VTH beleid fysieke leefomgeving 2023-2026Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Nissewaard, ieder voor zover het zijn bevoegdheid betreft, hebben op 7 juli 2023 het ‘VTH beleid fysieke leefomgeving 2023-2026’ vastgesteld. Met de vaststelling van het VTH beleid is de ‘Meerjarennota toezicht en handhaving 2019 – 2022’ ingetrokken. De wettelijke grondslag waarop het VTH beleid is gebaseerd is artikel 7.2 van het Besluit omgevingsrecht. Het VTH beleid treedt in werking op de dag na de kennisgeving in het gemeenteblad en het werkt terug tot 7 juli
(0)Tijdens de gespreken over de aangegeven onderwerpen werd duidelijk dat voor de onderwerpen bouwen, evenementen, horeca en brandveiligheid ervan wordt uitgegaan dat de gemeente hierop correct en naar de wet handelt. Vanuit dit vertrouwen is voor onderwerpen, die door bewoners als overlast gevend worden ervaren, prioriteit gevraagd. De risico’s worden hierbij onderschreven, dit vertaald zich ook in de score van thema’s. De prioriteiten zijn verwerkt in het toets- en toezichtniveau. Daarbij is rekening gehouden met het risico en de prioriteit die is gegeven. Een laag risico, maar wel een hoge prioriteit krijgt dan bijvoorbeeld een verhoogde toezicht niveau. De inzet op activiteiten met een lage prioriteit is minder dan op activiteiten met een hoge prioriteit. Er valt te denken aan de diepgang van toetsing van een vergunningaanvraag, de bezoekfrequentie van toezicht en de wijze waarop klachten, meldingen en handhavingsverzoeken in behandeling worden genomen (nu doen of later inplannen). 6Strategie en uitvoering Wij geven uitvoering aan de doelen, prioriteiten door risicogericht te werken binnen de VTH-keten met vijf strategieën. In de figuur hieronder is de samenhang tussen de strategieën weer gegeven. De inzet per strategie is in de hierna volgende paragrafen nader uitgewerkt. De rode draad is dat deze strategieën invloed hebben op elkaar. De rode draad is dat wij als bevoegd gezag staan voor onze missie en doelen en daarbij risicogericht handelen. Daarvoor zetten wij in op goede dienstverlening, duidelijke informatie over wat wel en niet kan, processen met heldere taken en verantwoordelijkheden, toepassen van risicogerichte protocollen, aansluiting bij landelijke en regionale werkwijzen en strategieën. Dit houdt in dat wij voor geprioriteerde zaken verhoogde aandacht hebben en risico accepteren bij lagere prioriteiten. De Ow en de Wkb hebben invloed op de wijze waarop wij hier uitvoering aan geven. De strategieën kunnen daarom ook wijzigen gedurende de beleidsperiode. In het jaarlijkse VTH uitvoeringsplan kan worden aangegeven op welke punten van het VTH beleid en de strategieën wordt afgeweken. 6.1.1Uitgangspunten Voor het ten uitvoering brengen van de opvolgende keten van vergunningen, toezicht en handhaving hanteren wij de volgende vijf uitgangspunten. De uitgangspunten bepalen onze houding en verwachtingen ten aanzien de voorkomende casussen. VTH uitgangspunten De primaire verantwoordelijkheid voor activiteiten in de fysieke leefomgeving ligt bij de burgers, bedrijven en instanties dan wel de partijen die namens hen optreden. De gemeente ziet toe of de verantwoordelijkheid voldoende wordt genomen en onderneemt acties op basis van geschat risico, wettelijke voorschriften en bestuurlijke prioriteit. De bemoeienis van de gemeente beperkt zich tot een minimum afgesproken niveau. Altijd moet voldoende aannemelijk zijn dat aan de geldende regelgeving wordt voldaan. De gemeente zorgt ervoor dat zij zelf voldoende kennis en een professionele organisatie op de diverse disciplines bezit, zodat de gemeente zich er altijd van vergewissen of derden voldoen aan de regelgeving. Dit vergt een basis kennisniveau. De gemeente heeft een vangnetfunctie voor de naleving van de wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke omgeving. Ad 1 Verantwoordelijkheid Door ontwikkelingen in wet- en regelgeving, jurisprudentie en evaluaties na calamiteiten, wordt steeds meer een scheiding duidelijk tussen de bestuurlijke en privaatrechtelijke verantwoordelijkheid. De bestuurlijke verantwoordelijkheid richt zich meer op het beperken van risico’s en houden van toezicht hierop. Enerzijds door toetsing van vergunningen en anderzijds het toezien op de naleving van algemene regels en voorschriften uit de vergunningen. Bedrijven en burgers hebben hierin een grote verantwoordelijkheid. Dit geldt voor vergunning plichtige en melding plichtige, maar ook voor vergunning vrije activiteiten binnen de fysieke leefomgeving. Daarom worden initiatiefnemers gewezen op hun eigen verantwoordelijkheid. Indien nodig worden zij op hun verantwoordelijkheid aangesproken. Bij verwijtbare overtredingen worden zij ook privaatrechtelijk aangesproken voor de gevolgen na bijvoorbeeld overtredingen en calamiteiten. Ad 2 Risico, wettelijke voorschriften en bestuurlijke prioriteit Een uitwerking van de wettelijke uitvoeringstaken van gemeenten is het bestuurlijk vastleggen van de wijze waarop taken worden uitgevoerd. Dit VTH beleid gaat hier verderop in dit document concreet op in. Ad 3 Voldoende aannemelijk Het is voor gemeenten niet mogelijk alle wettelijke aspecten integraal te toetsen en hierop toezicht te houden. Bij de taakuitoefening geldt het uitgangspunt dat altijd voldoende aannemelijk moet zijn dat aan de geldende regelgeving wordt voldaan. Het is niet de bedoeling om het werk van deskundigen (ondernemers, adviseurs, bouwers) over te doen. Afhankelijk van het risico is een keuze gemaakt in het niveau van taakuitoefening. Ad 4 Voldoende kennis en een professionele organisatie De uitvoering van de taken moet op een adequaat niveau gebeuren. Wat het adequate niveau is, is vastgelegd in landelijke kwaliteitscriteria, verankerd in de gemeentelijke Verordening Kwaliteit Vergunningen, Toezicht en Handhaving Omgevingsrecht. VTH zal inzichtelijk maken op welke wijze aan de kwaliteitscriteria is voldaan. In hoofdstuk 5 is reeds ingegaan op de kwaliteitscriteria en borging van kwaliteit. Ad 5 Vangnetfunctie De vangnetfunctie heeft vooral een publiekrechtelijk en geen privaatrechtelijk karakter. Ook speelt hierbij de eigen verantwoordelijkheid een rol. Als de eigen verantwoordelijkheid van een burger of bedrijf onvoldoende of niet wordt genomen, zal de gemeente zorg dragen voor het naleven van de voorschriften, vaak met als gevolg het voeren van handhaving procedures. De gemeente hanteert hierbij de zogenaamde “aanpak aan de voorkant”. Dat wil zeggen dat burgers, bedrijven en instanties direct worden aangesproken op de geleverde kwaliteit. Communicatie met de betrokkene speelt daarbij een centrale rol. De gemeente voelt zich niet geroepen om in private kwesties via het publiekrecht te acteren . Bij de inzet van capaciteit blijft de focus op de door gemeente gestelde prioriteiten. Ad 6 Toezicht en handhaving bij overheidsorganen Handhaving van voorschriften bij een object van een andere overheid of van een onderdeel van de eigen organisatie is niet anders dan handhaving van voorschriften bij derden. Als er sprake is van een incident, ongewoon voorval of overtreding door de eigen organisatie, dan heeft dit echter in principe altijd prioriteit. Afhankelijk van de aard en de effecten kan er worden besloten kortere termijnen of hogere dwangsombedragen te hanteren. Ook kan er voor spoed of super spoed bestuursdwang gekozen worden. Als er matige spoed is, kan ook worden gekozen voor een last onder dwangsom met een korte termijn met het achterwege laten van de constateringsbrief. Voor meer informatie over de incidenten, ongewone voorvallen en overtredingen door de eigen organisatie wordt verwezen naar die protocollen. 6.1.2Toepassing Wet Bibob De Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) is een belangrijk instrument in de aanpak naar georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Bij de uitvoering van de VTH-taken wordt aan het gemeentelijk beleid getoetst of de Wet Bibob van toepassing is. Correspondentie wordt voor alle aspecten integraal, inclusief de Wet Bibob, via de procedures van de VTH-taken gevoerd. 6.1.3Preventiestrategie Vanuit het credo voorkomen is beter dan handhaven, zien wij het belang van goede communicatie van gemeente, burgers, bedrijven en belanghebbenden, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid. Wij verwachten dat voorafgaande aan de uitvoering van activiteiten georiënteerd wordt op de van toepassing zijnde regelgeving en de benodigde toestemmingen. Dit bevorderen wij met informatieverschaffing en een laagdrempelig proces om vragen te beantwoorden. De gemeente zet in op goede informatieverstrekking, het laagdrempelig beantwoorden van eenvoudige vragen en het met een goed proces oppakken van meer complexe onderwerpen. Dit vraagt investering aan de voorzijde van alle partijen. Het goede gesprek van een toezichthouder kan herhaling van overtredingen voorkomen en heeft daarmee een preventieve werking 6.1.3.1Voorzijde Aan de voorzijde van initiatieven is flexibiliteit nodig om soepel tot afstemming te komen. Onderstaande schema geeft aan hoe de invloed aan de beginfase zich verhoudt tot hoge kosten en ongemak in de eindfase. Een zorgvuldige, transparante en volledige analyse van bepalende aspecten door betrokken partijen heeft invloed op het proces en eindresultaat. Dit illustreert het belang van de gemeente en initiatiefnemers bij preventie in alle fasen van de uitvoering van de VTH-taken . 