Obsah (4)
Artikel1Artikel2Artikel3Artikel4Beleidsregel natuur Fryslân 2024Gedeputeerde staten van Fryslân; Gelet op de artikelen 5.1, eerste lid, aanhef en onder e en tweede lid aanhef en onder g, artikel 15.53 en afdeling 16.5 van de Omgevin
Artikel1
.1Begripsomschrijvingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: BIJ12: uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging het Interprovinciaal Overleg, belast met het mandaat om de aanvragen om een tegemoetkoming in faunaschade, als bedoeld in artikel 15.53 van de Omgevingswet, namens Gedeputeerde Staten af te handelen; wet: de Omgevingswet; aanvrager: grondgebruiker of dierhouder die een aanvraag om een tegemoetkoming in de schade indient als bedoeld in artikel 15.53 van de wet; meldingsjaar: het jaar waarin een aanvrager een aanvraag om tegemoetkoming indient; kalenderjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december van hetzelfde jaar; landbouw: veehouderij, akkerbouw, vollegrondgroenteteelt, griendhout, riet, weidebouw, en tuinbouw waaronder begrepen fruitteelt, het telen van vruchten, groenten, paddenstoelen en bloembollen-, bloemen- en bomenteelt; bedrijfsmatige landbouw: aanvragers die hun hoofdbestaan of een substantieel gedeelte van hun bestaan (plegen te) vinden in de landbouw; kapitaalintensieve gewassen: kwetsbare gewassen of teelten die meerdere jaren op een plek staan en/of eenjarige teelten die per hectare hoge financiële opbrengsten opleveren; kwetsbare gewassen: de bij ‘landbouw’ en ‘vollegrondsgroenteteelt’ beschreven teelten, met uitzondering van weide-, hooi-, en graszaadpercelen waarvan het grasgewas minimaal zes maanden oud is, en granen en graszaad in de periode waarin het gewas afrijpt; vollegrondsgroententeelt: de teelt in open grond van groentegewassen; KWIN: de meest actuele versie van het Handboek Kwantitatieve Informatie voor de Akkerbouw en Vollegrondsgroenteteelt, en voor de Veehouderij; opgesteld door Wageningen Universiteit (WUR); hoofdproduct: product dat in de KWIN als hoofdproduct wordt genoemd, en alle andere gewassen die geen bijproduct zijn van het hoofdproduct; bijproduct: een product dat ontstaat als gevolg van de productie van het in het Handboek Kwantitatieve Informatie (KWIN van de Wageningen University & Research) beschouwde hoofdproduct; in elk geval hooi en stro, en producten die door de KWIN als zodanig worden aangemerkt; taxateur: taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau, of een consulent faunazaken van BIJ12; taxatierichtlijnen: de door de directeur van BIJ12 vastgestelde protocollen en richtlijnen ten behoeve van de uitvoering van faunaschade taxaties; MijnFaunazaken: systeem van BIJ12 waarin een aanvrager digitaal de aanvraag om een tegemoetkoming indient, en de verdere communicatie gedurende de procedure plaatsvindt; Faunaschade Preventiekit: overzicht van effectieve preventieve maatregelen per diersoort om gewasschade of veeschade door dieren te voorkomen en beperken, te vinden op de website van BIJ
- maatregelengebied (wolf): het door Gedeputeerde Staten begrensde gebied waarbinnen voor schade door wolven aan gehouden landbouwhuisdieren het treffen van preventieve maatregelen – conform de Faunaschade Preventiekit Wolven – verplicht is om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in faunaschade. ganzenfoerageergebied: geometrisch begrensd gebied bestaande uit meerdere landbouwpercelen zoals aangegeven op de kaart in Bijlage 5.3 van de Omgevingsverordening Fryslân 2022, waar overwinterende beschermde inheemse ganzen jaarlijks ongehinderd kunnen foerageren gedurende de periode van 1 oktober tot 1 april; soortspecifiek ganzenfoerageergebied: geometrisch begrensd gebied bestaande uit meerdere landbouwpercelen zoals aangegeven op de kaart in Bijlage 5.3 van de Omgevingsverordening Fryslân 2022, waar overwinterende beschermde inheemse ganzen jaarlijks ongehinderd kunnen foerageren gedurende de periode van 1 april tot uiterlijk 1 juni; percelen die direct grenzen aan (soortspecifieke) ganzenfoerageergebieden: percelen die aan minimaal een zijde geheel of gedeeltelijk grenzen aan (soortspecifieke) ganzenfoerageergebieden. Percelen die alleen met een hoekpunt raken aan een (soortspecifieke) ganzenfoerageergebied worden niet geacht direct aangrenzend te zijn; ganzen: alle in het wild voorkomende beschermde inheemse ganzen, waaronder in ieder geval de kolgans, brandgans, grauwe gans, rotgans, rietgans, kleine rietgans, grote Canadese gans; natuurnetwerk Nederland: een samenhangend stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang, dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten geometrisch begrensd in en vastgelegd in Bijlage 2.4 op de kaart natuurnetwerk Nederland bij de Omgevingsverordening Fryslân 2022; natuurgebied buiten het natuurnetwerk Nederland: percelen/natuurgebieden geometrisch begrensd in en zoals vastgelegd in Bijlage 2.4 op de kaart natuurgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland bij de Omgevingsverordening Fryslân 2022; Landbouwvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, PBEU L327/1 van 21 december
- Groenbemesters: gewassen die geteeld worden voor het in stand houden of verbeteren van de bodemvruchtbaarheid en/of voor het tegengaan van uitspoeling. Zij leveren meestal geen oogstbaar product op. §1.2Taxatie van de schade Artikel1.2Schade aan bedrijfsmatige landbouw Gedeputeerde Staten verlenen een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 15.53 van de wet, uitsluitend met inachtneming van de hiernavolgende bepalingen: Voor een tegemoetkoming komt alleen in aanmerking directe schade, welke door betreden, vreten, graven, wroeten, vegen, pikken of predatie aan bedrijfsmatige landbouw is veroorzaakt aan de gewassen, of aan gehouden landbouwhuisdieren. In afwijking van het eerste lid, komt ook schade door de wolf en goudjakhals aan hobbymatig gehouden hoefdieren in aanmerking voor een tegemoetkoming. De percelen waarop schade is aangericht, moet een aanvrager op titel van eigendom, (erf)pacht, dan wel een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst, in gebruik hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw. De landbouwhuisdieren waaraan schade is aangericht, moet een bedrijfsmatige aanvrager aantoonbaar in eigendom hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw. §1.3Beoordeling van de aanvraag om een tegemoetkoming Artikel1.3Te treffen maatregelen 1.Gedeputeerde Staten verlenen slechts een tegemoetkoming, indien en voor zover naar hun oordeel de aanvrager de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe de aanvrager naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden. Preventieve maatregelen 2.Maatregelen of inspanningen ter voorkoming en beperking van schade, waarvan Gedeputeerde Staten van oordeel zijn dat deze redelijkerwijs van een aanvrager verlangd kunnen worden, zijn in elk geval: voor hoog en midden salderende gewassen: de inzet van twee verschillende middelen als bedoeld in de Faunaschade Preventiekit; voor schade specifiek door zoogdieren aan hoog salderende gewassen: het tijdig plaatsen van een raster, als beschreven in de Faunaschade Preventiekit voor laag salderende gewassen: verjaging door menselijke aanwezigheid of middelen als bedoeld in de Faunaschade Preventiekit; voor laag salderende gewassen specifiek in de kwetsbare periode: de inzet van twee verschillende middelen als bedoeld in de Faunaschade Preventiekit; voor schade door zoogdieren aan gehouden landbouwhuisdieren: het tijdig plaatsen van een raster als bedoeld in de Faunaschade Preventiekit; specifiek voor schade door wolven aan gehouden landbouwhuisdieren, enkel binnen het door de provincie begrensde maatregelengebied: het tijdig plaatsen van een raster als bedoeld in de Faunaschade Preventiekit; alternatieve middelen waarvan het gebruik vooraf schriftelijk aan BIJ12 is voorgelegd en zij daarmee hebben ingestemd. 3.In afwijking van het tweede lid worden ten aanzien van schade veroorzaakt door de das aan laag, midden en hoog salderende gewassen geen preventieve maatregelen vereist. Ter ondersteuning van de preventieve maatregelen: schadebestrijding met omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit of schadebestrijding met vrijstelling van de vergunningplicht
- Een tegemoetkoming in de schade veroorzaakt door natuurlijk in het wild levende dieren, van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten, waarvoor ingevolge artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g van de wet een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kan worden verleend, wordt slechts verleend indien: de omgevingsvergunning op deugdelijke wijze en tijdig, vooraf of uiterlijk op de dag van schadeconstatering, is aangevraagd en op inhoudelijke gronden door Gedeputeerde Staten is geweigerd of niet in behandeling is genomen, en dit de aanvrager niet te verwijten is; of de omgevingsvergunning (of machtiging/toestemming tot gebruik van een bestaande omgevingsvergunning) op deugdelijke wijze en tijdig, vooraf of uiterlijk op de dag van schadeconstatering, is aangevraagd en, nadat deze is verleend, daarvan op adequate wijze gebruik is gemaakt en er desondanks schade is opgetreden.
- Een tegemoetkoming in de schade in situaties waarin sprake is van een vrijstelling van de omgevingsvergunningplicht voor flora- en fauna-activiteiten, met beperkingen als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder b, wordt slechts verleend indien op adequate wijze gebruik is gemaakt van deze vrijstelling.
- Om het adequaat gebruik van de omgevingsvergunning of vrijstelling van de vergunningplicht te toetsen, geeft de aanvrager in het Schaderegistratiesysteem SRS akkoord, zodat BIJ12 de verrichte bejaagacties kan inzien in het systeem. De bejaagacties worden tijdig, binnen twee weken nadat aanvrager de bevestiging taxatie heeft ontvangen, in het registratiesysteem ingevoerd. Het niet tijdig en/of niet volledig aanleveren van de gevraagde gegevens kan tot afwijzing van de aanvraag leiden.
- Van de toetsing op adequaat gebruik, zoals bedoeld in dit artikel, wordt afgezien als: een omgevingsvergunning op inhoudelijke gronden niet wordt afgegeven; van een omgevingsvergunning of vrijstelling geen gebruik gemaakt kan worden door een jachtverbod of een verjaagverbod; door grondgebruiker is aangetoond dat er op het betreffende perceel een ANLB-beheermaatregel is ingetekend in het kader van het leefgebied “leefgebied open grasland” gericht op weidevogelbeheer of; aangetoond wordt dat de schade veroorzaakt is door de das.
- Wanneer een grondgebruiker een beroep doet op artikel 1.3, lid 7, onder c van deze Beleidsregel, dan kan dit beroep alleen slagen als de grondgebruiker aantoont dat er zich op dit/deze perceel/percelen één of meer nesten van weidevogels of grondbroeders bevinden waarop de beheerpakketten van toepassing zijn. Artikel1.4Aanvraag en taxatie 1.Een aanvraag om tegemoetkoming in faunaschade wordt bij BIJ12 digitaal ingediend via MijnFaunazaken, uiterlijk binnen zeven werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd. 2.In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag bij vermoedelijke wolvenschade zo snel mogelijk ingediend, uiterlijk binnen 24 uur na constatering van de schade, telefonisch bij BIJ12 of via het formulier op de website van BIJ
- Schade aan gehouden dieren door de goudjakhals wordt hierbij op gelijke wijze behandeld als schade door de wolf. 3.De schadeveroorzakende diersoort en de omvang van de schade worden door de taxateur vastgesteld met inachtneming van de protocollen en richtlijnen taxatie faunaschade, te vinden op de website van BIJ
- 4.Een taxateur taxeert alleen verse schade, dat wil zeggen schade die is opgetreden tot tien dagen voor de schadeconstatering. Oudere schade wordt niet bij de taxatie betrokken. 5.Na de taxatie wordt een ‘bevestiging taxatie’ aan de aanvrager gestuurd via MijnFaunazaken. Als aanvrager het niet eens is met de taxatie kan deze binnen acht werkdagen na ontvangst van de bevestiging taxatie, zijn bedenkingen aan BIJ12 kenbaar maken. BIJ12 kan de taxateur vragen te reageren op de bedenkingen, en stuurt de aanvrager zo spoedig mogelijk, uiterlijk binnen tien werkdagen, een reactie op de ingediende bedenkingen. 6.De taxateur stelt van zijn bevindingen een (eind)taxatierapport samen en zendt dat, na interne controle en goedkeuring door de eindverantwoordelijke van het bureau waarvoor de taxateur werkzaam is, aan BIJ
- Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om door hen aangewezen typen faunaschade te laten taxeren via automatische taxaties (autotax). In dat geval wordt het gereedmelden van de betreffende percelen door de deelnemende grondgebruiker aangemerkt als een tijdige aanvraag om een tegemoetkoming in de schade, waarop deze beleidsregels eveneens van toepassing zijn. Artikel1.5Hoogte tegemoetkoming; eigen risico 1.Nadat op basis van de aanvraag, taxatierapport en eventuele andere op de aanvraag betrekking hebbende stukken, is beoordeeld dat aan de voorwaarden voor verlening is voldaan, bepalen Gedeputeerde Staten de hoogte van de tegemoetkoming. 2.De bij de berekening van de tegemoetkoming gehanteerde prijzen van gewassen en vee, worden vastgesteld door de directeur van BIJ12 en zijn te vinden op de website van BIJ
