Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning Rijswijk 2024Hoofdstuk1Inleiding 1.1 Inleiding De Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Rijswijk 2022 (hierna: verordening 2022) geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De beleidsregels beschrijven de interpretatie van het beleid, de toepassing van de bepalingen in de verordening, en de vaststelling van feiten. Zo zorgen we ervoor dat gelijke situaties op een gelijke manier worden behandeld. De wet, verordening en de beleidsregels vormen een onlosmakelijk samenhangend geheel, waarbij de één voortborduurt op de ander en nader concretiseert. De wet staat boven de verordening die op haar beurt boven de beleidsregels staat. Voor een logische opbouw en een goed begrip van het afwegingskader, valt er niet te ontkomen aan enige herhaling van bepalingen uit de wet en verordening. Formeel zijn deze herhalingen overbodig omdat ze al in een 'hoger' document geregeld zijn, maar het helpt om de beleidsregels als geheel beter te interpreteren. De uitvoering van de verordening Wmo1Bijlage 1: Lijst van afkortingen wordt in de regel gedaan namens het college (in mandaat) door deskundige Wmo-consulenten. In de Wmo 2015 kijken we wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk. Daarna kijken we of algemene voorzieningen hem in staat stellen om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Als deze oplossingen nog onvoldoende zijn, wordt gekeken of een maatwerkvoorziening verstrekt kan worden. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ligt de focus op de te bereiken resultaten van de ingezette voorzieningen. De insteek blijft dat de Wmo 2015 wordt ingezet waarvoor deze bedoeld is. Dat wil zeggen dat de inwoner met beperkingen in zelfredzaamheid en/of participatie hiervoor gecompenseerd wordt, waarbij er voorrang wordt gegeven aan de goedkoopste compenserende voorzieningen. Met zelfredzaamheid wordt bedoeld in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Met participatie wordt bedoeld het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. 1.2Begripsbepalingen Aan alle begrippen en definities die in deze beleidsregels worden gebruikt en die hieronder niet nader worden omschreven, komt dezelfde betekenis toe zoals vermeld in artikel 1.1.1. van de Wmo 2015 en de verordening 2022. Aanvullend wordt in deze beleidsregels verstaan onder: Algemene voorziening een algemene voorziening, ook wel basisvoorziening genoemd, is een voorziening die algemeen vrij toegankelijk is voor iedereen. Er is geen beschikking voor nodig. Algemene voorzieningen kunnen ook welzijnsvoorzieningen zijn, bijvoorbeeld een maaltijdservice. Algemeen gebruikelijke voorziening een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is, die een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie van de cliënt, en financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau (bijstandsniveau). Budgetbeheerder de persoon die het geld van het pgb beheert en de administratie daarover voert voor de cliënt; de budgetbeheerder kan ook de cliënt zelf zijn. Meerkosten extra kosten die het leven met een chronische ziekte of beperking met zich meebrengen, bijvoorbeeld de eigen bijdragen voor zorg en ondersteuning, vervoer, hulpmiddelen en aanpassingen. De kosten van de maandelijkse eigen bijdrage Wmo vallen niet onder ‘meerkosten’. Resultaatgebieden: Het te bereiken resultaat is altijd gericht op een gebied binnen maatschappelijke ondersteuning dat verbetert of behouden moet worden. Het vermogen van inwoners om zichzelf aan te passen en een eigen regie te voeren in het licht van de fysieke, sociale en emotionele uitdagingen van het leven. Hoofdstuk2Uitgangspunten van de Wmo 2015 2.1.Inleiding De uitgangspunten van de Wmo 2015 zijn: participatie, zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid; de positie van de cliënt wordt versterkt door gebruik te kunnen maken van de mogelijkheid van cliëntondersteuning in de toegangsprocedure; een onderscheid tussen melding en aanvraag; verplicht informatie verstrekken door de gemeente over de mogelijkheid om cliëntondersteuning in te zetten; de duur van de eigen bijdrage van de cliënt kan vastgesteld worden tot maximaal de kostprijs is betaald, tenzij er sprake is van een dienst; het leveren van maatwerk. 2.2.Afwegingskader In de afweging van de vraag hoe deelgenomen kan worden aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig functioneren in de maatschappij worden de volgende gebieden of zaken betrokken: wat kan iemand nog zelf doen; kan gebruikelijke hulp volstaan; kan de sociale omgeving bijdragen; kunnen andere (wettelijke) voorzieningen ingezet worden; kunnen algemeen gebruikelijke voorzieningen gebruikt worden; kunnen algemene voorzieningen ingezet worden; zijn maatwerkvoorzieningen noodzakelijk. Altijd wordt gekeken naar wat de cliënt zelf kan organiseren. Een maatwerkvoorziening is pas aan de orde als geen van de eerdere mogelijkheden tot voldoende resultaat leidt. Schematisch: Eigen kracht zelf oplossen gebruikelijke hulp hulp vanuit sociale omgeving Andere wetgeving Algemeen gebruikelijke voorziening Algemene voorziening Maatwerkvoorziening 2.2.1.Eigen Kracht Zelf oplossen: primair stimuleert de gemeente de inwoner zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. Daarvoor kijkt de Wmo-consulent naar de persoonlijke eigenschappen van de cliënt, zijn talenten en vaardigheden, in combinatie met zijn directe omgeving. Gebruikelijke hulp: dit is hulp die naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Partners en inwonende gezinsleden staan elkaar bij in de normale dagelijkse zorg, zoals taken in het gezamenlijke huishouden, administratie, schoonmaken, elementaire zorgtaken, bezoek aan familie/instanties/arts, etc. De consulent hanteert de richtlijn gebruikelijke hulp (bijlage 2) om vast te stellen of hiervan sprake is. Ervan afwijken is mogelijk. Daar moet wel een heldere en acceptabele motivering aan ten grondslag liggen. Sociale omgeving: verwijst naar het netwerk van familie, buren, vrienden en kennissen in de directe omgeving van de inwoner. De sociale omgeving is mogelijk bereid om (een deel van) de ondersteuning te bieden. Dit is niet afdwingbaar (ECLI:NL:CRVB: 2017:17). Denk aan boodschappen doen of andere kleine klussen. Onder sociale omgeving valt ook mantelzorg. Deze vorm van ondersteuning gaat voor op ondersteuning van de gemeente. Mantelzorg kan aanvullend zijn op vormen van professionele zorg. In het persoonlijk plan van of namens de cliënt kan de cliënt de wens uitspreken om het sociale netwerk of mantelzorgers in te willen zetten (artikel 7 lid 3 van de Verordening Wmo 2022), ook de gemeente schenkt hier aandacht aan in het gesprek. De consulent kan hiervoor de checklist ‘Mogelijkheden betrekken mantelzorger’ gebruiken (bijlage 3). De sociale omgeving is belangrijk voor de ondersteuning van de cliënt. Om de cliënt te ondersteunen kan de sociale omgeving een melding doen bij de gemeente ten behoeve van de cliënt. Daarnaast kan iemand uit de sociale omgeving, bijvoorbeeld de mantelzorger, aanwezig zijn bij het gesprek dat de Wmo-consulent heeft met de cliënt. Indien uit het gesprek blijkt dat de mantelzorger overbelast dreigt te raken, kan overwogen worden om een maatwerkvoorziening toe te kennen aan de cliënt; daardoor wordt de mantelzorger ontlast. 