Algemene verordening gemeente Eijsden-MargratenDe raad van de gemeente Eijsden-Margraten; gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 30 oktober 2023; overwegende dat in het kader van de invoering van de Omgevingswet een deel van de gemeentelijke regelgeving aangaande de fysieke leefomgeving een plaats dient te vinden in het Omgevingsplan; overwegende dat bundeling van gemeentelijke regelgeving in dat verband de om- dan wel overzetting van de regelgeving faciliteert; overwegende dat van de gelegenheid gebruik kan worden gemaakt om de regeldruk voor de burgers en organisaties te verminderen; overwegende dat de vermindering van de regeldruk is gericht op gemeentelijke regelgeving die betrekking heeft op de openbare orde en openbare veiligheid alsmede de fysieke leefomgeving; gelet op: artikel 108 en 149 Gemeentewet, Titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht, de Alcoholwet, de Wet milieubeheer, artikel 6.7 Wet ruimtelijke ordening, artikel 6.1.3.3 Besluit ruimtelijke ordening, de Wet op de lijkbezorging, de artikelen 1, 8 en 12b Woningwet, artikel 173, tweede lid Wegenverkeerswet 1994, het Besluit wegslepen van voertuigen, artikel 6 Wet geurhinder en veehouderij, de artikelen 5.4, 5.5 en 5.7 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 5.4 Telecommunicatiewet, artikel 3 Wet openbare manifestaties, artikel 2.7 en 15.1 Omgevingswet, artikel 2.1 Omgevingsbesluit, vast te stellen de navolgende Algemene verordening gemeente Eijsden-Margraten: Titel 1 Algemeen Hoofdstuk1.1Algemene bepalingen Artikel1.1.1Definities 1.Bijlage 1 bij deze Verordening bevat definities voor de toepassing van deze Verordening. 2.De definities bedoeld in het eerste lid gelden eveneens voor de toepassing van de regels bij of krachtens deze Verordening. Artikel1.1.2Beslistermijn 1.Het bevoegd bestuursorgaan beslist binnen acht weken op een aanvraag om een toestemming. Deze acht weken-termijn begint de eerste dag na ontvangst van de aanvraag. 2.Het bevoegde bestuursorgaan kan de beslistermijn met maximaal zes weken verlengen. 3.Het eerste en tweede lid gelden niet als daarvan wordt afgeweken bij de bepalingen van deze Verordening. Artikel1.1.3Indienen aanvraag Bij de toestemmingaanvraag of wijzigingsaanvraag van de toestemming, wordt gebruik gemaakt van het door het bevoegde bestuursorgaan vastgestelde formulier. Artikel1.1.4Toestemmingvoorschriften 1.Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden. Het doel van deze voorschriften mag alleen bescherming zijn van het belang waarvoor de toestemming is vereist. 2.Degene voor wie de toestemming geldt, moet zich zo gedragen dat geen strijd ontstaat met de aan de toestemming verbonden voorschriften. Artikel1.1.5Toestemming gekoppeld aan activiteit De toestemming is alleen gekoppeld aan de activiteit waarvoor de toestemming is verleend, tenzij hiervan wordt afgeweken bij of krachtens de bepalingen van deze Verordening. Artikel1.1.6Intrekking en wijziging toestemming De toestemming kan worden ingetrokken of gewijzigd als: onjuiste of onvolledige gegevens zijn ingediend om de toestemming te krijgen; een verandering van de omstandigheden of inzichten is opgetreden na de toestemmingverlening; intrekking of wijziging noodzakelijk is als gevolg van het belang ter bescherming waarvan de toestemming vereist is; aan de toestemming verbonden voorschriften niet zijn of worden nageleefd; van de toestemming geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; het gebruikmaken van de toestemming gevaar oplevert voor de openbare orde, de openbare veiligheid dan wel het woon- en leefklimaat ter plaatse, of de toestemminghouder daarom verzoekt. Artikel1.1.7Geldigheidsduur toestemming De toestemming geldt voor onbepaalde tijd, tenzij: in de toestemming de tijdelijkheid daarvan is beperkt, of de aard van de toestemming zich daartegen verzet. Artikel1.1.8Weigeringsredenen toestemming openbare orde en openbare veiligheid 1.De toestemming wordt geweigerd als: de aanvrager geen belang heeft bij de toestemming, of door gebruikmaking van de toestemming duidelijke strijd ontstaat met andere wettelijke voorschriften. 2.Een toestemming kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en/of openbare veiligheid. 3.Het bevoegde bestuursorgaan kan besluiten de toestemmingaanvraag af te wijzen als deze aanvraag wordt ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de toestemming nodig heeft, waardoor een zorgvuldige behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel1.1.9Weigeringsredenen toestemming fysieke leefomgeving (Tijdelijk deel omgevingsplan) 1.De toestemming wordt geweigerd als: de aanvrager geen belang heeft bij de toestemming, of door gebruikmaking van de toestemming duidelijke strijd ontstaat met andere wettelijke voorschriften. 2.Een toestemming kan worden geweigerd in het belang van de fysieke leefomgeving. 3.Het bevoegde bestuursorgaan kan besluiten de toestemmingaanvraag af te wijzen als deze aanvraag wordt ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de toestemming nodig heeft, waardoor een zorgvuldige behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel1.1.10Hogere wetgeving Het bepaalde bij of krachtens deze Verordening is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hogere wetgeving. Artikel1.1.11Algemene regels Het bestuursorgaan dat bevoegd is een toestemming te verlenen bij of krachtens deze Verordening, kan algemene regels vaststellen die in de plaats treden van de toestemmingplicht of daarnaast gelden. Artikel1.1.12Nadere regels Het bestuursorgaan kan nadere regels vaststellen ter invulling van een aan dit bestuursorgaan bij of krachtens deze Verordening toekomende bevoegdheid. Artikel1.1.13Naleving voorschriften Het is verboden voorschriften te overtreden die zijn verbonden aan besluiten bij of krachtens deze Verordening. Artikel1.1.14Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze Verordening zijn belast de door het bevoegd gezag aangewezen toezichthouders. Titel 2 Openbare orde en openbare veiligheid Hoofdstuk2.1Bestrijding van ongeregeldheden Artikel2.1.1Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot (dreigende) ongeregeldheden. 2.Iemand die op een openbare plaats aanwezig is bij of in een: voorval waardoor ongeregeldheden (dreigen
- te)ontstaan; publiek trekkende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden (dreigen
- te)ontstaan, of samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie en/of buitengewoon opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of in de door hen aangewezen richting te gaan. 3.Het is verboden zich te bevinden op of te gaan naar openbare plaatsen die door of vanwege de burgemeester zijn afgezet in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden. 4.Het in het derde lid bedoelde verbod geldt niet voor buitengewone opsporingsambtenaren, toezichthouders, ambtenaren van politie en hulpdiensten. Hoofdstuk2.2Betoging Artikel2.2.1Melding betoging op openbare plaatsen 1.Iemand die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, meldt dit schriftelijk aan de burgemeester voorafgaand aan de openbare aankondiging van de betoging en ten minste 48 uur voordat deze betoging wordt gehouden. 2.De schriftelijke melding bevat, voor zover van toepassing: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden, het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en route; de wijze van samenstelling, en de maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een ordelijk verloop te waarborgen. 3.Iemand die schriftelijk correct meldt, ontvangt daarvan een bewijs met het tijdstip van de melding. 4.Als het tijdstip van de schriftelijke melding valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, dan wordt de schriftelijke melding gedaan vóór 12.00 uur op de laatste werkdag aan de genoemde dagen. 5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden een melding in behandeling nemen buiten deze termijn. Hoofdstuk2.3Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel2.3.1Voorwerpen aan, op of boven de weg 1.Het is verboden zonder vergunning van het college aan, op of boven de weg voorwerpen te plaatsen of aan te brengen in strijd met de openbare functie van de weg. Hiervan is in ieder geval sprake als: dit schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg; de bruikbaarheid van de weg wordt belemmerd of kan worden belemmerd, of dit plaatsen of aanbrengen een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg. 2.Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg als bedoeld in het eerste lid, onder b is in ieder geval sprake als minder dan: 1,5 meter vrije doorgang wordt gelaten op een voetpad, of twee meter vrije doorgang wordt gelaten voor fietsers of gemotoriseerd verkeer en een vrije doorgang van 3,5 meter voor hulpdiensten en toeleveringsbedrijven, en 4,5 meter doorgangshoogte wordt gelaten. 3.De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning als het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 5.1 van de Ow. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: evenementen als bedoeld in artikel 2.5.2.1 van deze Verordening; standplaatsen als bedoeld in artikel 3.11.2.1; vlaggen, wimpels of vlaggenstokken als deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; zonneschermen als deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt, en geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijs kortstondig op de weg worden gebracht in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of laat verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; containers en steigers, die noodzakelijkerwijs op de weg worden geplaatst in verband met bouw-, renovatie- en/of sloopwerkzaamheden; winkeluitstallingen, mits een vrije doorgang op het voetpad en de weg, van minimaal 1,5 meter wordt gewaarborgd en geen schade aan de weg wordt toegebracht, of overige gevallen waarin bij of krachtens een wettelijke regeling een publiekrechtelijke toestemming voor het gebruik van de weg is verleend. 5.Op de vergunningaanvraag als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Hoofdstuk2.4Veiligheid in de openbare omgeving Artikel2.4.1Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen waardoor het vrije uitzicht voor het wegverkeer wordt belemmerd dan wel op andere wijze hinder of gevaar ontstaat. Artikel2.4.2Handelingen aan en met openbare nutsvoorzieningen Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden handelingen met openbare nutsvoorzieningen te verrichten die gevaar, schade of hinder veroorzaken of kunnen veroorzaken. Artikel2.4.3Voorkomen van brand Het is verboden zich zodanig te gedragen dat daardoor brand in openbaar gebied kan ontstaan, tenzij daarvoor bij of krachtens een wettelijke regel publiekrechtelijke toestemming is verleend. Artikel2.4.4Voorzieningen voor verkeer en verlichting De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen voor het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Artikel2.4.5Veiligheid op het ijs Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, verontreinigen, versperren dan wel het verkeer daarop op andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen, of bakens of andere voorwerpen voor de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, beschadigen of op andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of belemmeren. Hoofdstuk2.5Activiteiten in openbare ruimte Paragraaf2.5.1Algemeen Artikel2.5.1.1Ordeverstoring Het is verboden bij activiteiten in openbare ruimten de orde te verstoren, daartoe aan te zetten of aanleiding te geven. Paragraaf2.5.2Evenementen Artikel2.5.2.1Evenementenvergunning 1.Het is verboden een evenement te organiseren en houden zonder vergunning van de burgemeester. 