met elkaar worden besproken. De provincie heeft samen met de regio’s de werking van de regeling kwaliteitsverbetering landschap geëvalueerd in 2021 en 2022. Dit heeft geleid tot een nieuwe set uitgangspunten voor de toepassing van de regeling. Deze notitie “Uitgangspunten toepassing kwaliteitsverbetering landschap Noord-Brabant” is op 28 september 2022 op het poho Fysiek van de Regio Hart van Brabant besproken en er is ingestemd met het hanteren van deze notitie als basis van de werkafspraken. Ook is besloten tot actualiseren van deze werkafspraken om deze vervolgens lokaal te kunnen verankeren. 1.2Werkafspraken in relatie tot de Omgevingswet Vanaf 1 januari 2024 geldt de nieuwe Omgevingswet. Reeds vastgesteld beleid blijft via het overgangsrecht geldig en moet de jaren daarna in de instrumenten van de Omgevingswet worden verwerkt. Wat de gemeenten kunnen doen, is de landschappelijke kwaliteit meenemen bij de omgevingsvisie en in de uitvoeringsparagraaf daarbij het beleid voor landschap opnemen. Of er kan een apart thematisch (vrijwillig) programma gemaakt worden voor omgevingskwaliteit waar landschapsverbetering dan een onderdeel van kan zijn. Andere optie is het op te nemen in het gebiedsgericht beleid dat voor een bepaald gebied gemaakt wordt. Via het begrip “evenwichtige toedeling van functies aan locaties” komt het beleid neergelegd in de omgevingsvisie en eventuele programma's relevantie toe. Deze werkafspraken gaan waar mogelijk uit van de nieuwe begrippen, termen en artikelen op basis van de Omgevingswet. Er is daarbij uitgegaan van de volgende regeldocumenten: Omgevingswet, geconsolideerde versie 21 april 2023; Besluit kwaliteit leefomgeving, geconsolideerde versie 11 juli 2023; Bruidsschat, geconsolideerde versie 3 juni 2022; Omgevingsverordening, (11 maart 2022, Provinciale Staten) (OV); Wijziging Omgevingsverordening, veegronde (4 juli 2023, Gedeputeerde Staten); 6.3 Wijziging artikel 5.11: In artikel 5.11, derde lid, onder c, wordt de passage 'cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen' vervangen door 'cultuurhistorische waarden en kenmerken'. Het is logisch bij deze actualisering tegelijk gewijzigde begrippen en termen vanwege deze nieuwe wet aan te passen. Dit is zoveel mogelijk geprobeerd, maar niet alle termen laten zich gemakkelijk omzetten. Met name het begrip “bestemming” en daaraan gelieerde begrippen zijn nog niet helemaal uitgekristalliseerd. Onder de Omgevingswet heeft het begrip bestemming niet meer dezelfde betekenis. In het omgevingsplan zijn bestemmingen vervangen door gebruiksfuncties waar bepaalde activiteiten wel of niet zijn toegestaan. De juridische binding van het omgevingsplan is gebaseerd op regels die gebonden zijn aan activiteiten. Begrippen als bestemmingsvlak, bestemmingswinst en bestemmingswaarde zullen in het definitieve omgevingsplan geen plaats meer hebben. Echter is nog niet duidelijk welke begrippen hiervoor wel gangbaar zullen zijn. “Bestemmingswinst” wordt wellicht vervangen door “planologische winst”; “bestemminswaarde” misschien door “bouw- en activiteitenwaarde”; dat is nog onzeker. Tot 2030 geldt er een overgangsperiode waarin tijdelijke omgevingsplannen (met de teksten van oude bestemmingsplannen) worden overgezet naar definitieve omgevingsplannen. Daarom is ervoor gekozen de begrippen gelieerd aan “bestemming” in onderstaande tekst te handhaven. In de overgangsperiode, wanneer de afspraken geëvalueerd worden, zullen deze begrippen vervangen worden door de dan gebruikte begrippen. 