Besluit maatschappelijke ondersteuning Gemeente Meerssen 2024Burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen: Gelet op de bepalingen in de Verordening Maatschappelijke ondersteuning 2024 Gemeente Meerssen. Besluiten: In te trekken het Besluit Maatschappelijke ondersteuning Gemeente Meerssen 2022 (vastgesteld 15 december 2022); Vast te stellen het Besluit maatschappelijke ondersteuning Gemeente Meerssen
(0)GGZ in het kader van de Wmo/GGZ. Het bestaat onder meer uit het bereiken van zorgmijders, het contact leggen met deze doelgroep, zorgcoördinatie en praktische ondersteuning. Op het moment dat er bereidheid is om zorg te accepteren bijvoorbeeld in de thuissituatie of in een voorziening van Maatschappelijke Opvang, is er geen sprake meer van zorgmijding. De cliënt kan aanspraak maken op begeleiding als hij hierop is aangewezen op basis van een (vermoeden van een) grondslag in combinatie met matige tot zware beperkingen op de vijf terreinen die toegang geven tot begeleiding. 9.4 Begeleiding en de Zorgverzekeringswet Zorg die medisch specialisten bieden, behoort tot de geneeskundige zorg die in het kader van de Zorgverzekeringswet is verzekerd. De zorg is gericht op behandeling van een stoornis en heeft als doel herstel of voorkomen van verergering van deze stoornis. De behandeling is niet beperkt tot de medische interventies, maar omvat -afhankelijk van de aard van de ingreep -in de Zorgverzekeringswet ook de nodige begeleiding (RZA 2006, 187; RZA 2008, 58). Het kan hier gaan om individuele begeleiding, maar ook om dagbesteding vanwege de psychiatrische behandeling. Deze begeleidingsactiviteiten zijn een onlosmakelijk onderdeel van de behandeling en hebben een geneeskundig doel. Notabene: als er sprake is van ambulante Zorgverzekeringswet-behandeling dan is het van belang om te onderzoeken of deze behandeling de totale zorgbehoefte van de cliënt op het gebied van de zelfredzaamheid compenseert. Als dat niet het geval is, kan er aanspraak zijn op de functie begeleiding. 10.Behandelmijding en verwaarlozing Behandelmijding betekent dat de psychiatrische behandeling die nodig is vanwege de aandoening niet gezocht of geaccepteerd wordt; de cure wordt geweigerd. Vaak ligt de oorzaak hiervan in een gestoorde oordeelsvorming, het ontbreken van ziektebesef en/of ziekte-inzicht. Soms kan bij een cliënt door behandelmijding verwaarlozing optreden, doordat de cliënt onvoldoende voor zichzelf zorgt en er daardoor risico is op ziekte, ondervoeding en/of vervuiling. Veelal ontbreken de structuur en regie in het dagelijks leven. De verwaarlozing kan niet door een eigen netwerk of een voorliggende voorziening worden gecompenseerd. Indien de cliënt behandelmijder is en er risico is op verwaarlozing, kan er aanspraak zijn op begeleiding als de cliënt hierop is aangewezen op basis van een (vermoeden van een) grondslag in combinatie met matige tot zware beperkingen op de vijf terreinen die toegang geven tot begeleiding. Ondanks dat er behandeling mogelijk is als voorliggende voorziening, kan er in deze situatie voor de periode van een jaar minimale zorg inzet worden geïndiceerd ter voorkoming van verwaarlozing. Hiermee wordt de cliënt geprikkeld om zich (toch)te laten behandelen. Bijlage5Normen, kosten onderhoud, keuring en reparatie Normen per 1 januari 2015 bij uitbreiding van ruimten, ingevolge artikel 20 van dit besluit Als het gaat om uitbreiding van ruimten, worden de volgende maximaal aantal m2 aangehouden waarvoor een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt: soort vertrek aanbouw uitbreiding van een reeds aanwezig vertrek woonkamer maximaal 30 m2 maximaal 6 m2 keuken maximaal 10 m2 maximaal 4 m2 éénpersoons slaapkamer maximaal 10 m2 maximaal 4 m2 tweepersoons slaapkamer maximaal 18 m2 maximaal 4 m2 toiletruimte maximaal 2 m2 maximaal 1 m2 badkamer - wastafelruimte maximaal 