2.2.2.Andere wetgeving Artikel 2.3.5. lid 5 van de wet geeft aan dat ondersteuning vanuit de Wmo onder andere afgestemd is op andere wetgeving. Participatiewet De Participatiewet is geen aan de Wmo 2015 voorliggende voorziening. De Participatiewet is een vangnet in de Sociale Zekerheid, zowel in financiële zin als in de ondersteuning naar werk. De Participatiewet richt zich op de arbeidsparticipatie en het inkomen van mensen en de Wmo 2015 op de maatschappelijke ondersteuning van mensen. De Participatiewet is er om zoveel mogelijk mensen met of zonder arbeidsbeperking werk te laten vinden. De Participatiewet is in de plaats gekomen voor de Wet werk en bijstand (Wwb), de Wet sociale werkvoorziening (WSW) en een groot deel van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Vanuit het UWV en de werkgever kan een beroep gedaan worden op hulpmiddelen in de werksituatie en voor vervoer van en naar het werk. Wanneer iemand op school of op het werk alleen kan functioneren met behulp van een voorziening en deze voorziening is alleen noodzakelijk voor school of werk, dan biedt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen een passende oplossing. Het college ziet dit als een passende oplossing vanuit de eigen kracht. Jeugdwet De Jeugdwet vervangt de Wet op de jeugdzorg die tot 2015 geldig was, en de verschillende andere onderdelen van de jeugdzorg die onder de Zvw en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten vielen. Ook de jeugdbescherming en jeugdreclassering maken onderdeel uit van de wet. De jeugdzorg is overgeheveld naar de gemeenten die zich in hun beleid moeten richten op: het gebruik maken van de eigen kracht van jongeren, ouders en hun sociale netwerk. Het is belangrijk dat zij de regie blijven houden over hun leven en dat ze samen met hun eigen omgeving en professionele hulpverleners naar oplossingen zoeken; minder snel medicijnen voorschrijven en de zorgvraag terugbrengen; eerder (jeugd)hulp bieden op maat voor kwetsbare kinderen/jongeren samenhangende hulp voor gezinnen: 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur; meer ruimte voor jeugdprofessionals en vermindering van regeldruk bij hun werk. Wet langdurige zorg Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren als de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), of als er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan maken en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daarover. Inwoners hebben recht op de Wlz als zij zijn aangewezen op permanent toezicht of 24-uurszorg, als er sprake is van: immateriële ondersteuning en/of materiële ondersteuning, waarbij de cliënt woont in een ZIN-zorginstelling (zie bijlage 4). Voorts kunnen medicijnen of een behandeling vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) de behoefte aan ondersteuning of een deel daarvan wegnemen. Voor cliënten die thuiswonend zijn en een modulair pakket thuis (mpt) of volledig pakket thuis (vpt)krijgen, of die in geclusterde woonvormen wonen waar ze zelf de woonlasten betalen, blijven de vervoersmiddelen, rolstoelen en woonvoorzieningen (voorlopig) ongewijzigd onder de Wmo vallen (artikel 8:6a Wmo 2015) In bijlage 4 staat een overzicht van de ondersteuning vanuit Wmo en Wlz. Zorgverzekeringswet De afbakening met de Zorgverzekeringswet (Zvw) is niet geregeld bij wet. Wanneer de cliënt via de Zvw zorg die voldoet aan de ondersteuningsbehoefte kan ontvangen ziet het college dit als een passende oplossing vanuit de eigen kracht. Voorbeelden van mogelijk passende oplossingen vanuit de Zvw zijn: Behandeling: Van de cliënt mag verwacht worden dat hij/zij doet wat in zijn/haar vermogen ligt om herstel te bevorderen. Uitleen van hulpmiddelen voor korte duur. Maaltijdvoorziening en persoonlijke verzorging bij behoefte aan of risico op geneeskundige zorg (en geen aanspraak op WLZ). 2.2.3.Algemeen gebruikelijke voorziening Soms kan een ondersteuningsvraag worden opgelost door de inzet van een algemeen gebruikelijke voorziening. Deze gaan voor op maatwerkvoorzieningen (artikel 7 van de Verordening Wmo 2022). Het college moet wel onderzoeken of de aangevraagde voorziening ook voor die cliënt als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd. Een voorziening is een algemeen gebruikelijke voorziening als deze: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Dit laatste criterium gaat om de vraag of de voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Dit criterium is eind 2019 door de Centrale Raad uitgewerkt, aangezien het financiële criterium voorheen onduidelijk was (CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535). Het betreft nu een algemene toets waarbij de gemeente ‘aan de voorkant’ kan bepalen welke voorzieningen financieel draagbaar worden geacht met een inkomen op minimumniveau. Let wel, dit is een abstracte benadering, waarbij niet relevant is of het inkomen of vermogen van de cliënt daadwerkelijk toereikend is. Het uitgangspunt van het college is dat een voorziening financieel draagbaar is met een inkomen op bijstandsniveau als deze binnen 36 maanden kan worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand. De berekening is dan als volgt: bedrag geldende bijstandsnorm x 5 % x 36 maanden. Het college sluit hiervoor aan bij de afloscapaciteit van 5% volgens de Wet vereenvoudigde beslagvrijevoet. Door deze berekeningswijze wordt er rekening mee gehouden dat een cliënt in ieder geval over het bestaansminimum kan blijven beschikken. Volgens rechtspraak is de door het college gehanteerde berekeningswijze redelijk en toegestaan. (ECLI:NL:RBDHA:2021:2084) Individuele beoordeling Bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is moet altijd gekeken worden naar de algemene situatie. Daarnaast moet ook beoordeeld worden of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de specifieke aanvrager. Geeft de cliënt aan dat hij de algemeen gebruikelijke voorziening niet kan betalen, dan moet worden beoordeeld of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de specifieke aanvrager. Het is dan aan de cliënt om aannemelijk te maken dat de voorziening voor hem niet tot de (financiële) mogelijkheden behoort. Dit is uitdrukkelijk aan de cliënt, want bij het onderzoek naar de vraag of een voorziening voor een ieder als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden, mag het inkomen en/of vermogen geen rol spelen. De financiële situatie speelt dus alleen een rol als een cliënt betwist dat hij een algemeen gebruikelijke voorziening kan betalen. In zo’n geval kan het inkomen van de cliënt een rol spelen, maar ook het feit dat hij door een schuldsaneringstraject of beslag op zijn inkomen geen financiële ruimte heeft om te sparen of een lening af te sluiten. Als er sprake is van een plotseling optredende, onvoorziene noodzaak kunnen voorzieningen of kosten, die normaal gesproken als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt, dat in specifieke gevallen toch niet zijn. (ECLI:NL:CRVB:2021:160) Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn een (tweede) trapleuning, drempelhulpen, thermosstaatkranen, tandems en fietsen met hulpmotor of trapondersteuning. 2.2.4.Algemene voorziening Algemene voorzieningen zijn algemeen vrij toegankelijke voorzieningen waarvan iedereen gebruik kan maken, daarvoor is geen beschikking nodig. Algemene voorzieningen kunnen ook welzijnsvoorzieningen zijn. Daarmee bieden deze voorzieningen een snelle en adequate compensatie voor de beperkingen die iemand ervaart. 