6.1.3.2Onderlinge afstemming Communicatie en afstemming tussen initiatiefnemers en de omgeving heeft een bijdrage aan wederzijds begrip van ontwikkelingen. De beoordeling van het initiatief aan de kaders van de gemeente komt in beginsel na deze participatie. Wij stimuleren dit onderlinge gesprek tussen de partijen voorafgaande aan vraagstelling aan de gemeente. 6.1.3.3Oriëntatie initiatiefnemer Burgers en bedrijven oriënteren op verschillende wijzen over de haalbaarheid van initiatieven. Het gaat daarbij om vragen als; ’heb ik een toestemming nodig? Mag dat wel? Met welke regels moet ik rekening houden?’ Deze oriëntatie kan tweedelijns zijn, via een architect, leverancier van overkappingen, een familielid of een herinnering uit het verleden. Wij zien dat wij met name invloed hebben op de eerstelijns communicatie met de gemeente in de oriëntatie fase. Dit kan via de website van de gemeente, informatie bij de provincie, waterschap, rijksoverheid, GGD, DCMR, en VRR. De website van de gemeente zien wij als een belangrijk portaal waar een wegwijzer staat voor de oriëntatie fase. Via de website willen wij informatie verschaffen over waar nadere informatie is te krijgen (DSO), wat de processen zijn en op welke wijze en waar vragen gesteld kunnen worden. Er zijn grenzen aan wat digitaal via vragenbomen kan worden opgepakt. Via een gesprek met de gemeente kan in veel gevallen een antwoord worden gegeven. Wij staan open voor laagdrempelige en toegankelijke informatie verstrekking. Per telefoon zijn wij bereikbaar om vragen te beantwoorden en initiatiefnemers verder te helpen. Informatie verstrekking en het met een toegankelijk proces beoordelen van initiatieven heeft een preventieve werking op handhavingszaken. Daarnaast kan communicatie over overtredingen ook een preventieve werking. 6.1.3.4Initiatieven beoordelen Voor vragen die per telefoon niet eenvoudig zijn te beantwoorden, zetten wij in op het proces van ‘verkennen en begeleiden initiatief’, naar het model van de VNG. Initiatieven die eenvoudig of complex zijn kunnen wij met dit proces snel en adequaat beoordelen. Dit laagdrempelig proces is nadrukkelijk geschikt voor zowel eenvoudige als complexe initiatieven. Ook vragen over bijvoorbeeld vergunningsplicht en haalbaarheid ervan beantwoorden wij via dit proces. Het onderscheid tussen eenvoudige en complexe initiatieven maakt dit mogelijk. De initiatieven ontvangen wij digitaal en brengen wij naar 1 ingang en worden geprioriteerd. Complexe plannen worden nader beoordeeld op wenselijkheid op de intaketafel. De haalbaarheid wordt beoordeeld aan de multidisciplinaire omgevingstafel. Hierbij kunnen meerdere interne en externe adviseurs (waaronder ketenpartners, zoals de VRR en de DCMR) aanhaken. De adviezen kunnen met het oog op een veilige en gezonde fysieke ook mogelijke koppelkansen bevatten. De uitkomst kan zijn dat een concept vergunning moet worden aangevraagd. Het kan ook zijn dat een wenselijk initiatief niet haalbaar blijkt. Eenvoudige plannen behandelen wij schriftelijk in korte termijnen. Wij werken continu aan de optimalisatie en verbreding van dit proces naar 1 ingang. Het behandelen van initiatieven heeft daarom een hoge prioriteit bij de inzet van capaciteit. Met de komst van de Ow en de Wkb is inzet op informatieverstrekking en kennis belangrijk. Ook onze ketenpartners werken mee aan het optimaliseren van het proces en het aan de voorzijde mee denken met initiatiefnemers. Dit bevordert de kans op goed naleef gedrag. Wij gaan ervanuit dat aanvragen vooraf door de initiatiefnemers zijn besproken met omwonenden en/of belanghebbenden. Wij kunnen aan initiatiefnemers vragen dit nog te doen, als blijkt dat dit niet is gebeurd. 6.1.4Vergunningenstrategie Vergunningen voor de Wabo, Ow, APV en Bijzondere wetten hebben uitlopende inhoudelijke beoordelingskaders. De (reguliere) procedures hebben ook verschillende grondslagen. Toch zijn de volgende basis stappen van toepassing. Er is een aanvraag. De aanvraag moet voldoende gegevens bevatten voor de beoordeling ervan. De beoordeling vindt plaats op basis van het van toepassing zijnde beoordelingskader. Voor de beoordeling worden (indien nodig) interne en externe adviezen uitgebracht. Het besluit wordt genomen met in achtneming van de (verlengde) beslistermijn. Het besluit wordt toegezonden en gepubliceerd. Het besluit heeft rechtsgevolgen en is appellabel. 6.1.4.1De aanvraag De Algemene wet bestuursrecht (Awb) duidt wanneer sprake is van een aanvraag. Wij hanteren de landelijke formulieren (DSO of OLO) als basis voor aanvragen omgevingsvergunning. Als dit landelijk niet beschikbaar is werken wij met een lokaal formulier dat wij beschikbaar stellen. Wij gaan ervan uit dat aanvragen vooraf door de initiatiefnemers zijn besproken met omwonenden en/of belanghebbenden. Wij vragen aanvragers om dit alsnog te doen als blijkt dat dit niet is gebeurd. Als een gemachtigde is betrokken bij de procedure , dan communiceren wij met de gemachtigde over de aanvraag. Wij gaan ervan uit dat de gemachtigde zelf over de aanvraag met de aanvrager communiceert. Wij volgen de van toepassing zijnde wettelijke procedures van de aanvraag. Indien wij niet bevoegd zijn op de aanvraag te beslissen, dan zenden de aanvraag door naar het, voorover wij weten, juiste bevoegd gezag. Het ontvangst van een aanvraag en het doorzenden ervan bevestigen wij schriftelijk aan de aanvragen dan wel de gemachtigde ervan. Ontvangen aanvragen publiceren wij overeenkomstig de wettelijke wijze. 6.1.4.2Ontvankelijkheid Uitgangpunt bij vergunningen is dat burgers en bedrijven verantwoordelijk zijn voor het indienen van goede en volledige aanvragen, conform de Mor als het een aanvraag omgevingsvergunning betreft. Indien nodig zullen wij nadere gegevens opvragen die, naar ons oordeel, nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De aanvraag vormt immers de basis voor de beoordeling en het besluit. Een goede aanvraag duidt op een goed plan en verhoogde de kans op een snelle procedure en goede uitvoeringskwaliteit. Wij willen zo vroeg mogelijk volledige informatie ontvangen. Burgers en bedrijven kunnen professionele partijen inschakelen om te helpen bij het opstellen van een goede en ontvankelijke aanvraag. Als gegevens naar oordeel van de gemeente ontbreken bij de aanvraag, dan geven wij schriftelijk gelegenheid om binnen een redelijke termijn de aanvraag aan te vullen, onder opschorting van de beslistermijn. Bij het uitblijven van een volledige aanvulling kunnen wij op grond van de Awb de aanvraag buiten behadeling stellen. 6.1.4.3Beoordeling De beoordeling van aanvragen doen wij op basis van de gestelde kaders van het gevraagde besluit. Wij informeren aanvragers over eventuele mogelijkheden om de aanvraag aan te passen als dat kan leiden tot een positief besluit. De boordeling van de aanvraag doen wij risicogericht. Voor beoordeling kunnen wij interne en externe adviseurs inschakelen indien dat nodig is. Aan het risicogericht beoordelen geven wij invulling door het toets niveau van beoordelingen te bepalen. Het toets niveau wat wij als basis hanteren per type activiteit en aanvraag is weergegeven in bijlage
- Dit niveau voor het toetsen van aanvragen aan de van toepassing zijnde regelgeving, wordt toegepast bij de verschillende activiteiten en meldingen en aanvragen, tenzij een specifiek niveau in dit beleid of aanhangend uitvoeringsplan is opgenomen. Daarnaast kunnen niet voorziene gevallen en omstandigheden leiden tot een afwijking van dit basisniveau. 6.1.4.4Besluit Wij nemen een besluit op een ontvankelijke aanvraag. Dit besluit is schriftelijk en zenden wij toe aan de aanvrager dan wel zijn gemachtigde. Aan dit besluit kunnen wij voorwaarden verbinden. Het besluit wordt door ons gepubliceerd. Wij houden rekening met de wettelijke beslistermijnen en kunnen deze ook eenzijdig en of in overleg met de aanvrager verlengen. 6.1.4.5Maatwerkvoorschriften Het Bal en Bbl bieden mogelijkheid tot maatwerkvoorschriften. Er zijn twee typen maatwerkvoorschriften: gekoppeld aan vergunning, dan is een maatwerkvoorschrift een vergunningvoorschrift; een separaat maatwerkbesluit (los van een vergunning). Met een maatwerkvoorschrift kan de gemeente afwijken van algemene regels. De gemeente kan met maatwerkvoorschriften bijvoorbeeld: algemene regels nader invullen of aanvullen; eisen opstellen die strenger of minder streng zijn dan de algemene regels; en afwijken van een verbod in algemene regels. Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift bijvoorbeeld gebruiken voor onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden of het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het maatwerkvoorschrift kan ambtshalve worden opgesteld of op verzoek. Er zijn algemene uitgangspunten (paragraaf 4.3.2 Omgevingswet) die zaken als veiligheid en het beschermen van de gezondheid in het kader van maatwerkvoorschriften waarborgen. Verder zijn er ook meer specifieke uitgangspunten, zoals toegankelijkheid van bouwwerken voor mensen met een functiebeperking en het toepassen van de beste beschikbare technieken. Maatwerkvoorschriften zijn niet onbeperkt mogelijk. Beoordelingsregels voor vergunningen en de eisen aan vergunningvoorschriften gelden vaak ook voor maatwerkvoorschriften. Mogelijkheden zijn aangeduid in het Bal en Bbl. Bij het opstellen van maatwerkvoorschriften is het belangrijk dat ook aandacht wordt besteedt aan de handhaafbaarheid van deze voorschriften. Daarom zal de gemeente Nissewaard bij het opstellen van eventuele maatwerkvoorschriften zowel toezichthouders als handhavers betrekken zodat inzichtelijk wordt hoe we hier ook na vergunning of na het maatwerkbesluit mee opgegaan moet worden. 