2 m2 maximaal 1 m2 badkamer - doucheruimte maximaal 3 m2 maximaal 2 m2 entree / hal / gang maximaal 5 m2 maximaal 2 m2 berging maximaal 6 m2 maximaal 4 m2 Maximale vergoeding voor kosten van onderhoud, keuring en reparatie als gevolg van artikel 26 van dit Besluit: Keuringen Onderhoud Soorten liften Frequentie keuring Kosten excl. BTW Frequentie onderhoud Kosten excl. BTW Stoellift 1x per 4 jaar € 216,20 1x per jaar € 443,30 Rolstoel-plateaulift 1x per 4 jaar € 263,40 1x per jaar € 443,30 Woonhuisliften 1 x per 1,5 jaar € 263,40 2x per jaar € 886,60 Hefplateaulift 1x per 1,5 jaar € 267,20 2x per jaar € 886.60 Balanslift 1x per 1,5 jaar € 76,50 1x per jaar € 443,30 Alleen de werkelijk gemaakte kosten van keuring, onderhoud (met een maximum van de in de tabel genoemde bedragen) en reparatie (niet gebonden aan een maximum) aan de hieronder genoemde onderdelen komen in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming. Maximale toeslagen op bovengenoemde tarieven; 50% voor installaties geplaatst buiten de woning; 50% voor installaties die meer dan 1 verdieping overbruggen; 50% voor installaties, uitgevoerd met elektrisch aangedreven plateaus en/of afrijdbeveiliging resp. elektrisch wegklapbare raildelen. Reparatie De werkelijke kosten van reparatie komen voor vergoeding in aanmerking, mits gedeclareerd binnen één jaar na betaling. De maximale vergoeding voor kosten van onderhoud, keuring en reparatie van liften is met de aanbesteding van de trapliften per 1-10-2010 feitelijk overbodig geworden: het onderhoud en de reparaties zijn namelijk onderdeel geworden van een totaalprijs. Deze bijlage wordt aangehouden voor het nog uitstaande bestand trapliften van vóór de aanbesteding (afbouwregeling). Bovengenoemde bedragen worden om deze reden niet meer geïndexeerd. (Maximale) normbedragen per 1 januari 2015 bij woningsanering als gevolg van artikel 25 van dit besluit bedrag incl. btw per vloerbedekking vinyl € 45,00 meter (4 meter breed) jaloezieën € 17,00 meter (175 cm. hoog) (bron: NIBUD) Bijlage6Richtlijn normering aantal zones collectief vervoer Algemeen In de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wordt onder andere geregeld dat mensen met een beperking ondersteuning bij hun verplaatsingsbehoefte kunnen krijgen. Het kan gaan om ouderen, gehandicapten of mensen met psychi(atri)sche problemen. In het zogenaamde keukentafelgesprek kijk je samen met de klant naar wat de ondersteuningsvraag precies is. Vervolgens beoordeel je, samen met de klant; Wat de klant zelf kan doen om de vraag op te lossen; Wat familieleden, buren of andere mensen voor de klant kunnen doen om hier een bijdrage aan te leveren; Of er een wettelijke of voorliggende voorziening is waarmee het ervaren probleem kan worden opgelost; En tot slot, als voorstaande onvoldoende kan bijdragen aan de oplossing van het probleem, of in het kader van de Wmo een voorziening kan worden aangeboden die de beperking wel kan oplossen. De kernvraag is eigenlijk: hoe zou de zorgaanvrager willen dat zijn dagelijkse leven er uitziet, ondanks de mobiliteitsbeperkingen? In dit afwegingskader wordt zoveel als mogelijk gekeken naar het benutten en versterken van de eigen mogelijkheden van mensen. Het heeft bijvoorbeeld de voorkeur dat iemand leert om gebruik te maken van het OV dan dat een aparte individuele voorziening voor de vervoersbehoefte van deze persoon wordt verstrekt. Het gebruik van reguliere vervoersmiddelen draagt sterker bij aan de zelfredzaamheid, mobiliteitsvrijheid en maatschappelijke participatie van cliënten dan geïndiceerde voorzieningen. Echter wanneer in het keukentafel gesprek geconcludeerd is dat de klant zelf en zijn naaste omgeving onvoldoende mogelijkheden hebben om het door de klant ervaren probleem op te lossen, moet worden beoordeeld of een voorziening in het kader van de Wmo de oplossing kan