2.2.5.Maatwerkvoorziening Het is aan het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, ter bevordering van de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt, voor zover er geen andere oplossingen voor de hulpvraag vóórliggen. Uitgangspunt voor een Wmo-verstrekking is niet louter de diagnose of beperking van de cliënt. De Wmo 2015 betrekt uitdrukkelijk ook de eigen mogelijkheden van de cliënt of zijn sociale netwerk bij de oplossing van zijn probleem. Het college ondersteunt de cliënt waar hij beperkingen ervaart in zijn zelfredzaamheid en participatie in het maatschappelijk verkeer, indien alle voornoemde mogelijkheden de problemen niet kunnen oplossen. In artikel 7 van de Verordening Wmo 2022 zijn de criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening omschreven. Maatwerk is het op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen, vervoersmiddelen, beschermd wonen en opvang en andere maatregelen: ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, hulpmiddelen en andere maatregelen; ten behoeve van beschermd wonen en opvang. Ondersteuning in de vorm van dienstverlening kan plaatsvinden in arrangementen binnen één of meer resultaatgebieden (artikel 8 van de Verordening Wmo 2022). De resultaatgebieden kunnen in verschillende intensiteiten worden toegekend. De handleiding ‘Resultaatgericht indiceren’ geeft richtlijnen voor het vaststellen van de resultaatgebieden en de intensiteit van de zwaarte van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. HOOFDSTUK3Procedure 3.1.Informatie en Advies Wanneer een cliënt behoefte heeft aan informatie en advies over voorzieningen in Rijswijk kan hij terecht bij o.a. de zorgaanbieders, stichting Welzijn Rijswijk, MEE, Veilig Thuis, ouderenbonden, de kerken, het KlantContactCentrum, het Zorgloket en bij de Sociaal Wijkteams. Soms blijkt na een korte vraagverkenning dat informatie en advies voldoende is voor een cliënt om het ondervonden probleem op te lossen. Als het verstrekken van informatie en advies niet voldoende blijkt te zijn, kan de cliënt een melding doen. 3.2.Procedure voor een maatwerkvoorziening In de Wmo 2015 is een uitvoerige beschrijving van de toegangsprocedure opgenomen. De procedure voor een maatwerkvoorziening kent een aantal volgordelijke stappen die in de verordening is genoemd: A. Melding en onderzoek: melding hulpvraag (artikel 2 Verordening Wmo 2022) cliëntondersteuning (artikel 2 Verordening Wmo 2022) vooronderzoek en indienen van een persoonlijk plan (artikel 3 Verordening Wmo 2022) het onderzoek inclusief gesprek (artikel 3 Verordening Wmo 2022); advisering (artikel 6 Verordening Wmo 2022); het verslag (ondersteuningsplan en zorgplan/budgetplan artikel 4 Verordening Wmo 2022); Binnen maximaal 6 weken na datum melding dient het onderzoek plaats te vinden. Bij het inwinnen van advies door derden, bijvoorbeeld bij medische advisering, kan de termijn verlengd worden met de te verwachte en onderbouwde termijn. B. Besluitvorming: De aanvraag (artikel 5 Verordening Wmo 2022); Criteria maatwerkvoorziening (artikel 7 Verordening Wmo 2022) Beschikking (artikel 10 Verordening Wmo 2022) De maximale termijn voor de besluitvormingsfase is twee weken. Op het moment van bijzonderheden, bijvoorbeeld het nog ontbreken van informatie, kan de besluitvorming op basis van artikel 4:15 Awb opgeschort worden met de te verwachte en onderbouwde termijn. A. Procedure melding en onderzoek 3.2.1. Melding hulpvraag De cliënt of zijn directe omgeving meldt mondeling, schriftelijk of digitaal bij het college dat hij een hulpvraag heeft. Wil de cliënt mondeling een melding doen, dan vraagt de Wmo-consulent expliciet na of het inderdaad om een melding gaat. Het kan namelijk ook om een advies gaan; in dat geval wordt de procedure voor een maatwerkvoorziening niet gevolgd. Nadat de melding mondeling, schriftelijk of digitaal is binnengekomen, ontvangt de cliënt een schriftelijke ontvangstbevestiging waarin de melding wordt bevestigd en waarin informatie staat over het persoonlijk plan en de mogelijkheid gebruik te maken van cliëntondersteuning. De bevestiging van de melding omvat: schriftelijke informatie over de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan informatie over cliëntondersteuning; In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 en artikel 3 van de verordening. 3.2.2.Cliëntondersteuning De cliënt kan zich tijdens de procedure laten bijstaan door iemand uit zijn eigen omgeving of een cliëntondersteuner. De gemeente wijst de cliënt op de mogelijkheid van gratis beschikbare cliëntondersteuning. 3.2.3.Vooronderzoek en indienen van een persoonlijk plan Na de melding van de hulpvraag kan de cliënt een gemotiveerd persoonlijk plan indienen. Het persoonlijk plan gaat vooraf aan het gesprek en is onderdeel van het onderzoek. Door het opstellen van een persoonlijk plan wordt de cliënt gestimuleerd na te denken over zijn zorgvraag, deze uit te werken en te concretiseren en tevens het doelbereik en daarmee de kwaliteit van de zorg te evalueren. De cliënt kan in het persoonlijk plan opschrijven wat zijn voorkeur is voor personen of organisaties die ondersteuning kunnen leveren. De gemeente heeft een formulier beschikbaar gesteld waarop het persoonlijk plan kan worden ingevuld. De cliënt wordt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid gesteld de gemeente het plan te overhandigen. In een persoonlijk plan moet een aantal omstandigheden beschreven worden, welke vervolgens door het college onderzocht moet worden (waaronder artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015): de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie. De vraag wordt beantwoord of er al mantelzorg is en hoe deze er dan uitziet; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt. De ondersteuningsmogelijkheden voor de mantelzorger zodat deze niet overbelast wordt en raakt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zvw en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang. 3.2.4.Het onderzoek inclusief gesprek Als na de melding verdere vraagverheldering of verdieping nodig is, zal de consulent eerst een vooronderzoek doen naar de al beschikbare informatie binnen de gemeente. Daarna kan het gesprek worden gevoerd. De cliënt kan zich laten bijstaan door zijn mantelzorger en/of een cliëntondersteuner. Uitgangspunt bij het gesprek is de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt om het probleem zelf of met steun van zijn omgeving op te lossen. Van belang is dat goed in kaart wordt gebracht wat iemands problemen zijn, wat zijn leefomstandigheden zijn en zijn sociale omgeving is en wat de mogelijke oplossingen daarvoor zijn. Het onderzoek moet plaatsvinden in samenspraak met de inwoner. Het onderzoek volgt de volgende stappen die zijn vastgesteld door de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2018:819): Stap 1: Na de melding dient eerst de precieze hulpvraag te worden geduid. Stap 2: Er wordt bepaald wat de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie zijn. Stap 3: De aard en omvang van de ondersteuning die nodig om de client in voldoende mate zelfredzaam te laten zijn en te participeren en om de client zich weer (zelfstandig) staande kan houden in de samenleving, wordt in kaart gebracht. Stap 4: De mogelijkheid om met behulp van eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociale netwerk of een algemene voorzieningen de beperkingen in zelfredzaamheid of participatie te voorzien in een oplossing wordt onderzocht. Stap 5: Voor zover in het individuele geval noodzakelijk geacht, wordt specifieke deskundigheid ingeschakeld. Stap 6: Vervolgens dient geconcludeerd te worden of er door het college nog een deel van de hulpvraag gecompenseerd moet worden. stap 7: De uitkomsten van het onderzoek worden vastgelegd in een verslag dat aan de client wordt verstrekt. In artikel 2.3.2 Wmo 2015 staat welke zaken onderzocht moeten worden: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger(
- s)van de cliënt; de mogelijkheden van algemene voorzieningen om te komen tot verbetering van zelfredzaamheid en participatie; het noemen van de eigen bijdrage Algemene aandachtspunten bij het gesprek: Goed inschatten van eigen mogelijkheden inwoner (zelfinzicht, onder/overschatting). Belastbaarheid van de mantelzorger. de keuzemogelijkheid voor verstrekking via zorg in natura of in de vorm van een pgb. Als een cliënt voor een pgb kiest, wordt uitleg gegeven over de procedure die daarvoor doorlopen dient te worden. Cliënten moeten vooraf goed weten welke verantwoordelijkheden een pgb met zich meebrengt. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; Toelichten hoe proces verder verloopt, wat kan iemand verwachten en wanneer? het opstellen van een zorgplan door cliënt en de beoogde zorgaanbieder bij een maatwerkvoorziening (dienst). Indien de cliënt een persoonsgebonden budget (dienst) wenst, dient hij hiervoor een budgetplan in te leveren. Zie onder punt 3.2.6.2. Identificeren De cliënt verstrekt bij het aanvragen van een maatwerkvoorziening desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Tijdens het onderzoek wordt de identiteit van de cliënt vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Doorzenden Als uit het gesprek blijkt dat een aanvraag door een ander bestuursorgaan behandeld moet worden of als de cliënt een verzoek heeft ingediend bij de verkeerde gemeente heeft de gemeente een doorzendplicht volgens de Algemene wet bestuursrecht (artikel 2:3 Awb). 