Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Smallingerland 2008Artikel1:Begripsbepaling In deze Verordening wordt verstaan onder: bestaande stal: stal die op 31 december 2006 in gebruik was voor het houden van melkrundvee en of jongvee en waarvoor dat gebruik was toegestaan op grond van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of een vergunning op grond van de Wet milieubeheer. bestaande veehouderij: bedrijf waarvoor op 31 december 2006 een vergunning op grond van de Wet milieubeheer was verleend dan wel die op deze datum viel onder de werkingssfeer van het Besluit landbouw milieubeheer en die op 31 december 2006 was opgericht en in werking gebracht als veehouderij, inclusief legale uitbreidingen en wijzigingen van de inrichting na deze datum. intensieve veehouderij: veehouderij voor het fokken, mesten of houden van dieren van een diercategorie waarvoor bij een ministeriële regeling krachtens de Wet een geuremissiefactor is vastgesteld. melkrundvee: vee gedefinieerd als melkrundvee in het Besluit landbouw milieubeheer. rundveehouderij: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1 derde lid van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het houden van melkrundvee met bijbehorend jongvee dan wel voor het houden van jongvee ter opfok tot melkrundvee. veehouderij: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1 derde lid van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren. Wet: de Wet geurhinder en veehouderij. zorgboerderij: voormalig agrarisch bedrijf waar bedrijfsmatig dagbesteding voor mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke handicap, personen met een psychische of sociale hulpvraag en/of zorgbehoevende ouderen al dan niet in combinatie met overnachtingsmogelijkheden voor de doelgroepen als zorginstelling wordt geïnitieerd en begeleid. Artikel2:aanwijzing gebieden 1.Als "deel van het grondgebied" als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet worden de op bijlage 1 van deze Verordening aangegeven gebieden aangewezen. 2.Als "deel van het grondgebied" als bedoeld in artikel 6 lid 3 van de Wet worden de op de in bijlage 2 van deze Verordening aangegeven gebieden aangewezen. Artikel3:Waarden voor de geurbelasting 1.Binnen de op grond van artikel 2 lid 1 van deze Verordening aangewezen gebieden is de waarde genoemd in artikel 3 lid 1 onder c van de Wet niet van toepassing op bestaande veehouderijen. 2.Binnen het op grond van artikel 2 lid 1 van deze Verordening aangewezen gebied bij het dorp Drachtstercompagnie bedraagt voor bestaande intensieve veehouderijen de maximale waarde voor de geurbelasting 6.0 odeur units per kubieke meter lucht. 3.Binnen het op grond van artikel 2 lid 1 van deze Verordening aangewezen gebied bij het dorp Opeinde bedraagt voor bestaande intensieve veehouderijen de maximale waarde voor de geurbelasting 5.0 odeur units per kubieke meter lucht. 4.De in lid 2 en 3 genoemde odeur units per kubieke meter lucht gelden voor zover het betreft: geurhinder vanwege de tot die veehouderij behorende dieren die bedrijfsmatig of daaraan gelijk gesteld worden gehouden, een buitenzijde van een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Artikel4:afstanden bebouwde kom 1.Ten opzichte van de op grond van artikel 2 lid 2 van deze Verordening aangewezen gebieden zijn de afstanden genoemd in artikel 4 lid 1 aanhef en onder a van de Wet niet van toepassing voor: rundveehouderijen waar melkrundvee met bijbehorend jongvee wordt gehouden, rundveehouderijen waar jongvee in opfok wordt gehouden, of veehouderijen waar maximaal 50 stuks paarden worden gehouden. 2.Binnen de op grond van artikel 2 lid 2 van deze Verordening aangewezen gebieden bedraagt de afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf bij een inrichting als bedoeld in lid 1 onder a, b en c en de buitenzijde van een geurgevoelig object in de bebouwde kom minimaal 50 meter. 3.In stallen binnen een afstand van 50 tot 100 meter mag, naast paarden, alleen jongvee worden gehouden, tot een maximum van 200 stuks. 