zijn. Vervoersvoorzieningen Vervoersvoorzieningen maken het mensen met een beperking mogelijk om zich lokaal te verplaatsen. Als zij het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van dat openbaar, kunnen zij in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening voor het dagelijkse sociale vervoer. Hierbij wordt uitgegaan van de goedkoopst compenserende voorziening. Onderstaand een uitwerking van de algemene en collectieve vervoersvoorziening. Ad 1 Afwegingskader algemene vervoersvoorziening Is er een reële alledaagse behoefte aan vervoer? → nee Er is geen indicatie voor een maatwerkvoorziening. ↓ ja Zijn er lichamelijke / verstandelijke → nee Er is geen indicatie voor een maatwerkvoorziening. Is dit op te lossen (te compenseren) met een vervoersvoorziening? Zie opmerkingen! → nee Er is geen indicatie voor een maatwerkvoorziening ↓ ja Is de cliënt geholpen met een algemeen gebruikelijk middel, zoals een fiets, een brommer of fiets met hulpmotor? → ja Er is geen indicatie voor een maatwerkvoorziening. ↓ nee Is de vervoersvoorziening noodzakelijk om te kunnen blijven deelnemen aan het maatschappelijk verkeer? → nee Er is geen indicatie voor een maatwerkvoorziening. ↓ ja Is het verstrekken van de vervoersvoorziening verkeersveilig te noemen? → nee Er is geen indicatie voor een maatwerkvoorziening. Bekeken moet worden in hoeverre een andere voorziening een oplossing biedt (een zogenoemde second best solution). ↓ ja ↓ Is er een andere (second best) voorziening die een oplossing zou bieden? ← Ja ↓ Nee Er is een indicatie voor een (tijdelijke) vervoersvoorziening (of vervangende, second best, voorziening) Er is geen indicatie voor een maatwerkvoorziening. Opmerkingen ten aan zien van afwegingskader algemene vervoers- voorziening Het hebben van een lichamelijke of verstandelijke beperking betekent niet automatisch dat men geen gebruik kan maken van het OV. De provincie en gemeenten hebben de afgelopen jaren veel geld geïnvesteerd in het toegankelijk maken van het OV, ook voor mensen met een beperking. Gebruik van trein of bus is praktisch mogelijk zonder obstakels. Het OV is ook met rollator of zelfs rolstoel te gebruiken. Wijs de klant op ondersteunende informatie rond het (openbaar)vervoer. Zoals www.ikwilvervoer.nl of www.9292ov.nl. Uit onderzoek is gebleken dat 25% tot 40% van de klanten met een Wmo indicatie collectief vervoer gebruik kunnen maken van het OV. Denk ook aan de Wensbus of gelijksoortige initiatieven die als aanvulling op of vervanging van het OV kunnen worden gezien. De Wensbus wordt gesubsidieerd door de Provincie Limburg en rijdt op afroep in gebieden waar geen of onvoldoende openbaar vervoer is. Het is een initiatief van vrijwilligers om de bereikbaarheid en leefbaarheid in kleine kernen en in wijken en buurten te ondersteunen https://www.limburg.nl/onderwerpen/verkeer-vervoer/openbaar-vervoer/wensbus/ Ad 2 Afwegingskader collectieve maatwerk vervoersvoorziening Als een vervoersvoorziening is geïndiceerd geldt in principe het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer, i.c. Omnibuzz, als voorliggende en compenserende voorziening. Hierbij moet wel rekening gehouden worden met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. De Centrale Raad van Beroep heeft inmiddels bepaald dat collectief vervoer een individuele voorziening is, waarvoor in principe het verplichte alternatief van een persoonsgebonden budget bestaat. Daar mag in individuele gevallen vanaf worden geweken als duidelijk is dat het collectief vervoer ook in de situatie van betrokkene leidt tot een adequate compensatie. Ook aantoonbare efficiencyoverwegingen mogen een rol spelen. De afweging of daar sprake van is zal altijd gemaakt moeten worden. Het is daarom noodzakelijk dat altijd een individuele afweging gemaakt wordt. Hierbij moet met onderstaande punten rekening gehouden