3.2.5.Advisering Om tot een goede beoordeling te komen, kan de Wmo-consulent een extern advies vragen bij een adviesinstantie, zoals een medisch, ergonomisch of bouwkundig adviseur. Het besluit dat wordt genomen op basis van extern advies, wordt getoetst aan artikel 3:9 Awb (zorgvuldig onderzoek). Vanwege de advisering kunnen verschillende offertes worden opgevraagd. 3.2.6.Het verslag (ondersteuningsplan en zorgplan/budgetplan) Het verslag moet een weergave zijn van: onderzoek van de gegevens die al binnen de gemeente bekend zijn; de uitkomsten van het gesprek/onderzoek; eventueel advies van een (medische) adviesinstantie; afweging of en welke ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening het meest passend is; de doelen en de te bereiken resultaten. De verantwoordelijkheid van het vaststellen van de ondersteuningsbehoefte ligt bij de gemeente. De gemeente bepaalt samen met de cliënt wat de gewenste resultaten zijn; de aanbieder bepaalt samen met de cliënt hoe de ondersteuning plaatsvindt om dit resultaat te kunnen behalen. 3.2.6.1.Ondersteuningsplan Naar aanleiding van een gesprek tussen de gemeente en de cliënt (met cliëntondersteuning als de cliënt dat wenst) wordt een ondersteuningsplan opgesteld met daarin concreet wat het te behalen resultaat is met de maatschappelijke ondersteuning. In het ondersteuningsplan (het ‘wat’) worden de maatwerkvoorzieningen benoemd in resultaatgebieden (diensten) of in niet-diensten (materieel). In het ondersteuningsplan staan de doelen die op eigen kracht en de doelen die met ondersteuning behaald worden, andere wetgeving, algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen eventueel aangevuld met een of meerdere maatwerkvoorzieningen. Wmo-voorzieningen maken deel uit van het arrangement dat in het ondersteuningsplan is beschreven maar worden niet opgenomen in het zorgplan. Een arrangement bestaat uit meerdere voorzieningen. Een cliënt kan een arrangement op meerdere te behalen resultaatgebieden toegewezen krijgen. Per resultaatgebied kan een andere trede (zorgzwaarte) van inzet geïndiceerd worden. De treden van de inzet zijn onderscheidend van elkaar in termen van mate van zelfredzaamheid op het specifieke resultaatgebied. De trede wordt in het ondersteuningsplan aangegeven. Indiceren geschiedt op basis van de handleiding ‘Resultaatgericht indiceren’. De handleiding geeft richtlijnen waarop de resultaatgebieden en de intensiteit van de zwaarte van de ondersteuningsvraag wordt vastgesteld om de ondersteuningsbehoefte van de cliënt vast te stellen. Deze handleiding is een werkinstructie en geen formeel vastgesteld stuk. De indicatie kan zo nodig voor een bepaalde tijd worden afgegeven om te kunnen beoordelen of het doel wordt behaald. Ook tussentijds kan het Zorgloket de behaalde doelen evalueren en beoordelen of ze behaald worden. Dit is onderdeel van het ondersteuningsplan. 3.2.6.2.Zorgplan of budgetplan De inwoner heeft keuzevrijheid en heeft zelf invloed op de wijze waarop de ondersteuning wordt ingevuld, dit kan door middel van zorg in natura (ZiN) of een persoonsgebonden budet (pgb). Zorg in natura: zorgplan Bij zorg in natura stellen gecontracteerde aanbieders samen met de inwoner het zorgplan (het ‘hoe’) op. Het opstellen en uitvoeren van een zorgplan dat aansluit op dat resultaatgebied is de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder. In het zorgplan beschrijft de aanbieder samen met de cliënt hoe de ondersteuning uitgevoerd moet worden om het resultaat te kunnen behalen. De Wmo-consulenten houden tijdens het onderzoek rekening met de specialisatie van aanbieders en wensen en mogelijkheden van de situatie van de cliënt. De cliënt kiest een zorgaanbieder waarmee hij/zij samen afspraken maakt over hoe gewenste doelen behaald kunnen worden. Deze afspraken worden vastgelegd in het zorgplan. De aanbieder beschrijft samen met de cliënt hoe de ondersteuning plaatsvindt om de gewenste resultaten te kunnen behalen. In het zorgplan staat wie, wat in welke frequentie doet om te komen tot het gewenste doel. De coördinerende aanbieder kan ook andere partijen (bijvoorbeeld welzijnswerk of andere aanbieders) inzetten om het doel te bereiken. Per resultaatgebied kunnen verschillende expertisegebieden van toepassing zijn. Als een cliënt uit verschillende resultaatgebieden ondersteuning moet krijgen, wordt bij voorkeur gekozen voor een aanbieder die meerdere percelen kan aanbieden. Als verschillende aanbieders de ondersteuning moeten geven, dient er wel coördinatie plaats te vinden. De coördinerende aanbieder schrijft een integraal zorgplan. Zorg via pgb: budgetplan In geval van een pgb is het budgetplan onderdeel van het verslag. Het budgetplan wordt door de budgethouder ingevuld. Het budgetplan omvat de uitwerking van de benodigde zorg en de daarmee samenhangende kosten. De gemeente heeft een format vastgesteld waar een budgetplan aan moet voldoen. Tijdens het gesprek wordt de cliënt voorzien van informatie (mondeling, formulieren) die nodig is om het budgetplan op te stellen. Inhoud budgetplan: motivatie van de keuze voor de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb; wijze waarop de ondersteuning middels een pgb bijdraagt aan participatie en zelfredzaamheid, omschreven in concrete resultaten; welke zorg ingekocht gaat worden voor het beschikbare budget en waar en hoe de budgethouder zijn ondersteuning inkoopt (selecteren zorgaanbieder, aangaan contract, aansturen zorgaanbieder, bijhouden administratie); hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; en welke resultaten er bereikt gaan worden. hoe de hulp gecontinueerd wordt bij afwezigheid van hulpverlener door bijvoorbeeld ziekte of verlof; de verwachte omvang en duur van de ondersteuning; een begroting; wie het pgb beheert; cliënt zelf of een door hem gekozen pgb-vertegenwoordiger. Wanneer het budgetplan volledig is ingevuld en getekend, beoordeelt de Wmo-consulent of het plan in voldoende mate voldoet aan de gestelde eisen. Indien dit niet het geval is vindt een tweede gesprek plaats waarin de consulent uitleg geeft over de constateringen. Indien de budgethouder een pgb-vertegenwoordiger aanstelt om zijn of haar pgb te beheren, dient ook de pgb-vertegenwoordiger gesproken te worden. De cliënt en/of zijn pgb-vertegenwoordiger krijgt vervolgens de kans om het pgb-budgetplan aan te passen. 3.2.6.3Ondertekening Het ondersteuningsplan wordt ondertekend voor akkoord of niet akkoord door de cliënt en de gemeente. De ondertekening van het ondersteuningsplan en zorgplan/budgetplan kan zowel met een fysieke handtekening als met een akkoord per e-mail plaatsvinden. Volmacht Als een cliënt zelf niet in staat is om te ondertekenen, mag iemand anders in dat geval ondertekenen bij volmacht. Een gevolmachtigde is degene aan wie een ander (in dit geval de cliënt) de bevoegdheid heeft verleend om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten. Dit kan bijvoorbeeld een mantelzorger of familielid zijn. Als de cliënt een gevolmachtigde laat tekenen dient de cliënt het bewijs, dat deze persoon gevolmachtigd is om namens de cliënt te tekenen, op te sturen: een kopie van de uitspraak van de rechtbank van onder curatelestelling dan wel mentorschap of notariële machtiging/ levenstestament; een kopie van een geldig identiteitsbewijs van deze gevolmachtigde. Het gebruik van een volmacht geldt ook voor ondertekening van bijvoorbeeld het zorgplan of het indienen van een aanvraag. De volmacht (kopie) dient in het dossier opgeslagen te worden. De cliënt tekent het ondersteuningsplan voor akkoord of niet akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen uiterlijk veertien werkdagen is geretourneerd aan het college. Wordt het verslag niet retour ontvangen, dan