- Eigen risico 3.Op de te verlenen tegemoetkoming wordt een eigen risico van 20% ingehouden, met een minimum van € 250,00 per bedrijf per kalenderjaar. Voor tegemoetkoming in schade als gevolg van inheemse ganzen geldt een eigen risico van 5%. 4.In afwijking van het derde lid, wordt geen eigen risico ingehouden als het gaat om: schade door een wolf, bever, das, edelhert, goudjakhals, wilde kat, lynx; schade door ganzen binnen de begrenzing van een ganzenfoerageergebied in de periode van 1 oktober tot uiterlijk 1 april; schade door ganzen binnen de begrenzing in een soortspecifiek ganzenfoerageergebied in de periode van 1 april tot uiterlijk 1 juni; 5.In afwijking van het derde lid, bedraagt het eigen risico 40% als het gaat om schade door vogels aan pitvruchten. 6.Voor gewassen, teelten of bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren, welke door de plaats, het moment of de wijze van telen of houden, bijzonder kwetsbaar zijn voor schade, kunnen Gedeputeerde Staten een verhoogd eigen risico instellen. 7.Tegemoetkomingen lager dan € 50,00 worden niet uitgekeerd. §1.4Gevallen waarin geen tegemoetkoming wordt verleend Artikel1.6Gevallen waarin geen tegemoetkoming wordt verleend 1.In de volgende gevallen wordt geen tegemoetkoming verleend: Uitsluitingen in verband met diersoort: indien de schade is aangericht door een diersoort met betrekking waartoe krachtens artikel 5.2, derde lid, van de wet, flora- en fauna-activiteiten zijn vrijgesteld van de omgevingsvergunningplicht; indien de schade is aangericht door een diersoort met betrekking waartoe krachtens artikel 5.2, eerste lid, van de wet, flora- en fauna-activiteiten bij Omgevingsverordening Fryslân 2022 zijn vrijgesteld van de omgevingsvergunningplicht, tenzij aan die vrijstelling voorwaarden, beperkingen of clausules zijn verbonden waardoor deze feitelijk gelijkgesteld moet worden aan een omgevingsvergunning verleend op basis van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet; voor schade door een diersoort met betrekking waartoe een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit krachtens artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet is verleend, waarbij in de verleende omgevingsvergunning geen of nauwelijks bepalingen zijn opgenomen die de schadebestrijding in de weg staan; voor schade veroorzaakt door een diersoort, vermeld in artikel 8.3, vierde lid, van de wet, waarop de minister de jacht heeft geopend, met uitzondering van de wilde eend en de houtduif buiten de periode waarin de jacht op deze diersoorten is geopend; indien de schade is aangericht door de huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis of de mol, en voor flora- en fauna-activiteiten met betrekking tot deze soorten een omgevingsvergunning of een vrijstelling van de omgevingsvergunningplicht geldt in verband met de bestrijding van schade aan landbouwgewassen. Uitsluitingen in verband met locatie/functie percelen: voor schade aangericht op gronden gelegen binnen een in het omgevingsplan of de omgevingsverordening begrensde bebouwingscontour; voor schade op gronden binnen een straal van 500 meter van een vuilstortplaats, tenzij de schade is aangericht op gronden die zijn aangewezen als ganzenrustgebied door een schadeveroorzakende soort die, in de periode dat de schade is veroorzaakt, niet mocht worden verontrust of gedood; voor schade aangericht aan geteelde gewassen in een kas, of gehouden dieren in een stal; indien de schade is aangericht aan gewassen op gronden: die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland of natuurgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland én met een natuurbeheertype (uitgezonderd beheertype N00.01) staan aangegeven op de beheerkaart behorend bij het vigerende natuurbeheerplan; waaraan beperkingen ten aanzien van het bestrijden van schadeveroorzakende diersoorten zijn verbonden; die feitelijk niet voor landbouwkundige doeleinden worden gebruikt; of die een functie hebben als waterkering. Uitsluitingen in verband met (het moment van) de teelt: indien de schade is aangericht aan blijvend grasland in de maand oktober (najaarsgras); indien de schade is aangericht aan blijvend grasland in de periode 1 oktober tot en met 31 januari daaropvolgend, en het grasgewas bestemd is voor beweiding met schapen; voor schade aan knol-, bol- en wortelgewassen die na 30 november ontstaat en waarvoor de tegemoetkomingsaanvraag na 30 november wordt ingediend; met uitzondering van onderdekkersteelten en bloembollen; voor schade door vogels aan steenvruchten, zacht fruit en kleinfruit; indien de schade is aangericht aan gewassen die geteeld worden voor de verbetering van een ras (veredeling), of vermeerdering van het veredelde gewas; indien de schade is aangericht aan bijproducten van gewassen; aan geoogste gewassen, aan opgeslagen voedergewassen, groenbemesters, verpakte voedergewassen. Uitsluitingen in verband met overige redenen: indien door handelen of nalaten van de aanvrager de taxateur de schade niet meer kan taxeren, in elk geval als aanvrager het beschadigde gewas al geoogst of heringezaaid heeft, of als er vee is ingeschaard; indien de aanvrager het beschadigde gewas niet meer zal oogsten, of het betreffende perceel niet meer in gebruik zal nemen; voor schade aangericht aan materialen die worden aangewend voor het (tijdelijk) afdekken van gewassen; indien het risico van faunaschade door een beschermde diersoort verzekerbaar is, bij tenminste twee in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen; indien de schade is veroorzaakt door een ziekte; in andere gevallen, waarin Gedeputeerde Staten oordelen dat de schade redelijkerwijs ten laste van de aanvrager behoort te blijven; aan een aanvrager ten aanzien van wie een bevel tot terugvordering (artikel 1, vierde lid, onder a, van de LVV) uitstaat vanwege een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij eerder verleende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard; aan een aanvrager wiens onderneming in moeilijkheden verkeert, tenzij de onderneming een onderneming in moeilijkheden is geworden door verliezen of schade als gevolg van het herstel van door beschermde dieren veroorzaakte schade (artikel 1, vijfde lid 5 jo. artikel 29 van de LVV). 2.In afwijking van het eerste lid, onder b kunnen gedeputeerde staten een tegemoetkoming in de door de volgende diersoorten veroorzaakte schade vaststellen: Grauwe gans (Anser anser); Brandgans (Branta leucopsis); Kolgans (Anser albifrons). 3.In afwijking van het eerste lid, onder i, sub iv, kan er wel een tegemoetkoming in de schade, aangericht door ganzen, worden verleend voor schade aan de zeedijken op de Waddeneilanden, indien de schade is ontstaan in de periode van 1 oktober tot 1 juni. 4.In afwijking van het eerste lid, onder j, kan er wel een tegemoetkoming worden uitgekeerd voor schade aan blijvend grasland in de maand oktober (najaarsgras) indien de schade is veroorzaakt door ganzen en is aangericht binnen ganzenfoerageergebieden. 5.In afwijking van het eerste lid, onder q, kan er wel een tegemoetkoming in de schade, aangericht door ganzen, verleend worden voor schade aan groenbemesters op de Waddeneilanden, indien voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden: het schadeperceel bestaat uit bouwland; het schadeperceel heeft een oppervlakte van minimaal 0,50 hectare; een groenbemester is ingezaaid vóór 1 oktober; de groenbemester wordt in stand gehouden tot het moment dat het te oogsten vervolggewas wordt ingezaaid; het is niet toegestaan het schadeperceel te beweiden en/of te maaien.
- De tegemoetkoming in de schade voor groenbemesters op de Waddeneilanden bedraagt maximaal €252,- per hectare. Hoofdstuk2Soortenbescherming §2.
Artikel2
.1 pre-SMP-methodiek: werkwijze die voorziet in de bescherming van populaties gebouwbewonende soorten met de bijbehorende compenserende maatregelen en natuurvriendelijk isoleren gedurende het opstellen van een soortenmanagementplan (SMP); Soortenmanagementplan (SMP): een gebiedsgericht plan voor het versterken van de staat van instandhouding van een soort, overeenkomstig de begripsbepaling in artikel 1.1 van de wet, berustend op ecologisch onderzoek. Het gebiedsgerichte plan dient als onderbouwing van de wettelijke vereisten, zoals opgenomen in 8.74j, eerste lid en 8.74k, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, op basis waarvan gedeputeerde staten een gebiedsgerichte omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit kan verlenen ingevolge artikel 5.1, tweede lid aanhef en onder g van de wet. §2.2Pre-SMP-omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit Artikel2.2 1.Gedeputeerde staten kunnen op grond van de artikelen 11.37, eerste lid en 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving een gebiedsgerichte omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aan een gemeente verlenen in verband met de werkzaamheden ten behoeve van isolatie dan wel plaatsing van zonnepanelen in of op grondgebonden woningen in particulier eigendom. 2.De pre-SMP-omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, gaat uit van de pre-SMP-methodiek zoals uitgewerkt in het door gedeputeerde staten vastgestelde beleidskader “Natuurvriendelijk isoleren onder het pre-soortenmanagementplan”. Artikel2.3 Een aanvraag voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan uitsluitend worden ingediend door een Friese gemeente. §2.3Aanvraag en looptijd pre-SMP-omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit Artikel2.4 Gedeputeerde staten verlenen een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 2.2 uitsluitend indien: Is verzekerd dat, gedurende de looptijd van de pre-SMP-omgevingsvergunning, een aanvraag voor een gebiedsgerichte omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit op basis van een soortenmanagementplan wordt voorbereid; De aanvrager beschrijft in een pre-soortenmanagementplan hoe het verlies aan (kraam)verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten bij verduurzaming wordt gecompenseerd, met inachtneming van de pre-SMP-methodiek; en De werkzaamheden ten behoeve van isolatie dan wel plaatsing van zonnepanelen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, inclusief mitigerende en compenserende maatregelen zullen worden uitgevoerd conform de Handreiking ''de methodiek van het natuurvriendelijk isoleren'' die als bijlage is gehecht aan het beleidskader ''Natuurlijk isoleren onder het pre-soortenmanagementplan''. Artikel2.5 Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 2.2, dient de aanvrager de gevraagde gegevens te overleggen die nodig zijn om aan de wettelijke voorwaarden te kunnen voldoen overeenkomstig de artikelen 8.74j, eerste lid en 8.74k, Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarnaast dienen gegevens aangeleverd te worden waaruit blijkt dat aan voorwaarden genoemd in artikel 2.4 is voldaan. Artikel2.6 De omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, bedoeld in artikel 2.2, heeft een looptijd van maximaal 24 maanden. Hoofdstuk3Aanvraagprocedure evenementen en natuurbescherming §3.
Artikel3
.1 In dit hoofdstuk van de beleidsregel worden de volgende definities gehanteerd: Aanvang: datum waarop het evenement, inclusief de opbouw, begint. Aanvraag: een verzoek tot het verlenen van een omgevingsvergunning, bestuurlijk rechtsoordeel of advies en instemming bij of krachtens de Omgevingswet. Bestuurlijk rechtsoordeel: een als zelfstandig en definitief bedoeld oordeel van gedeputeerde staten omtrent de toepasselijkheid van een wettelijke bepaling in een gegeven situatie ten aanzien waarvan gedeputeerde staten de bevoegdheid hebben. Complexe aanvraag: een aanvraag voor een evenement waar per dag een totaal van 2000 of meer bezoekers verwacht wordt, waarbij het evenement mede voldoet aan alle onderstaande kenmerken: Er wordt gebruik gemaakt van versterkt geluid; Er wordt gebruik gemaakt van kunstlicht; Het betreft een meerdaags evenement, exclusief dagen van op- en afbouw; Het evenement gaat door in de avond (na 18:00 uur), en: Er wordt van gedeputeerde staten een beoordeling gevraagd over de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van flora en fauna. Advies en instemming: advies en instemming door gedeputeerde staten zoals bedoeld in artikel 4.25 van het Omgevingsbesluit. §3.2Termijn behandeling complexe aanvraag Artikel3.2 1.Gedeputeerde staten maken, behoudens de situatie als bedoeld in artikel 3:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in elk geval gebruik van de volledige beslistermijn van zes maanden o.g.v. artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, indien de aanvraag een complexe aanvraag betreft. 2.Gedeputeerde staten zijn bevoegd om gemotiveerd van voorgaande lid af te wijken ten gunste van aanvrager. Hoofdstuk4Beleidsregels salderen § 4.