2.De burgemeester weigert de vergunning: als de organisator of vergunningaanvrager van slecht levensgedrag is; het evenement gevaar oplevert voor de openbare orde, de gezondheid, de openbare veiligheid, of een onevenredig groot aantal bezoekers te verwachten is. 3.De vergunning kan, naast de in de artikelen 1.1.8 of 1.1.9 van de Verordening genoemde gevallen, worden geweigerd in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; de zedelijkheid, of de gezondheid. 4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb niet van toepassing. Artikel2.5.2.2Ordeverstoring 1.De burgemeester kan in de aanloop naar, tijdens en na een evenement aan de organisator aanwijzingen geven die de burgemeester noodzakelijk acht voor de handhaving van de openbare orde, en die moeten worden nageleefd. 2.De organisator van een evenement is verplicht in de aanloop naar, tijdens en na het evenement: alle maatregelen te treffen ter voorkoming van de verstoring van de openbare orde; het evenement onmiddellijk te beëindigen bij verstoring van de openbare orde of de vrees daarvoor; ervoor te zorgen dat bij een verstoring van de openbare orde na een aanwijzing van de burgemeester, dan wel een ambtenaar van de politie of brandweer geen publiek meer tot het evenement wordt toegelaten. 3.Het is voor bezoekers van een evenement voor, tijdens en na het evenement: verboden zich op het evenemententerrein te gedragen met het kennelijke doel om de openbare orde en veiligheid te verstoren of bedreigen; verboden op of in de nabijheid van het evenemententerrein of op voor het publiek toegankelijke plaatsen voorwerpen of stoffen bij zich te hebben die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren; verboden op een evenemententerrein te zijn als overeenkomstig het eerste of tweede lid opdracht is gegeven het evenemententerrein te verlaten; verplicht voor het ordelijk verloop van een evenement of bij een voorval waardoor wanordelijkheden ontstaan, een daartoe strekkende aanwijzing van een ambtenaar van de politie of brandweer onmiddellijk op te volgen. 4.Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, die uiterlijke kenmerken vertonen van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde en veiligheid. Paragraaf2.5.3Openbare inrichtingen waaronder horecabedrijven Artikel2.5.3.1Vergunning openbare inrichting 1.Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.De burgemeester weigert de vergunning als de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die is afgegeven uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend. 3.In aanvulling op artikel 1.1.8 van deze Verordening kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren in geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 4.Geen vergunning is vereist voor een horecabedrijf in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van het horecabedrijf een ondergeschikte nevenactiviteit zijn van de winkelactiviteit. 5.Voor het horecabedrijf als bedoeld in het vierde lid gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 6.Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunningaanvraag als bedoeld in het eerste lid. Artikel2.5.3.2Sluitingstijd 1.Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 02.00 uur en 07.00 uur. Gedurende deze periode mogen geen bezoekers aanwezig zijn in de openbare inrichting. 2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn horecabedrijven op zondag, maandag en dinsdag gesloten van 03.00 uur tot 07.00 uur, tijdens nieuwjaarsdag, carnaval, de Bronk en de kermis in een dorpskern, als het horecabedrijf in die dorpskern ligt. 3.De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een horecabedrijf en/of een daartoe behorend terras. 4.In afwijking van de genoemde sluitingstijden in dit artikel mag, met het oog op een ordentelijke sluiting, het horecabedrijf open zijn tot een half uur na de genoemde sluitingstijden onder de voorwaarde dat geen drank worden geschonken, voedsel wordt verstrekt, muziek wordt gespeeld en de lichten in het bedrijf alle aan zijn. Artikel2.5.3.3Afwijking sluitingstijd en tijdelijke sluiting De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid dan wel in geval van bijzondere omstandigheden voor een horecabedrijf tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.5.3.1 van deze Verordening geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. Artikel2.5.3.4Verbod "happy hours" Het is verboden in een horecabedrijf en/of een daartoe behorend terras bedrijfsmatig alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. Artikel2.5.3.5Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf Het is voor bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf bij of krachtens deze Verordening gesloten dient te zijn. Artikel2.5.3.6Handel in horecabedrijven De exploitant van een horecabedrijf staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, of een voor diegene handelend persoon in het horecabedrijf een voorwerp verwerft, verkoopt of op andere wijze overdraagt. Paragraaf2.5.4Paracommerciële rechtspersonen en Alcoholwet Artikel2.5.4.1Schenktijden paracommerciële rechtspersonen Buiten de onderstaande tijden is het voor paracommerciële rechtspersonen verboden om alcohol te schenken op: maandag tot en met donderdag vanaf één uur voorafgaand aan de activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, tot 2 uur na afloop daarvan met een uiterste eindtijd van 00.00 uur en begintijd van 07.00 uur; vrijdag tot en met zondag vanaf één uur voorafgaand aan de activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon tot 1 uur na afloop daarvan met een uiterste eindtijd van 02.00 uur, met uitzondering van activiteiten in sportkantines. In dat laatste geval geldt een uiterste eindtijd van 00.00 uur en begintijd van 07.00 uur. Artikel2.5.4.2Verbod schenken sterk alcoholhoudende drank Het is verboden sterk alcoholhoudende drank te schenken op een locatie: waarin uitsluitend of in hoofdzaak onderwijs wordt gegeven; die, of waarvan een onderdeel, uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugd- of sportorganisaties. Artikel2.5.4.3Bijeenkomsten van persoonlijke aard bij paracommerciële rechtspersonen 1.Paracommerciële rechtspersonen in gemeenschapsaccommodaties mogen alcoholhoudende drank verstrekken, tijdens maximaal 12 bijeenkomsten per jaar van persoonlijke aard. 2.Paracommerciële rechtspersonen in sportkantines mogen alcoholhoudende drank verstrekken, tijdens maximaal 6 bijeenkomsten per jaar van persoonlijke aard. 3.Het houden van een bijeenkomst als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt uiterlijk 10 werkdagen voor het begin daarvan schriftelijk gemeld aan de burgemeester. Artikel2.5.4.4Verbod "happy hours" Het is verboden voor paracommerciële rechtspersonen bedrijfsmatig alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. Paragraaf2.5.5Inrichting voor overnachting Artikel2.5.5.1Melding exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst dan wel de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting voor overnachting staakt, is verplicht dit binnen drie dagen daarna schriftelijk te melden aan de burgemeester met het daartoe vastgestelde formulier. Artikel2.5.5.2Bijhouden nachtregister De houder van een inrichting voor overnachting is verplicht een register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bij te houden dat is ingericht volgens een door de burgemeester vastgesteld model. Artikel2.5.5.3Verstrekken nachtregistergegevens 1.Degene die in een inrichting voor overnachting overnacht, is vanwege de openbare veiligheid verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te geven. 2.De in het eerste lid bedoelde exploitant en leidinggevende zijn verplicht op het eerste verzoek van de toezichthouder de gegevens te verstrekken zoals bedoeld in het eerste lid. Paragraaf2.5.6Speelgelegenheden Artikel2.5.6.1Definities In deze paragraaf voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn gedefinieerd, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel2.5.6.2Vergunning speelgelegenheden 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te (laten) exploiteren. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of paragraaf 2.5.7 van deze Verordening. 3.Aanvullend op het bepaalde in artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening weigert de burgemeester de vergunning als de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid. 4.Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunningaanvraag als bedoeld in artikel 2.5.6.2 van deze Verordening. Artikel2.5.6.3Kansspelautomaten 1.In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan. 2.In laagdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee behendigheidsspelen toegestaan. 3.In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten verboden. Paragraaf2.5.7Speelautomatenhallen (voorheen: Verordening speelautomatenhallen Eijsden-Margraten 2014) Artikel2.5.7.1Exploitatievergunning 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of exploiteren. 2.Vergunning kan worden verleend voor maximaal één speelautomatenhal, met maximaal 200 speelautomaten en maximaal 200 spelersplaatsen. 3.Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunningaanvraag als bedoeld in het eerste lid. 4.De vergunningaanvragen als bedoeld in het eerste lid worden behandeld op volgorde van ontvangstdatum van de desbetreffende aanvragen. Artikel2.5.7.2Aanvraag exploitatievergunning De aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.5.7.1 van deze Verordening bevat in ieder geval: 1.een tekening op schaal van de inrichting, waaruit ten minste blijkt: op welke plaats en hoeveel kansspel- of behendigheidsautomaten worden opgesteld; op welke plaats leeftijdscontrole plaatsvindt; 2.een schriftelijk stuk waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken; 3.een verklaring omtrent het gedrag van de ondernemer of, als de exploitant een rechtspersoon is, van degene(
- n)die de rechtspersoon krachtens de statuten vertegenwoordigt(
- en)en van de beheerder, en 4.een correct ingevuld en ondertekend vragenformulier van de gemeente in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel2.5.7.3Weigeringsgronden 1.In aanvulling op artikel 1.1.8, derde lid van deze Verordening weigert de burgemeester de exploitatievergunning als: op het moment van ontvangst van de aanvraag reeds een rechtsgeldige exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2.5.7.1 van deze Verordening in werking is; de beheerder de leeftijd van 25 jaar niet heeft bereikt; de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is; de exploitant en/of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is/zijn, of de exploitant of beheerder onder curatele staat. 2.In aanvulling op artikel 1.1.8, eerste lid van deze Verordening kan de burgemeester de vergunning weigeren als: naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving of het karakter van de winkelbuurt nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de speelautomatenhal; de exploitant de bij of krachtens titel VA van de Wet op de kansspelen gestelde bepalingen heeft overtreden in de periode van drie jaren voorafgaand aan het moment van de vergunningaanvraag. Artikel2.5.7.4Beslistermijn In afwijking van artikel 1.1.2 van deze Verordening beslist de burgemeester binnen twaalf weken na de datum waarop de aanvraag om een exploitatievergunning is ontvangen. De beslistermijn kan één keer met maximaal twaalf weken worden verlengd. Artikel2.5.7.5Aanwezigheidsvergunning 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester kansspelautomaten in een speelautomatenhal aanwezig te hebben of te exploiteren. 2.De aanwezigheidsvergunning kan alleen op naam van de exploitant worden gesteld en is niet overdraagbaar. 