← Nederland

Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart 2023-2028 (Haarlem)

Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart 2023-2028Inleiding Het doel van het Nederlandse bodembeleid is enerzijds de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant die op en in de bodem leven e

paragraaf 2.2 Saneringsbeleid in deze nota. In de risicobeoordeling van Sanscrit zijn verschillende grenzen opgenomen voor verschillende gebruiksfuncties. Ter illustratie van de risicogrenzen in Sanscrit de onderstaande tabel en toelichting Ter illustratie van de risicogrenzen in Sanscrit de onderstaande tabel en toelichting Sanscrit, standaard in stap 2 Sanscrit, oude ophooglagen, kan in stap 3 Sanscrit, lagere biobeschikbaarheid, kan in stap 3 Humane biobeschikbaarheids-factor 0,74 0,403) bv. 0,2054) Bodemfunctie Scenario consumptie % blad- en knolgewassen Scenario mate bodem-contact Natuur/groen1) 0% weinig 3650 6720 13300 Plaatsen waar kinderen spelen1) 0% veel 730 1350 2690 Wonen met tuin1) 10% blad 10% knol veel 530 810 1150 Grote moestuin1) 100% blad 50% knol veel 140 150 160 Kleine moestuin2) 50% blad 25% knol veel 230 270 300 Tabel 3: Risicogrenzen voor lood voor humane spoed (in de vorm van bodemconcentraties in mg/kg ds) bij verschillende bodemgebruiksfuncties en verschillende humane biobeschikbaarheid 1) Bodemfuncties zoals vastgelegd in het NOBO-rapport en ook doorgevoerd in Sanscrit. ‘Natuur/groen’ staat voor de bodemfuncties ‘Natuur’, ‘Groen met natuurwaarden’ en ‘Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie’. Onder de bodemfunctie ‘Plaatsen waar kinderen spelen’, kan ook de siertuin vallen. Voor meer informatie zie paragraaf 6.4 van het NOBO-rapport. 2) Bodemfunctie vastgelegd in het NOBO-rapport, opgenomen in de Risicotoolbox en instelbaar in stap 3 van Sanscrit (aanpassen fractie verontreinigd gewas). Voor de kleine moestuin wordt uitgegaan van een oppervlakte van minimaal ca. 100 m2 in gebruik als moestuin en voor de grote moestuin is dit minimaal ca. 200 m