1.3Doel van de werkafspraken Deze werkafspraken geven aan hoe de gemeenten in de regio Hart van Brabant toepassing geven aan artikel 5.11 lid 2b van de Omgevingsverordening (OV). Deze werkafspraken bieden: een helder kader voor de gemeenten, en wel zodanig dat vooraf duidelijk is dat dit de instemming heeft van de provincie; duidelijkheid aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen over hoe de gemeenten de regels inzake kwaliteitsverbetering toepassen; duidelijkheid over hoe de regels inzake kwaliteitsverbetering in de praktijk worden geëffectueerd en over het feit dat dit in overeenstemming is met de bedoeling van de Omgevingsverordening. Het is hierbij de bedoeling dat de afspraken direct helderheid bieden voor het grootste gedeelte van de buitenstedelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Is er een kwaliteitsverbetering van het landschap nodig of niet? Indien een kwaliteitsverbetering nodig is leert de ervaring ook dat een beperkt deel van de buitenstedelijke ruimtelijke ontwikkelingen niet eenvoudig in dergelijke afspraken is op te nemen, door de unieke omstandigheden die verbonden zijn aan de ontwikkeling. In dergelijke gevallen blijft landschappelijke kwaliteitsverbetering noodzakelijk, maar over de wijze waarop kunnen via maatwerk afspraken worden gemaakt op basis van artikel 5.11 lid 2a OV. Het is van belang om ook het volgende op te merken: deze afspraken zeggen niets over de wenselijkheid van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling. De afweging over de wenselijkheid van ruimtelijke ontwikkelingen wordt gemaakt in besluitvormingsprocessen op basis van de Omgevingswet. Het is aan het bevoegd gezag om hier een besluit over te nemen. Alleen indien het bevoegd gezag besluit mee te werken aan een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling komen de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap in beeld en dan slechts alleen voor het antwoord op de vraag of en welke kwaliteitsverbetering nodig is. 2.Reikwijdte regels kwaliteitsverbetering landschap 2.1Reikwijdte omgevingsverordening De regels voor kwaliteitsverbetering landschap moeten worden toegepast als het gaat om besluiten welke vallen onder de werking van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Kortweg is de omgevingsverordening wel van toepassing op besluiten over: Wijziging van het omgevingsplan; Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa). De omgevingsverordening is niet van toepassing op: Vergunningsvrije activiteiten; Binnenplanse omgevingsactiviteiten. Daarnaast moet sprake zijn van een ‘ontwikkeling’ in ‘Landelijk gebied’ waaronder in de verordening het volgende wordt verstaan: Ontwikkeling = mogelijk maken van een functie of activiteit die op grond van het vigerende omgevingsplan niet is toegelaten; Landelijk gebied = gebied zoals aangewezen op de verbeelding bij de verordening. Dit volgt uit de volgende regels: Artikel 2.22 Omgevingswet bepaalt dat bij omgevingsverordening instructieregels kunnen worden gesteld over en binnen de uitoefening van taken en bevoegdheden door bestuursorganen, onder andere voor bet bereiken van doelstellingen voor de fysieke leefomgeving. Artikel 8.0d Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de instructieregels uit de omgevingsverordening ook gelden voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 5.1 van de Omgevingsverordening bepaalt de instructieregels voor het omgevingsplan en dus ook voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 5.11 van de Omgevingsverordening bepaalt dat een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Algemene regel is dat het omgevingsplan bepaalt voor welke activiteiten een vergunning nodig is voor een omgevingsplanactiviteit. Het Rijk noemt echter een aantal activiteiten die vergunningvrij zijn. Deze omgevingsplanactiviteiten staan in artikel 2.29, Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Via artikel 22.26, bruidsschat is tijdens de overgangsperiode in het omgevingsplan een vergunningplicht opgenomen voor bouwactiviteiten (binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit). Artikel 