6.1.4.6Gelijkwaardige maatregel Op grond van artikel 4.7, eerste lid, van de Omgevingswet kan in plaats van een in een algemene regel voorgeschreven maatregel (zoals een technische bouw eis in het Bbl) toestemming worden verleend om in plaats daarvan een gelijkwaardige maatregel te treffen. We bedoelen hiermee regels waaruit een vergunningplicht voortvloeit. De gelijkwaardige maatregel moet ten minste hetzelfde resultaat bereiken als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Maatregelen op het gebied van omgevingsveiligheid hebben als doel om mensen in gebouwen te beschermen tegen de effecten van een van buiten komende brand of explosie. Een voorbeeld is een opvanggeul voor uitstromende brandbare vloeistoffen die soms gelijkwaardig of beter beschermt dan een brandwerende gevel (wat eigenlijk de technische eis is). De gelijkwaardige maatregel wordt opgenomen als extra voorschrift in de vergunning. Ketenpartners zoals de Veiligheidsregio (VRR) en de Omgevingsdienst (DCMR) kunnen hierover adviseren. 6.1.4.7Overige activiteiten in het kader van vergunningverlening De volgende activiteiten zijn overige activiteiten die mogelijk zijn in het kader van vergunningverlening. Indien zij in grote mate voorkomen dan kunnen zij van invloed zijn op de capaciteit. Verlengen tijdelijke omgevingsvergunning bouwactiviteit; Wijzigen omgevingsvergunning; Wijzigen voorschriften omgevingsvergunning; Intrekken omgevingsvergunning; Beoordeling onderzoeksrapporten (zonder omgevingsvergunning); Niet genoemd besluit op aanvraag; Magneet activiteiten. 6.1.4.8Activiteiten Vanuit bovenstaande algemene uitgangspunten voor vergunningen is hieronder verder uitgewerkt hoe wij omgaan met specifieke activiteiten. 6.1.4.8.1Bestemmingsplan / Omgevingsplan Aanvragen van omgevingsvergunningen voor het bouwen worden beoordeeld aan het vigerende bestemmingsplan, beheersverordening, voorbereidingsbesluit, exploitatieplan (hierna: bestemmingsplan) overeenkomstig artikel 2.10 lid 1 onder c van de Wabo en andere bepalingen waar een beoordeling aan het bestemmingsplan is opgenomen, zoals in de Apv. 6.1.4.8.2Bouw (technisch) Uitgangpunt bij vergunningen is dat burgers en bedrijven verantwoordelijk zijn voor het indienen van goede en volledige aanvragen. De aanvraag vormt immers de basis voor de te verlenen vergunning. Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag voor het bouwen maken wij de knip tussen Bouwtechnisch (Bouwbesluit of Bbl) en het overige beoordelingskader, zoals de bouwverordening, welstand en het bestemmingsplan. Hiermee anticiperen wij op de Wet kwaliteitsborging bouw (Wkb) ook wat betreft de toets niveau. Het Bouwbesluit 2012 en per 1 januari 2024 het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) geven landelijk geldende regels voor de technische eisen waaraan bouwwerken dienen te voldoen. Na de inwerkingtreding van de Ow zal het Bouwbesluit 2012 vervangen worden door het Bbl voor nieuwe aanvragen. Het bevat voorschriften met betrekking tot het bouwen van bouwwerken uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Het toetsen van elke aanvraag aan alle aspecten van het Bouwbesluit 2012 en Bbl is binnen de huidige formatie niet mogelijk en ook niet noodzakelijk. Bij vergunningverlening vindt prioritering plaats door specifieke keuzes te maken in het niveau van diepgang van toetsing van de aanvraag. Niet alle aspecten van het Bouwbesluit 2012 zijn namelijk voor alle bouwwerken van even groot belang bij een preventieve toets. Bij het toetsen van bouwaanvragen aan het Bouwbesluit 2012 (of Bbl) legt de gemeente nadruk op de constructieve veiligheid en brandveiligheid. Dit is vertaald in de Landelijke de toets matrixtoets matrix Bouwbesluit, zie bijlage
- Deze matrix geldt als specifieke basis voor de bouwtechnische toets en voor toetsing aan het Bbl, waarbij op basis van inhoud een vertaling van bouwbesluit naar Bbl kan worden verkregen. De aandacht voor de overige aspecten uit het Bouwbesluit kan per jaar afhankelijk van factoren verschillen, zoals de ervaringen uit voorgaande jaren, werkaanbod en capaciteit. In het jaarlijkse uitvoeringsplan kan worden aangegeven waar in dat jaar specifiek aandacht aan wordt geschonken. Op basis van de risicomatrix (Infoblad Veiligheid en gezondheid Bouw- en sloopwerkzaamheden, VNG feb 2023, of recenter) bepalen wij óf en in welke fase een bouwveiligheidsplan nodig is. Dit kan betekenen dat wij het bouwveiligheidsplan in de fase vooroverleg of de vergunningen opvragen. 6.1.4.8.3Sloop en Bouwhinder Bij de uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden, en de hinder daarvan zoals bedoeld in afdeling 8.1 van het Bouwbesluit 2012, of diens rechtsopvolger (Bbl), kunnen wij aan de uitvoerder van de werkzaamheden vragen om een plan op te stellen om hinder aantoonbaar te voorkomen en te monitoren. De communicatie met de omgeving over bouw- en sloopwerkzaamheden is een primaire verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer. 6.1.4.9Brandveiligheid Aanvragen om vergunningen in verband met nieuwbouw, uitbreiding en verbouw (minimaal voor zover dit ziet op gevolg klasse 2 of hoger) worden door ons, ter beoordeling en advies (met betrekking tot het Bbl) voorgelegd aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (hierna; VRR). Voorliggende casuïstiek kan aanleiding geven om beoordeling en advies te vragen aan de VRR. Gelijkwaardigheden en of gelijkwaardige maatregelen worden aan de VRR voorgelegd, ter beoordeling en advies. Meldingen en vergunningen die zien op brandveilig gebruik zenden wij ter behandeling en beoordeling door aan de VRR. Onder de Ow is de gebruiksvergunning vervallen, maar geldt voor bepaalde gebouwen nog wel een meldingsplicht. In artikel 6.6 Bbl is een tabel opgenomen waarin per gebruiksfunctie is aangegeven vanaf welk aantal mogelijk aanwezige personen sprake is van een meldingsplicht voor brandveilig gebruik van het bouwwerk. Op grond van artikel 6.7 Bbl moet de gebruiksmelding 4 weken voor het begin van het gebruik worden gedaan. In artikel 6.8 staan de gegevens en bescheiden die moeten worden ingediend. 6.1.4.10Beoordeling welstand De beoordeling aan redelijke eisen van welstand wordt gedaan op grond van criteria die voor welstand van toepassing zijn. Deze beoordeling wordt ambtelijk uitgevoerd in aangewezen gevallen. De welstandscommissie / gemeentelijke advies commissie beoordeeld in de overige gevallen. De boordelingen worden vastgelegd. Bij haar advisering kijkt de commissie naar hoe het plan past in de omgeving, hoe het ontwerp eruit komt te zien en welke materialen zijn gebruikt. Bij het formuleren van haar advies hanteert de commissie de actuele beleidsrichtlijnen van de gemeente, en werkt in de geest van de Omgevingswet. 6.1.4.11Beoordeling Bouwverordening De beoordeling aan de bouwverordening ziet op de milieukundige bodemkwaliteit. Hierbij treedt de DCMR op als adviseur bij de beoordeling van ingediende rapporten. 6.1.4.12Slopen /asbest Voor slopen geldt een meldingsplicht of (indien in bestemmingsplannen of Erfgoedverordening bepaald) een vergunningplicht (Opa). De beoordeling en behandeling van de sloopmelding op het aspect asbest wordt door de DCMR namens de gemeente gedaan. De aanvraag om een vergunning voor het slopen (in verband met bestemmingsplan of Erfgoedverordening) wordt op de van toepassing zijnde thema’s beoordeeld. 6.1.4.13Erfgoed De omgevingsvergunning voor monumenten (wijziging), beeldbepalende panden (cultuurhistorisch waardevolle objecten) en beschermde stads- en dorpsgezichten vergt bijzondere aandacht om te voorkomen dat onomkeerbare schade wordt toegebracht aan (cultuurhistorisch) erfgoed. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed zal in de wettelijk voorgeschreven gevallen voor advies worden gevraagd. Naast de gebruikelijke beoordeling van de aanvraag via de (gemeentelijke) monumentencommissie ligt het voor de hand dat bij de toetsing van aanvragen om monumentenvergunningen wordt aangesloten bij de toetsingsstrategie voor omgevingsvergunningen activiteit bouwen. Immers, voor vrijwel alle veranderingen aan een monument is ook een omgevingsvergunning vereist. Door de intensiteit van toetsing en toezicht te vergroten als het een monument betreft, kan een afdoende waarborg tegen vernietiging van monumentale waarden worden verkregen. 6.1.4.14Ruimtelijke ordening Bij de beoordeling van aanvragen voor het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (zoals bepaalt in artikel 2.1, lid 1 sub c van de Wabo ) hanteren wij het wettelijk beoordelingskader van goede ruimtelijke ordening. Dit wordt nader vormgegeven door de onderhavige aanvraag, jurisprudentie en aanverwante regels van bestuursorganen. De gemeenteraad van de gemeente Nissewaard heeft aangegeven in welke gevallen het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen is overgelaten aan het college. Hiervoor in de plaats zal het adviesrecht van de raad komen, na inwerkingtreding van de Omgevingswet. 6.1.4.15Omgevingsplanactiviteit De evenwichtige toebedeling van functies onder de Omgevingswet is bij vergunningaanvragen met een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit ((B)opa) aan de orde. De gemeente bereidt een stappenplan Bopa voor om dit proces vorm te geven. Het vooraf aan de vergunningaanvraag doorlopen van het proces Verkennen en begeleiden initiatief (VBI) bevordert de behandeling van een aanvraag voor deze activiteit. Indien blijkt dat een initiatiefnemer het proces VBI heeft overgeslagen en direct een vergunningaanvraag indient, dan kunnen wij de uitgebreide voorbereidingsprocedure op die aanvraag hanteren, in plaats van de reguliere voorbereidingsprocedure. Tevens kunnen wij aandringen op het intrekken van de aanvraag het alsnog doorlopen van het VBI proces. Onder de omgevingsplanactiviteit vallen de onderwerpen van omgevingsplan van rechtswege. Deze bandbreedte zal veranderen gedurende transitie fase van bestemmingsplan naar omgevingsplan. Wij werken hierbij aan het continu verbeteren van deze processen, mede op basis van praktijk ervaringen. 