worden. Zie bijlage. Bepalen vervoersbehoefte Het onderzoek naar de vervoersbehoefte, is een belangrijk onderdeel bij het beoordelen welke vervoersvoorziening de beperkingen compenseert. Hierbij gaat de indicatiesteller na hoe de vervoersmogelijkheden van het collectief vervoer zich verhouden tot de kenmerken van de aanvrager, zijn beperkingen en zijn vervoersbehoeften. Bij het onderzoek naar het verplaatsingspatroon van de aanvrager worden de volgende aspecten meegenomen: Wat zijn de redenen voor de verplaatsingen (verplaatsingsmotief)? Waar gaat de aanvrager naartoe, ofwel wat is zijn verplaatsingsbestemming? Het gaat hierbij om zowel de korte (minder dan 100 meter) als om langere afstanden. Wat is de frequentie van de verplaatsingen? Hoe verplaatst de aanvrager zich (auto, fiets e.d.)? Hierbij moet de vraag worden gesteld of deze verplaatsingen voor betrokken klant relevant zijn om deel te (blijven) nemen aan het maatschappelijk leven en de wezenlijke sociale contacten te onderhouden. Uitgangspunt hierbij is dat wat mensen normaal gesproken van dag tot dag doen wanneer zij zich buitenshuis zelfstandig verplaatsen. Aangenomen wordt dat de gemiddelde Nederlander zich vier à vijf keer per dag verplaatsen, waarbij heen en terug als een aparte verplaatsen gerekend wordt. Samengevat wordt onder een reële vervoersbehoefte verplaatsingen gezien m.b.t. onderhouden sociale contacten, boodschappen doen en recreatieve doeleinden. De gemeente heeft voor de vervoersbehoefte buiten de regio, ongeveer 25 km, geen compensatieplicht. In deze behoefte kan worden voorzien middels het vervoersysteem Valys (onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). Vervoersbehoefte ten behoeve van werk, school of behandeling op grond van WLZ, behoren niet tot de Wmo compensatieplicht. De Centrale Raad van Beroep heeft daarnaast ook bepaald dat een vervoerbehoefte in verband met vrijwilligerswerk geen aanleiding is voor het verstrekken van een vervoersvoorziening. De Centrale Raad gaat er van uit dat vervoerskosten betaald kunnen worden door de organisatie waarvoor het vrijwilligerswerk verricht wordt. Het vervoer naar bijvoorbeeld dagopvang, dagverzorging of behandeling van bepaalde ziektes (zie onder Zittend Ziekenvervoer) valt in principe evenmin onder de Wmo compensatieplicht. Deze bestemmingen zijn niet te vatten onder de verplaatsingen die mensen normaliter van dag tot dag plegen te ondernemen. Hierbij moet worden opgemerkt dat enkele gemeenten, bijvoorbeeld Venlo, een aparte indicatie afgeven voor het bezoeken van de dagverzorging. Het vervoer in verband met onderwijs valt ook niet onder de compensatieplicht van de Wmo. Er zijn hierbij voorliggende voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving. Zittend ziekenvervoer In sommige gevallen vergoedt de zorgverzekeraar uit de Zorgverzekeringswet (Zvw) het vervoer naar en van een ziekenhuis, zorgverlener of instelling. Dat hangt onder meer af van de ziekte die iemand heeft. Het vervoer kan per ambulance plaatsvinden of met (eigen) auto, taxi of openbaar vervoer (zittend ziekenvervoer). Als begeleiding nodig is, kan de zorgverzekeraar de kosten van vervoer van een begeleider ook vergoeden. Bij zittend ziekenvervoer geldt een eigen bijdrage per kalenderjaar en bij alle vervoer is het eigen risico van toepassing. De zorgverzekeraar vergoedt alleen kosten voor het gebruik van de (eigen) auto, taxi of openbaar vervoer als een verzekerde: Nierdialyses moet ondergaan in een instelling. Behandelingen bij kanker met chemotherapie, immuuntherapie of radiotherapie moet ondergaan. Zich uitsluitend per rolstoel kan verplaatsen, Een zeer beperkt gezichtsvermogen (slechtziendheid) heeft, dat verplaatsing zonder begeleiding niet mogelijk is. Jonger dan 18 jaar is, en gebruik maakt van verzorging vanwege complexe somatische (lichamelijke) problematiek, of