22.27, bruidsschat vermeldt de bouwactiviteiten waarvoor deze vergunningsplicht niet geldt, mits ze voldoen aan de regels van het omgevingsplan. In artikel 22.36, bruidsschat staan de activiteiten die van rechtswege in overeenstemming met het omgevingsplan zijn. Hiervoor is er dus ook geen toetsing aan de overige regels van het omgevingsplan. De gemeente kan in het omgevingsplan de regels van de bruidsschat wijzigen. De gemeente kan dus de vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteiten aanpassen. De activiteiten die in artikel 2.29, Bbl zijn genoemd blijven echter vergunningvrij. 2.2Categorie-indeling Alvorens de categorie-indeling plaats vindt, moet worden bepaald of de ruimtelijke ontwikkeling wel onder de werking van de omgevingsverordening valt (zie hiervoor paragraaf 2.1). Indien de ruimtelijke ontwikkeling onder de werking van de omgevingsverordening valt worden vervolgens drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist. Deze initiatieven hebben geen impact op de omgeving, of leiden op zichzelf al tot een versterking van het landschap. Het is aan de gemeente of landschappelijke inpassing vereist is 1 De gemeente Heusden stelt geen extra eisen aan de landschappelijke inrichting.. Hiertoe behoren alle ontwikkelingen die primair tot doel hebben de fysieke verbetering van de kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden. Dit betreft niet alleen de aanleg van natuur- en landschapselementen, maar ook van voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, zoals de aanleg van wandelpaden. Verder behoren hiertoe ook planologische ontwikkelingen/gebruiksactiviteiten die bijdragen aan het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden, zoals woningsplitsing binnen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed op de omgeving hebben. Tegenover deze ontwikkeling dient een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer te staan. Het gaat hierbij vooral om ontwikkelingen die een relatief beperkte invloed op de omgeving hebben en (traditioneel) als passend binnen en eigen aan het landelijk gebied worden beschouwd. Enkele voorbeelden van veel voorkomende ruimtelijke ontwikkelingen die tot deze categorie behoren, zijn vormverandering van agrarische bouwvlakken, aanleg van minicampings (kleinschalig kamperen) en paardenbakken, omschakeling van de ene agrarische bedrijfsvorm naar een andere en nevenactiviteiten die passen binnen de vigerende bouwmogelijkheden. In deze categorie van ontwikkelingen wordt het accent gelegd op een goede landschappelijke inpassing van het initiatief. Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op de omgeving. Deze initiatieven zijn van relatief grote omvang en hebben een grote impact op de omgeving en het landschap. Hierbij is zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist. De landschappelijke inpassing kan deel uitmaken van de kwaliteitsverbetering, of geëist worden als aanvulling daarop (keuze aan de gemeente2 De landschappelijke inpassing maakt onderdeel uit van de kwaliteitsverbetering. Deze telt financieel dus mee. Alleen als belangrijke landschapsstructuren verdwijnen door de nieuwe ontwikkeling, moet hiervoor extra worden gecompenseerd.). Dit gaat om ontwikkelingen waarbij de inspanning die verricht moet worden ten behoeve van kwaliteitsverbetering van het landschap relatief eenvoudig kwantitatief genormeerd kan worden, omdat het mogelijk is deze ontwikkeling te koppelen aan waardevermeerdering van de grond of van het object (de planologische waardestijging of voorheen “de bestemmingswinst”). Dit betreft veelal ontwikkelingen die een beduidende invloed hebben op de omgeving en waarbij vergroting van de geldende bouwmassa/-oppervlakte, vergroting van het geldende bestemmingsvlak en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Het