4.Als het aantal melkrundvee met bijbehorend jongvee in de inrichting maximaal 200 bedraagt, mag in afwijking van lid 3 in stallen binnen een afstand van 50 tot 100 meter melkrundvee met bijbehorend jongvee worden gehouden. 5.De in lid 2 tot en met 4 genoemde afstanden gelden voor zover het betreft: geurhinder vanwege de tot die veehouderij behorende dieren die bedrijfsmatig of daaraan gelijk gesteld worden gehouden, een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Artikel5:afstand buiten bebouwde kom 1.De afstanden genoemd in artikel 4 lid 1 aanhef en onder b van de Wet niet van toepassing voor: bestaande rundveehouderijen waar melkrundvee met bijbehorend jongvee wordt gehouden, bestaande rundveehouderijen waar jongvee in opfok wordt gehouden, of bestaande veehouderijen waar maximaal 50 stuks paarden worden gehouden. 2.De afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf bij een inrichting als bedoeld in lid 1 onder a, b en c en de buitenzijde van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom bedraagt minimaal 25 meter. 3.In stallen binnen een afstand van 25 tot 50 meter mag de veebezetting niet toenemen (stand still beginsel veeaantal). 4.In stallen binnen de afstand van 25 tot 50 meter mogen de dierplaatsen niet op kortere afstand liggen dan op grond van een melding of vergunning op grond van de Wet milieubeheer was toegestaan op 31 december 2006 (stand still-beginsel afstand). 5.Uitbreiding van de veebezetting moet plaatsvinden in stallen op een minimale afstand van 50 meter. 6.De in lid 2 tot en met 5 genoemde afstanden gelden voor zover het betreft: geurhinder vanwege de tot die veehouderij behorende dieren die bedrijfsmatig of daaraan gelijk gesteld worden gehouden, een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Artikel6:afstanden tot zorgboerderijen en rundveehouderijen buiten bebouwde kom 1.De afstanden genoemd in artikel 4 lid 1 aanhef en onder b van de Wet zijn niet van toepassing voor rundveehouderijen waar jongvee in opfok of melkrundvee met bijbehorend jongvee wordt gehouden tot: een andere rundveehouderij buiten de bebouwde kom, of een zorgboerderij buiten de bebouwde kom. 2.De afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf bij een inrichting als bedoeld in lid 1 aanhef en de buitenzijde van een geurgevoelig object als bedoelt in lid 1 onder a of b bedraagt minimaal 25 meter. Artikel7:Citeertitel Deze Verordening wordt aangehaald als "Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Smallingerland 2008". Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van … 2008De griffier, de voorzitter,Toelichting bij de Verordening Wet geurhinder en veehouderij gemeente Smallingerland. Samenvatting In januari 2007 is voor de agrarische sector de nieuwe Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Doelstelling van de Wgv is dat: - deze het kader moet bieden voor de verbetering van een vitaal landelijk gebied; - geurhinder als een lokaal milieuprobleem wordt onderkend, waarvoor indien nodig lokaal beleid moet worden ontwikkeld. In de Wgv zijn voor de vergunningplichtige veehouderijbedrijven grenswaarden opgenomen. Voor melkveehouderij- en paardenbedrijven betreft dat afstandeisen. Voor de intensieve veehouderijbedrijven zijn geurnormen vastgesteld. Het afwijken van deze grenswaarden is alleen mogelijk als daarvoor een gemeentelijke Verordening is vastgesteld. De gewenste ruimtelijke inrichting van een gebied is volgens de wet het belangrijkste uitgangspunt voor de onderbouwing van afwijkende normwaarden. Wat wil je als gemeente en welke geurbelasting is aanvaardbaar en passend bij dat gebied. Op deze manier kan een gemeente invulling geven aan het zogenaamde gebiedgerichte geurbeleid op basis van de Wet geurhinder en veehouderij. Gebleken is dat voor een gewenste ruimtelijke ontwikkeling bij het dorp Drachtstercompagnie een andere geurnormstelling noodzakelijk is. Verder wordt een aantal bestaande intensieve veehouderijbedrijven, met name bij de