een lichamelijke handicap heeft. Hardheidclausule Vergoeding van ziekenvervoer is beperkt tot een aantal gevallen (zie hierboven). Wanneer verzekerden niet tot de genoemde categorieën behoren, kunnen zij soms toch in aanmerking komen voor vergoeding van vervoerskosten. Dat is het geval als iemand voor de behandeling van een langdurige ziekte of aandoening voor langere tijd vervoer nodig heeft. Deze mogelijkheid staat ook bekend als de 'hardheidsclausule'. Een verzekerde die recht heeft op een vergoeding van de reiskosten, kan ook een vergoeding voor de reiskosten van zijn begeleider krijgen, als begeleiding noodzakelijk is. Kosten Voor het zittend ziekenvervoer betaalt de verzekerde een eigen bijdrage per kalenderjaar. In 2023 bedraagt de eigen bijdrage €
- Het verplicht eigen risico geldt voor vervoer dat wordt vergoed uit de Zvw. De aanspraak op vervoer staat beschreven in de volgende wetsartikelen: artikel 2.13 van het Besluit zorgverzekering artikel 2.14 van het Besluit zorgverzekering artikel 2.15 van het Besluit zorgverzekering artikel 2.37 van de Regeling zorgverzekering Bepalen van de voorziening De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geoperationaliseerd middels het loopafstandscriterium “maximale loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo (binnen 20 minuten), afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk in het openbaar vervoer te komen, dan ook komt men voor vervoersvoorzieningen in aanmerking. Met een systeem voor collectief vervoer of met een andere individuele voorziening dient tenminste een afstand van 1500 - 2000 km per jaar te kunnen worden afgelegd. Als daar aanleiding voor is, kan dit aantal worden verhoogd. Uitspraken van de CRvB geven deze ondergrens van 1500-2000 km aan bij het inzetten van collectief vraagafhankelijk vervoer of een andere individuele voorziening om eenzelfde resultaat te bereiken. Bij dit aantal kilometers kan het gebruik van een andere, verstrekte, voorziening zoals een scootmobiel, meegenomen worden hetgeen invloed kan hebben op het aantal kilometers. Bij personen met een loopafstand van minder dan 100 meter moet beoordeeld worden of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand. Ingevolge jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is het criterium voor een vervoersvoorziening voor een korte afstand geoperationaliseerd met het loopafstandscriterium “maximale loopafstand 100 meter’’. Kan men geen 100 meter al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen dan wordt men verondersteld ook een voorziening op de korte afstand, in de woonomgeving, nodig te hebben. Jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geeft aan dat voor mensen met een loopafstand tot 100 meter een vervoersvoorziening voor de korte afstand dwingend is. Bij een loopafstand tussen de 100 en 800 meter is dit een mogelijkheid als dit noodzakelijk is voor het oplossen van de ervaren belemmeringen van de betrokkene. Aan de hand van de vervoersbehoefte moet beoordeeld worden of deze behoefte bij een persoon met een maximale loopafstand van 800 meter ingevuld kan worden met Omnbibuzz. Hierbij wordt rekening gehouden met de persoonskenmerken en behoeften van de klant. Afwegingskader Omnibuzz Is het verplaatsingspatroon noodzakelijk om deel te (blijven) nemen aan het leven van alle dag Is de maximale loopafstand van de klant minder dan 800 meter (af te leggen binnen 20 minuten) Behoren de verplaatsingen tot de compensatieplicht van de gemeenten Kan Omnibuzz voorzien in een volledige compensatie van de noodzakelijke vervoersbehoefte. Als deze vragen met ja beantwoord kunnen worden kan een vervoersindicatie “Omnibuzz” worden verstrekt. Als vraag 4 met nee moet worden beantwoord kan de vervolgvraag 5 worden gesteld Kan de compensatie volledig gemaakt worden door één van de opties: Taxi De cliënt is fysiek niet