betreft uiteraard wel ontwikkelingen die verder passen binnen de kaders van de omgevingsverordening. Voor deze categorie wordt in hoofdstuk 4 nader de methodiek beschreven waarmee de omvang bepaald wordt van de investering in kwaliteitsverbetering van het landschap. Indien bij een ruimtelijke ontwikkeling de volgens deze normbedragen berekende minimale basisinspanning minder dan €1000, - bedraagt, wordt deze ontwikkeling overigens onder categorie 2 geschaard. Dit geldt ook indien sprake is van bestemmingsverlies. In sommige gevallen kan het nodig zijn dat - in overleg tussen gemeente en provincie - een maatwerkoplossing wordt gezocht voor het bepalen van de omvang van de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit betreft veelal planmatige ontwikkelingen met grootschalig ruimtebeslag en/of grote impact op de omgeving (voorbeelden: oprichting windturbines of zonnevelden of de aanleg van infrastructuur). Om een en ander te verduidelijken is het vorenstaande samengevat in de volgende matrix. Hierin wordt duidelijk gemaakt in welke categorie bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen vallen. 2.3Toelichting categorie-indeling Deze paragraaf bevat een indeling in categorieën van de meest voorkomende ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. De hierboven beschreven indeling in 3 categorieën is in deze paragraaf uitgewerkt en geconcretiseerd naar type ontwikkeling. Categorie 1 Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering niet van toepassing zijn of worden geacht te zijn (geen ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist). GENERIEK: Ontwikkelingen die vallen onder een binnenplanse omgevingsplanactiviteit, inclusief op grond van artikel 22.26 bruidsschat; Ontwikkelingen die vergund worden op basis van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit, tenzij het omgevingsplan in kwestie expliciet bepaalt dat landschappelijke inpassing voorwaarde is voor afwijking. In dat geval valt de ontwikkeling onder categorie 2; Ontwikkelingen die naar hun aard al een fysieke verbetering van de van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden tot gevolg hebben, zoals het wijzigen van de bestemming in de bestemming Bos of Natuur; Herbouw bouwwerken, passend binnen de bestemming en het bestemmingsvlak, maar niet binnen de bouwregels, onder handhaving van de bestaande maten; SPECIFIEK: Vergroten bestemmingsvlak Wonen tot 1500 m²; Vergroten inhoud bedrijfswoning en burgerwoning tot 750m3 binnen het bestemmingsvlak; Vergroten aantal m² bijgebouwen bij woning tot maximaal 100 m² binnen het bestemmingsvlak; Herbouw woning binnen daartoe aangewezen bouwperceel; Toestaan mantelzorgwoning in/bij woning binnen de geldende bouwregels; Aan huis gebonden beroep/bedrijf in/bij woning binnen de geldende bouwregels; Bed & breakfast en kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten in/bij woning binnen de geldende bouwregels; Nevenactiviteiten, verbrede landbouwactiviteiten en tijdelijke huisvesting seizoensarbeiders bij een agrarisch bedrijf binnen geldend bouwvlak en binnen bestaande bebouwing; Verkoop van op het eigen (agrarisch)bedrijf vervaardigde producten (inclusief de verkoop van streekeigen producten) tot een maximum van 200m² binnen de geldende bouwregels; Toestaan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen; Wijziging bestemming Agrarisch-Agrarisch Bedrijf/Agrarisch bouwvlak (inclusief agrarisch verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf) of Bedrijf, in bestemming Wonen of andere bestemming, zoals Horeca, Maatschappelijk of Recreatie. Mits er een reductie is van het agrarisch bouwvlak naar een nieuw bestemmingsvlak van 0 - 1.500 m² en bijgebouwen 0 - 200 m² en overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt; Categorie 2 Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed op het landschap hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist). Voor zover de locatie gelegen is in het gemengd landelijk gebied, als bedoeld in de omgevingsverordening: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1,5 ha; Voor zover de locatie gelegen is in de groenblauwe mantel, als bedoeld in de omgevingsverordenig: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1 ha; Vergroten bouwvlak agrarisch verwant of agrarisch-technisch hulpbedrijf tot 1 ha; Vormverandering van een (agrarisch) bouwvlak of van een bestemmingsvlak (zonder afwijking van de geldende bouwregels); Omschakeling agrarisch bedrijf van de ene agrarische bedrijfsvorm naar een andere agrarische bedrijfsvorm (omvang bouwvlak onveranderd); Wijziging bestemming Wonen, VAB of Bedrijf naar bestemming Agrarisch-Agrarisch Bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf), voor zover het bestemmingsvlak niet wordt vergroot; Nevenactiviteiten, verbrede landbouwactiviteiten en tijdelijke huisvesting seizoensarbeiders bij een agrarisch bedrijf binnen bestaand bestemmingsvlak, maar buiten bestaande bebouwing; Minicampings (kleinschalige kampeergelegenheden) tot een maximum van 25 mobiele kampeermiddelen gedurende het zomerseizoen (ca. 7 maanden), op of direct aansluitend aan bestemmingsvlak en met gebouwde voorzieningen binnen bestaande bebouwing of geldende bouwmogelijkheden; Paardenbakken (zonder gebouwen) direct aansluitend bij bestemmingsvlak; Wijziging bestemming Agrarisch-Agrarisch Bedrijf/Agrarisch bouwvlak (inclusief agrarisch verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf) of Bedrijf, in bestemming Wonen of andere bestemming, zoals Horeca, Maatschappelijk of Recreatie. Mits er een reductie is van het agrarisch bouwvlak naar een nieuw bestemmingsvlak van 1.501 – 5.000 m² en bijgebouwen <500 m² en overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt; Categorie 3 Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) inbreuk op het landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist). Al wat niet onder categorie 1 of 2 valt. 3.Methodiek landschappelijke inpassing categorie 2 3.1Landschappelijke inpassing bij categorie 2 Wanneer een ontwikkeling onder categorie 2 valt is een landschappelijke inpassing vereist. Landschappelijke inpassing betekent een zodanige vormgeving en inpassing dat deze optimaal is afgestemd op bestaande dan wel nog te ontwikkelen ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische landschapskwaliteiten. Landschappelijke inpassing vindt plaats op of direct aansluitend aan het bouwblok/bestemmingsvlak. Aan deze vorm van kwaliteitsverbetering worden geen kwantitatieve normen gekoppeld waaraan voldaan moet worden, maar worden enkele kwalitatieve eisen gesteld. De landschappelijke inpassing van het bestemmingsvlak/bouwvlak wordt gerealiseerd op basis van een door een deskundige instantie (hovenier, tuin-/landschapsarchitect, bureau voor ontwerp en aanleg van groenvoorzieningen) opgesteld erfbeplantingplan/ landschappelijk inpassingsplan, waaruit duidelijk blijkt hoe en met welke (natuur- en landschap)elementen de landschappelijke inrichting wordt vormgegeven. Naast of in de plaats van een anterieure overeenkomst is het noodzakelijk een regeling (voorwaardelijke verplichting) in het omgevingsplan op te nemen om de realisatie, beheer en onderhoud van het inpassingsplan financieel, juridisch en feitelijk te verzekeren. Of in het geval van een omgevingsvergunning dit als voorschrift toe te voegen aan de vergunning. Bij de vormgeving en invulling van landschappelijke inpassing wordt gekeken naar de algehele locatie en de situering van het bouwvlak/bestemmingsvlak en niet alleen naar het deel waarin de desbetreffende ruimtelijke ontwikkeling wordt toegevoegd of veranderd. In paragraaf 5.2 is beschreven aan welke eisen een landschapsplan moet voldoen bij een categorie 3 ontwikkeling. Dit kan ook het kader bieden voor het landschapsplan bij een categorie 2 ontwikkeling. Minimaal vereist is een maatvaste kaart met daarop de reeds aanwezige landschapselementen, de beoogde ontwikkeling en de nieuwe landschapselementen die de ontwikkeling inpassen in het omliggende landschap. 