3.In de aanwezigheidsvergunning is ten minste opgenomen: de naam van de exploitant; het adres van de inrichting en het aantal kansspelautomaten; de verplichting op of aan een speelautomaat een waarschuwing tegen gokverslaving en overige risico’s van overmatig gokken te bevestigen; dat kansspelautomaten zodanig moeten worden opgesteld dat door de leidinggevende voortdurend toezicht kan worden gehouden; dat alleen kansspelautomaten mogen worden opgesteld in eigendom van personen, die in het bezit zijn van een exploitatievergunning; dat in een bijlage bij de vergunning de naam is vermeld van de beheerders. Artikel2.5.7.6Intrekkingsgronden 1.In afwijking van artikel 1.1.6 van deze Verordening trekt de burgemeester de vergunning in als: de gegevens die met het oog op het verkrijgen van de vergunning zijn verstrekt, zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; niet langer wordt voldaan aan de krachtens artikel 30d, vierde lid, onder a van de Wet op de kansspelen gestelde eisen. 2.In aanvulling op artikel 1.1.6 van deze Verordening kan de burgemeester de vergunning intrekken als: niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.5.7.7 van deze Verordening; de vergunninghouder de bij of krachtens titel VA van de Wet op de kansspelen gestelde bepalingen heeft overtreden; gedurende een periode van ten minste zes maanden geen gebruik van de vergunning is gemaakt; in strijd wordt gehandeld met artikel 2.5.7.8 van deze Verordening. Artikel2.5.7.7Aanwezigheidsplicht Het is verboden een speelautomatenhal voor het publiek geopend te houden, als in het bedrijf geen beheerder aanwezig is, die in de bijlage van de aanwezigheidsvergunning is vermeld. Artikel2.5.7.8Wijziging beheerder of bedrijfsleider Als een in de bijlage bij de aanwezigheidsvergunning vermelde beheerder niet meer als zodanig werkzaam is, dient de exploitant binnen vier weken nadat deze situatie is ontstaan bij de burgemeester een aanvraag in om dienovereenkomstige wijziging van de bijlage bij de vergunning. Artikel2.5.7.9Wijziging exploitant 1.Als de exploitatie van een speelautomatenhal wordt beëindigd of een speelautomatenhal aan een rechtsopvolger wordt overgedragen, meldt de exploitant dit onmiddellijk schriftelijk aan de burgemeester. 2.De bestaande aanwezigheidsvergunning vervalt als niet binnen vier weken na de overdracht een nieuwe aanwezigheidsvergunningaanvraag is ingediend. 3.Als de aanvraag om een nieuwe vergunning is ingediend binnen de in het tweede lid gestelde termijn, blijft de bestaande vergunning van kracht tot op de aanvraag is beslist. Paragraaf2.5.8Seksinrichtingen, sekswinkels, prostitutie en dergelijke Artikel2.5.8.1Vergunning seksinrichtingen en escortbedrijven 1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of wijzigen zonder vergunning van de burgemeester. 2.In de vergunningaanvraag wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant en de beheerder, en de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. 3.In afwijking van het bepaalde in artikel 1.1.2 van deze Verordening beslist het college op de vergunningaanvraag als bedoeld in het tweede lid, binnen 12 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. De burgemeester kan zijn besluit met maximaal 12 weken uitstellen. 4.De vergunning als bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd als: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 2.5.8.2 van deze Verordening gestelde eisen, of er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht dan wel met hetgeen bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 is bepaald. 5.Voor seksinrichtingen en escortbedrijven kan, in aanvulling op het bepaalde in artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening, de vergunning bedoeld in het eerste lid, worden geweigerd in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de veiligheid van personen of goederen; de gezondheid of zedelijkheid, of de arbeidsomstandigheden van de prostituee. 6.Paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid. Artikel2.5.8.2Gedragseisen exploitant en beheerder 1.De exploitant en de beheerder: staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; hebben de leeftijd van 21 jaar bereikt; zijn niet met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; zijn niet binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius alsmede de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten, en zijn niet binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a (oud), 252, 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 in samenhang met artikel 8 of in samenhang met artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 2.Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt, en een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 3.De periode van vijf jaar, genoemd in het eerste lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de vergunningaanvraag; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van intrekking van deze vergunning. 4.De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 2.5.8.1, eerste lid van deze Verordening, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat diegene ter zake geen verwijt treft. Artikel2.5.8.3Sluitingstijden 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04:00 uur en 08:00 uur. 2.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of krachtens artikel 2.5.8.4 van deze Verordening, gesloten moet zijn. Artikel2.5.8.4Afwijking sluitingstijden en sluiting Met het oog op de in de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in deze paragraaf, kan het college bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens 2.5.8.3 van deze Verordening geldende sluitingsuren vaststellen; van een seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of gehele sluiting bevelen. Artikel2.5.8.5Intrekking vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 van deze Verordening kan het college met het oog op de in artikel 2.5.8.4 van deze Verordening genoemde belangen de vergunning intrekken. Artikel2.5.8.6Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2.De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000. Artikel2.5.8.7Straatprostitutie 1.Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, voorbijgangers te bewegen gebruik te maken van de diensten van een prostituee: in andere dan door het college aangewezen gebieden; gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden. 2.Bij overtreding van het verbod bedoeld in het eerste lid, kan door een ambtenaar van de politie en/of buitengewoon opsporingsambtenaar het bevel worden gegeven onmiddellijk in een bepaalde richting te gaan. 3.Bij (dreigende) strijd met de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan door een ambtenaar van politie en/of buitengewoon opsporingsambtenaar aan personen die zich bevinden in gebieden op de wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven onmiddellijk in een bepaalde richting te gaan. 4.De burgemeester kan met het oog op de belangen genoemd in de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening, personen aan wie ten minste één keer een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden binnen de gebieden bedoeld in het eerste lid. Artikel2.5.8.8Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt. Artikel2.5.8.9Beëindiging exploitatie 1.De vergunning vervalt zodra de exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2.Binnen één week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, meldt de exploitant dit schriftelijk aan het college. Artikel2.5.8.10Wijziging beheer 1.Als de beheerder het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, meldt de exploitant dit binnen één week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk aan het college. 2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, als het college op aanvraag van de exploitant besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. 3.In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, tot op de aanvraag is besloten. Hoofdstuk2.6Maatregelen tegen overlast, gevaar en schade Artikel2.6.1Betreden gesloten woning of lokaal 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet, artikel 13b van de Opiumwet of artikel 17 van de Woningwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf, te betreden. 2.De in het eerste lid genoemde verboden zijn niet van toepassing op personen van wie aanwezigheid in de woning, het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel2.6.2Krassen, plakken en bekladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is, te bekrassen of bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te (laten) brengen; met enig materiaal een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te (laten) brengen. 3.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 4.Het is verboden de aanplakborden als bedoeld in het derde lid te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. Artikel2.6.3Vervoer inbrekerswerktuigen Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben, tenzij direct aannemelijk is dat bedoelde zaken niet zijn bestemd voor inbraak of andere strafbare handelingen. Artikel2.6.4Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Het is verboden op een openbare plaats zich zodanig te gedragen dat voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder ontstaat. Artikel2.6.5Verboden drankgebruik 1.Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing op: een terras dat hoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; een andere plaats als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. Artikel 2.6.6 Verboden drankgebruik 1. Het is verboden zonder redelijk doel: zich in een portiek of poort op te houden; in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of liggen. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw, soortgelijk meergezinsgebouw of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel2.6.7Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties Het is verboden op openbare plaatsen of in voor publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. Artikel2.6.8Plaatsen van voortbewegingsmiddelen Het is verboden in openbaar gebied een voortbewegingsmiddel te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek, of daardoor die ingang wordt versperd. Artikel2.6.9Alarminstallaties 1.Het is verboden in, op of aan een onroerende zaak een alarminstallatie geïnstalleerd te hebben die een voor de omgeving opvallend geluid- of lichtsignaal kan produceren als dat: geluid- of lichtsignaal langer dan drie minuten onafgebroken duurt; geluid- of lichtsignaal een repeterend karakter heeft, of geluidssignaal, gemeten op een afstand van één meter van het signaalgevend object, meer bedraagt dan 100 dB(a). 2.Na twee nodeloze alarmeringen door een alarminstallatie binnen een tijdsbestek van zes maanden kan het college bij schriftelijk besluit vorderen, dat de eigenaar of houder van die alarminstallatie binnen een termijn van twee weken na verzending van dat besluit aantoont dat de noodzakelijke maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van nodeloze alarmeringen. 3.Als de eigenaar of houder van een alarminstallatie als bedoeld in het vorige lid nalaat binnen de genoemde termijn aan te tonen, dat diegene deugdelijke maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van nodeloze alarmeringen, of indien diegene dat naar het oordeel van het college onvoldoende aantoont, beveelt het college dat die alarminstallatie onmiddellijk buiten werking wordt gesteld. 4.Het is verboden een alarminstallatie in werking te hebben, nadat een bevel als bedoeld in het derde lid is uitgevaardigd. 5.Als de eigenaar of houder van een alarminstallatie aantoont dat diegene alsnog de noodzakelijke maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van nodeloze alarmeringen, wordt het bevel als bedoeld in het derde lid ingetrokken. Artikel2.6.10Loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of laten lopen: op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; op de weg en op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat duidelijk aangeeft wie de eigenaar is; zonder toezicht en begeleiding. 