Artikel4
.1 In dit hoofdstuk van de beleidsregel wordt verstaan onder: stikstofdepositieruimte: vrijgemaakte of vrijgevallen stikstofdaling ten behoeve van saldering, waaronder de ruimte die is opgenomen in AERIUS Register, zoals bedoeld in artikel 17a.2 lid 3 van de Regeling; provinciale stikstofbank: compartiment in AERIUS Register in de zin van artikel 17a.2 lid 5 jo. 17a.3 sub h van de Regeling; doelgebonden depositiebank: subcompartiment in AERIUS Register, gericht op het aan projecten kunnen toedelen van in deze bank aanwezige stikstofdepositieruimte voor een bepaald doel; extern salderen: salderen met één of meer activiteiten buiten de begrenzing van één project of locatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning; Habitatrichtlijn: Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992, inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206); microdepositiebank: compartiment in AERIUS Register, gericht op het toedelen van aanwezige stikstofdepositieruimte van ten hoogste 0,05 mol/ha/jr in de zin van artikelen 17a.10 en 17a.5, vierde lid van de Regeling; microdeposities: door een project veroorzaakte N-depositie van ten hoogste 0,05 mol stikstof per hectare per jaar die overeenkomstig artikel 17a.5, vierde lid Or kan worden opgenomen in AERIUS Register en kan worden bestemd voor de doelen als genoemd in artikel 17a.10 van de Regeling; natuurvergunning: omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wet al dan niet op basis van advies en instemming met het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.25, eerste lid, aanhef en onder e jo art. derde lid, jo. 4.25 derde lid Omgevingsbesluit; N-emissie: stikstofverbindingen die direct of indirect vanuit een bron in de lucht worden gebracht; N-depositie: neerslaan van stikstofverbindingen uit de lucht op een oppervlakte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar; referentiesituatie: toestemming als bedoeld in onderdeel r, onder 1°, 3° en 4°, of bij gebrek daaraan een op de Europese referentiedatum aanwezige toestemming als bedoeld in onderdeel r, onder 2° en 5,° waarbij de laagst toegestane depositie vanaf de referentiedatum geldt; Regeling: Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling); relevant hexagoon: hexagoon waarbinnen een voor stikstof gevoelig natuurlijk habitat of habitat voor soorten voorkomt, en waarbij tevens sprake is van een overbelasting of een naderende overbelasting van N-depositie vanaf 70 mol per hectare, per jaar onder de kritische depositiewaarde; salderen: inzetten van een activiteit met N-emissie op grond van een toestemming in de referentiesituatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning voor een nieuw of gewijzigd project, waarbij deze toestemming geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken of gewijzigd zodat de N-depositie op alle relevante hexagonen niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie; saldogevende activiteit: een toestemming die, in geval van extern salderen, wordt ingetrokken of, in geval van verleasen, tijdelijk buiten gebruik wordt gesteld ten gunste van de saldo-ontvangende activiteit; saldo-ontvangende activiteit: aangevraagde activiteit waarbij gebruik wordt gemaakt van extern salderen; SSRS-bank: stikstofregistratiesysteem, het compartiment binnen AERIUS Register dat beschikbaar is voor projecten als bedoeld in artikel 17a.6 lid 1 van de Regeling; toestemming: onherroepelijke vigerende natuurvergunning; of onherroepelijke vigerende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of Natuurbeschermingswet 1998, dan wel onherroepelijke vigerende vergunning of geldende melding op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 2.1 eerste lid onder e of artikel 2.1 eerste lid onder i (omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu), de Wet milieubeheer of de Hinderwet; of een activiteit waarvoor geen natuurvergunningplicht was opgenomen, maar die wel voldeed aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming; of een activiteit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid van de Wet natuurbescherming; of een activiteit die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die niet is vervallen of geëxpireerd; verleasen: extern salderen waarbij de feitelijk gerealiseerde capaciteit van de saldogevende activiteit tijdelijk geheel of gedeeltelijk tijdelijk aantoonbaar buiten gebruik wordt gesteld, ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning voor een tijdelijke depositie gedurende een beperkte vooraf afgebakende periode; Vogelrichtlijn: Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009, inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 207); vrijgemaakte stikstofdepositieruimte: ruimte voor N-depositie die voldoet aan de voorwaarden voor extern salderen als bedoeld in artikel 6, eerste tot en met vijfde en zevende tot en met elfde lid die afkomstig is uit mitigerende maatregelen die specifiek zijn getroffen voor het mogelijk maken van ontwikkelingen; vrijgevallen stikstofdepositieruimte: ruimte voor N-depositie die resteert nadat een bevoegd gezag een natuurvergunning heeft verleend; Wet: Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet); PAS-melder: Project dat onder het voormalige Programma Aanpak Stikstof (PAS) meldingsplichtig was, waarvoor een PAS-melding is ingediend en in aanmerking komt voor legalisatie conform het programma zoals opgenomen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. § 4.2 Toepassingsbereik Artikel 4.2 Gedeputeerde Staten hanteren deze beleidsregels bij het beoordelen van een aanvraag om een natuurvergunning waarbij gebruik is gemaakt van salderen voor projecten die een effect kunnen hebben op N-depositie op relevante hexagonen in Natura 2000-gebieden en het daarvoor in te stellen instrumentarium. § 4.3 Natuurvergunning Artikel 4.3 Gedeputeerde Staten verlenen een natuurvergunning in gevallen waarin bij de aanvraag gebruik is gemaakt van extern salderen uitsluitend indien wordt voldaan aan de in deze beleidsregels opgenomen voorwaarden. § 4.4 Rekenmodel Artikel 4.4 Gedeputeerde Staten gaan bij de beoordeling van de N-depositie uit van de op het moment van beslissing op de aanvraag voor de natuurvergunning meest recente versie van de AERIUS Calculator, zoals beschikbaar op www.aerius.nl. § 4.5 Voorwaarden intern salderen Artikel 4.5 (vervallen) § 4.6 Voorwaarden extern salderen Artikel 4.6 1. Er bestaat een directe samenhang tussen de intrekking van de toestemming voor de saldogevende activiteit en de verlening van de natuurvergunning voor de saldo-ontvangende activiteit. 2. De saldogevende activiteit voldoet tot het moment van intrekking of wijziging van de toestemming van de saldogever of tot het moment van het sluiten van een overeenkomst tussen de saldogever en de saldo-ontvanger met het oog op de saldo-ontvangende activiteit aan de volgende eisen: de toestemming voor de activiteit is sinds de referentiesituatie onafgebroken aanwezig geweest; de activiteit wordt nog steeds uitgevoerd, dan wel hervatting is mogelijk zonder nieuwe toestemming en zonder nieuwe omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a van de Wet. 3. Gedeputeerde Staten betrekken een toestemming die niet kan worden ingetrokken door Gedeputeerde Staten uitsluitend bij de beoordeling van de aanvraag, indien de feitelijke uitvoering van de activiteit wordt beëindigd voordat deze activiteit wordt ingezet voor salderen. 4. Gedeputeerde Staten betrekken bij de beoordeling van de aanvraag voor extern salderen uitsluitend de N-emissie van de saldogevende activiteit voor zover intrekking van de daaraan ten grondslag liggende toestemming niet noodzakelijk is in verband met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. 5. Gedeputeerde Staten laten bij de beoordeling van een aanvraag buiten beschouwing de N-emissie van een saldogevend bedrijf voor dat deel van een bedrijf dat ofwel deelneemt aan de: In artikel 17a.4 lid 1 van de Regeling genoemde regelingen; stoppersregeling Actieplan Ammoniak Veehouderij. 5a. Gedeputeerde Staten laten bij de beoordeling van een aanvraag buiten beschouwing de N-emissie van een saldogevende activiteit die wordt verricht op een voormalige veehouderijlocatie die is gesloten met gebruikmaking van een van de volgende regelingen: Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv); Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus); Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting (Lvvp); Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties kleinere sectoren. 6. Gedeputeerde Staten ontvangen van het voornemen tot extern salderen van de saldo-ontvanger voorafgaand aan de aanvraag een melding met de gegevens van de saldo-ontvangende activiteit en saldogevende activiteit. 7. Bij het beoordelen van een aanvraag hanteren Gedeputeerde Staten als uitgangspunt dat alleen gebruik wordt gemaakt van de in de toestemming opgenomen N-emissie in de referentiesituatie, voor zover de capaciteit aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd. 8. Bij de beoordeling van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, bedoeld in het zevende lid, gaan Gedeputeerde Staten uit van de op het moment van intrekking of wijziging van de toestemming of het sluiten van een overeenkomst op grond van een toestemming volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit. 9. Gedeputeerde Staten verlenen een natuurvergunning eerst nadat de niet-gerealiseerde capaciteit van de saldogever op diens verzoek is ingetrokken. 10. Gedeputeerde Staten gaan bij het berekenen van de N-emissie van het saldogevende bedrijf in de referentiesituatie op basis van feitelijk gerealiseerde capaciteit uit van ten hoogste de emissie die is toegestaan op grond van artikel 4.818, 4.819 en 4.820 Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij sprake is van een uitzondering genoemd in artikel 4.806 of 4.807 Besluit activiteiten leefomgeving of indien het overgangsrecht zoals aangegeven in artikel 4.831, 4.832 en 4.833 Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is. 11. Bij de verlening van een natuurvergunning wordt 70% van de N-depositie van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, zoals bedoeld in lid 7 en 8, van de saldogevende activiteit betrokken. Indien de N-emissie in de referentiesituatie van de betreffende saldogever, zoals bedoeld in lid 2 en 10, lager is dan de N-emissie van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, wordt van deze lagere N-emissie 70% betrokken bij verlening van een natuurvergunning. 12. In afwijking van het elfde lid kan tot 100% van de N-depositie van de saldogevende activiteit bij de verlening van een natuurvergunning betrokken worden, indien het project noodzakelijk is ten behoeve van de realisatie van de doelen van een Natura 2000-gebied. § 4.6a Voorwaarden verleasen Artikel 4.6a 1. Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing op verleasen, met uitzondering van het eerste, derde en negende lid. 2. Gedeputeerde staten kunnen voor tijdelijke N-deposities van ten hoogste twee jaar een natuurvergunning verlenen met gebruikmaking van verleasen. 3. Gedeputeerde Staten kunnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, verlengen indien zij dat voor het project noodzakelijk achten. 4. Er bestaat een directe samenhang tussen de tijdelijke buitengebruikstelling van de toestemming voor de saldogevende activiteit en de verlening van de natuurvergunning voor de tijdelijke saldo-ontvangende activiteit. 5. Een aanvraag waarbij gebruik wordt gemaakt van verleasen, gaat vergezeld van een afschrift van een getekende overeenkomst tussen saldogever en saldo-ontvanger waarin: de tijdelijke buitengebruikstelling van de saldogevende activiteit wordt gewaarborgd gedurende de looptijd van de natuurvergunning voor de tijdelijke saldo-ontvangende activiteit; en b. saldogever verklaart in te stemmen met een tijdelijke beperking van zijn toestemming. 6. Gedeputeerde Staten nemen het voorschrift op dat de saldo-ontvangende activiteit slechts mag plaatsvinden binnen de looptijd van de natuurvergunning en dat bij hen een startmelding en gereedmelding moet worden gedaan door de saldo-ontvanger. 7. Gedeputeerde Staten nemen het voorschrift op dat de natuurvergunning van de saldo-ontvanger niet eerder in gebruik mag worden genomen dan nadat de saldo-ontvanger bij het bevoegd gezag heeft gemeld dat de saldogevende activiteit is gestaakt. § 4.7 Plannen Artikel4.7 Indien reeds is gesaldeerd voor een plan als bedoeld in artikel 16.53c van de Wet, dan wel als gevolg van het plan activiteiten met N-emissie(
- s)worden beëindigd, kan deze saldering dan wel dit planeffect tevens worden ingezet voor een aanvraag voor een natuurvergunning ter invulling van dat plan. De voorwaarden van artikel 6, het zevende en achtste lid zijn, voor zover dat betrekking heeft op het onafgebroken aanwezig zijn van de bedoelde activiteit zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, niet van toepassing. § 4.8 Realisatietermijn Artikel4.8 Gedeputeerde Staten nemen in een omgevingsvergunning voor een natura 2000-activiteit het voorschrift op dat de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning voor een natura 2000-activiteit is verleend, binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de natuurvergunning moet zijn gerealiseerd. § 4.9 SSRS-bank Artikel4.9 1. Gedeputeerde Staten reserveren in het SSRS-bank pas stikstofdepositieruimte als bedoeld in artikel 17a.6, lid 1 sub b van de Regeling als de in dat lid genoemde aanvraag volledig is. 2. Met uitzondering van het eerste lid, zijn deze beleidsregels niet van toepassing op aanvragen voor zover bij dat deel van die aanvraag een beroep wordt gedaan op stikstofdepositieruimte uit het SSRS-bank. § 4.10 Microdepositiebank Artikel4.10 1. Gedeputeerde Staten delen alleen stikstofdepositieruimte uit de microdepositiebank toe in een natuurvergunning als de eventuele boven de microdeposities benodigde ruimte op een andere wijze wordt vergund. 2. Gedeputeerde Staten vullen de microdepositiebank aan het begin van ieder kwartaal met vrijgevallen stikstofdepositieruimte en kunnen deze dan aanvullen met vrijgemaakte stikstofdepositieruimte. 3. Gedeputeerde Staten reserveren stikstofdepositieruimte in de microdepositiebank op volgorde van binnenkomst van een volledige aanvraag voor zover alle daarvoor benodigde stikstofdepositieruimte in de microdepositiebank beschikbaar is. 4. De beschikbare stikstofdepositieruimte vermindert door het reserveren en toedelen van stikstofdepositieruimte aan projecten. De stikstofdepositieruimte vermeerdert door de vulling, bedoeld in het tweede lid. 5. Op verzoek van een aanvrager kunnen Gedeputeerde Staten een volledige aanvraag waarvoor geen stikstofdepositieruimte beschikbaar is eenmalig voor ten hoogste drie maanden aanhouden om gebruik te maken van de microdepositiebank. 6. Gedeputeerde Staten delen geen stikstofdepositieruimte toe aan legalisatie van projecten waarvoor een meldingsplicht gold op grond van artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof zoals dat luidde tot 1 januari 2017 of artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming zoals dat luidde op 28 mei 2019 en waarvoor een melding is gedaan. § 4.11 Doelgebonden depositiebanken Artikel4.11 1. Binnen de provinciale stikstofbank kunnen Gedeputeerde Staten, al dan niet in samenwerking met andere bevoegde gezagen, doelgebonden depositiebanken aanmaken binnen hun compartiment. 