  1. 3) In de Circulaire bodemsanering wordt toegelicht dat een relatieve humane biobeschikbaarheidsfactor van 0,4 kan worden toegepast voor stedelijke ophooglagen met een historische loodverontreiniging, voor toemaakdekken (bodems met een organisch stofgehalte van minimaal 20% en een historische loodverontreiniging) en hiermee vergelijkbare bodems waarvan kan worden aangetoond dat de loodverontreiniging een lage humane biobeschikbaarheid heeft. 4) Een relatieve humane biobeschikbaarheidsfactor anders dan 0,4 kan vastgesteld worden via onderzoek, het gehalte van 0,2 wordt gehanteerd in de gemeente Rotterdam. In deze tabel is te zien dat de risicogrens voor lood lager (strenger) wordt bij veel bodemcontact in plaats van weinig bodemcontact en bij meer gewasconsumptie. Ook wordt de risicogrens lager (strenger) als wordt uitgegaan van een hogere humane biobeschikbaarheidsfactor. Overige bijzondere situaties Voor situaties die niet beschreven zijn in deze nota moet contact worden opgenomen met de afdeling OMB via meldpuntbodem@haarlem.nl. 6.Taken en bevoegdheden De gemeente Haarlem is onder de Wbb bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit. De meldingen voor het toepassen van grond gaan via het landelijk meldpunt Bodemkwaliteit (digitaal loket Meldpunt Bodemkwaliteit) en worden voor afhandeling doorgestuurd naar het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk worden de taken en bevoegdheden van de gemeente beschreven. Wanneer melden De onderstaande tabel geeft in grote lijnen de melding en toetsing weer onder het Besluit bodemkwaliteit en het gebiedsspecifieke beleid van de gemeente Haarlem. Meldingsplicht (bij gebruik op landbodem) Toetsing aan LMW bodemkwaliteitszone Kwaliteitsgegevens Toepassen van ‘AW2000’- grond > 50 m3 ja, eenmalig nee ja, in de melding Toepassen van grond grootschalig > 5000 m3 ja nee ja, in melding Toepassen van licht verontreinigde grond ja ja ja, in melding Tijdelijk opslaan ja ja ja, in melding Verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel nee nee ja, in eigen beheer Verspreidbare baggerspecie in weilanddepot ja nee ja, in melding Tabel 4: Meldingsplicht besluit bodemkwaliteit Voor een toelichting op deze tabel wordt verwezen naar bijlage
  2. In de volgende situaties is geen melding nodig: Toepassen van grond of baggerspecie door particulieren. Toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf als de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waarop de grond of baggerspecie wordt toegepast. Voor de definitie van een landbouwbedrijf wordt verwezen naar artikel 1.1 van de Meststoffenwet. Het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen. Het toepassen van schone (AW2000) grond en baggerspecie in hoeveelheden kleiner dan 50 m
  3. Voor het toepassen van schone grond en baggerspecie in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld (zie tabel in bijlage 4). Het feit dat geen meldingsverplichting bestaat betekent uiteraard dat de toepassing aantoonbaar moet voldoen aan de vereisten van het Besluit bodemkwaliteit. 6.1Meldingstermijn en loket Degene die grond of baggerspecie gaat toepassen (ook in tijdelijke depots) moet dit ten minste vijf werkdagen van tevoren melden via het landelijke Meldpunt Bodemkwaliteit. Het Meldpunt Bodemkwaliteit stuurt een ontvangstbevestiging en stuurt de melding door naar het bevoegd gezag. Op de website van het meldpunt zijn de meldingsformulieren te vinden en ook de informatie over welke gegevens bij de melding moeten worden gevoegd. Men kan bij het meldpunt ook terecht voor vragen over het invullen van de meldingsformulieren of het aanvragen van een account om digitaal te kunnen melden. Een verklaring van de gemeente Haarlem op basis van de Bkk geldt als erkende kwaliteitsverklaring. Deze verklaring is aan te vragen via bodeminformatie@haarlem.nl. 6.2Beoordeling De Omgevingsdienst IJmond (hierna: ODIJ) toetst de voorgenomen toepassing en de eventueel bijgeleverde stukken aan het Besluit bodemkwaliteit en onderliggende Nota bodembeheer. Er wordt nagegaan of de gegevens van de melding juist zijn, of de werkzaamheden onder het juiste toepassingskader zijn aangemeld en ook of er terecht van de Bkk of andere documenten als bewijsmiddel gebruik is gemaakt. Verder wordt nagegaan of er sprake is van bijzondere omstandigheden of onverwachte situaties. Uiteindelijk volgt de conclusie over de toepasbaarheid van de partij grond of baggerspecie. Indien noodzakelijk zal ODIJ contact opnemen met de melder als er bijzonderheden zijn. 6.3Toezicht en handhaving De melding geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om te verifiëren of de toe te passen partij en de voorgenomen toepassing voldoen aan de vereisten van het Besluit bodemkwaliteit. Naast gerichte controles over gemelde toepassingen, worden door de toezichthouders van ODIJ surveillances uitgevoerd om te controleren of toepassingen van grond en baggerspecie gemeld zijn. Eventueel kan ook een handhavingsonderzoek worden uitgevoerd. Eventueel kan tot monsterneming worden overgegaan. Daarnaast kan strafrechtelijk en/of bestuursrechtelijk worden opgetreden bij geconstateerde overtredingen. Hierbij is bepalend of sprake is van een aandachtspunt zoals beschreven in de Handhaving uitvoeringsmethode Besluit bodemkwaliteit. Deze uitvoeringsmethode is bedoeld om alle handhavende overheidsinstanties, die toezicht houden in het kader van het Besluit bodemkwaliteit, ondersteuning te bieden bij het signaleren, beëindigen, ongedaan maken of terugdraaien van een overtreding. Regels en bevoegdheden over transport van grond en baggerspecie binnen de gemeentegrenzen Voor het transport van (vrijkomende) grond en baggerspecie moet worden voldaan aan de Wegenverkeerswet, het Reglement verkeersregels en verkeerstekens en de wetgeving met betrekking tot het transporteren van afvalstoffen. (Vrijkomende) grond of baggerspecie is in principe een afvalstof, tenzij door de eigenaar aantoonbaar voldoende garanties kunnen worden gegeven dat de betreffende partij binnen afzienbare tijd direct nuttig kan worden hergebruikt op een andere locatie. In het geval van afvalstoffen dienen de volgende documenten bij het transport aanwezig te zijn: Een volledig ingevulde en ondertekende ‘standaard begeleidingsbrief’ (de begeleidingsbrief is te downloaden van website ww.lma.nl), het vermelden van een afvalstroomnummer is afhankelijk van de bestemming (gaat de partij wel of niet naar een inrichting). Een gewaarmerkt kopie van het certificaat voor vervoer (NIWO: Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie). Een verwijzing naar kwaliteitsgegevens (deze kwaliteitsgegevens moeten op de locatie van herkomst of de locatie van toepassing aanwezig zijn). Indien kan worden aangetoond dat de partij grond of baggerspecie op korte termijn wordt hergebruikt, dan wel rechtstreeks van een leverancier vandaan komt, zijn voor het transport de volgende documenten vereist: Een vrachtbrief in het kader van transportwetgeving (de eerdergenoemde begeleidingsbrief is ook als vrachtbrief te gebruiken); Een gewaarmerkt kopie van het certificaat voor vervoer (NIWO); Een verwijzing naar kwaliteitsgegevens. Opgemerkt wordt dat voor wat betreft grond en baggerspecie het Besluit bodemkwaliteit alleen betrekking heeft op het toepassen hiervan. Daarom is het bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit niet bevoegd voor het uitvoeren van controles in het kader van transport (of afvalstoffen)wetgeving. Het bevoegd gezag in relatie tot transport zijn de politie en de provincie. Daarnaast is de Inspectie Leefomgeving en Transport de eerstverantwoordelijke voor ketentoezicht in relatie tot het Besluit bodemkwaliteit. Wel mag een toezichthouder van de gemeente/ODIJ transporten controleren die gerelateerd zijn aan een toepassing conform het Besluit bodemkwaliteit. Bij het controleren van transporten is samenwerking met de provincie of de politie echter altijd aan te bevelen. 7.Bijlagen Bijlage1:Toelichting Sanscrit en bodemfuncties in Sanscrit Status van de berekeningen van de risicotoolbox De risicotoolbox berekent de risico's van een ingevoerde chemische bodemkwaliteit voor ecosysteem, mens en landbouwproductie. De risicotoolbox maakt hiervoor gebruik van wetenschappelijke modellen uit de normstellingspraktijk. Modellen kunnen slechts een voorspelling geven van te verwachten risico's. De kwaliteit van deze voorspellingen wordt bepaald door de betrouwbaarheid van de modellen. De modellen achter de risicotoolbox hebben uiteenlopende betrouwbaarheden. Bij het weergeven van de resultaten wordt een kwalitatieve indruk gegeven van de betrouwbaarheid van een resultaat. De verantwoordelijkheid voor de interpretatie van de resultaten ligt bij de gebruiker van het instrument. Het bovenstaande betekent dat voorspellingen van risico's die zowel boven als onder de - voor de gekozen bodemgebruiksvorm relevante - risicogrenswaarde liggen slechts indicatief zijn. Juist bij resultaten die dicht bij risicogrenswaarden liggen is het belangrijk om hierbij in de interpretatiefase stil te staan. De risicotoolbox kan in de module "Lokale Maximale Waarden" op twee manieren rekenen: 1) Berekeningen volgens het Besluit Bodemkwaliteit In het Besluit staan de methoden beschreven waarlangs Lokale Maximale Waarden ter beoordeling van de toepassing van grond of baggerspecie dienen te worden afgeleid. De risicotoolbox maakt onderdeel uit van dit proces. In deze modus werkt de risicotoolbox strikt volgens de bepalingen van het besluit. Ingevoerde bodemkwaliteitsgegevens die worden aangemerkt als set Lokale Maximale Waarden en de berekeningsresultaten krijgen een bijzondere status en worden permanent opgeslagen in de systeemdatabase. 2) Rekenen aan de risico's van de actuele chemische bodemkwaliteit Naast bovengenoemde procedurele functie, heeft de risicotoolbox ook de functie om wetenschappelijke modellen waarmee risico's van een chemische bodemkwaliteit kunnen worden doorgerekend op een gebruikersvriendelijke wijze beschikbaar te maken voor lokale bevoegde gezagen en andere belanghebbenden. De status van deze functie is vrijblijvend en de mogelijkheden waarop gerekend kan worden zijn uitgebreider dan in de eerstgenoemde functie. Bodemfuncties Een belangrijk doel van het Besluit bodemkwaliteit is dat er bij het bodembeheer (meer) rekening wordt gehouden met de bodemfunctie (= de vorm van gebruik van de bodem voor de mens in een bepaald gebied). De risicotoolbox biedt de keuze uit zeven bodemfuncties die zijn gekoppeld aan beschermingsniveaus voor het ecosysteem, blootstellingsniveaus voor de mens en criteria voor landbouwproducten. De bodemfuncties worden hier kort beschreven. Voor meer informatie over de bodemfuncties in relatie tot risico's en bodemkwaliteit zie de literatuurverwijzingen onderaan deze pagina. Wonen met tuin De bodemfunctie Wonen met tuin hoort bij woongebieden met tuinen, waar enige consumptie van gewassen uit de eigen tuin geen probleem mag zijn. Hierbij moet worden gedacht aan een gewasconsumptie uit de eigen tuin van rond de 10% van de totale gewasconsumptie van de bewoners. Mag worden verwacht dat veel grotere percentages uit de eigen tuin worden gegeten (of vindt het bevoegd gezag dat dit mogelijk moet zijn) dan moet gekozen worden voor de bodemfunctie Moestuinen en volkstuinen. Plaatsen waar kinderen spelen Bij de bodemfunctie Plaatsen waar kinderen spelen gaat het om die plaatsen waar kinderen in contact komen met de onverharde bodem. Het gaat om speelplaatsen bij scholen, bij kindercentra, in plantsoenen, etc, maar ook om plaatsen die niet specifiek zijn bedoeld als kinderspeelplaats, maar die door kinderen wel aantrekkelijk worden gevonden om regelmatig te spelen. Kenmerkend voor deze bodemfunctie is dat er geen rekening wordt gehouden met gewasconsumptie. Ook siertuinen kunnen onder deze functie vallen, maar dan moeten de bewoners er goed van op de hoogte zijn dat het niet de bedoeling is om gewassen te gaan telen in de betreffende siertuinen. Het kiezen van de bodemfunctie Plaatsen waar kinderen spelen voor woningen met tuinen is hiermee vooral een optie voor dichtbebouwd stedelijk gebied met kleine tuinen, die bijna altijd grotendeels zijn verhard. Binnen de bodemfunctie Plaatsen waar kinderen spelen kan nog worden gekozen tussen een gemiddelde ecologische waarde of weinig ecologische waarde. Dit is afhankelijk van de ecologische waarde die het bevoegd gezag aan de betreffende gebieden wil toekennen. Moestuinen en volkstuinen Onder de bodemfunctie Moestuinen en volkstuinen vallen uiteraard individuele moestuinen en volkstuinen, maar ook stads-, dorps- en boerderijtuinen die collectief voor gewasteelt worden gebruikt. Woongebieden met tuinen, waarin de teelt van grotere hoeveelheden gewassen mogelijk moet zijn, vallen onder deze bodemfunctie. Dit is de voor de mens meest gevoelige bodemfunctie. De kwaliteit van de Maximale Waarde voor deze functie maakt het mogelijk dat een huishouden 100% bladgewassen en 50% knolgewassen van de betreffende bodem consumeert. Als richtlijn om ‘volledig’ als moestuin te kunnen dienen, geldt een minimale oppervlakte van circa 200 m2 in gebruik als moestuin. Voor kleinere moestuinen en volkstuinen (minimaal circa 100 m2 in gebruik als moestuin) is er de optie om te kiezen voor een lagere gewasconsumptie uit eigen tuin (50% bladgewassen en 25% knolgewassen). Bij woongebieden waar de tuinen klein zijn en ook worden gebruikt als siertuin, voor een terras en als speelplek kan worden uitgegaan van de bodemfunctie Wonen met tuin. Landbouw De bodemfunctie Landbouw heeft betrekking op het bodemareaal dat wordt gebruikt ten behoeve van de landbouwproductie. Hierbij is afgesproken dat de boerderij en het erf hier niet onder vallen. Deze vallen onder een woonfunctie: Wonen met tuin, Moestuinen en volkstuinen of Plaatsen waar kinderen spelen. De laatstgenoemde optie ligt overigens niet voor de hand, omdat er bij boerderijen relatief vaak sprake is van gewasteelt. Natuur De bodemfunctie Natuur geldt voor natuurgebieden en andere gebieden met een bijzondere ecologische waarde. Het gaat om gebieden waar er voor wordt gekozen het ecosysteem zo goed mogelijk te beschermen. Het ecologische risiconiveau ligt dan ook op de Achtergrondwaarde. Het kan hierbij overigens ook gaan om bijvoorbeeld delen van bedrijfsterreinen die zeer extensief worden gebruikt of bijzondere dijklichamen of spoordijken. Ook parken en groengebieden in stedelijk gebied kunnen qua bodemkwaliteit aan hoge ecologische eisen voldoen en deze kunnen daarom desgewenst ook onder de bodemfunctie Natuur worden gebracht. Groen met natuurwaarden De bodemfunctie Groen met natuurwaarden hoort bij groene gebieden met een zekere ecologische waarde. Het ecologische beschermingsniveau is het Middenniveau, tussen de Achtergrondwaarde en de HC50 in. Het kan bij deze bodemfunctie gaan om terreinen voor sport- en recreatie en bepaalde stadsparken. Ook grote kantorenlocaties met veel groenvoorzieningen kunnen hieronder vallen, alsmede siertuinen bij flats en zorginstellingen, dijken en brede bermen bij grote wegen. De bestaande bodemkwaliteit kan een rol spelen bij de keuze voor deze bodemfunctie. Het moet wel gaan om gebieden waar sprake is van weinig bodemcontact door de mens. Als er sprake is van veel bodemcontact moet de bodemfunctie Plaatsen waar kinderen spelen worden gekozen. Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie Ander groen is groen dat weinig ecologische waarde heeft, zoals siergroen in openbaar gebied, bermen, groenstroken, taluds, etc. Voor de stoffen waarvoor Maximale Waarden zijn afgeleid ligt het ecologisch beschermingsniveau op de HC
  4. Onder deze bodemfunctie vallen wegen en spoorwegen met weinig groen. Ook kan deze bodemfunctie worden toegepast op om terreinen voor sport- en recreatie en bepaalde stadsparken. Verder valt te denken aan bedrijventerreinen, haventerreinen, niet-grond-gebonden glastuinbouw, etc. Ook alle bebouwing en verharding kan onder deze functie vallen, dus ook dicht bebouwd stedelijk gebied zonder tuinen. Als het betreffende gebied nagenoeg geheel is verhard, kan de specifieke bescherming voor doorvergiftiging vervallen. Dat heeft tot gevolg dat voor sommige stoffen aan minder strenge Maximale Waarden moet worden voldaan, zodat enige extra ruimte ontstaat voor het grondverzet. Literatuur VROM