zijn er twee opties: in de situatie waarin tijdens het gesprek een oplossing is gevonden voor het probleem (bijvoorbeeld een algemene voorziening, doorverwijzing etc.), wordt er richting de cliënt geen verdere actie genomen wanneer het verslag niet retour wordt ontvangen. De melding wordt afgesloten. In de begeleidende brief wordt uitleg gegeven en het is niet wenselijk de cliënt verder te belasten met meer brieven. voor alle overige situaties wordt een rappelbrief verstuurd waarin de cliënt nog een laatste termijn krijgt om het ver slag retour te sturen. In die brief wordt ook aangegeven dat iemand de mogelijkheid heeft een aanvraagformulier te gebruiken. Als het verslag of aanvraagformulier niet tijdig worden ingeleverd, wordt de melding afgesloten, zoals dit ook is uitgelegd in de rappelbrief. Tekent de cliënt voor niet akkoord dan kan hij het ondersteuningsplan wel laten aanmerken als aanvraag. Het zorgplan/budgetplan wordt ondertekend door de cliënt (of gevolmachtigde) en de zorgaanbieder. De cliënt kan tekenen voor akkoord of niet akkoord. Als de cliënt tekent voor niet akkoord, kan de cliënt daarbij aangeven wat de reden is en kan hij hiermee een aanvraag indienen voor de voor hem beoogde oplossing. Binnen twee weken na de ontvangst van een ondersteuningsplan levert de zorgprofessional een zorgplan/budgetplan aan bij de gemeente. Zonder ondertekend zorgplan/budgetplan komt er geen beslissing van de gemeente. Het ondertekende verslag (ondersteuning en zorgplan/budgetplan gezamenlijk) dient als aanvraag voor ondersteuning op basis van de Wmo. Heeft de gemeente een beslissing genomen op de aanvraag, dan start de ondersteuning van de cliënt vijf werkdagen na het afgeven van de beschikking. In de beschikking is de definitieve opdracht van de gemeente aan de zorgaanbieder opgenomen. De gemeente verwacht dat een aanbieder intercultureel kan werken. Er worden geen tolken ingezet voor het vertalen naar andere talen. B. Procedure van besluitvorming Na de eerste fase van melding en ondersteuning wordt er over gegaan naar de tweede fase in de procedure; aanvraag en beschikking. 3.2.7Aanvraag Een cliënt dient een aanvraag in op een door de gemeente vastgestelde aanvraagformulier. Een onderzoeksverslag (ondersteuningsplan en zorgplan/budgetplan) kan als aanvraag dienen als in het verslag gemeld wordt dat het verslag ook als aanvraag gezien dient te worden. Als een cliënt een aanvraag indient zonder dat een gesprek en vooronderzoek heeft plaatsgevonden wordt de aanvraag als melding aangemerkt en wordt de reguliere procedure gevolgd. Uit artikel 2.3.2 lid 9 van de Wmo 2015 blijkt namelijk dat een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 alleen kan worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken. Als de aanvraaggegevens van de cliënt niet compleet zijn, krijgt de cliënt een aanvultermijn om de gegevens aan te leveren. Als de gegevens niet compleet zijn, wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten. De cliënt ontvangt hiervan een beschikking. 3.2.8Criteria maatwerkvoorziening De criteria of iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt zijn beschrijven in hoofdstuk 4 paragraaf 1 tot en met 6 van deze regels. 3.2.9Beschikking De totale beoordeling van de aanvraag leidt tot een beschikking. De cliënt ontvangt, binnen twee weken na de aanvraag, een beschikking op grond van de Wmo 2015. De twee weken termijn wordt verlengd met de benutte aanvultermijn. Als duidelijk is dat de termijn van twee weken overschreden gaat worden, moet er op dat moment een uitstelbericht naar de cliënt verzonden te worden. In deze brief moet de reden van uitstel benoemd worden en moet er op dat moment gekeken worden of de beslistermijn op basis van artikel 4:15 van de Awb kan worden opgeschort. De uiterlijke termijn van afhandeling moet worden opgenomen in de beschikking (uitstelbrief). In artikel 10 van de Verordening Wmo 2022 staan de eisen waaraan de beschikking moet voldoen. Indien van toepassing maken het ondersteuningsplan en het zorgplan (natura) een vast onderdeel uit van een besluit voor een maatwerkvoorziening. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval gemotiveerd aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke voorziening wordt verstrekt en wat het resultaat daarvan moet zijn; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking van deze voorziening is; wat het te verwachten resultaat van de voorziening die wordt verstrekt is (wat het resultaat moet zijn, welke activiteiten moeten worden uitgevoerd om het resultaat te bereiken en met welke frequentie deze activiteiten moeten worden verricht); welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is in de beschikking in ieder geval vastgelegd: Voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; de wijze van toezicht en verantwoording van de besteding van het pgb. Als sprake is van een te betalen eigen bijdrage (het abonnementstarief) wordt dit in de beschikking aangegeven. Tevens wordt toegelicht hoe lang de eigen bijdrage gevraagd wordt. Voor een maatwerkvoorziening (immaterieel en materieel) wordt in alle gevallen één beschikking afgegeven, dat is inclusief de additioneel toe te kennen producten en voorzieningen. Het ondertekende ondersteuningsplan én het ondertekende zorgplan/budgetplan zijn onderdeel van de beschikking. De beschikking is voor de cliënt, die hieraan rechtszekerheid kan ontlenen. De beschikking is iets anders dan de opdracht die aan aanbieders wordt verleend. Als een hulpvraag is verdeeld over meerdere resultaatgebieden én meerdere aanbieders, dan zijn er meerdere zorgtoewijzingen. Er geldt voor ieder onderdeel binnen de resultaatgebieden, inclusief aanvullend te indiceren producten, een acceptatieplicht door de aanbieder. De geldigheidsduur van de indicatie wordt bepaald door de WMO-consulent. In situaties waar geen veranderingen verwacht worden, bijvoorbeeld bij chronische aandoeningen, kan de indicatie voor onbepaalde tijd worden afgegeven. Daar waar de situatie van de client kan worden verbeterd of juist verslechterd geven we kortdurende indicaties af. Op deze wijze kunnen we de ondersteuning zo goed mogelijk laten aansluiten op de situatie van de client. Indien de aanbieder tijdens of na het opstellen van het zorgplan het inzicht verwerft dat bepaalde aspecten in het ondersteuningsplan ontbreken of niet blijken te kloppen, dan heeft de aanbieder de ruimte om hierover in overleg te gaan met het Zorgloket. Ook als de cliënt het niet eens kan worden met de zorgaanbieder zal overleg plaatsvinden met het Zorgloket. Het Zorgloket beoordeelt dan wat de gepaste oplossing is. De zorgaanbieder is verplicht binnen vijf werkdagen na het afgeven van de beschikking ondersteuning te bieden aan de cliënt. Als een beschikking op een cliëntnaam staat die geen zorg meer ontvangt, bijvoorbeeld in verband met opname in een instelling op basis van de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz), dan moet de achterblijvende partner, indien hij de voorziening nog wenst te ontvangen, direct een melding bij de gemeente doen. Die situatie wordt dan opnieuw beoordeeld. Tegen de beslissing die vermeld wordt in de beschikking, is bezwaar en beroep mogelijk volgens de Awb. 3.3Privacy Bij het verwerken van persoonsgegevens wordt de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) in acht genomen. De privacywetgeving heeft betrekking op de hele procedure. HOOFDSTUK4.Criteria maatwerkvoorzieningen In artikel 7 van de Verordening Wmo 2022 staan criteria voor een maatwerkvoorziening. Daarop geldt aanvullend het volgende: 4.1.Hoofdverblijf Een voorwaarde om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen is dat de cliënt zijn hoofdverblijf in Rijswijk heeft. Hoofdverblijf wordt als volgt gedefinieerd: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar een persoon zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres indien een persoon met een briefadres is ingeschreven. Hoofdverblijf betekent meer dan alleen ingeschreven staan in de BRP; de cliënt moet daadwerkelijk het grootste deel van de tijd in de gemeente verblijven. Als de cliënt kan aantonen dat hij op korte termijn in Rijswijk komt wonen, kan, als hij nog niet staat ingeschreven in de BRP, de melding in behandeling worden genomen. 4.2.Goedkoopst adequaat De naar objectieve maatstaven gemeten "goedkoopst adequate" voorziening geldt als norm voor de verstrekking (artikel 7 lid 8 van de Verordening Wmo 2022). Adequaat houdt in dat de voorziening haar doel moet bereiken op het gebied van zelfredzaamheid en/of participatie. Voldoen meerdere voorzieningen aan dit criterium, dan beschikt de gemeente de goedkoopst adequate voorziening. Als de cliënt een duurdere voorziening wil (die eveneens adequaat