2.Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder b niet geldt. 3.De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet als de eigenaar of houder van een hond: zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden, of deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel2.6.11Verontreiniging door honden en rijdieren 1.Degene die zich met een hond of rijdier op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond of dat rijdier onmiddellijk daar worden verwijderd. 2.Het is de eigenaar of houder van een hond of rijdier verboden deze te laten verblijven of lopen op een openbare plaats zonder een deugdelijk hulpmiddel bij zich te dragen, dat gezien vorm en constructie kennelijk bestemd is voor het opruimen van uitwerpselen. 3.Degene die zich met een hond op een openbare plaats bevindt, is verplicht het hulpmiddel te tonen op eerste vordering van de met het toezicht op de naleving van dit artikel belaste ambtenaren. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. Artikel2.6.12Gevaarlijke en hinderlijke honden 1.Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk vindt, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van maximaal 1,50 meter. 3.Voor de eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, geldt naast de verplichting bedoeld in het tweede lid, de verplichting de hond voorzien te houden van een muilkorf die: is vervaardigd van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is, en zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.In aanvulling op artikel 2.5.10, eerste lid, aanhef en onder c van deze Verordening, moet een hond als bedoeld in het eerste lid zijn voorzien van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel2.6.13Gevaarlijke honden op eigen terrein 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester: een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2.6.12, eerste lid van deze Verordening, of heeft medegedeeld dat de hond gevaarlijk is. 2.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: op een vanaf de weg zichtbare plaats een duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is geplaatst; het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden, en het terrein is voorzien van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel2.6.14Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Het is verboden zonder vergunning van het college op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een milieubelastende activiteit als bedoeld in de Ow, in de vorm van het houden van dieren. aanwezig te hebben; aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels, of te voeren. 2.De eigenaar of houder van een dier zorgt ervoor dat het dier niet onredelijk hinderlijk is voor de omgeving. 3.Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid. Artikel2.6.15(Slaap)verblijf op openbare plaats of weg 1.Het is verboden op een openbare plaats dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan dan wel een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijk doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden. 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door paragraaf 3.9.4 van deze Verordening. Artikel2.6.16Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen. Hoofdstuk2.7Bestrijding heling van goederen Artikel2.7.1Definitie In dit hoofdstuk wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2.7.2Verplichtingen met betrekking tot verkoopregister 1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die diegene verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester goedgekeurd register en daarin onmiddellijk op te nemen: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen, en het legitimatiebewijs van de verkoper. Artikel2.7.3Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor diegene handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat diegene het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij de onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder a, sub 1 bedoelde adressen; dat diegene het beroep van handelaar niet langer uitoefent dat diegene enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag de administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop de naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Hoofdstuk2.8Vuurwerk Artikel2.8.1Ter beschikking stellen consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen 1.Het is verboden in de uitoefening van een (neven)bedrijf zonder vergunning van het college consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen of voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden. 2.In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd ter voorkoming van onevenredige overlast. 3.Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid. Artikel2.8.2Gebruik consumentenvuurwerk tijdens jaarwisseling 1.Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college aangewezen plaats ter voorkoming van gevaar, schade of overlast. 2.Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast veroorzaakt of kan veroorzaken. Artikel2.8.3Verbod carbid schieten Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen, op explosieve wijze te verbranden. Artikel2.8.4Verbod kamer schieten 1.Een kamer als bedoeld in dit artikel is voorzien van een kruitpan met een gaatje aan de zijkant en een gat aan de bovenkant die wordt afgedekt met een prop papier, karton of leem(zand). 2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester in kamers zwart buskruit op explosieve wijze te verbranden. Hoofdstuk2.9Drugsoverlast Artikel2.9.1Drugshandel op straat In aanvulling op het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg dan wel openbare plaats: te staan; zich daar heen en weer te bewegen; zich in, tegen of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel2.9.2Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in voor een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar: te gebruiken; toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten, of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Hoofdstuk2.10Bijzondere bevoegdheden burgemeester Artikel2.10.1Aanwijzen plaatsen camera’s 1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur voor het toezicht op een openbare plaats. 2.De burgemeester brengt het besluit als bedoeld in het eerste lid zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad. Artikel2.10.2Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2.1.1, 2.3.1, 2.4.1, 2.4.2, 2.6.4, 2.6.5, 2.6.6, 2.6.7, 2.8.2, 3.2.1 en 3.12.1 van deze Verordening groepsgewijs niet naleven. Artikel2.10.3Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet een gebied aanwijzen, inclusief de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, als veiligheidsrisicogebied in geval van de verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Artikel2.10.4Gebiedsontzeggingen 1.De burgemeester kan in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat; de veiligheid van personen of goederen, of de gezondheid of de zedelijkheid, aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om zich gedurende ten hoogste 24 uur in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste één keer een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in het eerste lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw één of meer strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken niet in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 3.De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan vergunning verlenen om af te wijken van een bevel. 4.Als de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid. Artikel2.10.5Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf dan wel in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf, geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2.De burgemeester kan bij schending van de zorgplicht in het eerste lid aan de overtreder een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen. Daarbij kunnen aanwijzingen worden gegeven over wat de overtreder moet doen of nalaten om verdere schending te voorkomen. 3.De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf, of intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. 2.10.6Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. 3.De burgemeester brengt een kopie van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. 4.Iedereen is verplicht toe te laten dat de kopie wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 5.Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven, zonder toestemming van de burgemeester. 6.De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling zal plaatsvinden van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid. Artikel2.10.7Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.In dit artikel wordt verstaan onder: bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit; exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 2.De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. 3.Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. 4.De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt: voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd; de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder; het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; het nummer van inschrijving in het Handelsregister; voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder. 5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.1.8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag; als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wm. 6.De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet. 7.Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 8.De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden. 9.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.1.6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 10.Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning en het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester[, onverminderd het bepaalde in artikel 2.10.6 van deze Verordening een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 11.De burgemeester brengt een kopie van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf. 12.Iedereen is verplicht toe te laten dat de kopie wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 13.Het is iedereen verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin te verblijven. 14.De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling zal plaatsvinden van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid. 15.In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning. 16.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Hoofdstuk2.11Winkeltijden (voorheen: Verordening winkeltijden Eijsden-Margraten 2017) Artikel2.11.1(Algemene) vrijstelling voor zon- en feestdagen voor winkels 1.Voor de in artikel 2 van de Winkeltijdenwet genoemde verboden, voor zover betrekking hebbend op zon- en feestdagen, geldt van 10.00-14.00 uur een algemene vrijstelling. 2.De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt niet voor de winkels gevestigd in het Retailpark te Gronsveld. Deze winkels mogen geopend zijn van 12.00 tot 17.00 uur. 3.In afwijking van het eerste en tweede lid geldt op de zondagen in december een algemene vrijstelling van 10.00 tot 17.00 uur. 4.De in het eerste, tweede en derde lid genoemde vrijstellingen gelden niet op Nieuwjaarsdag, eerste Paasdag, 4 mei na 19.00 uur (dodenherdenking), eerste Pinksterdag en eerste Kerstdag. Artikel2.11.2Ontheffing zon- en feestdagen 1.Het college kan voor wat betreft zondagen en feestdagen ontheffing verlenen van de in artikel 2 van de Winkeltijdenwet genoemde verboden. 