dorpen Drachtstercompagnie en Opeinde, ten opzichte van de voormalige regelgeving in de bedrijfsvoering beperkt. Om de toekomst voor deze bedrijven veilig te stellen is aanpassing van de geurnormen nodig. Een aanpassing van de geurnorm is nodig van 2 tot 6 odour units. Daarnaast is voor een aantal bestaande melkveehouderijbedrijven, het houden van paarden of de uitoefening van een zorgboerderij het aanpassen van afstanden vereist. Afhankelijk van de bedrijfsvoering worden de afstanden aangepast tot minimaal 25 meter buiten de bebouwde kom en 50 meter bij de bebouwde kom. Voor de kwaliteit van de leefomgeving levert het aanpassen van de geurnormen en de minimale afstanden geen problemen op. Bij deze afwijkende normstelling blijft er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met het voorgestelde beleid is sprake van een gelijkwaardig beschermingsniveau als onder de vorige geurregelgeving. Ontwikkelingen die toen ook mogelijk en aanvaardbaar waren, zijn met het voorgestelde beleid ook weer mogelijk. De concept-Verordening is, conform onze inspraakverordening, ter inzage gelegd. Tevens is deze om advies voorgelegd aan de standsorganisatie LTO-Noord. Ook heeft een overleg met de LTO plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan is voor melkrundveehouderij bedrijven artikel 5 aangepast. In het buitengebied is o.a. de grens aan de veebezetting vervallen. Tevens zijn twee schriftelijke inspraakreacties ontvangen. Naar aanleiding daarvan is de Verordening niet aangepast. In de Verordening is het volgende vastgelegd: Ten opzichte van de bebouwde kom zijn de afstanden voor het houden van maximaal 50 paarden gehalveerd (artikel 4 lid 1 jo. lid 2); bestaande paardenhouderijen met een "vergunning"1 voor het houden van paarden tussen 25 en 50 meter afstand van woningen van derden buiten de bebouwde kom mogen het aantal paarden tot maximaal 50 uitbreiden (artikel 5 lid 1 jo. lid 2 en lid 3); voor rundveehouderijbedrijven met vee op minimaal 50 meter afstand van woningen van derden in de bebouwde kom is tot en met 200 stuks rundvee (met bijbehorend jongvee) de afstand in de Verordening gehalveerd (artikel 4 lid 1 jo. lid 2); bestaande rundveehouderijen met een "vergunning"1 voor vee tussen 25 en 50 meter afstand van woningen van derden buiten de bebouwde kom mogen de veebezetting uitbreiden, waarbij de uitbreiding op 50 meter moet worden gerealiseerd (artikel 5 lid 1 jo. lid 3, lid 4 en lid 5); de afstand tussen een dierverblijf voor rundvee ten opzichte van een woning bij een andere rundveehouderij of een geurgevoelige ruimte in een zorgboerderij buiten de bebouwde kom wordt gehalveerd tot 25 meter (artikel 6); voor bestaande intensieve veehouderijbedrijven rondom het dorp Drachtstercompagnie is de geurimissienorm aangepast aan de mogelijkheden die deze bedrijven tot 1 januari 2007 hadden, met een maximum van 6 odeur units ter plaatse van de bebouwde kom (artikel 3 lid 2); voor het bestaande intensieve veehouderijbedrijf bij het dorp Opeinde is de geurimissienorm aangepast aan de mogelijkheden die dit bedrijf tot 1 januari 2007 had, met een maximum van 5 odeur units ter plaatse van de bebouwde kom (artikel 3 lid 3). 1: Inleiding Voor de agrarische sector zijn in december 2006 en januari 2007 het Besluit landbouw milieubeheer en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) van kracht geworden. Het grootste gedeelte van de melkrundveehouderij bedrijven, paardenhouderijen en ook de zorgboerderijen in onze gemeente valt onder de werking van de algemene regels uit het Besluit landbouw. Voor de bedrijven die niet onder de algemene regels vallen, waaronder intensieve veehouderijbedrijven, is de Wgv van toepassing. Deze bedrijven moeten een vergunning hebben. Bij het in werking treden van de Wgv is aangegeven dat de overgang naar het nieuwe toetsingskader "normneutraal" is. Uit een inventarisatie is gebleken dat de toepassing van de standaardafstanden en geurbelastingen uit de Wgv leidt tot een ongewenste verscherping van de