in staat om plaats te nemen in een busje. Denk hierbij aan mensen, die niet (met hulp van de chauffeur) de treden van het busje kunnen nemen. Het is noodzakelijk een personenauto in te zetten. Toeslag: 10% Bus De cliënt is fysiek niet in staat om plaats te nemen in een personenauto. Denk hierbij aan bijvoorbeeld aan zeer corpulente personen of mensen die de knieën niet kunnen buigen. Er moet een busje worden ingezet. Let op: bij reizen met hulpmiddelen, zoals een scootmobiel of rolstoel, komt voor de uitvoering automatisch altijd een bus, anders kan de rit niet uitgevoerd worden. Hiervoor is de indicatie ‘Bus’ NIET noodzakelijk Toeslag: 10% Voorin De cliënt moet altijd voorin kunnen zitten. Maak hierbij de overweging tussen wens en noodzaak.Toeslag: 10% Direct (rechtstreeks vervoer) De cliënt moet zo snel mogelijk naar zijn bestemming. Er mag gecombineerd worden, maar hij/zij wordt altijd als eerste naar de bestemming gebracht. (Denk hierbij aan beperkingen door incontinentie, zuurstof, wagenziekte etc). Toeslag: 10% Individueel De cliënt mag niet gecombineerd worden met andere passagiers. Denk hierbij aan een gedragsstoornis, bijvoorbeeld autisme. Maak de overweging of direct vervoer en/of voorin geen alternatief is! Toeslag: 25% Kamer/Kamer De cliënt moet worden opgehaald en afgezet in de woning/wooneenheid. De chauffeur dient de klant te ondersteunen bij het begeleiden naar de kamer. Toeslag: 25% Verplicht reizen met begeleider Reiziger mag uitsluitend met begeleider reizen. Kan op medisch advies, of op basis van beperking zelfregie/extra zorg. Toeslag: geen Indicatie Extra Zorg (vanaf 1-1-2020) Bijvoorbeeld als gevolg van alzheimer/dementie, cognitieve of angststoornissen, gedragsproblemen, reiziger kan niet praten. De indicatie bevat o.a.: Indien gewenst, speciale afspraken bij de ritreservering; Reist verplicht op rekening, geen contante betaling; Reizen zonder pas is toegestaan; Wachttijd van 2 minuten naar maximaal 5 minuten; Chauffeur wijkt nooit af van geboekte bestemming. Toeslag: 10% Indicatie Persoonlijke Overdracht (vanaf 1-1-2020) Toelichting: bij bestemming altijd aanbellen en wachten totdat iemand de klant overneemt. Als niemand aanwezig is, mag de chauffeur niet vertrekken of moet de klant weer meenemen. Dit legt dus ook een deel van verantwoordelijkheid bij de klant, er zal iemand aanwezig moeten zijn om de rit conform indicatie uit te kunnen voeren. Toeslag: 20% (inclusief indicatie Extra Zorg) Zo nodig kan dus de indicatie “Omnibuzz” worden aangevuld met één of meer van bovenstaande opties. Hou er wel rekening mee dat deze voor de gemeenten kostenverhogend zijn. Ken die optie(s) dus alleen maar toe als deze ook echt noodzakelijk is/zijn. De gemeente betaalt per zone € 4,21 (tarief 2019, incl. BTW) minus de eigen bijdrage van de klant. Let op dat bij het toekennen van opties, deze elkaar niet overlappen. Bijvoorbeeld de combinatie van optie 5 met optie 4 of
- Hou er rekening mee dat de toeslagen van verschillende opties worden opgeteld, 2 + 5 betekent dus in totaal 35% toeslag. Opmerkingen ten aanzien van het afwegingskader Omnibuzz Wijs de klant op de Voor Elkaar Pas (VEP). Met de VEP kan de klant zowel in het OV als met Omnibuzz-vervoer reizen. Met de VEP krijgt de klant korting op het reguliere OV-tarief van Arriva in Limburg. In de OV-bussen van Arriva krijgt hij/zij altijd 37% korting. In de treinen van Arriva krijgt men na 09.00 uur 25% korting. De VEP kost, zonder begeleiderspas, € 6,50 en met begeleiderspas, € 8,00 per jaar (tarieven 2019). Ook kan overwogen worden vervoersindicatie af te geven voor een individueel budget collectief vervoer. Hierbij wordt dan uitgegaan van een basisbudget. De hoogte van het basisbudget is gesteld op 590 zones per jaar. Zoals eerder in dit stuk aangegeven blijkt uit jurisprudentie van de Centrale Raad onder de toenmalige