2.In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de ontheffing worden geweigerd als de woon- en leefsituatie in de omgeving van de winkel op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de openstelling van de winkel. Artikel2.11.3Algemene vrijstelling zon-, feest- en werkdagen Voor in de artikel 2 van de Winkeltijdenwet genoemde verboden geldt een algemene vrijstelling voor: straatverkoop van de voor directe consumptie geschikte eetwaren en dranken tijdens evenementen; winkels waar voor directe consumptie geschikte eetwaren en dranken worden verkocht en genuttigd. Artikel2.11.4Ontheffing werkdagen 1.Het college kan voor wat betreft werkdagen ontheffing verlenen van de in artikel 2 van de Winkeltijdenwet genoemde verboden, ten behoeve van bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard. 2.In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de ontheffing worden geweigerd als de woon- en leefsituatie in de omgeving van de winkel of de plaats waar de bijzondere gelegenheid van tijdelijke aard plaatsvindt, op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door gebruik van de ontheffing. Hoofdstuk2.12Parkeren (Voorheen: Parkeerverordening Eijsden-Margraten 2015) Paragraaf2.12.1Parkeerplaatsvergunning Artikel2.12.1.1Aanwijzing parkeerplaatsen 1.Het college kan weggedeelten aanwijzen als vergunningzone bestemd voor het parkeren door vergunninghouders. 2.Het college kan de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren alleen voor vergunninghouders is toegestaan. Artikel2.12.1.2Vergunning 1.Het college kan op aanvraag vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen. 2.Een vergunning kan worden verleend aan: de eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn (categorie bewonersparkeervergunningen); de eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het in het belang van diens beroeps- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren (categorie werkparkeervergunningen); de eigenaar of houder van een motorvoertuig die (mantel)zorg verleent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren (categorie (mantel)zorgparkeervergunningen). 3.Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning verlenen aan een eigenaar of houder die niet voldoet aan één van de in het tweede lid genoemde vereisten. 4.Het college kan een maximum aantal uit te geven vergunningen vaststellen per adres, per aaneengesloten weggedeelte of gebied, per categorie en tevens de volgorde van vergunningverlening bepalen. Het beschikken over een parkeerplaats op eigen terrein kan daarbij van invloed zijn. Artikel2.12.1.3Vergunningduur en gegevens 1.Een vergunning wordt voor maximaal twee jaar verleend. 2.De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens: de periode waarvoor de vergunning geldt; het weggedeelte, gebied of gebieden waarvoor de vergunning geldt; het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning wordt verleend, tenzij de vergunning niet op kenteken wordt afgegeven. In dat laatste geval zal de vergunning de naam bevatten van de vergunninghouder en/of het adres waarop de vergunning wordt afgegeven. 3.Bij verlies, diefstal of wijziging van een kenteken van de in het eerste en tweede lid bedoelde vergunning binnen de geldigheidsduur, kan op een daartoe strekkende aanvraag een nieuwe vergunning worden verleend voor de resterende geldigheidsduur. Artikel2.12.1.4Wachtlijst 1.Als reeds zoveel vergunningen zijn verleend dat op grond van het besluit als bedoeld in artikel 2.12.1.2, vierde lid van deze Verordening geen vergunningen meer worden verleend, dan kan het college de aanvraag voor een eerste bewonersvergunning als bedoeld in artikel 2.12.1.2, tweede lid van deze Verordening voor onbepaalde tijd op een wachtlijst plaatsen. 2.Binnen de termijn als bedoeld in artikel 1.1.2 van deze Verordening wordt beslist of de aanvraag op een wachtlijst wordt geplaatst. Artikel2.12.1.5Wijziging en intrekking In aanvulling op artikel 1.1.6 van deze Verordening kan het college een vergunning intrekken of wijzigen als: de vergunninghouder niet meer woont in het gebied of daar geen beroep of bedrijf meer uitoefent, waarvoor de vergunning is verleend; voor het desbetreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen; de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan. Artikel2.12.1.6Gebruiksvoorschriften 1.De parkeervergunning mag alleen worden gebruikt in overeenstemming met de bij of krachtens deze Verordening vastgestelde criteria voor uitgifte van vergunningen. 2.De parkeervergunning geldt voor het parkeren met één motorvoertuig op één parkeerplaats. 3.De parkeervergunning met kenteken geldt uitsluitend voor het parkeren met een motorvoertuig met het kenteken dat aan de voorzijde van de parkeervergunning is vermeld. 4.Tijdens het parkeren moet de vergunning geheel leesbaar achter de voorruit zijn aangebracht. Dit dient zodanig te gebeuren dat de voorzijde van de vergunning duidelijk leesbaar is vanaf de buitenkant van het motorvoertuig. 5.Als één of meer van de hiervoor genoemde voorschriften niet worden nageleefd, wordt dit beschouwd als parkeren zonder vergunning. 6.De vergunning blijft eigendom van de gemeente Eijsden-Margraten. Artikel2.12.1.7Parkeren zonder vergunning Het is voor niet-vergunninghouders verboden gedurende de tijd waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan, daar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden. Paragraaf2.12.2Parkeerexcessen Artikel2.12.2.1Parkeren voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1.Het is degene die er zijn (neven)bedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te (laten) stallen, herstellen, slopen, verhuren, (Apk-)keuren of te verhandelen, verboden: meer dan twee voertuigen die diegene toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt één van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 2.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan het gebruiken van een voertuig voor het: geven van lessen, of vervoeren van personen tegen betaling. 3.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan één uur vergen, of voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid bedoelde persoon. Artikel2.12.2.2Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Direct aansluitend op deze periode mag dit voertuig, gedurende een periode van één week, niet binnen een straal van 500 meter van voornoemde plek worden geparkeerd. Artikel2.12.2.3Voertuigwrakken Het is verboden een voertuig op de weg te parkeren, dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een duidelijk verwaarloosde toestand verkeert. Artikel2.12.2.4Kampeermiddelen en andere voertuigen Het is verboden zonder vergunning van het college een voertuig dat voor recreatie of op andere wijze voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben; binnen een straal van 500 meter van een eerder ingenomen locatie van het kampeermiddel te plaatsen of te hebben, gedurende een periode van twee weken. Artikel2.12.2.5Parkeren van reclamevoertuigen Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het duidelijke en enkele doel om daarmee handelsreclame te maken. Artikel2.12.2.6Parkeren grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig op de weg te parkeren dat, inclusief de lading, een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, waar dit: schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente, of buitensporig is met het oog op de beschikbare parkeerruimte. 2.Onderdeel b van het eerste lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op: campers, kampeerauto's, caravans en kampeerwagens, als deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden, of door het college aangewezen plaatsen. Artikel2.12.2.7Parkeren anders dan op de rijbaan 1.Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2.Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van de overheid. Artikel2.12.2.8Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden of stil te staan in een park, plantsoen of door de gemeente aangelegde beplanting dan wel groenstrook. 2.Dit verbod is niet van toepassing op voertuigen: die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van de overheid; waarmee een standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. Hoofdstuk2.13Wegslepen (voorheen: Wegsleepverordening Eijsden-Margraten 2020) Artikel2.13.1Aanwijzing wegen en weggedeelten waar voertuigen kunnen worden verwijderd, overgebracht en in bewaring gesteld Als wegen en weggedeelten, bedoeld in artikel 170, eerste lid, onder c van de Wvw worden alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente aangewezen voor zover ze behoren tot een van de in artikel 2 van het Besluit wegslepen van voertuigen bedoelde soorten van wegen en weggedeelten. Artikel2.13.2Plaats bewaring voertuigen en openingstijden 1.Als plaats van bewaring van voertuigen wordt aangewezen het afgesloten terrein in eigendom van Logicx Valkenburg, bestemd voor het stallen van voertuigen en gelegen aan De Valkenberg 8, 6301 PM Valkenburg aan de Geul. 2.De in het eerste lid bedoelde bewaarplaats is geopend van maandag tot en met vrijdag van 08.00 uur tot 18.00 uur. Afhalen op andere tijdstippen kan in overleg met de bewaarder. Artikel2.13.3Kosten overbrengen en bewaren voertuigen 1.De kosten van het overbrengen van een voertuig naar de bewaarplaats bedragen: wegslepen voertuig: € 193,39; administratie kosten: € 34,88. 2.De kosten van het bewaren van een voertuig bedragen vanaf de eerste dag en volgende dagen, per dag: € 10,74. 3.De in het eerste en tweede lid vermelde bedragen zijn inclusief 21% BTW en worden door de sleepdienst met ingang van jaarlijks op 1 februari geïndexeerd met maximaal het consumentenprijsindexcijfer dat door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gepubliceerd. Artikel2.13.4Overbrengen en in bewaring stellen van motorrijtuigen in geval van gebleken onvoldoende rijgeschiktheid of rijvaardigheid dan wel het ontbreken van een behoorlijk zichtbare kentekenplaat Als gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid bedoeld in de artikelen 130, vierde lid, 164, zevende lid en/of 174, eerste lid Wvw, zijn de artikelen PM van deze Verordening van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk2.14Openbaar water en waterstaatswerken Artikel2.14.1Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit voor het openbaar water: gevaar oplevert voor de bruikbaarheid; gevaar oplevert voor het doelmatig en veilig gebruik, of een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud. 2.Degene die voornemens is een voorwerp op, in of boven openbaar water te plaatsen, meldt dit uiterlijk twee weken tevoren aan het college, met het daarvoor bestemde formulier. Artikel2.14.2Ligplaats vaartuigen 1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2.Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. 3.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht door of namens het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Artikel2.14.3Beschadigen waterstaatswerken Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen en andere waterstaatswerken. Artikel2.14.4Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel of voor direct gebruik ongeschikt te maken. Artikel2.14.5Veiligheid op het water Het is aan iedereen die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. Artikel2.14.6Hinder voor vaartuigen 1.Het is verboden voor een daartoe onbevoegde zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop dan wel daarin te begeven of te bevinden. 