geurnormen voor bestaande rundveehouderijen, paardenhouderijen en intensieve veehouderijen. Ook levert de standaard norm een beperking op voor een gewenste uitbreiding van het dorp Drachtstercompagnie. Door particulieren en door de gemeente zijn al (forse) investeringen gepleegd en/of naar derden verwachtingen gewekt. Een aantal gewenste ontwikkelingen wordt gehinderd of is zelfs niet meer uitvoerbaar. Deze Verordening heeft als doel om deze negatieve effecten van de nieuwe regelgeving voor bestaande bedrijven en de gewenste planologische ontwikkeling bij Drachtstercompagnie ongedaan te maken dan wel te beperken. Bij de besluitvorming voor de Verordening moet het toetsingskader uit de Wgv worden betrokken. In deze toelichting is de motivering voor de Verordening opgenomen. Inzicht in de voormalige regelgeving is daarbij van belang. Om die reden wordt eerst aandacht besteed aan de voormalige wetgeving, (gemeentelijk) beleid en de belangrijkste aandachtspunten uit de huidige wetgeving. Dat wordt gevolgd door de aanleiding voor het opstellen van de Verordening en de motivering van de in de Verordening opgenomen afwijkingen van de standaard toegestane geurbelastingen en minimale afstanden in de Wgv. Tot slot wordt aandacht besteed aan de juridische aspecten en de communicatie/inspraak. 2: Voormalige wet en regelgeving De benodigde afstand tussen stallen en woningen van derden is in de Wgv wezenlijk anders geworden. De afstand werd voor de Wgv, afhankelijk van de soort dieren, bepaald door regelgeving, richtlijnen of beleid. Samengevat kwamen de minimale afstanden tot een woning van derden neer op: 1) 50 meter van een stal voor paarden en 100 meter van een mestopslag (beleid op grond van jurisprudentie), 2) 50 meter van een stal bij een veebezetting van maximaal 100 melkkoeien met bijbehorend jongvee (Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer), 3) 25 meter van een stal bij een veebezetting van maximaal 50 melkkoeien met bijbehorend jongvee bij een melkrundveehouderij die bestond voor 1 augustus 1991 (Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer; met "stand-still" principe afstand en aantal dieren) 4) 50 meter van een stal tot een woning van derden in het buitengebied en 100 meter tot een woning in de bebouwde kom of lintbebouwing bij meer dan 100 melkkoeien (Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996), 5) bij intensieve veehouderijen afhankelijk van de soort en het aantal dieren en de soort omgeving (Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996); de minimale afstand werd bij deze diersoorten groter als het aantal dieren toenam en de woning "geurgevoeliger" werd. Voor de toepassing van de "oude" regelgeving is gemeentelijk beleid vastgesteld. In 1996 is beleid vastgesteld voor de bepaling wanneer het hobbymatig houden van dieren voor de Wet milieubeheer gelijk moest worden gesteld aan het bedrijfsmatig houden van dieren. In 2006 is beleid vastgesteld voor de aan te houden afstanden van paardenbakken tot woningen van derden. Deze beleidsregels zijn ook onder de nieuwe regelgeving nog relevant. Het "praktijkbeleid" voor de aan te houden afstand tussen woningen en stallen voor paarden dan wel mestopslagen is door de nieuwe regelgeving ingehaald. 3: Huidige wetgeving Besluit landbouw milieubeheer: Het Besluit landbouw is op 6 december 2006 in werking getreden en vervangt onder meer het voorgaande Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer. Vrijwel alle agrarische bedrijven, uitgezonderd de intensieve veehouderijen, vallen onder de werking van dit nieuwe Besluit. Het Besluit is van toepassing op veehouderijbedrijven tot een veebezetting van 200 melkkoeien met bijbehorend jongvee en op het houden van maximaal 50 paarden. In dit Besluit zijn ten aanzien van de omgeving beperkingen opgenomen. Afhankelijk van de omgeving is een afstandseis tot naastgelegen woningen van derden van toepassing, te weten: 50 meter in het buitengebied en 100 meter in de meer bebouwde omgeving. In tegenstelling