3.2Eisen aan het landschappelijk inpassingsplan In het landschapschappelijk inpassingsplan is aangegeven op welke wijze de ontwikkeling wordt ingepast. Een landschappelijk inpassingsplan (of de toelichting op de ontwikkeling) omvat minimaal de volgende onderdelen: Een beschrijving van de locatie en beoogde ontwikkeling; Een (beknopte) analyse van het omringende landschap; Een maatvaste kaart met daarop de reeds aanwezige landschapselementen, de beoogde ontwikkeling en de nieuwe landschapselementen en maatregelen waarmee de ontwikkeling wordt ingepast; De landschapselementen die deel uitmaken van het landschappelijk inpassingsplan, zijn beleefbaarheid vanuit de omgeving en passen in het specifieke landschapstype. Het inpassingsplan sluit aan op de landschappelijke structuren ter plekke. 4.Methodiek bepalen tegenprestatie categorie 3 gevallen 4.1Bepalen waardevermeerdering en investering In categorie 3 gevallen is zowel landschappelijke inpassing als kwaliteitsverbetering landschap noodzakelijk. Om objectief te kunnen bepalen welke investering gedaan moet worden in het landschap, wordt hiervoor een bedrag berekend. Het gaat dan overigens om een basisinspanning. Met basisinspanning wordt de minimale omvang bedoeld. Het staat de gemeente vrij3 De gemeente Heusden vraagt de basisinspanning (volgens regels van de provincie) en niet meer dan dat. om een grotere inspanning te vragen. Er zijn verschillende methodes om het bedrag voor investering in het landschap te berekenen. Bij alle methodes wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van het perceel. Een percentage (te bepalen per gemeente) van de waardevermeerdering is het bedrag dat geïnvesteerd moet worden in het landschap. Het bepalen van de waardevermeerdering verschilt per methode. Dat kan op basis van forfaitaire bedragen, WOZ-waarden, bestemmingswaarde etc. De regiogemeenten hebben gekozen om in de regel uit te gaan van de bestemmingswaarde methodiek. In zeer uitzonderlijke gevallen is maatwerk mogelijk. Het gaat hierbij om een instrument, waarmee de waardevermeerdering van de ruimtelijke ontwikkeling wordt bepaald op basis van bestemmingswaarde per gebruiksfunctie, die door de gemeente wordt bepaald. Een percentage van de toename van de bestemmingswaarde (de bestemmingswinst) moet geïnvesteerd worden in het landschap. De regiogemeenten hanteren hiervoor ten minste 20%4 De gemeente Heusden bepaalt dat dit 20% is.. Deze methodiek is transparant, duidelijk uitlegbaar en is op de lokale situatie toegesneden. Deze methode geeft handvatten om het proces van eerste particuliere initiatief tot aan contractvorming vorm te geven. Deze methode houdt in dat aan de hand van de ruimtelijke ontwikkeling die plaatsvindt, wordt berekend in hoeverre de bestemmingswaarde stijgt. Aan de hand van onderstaand voorbeeld wordt de toe te passen methodiek verduidelijkt. Daarbij zijn de normbedragen fictief (deze kunnen per gemeente verschillen). 