6.1.4.16APV kap en inritten Voor het realiseren van activiteiten die als wettelijke basis in de APV zijn geregeld, vindt toetsing primair plaats op basis van de bepalingen in de APV. 6.1.4.17Natuurbescherming Indien een activiteit van een omgevingsvergunning gevolgen kan hebben voor beschermde diersoorten en gebieden als bedoeld in de Wet natuurbescherming, dan heeft het nadrukkelijk niet de voorkeur om de beoordeling en toestemming in brede zin via de gemeente te laten lopen. De gemeente verwijst hiervoor naar de uitvoerende partij (omgevingsdienst Haaglanden) van het bevoegd gezag (Provincie Zuid-Holland) van de Wet natuurbescherming om daar afstemming over de wetnatuurbescherming te verkrijgen. Het toezicht van de Wet natuurbescherming heeft het bevoegd gezag bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid belegd. 6.1.4.18Evenementen Aanvragen en meldingen voor evenementen worden onder andere getoetst aan de leidraad evenementen van de gemeente Nissewaard en het bestemmingsplan. Indien B en C evenementen plaatsvinden in tijdelijke bouwwerken, vindt de toetsing plaats aan het Bouwbesluit 2012, overeenkomstig COBc Richtlijn "Constructieve Toetsingscriteria Evenementenvergunning" versie november
- De overige evenementen worden getoetst overeenkomstig het algemene toets niveautoets niveau. Alle categorie evenementen worden aan de VRR voorgelegd, ter beoordeling en advies. De VRR beoordeeld aan de hand van de regionale handreiking Publieksevenementen Rotterdam-Rijnmond, Besluit brandveilig gebruik en de basishulpverlening overige plaatsen (hierna Bgbop), en overige relevante kaders. Het is van belang dat organisatoren een melding of vergunningaanvraag tijdig indienen. Bij een niet tijdige indiening spreken wij de organisatoren daarop aan en wijzen hen op het belang van tijdig indienen en hun eigen verantwoordelijkheid hierin. De aanvraag kan om deze reden buiten behandeling worden gelaten. Afhankelijk van het soort evenement en de complexiteit maken we een afweging of de vergunningaanvraag alsnog kan worden behandeld. 6.1.4.19Apv overig De overige vergunningen, meldingen en ontheffing in de APV die binnen de scope van dit VTH beleid vallen worden overeenkomstig het beoordelingskader behandeld. Daarbij is het algemene toets niveautoets niveau van toepassing. 6.1.4.20Exploitatie horeca De exploitatievergunning biedt de mogelijkheid preventief te toetsen. Daarbij is mede van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te verwachten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt aantasten. Bij de beoordeling van de aanvraag let de burgemeester op de aard van de inrichting, de mate van de te constateren overlast, het karakter van de omgeving (de straat en de wijk) en de (justitiële) achtergrond van de beheerder. Bij de “aard van de inrichting” wordt gekeken naar het soort horeca (bijvoorbeeld discotheek of lunchroom) in relatie tot overlast en het bestemmingsplan. Bij de mate van overlast valt te denken aan de overschrijding van de sluitingstijden die de exploitant hanteert en overlast van bezoekers (door parkeren en verkeerslawaai). Bij het karakter van de omgeving moet worden gedacht aan de verkeersituatie, aantal beschikbare parkeerplaatsen voor bezoekers, afstand tot woningen, breedte van de straat, etc. De gemeente heeft hiermee een middel in handen om overlast gevende horeca inrichtingen aan te pakken. Deze vorm van reguleren biedt voordelen in het kader van het waarborgen van de leefomgeving. Tevens kan een dergelijke vergunning preventief werken. De gemeente hanteert een handhavingsprotocol voor horeca. Dit wordt geactualiseerd en eiland breed (Voorne-Putten) van toepassing zal worden verklaard. In het handhavingsprotocol wordt opgenomen hoe de gemeente zal acteren op overtredingen in en rondom horeca inrichtingen. Het gaat dan met name om overtredingen die te herleiden zijn naar ondernemers en/of klanten. De gemeente hanteert daarnaast ook een Bibob beleid. 6.1.4.21Alcoholvergunning Een Alcoholvergunning is vereist voor ieder bedrijf dat, of andere organisatie die, alcoholhoudende dranken schenkt en/of verkoopt. Deze vergunning wordt verleend op grond van de Alcoholwet, maar ook de APV bevat bepalingen rondom horecagelegenheden en paracommerciële inrichtingen, zoals buurthuizen en sportkantines. 6.1.4.22Ontheffing alcoholwet Naast een vergunning kent de Alcoholwet ook een ontheffing (artikel 35 Alcoholwet). Het betreft een tijdelijke ontheffing voor de verstrekking van zwak-alcoholische dranken. Artikel 35 is niet alleen van toepassing bij evenementen maar bij "bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen”. 6.1.4.23Samenwerking bij de vergunningen Vergunningaanvragen worden besproken in een afstemmingsoverleg, waarbij vanuit de benodigde disciplines wordt beoordeeld of een toetsing noodzakelijk is. Afhankelijk van de aangevraagde activiteit vindt samenwerking plaats met diverse interne en externe adviseurs. Voor de kwaliteit van de specialistische bouwplantoetsing (bouwfysica, bouwakoestiek, constructieve veiligheid) werken wij samen met externe adviseurs. Toetsing van de brandveiligheidsaspecten vindt plaats door de VRR . Bouwplannen in de gebieden waarvoor welstandseisen gelden en aanvragen voor monumenten worden voorgelegd aan de gemeentelijke adviescommissie. 6.1.5Toezichtstrategie Het besluit omgevingsrecht (Bor) geeft slechts in algemene bewoordingen aan hoe toezicht georganiseerd dient te worden. Op grond van het Bor moet het bestuursorgaan inzicht geven in de wijze waarop toezicht op de naleving van wet- en regelgeving wordt uitgeoefend. In de gemeente Nissewaard vindt toezicht in een vorm en intensiteit plaats welke leidt tot een adequate naleving van wet en regelgeving. 6.1.5.1Vormen van toezicht Bij het houden van toezicht kunnen verschillende methoden worden gebruikt. Het onderscheid is van belang omdat per activiteit en per beleidsterrein de aspecten waar de controle zich op richt verschillend kan zijn. Het is effectief om verschillende vormen van controles te hanteren, welke zowel aangekondigd als onaangekondigd plaatsvinden. Toezicht op naleving van vergunningen, meldingen en ontheffingen. Toezicht naar aanleiding van meldingen, klachten en verzoeken van derden. Thema / branche toezicht; op initiatief van bevoegd gezag, gericht op thema of branche. Gebied / locatie toezicht; op initiatief van bevoegd gezag, gericht op gebied of locatie. Veldtoezicht / surveillance; algemeen, zonder directe aanleiding tijdens rondgang toezichthouder. Administratief toezicht; toezicht aan de hand van databronnen. Routine / planmatig toezicht; gepland of terugkerend toezicht. Onder toezicht wordt verstaan: het feitelijk toezien op naleving van wet- en regelgeving door het uitvoeren van controles. In de uitvoering is er een onderscheid gemaakt tussen vergunning gebonden toezicht (preventief) en de overige toezicht soorten (repressief). Dit onderscheid is ingegeven door de aanleiding, doelstelling en inzet van het toezicht. 6.1.5.2Prioriteiten bij toezicht Het is niet mogelijk om toezicht te houden op alle activiteiten en op elk onderdeel daarvan. Daarom is het nodig om risicogericht en geprioriteerd toezicht te houden. Dit heeft een algemene en specifieke doorwerking. Algemeen in de zin van waarop en wanneer toezicht plaatsvindt. Specifiek in de zin van welke mate en op welke (deel) onderwerpen toezicht plaatsvindt. Dit verschilt sterk per onderwerp. De beschikbare capaciteit van de voor de uitvoering van toezicht en daaropvolgende handhaving zijn gerelateerd aan de mate van toezicht. Deze vertaling komt terug in het jaarlijks uitvoeringsplan. Door het stellen van prioriteiten is niet gezegd dat geen aandacht wordt besteed aan de beleidsvelden met een lage prioriteit. Daarbij moet ook steeds in acht worden genomen dat een verzoek om handhaving in behandeling moet worden genomen, vanwege de beginselplicht tot handhaving en niet zomaar terzijde kan worden geschoven. De beginselplicht tot handhaving kan dus de prioriteiten uit dit beleid doorkruisen. Elk beleidsveld heeft zijn specifieke taken die uitgevoerd moeten worden. Wel is de wijze waarop toezicht en handhaving wordt uitgevoerd verschillend qua frequentie van toezicht en intensiteit. Dit vertaalt zich uiteindelijk ook in de inzet van mensen en middelen. 6.1.5.3Basis toezicht niveau Het niveau van toezicht wat plaatsvindt op basis een vergunning, melding, ontheffing of andere toestemming valt onder de noemer vergunning gebonden toezicht. Dit toezicht is er op gericht om na te gaan of en in welke mate aan de vergunning en aan de daaraan verbonden voorschriften wordt voldaan. Het toezicht niveau dat wij hierbij als basis hanteren is per activiteit weergegeven in bijlage