(2008)Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling. Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007. VROM rapport. Ministerie van VROM. Den Haag. Wezenbeek, J.M.
(2007)Ken uw (water)bodemkwaliteit, de risico's inzichtelijk. SenterNovem rapport 3BODM
  1. SenterNovem, Den Haag. Bijlage2:Waarden bodemkwaliteitszones getoetst aan AW2000, tussenwaarde en interventiewaarde Bijlage3:Lokale maximale waardes per bodemkwaliteitszone Cadmium Cadmium is in het verleden en in de huidige situatie geen kritische parameter. Het gemiddelde gehalte van cadmium komt in geen enkele zone boven de AW
  2. Om de gebiedskwaliteit te behouden is de Lokale Maximale Waarde op AW2000 gesteld. In de zones O4a, O5, O7 en D01-8 is de 95-percentielwaarde beneden de AW
  3. In de overige zones is de 95-percentiewaarde voor cadmium boven de AW2000, maar niet boven de tussenwaarde. Voor het toepassen van grond op basis van de Bkk is er geen toetsing van de 95-percentielwaarde aan de Lokale Maximale Waarde van de toe te passen zone nodig. Voor grond buiten het grondgebied van de gemeente Haarlem die wordt toegepast binnen de gemeente Haarlem moet duidelijk zijn dat cadmium niet boven de AW2000 voorkomen. Indien dit wordt aangetoond op basis van een vastgestelde Bkk dan dient het 95-percentielwaarde onder de AW2000 te zijn. Nikkel Nikkel is in het verleden en in de huidige situatie geen kritische parameter. Het gemiddelde gehalte van nikkel komt in geen enkele zone boven de AW
  4. Om de gebiedskwaliteit te behouden is de Lokale Maximale Waarde op AW2000 gesteld. De 95-percentielwaarde voor nikkel komt in geen enkele zone boven de tussenwaarde voor. In de zone O5 is de 95-percentielwaarde beneden de AW
  5. In de overige zones is de 95-percentiewaarde voor nikkel boven de AW2000, maar niet boven de tussenwaarde. Voor het toepassen van grond op basis van de Bkk is er geen toetsing van de 95-percentielwaarde aan de Lokale Maximale Waarde van de toe te passen zone nodig. Voor grond buiten het grondgebied van de gemeente Haarlem die wordt toegepast binnen de gemeente Haarlem moet duidelijk zijn dat nikkel niet boven de AW2000 voorkomen. Indien dit wordt aangetoond op basis van een vastgestelde bodemkwaliteitskaart dan dient het 95- percentielwaarde onder de AW2000 te zijn. Koper De 95-percentielwaarde van koper komt in de zones B1, B2, B3, B8, O1, O2, O3 en O8 boven de tussenwaarde en is daarmee een kritische parameter. In de zones B1, B2, B3, B4, B8, O1, O2, O3 en O8 is het gemiddelde gehalte vastgesteld boven de AW
  6. Voor deze zones is met de rekenkundige regel uit het bodembeheerplan 2006 (1,2 maal gemiddelde) de Lokale Maximale Waarde vastgesteld voor deze zones. Voor de overige zones waar koper gemiddeld niet boven de AW2000 voorkomt is de AW2000 als Lokale Maximale Waarde vastgesteld. Kwik De parameter kwik komt gemiddeld regelmatig boven de AW2000 voor, alleen in bodemkwaliteitszones B5, B6 en O5 komt kwik gemiddeld niet boven de AW2000 voor. De 95- percentielwaarde komt in geen enkele zone boven de tussenwaarde. Voor heel gemeente Haarlem is de Lokale Maximale Waarde op 2,0 vastgesteld. Deze waarde is boven de AW2000 en komt overeen met de beleidsmatige generieke waarde landbouw/moestuin. Dit is voor de gebruiksfuncties in gemeente Haarlem geen risico. Voor het toepassen van grond op basis van de bodemkwaliteitskaart wordt de 95-percentielwaarde getoetst aan de Lokale Maximale waarde van de toepassingszone. Lood De parameter lood komt gemiddeld in zones B1, B2 en O1 boven de tussenwaarde voor, in de zone O5 komt lood gemiddeld niet boven de AW2000 voor. In alle overige zones is het gemiddeld gehalte lood boven de AW
  7. In de zones B1, B2, B3, B4, B6, B7, B8, O1, O2, O3, O4b, O6, O8 en D01-8 is de 95-percentielwaarde boven de tussenwaarde en daarmee is lood een kritische parameter voor grondverzet. Voor de zones waar lood boven de AW2000 voorkomt is met behulp van de rekenregel een Lokale Maximale Waarde vastgesteld. Met uitzondering van de zones B1 en B2 waar de Lokale Maximale Waarde op 370 is vastgesteld. Bij deze waarde geeft de GGD aan dat sprake is van een matige bodemkwaliteit. Met eenvoudige hygiënemaatregelen zijn de risico’s tegen te gaan. Voor de meeste bodemfuncties is deze kwaliteit voldoende. Indien toepassing van grond voor gevoelige functies (zoals Plaatsen waar kinderen spelen, Wonen met (moes)tuin) aan de orde is, dan moet de grond worden getoetst aan gehalte van 100 mg/kg ds. Deze toetsing voor gevoelig functies geldt ook in de zones waar de berekende Lokale Maximale Waarde boven de 100 is. Dit betreft de zones B3, B4, B7, B8, O1, O2, O3, O4b, en O
  8. In de zones B5, B6, O4a, O5, O6, O7 en DO-1 is de berekende Lokale Maximale Waarde lager dan
  9. Voor de zone O5 is de AW2000 als Lokale Maximale Waarde vastgesteld. Zink De parameter zink komt gemiddeld in zones B1, B2, B3, B4, B6, B8, O1, O2 en O3 boven de AW
  10. In de overige zones is het gemiddeld gehalte zink beneden de AW
  11. In de zones B1, B2, B3, B4, B6, B8, O1, O2, O3, O4b, O8 is de 95-percentielwaarde boven de tussenwaarde en daarmee is zink een kritische parameter voor grondverzet. Voor de zones waar zink boven de AW2000 voorkomt is met behulp van de rekenregel een Lokale Maximale Waarde vastgesteld. Voor de zones waar het gemiddeld gehalte zink beneden de AW2000 ligt, is de AW2000 als Lokale Maximale Waarde vastgesteld. Dit geldt voor de zones B5, B7, O4a, O5, O6, O7 en DO-
  12. Barium Deze parameter is nieuw in het standaardpakket sinds medio
  13. Voor het gehalte Barium zijn de normwaarden ( op 5 november 2013) buiten werking gesteld. Gebleken is dat Barium van nature in hoge gehalten in de bodem voorkomt. Alleen als aangetoond wordt dat Barium verhoogd voorkomt als gevolg van antropogeen handelen dan kan het bevoegd gezag de voormalige interventiewaarde als beoordelingscriterium toepassen. Voor het grondverzet wordt geen Lokale Maximale Waarde voor Barium gebruikt. Gemakshalve is als Lokale Maximale waarde de voormalige AW2000 opgenomen. Kobalt Deze parameter is nieuw in het standaardpakket sinds medio
  14. In de vorige generatie bodemkwaliteitskaarten waren onvoldoende waarnemingen voor deze parameter in alle zones om een statistisch verantwoord gemiddelde vast te kunnen stellen. Het blijkt nu dat deze parameter diffuus voorkomt in Haarlems grondgebied. Het gemiddeld gehalte kobalt komt in geen enkele zone boven de AW
  15. In alle zones is de 95- percentielwaarde boven de AW2000, maar beneden de tussenwaarde. Om de gebiedskwaliteit te behouden is de Lokale Maximale Waarde op AW2000 gesteld. Voor het toepassen van grond op basis van de Bkk is er geen toetsing van de 95-percentielwaarde aan de Lokale Maximale Waarde van de toe te passen zone nodig. Voor grond buiten het grondgebied van de gemeente Haarlem die wordt toegepast binnen de gemeente Haarlem moet duidelijk zijn dat kobalt niet boven de AW2000 voorkomt. Indien dit wordt aangetoond op basis van een vastgestelde Bkk dan dient het 95-percentielwaarde onder de AW2000 te zijn. Molybdeen Deze parameter is nieuw in het standaardpakket sinds medio
  16. In de vorige generatie bodemkwaliteitskaarten waren onvoldoende waarnemingen voor deze parameter in alle zones om een statistisch verantwoord gemiddelde vast te kunnen stellen. Het gemiddeld gehalte molybdeen komt in geen enkele zone boven de achtergrondwaarde voor. In de zones O1, O2 en O7 komt de 95-percentielwaarde voor boven de AW
  17. Om de gebiedskwaliteit te behouden is de Lokale Maximale Waarde op AW2000 gesteld. Voor het toepassen van grond op basis van de Bkk is er geen toetsing van de 95-percentielwaarde aan de Lokale Maximale Waarde van de toe te passen zone nodig. Voor grond buiten het grondgebied van de gemeente Haarlem die wordt toegepast binnen de gemeente Haarlem moet duidelijk zijn dat molybdeen niet boven de AW2000 voorkomt. Indien dit wordt aangetoond op basis van een vastgestelde bkk dan dient het 95-percentielwaarde onder de AW2000 te zijn. PCB PCB is eveneens een nieuwe parameter in het standaardpakket sinds medio
  18. PCB komt in de zones B1, B2, B3, B4, B5 en B6 gemiddeld boven de AW2000 voor. De 95-percentielwaarde komt in deze zones niet boven de tussenwaarde voor. In de zones B8, O1, O3, O4a, O4b, O5, O6, O8 en D01-8 is de 95-percentielwaarde boven de AW2000, maar beneden de tussenwaarde. In de zones B7, B2 en O7 is de 95-percentielwaarde beneden de AW
  19. Het vaststellen van een Lokale Maximale Waarde met een rekenregel Voor de zones waar PCB gemiddeld boven de AW200 voorkomt is met de rekenregel niet zinvol, omdat de getalsmatige ruimte beperkt is. De Lokale Maximale Waarde wordt voor de zones B1, B2, B3, B4, en B6 vastgesteld op 0,50 mg/kg ds. Dit is beneden de tussenwaarde en komt overeen met de generieke waarde voor de klasse industrie. Het gehalte is geen risico voor de functies binnen gemeente Haarlem. Voor de overige zones wordt de Lokale Maximale Waarde op AW2000 vastgesteld. Omdat de 95-percentielwaarde in alle zones beneden de tussenwaarde is, is er voor het toepassen van Haarlemse grond op basis van de Bkk binnen Haarlem geen toetsing aan de Lokale Maximale Waarde van de toepassingszone nodig. PAK Voor de parameter PAK hanteert de gemeente Haarlem een Lokale Maximale Waarde van 17 mg/kg ds. Deze waarde is afgestemd op de 95-percentielwaarde van bodemkwaliteitszone B