- is)komen de meerkosten voor rekening van de cliënt. In dergelijke situaties vindt de verstrekking plaats in de vorm van een pgb gebaseerd op de goedkoopst adequate voorziening. 4.3.Verantwoordelijkheden cliënt versus college In de Wmo 2015 wordt uitgegaan van wederzijdse inspanningen van zowel de gemeente als de cliënt. Er wordt zowel een beroep gedaan op de gemeente om uitgebreid alle mogelijkheden om tot oplossingen te komen te onderzoeken, als op de eigen kracht van de cliënt van wie wordt verwacht eerst zelf naar oplossingen te zoeken voordat bij de gemeente om ondersteuning wordt gevraagd. De cliënt heeft de verantwoordelijkheid om het college volledig en vroegtijdig informatie te verschaffen in de omstandigheden of wijzigingen in de omstandigheden. 4.4.Gebruikelijke hulp en bovengebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Bovengebruikelijke hulp is zorg die geleverd wordt door een familielid of een bekende uit het sociale netwerk waarbij die persoon meer zorg levert dan onder de gebruikelijke hulp wordt verstaan. Voor het vaststellen van de ondersteuning die ouders/gezinsleden redelijkerwijs zonder betaling bieden, is de Richtlijn gebruikelijke hulp (bijlage 2) . Voor bovengebruikelijke hulp kan een maatwerkvoorziening verstrekt worden. 4.5.Maatwerkvoorziening bij langdurige noodzaak Het college verstrekt een maatwerkvoorziening die vooral gericht is op zelfredzaamheid en participatie als de maatwerkvoorziening langdurig noodzakelijk is voor het gebruik. Met langdurig noodzakelijk of “duurzaam” wordt over het algemeen verstaan langer dan 6 maanden waarop de cliënt, vanwege de aard van de beperkingen, een beroep zou moeten doen op de voorziening. Voor kortdurende voorzieningen wordt in eerste instantie verwezen naar de Zvw en algemene en basisvoorzieningen. 4.6.Beëindiging maatwerkvoorziening De maatwerkvoorziening wordt beëindigd bij overlijden, verhuizen naar een andere gemeente of als de voorziening niet langer noodzakelijk is. Ook kan een maatwerkvoorziening worden ingetrokken dan wel worden beëindigd als achteraf blijkt dat tijdens de afgifte van de indicatie onjuiste gegevens zijn verstrekt. HOOFDSTUK5.Maatwerkvoorzieningen Immaterieel Dit hoofdstuk gaat over immateriële maatwerkvoorzieningen die ingezet kunnen worden om de beperkingen die de inwoner ervaart in de zelfredzaamheid en/of participatie te compenseren. We onderscheiden de volgende immateriële voorzieningen: dienstverlening op het gebied van sociaal en persoonlijk functioneren, financiën, huisvesting, dagbesteding, ondersteuning en regie bij het huishouden en gezondheid. Verder gaan we in dit hoofdstuk in op de term resultaatgericht indiceren en de daarbij behorende term resultaatgebieden. 5.1Resultaatgericht indiceren De gemeente is verantwoordelijk voor het verstrekken van maatwerkvoorzieningen. De inzet van de maatwerkvoorziening is gericht op het zo zelfredzaam mogelijk kunnen (blijven) meedoen van cliënten op het moment dat dit (even) niet geheel zelfstandig lukt en/of het sociale netwerk en/of algemene voorzieningen dit niet (volledig) kunnen bereiken (Artikel 7 van de Verordening Wmo 2022). De maatwerkvoorziening is nadrukkelijk gericht op het versterken dan wel behoud van de zelfredzaamheid en mogelijkheden om mee te doen in de samenleving. Er wordt bij het inzetten van zorg gekeken naar de werkelijke vraag van de cliënt. Het te behalen resultaat is leidend. Al naar gelang de problematiek en de persoonlijke omstandigheden van de cliënt indiceert de Wmo-consulent de maatwerkvoorziening. 5.2Resultaatgebieden De definitie van resultaatgebieden luidt: “Het te bereiken resultaat is altijd gericht op het vermogen van inwoners om zichzelf aan te passen en een eigen regie te voeren in het licht van de fysieke, sociale en emotionele uitdagingen van het leven.” Het te behalen resultaat wordt door de gemeente geïndiceerd gebaseerd op de handleiding ‘Resultaatgericht indiceren’. Als naar aanleiding van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep, de VNG en VWS adviseren om de resultaatgebieden strikter te indiceren, zal daartoe overgegaan worden. In de beschrijving van het resultaat staat niet de beperking centraal maar de behoefte. Het stellen van een diagnose is niet noodzakelijk voor een Wmo-aanvraag. De ondersteuning in de vorm van dienstverlening vindt plaats in de vorm van een arrangement binnen één of meer van de volgende resultaatgebieden: Resultaatgebied 1: Sociaal en persoonlijk functioneren Resultaatgebied 2: Financiën Resultaatgebied 3: Huisvesting Resultaatgebied 4: Dagbesteding Resultaatgebied 5: Ondersteuning en regie bij huishouden Resultaatgebied 6: Gezondheid De resultaatgebieden bestaan uit verschillende intensiteiten (treden) die staan voor de zwaarte van de ondersteuningsvraag. De resultaatgebieden en intensiteiten vormen samen een matrix van waaruit arrangementen samengesteld kunnen worden. Het is mogelijk om voor ondersteuning in de hier genoemde resultaatgebieden specifieke maatwerkvoorzieningen (artikel 8 sub c Verordening Wmo 2022) te indiceren of aanvullende producten (artikel 8 sub d Verordening Wmo 2022). De Resultatenmatrix is in bijlage 7 weergegeven. Zintuiglijk beperkten Voor zintuiglijk beperkten is een aantal landelijke zorgaanbieders geselecteerd, die de ondersteuningsbehoefte in kaart brengen en begeleiding bieden. Namens de Nederlandse gemeenten heeft de VNG afspraken gemaakt over de inkoop bij deze landelijke aanbieders van specialistische functies of voorzieningen ten behoeve van zintuiglijk beperkten. Rijswijk onderzoekt, geeft de beschikking af en betaalt deze ondersteuning. 5.2.1Beschrijving van het resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren Het resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren draagt ertoe bij dat de cliënt zelfredzaam kan participeren in een sociale leefomgeving. Ondersteuning is gericht op het (re)vitaliseren en onderhouden van een sociaal netwerk en omgeving, dat ondersteunend is bij maatschappelijke participatie (gericht op aspecten die niet in de cliënt gelegen zijn). Ondersteuning op dit resultaatgebied kan onder meer gericht zijn op: het plannen en organiseren van dagelijkse activiteiten. Onder het plannen, aanleren en organiseren van de dagelijkse activiteiten vallen activiteiten zoals het nakomen van afspraken, het hebben van een gezond dag en nacht ritme en een gezonde levensstijl het opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk, de (betekenisvolle) relaties met vrienden, familie, kennissen en mantelzorgers; het hebben van gezonde relaties met de personen en gezinsleden met wie de cliënt een huishouden deelt. Het verlichten van de druk die de mensen in het steunsysteem ervaren in relatie tot de problematiek van de cliënt; maatschappelijk herstel gericht op deelname in de maatschappij. 