- Dit niveau voor toezicht wordt toegepast bij de verschillende activiteiten en meldingen en aanvragen, tenzij een specifiek niveau in dit beleid of uitvoeringsplan is opgenomen. Daarnaast kunnen niet voorziene gevallen en omstandigheden leiden tot een afwijking van dit basis niveau. Reactief en actief toezicht Als basis wordt toezicht gehouden op de naleving van vergunningen, meldingen en ontheffingen. We hanteren in de basis dat het overige toezicht plaats vindt op basis van (externe) meldingen. Dit is reactief en wordt doorgaans beschreven als het zogenaamde ‘piep systeem’. Uitzonderingen op het reactieve toezicht is de toezicht op het brandveilig gebruik. Ook in het VTH uitvoeringsplan kunnen onderwerpen en projecten van reactief toezicht worden opgenomen. 6.1.5.4Toezicht op de bouw (technisch) Het toezicht op technische bouwactiviteiten en de omgevingsveiligheid vindt plaats in de realisatiefase. Dit toezicht ziet op de naleving van de omgevingsvergunning en de algemene voorschriften (zoals omgevingsveiligheid) uit het Bouwbesluit en BBL. Het is van belang dat er tijdens het bouwen van een bouwwerk toezicht wordt gehouden op een aantal belangrijke aspecten uit het bouwproces. Het is echter niet efficiënt en daarnaast praktisch onmogelijk om elk bouwwerk op elk bouwonderdeel in de realisatiefase te controleren. Toezicht zal zich dan ook juist richten op de cruciale momenten/fasen in een bouwproces, afhankelijk van het type bouwwerk en de prioriteit die aan de betreffende taak is gegeven. De gemeente Nissewaard past als basis het landelijke toezichtprotocol van vereniging Bouw- en woningtoezicht Nederland toe bij het risicogericht toezicht op de technische bouwactiviteit. Dit toezichtprotocol van de vereniging Bouw- en woningtoezicht Nederland is een landelijk instrument voor het bepalen van de mate van toezicht. Dit toezichtprotocol beschrijft op een transparante wijze wat een toezichthouder dient te controleren op de bouw. Hiervoor worden objectieve criteria gegeven en de resultaten van de controle worden traceerbaar vastgelegd. Door het toezicht niveau eenduidig (bestuurlijk) vast te leggen, wordt de algehele kwaliteit van toezicht verbeterd en de uitvoering van adequaat toezicht geborgd. Kenmerkend is een heldere keuze voor prioriteiten: aandachtspunten met een hoge prioriteit krijgen meer tijd dan deze met een lage prioriteit. Hierdoor kan op een efficiënte wijze met middelen (tijd/capaciteit) worden omgegaan. In de toezichtmatrix is een gewogen basisniveau aangegeven. Het huidige werkaanbod maakt dat de toepassing van dit basisniveau niet te realiseren is met de beperkt beschikbare capaciteit. Dit aangepaste niveau wordt vastgelegd in het jaarlijks uitvoeringsplan. Een goede afstemming tussen de vergunningverlener en de bouwkundig toezichthouder is van belang. Dit zodat aandachtspunten kunnen worden doorgegeven en meegenomen in het toezicht. Het is voorstelbaar dat bij kleinere bouwwerken (zoals gevolg klasse 0) volstaan kan worden met een selectie van voornoemde toezichtmomenten. Enkel een gevel controle, of controle op basis van ‘Streetview’ kan voldoende zijn om te beoordelen of aannemelijk is dat de activiteiten overeenkomstig de vergunning zijn uitgevoerd. Bij grote bouwwerken (zoals gevolg klasse GK 2 en 3) of onderwerpen waaraan prioriteit is toegekend, ligt het voor de hand dat (vrijwel) alle toezichtmomenten worden ingevuld. Het is dan zelfs mogelijk dat binnen deze toezichtmomenten meerdere controlebezoeken op meerdere aspecten binnen de betreffende bouwfase voor het invullen van één toezichtmoment nodig zijn. In het toezichtprotocol voor bouwen wordt per type bouwwerk het daadwerkelijke toezichtniveau en het aantal momenten vastgelegd evenals welke van de gedefinieerde momenten tijdens het bouwproces worden gecontroleerd. Een constatering tijdens bouwproces kunnen aanleiding geven om (eventueel na intern overleg) het toezichtniveau op een specifieke vergunning te veranderen. 6.1.5.5Toezicht bouwactiviteiten ruimtelijk Het toezicht op de naleving van omgevingsvergunningen voor het ruimtelijke aspect (zoals welstand en ruimtelijke ordening) vindt plaats al dan niet gecombineerd met het toezicht op de samenhangende bouwactiviteit en omgevingsveiligheid. Dit overeenkomstig het van toepassing zijn de toezicht niveau 6.1.5.6Toezicht op sloopwerken Preventieve toezicht op sloopwerkzaamheden vindt plaats naar aanleiding van meldingen (Bouwbesluit en BBL). Er kan sprake zijn van samenhang tussen asbest sanering, bouwwerkzaamheden en bijzondere lokale omstandigheden (zoals centrum gebied en nabij gelegen monumenten, beschermd stadsgezicht). Toezicht op asbest werkzaamheden is gelegen bij de DCMR. Als sprake is van samenhangende werkzaamheden en of omstandigheden dan zal dit betrokken worden in het toezichtniveau. Er is onderscheid gemaakt in sloopactiviteiten waar asbest vrij komt en sloopactiviteiten zonder asbestverwijdering. Als de sloopactiviteit enkel ziet op het saneren van asbest, dan is de volledige toezichttaak bij de DCMR belegd. Als naast asbest sanering, ook andere (bouwkundige) sloop werkzaamheden (> 10m³ sloopafval) aan de orde zijn, dan vindt toezicht op de sloopwerkzaamheden plaats door de gemeente, terwijl DCMR toezicht houdt op de asbest sanering. Hierover vindt over en weer actieve afstemming en communicatie plaats. 6.1.5.7Toezicht op brandveiligheid Het preventief toezicht op de brandveiligheid onderscheidt zich in; toezicht op de uitvoering van bouwwerkzaamheden op basis van een omgevingsvergunning bouwtechnisch. Toezicht op de oplevering van een omgevingsvergunning en/of melding brandveilig gebruik. Het risicogericht toezicht op naleving van de brandveiligheidsvoorschriften bij bestaand gebruik. Bij toezicht op gebouwen in gevolgklasse 2 en 3 wordt met het oog op de brandveiligheid, het toezicht en de eindoplevering van de vergunning (bouwtechnisch) gezamenlijk met de VRR uitgevoerd, indien de VRR hierom in het advies heeft verzocht Bij grote projecten wordt de VRR al vroeg in het proces betrokken. Afstemming kan dan plaats hebben over bijvoorbeeld de aan te leveren certificaten en de toezichtmomenten. Toezicht op de uitvoering van bouwwerkzaamheden, vindt plaats overeenkomstig het toezichtprotocol van de bouwtechnische vergunningen. De toezichtstaak op brandveilig gebruik van gebouwen is specialistisch werk en vindt daarom plaats door de VRR. Tijdens het toezicht wordt er in dit kader met name gecontroleerd op: de aanwezigheid van een vergunning brandveilig gebruik/melding op basis van het Bouwbesluit 2012 /Bbl; de voorschriften van een vergunning brandveilig gebruik/melding Bouwbesluit 2012/Bbl; de aanwezigheid van vereiste documenten, logboeken en certificaten; De vluchtmogelijkheden; De ontruimings- en alarmeringsinstallaties; Aanpassingen aan de bouwkundige en brandpreventieve voorzieningen. De VRR hanteert risico gericht toezicht, op basis waarvan bepaald wordt welk bouwwerk, wanneer, op welke punten en in welke mate wordt gecontroleerd. Gelet op de inwerkingtreding van de Wkb en de Ow wordt dat nog nader uitgewerkt door de VRR. In het uitvoeringsplan kan dit (jaarlijks) worden vastgelegd. 6.1.5.8Preventief toezicht op aanleg en kap In geval van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit wordt volstaan met maximaal één toezichtmoment op het moment van aanvang van de werkzaamheden. Dan wordt met de vergunninghouder doorgesproken waarop de vergunning betrekking heeft en hoe het werk uitgevoerd dient te worden. Opleveringscontroles zijn – in sommige gevallen - niet noodzakelijk, de eindcontrole op de werkzaamheden kunnen waar mogelijk en tenzij een bijzondere omstandigheid veelal worden uitgevoerd tijdens de reguliere gebiedscontroles. Deze aanpak is voornamelijk gebaseerd op het geringe aantal vergunningen wat de laatste jaren is verleend. Voor de activiteiten reclame aanbrengen en kappen van bomen beperken wij ons echter tot het steekproefsgewijs controleren. In dit kader gaan wij uit van de eigen verantwoordelijkheid van de uitvoerder van de werkzaamheden. In het gebiedstoezicht wordt de uitvoering verder beoordeeld. In het geval er sprake is van een herplantplicht kan een controle van een toezichthouder wel van belang zijn. 6.1.5.9Preventief toezicht op monumenten Nadat een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw en monumenten is afgegeven, zullen de monument specifieke aspecten worden meegenomen in de reguliere bouwinspecties, tenzij in een specifieke zaak extra toezicht nodig is. Hierdoor blijft dit toezicht beperkt van omvang. In de gebruiksfase houden wij in onze gemeente toezicht op monumentale waarden. Voor het toezichtprotocol zijn de verschillende onderdelen van controle benoemd. Per onderdeel is beschreven op welke wijze het toezicht wordt uitgevoerd. 6.1.5.10Preventief toezicht: gebiedscontroles Zolang geen (nieuwe) activiteiten plaatsvinden, vindt slechts beheer van het grondgebied plaats. Tijdens het beheer gaan wij met toezichthouders na of het gebruik volgens de regels plaatsvindt. Gebiedsgericht toezicht wordt toegepast met aandacht voor diverse, vastgelegde controlepunten ten aanzien van ruimtelijke ordening, bouwen, (brand-)veiligheid, milieu, APV en bijzondere wetten. Afhankelijk van het type gebied en/of bestuurlijke prioriteit kan de nadruk meer of juist minder op enig rechtsgebied liggen. In het algemeen vindt toezicht plaats vanaf de openbare weg en is het gericht op het voorkomen en tegengaan van excessen. Voor deze wijze van controle worden zowel bouw- als milieutechnische toezichthouders ingezet. Bij nader te bepalen feiten wordt een collega toezichthouder geïnformeerd, die op dat specifieke terrein vakbekwaam is. Het gaat vooral om zaken die geen vakinhoudelijke kennis verlangen. Hoewel iedere toezichthouder van oorsprong een bepaalde specialiteit (bouw, milieu, brandveiligheid, etc.) heeft, worden zijn of haar vaardigheden tevens benut voor het toepassen van de ‘oog- en oorfunctie’ voor zaken die buiten zijn of haar specialisme liggen. Op deze manier denken wij de integrale handhaving verder te optimaliseren. 