  20. Dit is een waarde onder de tussenwaarde waarbij geen risico’s voor functies binnen gemeente Haarlem zijn te verwachten. Minerale olie Voor de parameter minerale olie hanteert de gemeente Haarlem een Lokale Maximale Waarde van 500 mg/kg ds. Dit gehalte komt overeen met het gehalte van 100 mg/kg ds die als vergelijkbaarheidstoets is opgenomen in het bodembeheerplan
  21. Het gehalte 100 mg/kg ds is in het bodembeheerplan 2006 gekoppeld aan het organische stofgehalte (ca. 2%) van de zandige Haarlemse bodem. In dit bodembeheerplan behoren de gehalten bij een standaardbodem met 10% organische stofgehalte. PFAS Voor hergebruik van grond verontreinigd met PFAS wordt aangesloten bij het Handelingskader PFAS (Tweede Kamer, brief 13 december 2021, 35 334, nr. 172). Het Handelingskader kent regels voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Het handelingskader stelt dat grond met gehalten lager dan respectievelijk 3 µg/kg PFOS, 7 µg/kg PFOA en 3 µg/kg GenX vrij toegepast kan worden in gebieden met bodemgebruik wonen of industrie. Deze waarden geven gehalten aan waaronder volgens de inzichten van het RIVM geen risico’s zijn voor mens en milieu. Voor bodemgebruik landbouw en natuur geldt een grens van 1,4 µg/kg PFOS en 1,9 µg/kg PFOA en 1,4 voor overige PFAS. Daarboven is hergebruik van grond alleen mogelijk indien dit niet tot verslechtering van de ontvangende bodem leidt. Voor gemeente Haarlem is er geen aanleiding om voor PFAS Lokale Maximale Waarden vast te stellen die afwijken van de hergebruikswaarden in het Handelingskader. Bijlage4:Toelichting bij meldingsplicht Besluit Bodemkwaliteit Meldingsplicht (bij gebruik op landbodem) Toetsing aan LMW bodemkwaliteitszone Kwaliteitsgegevens Toepassen van ‘AW2000’- grond > 50 m3 ja, eenmalig nee ja, in de melding Toepassen van grond grootschalig > 5000 m3 ja nee* ja, in melding Toepassen van licht verontreinigde grond** ja ja ja, in melding Tijdelijk opslaan*** ja ja*** ja, in melding Verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel**** nee nee ja, in eigen beheer Verspreidbare baggerspecie in weilanddepot ja nee ja, in melding Tabel: Meldingsplicht besluit bodemkwaliteit Toelichting: Het Besluit bodemkwaliteit maakt het mogelijk grootschalige toepassingen (grond of baggerspecie) uit te voeren. Voor een grootschalige toepassing gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Voorwaarden voor een grootschalige toepassing zijn: De toepassing heeft een minimaal volume van 5.000 m3 . De toepassing heeft een minimale hoogte van 2 meter (tenzij sprake is van leeflaag of (spoor)wegen want dan geldt een minimale hoogte van 0,5 meter). Afdekking moet in alle gevallen met een leeflaag van minimaal een meter. De kwaliteit van de leeflaag moet voldoen aan de Lokale Maximale Waarden. Het Besluit bodemkwaliteit noemt de volgende toepassingen grootschalig: Toepassingen van grond en baggerspecie in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen. Toepassingen van grond en baggerspecie voor het afdekken van een saneringslocatie of een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving. - Toepassingen van grond en baggerspecie in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart. Toepassing van grond en baggerspecie in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen. Het betreft hergebruikgrond, waarvan kwaliteit bekend is uit bodemkwaliteitskaarten, bodemonderzoek of keuringen, de grond is afkomstig van niet verdachte locaties. Tijdelijke opslag, bij opslag langer dan zes maanden moet de toepassingslocatie binnen die termijn worden gemeld. Omdat er geen sprake is van gebruiksfunctie, hoeft er op landbodems niet te worden getoetst aan de bodemfunctie. Als een tijdelijke opslag plaatsvindt voorafgaand aan definitieve toepassing gelden de toetsingskaders voor die definitieve toepassing. In het binnenstedelijk gebied is weinig ruimte om de bagger op de kant te zetten en zal daarom afgevoerd moeten worden. Voor het landelijke gebied wordt gebruik gemaakt van de ontvangstplicht die de eigenaren hebben. Hierbij geldt hetzelfde als bij de sloten in het landelijk gebied die in het kader van de keur worden gebaggerd, dat de kwaliteit overeenkomt met de omgeving. Dit valt onder de situaties die niet hoeven te worden gemeld. Bijlage4BODEMKWALITEITSKAART 2023-2028
  22. Inleiding 1.1 Achtergronden De gemeente Haarlem heeft als onderdeel van een duurzaam bodembeleid een bodemkwaliteitskaart opgesteld. Met het opstellen van de bodemkwaliteitskaart wordt de diffuse bodemkwaliteit inzichtelijk gemaakt van verschillende deelgebieden van de gemeente. Volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten moet een bodemkwaliteitskaart periodiek (eens per 5 jaar) opnieuw beleidsmatig worden vastgesteld. De huidige bodemkwaliteitskaart is in oktober 2018 vastgesteld. Ook heeft de gemeente naar aanleiding van artikel 55 van het Besluit bodemkwaliteit een bodemfunctieklassenkaart opgesteld. De bodemkwaliteitskaart én de bodemfunctieklassenkaart vormen de basis voor het vastleggen van de eisen die gelden op de locatie van toepassing. De eisen voor toepassing zijn/worden vastgelegd in een bodembeheerplan of nota bodembeheer. De bodemkwaliteitskaart kan onder voorwaarden worden gebruikt als milieuhygiënische verklaring voor de toe te passen grond of baggerspecie. Een toelichting op de in dit rapport gebruikte begrippen is opgenomen in bijlage
  23. 1.2 Aanleiding Het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie valt onder de regelgeving van het Besluit bodemkwaliteit[1] (hierna ‘het Besluit’). Hiervoor heeft de gemeente Haarlem een bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaarten[2] opgesteld. In de gemeentelijke beleidsnota Bodembeheer Haarlem[3] is het bodembeleid en bodembeheer van de gemeente geformuleerd. Om meerdere redenen wil de gemeente de eerder opgestelde gemeentelijke bodemkwaliteitskaarten actualiseren: De in 2017 opgestelde bodemkwaliteitskaart verloopt op 30 oktober
  24. De kaart is daarna niet meer geldig en kan niet meer worden gebruikt als bewijsmiddel bij grondverzet (extra onderzoekskosten en -tijd). De in 2020 opgestelde bodemkwaliteitskaart voor PFAS-verbindingen is nog niet bestuurlijk vastgesteld. Sinds 2020 zijn veel gegevens over PFAS-verbindingen beschikbaar gekomen. Deze nieuw verkregen gegevens wil de gemeente gebruiken om de bodemkwaliteitskaart voor PFAS-verbindingen te actualiseren. De eerder opgestelde gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart is meer dan 10 jaar geleden opgesteld. Om de bodemfuncties ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Landbouw/natuur’ meer in overeenstemming met de actuele situatie op de kaart weer te geven, wil de gemeente de bodemfunctieklassenkaart actualiseren. 1.3 Doelstelling Doel van het aanpassen van de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart is dat de bodemfuncties ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Landbouw/natuur’ meer in overeenstemming met de actuele situatie op de kaart worden weergegeven, overeenkomend met de huidige inrichting en toekomstige ontwikkelplannen. Doel van het actualiseren van de bodemkwaliteitskaarten is om een actueel en dekkend beeld te krijgen van de te verwachten diffuse chemische bodemkwaliteit in de gemeente. Achterliggend doel is om gebruik te kunnen blijven maken van de mogelijkheden die het Besluit en de Omgevingswet biedt: als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van vrijkomende grond en van de ontvangende bodem (hierdoor hoeven minder partijkeuringen en bodemonderzoeken te worden uitgevoerd wat een kosten- en tijdbesparende factor is bij grondverzet); als bewijsmiddel bij klein grondverzet; om eenduidig gebiedsspecifiek en milieuvriendelijk bodem(grondstromen)beleid te kunnen blijven uitvoeren; het vaststellen van terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen in het kader van de Wet bodembescherming[4] en het Besluit en de Regeling Uniforme Saneringen[5]; om (voor aangewezen gebieden) vrijstelling van bodemonderzoek mogelijk te maken bij omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouwen en/of activiteit ruimtelijke ontwikkeling); om onder de Omgevingswet te gebruiken bij de interpretatie van een eindsituatie onderzoek na het beëindigen van een bodembedreigende activiteit als geen nulsituatieonderzoek is uitgevoerd. In deze rapportage staat beschreven hoe de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart is aangepast, volgens welke werkwijze de bodemkwaliteitskaarten zijn geactualiseerd en wat de resultaten zijn.
  25. Bodemfunctieklassenkaart Op de bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage 1) wordt conform het Besluit de ligging van gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties 'Industrie' en 'Wonen' aangegeven. Om aan te sluiten bij de Omgevingswet, is ook de functie ‘Landbouw/natuur’ onderscheiden1In de Omgevingswet wordt de extra functie ‘Landbouw/natuur’ onderscheiden; zie document: Transitie nota bodembeheer en bodemkwaliteits- en bodemfunctieklassenkaart naar het stelsel van de Omgevingswet, Bouwsteen Aanvullingsspoor bodem, Bodembeheer van de Toekomst, Uitvoeringsprogramma Bodem & Ondergrond, 23 december 2020.. De bodemfunctieklassenkaart wordt ook gebruikt voor: Het mede bepalen van de eisen waaraan de toe te passen grond moet voldoen (