2. Indien Gedeputeerde Staten toepassing geven aan het eerste lid, stellen zij beleidsregels op, die ten minste het volgende omvatten: het doel van de doelgebonden depositiebank; de termijn waarbinnen de in de doelgebonden depositiebank geregistreerde ruimte uitgegeven wordt, en de nadere regels voor vulling en toedeling van stikstofdepositieruimte. 3. De vulling van een doelgebonden depositiebank bestaat uit vrijgemaakte ruimte. 4. Stikstofdepositieruimte uit een doelgebonden depositiebank is uitsluitend beschikbaar voor projecten gerelateerd aan het doel als bedoeld in het tweede lid, onder a. en voor zover dit aan de overige voorwaarden van artikel 12 en de daarop gebaseerde regels voldoet. Artikel 4.12 1. De doelgebonden depositiebank PAS-melders Fryslân wordt gecontinueerd zoals ingesteld bij besluit van 19 oktober 2022, provinciaal blad 12327 van het jaar 2022. Ten aanzien van deze doelgebonden depositiebank geldt het volgende: Het doel van deze depositiebank is om stikstofruimte te sparen, reserveren en toe te kennen ten behoeve van projecten die in aanmerking komen voor legalisatie conform het programma zoals opgenomen in artikel 1.13a van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. De vulling van de doelgebonden depositiebank bestaat uitsluitend uit vrijgemaakte depositieruimte die is vrijgemaakt voor de doelgebonden depositiebank ten behoeve van legalisatie PAS-melders gelegen in de provincie Fryslân. Gedeputeerde Staten besluiten over het opnemen van depositieruimte als vulling van de doelgebonden depositiebank en zorgen bij een positief besluit voor de digitale registratie in AERIUS Register. De beschikbare stikstofruimte wordt uitsluitend toegekend aan aanvragen voor projecten die voldoen aan de criteria van het legalisatieprogramma zoals opgenomen in artikel 1.13a van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering; Volgorde van toekenning van ruimte zoals bedoeld onder het eerste lid vindt primair plaats conform de afspraken die hierover worden gemaakt in het legalisatieprogramma; Afwijken van de volgorde zoals genoemd in onderdeel e wordt door Gedeputeerde Staten onderbouwd in het besluit waarin de ruimte wordt toegekend. Met het legaliseren van een project middels toekenning van stikstofruimte uit de doelgebonden depositiebank vervalt het recht voor het betreffende project om deze ruimte te claimen van het Rijk. Gedeputeerde Staten geven de geregistreerde ruimte in de doelgebonden depositiebank uit aan het doel binnen een termijn van maximaal 5 jaar nadat het programma als bedoeld in artikel 1.13a Wsn is afgelopen Onverminderd het bepaalde in het onderdeel h, vervalt de restruimte in de doelgebonden depositiebank 5 jaar nadat het programma als bedoeld in artikel 1.13a Wsn is afgelopen. Onverminderd onderdeel b en c, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten om ruimte die door het Rijk aan Gedeputeerde Staten wordt toegekend voor de legalisatie van PAS-meldingen, op te nemen in deze doelgebonden depositiebank; Binnen 5 jaar nadat het programma zoals bedoeld in artikel 1.13a van de Wet stikstofreductie en natuurherstel is afgelopen, of indien Gedeputeerde Staten besluit tot opheffing van deze doelgebonden depositiebank, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten de resterende beschikbare ruimte op te nemen in een andere stikstofdepositiebank. § 4.12 Hardheidsclausule Artikel 4.13 Gedeputeerde Staten wijken, in overeenstemming met artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, in individuele gevallen van de beleidsregels in dit hoofdstuk af, wanneer onverkorte toepassing ervan voor een of meer belanghebbenden gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregels te dienen doelen en de afwijking zo min mogelijk afbreuk doet aan het doel om N-depositie te reduceren. Hoofdstuk5 (gereserveerd) Hoofdstuk6Overige en slotbepalingen Artikel6.1 Deze beleidsregel treedt in werking op dezelfde dag dat de Omgevingswet in werking treedt. Artikel6.2 Op aanvragen die zijn binnengekomen voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijft het oude recht van toepassing, tot het besluit onherroepelijk is. Artikel6.3 De volgende beleidsregels worden ingetrokken: Beleidsregel Wet natuurbescherming Fryslân 2018; Beleidsregels aanvraagprocedure evenementen binnen de Wet natuurbescherming provincie Fryslân. Artikel6.4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als Beleidsregel natuur Fryslân 2024. Leeuwarden, 19 december 2023drs. A.A.M. Brok, voorzitterdrs. ing. J.J. Algra secretarisToelichting De Wet natuurbescherming wordt per 1 januari 2024 vervangen door de Omgevingswet. Op grond van deze wet worden provinciale staten verplicht voor bepaalde onderwerpen regels op te stellen. Daarnaast hebben provinciale staten de mogelijkheid om op een aantal onderwerpen regels te stellen. Deze regels zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Fryslân 2022. Naast de bevoegdheden die provinciale staten hebben, hebben gedeputeerde staten ook bevoegdheden. Dit zijn onder andere de bevoegdheden tot het opstellen van beleidsregels op grond van artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De beleidsregels in het kader van natuur zijn opgenomen in deze beleidsregel: de Beleidsregel natuur Fryslân 2024. De beleidsregel gaat in op de tegemoetkoming in faunaschade en de pre-SMP-methodiek. Toelichting op hoofdstuk 1 Toelichting Algemeen In artikel 15.53 van de Omgevingswet is bepaald dat Gedeputeerde Staten in voorkomende gevallen een tegemoetkoming verlenen in de schade, geleden in hun provincie, aangericht door van nature in het wild levende dieren van, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten. Waarbij die soorten worden aangewezen die op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet worden beschermd tegen flora- en fauna-activiteiten. Ter invulling van deze taak en bevoegdheid hebben Gedeputeerde Staten beleidsregels vastgesteld op grond van artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Hoewel de faunaschade door in het wild levende dieren en niet door de overheid wordt veroorzaakt, wordt een tegemoetkoming in de schade in bepaalde gevallen op zijn plaats geacht. Regelgeving van overheidswege kan immers met zich meebrengen dat een grondgebruiker wordt beperkt in de mogelijkheden om zijn landbouwgewassen of gehouden dieren te beschermen; denk aan het verbod om aangewezen beschermde soorten te verjagen of doden. Een provinciale vrijstelling of ontheffing, kan een dergelijke beperking ook weer wegnemen. Er is dus een rechtstreeks verband tussen de mate waarin een grondgebruiker wordt beperkt in diens mogelijkheden tot schadebestrijding, en de mate waarin in een tegemoetkoming zou moeten worden voorzien. De schade dient te worden vergoed voor zover een burger in zijn mogelijkheden tot schadebestrijding wordt beperkt en de schade (mede daardoor) redelijkerwijs niet of niet geheel voor rekening van de burger dient te blijven. Zo blijkt ook uit de wetsgeschiedenis van de Wet natuurbescherming (nu Omgevingswet): "Uitgangspunt van het beleid daarbij is dat de bescherming van eigendommen tegen schade door dieren primair de verantwoordelijkheid van de burger zelf is. Deze moet waar mogelijk (...) maatregelen nemen en inspanningen verrichten om schade aan zijn eigendommen te voorkomen. Als preventieve maatregelen tekort schieten, kunnen maatregelen in het kader van schadebestrijding en populatiebeheer uitkomst bieden. Jacht kan daarbij een ondersteunende functie hebben. […] Wanneer schadebestrijding, beheer en jacht niet in enigerlei vorm zijn of kunnen worden toegestaan, zal [Gedeputeerde Staten] op verzoek van degene die schade heeft geleden, kunnen besluiten tot toekenning van schadevergoeding als de schade redelijkerwijs niet ten laste van een grondgebruiker behoort te blijven." Artikel 15.53 van de Omgevingswet bepaalt voorts dat een tegemoetkoming slechts wordt verleend als een belanghebbende schade lijdt, welke redelijkerwijs niet of niet geheel voor diens rekening behoort te blijven. De bepaling biedt geen recht op een volledige schadevergoeding, het betreft een tegemoetkoming die naar billijkheid wordt bepaald. Het moet voorts gaan om schade die niet tot het normale bedrijfsrisico of normale maatschappelijke risico van een aanvrager behoort. Een zekere mate van schade door in het wild levende dieren dient eenieder voor lief te nemen. Aanknopingspunt voor het beleid is dat een aanvrager alles wat redelijkerwijs mogelijk is in het werk moet stellen om schade te voorkomen of beperken. Daarbij is het treffen van preventieve maatregelen, gericht op het voorkomen van schade de eerste inzet. Als dergelijke maatregelen te kort schieten, is schadebestrijding (schadebeperking door het bestrijden van schadeveroorzakende diersoorten) aan de orde. Schade die men had kunnen voorkomen of beperken, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Als er ondanks tijdige en deugdelijke inspanningen van een aanvrager om schade te voorkomen en beperken, schade ontstaat, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten een tegemoetkoming te verlenen. Interprovinciaal Overleg In IPO-verband hebben de gezamenlijke provincies ervoor gekozen het verlenen van tegemoetkomingen in faunaschade te mandateren aan de uitvoeringsorganisatie BIJ12. Uit oogpunt van efficiëntie is een landelijke uitvoering met één loket en gebundelde kennis te prefereren. Daarnaast wordt uniformiteit in de uitvoering, en rechtsgelijkheid over heel Nederland nagestreefd. Daar waar in de beleidsregels of in deze toelichting sprake is van Gedeputeerde Staten moet in veel gevallen dan ook ‘BIJ12’ worden gelezen. In een afzonderlijk besluit worden de bevoegdheden met betrekking tot het verlenen van tegemoetkomingen, gemandateerd aan BIJ12. Doelgroep van de regeling De doelgroep van deze regeling bestaat uit kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kmo’
- s)die actief zijn in de landbouwsector als bedoeld in artikel 1, lid 1 onder a, van de LVV. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1.1 (Begripsomschrijvingen) In artikel 1 wordt aangegeven wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Voor zover een begrip maar een enkele keer wordt gebruikt, is dit begrip in het artikel zelf gedefinieerd. Artikel 1.2 (Schade aan bedrijfsmatige landbouw) In artikel 1.2 hebben Gedeputeerde Staten, ter invulling van artikel 15.53 Omgevingswet, bepaald welke schade in aanmerking wordt genomen. Het gaat hierbij om directe vraat-, graaf-, wroet-, veeg-, pik-, of predatieschade aan bedrijfsmatige landbouw. Directe schade Directe schade is schade die is aangericht door het vreten, graven, wroeten, vegen, pikken of predatie door de dieren, aan de landbouwgewassen zelf of aan landbouwhuisdieren. Geen tegemoetkoming wordt dus verleend voor indirecte schade of gevolgschade. Daaronder wordt verstaan, alle schade die geen directe schade is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft meermaals bevestigd dat het niet onredelijk is dat alleen schade die door dieren aan de gewassen zelf is aangericht, voor een tegemoetkoming in aanmerking komt.1ABRvS, 23 maart 2005, 200407023/1, r.o. 2.5, ECLI:NL:RVS:2005:AT1995; enABRvS, 26 maart 2008, 200705890/1, r.o. 2.6.4, ECLI:NL:RVS:2008:BC7605; enABRvS, 8 augustus 2018, 201707597/1/A2, r.o. 4.1 en 4.2, ECLI:NL:RVS:2018:2636. En dat bijvoorbeeld meer- en vervolgschade, zoals een lagere omzet of kosten die gemaakt zijn voor sortering en extra onkruidbestrijding, slechts een afgeleide is van schade veroorzaakt door dieren, en dat het verband tussen het schadeveroorzakende gedrag en die schade te ver is verwijderd om van een rechtstreeks gevolg te kunnen spreken. Die schade is niet direct gerelateerd aan de bedrijfsmatig uitgeoefende landbouw. Denk hierbij bijvoorbeeld ook aan structuurschade aan gronden doordat dieren die gronden hebben betreden. Schade aan materialen die worden aangewend voor het (tijdelijk) afdekken van gewassen behoren ook niet tot directe schade die voor een tegemoetkoming in aanmerking komt. Directe schade door wolven Net als bij schade door beschermde dieren aan gewassen, moet het bij schade door de wolf gaan om directe schade. Bij schade door een wolf is directe schade dus de schade door predatie aan gehouden landbouwhuisdieren. Dit zijn dieren die worden gehouden voor de productie van bijvoorbeeld melk en vlees, of die bijvoorbeeld worden ingezet voor begrazing. Alleen schade die rechtstreeks aan de landbouw is aangericht, dus aan landbouwgewassen of aan gehouden dieren zelf, komt voor een tegemoetkoming in aanmerking. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft meermaals bevestigd dat het niet onredelijk is dat alleen schade die door dieren rechtstreeks aan de landbouw zelf is aangericht, voor een tegemoetkoming in aanmerking komt.2O.a. ABRvS, 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2636, r.o. 4.1 en 4.2. Daarbij heeft de Afdeling geoordeeld dat eventuele vervolgschade een afgeleide schade is en het schadeveroorzakende gedrag en deze afgeleide/indirecte schade in een te ver verwijderd verband staan om van een rechtstreeks gevolg te kunnen spreken. In beginsel komt bijkomende schade of indirecte schade dus niet in aanmerking voor tegemoetkoming. Om dierhouders de tijd te gunnen om zich aan te passen aan de terugkomst van de wolf, is ervoor gekozen om bij schade door wolven toch enkele aanvullende schadeposten te vergoeden. Dit zijn dierenartskosten, afvoerkosten en verworpen lammeren door spontane abortus veroorzaakt door de wolvenaanval. Hierop wordt in de BIJ12-taxatierichtlijn voor wolvenschade nader ingegaan. In de taxatierichtlijn voor wolvenschade zijn duidelijkheidshalve ook enkele indirecte c.q. vervolgschadeposten benoemd die niet bij de taxatie en de tegemoetkoming betrokken worden.3ABRvS 19 oktober 2022, 202100668/1/A2, r.o. 13, ECLI:NL:RVS:2022:3024; enRb. Noord-Nederland, LEE 23/2261, 3 september 2024, r.o.13. Deze schadeposten, bijvoorbeeld materiaalkosten of uren besteed aan de schadeafwikkeling zijn een afgeleide, een (deels onbepaald en niet controleerbaar) indirect gevolg, waarbij de relatie tussen de wolvenaanval en het gevolg niet altijd duidelijk aanwezig is, dan wel in een te ver verwijderd verband staat tot de wolvenaanval om van rechtstreekse, directe schade aan de landbouw (aan de gehouden dieren) te kunnen spreken. Deze indirecte kosten stijgen ook niet uit boven hetgeen tot het normale bedrijfsrisico of normaal maatschappelijk risico behoort, en Gedeputeerde Staten achten het niet onbillijk of onevenredig dat deze voor rekening van de dierhouder blijven. Landbouw Onder landbouw wordt verstaan: veehouderij, akkerbouw, vollegrondgroenteteelt, griendhout, riet, weidebouw, tuinbouw. Tuinbouw is een intensieve vorm van landbouw, waaronder begrepen fruitteelt, het telen van vruchten, groenten, paddenstoelen en bloembollen-, bloemen- en bomenteelt. Het moet gaan om (met het oogmerk) te oogsten gewassen, afkomstig van voorgenoemde teelten, die bedrijfsmatig worden geteeld in de vollegrond en in de open lucht. Niet in de vollegrond en open lucht, zijn bijvoorbeeld gewassen die worden gekweekt in kassen en containerteelt waarbij het gewas gekweekt wordt in een pot op de grond op een teeltdoek. Niet onder landbouw wordt verstaan: de visserij, mossel- zeekraal- en oesterteelt en andere vormen van schelpdierenkwekerij, omdat deze activiteiten niet op het land plaatsvinden. Ook is hier geen sprake van teelten die in de vollegrond en open lucht plaatsvinden. Tevens wordt niet verstaan onder landbouw: houtteelt en bosbouw omdat dit geen landbouwkundig gebruik is. Bedrijfsmatige landbouw Met bedrijfsmatige landbouw wordt bedoeld: aanvragers die hun hoofdbestaan of een substantieel gedeelte van hun bestaan (plegen