6.1.5.11Preventief toezicht: themacontroles In het verleden zijn op basis van landelijke incidenten thema’s gevonden waarvoor controles nodig waren. Dit gaat bijvoorbeeld over onderzoeken naar wateraccumulatie op platte daken, balkons, breedplaatvloeren, brandveiligheid gevels. Indien aanleiding ontstaat, wordt hierop ingezet, met thema specifieke aanpak. Daarnaast vinden controles plaats door de DCMR op de energiezuinigheid van utiliteitsgebouwen. 6.1.5.12Repressief toezicht Onder repressief toezicht wordt verstaan: toezicht dat plaatsvindt op basis van klachten, meldingen, verzoeken om handhaving en calamiteiten/incidenten. 6.1.6Handhavingsstrategie Er zullen altijd situatie aan de orde zijn die niet voldoen aan de gestelde regelgeving. De oorzaken hiervan zijn uiteenlopend. Handhaving ziet in hoofdlijn op het beëindigen van geconstateerde overtredingen en het voorkomen van toekomstige (nieuwe) overtredingen, of herhalen van geconstateerde overtredingen. Overtredingen worden in beginsel geconstateerd op basis van de toezichtstrategie. Hoe wij deze handhaving inzetten beschrijven wij in algemene zin hiernavolgend. 6.1.6.1Klachten en meldingen Klachten en meldingen over vermoedelijke illegale situaties kunnen via verschillende kanalen bij de gemeente binnenkomen. Deze worden centraal geregistreerd in één systeem. De registraties in dit systeem wordt gezien als de werkvoorraad. In principe worden klachten en meldingen, afhankelijk van de prioriteit, zo veel mogelijk meegenomen tijdens het reguliere gebiedsgericht toezicht. Het streven is om de melder binnen een redelijke termijn op de hoogte te stellen over hoe de klacht of melding is opgepakt en wat de vervolgstappen zijn. In het kader van het VTH beleid heeft een klacht of een melding over de fysieke leefomgeving betrekking op een handhavingstaak binnen de scope van dit beleid. Bijvoorbeeld klachten over buren die (ver)bouwen of een klacht over een voorwerp op of naast de openbare weg. Bij de beoordeling van een klacht wordt bepaald of deze bij de juiste afdeling van de gemeente of bestuursorgaan is ingediend. Zo nodig wordt de melding doorgestuurd. Ook wordt bepaald of sprake is van een overtreding. Bestaat er onduidelijkheid over de aard van de klacht, dan wordt contact gezocht met de klager om vastgesteld te krijgen hoe de klacht dient te worden opgevat en hoe de klacht vervolgens dient te worden afgehandeld. Een klacht wordt in beginsel behandeld binnen de reikwijdte van de melding. Uitgangspunt voor de afhandeling van klachten en meldingen met een onderwerp met een hoog risico of hoge prioriteit is dat deze binnen een redelijke termijn worden behandeld. Een anonieme klacht wordt in beginsel niet in behadeling genomen. Dit omdat bij een anonieme melding niet een toelichting kan worden gevraagd en het geven van een terugkoppeling over de melding niet mogelijk is. Ook is bij een anonieme klacht of melding onvoldoende bekend of iemand belanghebbende is of niet. De identiteit van melders wordt niet gedeeld met een eventueel overtreder. Bij de afhandeling van klachten wordt een onderscheid gemaakt in de risico’s en prioriteit van de afhandeling van klachten/meldingen. Indien de klacht/melding een taakonderdeel betreft die, volgens het VTH beleid, een hoge prioriteit heeft gekregen, krijgt deze voorrang op klachten en meldingen waarvan de prioriteit op gemiddeld tot laag is vastgesteld. Het is daarom van belang dat er bij binnenkomst van de klachten en meldingen gelijk een goed beeld ontstaat van (het belang van) de melding en het taakonderdeel waarop de klacht/melding betrekking heeft. Uiteraard wordt afhankelijk van het belang en de spoedeisendheid van de klacht/melding ingeschat of directe afhandeling van de melding noodzakelijk is. Het is voorstelbaar dat in bepaalde gevallen kan worden afgeweken van de prioriteit die aan het betreffende taakonderdeel is toegekend. Uiteraard worden bijzondere klachten/meldingen waarbij sprake lijkt te zijn van direct gevaar en/of een onveilige situatie altijd direct behandeld. 6.1.6.2Wraken Het kan voorkomen dat een overtreding wordt geconstateerd waarbij op basis van de prioritering niet direct actie wordt ondernomen bijvoorbeeld door gebrek aan beschikbare capaciteit. In dat geval kan een wrakingsbrief worden gestuurd. Hierin wordt de overtreder in kennis gesteld van de overtreding waarbij hij/zij op zijn/haar eigen verantwoordelijkheid wordt gewezen om de overtreding ongedaan te maken. Ook kan het aan de orde zijn dat de gemeente wil nagaan of een beleidswijziging mogelijk is. Ook wordt hiermee het recht uitgesproken om in de toekomst alsnog sanctionerend op te treden. Zodra in de uitvoering of beleidsmatig aan deze overtredingen meer prioriteit wordt gegeven, dan wordt bepaald of tegen die overtredingen alsnog wordt opgetreden. 6.1.6.3Verzoeken om handhaving Uitgangspunt bij verzoeken om handhaving is dat op alle schriftelijke handhavingsverzoeken wordt gereageerd. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt “een beginselplicht tot handhaving”, zeker als derden hierom verzoeken. Het is daarom van belang dat bij de afhandeling van verzoeken om handhavend op te treden extra zorgvuldig te werk wordt gegaan. Door mogelijkheden voor de verzoeker om, bij niet tijdige besluitvorming op een verzoek om handhaving, na een ingebrekestelling aanspraak te maken op een dwangsom van de gemeente, is naast zorgvuldigheid ook tijdigheid van besluitvorming essentieel. De beslistermijn kunnen wij verlengen, mede in belang van zorgvuldigheid en het oplossen van de situatie. Op verzoeken om handhaving dient een besluit te volgen, inhoudende: een besluit tot afwijzing van het verzoek; een besluit tot het opleggen van een sanctie, zoals een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang aan de overtreder. Ad. 1) Indien een verzoek om handhaving wordt afgewezen dient de verzoeker dit bij formeel besluit kenbaar te worden gemaakt. Het afwijzingsbesluit dient net als alle overige besluiten te voldoen aan de vereisten van de Awb. Redenen voor afwijzing van het verzoek kunnen zijn: na controle en juridische toetsing blijkt dat er geen sprake is van een overtreding; na controle en juridische toetsing blijkt dat er wel sprake is van een overtreding, maar dat er daarbij sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving kan worden afgezien (bijvoorbeeld in het geval van concreet zicht op legalisatie of indien handhavend optreden onevenredig is ten opzichte van de overtreding). Ad. 2) Indien er na controle en juridische toetsing blijkt dat er sprake is van een overtreding, waarbij er tevens geen bijzondere omstandigheden bekend zijn op grond waarvan van handhaving kan worden afgezien, dient er op het verzoek om handhaving altijd een handhavingsbesluit te volgen. Concreet betekent dit dat er alsdan een bestuursrechtelijk sanctiemiddel dient te worden opgelegd aan de overtreder. Om te voorkomen dat de overtreder ineens geconfronteerd wordt met een handhavingsbesluit, wordt overtreder alvorens dit besluit wordt opgelegd eerst in de gelegenheid gesteld om zijn/haar zienswijze te geven (tenzij er sprake is van spoed, dan wordt de mogelijkheid om eerst een zienswijze in te dienen achterwege gelaten). Pas daarna volgt het definitieve handhavingsbesluit. Ad.3) Van het besluit tot opleggen van een sanctie kan worden afgezien indien de verzoeker ermee instemt dat een mededeling dat er wordt gehandhaafd voldoende is. In sommige gevallen krijgt dan verzoeker een e-mail of een telefoontje dat wij gaan handhaven of een constateringsbrief sturen. Vaak gaan de verzoekers daarmee akkoord. Dit is aan de orde bij gevallen met een laag of gemiddeld risico. 6.1.6.4Mediation Klachten, meldingen en verzoeken om handhaving worden om verschillende redenen bij de gemeente ingebracht. Het komt voor dat een zakelijk geschil of een relationeel moeilijke situatie een achterliggende reden is. Dan wordt het de gemeente als derde partij ingeschakeld om op te treden iets bij een andere partij te bewerkstelligen. Daarbij is de vermoedelijke overtreding een middel en geen doel. Beëindiging van de overtreding leidt in veel gevallen niet tot beëindiging van een relationeel moeilijke situatie. Een dergelijke situatie kost (negatieve) energie, middelen en tijd van betrokkenen. Een mediation zaak wordt doorgezonden naar de behandelende afdeling. Met de inzet van mediation willen wij een doeltreffende positie innemen en met partijen bereiken dat het juiste wordt opgepakt. Ook willen wij bewaken dat dergelijke situaties een onevenredig beslag op capaciteit van het team VTH leggen, ten koste van geprioriteerde zaken. 6.1.6.5Calamiteiten Hoewel buiten de scope van het VTH beleid vermelden wij dat de gemeente beschikt over een crisisorganisatie. Milieuklachten kunnen (ook) buiten kantooruren worden gemeld bij de klachtenlijn van de DCMR. 6.1.7Sanctiestrategie Indien een overtreding is geconstateerd, dan is het handelen van de gemeente in beginsel gericht op het beëindigen van de overtreding. Daarbij onderschrijven we de in najaar 2022 opgeleverde ‘Landelijke handhavingsstrategie omgevingsrecht’ (LHSO). Wij onderschrijven ook de aan de LHSO verbonden actuele leidraden, zoals de leidraad-handhavingsacties-en-begunstigingstermijnen en de leidraad dwangsombedragen en-begunstigingstermijnen. De essentiële onderdelen van de landelijke handhavingsstrategie zijn in onderstaande alinea’s uitgewerkt en aangevuld met lokale overwegingen. Als basis geldt dat de ernst van de overtreding en het gedrag van de overtreder invloed hebben op de sanctie. Het toepassen van de LHSO betekend dat op landelijk en regionaal niveau het handelen van de verschillende overheden in een grotere mate overeenkomt en bij integrale acties er een gelijk handelingskader bestaat. 