5.2.2.Beschrijving van het resultaatgebied Financiën Ondersteuning in resultaatgebied Financiën richt zich op het creëren en behouden van overzicht en controle op een gezonde financiële huishouding. Ondersteuning binnen dit resultaatgebied kan onder meer gericht zijn op: het op orde krijgen en houden van administratie; het uitgavepatroon in balans brengen en houden waardoor schulden verminderen; het genereren van inkomen dat aan basisbehoeften voldoet, zonder uitkering; het organiseren van adequaat financieel beheer. Het toeleiden naar voorliggende voorzieningen mbt de financiën (om stabiliteit te behouden) 5.2.3.Beschrijving van het resultaatgebied Huisvesting Het resultaatgebied Huisvesting draagt ertoe bij dat cliënten een betaalbare en geschikte huisvesting hebben en kunnen houden. Hulp is onder meer gericht op een veilige, toereikende en (waar mogelijk) autonome huisvesting, die past bij de beperking die iemand mogelijk heeft. Ondersteuning binnen dit resultaatgebied kan onder meer gericht zijn op: het ondersteunen bij het vinden en behouden van een geschikte/gepaste woonruimte; het aanleren van bewonersvaardigheden (goede omgang met buren); het niet geven van overlast; het aanleren van vaardigheden om zelfstandig te kunnen wonen. 5.2.4.Beschrijving van het resultaatgebied Dagbesteding Het resultaatgebied dagbesteding draagt ertoe bij dat cliënten op zinvolle wijze de dagen (kunnen) invullen met ondersteuning. Dagbesteding kent verschillende vormen van ondersteuning. Denk bijvoorbeeld aan groepsactiviteiten, maar ook het toe leiden naar vrijwilligerswerk of nuttige activiteiten. Ondersteuning binnen dit resultaatgebied kan onder meer gericht zijn op: Het ontwikkelen van de vaardigheden van de cliënt die de mogelijkheden om te participeren binnen de samenleving vergroot; Waar mogelijk de cliënt toe leiden naar voorliggende (arbeids)mogelijkheden; Het bieden van een dagprogramma/dagbesteding waaraan cliënten kunnen deelnemen als zij niet in staat zijn om zelfstandig hun dag in te vullen, waarbij het maximale uit de cliënt wordt gehaald. Het ontlasten van de mantelzorger. 5.2.5.Beschrijving van het resultaatgebied Ondersteuning en Regie bij huishouden Het resultaatgebied Ondersteuning en regie bij het huishouden draagt ertoe bij dat de cliënt verantwoord zelfstandig kan blijven wonen. Ondersteuning binnen dit resultaatgebied kan onder meer gericht zijn op: het creëren en/of behouden van een gezonde, schone, veilige huishouding en op het zelfstandig kunnen voeren van regie; het schoon en leefbaar houden van de dagelijkse gebruiksruimten, zoals woonkamer, slaapkamer, toilet, keuken, badkamer en de gangen daarnaartoe, en het beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en schoon beddengoed; Het organiseren van het huishouden en de dagelijkse activiteiten die daarbij horen – zoals het verzorgen van boodschappen en maaltijden – en extra schoonmaaktaken in verband met aanwezigheid van kinderen. Als mensen zelfstandig samenwonen op één adres en gemeenschappelijke ruimtes delen, wordt verwacht dat het aandeel in het schoonmaken van de gedeelde ruimtes bij uitval van één van de bewoners wordt overgenomen door één van de anders bewoner(s). Het resultaatgebied Ondersteuning en regie bij huishouden heeft alleen betrekking op de eigen woonruimte(
- n)van de cliënt. In geval van kamerverhuur is de (mede) huurder geen huisgenoot van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht. Huishoudelijke hulp is niet aan de orde in vakantiewoningen, tweede woningen en hotels/pensions. Ernstig vervuilde huishoudens moeten worden aangemeld bij de GGD. Vanuit de Wmo kan na sanering een éénmalige grote schoonmaak worden ingezet. Na deze schoonmaak kan indien nodig een maatwerkvoorziening op het resultaatgebied Ondersteuning en regie bij huishouden worden afgegeven. Schoonmaakhulp voor eigen rekening Ook als een inwoner al gewend was om voor eigen rekening een schoonmaakhulp in te huren, dan gaat het toch alleen om de beoordeling van zijn huidige situatie. Als deze aanleiding geeft tot verstrekking van een maatwerkvoorziening, dan moet dat gebeuren door de gemeente, ook als de cliënt nu zelf hulp betaalt. Wel kan worden gekeken of er sprake is van eigen kracht en gebruikelijke hulp en er daarom geen beroep kan worden gedaan op gemeentelijke ondersteuning. Als uit onderzoek blijkt dat cliënt in staat is om gebruik te maken van een was- en strijkservice dan wordt dit als voorliggende voorziening gezien. De was- en strijkservice wordt momenteel in de gemeente Delft en Midden Delfland ingezet. Voor de gemeente Rijswijk is dit nog in ontwikkeling. Normenkader resultaatgebied Ondersteuning en regie bij het huishouden Met resultaatgericht indiceren wordt gekeken naar de behoefte van de cliënt voor wat er nodig is om (zoveel mogelijk) zelfredzaam te blijven en welke mogelijkheden er zijn om mee te doen in de samenleving. Het resultaat is hierbij leidend, niet het aantal uren van ondersteuning. Na een indicatie voor ondersteuning en regie bij het huishouden maken de cliënt en de zorgaanbieder afspraken over hoe het resultaat behaald wordt (zorgplan/budgetplan). In het zorgplan staat beschreven hoe het resultaat behaald wordt, met welke activiteiten en in welke frequentie (niet het aantal uren). Is het resultaat bijvoorbeeld een schoon huis, dan staat in het zorgplan wat er gedaan wordt om het huis schoon te maken/houden en op welke dagen de ondersteuning wordt geleverd. Niet hoe lang de zorgverlener bezig is met het schoonmaken. Met betrekking tot de kwaliteit van ondersteuning en regie in het huishouden laat de gemeente regelmatige een streekproef uitvoeren onder cliënten die deze ondersteuning krijgen. 5.2.6.Beschrijving van het resultaatgebied Gezondheid Het resultaatgebied gezondheid draagt ertoe bij dat cliënten noodzakelijke lichamelijke en/of geestelijke behandeling ontvangen. Daarnaast kan binnen dit resultaat gebied aandacht besteed worden aan de uitvoering van de persoonlijke hygiëne. Ondersteuning binnen dit resultaatgebied omvat onder andere: Toe leiden naar behandeling Behandeltrouw zijn De verlengde arm van de behandelaar zijn 5.3.Specifieke maatwerkvoorzieningen Voor de onderstaande resultaten hebben wij de specifieke maatwerkvoorzieningen Kortdurend Verblijf en Ontmoetingscentra. Na toekenning zal periodiek gemonitord worden of de voorziening vanuit de Wmo nodig blijft, of dat een indicatie vanuit de Wlz van toepassing. 5.3.1Kortdurend Verblijf Kortdurend Verblijf draagt ertoe bij dat de cliënt in een veilige omgeving kan vertoeven zodat de thuissituatie/ de mantelzorger tijdelijk wordt ontlast. Ondersteuning binnen dit resultaatgebied kan onder meer gericht zijn: het in groepsverband ondernemen van dagactiviteiten het in groepsverband toepassen van sociale vaardigheden het ontlasten van de thuissituatie Permanent toezicht, gericht op: Het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig kan worden ingegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, en/of complicaties bij een ziekte. Verpleging hoort hier nadrukkelijk niet bij; hiertoe moet een aparte indicatie worden aangevraagd en dit loopt via de Zvw. Het verlenen van zorg op frequente en/of ongeregelde tijden, omdat de cliënt zelf niet (meer) in staat is om hulp in te roepen; Het preventief ingrijpen bij gedragsproblemen (voorkomen van escalatie en gevaar). Kortdurend verblijf omvat een huisvestingscomponent (logeren op locatie), de maaltijden, drinken en activiteiten, en het component zorg en verpleging, niet declarabel bij Zvw. Het gaat om kortdurend verblijf ter ontlasting van de thuissituatie/de mantelzorger. De aanbieder wijst een coördinator aan voor de verbinding met de Toegang H4. De aanbieder is in staat om de afweging te maken of er sprake is van het bieden van respijtzorg in het kader van de Wmo. De aanbieder hanteert hierbij de afbakening met de Zvw en de Wlz. Bij Kortdurend Verblijf woont een cliënt thuis, maar logeert hij/zij voor korte periodes, in een instelling. Kortdurend Verblijf kan worden ingezet als het noodzakelijk is de persoon te ontlasten die normaal gesproken (mantel)zorg aan de cliënt levert. Daarnaast moet de cliënt zijn aangewezen op zorg met permanent toezicht. Het toezicht kan gericht zijn op: het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig kan worden ingegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, en/of complicaties bij een ziekte; Verpleging hoort