tot de eerdere wetgeving zijn de genoemde afstanden ook van toepassing op het (bedrijfsmatig) houden van paarden. Bedrijven die niet aan de criteria van het Besluit voldoen zijn vergunningplichtig. Het toetsingskader voor deze vergunningplichtige bedrijven is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij. Wet geurhinder en veehouderij (Wgv): De Wgv is op 1 januari 2007 in werking getreden. In de wet zijn de geuraspecten voor de agrarische bedrijven die vergunningplichtig blijven opgenomen. Daarbij worden emissienormen onderscheiden die afhankelijk zijn van o.a. de soort dieren, het aantal dieren, het stalsysteem en de wijze van ventilatie. Daarnaast wordt voor een aantal diersoorten een "vaste" afstand gegeven. Te berekenen afstanden: De kern van de wet is, dat voor verschillende diersoorten geuremissiefactoren zijn bepaald. Op basis van een landelijk te gebruiken computermodel moet vervolgens de geurbelasting op nabijgelegen geurgevoelige objecten worden bepaald. Afhankelijk van de aard van de omgeving (binnen/buiten de bebouwde kom) is een geurnormering van toepassing (odeur units), te weten: - 2 odeur units ter plaatse van de bebouwde kom; - 8 odeur units buiten de bebouwde kom. Als daar niet aan wordt voldaan, kan geen milieuvergunning worden verleend. Een verdere categorie-indeling van de omgeving is niet opgenomen. Vaste afstanden: Niet voor alle diersoorten zijn geuremissiefactoren vastgesteld. Voor onder andere melk- en kalfkoeien, zoogkoeien en bijbehorend vrouwelijk jongvee, paarden en pony’s zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld. Voor deze diersoorten zijn “vaste” afstanden tot geurgevoelige objecten opgenomen. Die zijn: - 50 meter buiten de bebouwde kom; - 100 meter binnen en tot de bebouwde kom. Mogelijkheden tot lokaal beleid: De Wgv geeft de mogelijkheid om, binnen bepaalde grenzen, op lokaal niveau afwijkende regelgeving vast te stellen voor de minimale afstanden en/of maximale geurbelasting. Deze afwijkende regelgeving moet worden vastgelegd in een Verordening. Daarbij moeten de volgende aandachtspunten worden betrokken: 1) de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied; 2) de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied; 3) het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging; 4) de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu; of 5) de afwijkende relatie tussen geurbelasting en geurhinder. 4: Aanleiding Verordening De volgende knelpunten zijn geconstateerd. Bebouwde kom: Een kernbegrip in de Wgv is het begrip "Bebouwde kom". Het verschil in de standaard afstandsnormen en de geurbelastingsnormen voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom is zeer groot. Het begrip "bebouwde kom" is niet duidelijk omschreven en geeft interpretatieproblemen. Het begrip "bebouwde kom" kan niet in een algemeen verbindend voorschrift worden vastgelegd nu het een beoordeling van een feit is. Wel kan een beleidsregel worden opgesteld voor de beoordeling of de feitelijke situatie moet worden geïnterpreteerd als "bebouwde kom" of niet. Op 16 april 2008 hebben burgemeester en wethouders deze beleidsregel vastgesteld. In bijlage 1 is deze beleidsregel opgenomen. Intensieve veehouderij: Het blijkt dat de hindercirkel gebaseerd op de geuremissiefactoren niet normneutraal is. Op basis van berekeningen bij de bestaande intensieve bedrijven in onze gemeente is geconcludeerd dat de hindercirkels fors groter worden. Dat geeft problemen voor de bedrijfsvoering. Door planologisch beleid uit het verleden hebben de meeste intensieve veehouderijbedrijven in onze gemeente zich gevestigd rondom het dorp Drachtstercompagnie. Rondom dit dorp doen zich daarom de meeste "problemen" voor. Ook een gewenste planologische ontwikkeling bij Drachtstercompagnie is daardoor niet meer mogelijk. Het voorgaande is voor twee bedrijven schematisch weergegeven op een overzichtskaart van Drachtstercompagnie die is bijgevoegd als bijlage
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.