2.Het is een daartoe onbevoegde verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Hoofdstuk2.15Gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel2.15.1Crossterreinen Het is verboden op openbaar terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten legaal wedstrijdverband. Artikel2.15.2Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Het is verboden in voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden van percelen gelegen binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4.Het verbod is voorts niet van toepassing: op wegen binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Limburg aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. Titel 3 Fysieke leefomgeving (Tijdelijk deel omgevingsplan) Hoofdstuk3.1Bouwen (voorheen: Bouwverordening gemeente Eijsden-Margraten 2018) Artikel3.1.1Bodemonderzoek 1.Het onderzoek naar de bodemgesteldheid bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009 +A1:2016 nl, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. Als op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek ook plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2015. 2.De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk dat niet is genoemd in de artikelen 2.25 en 2.26 Bbl, of is uitgezonderd van de vergunningplicht in artikel 2.27 Bbl. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het artikel 2.27 Bbl. 3.Als voor toepassing van artikel 3.1.2 van deze Verordening bij het bevoegd gezag bruikbare maximaal twee jaar oude onderzoeksresultaten beschikbaar zijn, hoeft geen onderzoeksrapport als bedoeld in het tweede lid te worden overgelegd. 4.Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 5.36 Ow en artikel 10.23 Ob, als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is of dan wel dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009+A1:2016 niet rechtvaardigen. 5.Als pas kan worden gebouwd nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, moet het bodemonderzoek plaatsvinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel3.1.2Bouwverbod op verontreinigde bodem Op of in een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd als dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of bijna voortdurend mensen verblijven; waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, en dat de grond raakt. Artikel3.1.3Voorschriften omgevingsvergunning voor bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1.2 van deze Verordening, kan het college voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Dit is het geval als het onderzoeksrapport en/of andere bij het college bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het goedgekeurde saneringsplan van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorschriften alsnog geschikt kan worden gemaakt. Artikel3.1.4Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag kan rekening houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze Verordening of in de bij deze Verordening behorende bijlagen wordt verwezen, als die herziening of vervanging door de bevoegde instantie is gepubliceerd. Hoofdstuk3.2Wegen en uitwegen Artikel3.2.1Aanleggen, veranderen weg 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen of een aangelegde weg te veranderen. 2.De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij of krachtens een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, of door het college in de overige gevallen. 3.Het verbod is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. Artikel3.2.2Maken, veranderen uitweg 1.Het is verboden zonder vergunning van het college: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg, of veranderingen aan te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving, of de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. Hoofdstuk3.3Erfgoed (voorheen: Erfgoedverordening Eijsden-Margraten 2022) Paragraaf3.3.1Algemeen Artikel3.3.1.1Definities De in de Erfgoedwet opgenomen definities gelden eveneens voor de begrippen in dit hoofdstuk. Paragraaf3.3.2Gemeentelijk erfgoedregister Artikel3.3.2.1Gemeentelijk erfgoedregister 1.Het college houdt een door iedereen te raadplegen gemeentelijk register bij van bij of krachtens deze Verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed. 2.Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en voor de identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed. Paragraaf3.3.3Aanwijzing beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen Artikel3.3.3.1Aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling 1.Het college kan ambtshalve een beschermd gemeentelijk cultuurgoed aanwijzen als dat cultuurgoed: van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis dan wel uitzonderlijke schoonheid is; als onvervangbaar geldt; als gevolg van onmisbaarheid behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit; in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, en de eigenaar toestemming geeft voor de aanwijzing. 2.Het college kan ambtshalve een beschermde gemeentelijke verzameling aanwijzen als die verzameling: van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis dan wel (deels) als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit; in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, en de eigenaar toestemming geeft voor de aanwijzing. 3.Het college vraagt advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 Erfgoedwet over: het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste en tweede lid; de vervreemding van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed; de vervreemding van een beschermde gemeentelijke verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor. 4.Dit artikel is niet van toepassing op beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 Erfgoedwet. Artikel3.3.3.2Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling 1.Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3.3.3.1, eerste of tweede lid van deze Verordening, ambtshalve wijzigen of intrekken. Artikel 3.3.3.1, derde lid van deze Verordening is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft dan wel het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft, is tenietgegaan. 2.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 Erfgoedwet, of beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid Erfgoedwet. 3.Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is, wordt dat onmiddellijk vastgelegd in het gemeentelijk erfgoedregister. Paragraaf3.3.4Aanwijzing gemeentelijk erfgoed Artikel3.3.4.1Aanwijzing als beschermd gemeentelijk erfgoed 1.Het college kan met instemming van de eigenaar een beeldbepalend pand, dat van bijzonder belang is voor de gemeente, aanwijzen als gemeentelijk monument. 2.Het college kan ambtshalve een archeologisch monument, dat van bijzonder belang is voor de gemeente, aanwijzen als gemeentelijk archeologisch monument. Artikel3.3.4.2Voornemen tot aanwijzing 1.Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 3.3.4.1 van deze Verordening wordt door het college op de gebruikelijke wijze gepubliceerd via de plaatselijke informatiekanalen, waarbij voor belanghebbenden de mogelijkheid wordt gegeven om zienswijzen in te dienen. 2.Als het ontwerpbesluit betrekking heeft op minder dan 20 objecten en percelen, wordt het voornemen om toepassing te geven aan artikel 3.3.4.2 van deze Verordening door het college tevens schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden van de onroerende zaken, die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid Kadasterwet. 3.Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op hypothecaire schuldeisers. Artikel3.3.4.3Voorbescherming 1.De bescherming van paragraaf 3.2.4 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing op het beeldbepalende pand of het archeologisch monument, ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 3.2.4.2 van deze Verordening is bekendgemaakt. 2.De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid vervalt: op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister; op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen, of als het door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel3.3.4.4Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.Na een voornemen om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken met ingang van de dag onmiddellijk na de dag dat het voornemen tot aanwijzing is bekend gemaakt. 2.De aanwijzing bevat in ieder geval: de plaatselijke aanduiding; de kadastrale aanduiding of een gebiedsaanduiding de datum van aanwijzing, en een redengevende omschrijving van het gemeentelijke monument of het gemeentelijke archeologisch monument. Artikel3.3.4.5Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1.De aanwijzing wordt op de gebruikelijke wijze via de plaatselijke informatiekanalen bekendgemaakt. 2.Als de aanwijzing betrekking heeft op een beperkt aantal objecten en percelen wordt de aanwijzing tevens schriftelijk bekendgemaakt aan alle eigenaren van de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 3.Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel3.3.4.6Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk (archeologisch) monument 1.In een spoedeisend geval kan het college ambtshalve een beeldbepalend pand of een archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument of voorlopig gemeentelijk archeologisch monument. 2.In afwijking van artikel 8 van deze Verordening wordt in het in het eerste lid bedoelde geval aan de Gemeentelijke adviescommissie geen advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument of voorlopig gemeentelijk archeologisch monument. 3.Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument of voorlopig gemeentelijk archeologisch monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 3.3.4.1 van deze Verordening. 4.Paragraaf 3.3.5 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment van bekendmaking van het besluit van het college tot aanwijzing van het voorlopig gemeentelijk monument of het voorlopig gemeentelijk archeologisch monument. 5.Artikel 3.3.4.5 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel3.3.4.7Wijziging gemeentelijk erfgoedregister en vervallen aanwijzing monument 1.Het college kan ten aanzien van (voorlopige) gemeentelijke monumenten of (voorlopig) gemeentelijk archeologische monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2.Als de wijziging ziet op het verwijderen uit het register is paragraaf 3.3.4 van deze Verordening van overeenkomstige toepassing, tenzij het (voorlopige) gemeentelijke monument of het (voorlopig) gemeentelijk archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is tenietgegaan. 3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijke monument of het gemeentelijk archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister. Het vervallen van de aanwijzing wordt onmiddellijk bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Paragraaf3.3.5Bescherming gemeentelijk erfgoed Artikel3.3.5.1Instandhoudingsplicht gemeentelijk erfgoed Het is verboden een gemeentelijk monument of een gemeentelijk archeologisch monument te beschadigen, vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel3.3.5.2Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument of een gemeentelijk archeologisch monument: af te breken, verplaatsen, bekladden, beschadigen, vernielen, wijzigen, of te herstellen, (laten) gebruiken op een zodanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, en inpandige wijzigingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. Artikel3.3.5.3Weigeringsgronden 1.De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.3.5.2 kan slechts worden verleend als het belang van het erfgoed zich niet daartegen verzet. 2.Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt, voor zover deze betrekking heeft op religieuze aspecten, niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. Paragraaf3.3.6Rijksmonumenten Artikel3.3.6.1Advies omgevingsvergunning rijksmonument Het college zendt onmiddellijk een kopie van de beoordeelbare omgevingsvergunningaanvraag voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ow voor advies aan de Gemeentelijke adviescommissie. Paragraaf3.3.7Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten Artikel3.3.7.1Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2.Het college vraagt, voorafgaand aan het voorstel aan de gemeenteraad, advies aan de Gemeentelijke adviescommissie. 