6.1.7.1Formele overtreding, gelijkwaardige oplossingen Er kan sprake zijn van een formele afwijking van de voorschriften, maar dat er maatregelen zijn getroffen die het door de rechtsregel beschermde belang in dezelfde mate of beter waarborgen. Indien op een andere wijze dezelfde veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu wordt gerealiseerd, kan deze oplossing als voldoende worden geacht en is geen vervolgactie noodzakelijk. 6.1.7.2Formele, legaliseerbare overtreding Is er wel sprake van een formele overtreding en is er geen sprake van een gelijkwaardige oplossing, dan is een eerste vraag of het in principe een vergunbare situatie is. Als dit het geval is, wordt in beginsel een vergunningprocedure gestart. Voor aanvragen die achteraf worden ingediend, hanteert de gemeente een verhoogd legestarief overeenkomstig de leges verordening. Afhankelijk van de ernst van de overtreding (is er een verhoogd risico? Is er al schade opgetreden?) en het profiel van de overtreder zijn er de volgende aanvullende opties. 6.1.7.3Vergunnen met sanctionerende tik Indien de illegale situatie is ontstaan uit opzet calculerend/malafide gedrag en/of sprake is van recidive, wordt tevens proces-verbaal opgemaakt. Ook ingevallen waarbij een overtreding een onomkeerbaar effect heeft, zoals het aanzienlijk aantasten van erfgoed, kan een sanctionerende tik aan de orde zijn. Wat de aard van de sanctie wordt, is beschreven in deze sanctiestrategie. 6.1.7.4Vergunnen Indien bij een vergunbare situatie geen sprake is van opzet, calculerend/malafide gedrag en geen sprake van recidive, wordt afgezien van een sanctionerende tik. In sommige situaties is het denkbaar dat ondersteuning wordt geboden om de situatie te verbeteren. 6.1.7.5Vergunnen met bestuursrechtelijke handhaving Als een situatie legaliseerbaar is, kunnen wij bestuursrechtelijk toch handhavend optreden zolang de illegale situatie voortduurt en/of de vergunningaanvraag nog niet is ingediend. Er dient immers concreet zicht op legalisatie te zijn. De aard van de sanctie is beschreven in deze sanctiestrategie. 6.1.7.6Sanctie instrumenten In deze paragraaf wordt stilgestaan bij de wijze waarop wordt opgetreden bij geconstateerde overtredingen. Hiervoor zijn bestuursrechtelijke, strafrechtelijke en privaatrechtelijke instrumenten in te zetten. Bestuursrechtelijk zijn dat: Een bestuursrechtelijke (vooraankondiging)sanctiebeschikking: (preventieve) last onder dwangsom (LOD); last onder bestuursdwang (LOB); wrakingsbrief; constateringsbrief; Bestuurlijke waarschuwing. Schorsen of intrekken van de vergunning, certificaat of erkenning; Een bouwstop (tijdelijk stilleggen activiteiten); Verscherpt toezicht. Bij een bestuursrechtelijke sanctiebeschikking (last onder dwangsom of last onder bestuursdwang) krijgt de overtreder een hersteltermijn aangeboden waarbinnen de overtreding moet zijn beëindigd. Als de overtreding na deze termijn niet is beëindigd dan wordt de sanctie geëffectueerd. Bij spoedeisende bestuursdwang kan een begunstigingstermijn achterwege blijven. In samenhang met de sanctiebeschikking of los daarvan kan de strafrechtelijke sanctie worden toegepast. Strafrechtelijke instrumenten zijn: Een proces verbaal (PV); De bestuurlijke boete; De bestuurlijke strafbeschikking (BSB). In onze organisatie zijn twee toezichthouders aangewezen om strafrechtelijk op te treden tegen overtredingen in Domein 2 (Milieu, Welzijn en Infrastructuur). Wij signaleren richting onze partners (onder andere de DCMR), waarna zij strafrechtelijk kunnen optreden. Bij strafrechtelijke handhaving is naast het bereiken van de gewenste situatie tevens het bestraffende element van belang. In de Omgevingswet is het gebruik van de bestuurlijke boete vergroot. In hoofdstuk 18 van de Omgevingswet staan artikelen over de situaties waarin het bevoegd gezag een bestuurlijke boete kan opleggen. Het gaat hier vooralsnog om: Milieuregels Seveso-richtlijn (artikel 18.11 Omgevingswet), nieuw; Regels over bouwen, slopen gebruik en in stand houden van bouwwerken (artikel 18.12 Omgevingswet); Erfgoedregels (artikel 18.13 Omgevingswet) nieuw; Beperkingengebied luchthaven (artikel 18.14 Omgevingswet); Beperkingengebied spoor (artikel 18.15 Omgevingswet); en Regels over handel in dieren, planten, hout of producten daarvan (artikel 18.15a Omgevingswet). De privaatrechtelijke handhaving valt buiten de scope van dit VTH beleid. In dat geval is het eigendomsrecht van de gemeente in het geding en treedt de gemeente op als rechtspersoon. 6.1.8Gedoogstrategie De gedoogstrategie is ten opzichte van de overige strategieën bewust kort beschreven. Dit omdat gedogen in beginsel niet aan de orde is. Gedogen wordt overwogen is zeer specifieke situaties, waarvoor geen gedoog kader in voorziet. Derhalve is om discussie over het gedoog kader te voorkomen en een discretionaire handelingsvrijheid te waarborgen gekozen tot onderstaande gedoog strategie. Onder gedogen wordt verstaan het expliciete besluit van een bestuursorgaan om tegen een bepaalde overtreding niet handhavend op te treden. De nota ‘Gedogen in Nederland’ (TK 25085, nr. 2, 1996-1997) bevat het landelijke kader voor gedogen. De gedoogstrategie volgt deze landelijke nota. 7Borging uitvoering Om de VTH-taken uit te voeren en de beleidsdoelen te behalen zijn voldoende personele en financiële middelen nodig. Daarnaast is een goede ondersteuning van de taakuitvoering door middel van werkprocessen, werkafspraken, ICT-voorzieningen, meet en randapparatuur, kleding en dergelijke nodig. De uitvoering van de VTH-taken staat niet los van de samenwerkingspartners, waar afspraken en samenwerkingskaders voor nodig zijn. 7.1Basis borgen De mate waarin financiële en personele middelen nodig zijn, is afhankelijk van de inzet die in het uitvoeringsplan jaarlijks wordt vastgelegd. Daarbij geldt dat er een zeker basisniveau is voor de uitvoering van de wettelijke taken. Dit maakt dat het budget voor de uitvoering deze basis geborgd moet zijn in de begroting. Eventuele extra inzet vraagt om extra middelen. Daarnaast zijn de kwaliteitscriteria 2.3 een continu aandachtspunt om te borgen dat wij voldoende mensen met voldoende kennis en ervaring inzetten. De Verordening Kwaliteit VTH borgt het commitment van de Raad aan de kwalitatieve taakuitvoering. De afgelopen jaren is aandacht besteed aan ondersteunende voorziening zoals kleding, voertuigen en communicatiemiddelen. Ook is en wordt gewerkt aan de implementatie van een VTH-systeem voor de behandeling van zaken. Dit zal het werkproces ondersteunen en de administratieve kwaliteit bevorderen. Verdere doorontwikkeling en verheldering van taken, rollen en processen zijn ook vanuit het programma Omgevingswet een inspanning voor de komende periode. Daarin worden ook nieuwe processen zoals het Proces verkennen en begeleiden Initiatief meegenomen en het beleggen van de rol casemanagement. Ook wordt gewerkt aan een actueel handboek Buitenplanse omgevingsplan activiteiten (Bopa) en de verwerking van de Wkb in de processen. Vanuit de rijmondregio wordt de samenwerking met de veiligheidsregio en de omgevingsdienst en het waterschap opgepakt. Deze ontwikkelingen zullen verder doorwerken en bijdragen aan kwaliteit en efficiëntie op vele accenten. 7.2VTH-organisatie Binnen de gemeente Nissewaard is het team VTH verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken. Dit team geeft uitvoering aan de breedte van de VTH-taken en daaronder vallen zowel college als burgemeester bevoegdheden. Dit team valt binnen de eenheid ruimtelijk beheer. In het team VTH werken toezichthouders, Goa’s, parkeerwachten, vergunningverleners, administratie, handhavingsjuristen en Ro-juristen en een adviseur VTH onder één teamleider. Het opstellen van de VTH beleid en jaarlijkse uitvoeringsplan en de evaluaties daarvan zijn belegd in het team VTH. 7.3Verordening Kwaliteit VTH De huidige Verordening Kwaliteit Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Nissewaard heeft zijn grondslag in de Wabo. Deze verordening zal naar model van de VNG actueel worden gehouden, mede ook met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In deze Verordening ziet de gemeenteraad toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van de door de gemeente vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving. En het college van burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht gestelde doelen. Deze verordening vormt mede de basis voor de bestuurlijke rolverdeling. 7.4Kwaliteitscriteria 2.3 Het rijk, provincies en gemeenten hebben vanaf 2009 gewerkt aan het opstellen en actualiseren van criteria voor de uitvoering door gemeenten en omgevingsdiensten van wettelijke taken op het gebied van VTH. Dit heeft geleid tot de zogenaamde Kwaliteitscriteria 2.