§ 3.7.4).

De kwaliteitseis van de toe te passen grond wordt bepaald aan de hand van de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse én de (toekomstige) functie van de bodem. Op basis van deze dubbele toets, waarbij de strengste toets doorslaggevend is, wordt voor elke bodemkwaliteitszone de toepassingseis vastgesteld (zie bijlage 1 onder het kopje ‘Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem’). vaststellen van terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen in het kader van de Wet bodembescherming en het Besluit en de Regeling Uniforme Saneringen. De eerder vastgestelde gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart

(2017)is aangepast. Met de aanpassingen zijn de gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Landbouw/natuur’ meer in overeenstemming met de actuele situatie weergegeven. In tabel 2.1 is de indeling van gebruiksvormen gegeven die in de bodemfunctieklassen ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Landbouw/natuur’ vallen. Opgemerkt wordt dat kleinere/dynamische elementen zoals bermen en individueel aangewezen percelen uit bestemmingsplannen niet volledig op de kaart zijn afgebeeld. Tabel 2.1 Indeling gebruiksvormen in bodemfunctieklassen Bodemfunctieklasse Gebruiksvorm Industrie Rijkswegen en provinciale wegen inclusief de onverharde bermen (tot maximaal 10 meter vanaf de rand van de verharding). Spoorwegen en rangeerterreinen inclusief de onverharde bermen (tot maximaal 10 meter vanaf de rand van de rails). Wegen inclusief onverharde wegbermen in beheer van de gemeente (tot maximaal 10 meter vanaf de rand van de verharding). (Toekomstige) industrie- en bedrijfsterreinen. Rioolwater- en afvalwaterzuiveringsinstallaties. Percelen in het buitengebied die in het bestemmingsplan zijn bestemd voor industrie of bedrijf. Wonen Overig bebouwd gebied niet vallende onder functie industrie. Woningen gelegen op industrieterreinen (voor zover aangewezen in het bestemmingsplan). Sportvelden, voor zover niet vallende onder functie Landbouw/natuur. Percelen in het buitengebied die in het bestemmingsplan zijn bestemd voor wonen. Landbouw/natuur Agrarische gebieden. Volkstuin- en moestuincomplexen. Begraafplaatsen. Parken. Sportvelden, voor zover niet vallende onder functie Wonen. Door de provincie Noord-Holland aangewezen natuurgebieden (zie de 14 Natura 2000 beheerplannen2Natura 2000 beheerplannen provincie Noord-Holland; https://www.noord-holland.nl/Onderwerpen/Natuur/Natuurversterking_Stikstof/Natura_2000_beheerplannen. en het Natuurnetwerk Nederland3Natuurnetwerk Nederland, zie de website van de provincie Noord-Holland: https://www.noord-holland.nl/Onderwerpen/Natuur/Natuurversterking_Stikstof/Natuurnetwerk_Nederland_NNN.. BERMEN Onder de onverharde wegbermen wordt verstaan de strook grond naast de verharde (klinker- of asfalt)weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,5 meter diepte, en heeft gerekend vanuit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (

figuur 2.1): de erfgrens of; de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of; de meest nabij gelegen insteek van een natte bermsloot of; als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos). Voor wegbermen gelegen in gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond worden toegepast. Figuur 2.1 Begrenzing wegbermen (bron: brief van het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS‐2009/2932, 19 november 2009). 3. Bodemkwaliteitskaart De bodemkwaliteitskaart is geactualiseerd volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten[6]. Er is gewerkt volgens het in de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten opgenomen stappenplan. Hieronder zijn de verschillende stappen weergegeven, die in de volgende paragrafen nader worden toegelicht. In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten is aangegeven dat de stappen niet chronologisch gevolgd hoeven te worden. Wel is het noodzakelijk dat alle stappen terugkomen in de werkwijze bij het vervaardigen van de bodemkwaliteitskaart. Stap 1: Opstellen programma van eisen (§ 3.1). Stap 2: Vaststellen onderscheidende gebiedskenmerken (§ 3.2). Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensbewerking (§ 3.3). Stap 4: Indelen bodembeheergebied in deelgebieden (§ 3.2). Stap 5: Controle indeling van het bodembeheergebied (§ 3.4). Stap 6: Verzamelen aanvullende informatie (§ 3.5). Stap 7: Vaststellen bodemkwaliteitszones. (§ 3.6). Stap 8: Bodemkwaliteitskaart (kaart uitgesloten locaties/gebieden, ontgravingskaart en toepassingskaart; § 3.7). 3.1 Stap 1: Programma van eisen Voor deze bodemkwaliteitskaart zijn de volgende definities vastgesteld: Het bodembeheergebied van de bodemkwaliteitskaart omvat het gehele grondgebied van de gemeente Haarlem. De bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld voor de landbodem voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 5 meter diepte. De volgende locaties en gebieden worden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart: Rijkswegen, provinciale wegen, spoorgebonden gronden inclusief de onverharde bermen (andere beheerorganisatie). Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging als gevolg van een lokale bron, zoals bijvoorbeeld: locaties met een duidelijk aanwijsbare bron voor een eventuele bodemverontreiniging zoals bijvoorbeeld een ondergrondse tank voor de opslag van olie, een chemische wasserij, een ontvettingsbad of een afleverzuil voor brandstof(fen) etc.. locaties waar vanwege (bedrijfs)activiteiten PFAS-verbindingen4Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die al decennia worden gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Kenmerkend voor deze stoffen is dat ze persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. Bovendien is van verschillende PFAS-verbindingen aangetoond dat ze toxisch zijn. in verhoogde gehalten in de bodem kunnen voorkomen (PFAS producerende5Zoals bijvoorbeeld productie van o.a. PFOS, PFOA, telomeren en andere PFAS-verbindingen. en verwerkende bedrijven6Zoals bijvoorbeeld productie en verwerking van teflon, galvanische industrie, textielindustrie, papier(verwerkende) industrie, lak- en verfindustrie, fabricage van cosmetica., inzet blusschuim7Brand blussen, brandweeroefenplaatsen (gemeenten), brandpreventie voorzieningen (industrie) met schuimblusinstallaties, militaire brandweeroefenplaatsen en vliegvelden, brandweeroefenplaatsen op vliegvelden (burgerluchtvaart). en secundaire bronnen8Zoals bijvoorbeeld stortplaatsen, waterzuiveringsinstallaties, afvalverbrandingsinstallaties, ijzerinzamelbedrijven (inzamelen brandblussers), gebruik bestrijdingsmiddelen.). (Voormalige) stortplaatsen. Rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) en afvalwaterzuiveringsinstallaties (AWZI). Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming. De bodemlaag dieper dan 5 meter onder het maaiveld Waterbodems; ander bevoegd gezag (met uitzondering van de drogere oevergebieden die zijn gedefinieerd en aangewezen in de Waterregeling[7]). Het grondwater. De bodemkwaliteitskaart is geactualiseerd voor: Het standaard NEN5740 stoffenpakket: barium (zie bijlage 1 kopje ‘Barium’), cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen. Hierbij zijn de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte, de bodemlaag vanaf 0,5 tot en met 2,0 meter diepte en de bodemlaag vanaf 2,0 tot en met 5,0 meter diepte onderscheiden. Arseen en chroom waren in de eerder opgestelde bodemkwaliteitskaart[2] in alle bodemkwaliteitszones gemiddeld onder de Achtergrondwaarden (AW2000) vastgesteld. In de onderzoeken die de laatste jaren beschikbaar zijn gekomen zijn deze zware metalen nauwelijks onderzocht. Om deze redenen zijn arseen en chroom niet meer in deze bodemkwaliteitskaart opgenomen. De PFAS-verbindingen9Het betreft minimaal de 30 PFAS-verbindingen die zijn opgenomen in de advieslijst van Bodem+ d.d. 12 juli 2019: https://www.bodemplus.nl/publish/pages/164708/1907012-pfas_-_advieslijst_tbv_tijdelijk_handelingskader_v4.pdf.. Vanwege het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie[8] moet in de te hergebruiken grond of baggerspecie de kwaliteit voor PFAS-verbindingen bekend zijn. Voor de PFAS-verbindingen in de bodemkwaliteitskaart zijn de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte (bovengrond) en de bodemlaag vanaf 0,5 tot en met 1,0 meter diepte (tussenlaag) onderscheiden. Deze lagen zijn verdacht voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen als gevolg van atmosferische depositie, uitspoeling van PFAS uit de bovenlaag naar de onderliggende bodemlaag en grondroering. De bodemkwaliteitskaart wordt gebaseerd op basis van de beschikbare gegevens uit het gemeentelijke bodeminformatiesysteem. Stappen 2 en 4: Onderscheidende gebiedskenmerken en indelen bodembeheergebied in deelgebieden De basis van de bodemkwaliteitskaart is het identificeren van onderscheidende gebiedskenmerken. Binnen een deelgebied wordt de bodemkwaliteit homogeen verondersteld (vergelijkbare kwaliteit). Op basis van de bodemopbouw, de gebruikshistorie, de ontwikkeling van wijken of gebieden, de geomorfologie en het huidig gebruik wordt een deelgebiedenkaart gedefinieerd. Voor deze bodemkwaliteitskaart is in overleg met de gemeente een indeling gemaakt voor de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte; aangeduid met codering ‘B’), de alleen voor PFAS-verbindingen gedefinieerde tussenlaag (bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 1,0 meter diepte; aangeduid met codering ‘T’) en de ondergrond (bodemlaag vanaf 1,0 meter diepte tot en met 2,0 meter diepte; aangeduid met codering ‘O’) en uitgegaan van de deelgebieden van de eerder opgestelde bodemkwaliteitskaarten[2] (zie tabel 3.1 en de kaartbijlagen 2). Ook wordt een nieuw deelgebied onderscheiden voor de bodemlaag 2 tot en met 5 meter diepte (aangeduid met codering ‘DO’: diepere ondergrond). Dit deelgebied heeft geen regionale onderverdeling en is gedefinieerd voor de gehele gemeente Haarlem. Voor de tussenlaag (bodemlaag 0,5-1,0 m-