3.De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel. 4.Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5.De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een functie-aanduiding in het omgevingsplan vast als bedoeld in de Ow. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiervoor een termijn worden gesteld. 6.Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre de functie-aanduiding in het omgevingsplan als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Ow kan worden vastgesteld. 7.Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 2.34, vierde lid van de Ow. Artikel3.3.7.2Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3.3.7.1, eerste lid van deze Verordening, wijzigen of intrekken. Artikel 3.3.7.1, tweede en derde lid van deze Verordening is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2.Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onmiddellijk bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel3.3.7.3Verbodsbepaling en vergunningaanvraag slopen 1.Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Ow, een bouwwerk te slopen. 2.De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3.Het artikel 3.3.5.3 van deze Verordening zijn van overeenkomstige toepassing. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. Paragraaf3.3.8Archeologie Artikel3.3.8.1Vangnet archeologie Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht, als in het omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130, eerste lid Bkl tenzij: voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.18 Ow is verleend; het de verstoring betreft die geen strijd oplevert met de door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Hoofdstuk3.4Aansluiting riolering Artikel3.4.1Vergunningplicht Het is verboden zonder vergunning van het college een aansluiting van een particulier riool op het openbaar riool tot stand te brengen of te wijzigen. Artikel3.4.2Beoordeling aanvraag en intrekking vergunning In aanvulling op artikel 1.1.9 van deze Verordening kan het college de omgevingsvergunning weigeren als het belang van de doelmatige werking van het openbaar riool onevenredig wordt geschaad. Artikel3.4.3Intrekking vergunning In aanvulling op artikel 1.1.6 van deze Verordening kan de omgevingsvergunning worden ingetrokken als: het gebruik van de rioolaansluitleiding definitief wordt beëindigd, of gedurende één jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn de vergunning niet is gebruikt. Artikel3.4.4Algemene regels De vergunninghouder als bedoeld in artikel 3.3.1 van deze Verordening, moet naast de vergunningvoorschriften ook de door het college vastgestelde algemene regels in acht nemen. Artikel3.4.5Informatieplicht beëindiging aansluiting Als het gebruik van een rioolaansluitleiding definitief wordt beëindigd, informeert de vergunninghouder het college hierover uiterlijk vier weken na de beëindiging. Artikel3.4.6Eigendom aansluitleiding 1.De grens tussen het gemeentelijke eigendom en het particuliere eigendom van een rioolaansluitleiding ligt ter plaatse van het ontstoppingsstuk in de rioolaansluitleiding. 2.Als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een rioolwaterpomp is vereist, ligt de grens, in afwijking van het eerste lid, ter plaatse van de uitmonding van de bij de rioolwaterpomp behorende persleiding op het gemeentelijk riool. 3.Bij afwezigheid van een ontstoppingsstuk en rioolwaterpomp ligt de grens in de rioolaansluitleiding op een afstand van 0,5 meter buiten de grens van het perceel van de vergunninghouder. Artikel3.4.7Zorgplicht Degene die een particulier riool op een openbaar riool aansluit of wijzigt en weet of redelijkerwijs kan weten dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de gezondheid en/of doelmatige werking van het openbaar riool, is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd; bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een op het openbaar riool aangesloten perceel verzanding en doorgang van ratten te voorkomen, en te zorgen voor de bescherming van de doelmatige werking van de perceelaansluitleiding, naburige aansluitingen en de voorzieningen voor het beheer van afvalwater. Hoofdstuk3.5Hemel- en grondwater Artikel3.5.1Lozingsverbod hemel- en grondwater 1.Het is verboden zonder vergunning van het college hemelwater en/of grondwater te lozen op het openbaar vuilwaterriool, in door het college aangewezen hemelwaterscheidingsgebied. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater. 2.De lozing van hemel- en grondwater, op het openbaar vuilwaterriool wordt beëindigd binnen één jaar nadat het verbod op een perceel van toepassing is geworden. 3.De in het eerste lid bedoelde vergunning kan worden verleend als van de eigenaar van het bouwwerk of het perceel redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van hemel- of grondwater kan worden verlangd. Artikel3.5.2Verplichting tot hemelwaterberging 1.Het is verboden zonder vergunning van het college in het door het college aangewezen hemelwaterbergingsgebied vanaf nieuwe gebouwen hemelwater te lozen in een openbaar riool, met uitzondering van nieuwe gebouwen of aanbouwen waarbij sprake is van (een toename van) een bebouwd verhard oppervlak van minder dan 20 m². 2.Het verbod in het eerste lid geldt niet als een hemelwaterberging is gerealiseerd en in stand gehouden. 3.De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is: 80 liter per m² in geval van een bui die valt in 120 minuten, bij een toename van het bebouwd verhard oppervlak gelijk of meer dan 50 m²; 35 liter per m² in geval van een bui die valt in 60 minuten, bij een toename van het bebouwd verhard oppervlak gelijk of meer dan 20 m² en minder dan 50 m². 4.De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze tussen 24 uur en 48 uur weer voor 90% beschikbaar is. De leegloop van de voorziening mag plaatsvinden in de bodem, op het openbaar riool of in de openbare ruimte. 5.Het in de hemelwaterberging opgevangen water wordt hergebruikt of geïnfiltreerd. Is beide niet mogelijk, dan kan het water vertraagd worden afgevoerd naar het gemeentelijk riool. 6.De hoeveelheid hemelwater die na vulling van de hemelwaterberging op eigen terrein niet kan worden geborgen, kan worden geloosd op het openbare riool of in de openbare ruimte. 7.De in het eerste lid bedoelde vergunning kan worden verleend als het aanbrengen van de hemelwaterberging redelijkerwijs niet mogelijk is. Hoofdstuk3.6Telecommunicatie (voorheen: Telecomverordening gemeente Eijsden-Margraten 2011) Artikel3.6.1Definities 1.De in de Telecommunicatiewet opgenomen definities gelden eveneens voor de begrippen in dit hoofdstuk. 2.In aanvulling op het eerste lid en de in bijlage 1 genoemde definities wordt verstaan onder: kabels en/of leidingen: één of meer kabels en/of leidingen die onderdeel zijn van een openbaar (elektronisch communicatie)netwerk, daaronder mede begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations, distributie- en/of mutatiepunten, en tevens omvattend lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie; netbeheerder: degene die als natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon acteert als beheerder van een netwerk; netwerk: samenstel van kabels of leidingen; registratiesysteem: digitaal systeem dat het college hanteert om meldingen van en vergunningen voor werkzaamheden, zoals genoemd in onderdeel l. van dit artikel, en alles wat daarmee samenhangt te verwerken; spoedeisende werkzaamheden: werkzaamheden, zoals genoemd in onderdeel l. van dit artikel, voor reparatie of onderhoud waarvan uitstel niet mogelijk is als een ernstige belemmering of storing van de dienstverlening in het desbetreffende netwerk is opgetreden; werkzaamheden: handmatige en/of mechanische (graaf)werkzaamheden, waaronder ook begrepen het opbreken en herstellen van de sleufbedekking en sleufloze technieken, in of op openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen; werkzaamheden van minder ingrijpende aard: het realiseren van incidentele (huis-) aansluitingen met een gezamenlijke lengte korter dan vijftien meter; werkzaamheden van niet ingrijpende aard: werkzaamheden, zoals genoemd in onderdeel l. van dit artikel, met een gezamenlijke tracélengte tot 25 meter en waarbij geen wegen, watergangen of groenvoorzieningen volledig worden gekruist en/of bovengrondse voorzieningen worden geplaatst; het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen; het maken van maximaal twee opbrekingen met elk een afmeting van maximaal 2 m². Artikel3.6.2Toepasselijkheid Dit hoofdstuk is van toepassing op het aanleggen, in stand houden alsmede opruimen van kabels en leidingen in openbare grond als de gemeente deze grond beheert of dienaangaande coördinatieverplichtingen heeft als bedoeld in de Telecommunicatiewet. Artikel3.6.3Meldplicht en instemmingsvereisten 1.Het is verboden zonder instemmingbesluit van het college kabels en/of leidingen in of op openbare grond aan te leggen, in stand te houden of op te ruimen. 2.Aan het instemmingsbesluit als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval voorschriften verbonden met betrekking tot de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. 3.Voor werkzaamheden van minder ingrijpende aard en voor minder ingrijpende reparatie- of onderhoudswerkzaamheden, is geen instemmingsbesluit als bedoeld in het eerste lid vereist. Artikel3.6.4Meldingstermijnen 1.Iedereen die werkzaamheden wil verrichten, meldt dit uiterlijk acht weken voor de aanvang van die werkzaamheden schriftelijk aan het college. 2.Minder ingrijpende werkzaamheden moeten vijf dagen voor de uitvoering schriftelijk worden gemeld aan de daartoe gemachtigde ambtenaar. Op grond van de belangen genoemd in artikel 3.6.7, eerste lid van deze Verordening kan het college bepalen dat de realisatie van deze werkzaamheden op een later tijdstip moet plaatsvinden. 3.In geval van spoedeisende werkzaamheden door een ernstige belemmering of storing van de communicatie, waarvan uitstel niet mogelijk is en de storing mogelijkerwijs buiten de normale werktijden plaatsvindt, moet dit voorafgaand aan de werkzaamheden schriftelijk en gemotiveerd worden gemeld aan het college, maar in ieder geval uiterlijk binnen één werkdag na de start van de werkzaamheden. 4.Als de werkzaamheden mede betrekking hebben op grond van een andere gedoogplichtige dan de gemeente, dan wordt uiterlijk vier weken na ontvangst van de melding, als genoemd in het eerste lid, het college schriftelijk geïnformeerd over de uitkomst van het overleg tussen de aanbieder en de andere gedoogplichtige(n). Artikel3.6.5Procedure en -voorschriften 1.Een instemmingsbesluit wordt door het college op aanvraag verleend, als wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze Verordening. 2.Van de aanvraag om een instemmingsbesluit maken deel uit: een kopie van registratie door OPTA; een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, betreffende de aanvrager; naam- en adresgegevens van de eigenaar, beheerder en exploitant van de kabel en de uitvoerende (onder)aannemer alsmede de naam en het telefoonnummer van de contactpersoon voor de werkzaamheden; een opgave van het aantal, de soort kabel(