- te)vinden in de landbouw. Als een aanvrager staat ingeschreven bij de KVK met SIBI-code gereserveerd voor landbouwbedrijven, en verplicht is bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een gecombineerde opgave te doen, zijn dat duidelijke aanwijzingen dat sprake is van bedrijfsmatige landbouw. Alleen als sprake is van bedrijfsmatige landbouw, komt een aanvrager voor een tegemoetkoming in aanmerking. Daartoe is besloten op grond van de overweging dat door het hoge beschermingsniveau van de wet bepaalde individuen in de samenleving schade lijden, doordat bij wet beschermde natuurlijk in het wild levende diersoorten schade toebrengen aan gewassen, bepaalde teelten of gehouden dieren. Als die personen voor wat betreft hun inkomen (mede) afhankelijk zijn van de opbrengsten van die gewassen of teelten, dan achten Gedeputeerde Staten het redelijk dat die personen (gedeeltelijk) voor die schade worden gecompenseerd. Bedrijfsmatig en hobbymatig gehouden dieren Bij schade door wolven aan gehouden dieren gelden enkele, van gewasschade, afwijkende bepalingen. Bij wolvenschade komt, behalve schade aan bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren, ook schade aan hobbymatig gehouden hoefdieren, zoals schapen, geiten, runderen, paarden en varkens, in aanmerking voor een tegemoetkoming. Dit beleid om ook hobbyhouders met wolvenschade tegemoet te komen is tijdelijk en kan in de toekomst veranderen. In beginsel komt Gedeputeerde Staten slechts tegemoet voor schade door beschermde dieren aan bedrijfsmatige landbouw. Ook bedrijfsmatig gehouden, door de wolf gedode of verwonde kuddebewakingshonden of hoedhonden, komen in aanmerking. Gebruikstitel percelen Verder bepaalt artikel 1.2 dat een aanvrager de percelen waarop schade is aangericht, op titel van eigendom, (erf)pacht, of een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst, in gebruik moet hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw. Ingeval van een mondelinge overeenkomst is het aan de aanvrager om dit aan te tonen. Voor schade door predatie aan landbouwhuisdieren, geldt dat de aanvrager aantoonbaar eigenaar is van het betreffende dier. In het aanvraagformulier tegemoetkoming faunaschade in MijnFaunazaken, geeft een aanvrager de schadepercelen op, op basis van de actuele perceelsregistratie van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Als de (eigendom/pacht) status van de percelen daaruit onvoldoende blijkt, kan BIJ12 de aanvrager in het kader van de beoordeling van de tegemoetkomingsaanvraag om de schriftelijke (pacht)overeenkomsten vragen. Artikel 1.3 (Te treffen maatregelen) Artikel 1.3 bevat de voorwaarden, ten aanzien van het voorkomen en beperken van schade, waaraan getoetst wordt en waaraan een aanvrager moet voldoen om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Gedeputeerde Staten verlenen een tegemoetkoming slechts als een aanvrager zelf al het mogelijke, dat in redelijkheid van hem kan worden verwacht, heeft ondernomen om schade zoveel mogelijk te voorkomen en beperken. Het gaat hierbij om te treffen maatregelen ter voorkoming van schade - de preventieve maatregelen -, en maatregelen ter (verdere) beperking van de schade door de schadeveroorzakende diersoort te bestrijden. Artikel 1.3 spreekt over maatregelen of inspanningen waartoe een aanvrager, naar de eisen van redelijkheid en billijkheid, is gehouden om schade te voorkomen en beperken. De inspanningen die worden verwacht hangen samen met een aantal factoren. De gevraagde inspanning moet in verhouding staan tot de opbrengst van een gewas. Bij een kapitaalintensief gewas met hoge opbrengst mag redelijkerwijs meer worden verwacht van een aanvrager. Een andere factor is de kwetsbaarheid van een gewas, in een bepaalde periode of voor bepaalde dieren, of op een bepaalde locatie. Ook de voorzienbaarheid speelt een rol. Als een aanvrager redelijkerwijs kan voorzien dat de kans op schade groot is, bijvoorbeeld omdat een net ingezaaid gewas erg aantrekkelijk (dus kwetsbaar) is, of omdat er op dezelfde locatie aan hetzelfde gewas door dezelfde dieren al vaker schade is aangericht, dan verwachten Gedeputeerde Staten een maximale inspanning van de aanvrager om zijn gewassen of dieren te beschermen. Standaardopbrengst van het gewas Bij de vraag wat van een grondgebruiker verwacht mag worden, achten Gedeputeerde Staten het redelijk om de standaardopbrengst van een gewas mee te wegen. De categorie (hoog-midden-laag) is dus (mede) bepalend voor wat redelijkerwijs van een grondgebruiker verwacht wordt, om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Het overzicht van de gewascategorieën is te vinden op bij12.nl. Hoog en midden salderend Onder hoog salderend wordt in elk geval verstaan: de teelt van bloemen, bloembollen, boom- en kwekerijgewassen, fruit, en kapitaalintensieve groenten en akkerbouwgewassen, zoals aardbeien, asperges, kolen en ijsbergsla. Het gaat bij kapitaalintensieve gewassen om eenjarige gewassen die per hectare hoge financiële opbrengsten opleveren (hoog salderen), ofwel om teelten die meerdere jaren op een plek staan c.q. meerjarige gewassen, waarbij schade een opbrengstderving over meerdere jaren kan veroorzaken. Een voorbeeld hiervan is schade door bevers aan fruitbomen. Onder midden salderend worden bijvoorbeeld uien en aardappelen verstaan. Gedeputeerde Staten verlangen niet dat een aanvrager álle in de Faunaschade Preventiekit opgesomde maatregelen treft, om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Wel kan bij hoog en midden salderende teelten en gewassen, in redelijkheid worden verlangd dat een aanvrager twee verschillende maatregelen treft, voor de betreffende schadeveroorzakende diersoort, zoals beschreven in de Faunaschade Preventiekit. De maatregelen moeten gevarieerd en in voldoende aantallen worden aangewend.4ABRvS, 9 januari 2013, 201112788/1/A3, r.o. 2.1, ECLI:NL:RVS:2013:BY7999 De taxateur vermeldt bij zijn taxatie de door de aanvrager toegepaste maatregelen in zijn taxatierapport. Bij beoordeling van een aanvraag wordt dus getoetst of twee maatregelen uit de FPK zijn toegepast. Het kan voorkomen dat voor de combinatie van de schadeveroorzakende diersoort en het gewas geen twee preventieve maatregelen beschikbaar zijn uit de FPK die effectief zijn en (qua investering) redelijkerwijs gevraagd kunnen worden. In dat geval wordt getoetst of minimaal één, althans die maatregelen zijn genomen die volgens de FPK redelijkerwijs wel mogelijk zijn. Bij schade door zoogdieren aan een hoogsalderende gewassen, kan in redelijkheid verlangd worden dat er tijdig een deugdelijk raster geplaatst wordt om het gewas te beschermen en schade te voorkomen.5ABRvS 29 mei 2013, 201205424/1/A3, r.o. 4.1, ECLI:NL:RVS:2013:CA1340; enABRvS, 18 januari 2012, 201103944/1/H3, r.o. 2.3.1, ECLI:NL:RVS:2012:BV1191 Een deugdelijk raster staat omschreven in de Faunaschade Preventiekit. Laag salderende gewassen Voor niet-kwetsbare laag salderende gewassen (zoals weide-, hooi-, en graszaadpercelen waarvan het grasgewas minimaal zes maanden oud
- is)wordt verjaging door menselijke aanwezigheid gevraagd, of middelen als bedoeld in de Faunaschade Preventiekit. Dit betreft de blijvende/overjarige graslanden, en granen en graszaad in de niet-kwetsbare periode. Granen en graszaad zijn vanaf de aarvorming niet meer kwetsbaar. Naarmate het gewas zich verder ontwikkelt wordt het dus minder aantrekkelijk voor dieren, groter en gaat het een stengel vormen met zaad erin. Laag salderende gewassen in de kwetsbare periode Het gaat hier om nieuw ingezaaide graslanden jonger dan zes maanden. En pas ingezaaide granen, met name wintergraan, en graszaad in de kwetsbare periode tot aarvorming. Deze gewassen zijn kwetsbaar vlak na het inzaaien als het plantje gekiemd is en net boven de grond staat. Het gewas is op dat moment eiwitrijk en heeft veel voedingswaarde wat het erg aantrekkelijk maakt voor dieren. Deze gewassen zijn in een relatief korte periode vatbaar voor faunaschade. Deze gewassen zijn aantrekkelijk voor vogels maar niet hoog salderend. Er wordt in de kwetsbare periode wel verwacht dat men twee effectieve maatregelen treft, als beschreven in de Faunaschade Preventiekit (tegen de betreffende schadeveroorzakende diersoort). Als in deze kwetsbare periode ingezet wordt op preventie, kan veel schade voorkomen worden. Door de korte periode van inspanning blijft de totale inspanning, ter voorkoming van faunaschade, gezien over de hele teeltperiode, nog steeds beperkt, en kan dit ondanks de lage standaardopbrengst van het gewas redelijkerwijs gevraagd worden. In ganzenrust- en -foerageergebieden zijn preventieve maatregelen die ganzen verstoren of weren niet toegestaan in verband met het doel van de gebieden. Redelijkerwijs wordt van een grondgebruiker in die gebieden dan ook niet gevraagd om die preventieve middelen in te zetten. Voorzienbaarheid Naast de vraag of een gewas hoog-, midden-, laag salderend is, speelt de voorzienbaarheid van de schade een rol in de afweging wat in redelijkheid van een aanvrager verwacht mag worden. Als bijvoorbeeld in opeenvolgende jaren steeds schade optreedt op een bepaald perceel met een hoog/midden salderend gewas, mag van aanvrager worden verwacht dat die méér maatregelen treft om die schade te voorkomen en beperken. Ook als een gewas op een zodanige locatie geteeld wordt, waardoor het risico op faunaschade voorzienbaar is, kunnen Gedeputeerde Staten hogere eisen aan het beschermen van gewassen stellen. Bij de afweging welke preventieve middelen in redelijkheid gevraagd kunnen worden, wordt voornamelijk naar voornoemde factoren gekeken. Wat voor teelt is het, zijn gewassen extra aantrekkelijk voor een bepaalde diersoort, is er al meerdere malen eenzelfde schade ontstaan, betreft het een schadegevoelige locatie. Dan zijn dat omstandigheden op grond waarvan in redelijkheid extra maatregelen en inspanningen van een aanvrager verlangd kunnen worden om schade te voorkomen en beperken. Maatregelen: veeschade Bij schade door zoogdieren aan gehouden landbouwhuisdieren, gaat het in Nederland vooralsnog met name om schade door wolven aan vee. Ook komt schade door vossen en, incidenteel, door goudjakhalzen voor. De situatie rondom de wolf in Nederland is continu in ontwikkeling. Het beleidskader is het Wolvenplan 2025 van de samenwerkende provincies, vastgesteld door het IPO-bestuur in 2025. Het wolvenplan is te vinden op www.bij12.nl. Deze beleidsregels zijn de provinciale uitwerking van het wolvenplan voor wat betreft tegemoetkomingen in schade aan gehouden landbouwdieren. Dierhouders zijn zelf verantwoordelijk voor het nemen van preventieve maatregelen om hun gehouden dieren te beschermen tegen schade door beschermde diersoorten zoals de wolf. Bescherming van vee tegen aanvallen van buitenaf is niet nieuw. Van honden of vossen is bekend dat zij bijvoorbeeld schapen kunnen aanvallen. Waar het gaat om het voorkomen van schade aan gehouden dieren, gaat het dus in principe om het nemen van aanvullende maatregelen om ook schade door wolven te voorkomen. Evenals bij gewasschade, is het uitgangspunt dat de faunaschade die een grondgebruiker of dierhouder had kunnen voorkomen en beperken door maatregelen te treffen, niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komt. Sinds 2015 komt de wolf voor in Nederland. In 2019 vestigden zich voor het eerst ‘definitief’ wolven met een territorium. Inmiddels hebben meerdere wolvenroedels zich in Nederland gevestigd. In die context achten Gedeputeerde Staten het redelijk om voor wolvenschade het uitgangspunt van het tegemoetkomingsbeleid toe te passen, dat preventieve maatregelen worden vereist om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Door het vee beter te beschermen leert een wolf om geen vee aan te vallen in een gebied waar vee grotendeels goed beschermd is. Gedeputeerde Staten begrenzen een gebied waar wolvenschade aan landbouwhuisdieren voorzienbaar is omdat inmiddels bekend is dat zich daar één of meerdere wolven gevestigd hebben. In dit gebied achten Gedeputeerde Staten het redelijk om van dierhouders te verwachten dat zij preventieve maatregelen nemen. In sommige gevallen is binnen het begrensde gebied redelijkerwijs niet mogelijk om een raster te plaatsen. Bijvoorbeeld door de locatie of vorm van de bedrijfsvoering. In dat geval wordt minstens één andere effectieve maatregel uit de Faunaschade Preventiekit gevraagd. In het uitzonderlijke geval dat dit ook niet mogelijk is, ontvangt een dierhouder een tegemoetkoming ondanks het ontbreken van preventieve maatregelen. Na de tegemoetkomingsaanvraag beoordeelt een consulent van BIJ12 deze (on)mogelijkheid en het recht op tegemoetkoming. Buiten het begrensde gebied is het onvoldoende voorzienbaar dat wolvenschade optreedt, om van dierhouders te verlangen dat zij het risico nader beperken met preventieve maatregelen. Bovendien staan buiten de begrensde gebieden de kosten van de preventieve maatregelen niet in verhouding tot de kans dat de schade optreedt. Denk aan: schade door zwervende wolven. Welke preventieve maatregelen tegen wolvenschade Als preventieve maatregel geldt een raster dat voldoet aan de adviesnormen uit de Faunaschade Preventiekit Wolven (FPK). De FPK beschrijft naast rasters (vast en flexibel) ook andere middelen om dieren te beschermen tegen wolven. Zolang de effectiviteit van deze alternatieve middelen nog onvoldoende is onderbouwd, worden zij niet geaccepteerd als volwaardige preventieve maatregel waarmee aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming kan worden voldaan. De beoordeling van aanvragen voor een tegemoetkoming in faunaschade vindt plaats door BIJ12. Bij hoog salderende of kapitaalintensieve gehouden dieren – zoals dieren met een bijzondere ras- of afstammingswaarde, of dieren die voor specifiek en kostbaar gebruik worden ingezet, zoals renpaarden – mag redelijkerwijs een grotere preventieve inspanning van de eigenaar worden verwacht. In deze gevallen kan bij de beoordeling van een tegemoetkomingsaanvraag worden geoordeeld dat een eigen risico en/of een maximum vergoedingsbedrag passend is. Ondersteuning bij preventieve maatregelen tegen wolvenschade Wolvenschade kan worden beperkt door het nemen van preventieve maatregelen. Toepassen van deze maatregelen brengt materiaalkosten en extra werk met zich mee. Provincie Fryslân heeft een subsidieregeling opengesteld om dierhouders te ondersteunen in de kosten voor het treffen van preventieve maatregelen om wolvenschade te voorkomen. Via deze regeling kunnen dierhouders subsidie ontvangen voor de aanschaf van wolfwerende rasters en andere preventieve maatregelen die voldoen aan de Faunaschade Preventiekit Wolven. Doordat dierhouders middels deze