- Deze zijn aangepast aan de OW. De kwaliteitscriteria zijn bedoeld om de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving (de VTH-taken) door gemeenten en provincies in het Omgevingsrecht te professionaliseren en de kwaliteit in de organisatie te borgen. De criteria gaan over proces, inhoud en kritieke massa. Het voldoen aan de criteria zorgt ervoor dat het bevoegde gezag in staat is om de gewenste kwaliteit en continuïteit te leveren. De set maakt inzichtelijk welke kwaliteit van de VTH-taken burgers, bedrijven en instellingen, maar ook overheden onderling en als opdrachtgevers, mogen verwachten. De gemeente Nissewaard zal nagaan of en in hoeverre haar VTH-organisatie en ketenpartners zoals de DCMR en de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond voldoen aan deze criteria voor kritieke massa, binnen de scope van dit beleid. Deze zelfevaluatie zal input zijn voor een eventueel verbeterplan. 7.5Capaciteit VTH-organisatie De capaciteit van de VTH-rganisatie zit hoofdzakelijk in het team VTH. Adviserende functies buiten het team VTH zijn buiten beschouwing gelaten. De capaciteit kent een vaste formatie met een flexibele laag. In onderstaande overizcht is de periode 2020 tot heden en een prognose weer gegeven van deze capaciteit binnen het team VTH onderverdeel naar taakvelden. De formatie in dit overzicht wordt naast uitvoering de VTH taken in deze scope ingezet op de overige taak uitvoering en projecten buiten de scope van dit VTH beleid. In onderstaande overzicht is het aantal zaken voor het Wabo deel opgenomen Het vergelijk van deze overzichten laat een knelpunt zien tussen werkaanbod en beschikbare capaciteit in de jaren 2020 en 2021 met de inzet van extra capaciteit in de jaren 2021 en 2022 en vaste formatie vanaf 2023 is dit opgevangen. De leges inkomsten bewegen mee in deze toename van werkaanbod en kosten. In het onderstaande overzicht zijn de aantallen van de Apv vergunningen, meldingen en ontheffingen opgenomen. Dit overzicht is gebaseerd op tellingen achteraf in registratie systemen. Het ontbrak aan een overzicht van de zaken, waardoor deze aantallen indicatief zijn en geen betrouwbare prognose is te maken. Daarnaast heeft de Corona pandemie een sterke invloed gehad op de aantallen, met name voorover gerelateerd aan horeca en evenementen. 7.6Scheiding VTH-taken Binnen de teams Vergunningen, Toezicht en Handhaving zijn de vergunningen-, toezichts- en handhavingstaken op functieniveau en zaakniveau gescheiden. Dit betekent in de uitvoeringspraktijk dat niet door 1 en dezelfde medewerker een vergunning wordt verleend om daar vervolgens ook toezicht op te houden. Ook wordt na constatering het legalisatie onderzoek niet door dezelfde toezichthouder uitgevoerd. 7.7Roulatiesysteem Toezichthouders Om te voorkomen dat er een te nauwe band ontstaat tussen toezichthouder en personen werkzaam bij de te controleren objecten en/of in gebieden (vaste toezichts-/ handhavingsrelatie) rouleren de toezichthouders periodiek van gebied en/of object. Hiermee wordt voorkomen dat dezelfde toezichthouder voortdurend wordt belast met het toezicht op dezelfde gebieden en/of objecten. Voor de andere medewerkers wordt per dossier bekeken of rouleren na verloop van tijd wenselijk is. 7.8Aanwijzingen Ten aanzien van een toezichthouder/ BOA geldt dat er een wettelijke verplichting bestaat om zijn/haar bevoegdheden, taken en verantwoordelijkheden op schrift vast te leggen. Alle toezichthouders zijn als zodanig aangewezen en aangesteld door het bevoegde bestuursorgaan (college van burgemeester en wethouders, dan wel de burgemeester), al dan niet onder mandaat. Bij de aanwijzingsbesluiten is vastgelegd ten aanzien van welke regelgeving zij de toezichthoudende bevoegdheden hebben. De toezichthouders zijn tevens beëdigd als buitengewoon opsporingsambtenaar. 7.9Actueel beleid Met het vaststellen van dit VTH beleid en de hieraan gekoppelde jaarlijkse uitvoeringsplanen en jaarverslagen VTH hebben wij een actueel beleid. 7.10Werkprocessen beschreven Onze (actuele)werkprocessen voor VTH-taken liggen vast en/of zijn verwerkt/opgenomen in onze digitale werkomgeving van de VTH Applicatie. Wij werken continu aan het actualiseren en verbeteren van deze processen. 7.11Uitvoering conform werkprocessen Wij geven uitvoering aan onze VTH-taken conform onze werkprocessen en sturen zondig bij. 7.12Afstemming Het VTH beleid is, voor vaststelling, gedeeld, besproken en afgestemd met de ketenpartners VRR en de DCMR. De uitvoeringsplannen zullen ook met ketenpartners afgestemd worden. Met het Openbaar Ministerie (hierna: OM) zijn reguliere contacten, waarbij casuïstiek aan de orde kan komen. Gezien de transitie periode naar de Ow en de Wkb is het nodig over processen, afspraken en afstemming met elkaar in gesprek te blijven. 7.13Meldkamer DCMR De DCMR heeft een meldkamer welke 24/7 bereikbaar is. Deze Meldkamer is bereikbaar voor bedrijf gerelateerde meldingen. 7.14Voortgangsbewaking en verantwoording In het VTH beleid hebben we de missie, visie en doelstellingen voor de komende vier jaar vastgelegd. De doelstellingen geven invulling aan onze missie en visie. De activiteiten die we uitvoeren om de doelen te bereiken, krijgen vorm in de uitvoering van de strategieën. Het monitoren van deze activiteiten krijgt verder vorm in het uitvoeringsplan. In het jaarverslag leggen wij verantwoording af over de uitgevoerde activiteiten en in hoeverre deze activiteiten hebben bijgedragen aan het bereiken van onze doelstellingen. Dit jaarverslag wordt door het college vastgesteld en ter kennisname aan de raad gezonden. De Provincie Zuid-Holland ontvangt van ons het uitvoeringsplan en jaarverslag, in het kader van het interbestuurlijk toezicht (IBT). Indien uit de monitoring van de activiteiten blijkt dat de doelstelling niet gerealiseerd wordt, wordt (afhankelijk van het moment van constateren) hiervoor een verklaring opgenomen in het jaarverslag. Indien nodig worden verbetermaatregelen voorgesteld die ertoe dienen te leiden dat in de komende periode de doelstelling wel gerealiseerd wordt. In het verslag over deze komende periode wordt ingegaan op het effect van de verbetermaatregelen. Naast de monitoring voor de verslaglegging vindt door het betrokken team VTH continue monitoring van de uitvoering plaats. Deze gegevens worden gebruikt voor inzet van capaciteit, werkverdeling en termijnbewaking. 7.14.1Beleidsevaluatie Sluitstuk van de toepassing en uitvoering van dit VTH beleid evaluatie aan het einde van de bewindsperiode. Daarin staat de vraag centraal of de uitvoering van de strategieën hebben bijgedragen aan het realiseren van de gestelde doelen en of de ingezette maatregelen succesvol zijn geweest. Daarom moet beleid periodiek geëvalueerd en gemonitord worden. Zo wordt de beleidscirkel gesloten. De evaluatie bestaat uit het beoordelen van jaarresultaten en het effect hiervan op de uitgangspunten en doelstellingen uit het beleid. Er wordt periodiek gemonitord aan de hand van het beleid om de tussenresultaten te beoordelen, jaarlijks verslag gelegd over het uitvoeringsplan VTH en het beleid wordt tussentijds geëvalueerd. Hieronder worden monitoring, verantwoording en evaluatie van het beleid verder toegelicht. 7.14.2Monitoring Een goede registratie vergemakkelijkt het vervolgtraject (repressief toezicht en sancties) en verschaft inzicht in de hele keten vanaf een vergunning tot en met een overtreding en de naleving. Het voordeel hiervan is dat alle ketenpartners profiteren van de informatie. Het registreren van kwantitatieve en kwalitatieve gegevens is met name van belang voor het uit te voeren beleid, de in te zetten capaciteit en de verantwoording naar het bestuur en management. De voortgang van VTH wordt periodiek gemonitord op basis van het uitvoeringsplan VTH en de monitoringstool doelstellingen en acties. Deze monitoring wordt gebruikt om te beoordelen of de gestelde doelen uit het VTH beleidsplan worden behaald. 7.14.3Verantwoording Het VTH uitvoeringsplan wordt jaarlijks geëvalueerd en vastgesteld, overeenkomstig hoofdstuk 2.6 van dit beleid. Evaluatie VTH beleid Voor de afloop van de beleidsperiode van het VTH beleid (2023-2026), wordt ten behoeve van het nieuwe beleid een evaluatie uitgevoerd. Er wordt dan beoordeeld of: Vastgestelde beleidsdoelen uit het VTH beleidsplan zijn bereikt; De voorgenomen activiteiten uit het VTH beleidsplan zijn uitgevoerd; Er aan de afspraken is voldaan die met externe partijen zijn gemaakt. De resultaten worden gebruikt voor het nieuwe VTH beleid voor de volgende beleidsperiode en het uitvoeringsplan VTH voor het volgende jaar. 8Vaststelling Dit VTH beleid is vastgesteld door het college van Burgemeester en wethouders en de burgemeester, ieder voor zover het de eigen bevoegdheid betreft. 9Bijlagen Scope VTH beleid Risico analyse Algemeen toets- en toezicht niveau toet niveau bouw Intrekken vergunningen Bijzondere lokale omstandigheden indieningsvereisten Exploitatie 9.1Bijlage 1: Scope VTH beleid 9.2Bijlage 2: Risico’s matrix en prioriteiten matrix Toelichting bij risico matrix In de bovenstaande tabel zijn de omschrijvingen van effecten en kansen die in de matrix zijn verwerkt. 9.3Bijlage 3: Algemeen toets en toezicht niveau 9.4Bijlage 4 toets matrix bouwtechnisch Toets matrix Bouwbesluit 2012 Deze bouwbesluit 2012 toets matrix kan op basis van inhoud worden getransponeerd naar het Bbl. Toet matrix bouwconstructies (nadere uitwerking) Ten aanzien van bouwconstructies is onderstaande toets matrix aan de orde als nadere uitwerking. Door de Vereniging BWT Nederland, het Centraal Overleg Bouwconstructies en de dienst SO, afdeling expertise, van de gemeente Utrecht is in maart 2010 een methodiek tot stand gekomen voor het constructief toetsen van bouwplannen, “Methodiek constructief toetsen bouwplannen”. Het is een protocol dat rekening houdt met het vakmanschap van de controlerend constructeurs. Onderstaande is deze overgenomen. Toelichting toets niveau constructieve veiligheid niveau benaming definitie praktische handelingen 1 betrouwbaarheidstoets Globale uitgangs