4.2Onderscheid in ontwikkeling Onderscheid kan worden gemaakt tussen planmatige stedelijke ontwikkelingen en (min of meer op zichzelf staande, beperktere) ontwikkelingen in het buitengebied. Ten aanzien van de investering in kwaliteitsverbetering van het landschap is er een verschil in de wijze waarop voor beide ontwikkelingen deze bijdrage wordt bepaald. Planmatig (stedelijke) ontwikkeling Bij planmatige stedelijke ontwikkeling zoals bedrijventerreinen, woongebieden en sportterreinen wordt uitgegaan van een minimumbijdrage per m2 uit te geven grond. De minimum bijdrage is 1% van de uitgifteprijs, de gemeente heeft de keuze om een hogere bijdrage te vragen 5 De gemeente Heusden bepaalt dat dit 1% is.. Het gaat daarbij in ieder geval om de gronden ten behoeve van wonen, bedrijvigheid, maatschappelijke functies, dienstverlening, detailhandel en dergelijke die de stedelijke ontwikkeling vormen. Gronden onder openbaar groen/water en openbare weg hoeven niet in die berekening te worden betrokken. Uitgangspunt is de uitgifteprijs als bouwrijpe grond. Hierbij is van belang onderscheid te maken tussen het groen dat tot de stedelijke ontwikkeling behoort en het groen dat bijdraagt aan de landschappelijke kwaliteitsverbetering. Meetellen op basis van maatwerk alleen mogelijk indien het gaat om groen dat bijdraagt aan en aangesloten wordt op de landschappelijke kwaliteiten van het omliggende gebied. Dus geen hagen, perkjes en dergelijke. Bij overige planmatige ontwikkelingen zoals infrastructuur en zonneparken is landschappelijke inpassing vereist en wordt voor de kwaliteitsverbetering landschap uitgegaan van maatwerk. Voor windmolens geldt dat voor de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering landschap wordt uitgegaan van maatwerk. Niet-planmatige ontwikkelingen in het buitengebied De gekozen bestemmingswaardemethodiek is bedoeld voor incidentele, niet-planmatige ontwikkelingen. 4.3Hardheidsclausule Het kan voorkomen, dat toepassing van de onderhavige Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap leidt tot een uitkomst, die als disproportioneel (naar verhouding onjuist) moet worden beschouwd. In dat geval is er sprake van een omvang van een bijdrage die redelijkerwijs niet in die situatie kan worden gevraagd. In dat soort situaties heeft de gemeente (lees: het college van burgemeester en wethouders) de mogelijkheid om af te wijken van de toepasselijke methodiek. Deze zogenaamde hardheidsclausule biedt de mogelijkheid om van de methodiek af te wijken wanneer die gevolgen zou hebben die niet in verhouding staan tot de doelen die met die werkafspraken worden nagestreefd. De hardheidsclausule kan alleen worden toegepast, mits met goede redenen omkleed. 5.Investering in kwaliteitsverbetering van het landschap Investeringen Nadat is bepaald welk bedrag in de kwaliteitsverbetering van landschap moet worden geïnvesteerd, is de vraag waarin moet worden geïnvesteerd. De gemeenten hebben de voorkeur dat investeringen plaatsvinden aansluitend op of in de nabijheid van het initiatief. Dit is juridisch ook het eenvoudiger vast te leggen. Het is echter mogelijk dat investeringen in redelijkheid niet in de nabijheid gerealiseerd kunnen worden (bijvoorbeeld vanwege een gebrek aan grond). Op dat moment kan die investering worden ingezet elders binnen de gemeente, om gemeentelijke beleidsdoelen met betrekking tot kwaliteitsverbetering van het landschap te realiseren, dan wel worden aangewend om regionale landschapsprojecten te realiseren. Tot slot is er de mogelijkheid om kwaliteitsverbetering via een storting in een reserve mogelijk te maken, Deze laatste mogelijkheid dient dan wel in een ruimtelijke visie verankerd te zijn. 5.1Eisen aan het landschapsplan In het landschapsplan is aangegeven hoe de ontwikkeling wordt ingepast en daarnaast op welke wijze en locaties in het landschap wordt geïnvesteerd. Een landschapsplan omvat minimaal de volgende onderdelen: Een beschrijving van de locatie en beoogde ontwikkeling; Een analyse van het landschap; Een maatvaste kaart met daarop de reeds aanwezige landschapselementen, de beoogde ontwikkeling en de nieuwe landschapselementen en maatregelen; De landschapselementen die deel uitmaken van het landschappelijk inpassingsplan, leveren een substantiële