regeling worden gestimuleerd om preventieve maatregelen te nemen, zullen deze breder worden toegepast en is het de verwachting dat tegemoetkomingen voor schade aan onvoldoende beschermd vee op termijn geleidelijk kunnen worden afgebouwd. Dassenschade Dassenschade is in de praktijk moeilijk te voorkomen en preventieve maatregelen kunnen ongewenste neveneffecten hebben. In de Faunaschade Preventiekit (FPK) van BIJ12 wordt aangegeven dat schade door dassen in beginsel alleen adequaat kan worden voorkomen door het plaatsen van een deugdelijk raster. Dit betreft een kostbare maatregel en wordt daarom bij veel gewassen, met name bij laag-salderende gewassen, niet toegepast. Voor dergelijke gewassen staan de inspanningen en kosten van deze maatregel niet in redelijke verhouding tot de te verwachten schade. Daarbij zou de grootschalige toepassing van deugdelijke rasters een grote impact op de foerageermogelijkheden van de das in Fryslân. Dit zou het verdere herstel van de dassenpopulatie in Fryslân niet ten goede komen doordat hun (potentieel) leefgebied wordt verkleind. Tot slot kan bij dassenschade verjaging door menselijke aanwezigheid niet van grondgebruikers gevergd worden, omdat dassen nachtactieve dieren zijn. Faunaschade Preventiekit & Innovatie BIJ12 heeft ter voorlichting van grondgebruikers en dierhouders de Faunaschade Preventiekit opgesteld, te vinden op www.bij12.nl. Daarin worden voor de diverse schadeveroorzakende diersoorten per gewas en gehouden diersoort maatregelen opgesomd die de agrariër, of diens jachthouder, kan treffen om faunaschade zoveel mogelijk te voorkomen en beperken. Om innovatieve maatregelen te stimuleren bestaat de mogelijkheid om ook andere, niet in de Faunaschade Preventiekit vermelde maatregelen toe te passen. Wel is het daarbij noodzakelijk dat de aanvrager, vóór het testen van een nieuwe maatregel, de verwachte effectiviteit schriftelijk motiveert aan BIJ12. Eventueel kan een consulent faunazaken van BIJ12 ter plaatse nader onderzoek doen. Als BIJ12 de aanvrager toestemming verleent het voorgestelde middel te testen, zal de Faunabeheereenheid in wiens werkgebied het schadeperceel ligt, van die toestemming in kennis worden gesteld. Ter ondersteuning van de preventieve maatregelen: schadebestrijding met omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit of schadebestrijding met vrijstelling van de vergunningplicht Blijkens de wetsgeschiedenis is de aanvrager degene die verantwoordelijk is voor het voorkomen en beperken van, door natuurlijk in het wild levende dieren aangerichte schade, met uitzondering van schade veroorzaakt door de vijf bejaagbare soorten. Voor die bejaagbare soorten draagt de jachthouder mede een verantwoordelijkheid. Tijdig aanvragen omgevingsvergunning Als de grondgebruiker de schade niet heeft kunnen voorkomen geldt de verplichting om de schade, vanaf het moment van schadeconstatering, in elk geval zoveel mogelijk te beperken door het bestrijden van de schadeveroorzakende diersoort. Om schadeveroorzakende dieren te doden in het kader van schadebestrijding moet een aanvrager tijdig een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit, krachtens artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g van de wet, jo. artikel 8.74j, derde lid (soorten vogelrichtlijn), 8.74k, derde lid (soorten habitatrichtlijn), of 8.74l, derde lid (andere soorten) van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aanvragen ten behoeve van diens jachthouder. Vaak heeft de provincie op voorhand al een omgevingsvergunning voor een bepaalde schadeveroorzakende diersoort verleend aan de Faunabeheereenheid. In dat geval kan een grondgebruiker (of diens jachtaktehouder) volstaan met het aanvragen van een toestemming of machtiging bij deze Faunabeheereenheid, om van de reeds verleende omgevingsvergunning gebruik te maken. Gedeputeerde Staten menen dat het tijdig aanvragen van een omgevingsvergunning een van de mogelijkheden is om (dreigende) belangrijke faunaschade te voorkomen en beperken. Als de aanvrager een dergelijke vergunning niet of niet tijdig heeft aangevraagd, zal in beginsel geen tegemoetkoming worden verleend. Tijdig aanvragen van een omgevingsvergunning houdt in dat deze indien mogelijk vooraf, doch uiterlijk op de dag dat de schade van enige omvang is geconstateerd, wordt aangevraagd. Op dat moment wordt immers van een aanvrager verwacht dat deze direct actie onderneemt. Dat tijdig, uiterlijk op de dag van schadeconstatering, een vergunning (voorheen: ontheffing) moet worden aangevraagd wordt in bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet onredelijk geacht.6Zie o.a. ABRvS, 27 februari 2008, 200705729/1, r.o. 2.4.1, ECLI:NL:RVS:2008:BC5263. En ABRvS, 16 maart 2005, 200406967/1, r.o. 2.4, ECLI:NL:RVS:2005:AT0522 Wordt een omgevingsvergunning verleend dan zal ook de schade die, gedurende de behandelingsperiode van de vergunningsaanvraag, ondanks de inspanningen van de aanvrager nog is ontstaan, bij de taxatie van de schade worden betrokken. Als een omgevingsvergunning tijdig en deugdelijk is aangevraagd maar door Gedeputeerde Staten of Faunabeheereenheid wordt geweigerd en dit de aanvrager niet te verwijten is, dan achten Gedeputeerde Staten een tegemoetkoming op zijn plaats. Dit is bijvoorbeeld het geval als een omgevingsvergunning niet wordt verleend vanwege het ontbreken van schadehistorie, of als een omgevingsvergunning geschorst is vanwege een gerechtelijke procedure. Gedeputeerde Staten zullen bezien in welke gevallen een vergunningsaanvraag achterwege kan blijven. Als op voorhand duidelijk is dat geen omgevingsvergunning kan of zal worden verleend, wordt niet verwacht dat men (toch) een aanvraag moet doen. Adequaat gebruik Van een verleende omgevingsvergunning moet adequaat gebruik worden gemaakt. Dit houdt in dat er minstens tweemaal per week (op twee verschillende dagen) verjaging met ondersteunend afschot moet plaatsvinden, vanaf het moment van schadeconstatering tot en met de eindtaxatie. Bij het bepalen van deze periode wordt er vanuit gegaan dat een omgevingsvergunning uiterlijk wordt aangevraagd op de dag van constateren van schade van enige omvang. De verplichting om de schade, als deze niet (geheel) voorkomen kon worden, dan in elk geval zoveel mogelijk te beperken door middel van het bestrijden van de schadeveroorzakende dieren, loopt door tot en met de eindtaxatie. Bejaagacties moeten zijn verricht op, of in een buffer van 200 meter rondom, de schadepercelen. Bij schade door hoefdieren geldt een maatwerkbeoordeling door BIJ12, zoals een buffer van 500 meter rondom de schadepercelen. Alleen dan tellen deze acties mee in de beoordeling van het adequaat gebruik van de omgevingsvergunning of vrijstelling van de vergunningplicht voor flora- en fauna-activiteiten. Ook bejaagacties waarbij geen dieren zijn gedood, tellen mee voor het adequaat gebruik en moeten worden geregistreerd. Als de jager aanwezig is geweest, maar geen schadeveroorzakende dieren heeft aangetroffen, kan dit apart worden vermeld. Van belang is dat concreet de geleverde inspanning én het resultaat per datum van uitvoering wordt vermeld in het registratiesysteem. Bij het gebruik maken van de omgevingsvergunning moeten de acties dus gericht zijn op het plegen van afschot. Het verjagen en verontrusten van de schadeveroorzakende dieren (zoals gebruik van het vogelafweerpistool of verjaging anderszins) worden niet meegenomen in de beoordeling in het kader van het adequaat gebruik van de omgevingsvergunning. De invulling die wordt gegeven aan wat wel en wat niet adequaat is, wordt in bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet onredelijk geacht.7Zie o.a. ABRvS, 30 januari 2013, 201201973/1/A3, r.o. 4.1, ECLI:NL:RVS:2013:BY9919. Ook: ABRvS, 24 juli 2013, 201205450/1/A3, r.o. 5.2, ECLI:NL:RVS:2013:3039. Ook: ABRvS, 17 juli 2013, 201211844/1/A3, r.o. 4.1 en 4.2, ECLI:NL:RVS:2013:3135. Vrijstelling van de omgevingsvergunningplicht Als op de omgevingsvergunningplicht een provinciale vrijstelling met beperkingen geldt moet van de vrijstelling – evenals van een omgevingsvergunning – adequaat gebruik worden gemaakt om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Dit wordt op eenzelfde manier beoordeeld als het adequaat gebruik van een omgevingsvergunning, zoals hiervoor omschreven. Controle gegevens Om aan te tonen dat sprake is van adequaat gebruik, wordt van een aanvrager verlangd te rapporteren over het gebruik van de omgevingsvergunning. Hetzelfde geldt voor een vrijstelling van de omgevingsvergunningplicht met beperkingen. Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om de bedoelde informatie tijdig, binnen twee weken na bevestiging taxatie, en volledig beschikbaar te stellen aan BIJ12. Dit kan men doen door de gegevens over de bejaagacties c.q. verjaagacties met ondersteunend afschot, te rapporteren in een voor BIJ12 toegankelijk registratiesysteem. In de praktijk zal het vaak de jachtaktehouder zijn die deze gegevens in het Fauna Registratie Systeem (FRS) registreert, maar de aanvrager is ervoor verantwoordelijk dat dit tijdig en volledig gebeurt. Om BIJ12 inzicht te geven in de aangeleverde gegevens moet de grondgebruiker akkoord geven in het Schade Registratie Systeem (SRS). Vervolgens raadpleegt BIJ12, bij de toetsing of sprake is van adequaat gebruik, de geregistreerde gegevens in het registratiesysteem. Acties die niet tijdig, binnen twee weken nadat aanvrager bevestiging taxatie heeft ontvangen, zijn ingevoerd in het systeem worden niet meegenomen in de toetsing op adequaat gebruik. Omwille van de uitvoeringslast en betrouwbaarheid van de gegevens worden alleen acties die in het Fauna Registratie Systeem (FRS) zijn ingevoerd geaccepteerd. Andere registraties, zoals handgeschreven verklaringen, briefjes of mailtjes met bejaaggegevens worden niet geaccepteerd. Artikel 1.3, zevende lid: Uitzonderingen op toetsing adequaat gebruik In bepaalde situaties is het niet redelijk of feitelijk niet mogelijk om gebruik te maken van een omgevingsvergunning of vrijstelling voor schadebestrijding. De toets op adequaat gebruik wordt in die gevallen niet uitgevoerd. Dit betreft situaties waarin Gedeputeerde Staten een vergunning op inhoudelijke gronden niet hebben verleend, of waarin sprake is van een jacht- of verjaagverbod waardoor feitelijk geen bejaging of verjaging kan plaatsvinden. Ook op percelen waarop een ANLb-beheermaatregel binnen het leefgebied open grasland is ingetekend, gericht op weidevogelbeheer, wordt niet getoetst om verstoring van weidevogels te voorkomen. Ten slotte blijft toetsing achterwege bij schade veroorzaakt door de das, omdat dergelijke schade in de praktijk niet op redelijke en effectieve wijze kan worden voorkomen of bestreden. Vervallen uitzonderingen grenspercelen foerageergebieden: Schade op percelen die grenzen aan soortspecifieke foerageergebieden en Schade op percelen die grenzen aan foerageergebieden: De eerdere uitzonderingsgrond voor percelen die direct grenzen aan ganzenfoerageergebieden is komen te vervallen. In de vernieuwde regeling geldt geen externe werking meer: de rust- en beschermingsmaatregelen gelden uitsluitend binnen de formele begrenzing van de foerageergebieden. Buiten deze grenzen, dus ook op direct aangrenzende percelen, mogen boeren ganzen verjagen en bejagen. Met deze aanpassing wordt aangesloten bij de actuele situatie in het ganzenbeheer, waarbij ondersteunend afschot tot aan de grens van de foerageergebieden is toegestaan. Dit voorkomt onduidelijkheid over de status van grenspercelen en maakt een evenwichtige schadebestrijding mogelijk zonder de rust in de foerageergebieden zelf te verstoren. De wijziging draagt bij aan een eenduidige uitvoeringspraktijk. Weidevogelgebied Ganzen kunnen aanwezig zijn in en/of rond gebieden die voor weidevogels zijn aangewezen. Als ganzen in deze situatie bejaagd of verjaagd worden, dan kan dit een verstorende werking hebben op de daar aanwezige weidevogels. Als een grondgebruiker aantoont dat voor het betreffende perceel/de betreffende percelen een beheerpakket Open Grasland is afgesloten en dat zich op dit perceel/deze percelen één of meer nesten van weidevogels bevinden waarop de beheerpakketten van toepassing zijn, wordt evenmin getoetst op adequaat gebruik. In deze situaties prevaleert de rust voor weidevogels boven actieve schadebestrijding. Artikel 1.4 (Aanvraag en taxatie) Artikel 1.4 bepaalt de termijn waarbinnen een aanvraag moet worden ingediend. Een aanvraag moet binnen zeven werkdagen, na constatering van schade (van enige omvang), worden ingediend. Een aanvraag die niet binnen deze termijn is ingediend, wordt afgewezen. De termijn van zeven dagen wordt redelijk geacht en is nodig, omdat door tijdsverloop het oorzakelijk verband tussen de opgetreden schade (de omvang, schadeveroorzakende diersoort, eventueel in het veld getroffen maatregelen) steeds minder goed is vast te stellen door een taxateur. Daarnaast is van belang dat met de schadebestrijding, dus het beperken van schade door de schadeveroorzakende dieren te bestrijden met ondersteunend afschot, zo snel mogelijk na constatering van de schade wordt begonnen (tot aan de eindtaxatie). Aanvraag bij wolvenschade Bij vermoedelijke wolvenschade aan gehouden landbouwhuisdieren moet de aanvraag voor tegemoetkoming zo snel mogelijk, uiterlijk binnen 24 uur na constatering van de schade, ofwel telefonisch ofwel via het formulier op de website van BIJ12 aangevraagd worden. De snelheid is van belang voor een zorgvuldige taxatie. De goudjakhals kan vergelijkbare schadebeelden veroorzaken en wordt in de praktijk op gelijke wijze beoordeeld. Ook bij vermoedelijke schade door de goudjakhals geldt daarom dezelfde versnelde meldtermijn als bij wolvenschade, zodat tijdig taxatie kan plaatsvinden en de schade adequaat kan worden vastgesteld. Voorjaarsgras Als de schade door ganzen aan voorjaarsgras, bijvoorbeeld, begin maart wordt geconstateerd, wordt verwacht van de grondgebruiker om, vanaf het moment van schadeconstatering, direct aan schadebestrijding te doen en binnen zeven dagen na de constatering van de schade (van enige omvang) een aanvraag in te dienen, zodat een taxateur de diersoort nog goed en betrouwbaar kan vaststellen en de schade goed kan volgen en eventueel na meerdere bezoeken definitief kan vaststellen en aftaxeren. Een taxateur taxeert alleen verse gewasschade, dat wil zeggen schade die is opgetreden tot tien dagen voor de datum van schadeconstatering. Als sprake is van ‘oudere schade’ die al eerder is ontstaan, maar waarvoor pas (veel) later een aanvraag om tegemoetkoming is gedaan, wordt deze oudere schade niet bij de taxatie betrokken. Deze schade en de oorzaak daarvan kan niet meer op zorgvuldige, betrouwbare wijze vastgesteld worden. Verder is van belang dat een aanvrager het gewas waar de aanvraag op ziet, niet mag oogsten of anderszins handelingen verrichten waardoor de schade niet meer kan worden getaxeerd, totdat de schade definitief door de taxateur is vastgesteld. Als de schade niet meer is vast te stellen, doordat een aanvrager het gewas voor het bezoek van de taxateur heeft geoogst, het perceel heeft bewerkt of heringezaaid al of niet met een ander gewas, dan komt deze schade niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. In artikel 1.6 is dit ook expliciet benoemd als reden voor afwijzing. Taxatie zonder aanvraag (autotax) Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om bepaalde door hen aangewezen typen faunaschade ‘automatisch’ te laten taxeren. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om schade op percelen die gelegen zijn in een door Gedeputeerde Staten aangewezen en begrensd ganzenrustgebied of ganzenfoerageergebied. Om deelnemers aan deze gebieden te faciliteren kan besloten worden om de schade op deze percelen jaarlijks sowieso ‘automatisch’ te laten taxeren, zonder aanvraag van een grondgebruiker. Wel moet een grondgebruiker om deel te nemen aan de ‘autotax’ bij BIJ12 de relevante percelen aanmelden in MijnFaunazaken. Wanneer een automatische taxatie wordt verricht, wordt het vaststellen van de schade door de taxateur gelijkgesteld aan een tijdige aanvraag om een tegemoetkoming, waarop de beleidsregels van toepassing zijn. Automatisch taxeren betekent niet automatisch uitbetalen, er vindt nog wel een toetsing plaats. Taxatiewerkwijze BIJ12 heeft een raamovereenkomst met taxatiebureaus die de schade taxeren. De taxaties worden uitgevoerd conform de, door de directeur van BIJ12 vastgestelde taxatierichtlijnen voor gewassen en vee. Die zijn te vinden op www.bij12.nl. Taxatiewerkwijze gewasschade Na ontvangst van een aanvraag stuurt BIJ12, nadat een eerste beoordeling van de aanvraag heeft plaatsgevonden, zo snel mogelijk maar uiterlijk binnen zeven werkdagen de opdracht aan het taxatiebureau om de schade te taxeren. Aanvragen waarvan op voorhand duidelijk is dat deze niet voldoen aan de regelgeving, worden niet doorgezonden aan een taxatiebureau. Bijvoorbeeld als het gaat om schade door een diersoort met betrekking waartoe flora- en fauna-activiteiten zijn vrijgesteld van de omgevingsvergunningplicht, welke schade sowieso niet voor tegemoetkoming in aanmerking komt; of als sprake is van een veel te late aanvraag. Het is niet mogelijk om, alvorens het taxatiebureau de opdracht te geven, al te toetsen of de aanvraag volledig voldoet aan de voorwaarden, omdat niet zo lang gewacht kan worden met het taxeren van de schade in het veld, omdat de taxateur ook de in het veld aangetroffen maatregelen noteert in zijn rapport, en de schade nog kan doorzetten als de dieren nog aanwezig zijn, en bestreden (moeten) worden. Het taxatiebureau geeft een taxateur de opdracht om de schade op de opgegeven percelen vast te stellen. Soms kan dit in één bezoek, soms volgt de taxateur de schade gedurende meerdere bezoeken, mede afhankelijk van het gewas. De taxateur stelt van diens bevindingen een taxatierapport op en zendt dat, na interne controle door de eindverantwoordelijke van het bureau waarvoor de taxateur werkzaam is, aan BIJ12. Ook wordt na de (eind)taxatie een ‘bevestiging taxatie’ aan de aanvrager gestuurd via MijnFaunazaken. Er is voorzien in de mogelijkheid dat de aanvrager diens bedenkingen op de taxatie kenbaar kan maken. De aanvrager moet dan, binnen acht werkdagen na ontvangst van de bevestiging van de taxatie, de bedenkingen aan BIJ12 kenbaar te maken. Deze termijn van acht werkdagen is bepaald, omdat achteraf onder meer het oorzakelijke verband tussen de diersoort(
- en)en de schade, of de verdeling van diersoorten niet, althans niet meer betrouwbaar en objectief kunnen worden vastgesteld. Ook kan door tijdsverloop de situatie in het veld veranderen. Wanneer BIJ12 van een aanvrager bedenkingen op de taxatie ontvangt, kan BIJ12 indien nodig een toelichting aan de taxateur vragen. Uiterlijk tien dagen na ontvangst van de bedenkingen op de taxatie, zal BIJ12 aan de aanvrager een reactie daarop sturen, eventueel met opmerkingen van de taxateur. Taxatiewerkwijze wolvenschade Als de melding van vermoedelijke wolvenschade, op basis van het gesprek met en foto's van de melder, redelijkerwijs doet vermoeden dat een wolf niet uit te sluiten is, wordt zo snel mogelijk na de melding een taxateur gestuurd. Bij twijfel wordt ook een taxateur gestuurd. Geen taxateur wordt gestuurd als taxeren niet meer mogelijk of zinvol is; bijvoorbeeld als duidelijk is dat het een andere diersoort betreft (denk aan vos of hond) of als het gedode dier al te lang ligt waardoor een DNA-afname niet meer zinvol is. Het niet-langskomen door een taxateur gebeurt in overleg met de dierhouder. De taxateur legt de situatie ter plekke vast, zoals de vindplaats/locatie van het getroffen dier, verwondingen, eventuele sporen en dergelijke. Tevens noteert de taxateur of er preventieve wolfwerende maatregelen aanwezig waren, zoals een deugdelijk raster, alsmede de kenmerken daarvan. De taxateur neemt (een) DNA-monster(
- s)af van het/de gedode/verwonde dier(en). Dit monster wordt door de taxateur voor analyse opgestuurd naar een door BIJ12 aangewezen laboratorium. De taxateur maakt een rapport van de bevindingen en stuurt het taxatierapport naar BIJ12. De dierhouder ontvangt een bevestiging taxatie. Artikel 1.5 (Hoogte tegemoetkoming; eigen risico) Artikel 1.5 gaat over het bepalen van de hoogte van de tegemoetkoming, nadat is beoordeeld dat een aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor uitbetaling. KWIN-prijzen De prijzen die worden gehanteerd bij de berekening van de hoogte van de tegemoetkoming, worden door de directeur van BIJ12 vastgesteld. De directeur van BIJ12 kan besluiten om de prijzen, zoals aangegeven in de Kwantitatieve Informatie Akkerbouw en Vollegrondsgroenteteelt, en de Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN) te hanteren. De KWIN is opgesteld door de Wageningen Universiteit (WUR) en vormt een objectieve maatstaf om als basis te fungeren voor schadeberekeningen, aangezien deze maatstaf controleerbaar is en uitgaat van op een juiste en eenduidige wijze vastgestelde prijzen. Door het hanteren van KWIN-cijfers is BIJ12 niet afhankelijk van sterk fluctuerende marktprijzen en ontstaat er geen vertraging bij het beslissen op aanvragen vanwege het (nog) niet beschikbaar zijn van marktprijzen. In jurisprudentie wordt bevestigd dat met het hanteren van normprijzen een voldoende objectieve maatstaf voor de schadebepaling wordt gebruikt.8ABRvS, 27 februari 2008, 200705146/1, r.o. 2.5.2, ECLI:NL:RVS:2008:BC5237, enABRvS, 29 juli 2009, 200808282/1, r.o. 2.8.2, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4074. Dat de marktprijs fluctueert en soms hoger of lager ligt dan de vastgestelde prijs, vormt geen aanleiding om af te wijken van deze vastgestelde prijzen. Er is sprake van een tegemoetkoming en niet van een volledige schadevergoeding.9ABRvS, 27 februari 2008, 200705146/1, r.o. 2.5.2, ECLI:NL:RVS:2008:BC5237, en ABRvS, 29 juli 2009, 200808282/1, r.o. 2.8.2, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4074. Om administratieve lasten te beperken worden tegemoetkomingen lager dan € 50,00 niet uitgekeerd. Eigen risico Op de te verlenen tegemoetkoming wordt een eigen risico van 20% ingehouden. De tegemoetkoming bedraagt dus 80% van de getaxeerde schade die voor tegemoetkoming in aanmerking komt. Een deel van de getaxeerde schade kan buiten de tegemoetkoming vallen, bijvoorbeeld wanneer niet is vastgesteld dat deze door een beschermde diersoort is veroorzaakt. Een ‘korting’ van 5% als eigen risico bij een toegekende tegemoetkoming, wordt in de jurisprudentie niet onredelijk geacht.10ABRvS, 19 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:930, r.o. 4.1. Er geldt een minimum eigen risico van € 250,00 per bedrijf per kalenderjaar. Voor schade veroorzaakt door in het wild voorkomende beschermde inheemse ganzen geldt een verlaagd eigen risico van 5%. Deze verlaging sluit aan bij het provinciale ganzenbeleid, waarin het beperken van ganzenschade als maatschappelijk belang wordt gezien en waar de mogelijkheden voor schadepreventie beperkter zijn. Het hanteren van een forfaitair eigen risico wordt in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet onredelijk geacht. In haar uitspraken van 16 juni 2021 en 4 mei 2022 heeft de Afdeling geoordeeld dat de keuze van de provincie Fryslân om een vast percentage van 20% toe te passen in beginsel niet onevenredig is. Wel geldt dat wanneer een individuele grondgebruiker aannemelijk maakt dat toepassing van dit eigen risico in zijn specifieke situatie onevenredig zwaar uitpakt, Gedeputeerde Staten in dat geval een lagere korting kunnen toepassen. Geen eigen risico Voor diersoorten die op geen enkele wijze mogen worden verjaagd of bejaagd kunnen Gedeputeerde Staten besluiten geen eigen risico te hanteren en een volledige tegemoetkoming – dus 100% van de getaxeerde schade – toe te kennen. In Fryslân geldt dit voor de volgende diersoorten: wolf, bever, das, edelhert, goudjakhals, wilde kat, lynx. In de ganzenfoerageergebieden mogen de inheemse beschermde ganzensoorten van 1 oktober tot 1 april niet verstoord worden. In soortspecifieke ganzenfoerageergebieden geldt dit verbod van 1 april tot uiterlijk 1 juni. Er bestaat dan in de regel geen mogelijkheid om de schadeveroorzakende diersoort te bestrijden. Om die reden moet de schade niet ten laste van de grondgebruiker blijven en wordt geen eigen risico gehanteerd. Daarnaast kunnen Gedeputeerde Staten in bijzondere gevallen besluiten geen eigen risico te hanteren. Eigen risico bij schade door vogels aan pitvruchten Op tegemoetkomingen in schade aangericht door vogels aan pitvruchten (zoals appels en peren), wordt een eigen risico van 40% ingehouden. De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State heeft op 9 mei 2018 geoordeeld over tegemoetkomingen in schade door vogels aan appels en peren. Deze uitspraak laat zien dat, gezien het aantal aanvragen om een tegemoetkoming, het begrijpelijk en redelijk is dat wordt overgegaan tot standaardisering van het normaal maatschappelijk risico bij de tegemoetkoming van faunaschade. Deze standaard moet wel passend zijn en mag niet leiden tot een onevenredig zware last voor fruittelers. Volgens de Afdeling kunnen Gedeputeerde Staten ervoor kiezen om standaard 60% van de geleden schade te vergoeden, maar zij kunnen ook voor een afwijkend percentage kiezen mits goed gemotiveerd en toegespitst op de specifieke omstandigheden van de fruittelers. Voor dat laatste is niet gekozen.11ABRvS, 9 mei 2018, 201800199/1/A2, r.o. 7.3, ECLI:NL:RVS:2018:1539 enABRvS, 9 mei 2018, 201707374/1/A2, r.o. 8.3, ECLI:NL:RVS:2018:1530. Verhoogd eigen risico Gedeputeerde Staten kunnen in incidentele gevallen besluiten een verhoogd eigen risico (ten opzichte van het algemeen toegepaste eigen risico) te hanteren. Dit zal in het algemeen alleen gebeuren bij schade aan hoog salderende, kapitaalintensieve gewassen en -dieren. In de afweging of aan een individuele aanvrager in de toekomst een verhoogd eigen risico kan worden opgelegd, speelt in ieder geval mee: handelingen of keuzes van de aanvrager die de schade voorzienbaar maken, het soort teelt, de locatie, het type bedrijfsvoering, de mogelijkheid om preventieve maatregelen te treffen. Ook de vraag of de schade (steeds) is veroorzaakt op percelen die tijdelijk (één teeltseizoen) in gebruik zijn, of op percelen in eigendom of op basis van langjarige contracten in gebruik zijn, kan daarbij een rol spelen. In de eerste situatie is ondernemer in staat om zelf een afweging te maken welke voordelen, maar ook risico's diegene heeft om op een bepaalde plaats percelen te huren en een (schadegevoelig en/of kapitaalintensief) gewas te telen of bijzondere, kapitaalintensieve dieren te houden. Dit moet voor de aanvrager een aanleiding vormen om een risico-inschatting (rendement versus kans op schade) te maken. Het risico op schade kan vervolgens niet (onbeperkt) worden afgewenteld op de provincie, omdat de aanvrager dit risico zelf willens en wetens heeft genomen. Het besluit van GS om in een individueel geval een verhoogd eigen risico op te leggen, wordt in elk geval vooraf kenbaar gemaakt aan een aanvrager. Artikel 1.6 (Gevallen waarin geen tegemoetkoming wordt verleend) Artikel 15.53 van de Omgevingswet bevat het uitgangspunt dat een tegemoetkoming slechts wordt verleend, voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van een belanghebbende behoort te blijven. In artikel 6 van de beleidsregels is een aantal gevallen vastgesteld waarvoor Gedeputeerde Staten geen tegemoetkoming verlenen. Deze gevallen sluiten aan bij de voorzieningen die de wet of provinciale verordening Omgevingsverordening Fryslân 2022 bieden, om schade te voorkomen of te beperken, in lijn met de in de Nota Faunaschade Fryslân gehanteerde volgorde voorkómen – beschermen – bestrijden – betalen. Uitsluitingen in verband met diersoort Voor schade aangericht door diersoorten waarvoor het gehele jaar voor zowel aanvrager als jachthouder feitelijk voldoende mogelijkheden bestaan om schade aan de landbouw door die diersoorten te voorkomen dan wel te beperken, wordt in beginsel geen tegemoetkoming verleend (dieren met betrekking waartoe voor flora- en fauna-activiteiten een landelijke of provinciale vrijstelling van de omgevingsvergunningplicht geldt).12ABRvS, 9 mei 2018, 201800199/1/A2, r.o. 7.3, ECLI:NL:RVS:2018:1539 en ABRvS, 9 mei 2018, 201707374/1/A2, r.o. 8.3, ECLI:NL:RVS:2018:1530. Dit betreft situaties waarin sprake is van een ruime en daadwerkelijk toepasbare vrijstelling van de omgevingsvergunningplicht, dus een vrijstelling zonder voorwaarden, beperkingen of clausules ten aanzien van de schadebestrijding. In die gevallen behoort de schade naar redelijkheid tot het normaal bedrijfsrisico. Er kan sprake zijn van provinciale vrijstellingen van de omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1 van de wet. Deze vrijstellingen bevatten, conform de wettelijke systematiek, steeds voorwaarden, beperkingen of clausules met betrekking tot de uitvoering van schadebestrijding, waarvan de toepassing afhankelijk is van het Faunabeheerplan. Hoewel een vrijstelling een generieke normstelling betreft en geen individueel besluit is zoals een omgevingsvergunning, kan de vrijstelling in de praktijk een vergelijkbare werking hebben, doordat zij onder voorwaarden toestaat dat handelingen ter schadebestrijding zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd. Gedeputeerde Staten behandelen dergelijke vrijstellingen in het kader van deze beleidsregels daarom als ware het omgevingsvergunningen. Dit is vooralsnog met name het geval bij trekganzen. Hoewel hiervoor een provinciale vrijstelling geldt, is deze voorzien van uitgebreide toepassingsvoorwaarden en alleen inzetbaar binnen de kaders van het Faunabeheerplan Ganzen Fryslân. Hierdoor kan niet worden aangenomen dat schade door trekganzen volledig te voorkomen is. In lijn met de Nota Faunaschade Fryslân wordt schade door trekganzen daarom thans niet beschouwd als een normaal bedrijfsrisico en kan vooralsnog in beginsel wel een tegemoetkoming worden verleend (met toepassing van een eigen risico). Geen tegemoetkoming wordt verleend indien er sprake is van een omgevingsvergunning op basis van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, zonder voorwaarden, beperkingen of clausules ten aanzien van schadebestrijding. Een dergelijke omgevingsvergunning is qua werking in de praktijk vergelijkbaar met een onvoorwaardelijke vrijstelling en leidt daarom wél tot uitsluiting van tegemoetkoming. Geen tegemoetkoming wordt verleend als de schade veroorzaakt is door de huisspitsmuis, bosmuis, de veldmuis of de mol, en voor flora- en fauna-activiteiten waarbij deze dieren worden gedood, een vrijstelling van de omgevingsvergunningplicht geldt in verband met de bestrijding van schade aan landbouwgewassen. Als gevolg van een vrijstelling van de vergunningplicht bestaan het gehele jaar voldoende mogelijkheden om de schade te voorkomen dan wel te beperken. Gelet op eerdere veldmuizenplagen, is het bovendien niet bijzonder dat muizen grote schade aan grasland toebrengen.13ABRvS, 9 mei 2018, 201800199/1/A2, r.o. 7.3, ECLI:NL:RVS:2018:1539 en ABRvS, 9 mei 2018, 201707374/1/A2, r.o. 8.3, ECLI:NL:RVS:2018:1530. Als de schade veroorzaakt wordt door dieren waarop de minister de jacht heeft geopend, wordt evenmin een tegemoetkoming verleend. In het jachtseizoen zijn er voldoende bestrijdingsmogelijkheden om de populatie te beheren en daarmee faunaschade te voorkomen en beperken. Uitzondering wordt gemaakt voor de wilde eend en de houtduif. Voor deze diersoorten wordt wel een tegemoetkoming verleend, indien de schade geconstateerd wordt buiten de periode dat de jacht is geopend. De reden hiervoor is dat de wilde eend en houtduif niet plaatsgebonden zijn, waardoor jacht binnen het jachtseizoen onvoldoende soelaas biedt om de schade buiten het seizoen te voorkomen. Voor bovengenoemde gevallen wordt geen tegemoetkoming in de schade verleend. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om in bepaalde situaties wel een tegemoetkoming in de schade te verlenen, als er door besluitvorming van Gedeputeerde Staten of (rijks)overheid beperkingen worden opgeworpen om de schade te voorkomen of beperken. Ook kan het zijn dat er wel tot betaling van een tegemoetkoming wordt overgegaan, als de percelen gelegen zijn binnen het kooirecht van een geregistreerde eendenkooi en er daarom geen mogelijkheden bestaan om de schade te voorkomen of beperken. Voor die gevallen dient een afweging gemaakt te worden of het redelijk is om af te wijken van deze beleidsregel. Uitsluitingen in verband met locatie of functie van de percelen Binnen een in het omgevingsplan of de omgevingsverordening begrensde bebouwingscontour kan worden voorzien dat bepaalde maatregelen om schade te voorkomen of beperken, niet mogen worden aangewend. Schade veroorzaakt op gronden die zijn gelegen binnen een straal van 500 meter afstand van een vuilstortplaats, komt evenmin voor een tegemoetkoming in aanmerking. In geval van een vuilstortplaats is de aanwezigheid van deze schadeveroorzakende dieren voorzienbaar. Schade door beschermde dieren aan dieren in een stal komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Voordat een schadeveroorzakend dier de stal of het gebouw bereikt, kunnen er voldoende barrières opgeworpen worden om de schade te voorkomen. Bovendien zijn stallen en andere bouwwerken af te sluiten en is het voor rekening van een grondgebruiker indien dit niet goed gebeurt. Ook zijn op grond van het Besluit houders van dieren, dierhouders verplicht om hun dieren te beschermen tegen roofdieren. Schade op natuurgronden Schade aangericht op gronden die onderdeel uitmaken van het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) of Natuurgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland én met een natuurbeheertype (uitgezonderd beheertype N00.01) op de kaart staan in het provinciale natuurbeheerplan zijn uitgesloten van faunaschade. Dit zijn geen landbouwgronden maar gronden die een natuurfunctie hebben. De handelingen (of juist het nalaten daarvan) die plaatsvinden op deze natuurgronden, zoals het (in beperkte mate) maaien en afvoeren van gras, of begrazing door (een beperkt stuks) vee, zijn geen (oogst)handelingen in het kader van bedrijfsmatige landbouw. Dit wordt niet gedaan met als doel dat een landbouwer extra gras heeft voor zijn vee, maar – afhankelijk van het natuurbeheertype - om te voorkomen dat deze gronden dichtgroeien of bijvoorbeeld om voedingstoffen te onttrekken aan deze gronden zodat er een meer natuurlijke grassen- en kruidensamenstelling ontstaat. Dit zijn handelingen en maatregelen die dienen om, en gericht zijn op, het realiseren en behouden van het aangewezen natuurbeheertype op die gronden. Daarnaast gaat het bij voornoemde gronden in de regel om landbouwgronden die zijn afgewaardeerd en met subsidie zijn of worden omgevormd naar natuur. Na de omvorming vallen deze natuurgronden onder het SNL-subsidiestelsel. Dit houdt in dat op deze gronden subsidie kan of wordt uitbetaald (aan de eigenaar, pachter of verpachter) voor het behoud en de ontwikkeling van gerealiseerde natuurbeheertypen en/of landschappen. De hoogte van de SNL-subsidie is gebaseerd op de verhouding tussen de te verwachten beheerkosten en de beheeropbrengsten die qua natuurtype op die gronden verwacht kunnen worden. Wanneer vraat optreedt door aanwezige ganzen (of andere beschermde diersoorten) gaat dit ten koste van de te verwachten opbrengst vanuit het beheer van deze natuurgronden. Dit verschil in opbrengst kan naar het oordeel van Gedeputeerde Staten redelijkerwijs ten laste van de aanvrager blijven. Het betreft geen onevenredige zware last voor de grondgebruiker die op grond van deze regeling redelijkerwijs vergoed zou moeten worden. Daarnaast wordt geen faunaschade uitgekeerd op gronden waaraan, bijvoorbeeld via de pachtovereenkomst, beperkingen zijn verbonden ten aanzien van het bestrijden van schadeveroorzakende soorten. Indien een grondgebruiker zelf zich, bij overeenkomst, heeft verbonden bepaalde schadebestrijdingsmaatregelen niet toe te passen, is te voorzien dat hij beperkt is in zijn mogelijkheden tot bestrijden van de schadeveroorzakende diersoort; met het aangaan van een overeenkomst met deze beperkende voorwaarde heeft een grondgebruiker het risico op faunaschade aanvaard. Schade op gronden waarvan het feitelijk gebruik niet agrarisch is of op gronden die een functie als waterkering hebben, komt evenmin in aanmerking voor een tegemoetkoming. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om schade aan sport- en golfvelden, of op zeedijken die door schapen worden begraasd. Reden hiervoor is dat op die gronden geen sprake is van normale agrarische productie en dat de kans op schade door natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten op die gronden voorzienbaar is, dan wel dat de grondgebruiker zelf zich bij overeenkomst heeft verbonden bepaalde schadebestrijdingsmaatregelen niet toe te passen. Gedeputeerde Staten achten het redelijk dat de schade in dergelijke gevallen tot het ondernemersrisico behoort, en niet wordt gecompenseerd. Uitsluitingen in verband met (moment van) de teelt Gedeputeerde Staten verlenen geen tegemoetkomingen voor grasschade aan blijvend grasland in de maand oktober (najaarsgras). Dit is een gevolg van, bij het decentralisatieakkoord, gemaakte afspraken tussen het Rijk en het IPO om een aantal besparingen door te voeren. Hierbij is getracht de versobering door te voeren op plekken die in de gangbare bedrijfsvoering de minste impact hebben, waarbij het volgende is overwogen. In de meeste gevallen worden landbouwhuisdieren vanaf begin oktober binnen gehuisvest. Omdat de veehouder er vanuit goed graslandbeheer naar streeft zijn grasland kort de winter in te laten gaan, worden sommige percelen – afhankelijk van de weersomstandigheden – in oktober nog wel gemaaid of beweid. De grasopbrengst van dergelijke percelen levert dan in principe echter geen substantiële bijdrage meer aan de ruwvoedervoorziening van het bedrijf.14ABRvS, 9 mei 2018, 201800199/1/A2, r.o. 7.3, ECLI:NL:RVS:2018:1539 en ABRvS, 9 mei 2018, 201707374/1/A2, r.o. 8.3, ECLI:NL:RVS:2018:1530. Het gaat in deze gevallen veelal om vraatschade voornamelijk veroorzaakt door vogels, die niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komt. Schade door wroeten en graven bijvoorbeeld door dassen en wilde zwijnen komt wel voor een tegemoetkoming in aanmerking. Evenmin wordt een tegemoetkoming verleend voor schade aan blijvend grasland in de herfst- en winterperiode, bestemd voor de voederwinning van schapen. De tegemoetkomingen die in het verleden zijn verstrekt op grond van de schapengrasregeling zijn beperkt van omvang, terwijl de beoordeling van de aanvragen relatief veel beoordelings- en controlewerkzaamheden vereisen. Gedeputeerde Staten heeft daarom besloten dat geen tegemoetkoming meer wordt verleend voor schade door overwinterende ganzen aan blijvend grasland, aangericht in de periode van 1 oktober tot en met 31 januari daaropvolgend en waarvan het gras dient voor de beweiding met schapen. In de provincie Fryslân geldt voor blijvend grasland gelegen binnen door Gedeputeerde Staten aangewezen en begrensde ganzenfoerageergebieden een beleidsmatige uitzondering op de uitsluiting van najaarsgras. In deze gebieden kan schade aan blijvend grasland in de maand oktober in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. De schade moet in dat geval door de grondgebruiker zelf worden gemeld bij BIJ12 via MijnFaunazaken, waarna taxatie op aanvraag plaatsvindt. Van 1 november tot 1 april wordt schade aan deze percelen – voor zover zij vooraf door de grondgebruiker als ‘autotax-percelen’ zijn aangemeld – door BIJ12 automatisch getaxeerd (autotax) overeenkomstig artikel 1.4, lid 7. Automatische taxatie houdt enkel een vaststelling van schade in; toekenning van een tegemoetkoming vindt plaats na toetsing aan deze beleidsregels. De uitsluiting van schade aan blijvend grasland in de herfst- en winterperiode bestemd voor voederwinning van schapen (de zogenoemde ‘schapengrasregeling’) geldt onverkort, ook indien het perceel binnen een door Gedeputeerde Staten aangewezen ganzenfoerageergebied ligt. Indien de schade is aangericht aan knol-, bol- en wortelgewassen, die langer dan gebruikelijk op het land hebben gestaan en daarom ook later dan gebruikelijk worden geoogst, komt deze niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. Als de aanvrager het risico neemt om de gewassen langer dan gebruikelijk op het land te laten staan, stijgt de kans dat dieren schade aan de gewassen toebrengen. De mogelijkheden om te foerageren nemen elders immers af. Tevens wordt het kwaliteitsverlies bij deze gewassen later in het seizoen door nattigheid en vorst steeds groter. De verhoogde kans op schade die dit oplevert, dient voor rekening van de grondgebruiker te blijven. Grondgebruikers ontvangen daarom geen tegemoetkoming voor schade aan deze gewassen die na 30 november is ontstaan, en waarvoor na 30 november een tegemoetkoming is gevraagd. Het aftaxeren van de schade vindt plaats uiterlijk 1 december. Dit is anders bij bloembollen en onderdekkersteelten, waarbij de gewassen juist in de wintermaanden worden geteeld en waarbij de gewassen met bijvoorbeeld plastic, folie en/of stro worden afgedekt ter bescherming tegen vorst. Geen tegemoetkoming wordt verleend in schade door vogels aan steenvruchten, en zacht fruit/klein fruit. Onder steenvruchten valt onder meer: kers, pruim, perzik, nectarine, abrikoos. Onder zacht en kleinfruit wordt onder meer verstaan: bessen, aardbeien, frambozen, druiven/ wijnbouw. Het hoge risico op deze schade is algemeen bekend bij ondernemers. Desondanks zijn de arealen van zeer schadegevoelige teelten zoals bessen, kersen en druiven uitgebreid, waarmee bewust risico op schade is genomen. Het is de keuze van de ondernemer en niet de beperkingen van de overheid, die tot de schade leiden. De schade door vogels aan genoemde teelten is met zekerheid te voorkomen door de percelen met netten af te dekken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de verwachting dat percelen met netten worden afgedekt niet kennelijk onredelijk is en daarmee het risico van schade aan deze teelten in redelijkheid voor rekening van de aanvrager kan laten.15Zie o.a. ABRvS, 29 april 2009, 200806283/1, r.o. 2.4.1, ECLI:NL:RVS:2009:BI2640 enABRvS, 5 maart 2014, 201302488/1/A2, r.o.4.3, ECLI:NL:RVS:2014:728 Verder wordt geen tegemoetkoming verleend voor schade aan bijproducten. Voorbeelden daarvan zijn, stro (bij het hoofdproduct granen en peulvruchten) en hooi (bij het hoofdproduct graszaad).16ABRvS, 19 juni 2013, 201205557/1/A2, r.o. 3.1, ECLI:NL:RVS:2013:CA3647 enABRvS, 19 juni 2013, 201207378/1/A3, r.o. 3.1, ECLI:NL:RVS:2013:CA3648 Evenmin wordt schade vergoed aan materialen die gebruikt worden om gewassen af te dekken, ter bescherming tegen vorst of om daarmee een vroegere en naar verwachting hogere opbrengst te krijgen. Het risico van die schade dient voor rekening van de grondgebruiker te blijven. Eventuele schade dient gecompenseerd te worden geacht door een hogere opbrengst voor het betreffende gewas. Wordt die hogere opbrengst niet gerealiseerd, dan is dat ondernemersrisico. Schade die is aangericht aan gewassen die geteeld worden voor de verbetering van een ras, of vermenigvuldiging of vermeerdering van dat veredelde gewas, komt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. Het gaat dan om een gewas, met name een variëteit(ras), dat door een gespecialiseerd bedrijf (veredelingsbedrijf) wordt verbeterd (veredeld) op het gebied van bijvoorbeeld ziekteresistentie, opbrengst, smaak, suikergehalte, ongevoeligheid voor bepaalde bestrijdingsmiddelen en nachtvorstresistentie. De gewassen zijn in dit geval van zeer hoge, niet te bepalen, waarde waar al langere tijd intensief en kostbaar onderzoek naar is gedaan. Bij schade aan een dergelijk gewas wordt daarom het nemen van preventieve maatregelen in die mate verlangd van aanvrager, dat er geen faunaschade kan ontstaan. Ook vanwege de hoge en praktisch niet te bepalen waarde van deze gewassen dient faunaschade daarom geheel voor het risico van de veredelingsbedrijven te blijven, en komt deze schade niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. Vermeerderingsteelt wordt niet geacht hetzelfde te zijn als veredelingsteelt. Hierbij gaat het om het vermenigvuldigen van hetzelfde gewas zoals bijvoorbeeld zaaizaad (gras, koolzaad en granen), pootaardappelen en bloembollen, welke in beginsel voor een tegemoetkoming in aanmerking komen. Uitsluitingen in verband met overige redenen Daarnaast is bepaald dat, als de aanvrager handelingen verricht of nalaat handelingen te verrichten waardoor de taxateur niet (meer) in staat is de omvang van de schade en schadeveroorzakende diersoort te beoordelen, de aanvrager zijn aanspraak op een tegemoetkoming verliest. Voorbeelden zijn, als er al geoogst is of als er vee ingeschaard is op de relevante percelen. Een tegemoetkoming wordt ook niet verleend in het geval dat de aanvrager het gewas niet meer oogst, of dat het beschadigde perceel niet meer in gebruik wordt genomen en dit (mede) het gevolg is van andere omstandigheden dan schade door dieren. Voorbeelden zijn, het niet oogsten maar onderploegen van gewassen, of het niet meer beweiden van grasland met vee vanwege natte omstandigheden. Schade veroorzaakt door ziektekiemen valt niet onder de reikwijdte van artikel 15.53 van de wet. Vaak zal het causale verband tussen een ziekte en de aanwezigheid van een beschermde diersoort niet aanwezig zijn of (achteraf) te bepalen zijn. Voor de duidelijkheid is besloten om in de beleidsregels de uitsluiting van ziekte voor tegemoetkomingen op te nemen. Schade welke in redelijkheid verzekerbaar is bij minimaal twee in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen, komt