Wet voorzieningen gehandicapten, nu Wet maatschappelijke ondersteuning, dat mensen met een beperking de mogelijkheid moeten krijgen om met een vervoersvoorziening of een combinatie van vervoersvoorzieningen op jaarbasis 1.500 tot 2.000 kilometer af te kunnen leggen. Als 2000 km vertaald wordt naar zones, waarbij rekening gehouden wordt met de extra opstapzone, komt dit neer op ongeveer 590 zones op jaarbasis. Dit houdt in dat aan de compensatieplicht wordt voldaan als het basisbudget tenminste een omvang heeft van 590 zones inclusief opstapzone per jaar. Deze 590 zones van het basisbudget kunnen verdeeld worden in de volgende vervoersbehoeften: Verdeling basisbudget in vervoersbehoeften en bijbehorende zones Vervoersbehoeften Zones (inclusief opstapzone) Wekelijks boodschappen doen 160 Wekelijks verenigingen of clubs bezoeken (kienen, harmonie, voetbalclub etc.) 120 Wekelijks familie bezoeken 120 Eens per maand er op uit gaan (markt bezoeken, shoppen, steden bezoeken, sociaal culturele instellingen bezoeken etc.) 90 Eens in de 3 maanden ziekenhuisbezoek 40 Onvoorziene vervoersbehoeften 60 Totaal 590 De vervoersbehoeften in de tabel zijn gebaseerd op onderzoekgegevens van Omnibuzz uit het reguliere klanttevredenheidsonderzoek. Uit deze cijfers blijkt dat familiebezoek, boodschappen doen, verenigingen/clubs bezoeken, ziekenhuisbezoek en er eens op uitgaan, de vijf meest gebruikte doeleinden zijn waarvoor de Omnibuzz ingezet wordt. Overwogen kan worden om een korting op het basisbudget toe te passen als de klant al de beschikking heeft over een voorziening waarmee hij/zij al deels in de vervoersbehoefte kan voorzien. Hierbij kan gedacht worden aan een indicatie “hulp in het huishouden” waarbij de component “boodschappen doen” is meegenomen. Conform bovenstaande tabel zou dat een korting van 160 zones op het basisbudget betekenen. Ook het verblijf in een zorginstelling, en geen recht op voorziening in het kader van de Wet Langdurige Zorg (WLZ), legitimeert een korting op het basisbudget van maximaal 295 zones. Immers boodschappen en ontspanningsactiviteiten kunnen, in elk geval voor een deel, in de zorginstelling plaats vinden. Daarnaast kan uit het onderzoek naar de vervoersbehoefte blijken dat de aanvrager gedurende een deel van het jaar gebruik moet maken van Omnibuzz en voor de rest van de tijd gebruik kan maken van het OV, bijvoorbeeld vanwege de weersomstandigheden. Ook dit rechtvaardigt een evenredige korting van het basisbudget. Tenslotte kan ook worden overwogen om een scootmobiel te verstrekken aan de klant, met als intentie om invulling te geven aan de verplaatsingsbehoefte binnen een vast te stellen straal om het huis, bijvoorbeeld 10 kilometer. Tot slot. Een te strenge toepassing van de compensatieplicht kan leiden tot onwenselijke situaties waarbij onvoldoende ruimte is voor “de menselijke maat”. De gemeente heeft een compensatieplicht en voert voor het Wmo-vervoer de indicatiestelling uit. Als blijkt dat toepassing van de regels in individuele gevallen leidt tot een situatie die niet billijk of gewenst is, kan de gemeente, met een beroep op de hardheidsclausule opgenomen in de verordening, in de betreffende situatie maatwerk toepassen. Bijlage7:Afschrijvingstermijnen Afschrijvingstermijnen per 1 januari 2015 bij woonvoorzieningen, als gevolg van artikel 20 van dit besluit Voorziening afschrijjvingstermijn verbreden buitendeur 20 jaar verbreden binnendeur nastelkozijn 20 jaar verbreden binnendeur inmetselkozijn 20 jaar verhogen toegangspad 20 jaar verhogen + verbreden toegangspad 20 jaar hellingbaan buiten staal recht 15 jaar hellingbaan buiten staal met bordes 15 jaar vlonder nabij toegangsdeur 7 jaar vlonder balkon 15 jaar douchevloer op afschot (anti-slip norm R11) 20 jaar Slidex tot 5 m2 6 jaar Slidex tot 10 m2 6 jaar vervangen wandtegels 20 jaar toiletbeugel opklapba