- s)en het beoogde gebruik; welke belanghebbenden en organisaties vooraf in kennis worden gesteld van de voorgenomen datum van aanvang, beëindiging en aard van de werkzaamheden; een uitvoeringsplan met daarin opgenomen: het gewenste tracé; de resultaten van het haalbaarheidsonderzoek inzake de beschikbare ruimte; de objecten die tijdens de werkzaamheden worden geplaatst en de situering daarvan; het aantal kabels dat al dan niet onmiddellijk in gebruik wordt genomen; een omschrijving van de opbrekingen; de doorsnede van de kabel(goot) alsmede lengte en breedte van de kabelsleuf; de maatregelen voor de bereikbaarheid van in de openbare grond aanwezige kabels en leidingen het voorgenomen tijdstip van start en beëindiging van de werkzaamheden. 3.Bij een melding voor minder ingrijpende werkzaamheden, als bedoeld in artikel 3.6.3, derde lid van deze Verordening, moet worden verstrekt: naam, adres en ondertekening van de aanbieder; naam en adres van de (onder)aannemer(
- s)die zijn belast met de werkzaamheden; globale planning; uitvoeringsplan; dagtekening van de melding; lengte van de kabelsleuf die wordt opengebroken; het oppervlak van het lasgat dat wordt opengebroken. 4.De aanbieder informeert omwonenden over de uit te voeren werkzaamheden minimaal zeven dagen voor de start van de werkzaamheden schriftelijk over start, duur, aard en plaats van de werkzaamheden. Artikel3.6.6Beslistermijn In afwijking van artikel 1.1.2 van deze Verordening begint de beslistermijn van acht weken na ontvangst van alle instemmingen van de betrokken gedoogplichtigen, na ontvangst van de aanvraag. Artikel3.6.7Voorschriften, beperkingen en verplichtingen 1.De gemeente kan met inachtneming van art. 5.4, tweede en derde lid Telecommunicatiewet aan het instemmingbesluit voorschriften verbinden in het belang van: de openbare orde; de veiligheid, waaronder ook de verkeersveiligheid en/of een goede doorstroming van het verkeer; het voorkomen van schade of overlast, waaronder ook de bescherming van archeologische vondsten, groenvoorzieningen, bomen en beplantingen alsmede van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bereikbaarheid en het gebruik van grond of gebouwen; de ondergrondse ordening, waaronder ook het zo min mogelijk hinder veroorzaken voor reeds in de grond aanwezige werken en het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze werken; 2.Ter bescherming van de belangen als genoemd in het eerste lid kan de gemeente aan het instemmingbesluit voorschriften verbinden; over het medegebruik van voorzieningen, die door derden of de gemeente tegen marktconforme prijzen ter beschikking worden gesteld, en een zekerheidsstelling voor de nakoming van verplichtingen op grond van de voorschriften verbonden aan het instemmingbesluit. 3.De uitvoering van aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels alsmede medegebruik van voorzieningen, gebeurt volgens de meest recente versie van ”Leidraad voor gemeenten en nutsbedrijven inzake (her-)straatwerkzaamheden opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten”. 4.De aanbieder vergoedt aan de gemeente de schade veroorzaakt door of voortvloeiend uit de werkzaamheden, waarbij de omvang beperkt is tot vergoeding van de marktconforme kosten van de voorzieningen en onderhoud. 5.De aanbieder is verplicht na einde van de werkzaamheden de grond terug te brengen in de oude staat, tenzij de gemeente vooraf heeft aangegeven hier zelf zorg voor te dragen. 6.De aanbieder draagt de kosten die nodig zijn voor het terugbrengen van de grond in de oude staat. Artikel3.6.8Zakelijk karakter en eigendom 1.Als de eigendom, exploitatie of het beheer van de kabel of leiding wordt overgedragen aan een andere netwerkaanbieder, dan gaan de rechten en plichten die betrekking hebben op de kabel en leiding van de oude netwerkaanbieder over op de nieuwe netwerkaanbieder. 2.De netwerkaanbieder deelt het college onmiddellijk schriftelijk mede dat de eigendom, exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert, als dat het geval is. Artikel3.6.9Niet-openbare kabels 1.Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van niet openbare kabels in openbare wegen en wateren, is het bepaalde in deze Verordening van overeenkomstige toepassing. 2.Niet-openbare kabels moeten door en op kosten van de eigenaar worden verlegd als het college daarom verzoekt. Artikel3.6.10Niet in gebruik zijnde kabels 1.De aanbieder informeert het college schriftelijk en onmiddellijk als de kabel of leiding niet langer ten dienste staat van een (niet-)openbaar elektronisch communicatienetwerk in of op openbare grond. 2.De aanbieder overlegt jaarlijks aan het college een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels, leidingen en ondersteuningswerken. De bewijslast van ingebruikname ligt bij de aanbieder. 3.Op verzoek van het college verstrekt de aanbieder het in het derde lid bedoelde overzicht in digitale vorm. Artikel3.6.11Overleg 1.De gemeente organiseert periodiek overleg met in elk geval de bij de gemeente bekende aanbieders. 2.Tijdens het in het eerste lid bedoelde overleg worden de plannen van de gemeente en de diverse aanbieders besproken alsmede afgestemd overeenkomstig de bepalingen van deze Verordening. 3.Aan het overleg als bedoeld in het eerste lid kunnen geen rechten worden ontleend. Hoofdstuk3.7Geurhinder veehouderijen (voorheen: Verordening Wet geurhinder en veehouderij gemeente Eijsden-Margraten 2015) Artikel3.7.1Begripsbepaling In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bebouwde kom: de kernen, zoals opgenomen in de bijgevoegde bijlage van de door bureau Windmill opgestelde gebiedsvisie gemeente Margraten d.d. december 2008 en gebiedsvisie gemeente Eijsden d.d. 13 oktober 2009. Artikel3.7.2Waarden voor ou-dieren De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een binnen de gemeente voormalige agrarische bedrijfswoning en/of geurgevoelig object die na 18 maart 2000 heeft of hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, bedraagt: binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter; buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter. De afstand wordt gemeten overeenkomstig het bepaalde in het Bal. Artikel3.7.3Waarden voor vaste afstandsdieren De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een binnen de gemeente gelegen geurgevoelig object, bedraagt: binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter; buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter. De afstand wordt gemeten overeenkomstig het bepaalde in het Bal. Artikel3.7.4Waarden voor geurgevoelige objecten niet meer tot de milieubelastende activiteit behorend. De geurnorm tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object dat geen deel meer uitmaakt van de eigen veehouderij, bedraagt 25 ouE./m3. De geurbelasting wordt overeenkomstig het bepaalde in het Bal vastgesteld. De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object dat niet meer tot de eigen veehouderij behoort, bedraagt nul meter. Hoofdstuk3.8Gemeentelijke begraafplaatsen (voorheen: Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen Gemeente Eijsden-Margraten 2011) Paragraaf3.8.1Openstelling, orde en rust Artikel3.8.1.1Openstelling begraafplaats(
- en)1.De begraafplaatsen zijn voor iedereen dagelijks toegankelijk tussen zonsopgang en zonsondergang. 2.Voor het bewaren van de orde en rust op de begraafplaatsen kunnen de toegangen tijdelijk worden gesloten. 3.Het is verboden gedurende de tijd dat de begraafplaatsen niet voor het publiek geopend zijn, zich daarop te bevinden. Voor het bijwonen van een begrafenis of de bezorging van as geldt dit verbod niet. Artikel3.8.1.2Ordemaatregelen 1.Bezoekers, personeel van uitvaartondernemingen en personen die werkzaamheden op de begraafplaatsen verrichten, zijn verplicht zich in het belang van de orde, rust en netheid te houden aan de aanwijzingen van de beheerder. 2.De beheerder kan personen die zich niet aan de in het eerste lid bedoelde aanwijzingen houden van de begraafplaats (laten) verwijderen. 3.Het is verboden: met motorrijtuigen op de begraafplaatsen te rijden anders dan voor een begrafenis of voor het vervoeren van materialen; op de begraafplaatsen sneller dan 10 km per uur te rijden; op de graven te lopen, zitten of de begraafplaats te verontreinigen; op de begraafplaatsen bloemen of andere waar te koop aan te bieden. 5.Het is aan steenhouwers, grafdelvers, hoveniers en daarmee gelijk te stellen personen verboden, zonder toestemming van de beheerder, werkzaamheden voor derden aan grafbedekkingen op de begraafplaatsen te verrichten. Artikel3.8.1.3Plechtigheden 1.Herdenkingsbijeenkomsten, onthullingen van gedenktekens en dergelijke plechtigheden op de begraafplaatsen moeten ten minste zes dagen tevoren worden gemeld aan de beheerder. Datum en uur van de plechtigheid en de wijze waarop deze zal plaatsvinden worden in overleg met de aanvrager door de beheerder vastgesteld. 2.De deelnemers aan de plechtigheid, bedoeld in het eerste lid moeten zich in het belang van de orde, rust en netheid houden aan de aanwijzingen van de beheerder. Artikel3.8.1.4Opgravingen en ruimen Het opgraven van lijken en ruimen van graven is alleen toegestaan als daarbij geen andere personen aanwezig dan degenen die met deze werkzaamheden zijn belast en de door de gemeente aangewezen toezichthouder. Paragraaf3.8.2Lijkbezorging Artikel3.8.2.1Melding begraven, asbezorging, openen en sluiten graf 1.Degene die wil doen begraven, as bijzetten of as verstrooien, meldt dit schriftelijk aan de beheerder uiterlijk om 12.00 uur van de werkdag voorafgaande aan die waarop de gedraging zal plaatsvinden. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. 2.Als de burgemeester toestemming heeft gegeven om het lijk binnen 36 uur na het overlijden te begraven, moet dit zo snel mogelijk bij de beheerder worden gemeld. 3.Het delven en openen van een graf ter begraving of voor het bezorgen van as, het daarna sluiten van een graf en ook het bedienen van de hulpmiddelen, mag uitsluitend gebeuren door het personeel van de begraafplaats op aanwijzing en met goedkeuring van de beheerder. De nabestaanden kunnen deze werkzaamheden onder toezicht van de beheerder geheel of gedeeltelijk zelf verrichten als zij hun wens daartoe uiterlijk om 12.00 uur van de voorafgaande werkdag schriftelijk aan de beheerder hebben gemeld. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. Zij dienen bij deze werkzaamheden de aanwijzingen van de beheerder op te volgen. 4.Het lijk, het omhulsel en de asbus of urn, moeten zijn voorzien van een duurzaam identiteitskenmerk. De gegevens van het kenmerk moeten overeenstemmen met de administratie van de begraafplaats. Artikel3.8.2.2Begraving 1.Begraving is alleen toegestaan als van tevoren het verlof tot begraven is ingeleverd bij de beheerder. 2.Als de begraving, bijzetting of bezorging van as in een particulier graf plaatsvindt, moet een door de rechthebbende ondertekende machtiging daartoe bij de beheerder worden ingeleverd, ondertekend door de rechthebbende. Dit gebeurt door degene die in de uitvaart voorziet als de rechthebbende is overleden. 3.Begraving of bijzetting in een particulier graf waarvan de uitgiftetermijn binnen de wettelijke minimum grafrusttermijn afloopt, kan alleen plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van de uitgiftetermijn met een zodanige periode dat de dan resterende uitgiftetermijn ten minste gelijk is aan de wettelijke minimum grafrusttermijn. De verlenging dient te worden aangevraagd door de rechthebbende. Als deze is overleden, door een van de andere personen genoemd in 3.8.2.1. van deze Verordening. 4.De in het vorige lid bedoelde periode van verlenging wordt naar boven afgerond op hele jaren. Artikel3.8.2.3Tijden van begraven en asbezorging Begraven en het bezorgen van as vindt plaats op werkdagen en zaterdagen tussen zonsop- en zonsondergang. Paragraaf3.8.3Indeling en uitgifte graven Artikel3.8.3.1Indeling graven en asbezorging 1.Op de begraafplaatsen kunnen worden uitgegeven particuliere: graven en urnengraven; verstrooiingsplaatsen; grafkelders. 2.Een particulier (huur)graf of particulier (huur)urnengraf is een grafruimte waarvoor het uitsluitend recht is verleend voor het be