  1. mv)en de ondergrond (bodemlaag 1,0-2,0 m-
  2. mv)wordt de kwaliteit voor de stoffen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie, PCB en PAK overigens gelijk gesteld. De indeling voor de deelgebieden is gelijk met uitzondering van de bodemkwaliteitszones PFAS bovenlaag/PFAS tussenlaag, B4/O4A/O4B en B8/O8 (civiel). PFAS-verbindingen De bodemlagen vanaf het maaiveld tot 1 meter diepte zijn verdacht voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen als gevolg van atmosferische depositie, uitspoeling van PFAS uit de bovenlaag naar de onderliggende bodemlaag en grondroering. De bodemlaag dieper dan 1,0 meter wordt vooralsnog niet verdacht beschouwd op het voorkomen van verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen. Binnen de gemeente Haarlem wordt een homogene kwaliteit verwacht voor PFAS-verbindingen. Hierdoor kan worden volstaan met één deelgebied voor PFAS per bodemlaag voor de hele gemeente. In het oostelijk deel van de gemeente Haarlem komen echter ook veengronden voor. In het Handelingskader PFAS staat dat meetgehalten van PFAS-verbindingen moeten worden gecorrigeerd naar standaardbodem bij een organisch stofpercentage hoger dan 10% (net zoals bij de stofgroep PAK). Dit zorgt ervoor dat een gehalte van 1 µg/kg ds in veengronden met 30% of 40% organische stof, wordt gecorrigeerd naar een gestandaardiseerd gehalte van 0,33 µg/kg ds. Veengronden zorgen daarom voor een clustering van lagere gestandaardiseerde PFAS-gehalten. De veengronden worden daarom als apart deelgebied gezoneerd. Voor de gemeente Haarlem zijn daardoor in de ondergrond twee bodemkwaliteitszones voor PFAS-verbindingen te onderscheiden: veengrond en zand-/kleigrond. Tabel 3.1 Deelgebieden Deelgebied Omschrijving PFAS bovengrond Gemeente Haarlem TA: PFAS venige tussenlaag Oostelijke veengronden: Buitengebied (noordoost), Buitengebied (zuidoost) TB: PFAS niet-venige tussenlaag Zand-/kleigronden (overig deel gemeente Haarlem) B1/O1 Centrum B2/O2 Spaarndam, Leidsebuurt, Rozenprieel, Amsterdamsebuurt B3/O3 Haarlemmerhout, Den Hout, Zijlweg-west, Kleverpark, Transvaalbuurt, Van Zeggelenbuurt, Slachthuisbuurt B4 Vogelenbuurt, Indischebuurt, Planetenwijk, Ramplaankwartier, Zeeheldenbuurt, Geschiedschrijversbuurt, Natuurkundigenbuurt (oost en west) en Oosterduin O4A Vogelenbuurt, Indischebuurt, Planetenwijk, Ramplaankwartier O4B Zeeheldenbuurt, Geschiedschrijversbuurt, Natuurkundigenbuurt (oost en west) en Oosterduin B5/O5 Delftwijk, Sinnevelt, Ter Kleef en te Zaanen, Schalkwijk B6/O6 Zuid Schalkwijkerweg, Waarderpolder B7/O7 Buitengebied (noordoost), Oosterduin, Buitengebied (zuidoost) B8 Civiel: Centrum, Haarlemmerhout, Den Hout, Zijlweg-west, Kleverpark, Transvaalbuurt, Van Zeggelenbuurt, Slachthuisbuurt, Spaarndam, Leidsebuurt, Rozenprieel, Amsterdamsebuurt, Schalkwijk, Waarderpolder O8 Civiel: Centrum, Haarlemmerhout, Den Hout, Van Zeggelenbuurt, Slachthuisbuurt, Leidsebuurt, Rozenprieel, Amsterdamsebuurt, Waarderpolder DO1-8 Gemeente Haarlem Codering ‘B’: bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte. Codering ‘T’: bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 1,0 meter diepte. Codering ‘O’: bodemlaag vanaf 1,0 meter diepte tot en met 2,0 meter diepte. Codering ‘DO’: bodemlaag vanaf 2,0 meter diepte tot en met 5,0 meter diepte. 3.3 Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensbewerking 3.3.1 Selecteren beschikbare gegevens De gegevens voor de bodemkwaliteitskaart zijn afkomstig uit het bodeminformatiesysteem van de gemeente Haarlem (d.d. 8 december 2022) waarin bodemgegevens van de gemeente worden geregistreerd en beheerd. In bijlage 2 staat een overzicht van de selecties die zijn uitgevoerd om tot een representatieve dataset voor deze bodemkwaliteitskaart te komen. 3.3.2 Het samenvoegen van punt- en mengmonsters De dataset voor deze bodemkwaliteitskaart bestaat uit meng- en puntmonsters met meetgegevens. De landelijke IPO Werkgroep Achtergrondgehalten heeft onderzocht wat de invloed is van het meenemen van zowel punt- als mengmonsters op de berekening van percentielwaarden van de meetgegevens[9]. De resultaten laten zien dat percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met meetgegevens van zowel punt- als mengmonsters, vrijwel identiek zijn aan percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met meetgegevens van alléén mengmonsters. Er bestaan daarom geen praktische bezwaren tegen het berekenen van de bodemkwaliteit uit een bestand met meetgegevens, afkomstig van zowel punt- als mengmonsters. In dit project zijn de meetgegevens van de mengmonsters éénmaal meegenomen. 3.3.3 Het vervangen van waarden beneden de detectielimiet Bij analyses komt het vaak voor dat een bepaalde stof in het grond(meng)monster aanwezig is in een concentratie beneden de detectiegrens van de gangbare analyseapparatuur. Hoewel de werkelijke waarde onbekend is (de waarde kan variëren van nul tot de detectielimiet) leveren deze monsters wel waardevolle informatie voor de gemiddelde bodemkwaliteit in een gebied. Voor deze analyseresultaten is de methode van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten gehanteerd. Deze methode houdt in dat de gerapporteerde detectielimieten worden vermenigvuldigd met een factor 0,7 om tot een rekenwaarde te komen. De opgegeven detectielimiet van een bepaalde stof verschilt van rapport tot rapport. Verhoogde detectielimieten komen voor bij verstoringen in de grond(meng)monstermatrix. Daarnaast zijn de detectielimieten in de loop der jaren lager geworden doordat nauwkeuriger analyseapparatuur beschikbaar is gekomen. 3.3.4 Het opsporen van uitbijters Ondanks dat er representatieve meetgegevens zijn geselecteerd, kan er sprake zijn van uitschieters in de dataset: extreem hoge of lage gehalten als gevolg van bijvoorbeeld typefouten tijdens de invoer, onbetrouwbare analyses of lokale verontreinigingen door lokale bronnen die niet als zodanig in het bodeminformatiesysteem zijn aangegeven. Hierbij worden vaak bij meerdere stoffen in hetzelfde monster relatief hoge gehalten aangetroffen. Per deelgebied en per stof zijn met een visuele methode (scatterplots) extreme gehalten gemarkeerd. Voor de extreme gehalten is nagegaan of deze tot een lokale bron, type- of meetfout zijn te herleiden. In die situaties zijn de analyseresultaten uit de dataset verwijderd of aangepast. In bijlage 3 staat een overzicht van de uiteindelijk verwijderde uitbijters. 3.4 Stap 5: Controle indeling van het bodembeheergebied 3.4.1 Aantal en spreiding meetgegevens De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten stelt de volgende minimale eisen aan het aantal en de spreiding van meetgegevens per deelgebied: Per deelgebied zijn voor alle stoffen ten minste 20 meetgegevens beschikbaar. De meetgegevens liggen voldoende verspreid over het deelgebied: Voor aaneengesloten deelgebieden bij een systematische indeling in 20 vakken zijn in tenminste 10 vakken één of meer meetgegevens beschikbaar. Voor elk niet-aaneengesloten deel van een deelgebied zijn ten minste 3 meetgegevens beschikbaar. Per beheergebied (het gebied waar de bodemkwaliteitskaart voor wordt opgesteld) moeten minimaal 30 PFAS-meetgegevens beschikbaar zijn per bodemlaag. Hiermee wordt gebruik gemaakt van de systematiek van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten voor het uitbreiden van een bodemkwaliteitskaart met de stoffen kobalt, molybdeen en PCB. Deze systematiek mag conform het Model Beleid toepassen PFAS houdende grond[10] ook voor PFAS-verbindingen worden gebruikt. De onderscheiden deelgebieden voldoen aan de minimumeisen van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten en het Model Beleid toepassen PFAS houdende grond. 3.4.2Splitsen van deelgebieden Op stofniveau is bekeken of er een ruimtelijke clustering aanwezig is van hoge of lage gehalten. Op basis van ervaringen van WSP bij andere bodemkwaliteitskaarten is de ruimtelijke clustering onderzocht wanneer zware metalen, minerale olie en PFAS-verbindingen een variatiecoëfficiënt hoger dan 1,5 hebben en de stofgroepen polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), polychloorbifenylen (PCB) een variatiecoëfficiënt hoger dan 2. Een hoge variatiecoëfficiënt is een indicatie van een mogelijke ruimtelijke clustering met hogere of lagere gehalten. De overzichten van de variatiecoëfficiënten staan in bijlage 4A en bijlage 4B (kolom ‘VC’). Hieruit blijkt, dat in bijna alle deelgebieden voor PAK, kwik, lood, koper, PCB, minerale olie en/of enkele PFAS-verbindingen sprake is van een hoge variatiecoëfficiënt. De locaties waar de relatief hoge waarden zijn vastgesteld vertonen binnen de deelgebieden zelf geen ruimtelijke clustering. De relatief hoge variatiecoëfficiënten geven daarmee geen aanleiding tot het splitsen van deelgebieden. 3.5 Stap 6: Verzamelen aanvullende informatie en vaststellen definitieve deelgebieden en bodemkwaliteitszones Stap 6 ‘verzamelen aanvullende informatie’ is niet uitgevoerd. Zoals in § 3.4.1 is gesteld, alle onderscheiden deelgebieden voldoen aan de minimumeisen van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. De deelgebieden worden daarom definitief vastgesteld. De definitieve deelgebieden worden de bodemkwaliteitszones van de gemeente. De volgende bodemkwaliteitszones zijn onderscheiden (zie tabel 3.2 en de kaartbijlagen 2): Tabel 3.2 Bodemkwaliteitszones Bodemkwaliteitszones Omschrijving PFAS bovengrond Gemeente Haarlem TA: PFAS venige tussenlaag Oostelijke veengronden: Buitengebied (noordoost), Buitengebied (zuidoost) TB: PFAS niet-venige tussenlaag Zand-/kleigronden (overig deel gemeente Haarlem) B1/O1 Centrum B2/O2 Spaarndam, Leidsebuurt, Rozenprieel, Amsterdamsebuurt B3/O3 Haarlemmerhout, Den Hout, Zijlweg-west, Kleverpark, Transvaalbuurt, Van Zeggelenbuurt, Slachthuisbuurt B4 Vogelenbuurt, Indischebuurt, Planetenwijk, Ramplaankwartier, Zeeheldenbuurt, Geschiedschrijversbuurt, Natuurkundigenbuurt (oost en west) en Oosterduin O4A Vogelenbuurt, Indischebuurt, Planetenwijk, Ramplaankwartier O4B Zeeheldenbuurt, Geschiedschrijversbuurt, Natuurkundigenbuurt (oost en west) en Oosterduin B5/O5 Delftwijk, Sinnevelt, Ter Kleef en te Zaanen, Schalkwijk B6/O6 Zuid Schalkwijkerweg, Waarderpolder B7/O7 Buitengebied (noordoost), Oosterduin, Buitengebied (zuidoost) B8 Civiel: Centrum, Haarlemmerhout, Den Hout, Zijlweg-west, Kleverpark, Transvaalbuurt, Van Zeggelenbuurt, Slachthuisbuurt, Spaarndam, Leidsebuurt, Rozenprieel, Amsterdamsebuurt, Schalkwijk, Waarderpolder O8 Civiel: Centrum, Haarlemmerhout, Den Hout, Van Zeggelenbuurt, Slachthuisbuurt, Leidsebuurt, Rozenprieel, Amsterdamsebuurt, Waarderpolder DO1-8 Gemeente Haarlem Codering ‘B’: bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte. Codering ‘T’: bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 1,0 meter diepte. Codering ‘O’: bodemlaag vanaf 1,0 meter diepte tot en met 2,0 meter diepte. Codering ‘DO’: bodemlaag vanaf 2,0 meter diepte tot en met 5,0 meter diepte. 3.6 Stap 7: Karakteriseren bodemkwaliteitszones De gemiddelde gehalten van de bodemkwaliteitszones (zie bijlage 4A en bijlage 4B, kolom 'Gem') zijn getoetst aan de normen uit de Regeling bodemkwaliteit[11] (hierna ‘de Regeling’) en de normen uit het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie[8]. Voor PFAS-verbindingen is uitgegaan van een worst-case benadering. Dit houdt in dat de gehalten aan PFAS-verbindingen in gronden met meer dan 10% organisch stof gehalte niet zijn gecorrigeerd naar standaardbodem. Hierdoor worden dus de gehalten aan PFAS-verbindingen niet naar een lager gehalte gestandaardiseerd. De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden, AW2000), Wonen of Industrie. De toetsingsmethodiek voor het bepalen van de bodemkwaliteitsklasse is opgenomen in bijlage 1onder het kopje ‘Bodemkwaliteitsklasse’. De toetsingsmethodiek voor het bepalen van de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ is voor de bodemkwaliteitsklasse minder streng dan de toetsingsmethodiek voor het bepalen van de ontgravingsklasse (

§ 3.7.3 en bijlage 1onder het kopje ‘Ontgravingskaart’).