bijdrage aan de landschappelijke kwaliteit. Hierbij zijn beleefbaarheid vanuit de omgeving en passendheid in het specifieke landschapstype van belang. Het inpassingsplan sluit aan op de landschappelijke structuren ter plekke. Aanvullingen op het erf kunnen het landschappelijk inpassingsplan waar mogelijk aanvullen en versterken, maar worden niet gezien als substantiële bijdrage aan het landschap. Wanneer sprake is van een erf met cultuurhistorische waarde waarbij de oorspronkelijke, dan wel een karakteristieke erfinrichting wordt teruggebracht, wordt dit wel gezien als kwaliteitsverbetering. Aanbevolen wordt om het kader van de Stimuleringsregeling Landschap (STILA) te gebruiken als basis voor het landschappelijk inpassingsplan. Bestaand groen Bestaand groen vormt op zichzelf geen kwaliteitsverbetering. Regelmatig kan het bestaande groen echter een upgrade krijgen, bijvoorbeeld door meer verschillende inheemse soorten, struik- en/of kruidlaag toe te voegen. Passend (kwalitatief) bestaand groen kan worden opgenomen in een goede landschappelijke inpassing. Bij een categorie 3 ontwikkeling kan het hoogstens een onderdeel zijn van een landschapsplan. Aanlegkosten van bestaand groen kunnen niet opgevoerd worden, wel de kosten voor beheer en onderhoud mits goed word onderbouwd dat dit een substantiële bijdrage levert aan de landschappelijke kwaliteit. Plus de kosten voor aanleg, beheer en onderhoud van de toevoegingen. Het opnemen van passend bestaand groen in het landschapsplan dient tot behoud en planologische bescherming ervan. Het is een eigen keuze van de gemeente om kosten voor beheer en onderhoud wel of niet mee te rekenen6 Het bestaand groen wordt planologisch beschermd. Het verbeteren van de bestaande groenstructuur kan eenmalig meegenomen worden. Het beheer van bestaand groen kan 3 jaar meegenomen worden.. In die gevallen dat een initiatiefnemer ‘bestraft’ zou worden omdat hij zijn erf of perceel al goed heeft ingepast en niet heeft laten verloederen kan maatwerk geleverd worden. Waterschap De regiogemeenten en de waterschappen hebben afgesproken om het waterschap bij de invulling van de kwaliteitsverbetering te betrekken via de watertoets. In ieder geval indien sprake is van een ontwikkeling in natte EVZ, attentiegebied waterhuishouding en invloedsgebied waterkering. Het verschilt per gemeente op welke wijze het waterschap concreet betrokken wordt. Indien er (mogelijk) sprake is van water gerelateerde maatregelen dient het waterschap hierbij in een vroeg stadium betrokken te worden. 5.2Maatregelen kwaliteitsverbetering, voorwaarden en kosten Bij de invulling van de regeling kwaliteitsverbetering landschap kunnen de volgende maatregelen worden ingezet: Het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen; Het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken; Sloop van bebouwing en verwijderen van verharding. Het gaat om netto oppervlakte sloop: de daadwerkelijke afname van (legale) m2; Het realiseren van Natuur Netwerk Brabant, ecologische verbindingszones en gemeentelijke natuurstructuren; Het aanleggen van openbaar toegankelijke extensieve recreatieve mogelijkheden. Klimaatmaatregelen die landschappelijk passend en vormgegeven zijn; Aanvullende wateropgaven die landschappelijk passend en vormgegeven zijn; Indien en voor zover de gemeente dit toestaat: een storting in het gemeentelijk landschapsfonds7 De gemeente Heusden staat storting in een landschapsfonds toe. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de reserve Bovenwijkse voorzieningen, waarbinnen een oormerking plaats vindt voor de gelden met betrekking tot Rood voor Groen en kwaliteitsverbetering landschap. De gemeente maakt storting mogelijk in het geval de noodzakelijke investering niet op de kavel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.