Met de minder strenge toets wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit van een gebied op basis van één of twee stoffen wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse ‘Industrie’. Dit zou in de praktijk de ongewenste situatie kunnen opleveren dat ook voor alle overige stoffen minder strenge regels gelden en de concentraties kunnen toenemen tot de maximale waarden voor de functie Industrie. Hierdoor verslechtert de kwaliteit van het gebied. Dit kan zich met name voordoen bij licht verontreinigde industriegebieden. In de gemeente komt deze situatie alleen voor in de bodemkwaliteitszones B3, B4, B8 en O8 (omschrijvingen zones zie § 3.5). In tabel 3.3 is aangegeven in welke bodemkwaliteitsklasse iedere bodemkwaliteitszone valt. In bijlage 4A en bijlage 4Bzijn de gespecificeerde beoordelingen weergegeven. De bodemkwaliteitsklasse wordt samen met de bodemfunctieklasse gebruikt voor het bepalen van de toepassingseis (zie § 3.7.4). Controle saneringscriterium In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten staat vermeld, dat voor elke bodemkwaliteitszone met een 95-percentielwaarde boven de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming een controle op het saneringscriterium nodig is. Bij een overschrijding is het niet verantwoord om zonder partijkeuring grondverzet vanuit de betreffende zone te laten plaatsvinden. Deze situatie komt voor bij 4 van de 21 bodemkwaliteitszones (zie tabel 3.4). De controle op het saneringscriterium is niet uitgevoerd. De gemeente Haarlem heeft in haar beleidsnota Bodembeheer[3] gebiedsspecifiek beleid opgesteld voor gebieden waar een relatief grote kans bestaat dat grond met hogere gehalten aan één of meerdere stoffen wordt hergebruikt en mogelijk tot risico’s kan leiden bij het (toekomstig) bodemgebruik op de toepassingslocatie: “Voor alle bodemkwaliteitszones, uitgezonderd de nieuwe bodemkwaliteitszone voor de diepere ondergrond (bodemlaag 2-5 m-mv), zijn op basis van de gemiddelde kwaliteit en te borgen bodemfuncties Lokale Maximale Waarden gedefinieerd. De gedefinieerde Lokale Maximale Waarden leveren geen probleem op bij de vastgestelde functies in de betreffende bodemkwaliteitszone. Als de gemiddelden van de bodemkwaliteitszone waarin de ontgravingslocatie is gelegen boven het Lokale Maximale Waarden zijn vastgesteld van de bodemkwaliteitszone waarin de toepassingslocaties is gelegen, moet de toe te passen grond eerst worden gekeurd.” Heterogeniteit Naast de percentielwaarden en variatiecoëfficiënt is ook de heterogeniteit van de meetgegevens berekend, volgens de methodiek zoals beschreven onder het kopje ‘Heterogeniteit’ in bijlage

  1. In de gemeente is in meerdere bodemkwaliteitszones van zowel de boven- als de ondergrond sprake van sterke heterogeniteit voor één of meerdere zware metalen, PAK, PFOS (lineair en som) en/of minerale olie (zie tabel 3.3). De overzichten van de heterogeniteitsindex per stof en per bodemkwaliteitszone staan in bijlage 4A en bijlage 4B (kolom 'Heterogeniteit'). Wanneer de diffuse bodemkwaliteit in een bodemkwaliteitszone sterk heterogeen is verdeeld, is de betrouwbaarheid van het gemiddelde gehalte in de zone kleiner. Voor de bodemkwaliteitszone waar een sterke heterogeniteit voor één of meerdere stoffen is vastgesteld zijn ruim voldoende meetgegevens aanwezig om het gemiddelde gehalte (en dus de kwaliteit) goed te beschrijven. Hierdoor is de heterogeniteit voor de gemeente geen aanleiding om aanvullend onderzoek voorafgaand aan het grondverzet te eisen. Tabel 3.3 Bodemkwaliteitsklasse en heterogeniteit per bodemkwaliteitszone en bodemlaag In de bodemlagen 0-0,5 m-mv en 0,5-1,0 m-mv zijn de gemiddelde waarden van de PFAS-verbindingen lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens/detectiegrens. De bodemlaag 1,0 m-mv en dieper is niet verdacht voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen. 3.7 Stap 8: Bodemkwaliteit 3.7.1 Inleiding De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten: Een kaart met uitgesloten locaties en gebieden. De ontgravingskaart. De toepassingskaart. In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de hoofdkaarten. 3.7.2 Kaart met uitgesloten locaties en gebieden De gemeente Haarlem heeft voor deze bodemkwaliteitskaart een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart (zie § 3.1). De ligging van de uitgesloten locaties is (voor zover mogelijk) weergegeven op kaartbijlage
  2. Deze bodemkwaliteitskaart mag op de uitgesloten locaties en gebieden niet worden gebruikt als bewijsmiddel voor de grond die wordt ontgraven vanuit deze gebieden. Ook mag deze bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt om de toepassingseis te bepalen als grond op deze locaties/gebieden wordt toegepast. In de beleidsnota Bodembeheer Haarlem[3] wordt hier nader op ingegaan. 3.7.3 Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond op een voor de bodemkwaliteitskaart niet uitgesloten locatie/gebied. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt dat de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart. Hiervoor moet bodeminformatie bij de gemeente worden aangevraagd per e-mail: bodeminformatie@haarlem.nl. De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. De ontgravingskwaliteit is net als de bodemkwaliteitsklasse gebaseerd op het gemiddelde gehalte van een bodemkwaliteitszone (zie bijlage 4A en bijlage 4B, kolom 'Gem') en getoetst aan de toetsingswaarden uit de Regeling en de normen uit het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie. Voor PFAS-verbindingen is uitgegaan van een worst-case benadering. Dit houdt in dat de gehalten aan PFAS-verbindingen in gronden met meer dan 10% organisch stof gehalte niet zijn gecorrigeerd naar standaardbodem. Hierdoor worden dus de gehalten aan PFAS-verbindingen niet naar een lager gehalte gestandaardiseerd. Om het standstill-principe voor de bodemkwaliteit op gebiedsniveau te kunnen waarborgen, is de toetsing voor de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ voor het bepalen van de ontgravingskwaliteit strenger dan voor het bepalen van de bodemkwaliteit (

§ 3.6).

De toetsingsmethodiek is opgenomen in bijlage 1 onder het kopje ‘Ontgravingskaart’, ter vergelijking

het kopje ‘Bodemkwaliteitsklasse’. In tabel 3.4 is de te verwachten ontgravingsklasse per bodemkwaliteitszone aangegeven. De ontgravingskaart per bodemlaag is opgenomen in de kaartbijlagen 4. De kleuren in tabel 3.4 komen overeen met de gebruikte kleuren op de kaartbijlagen. De gemeente Haarlem heeft gebiedsspecifiek beleid opgesteld[3] voor bodemkwaliteitszones waarvan de 95-percentielwaarde hoger is dan de voormalige tussenwaarde. In die situatie moet de grond vanuit deze bodemkwaliteitszone worden gekeurd. Tabel 3.4 Verwachte ontgravingsklasse per bodemkwaliteitszone In de bodemlagen 0-0,5 m-mv en 0,5-1,0 m-mv zijn de gemiddelde waarden van de PFAS-verbindingen lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens/detectiegrens. Dit leidt tot beperkingen bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. De bodemlaag 1,0 m-mv en dieper is niet verdacht voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen. 3.7.4 Toepassingskaart (generiek kader Besluit bodemkwaliteit) De toepassingskaart is opgesteld aan de hand van de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en de (toekomstige) functie van de bodem. Op basis van deze dubbele toets, waarbij de strengste toets doorslaggevend is, wordt voor elke bodemkwaliteitszone de toepassingseis vastgesteld (zie bijlage 1 onder het kopje ‘Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem’). Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt dat de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart. Hiervoor moet bodeminformatie bij de gemeente worden aangevraagd per e-mail: bodeminformatie@haarlem.nl. In tabel 3.5 is de toepassingseis volgens het generieke kader van het Besluit per bodemkwaliteitszone aangegeven. Op de kaartbijlagen 5 staat per bodemlaag aangegeven welke toepassingseis er geldt. De kleuren in tabel 3.5 komen overeen met de gebruikte kleuren op kaartbijlage 1 (bodemfunctieklassenkaart) en de kaartbijlagen 5 (toepassingskaart generiek kader Besluit bodemkwaliteit). Tabel 3.5 Toepassingseisen per combinatie (voorkomende) bodemfunctie- en bodemkwaliteitsklasse conform

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.