hier nadrukkelijk niet bij; hiertoe moet een aparte indicatie worden aangevraagd en dit loopt via de Zvw. het verlenen van zorg op frequente en/of ongeregelde tijden, omdat de cliënt zelf niet (meer) in staat is om hulp in te roepen; het preventief ingrijpen bij gedragsproblemen (voorkomen van escalatie en gevaar). In de locatie waar de cliënt kortdurend verblijft wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Wanneer verpleging nodig is moet hiervoor apart een indicatie worden afgegeven en komt het ten laste van de zorgverzekeringswet. Behandeling behoort nadrukkelijk niet bij kortdurend verblijf. Als een cliënt deelneemt aan een ontmoetingscentrum en tijdelijk gebruik maakt van Kortdurend Verblijf, dan is deelname aan het ontmoetingscentrum gedurende het verblijf niet toegestaan. Dit in verband met de stapeling van ondersteuning. Als richtlijn voor kortdurend verblijf kunnen maximaal 3 etmalen in een week toegekend worden. Als er meer etmalen nodig zijn, wordt gekeken of de Wlz passender voor de cliënt is. Het is denkbaar dat hierop in specifieke situaties een uitzondering kan worden gemaakt. Bijvoorbeeld bij verblijf van een week, zodat de mantelzorger op vakantie kan. Dan moet wel vaststaan dat andere oplossingen, zoals een respijtzorgvergoeding door de ziektekostenverzekeraar geen optie zijn. Vervoer van en naar instelling De cliënt is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor Kortdurend Verblijf. Hij kan hiervoor gebruik maken van eigen vervoer of van hulp bij zijn vervoer uit het eigen sociale netwerk. Wanneer de cliënt beperkingen heeft op het gebied van vervoer, wordt gekeken welke oplossing mogelijk is. Wordt gekozen voor een oplossing vanuit de Wmo, dan wordt daar een indicatie voor afgegeven. 5.3.2Ontmoetingscentra Ontmoetingscentra richten zich op ondersteuning van: thuiswonende mensen met dementie, waarbij het netwerk sterk genoeg is om iemand nog thuis te laten wonen; ouderen met verminderde regie door complexe chronisch somatische aandoeningen en ouderen met verminderde regie door psychiatrische problematiek en de ondersteuning van mantelzorgers Ontmoetingscentra richten zich op ondersteuning van mantelzorgers en mensen met dementie, om overbelasting te voorkomen en mensen langer thuis te laten wonen. Via de ontmoetingscentra moet een soepele overgang naar de Wlz mogelijk zijn zonder van locatie te hoeven veranderen. De ondersteuning vanuit ontmoetingscentra bestaat uit: wenperiode en ondersteuning van de mantelzorger: Kennis maken met het gebruik van de ontmoetingscentra. De kennismaking is tijdelijk, minimaal 2 en maximaal 6 weken en maximaal 10 dagdelen, waarbij bij de start contact wordt gezocht met de toegang van de gemeente. Vervoer is voor eigen rekening tijdens de wenperiode. reguliere deelname: De Wmo-consulent bepaalt na het onderzoek hoeveel dagdelen de cliënt naar het ontmoetingscentrum zal gaan. Indien noodzakelijk wordt het vervoer van en naar het ontmoetingscentrum geïndiceerd als cliënt en het sociaal netwerk dit niet zelf kunnen organiseren. Het gaat om maximaal 10 dagdelen per week. Als er meer dagdelen nodig zijn, wordt gekeken of de Wlz meer past voor de cliënt. Er wordt gewerkt volgens de effectieve interventie2http://www.databankinterventies.nl/interventie-Ontmoetingscentra.html. 5.4.Producten die aanvullend geïndiceerd kunnen worden Naast een aantal resultaten uit de resultaatmatrix kunnen een aantal producten geïndiceerd worden. Hieronder een beschrijving van deze producten en binnen welk resultaatgebied ze geleverd kunnen worden. Maaltijdvoorziening: Het bereiden en klaarzetten van een maaltijd (onder andere brood smeren en/of magnetron maaltijd opwarmen en/of koken en het klaarzetten van de maaltijd) en/of toezicht houden tijdens de maaltijd (erop toezien dat de maaltijd genuttigd wordt). Vervoer: het vervoeren van een persoon met of zonder rolstoel. Ten behoeve van de resultaatgebieden 1, 2, 3, 4, 6 en het hierboven genoemde specifieke maatwerkproduct ontmoetingscentra. Niet-acute zorg buiten kantoortijden: ten behoeve van de resultaatgebieden 1,2,3,4,5 en 6. Het bereikbaar zijn voor cliënten 24 uur per dag; Waakvlam: ten behoeve van de resultaatgebieden 1, 2, 3, 4 en 6. Periodiek contact ten behoeve van nazorg door bekende begeleider ter voorkoming en het vroeg signaleren van terugval. Wasverzorging: Het doen van de was (of een gedeelte van de was taken). Te koppelen aan een trede binnen resultaatgebied 5. Toeleiden naar passende dagbesteding: Dit product is inhoudelijk gelijk aan resultaatgebied dagbesteding trede 4, waarbij de nadruk ligt op het begeleiden van de cliënt naar een passende vorm van dagbesteding, veelal in het voorliggend veld zoals vrijwilligerswerk of een nuttige activiteit. Kindzorg: Het tijdelijk overnemen van de reguliere verzorging van een gezond kind tot 12 jaar bij uitval van de ouder(
- s)en de afwezigheid van informele zorg en algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen. 5.5Beschermd wonen Bij het ‘beschermd wonen’ gericht op participatie gaat het om de cliënt die een beschermde woonomgeving en toezicht nodig heeft, maar voor wie er geen noodzaak is voor opname in een instelling vanwege een psychiatrische behandeling (beschermd wonen gericht op behandeling is onderdeel van de Zvw). De cliënt heeft vanwege zijn psychische beperkingen op meerdere momenten van de dag begeleiding en toezicht nodig. De zorgverlening moet hem op relevante (onverwachte) momenten ondersteunen bij de oordeelsvorming over essentiële zaken in het dagelijkse bestaan. Hij kan de consequenties van eigen handelen niet overzien. Het mogelijke gevaar kan optreden als gevolg van het ontbreken van voldoende regie en regelvermogen. Vanwege de psychische problemen is hij niet (altijd) in staat tijdig een zorgverlener op te roepen. Er doen zich dagelijks ongeplande zorgmomenten voor, waarbij de zorgverlener het initiatief moet nemen om op deze momenten de zorg te verlenen. Ook erkent de cliënt niet altijd de behoefte aan zorg, waardoor mogelijk gevaar kan ontstaan. Het wachten op de komst van de zorgverlener als zich ongeplande zorgmomenten voordoen brengt hem niet in levensgevaar. Het kerndoel van verblijf op basis van ‘beschermd wonen’ is gericht op het creëren van de noodzakelijke voorwaarden om samenhangende zorg te kunnen leveren die in de thuissituatie van de cliënt niet adequaat of niet effectief geleverd kan worden. De zorgbehoefte is niet op te lossen met andere (voorliggende) voorzieningen en/of extramurale zorg. 5.5.1.Toegang tot Beschermd Wonen Een beschermde woonomgeving is een veilige en afgeschermde woon- en leefomgeving waar samenhangende zorg wordt geboden aan cliënten die door hun beperkingen niet in staat zijn zelfstandig te wonen en een mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen vormen. De bescherming richt zich primair op de persoon zelf, niet op zijn omgeving of de maatschappij. De toelating tot beschermd wonen wordt beoordeeld door de centrumgemeente Den Haag. Om toegang tot deze voorziening te krijgen, meldt een cliënt (of zijn begeleider) zich voor een screening bij de aanbieder van de beschermde woonvorm van zijn keuze. De cliënt dient aan de volgden eisen te voldoen: psychiatrische aandoening én wonen in de regio Den Haag (Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Wassenaar, Rijswijk en Zoetermeer) of gegronde reden hebben om zich hier aan te melden én behoefte hebben aan beschermende woonsetting. Om tot een beschermde woonvorm te worden toegelaten moet duidelijk zijn dat mogelijk gevaar bestaat omdat de cliënt: niet in staat is een adequaat oordeel te vormen in het dagelijkse bestaan (er zijn vaak regieproblemen) en/of vaardigheden of remmingen mist om zich staande te houden in een zelfstandige woonomgeving en/of op relevante momenten niet in staat is om hulp in te roepen. Het betreft het niet adequaat kunnen alarmeren vanwege cognitieve, communicatieve en/of motorische beperkingen. Het gaat dan om: inzicht in risico’s, eigen wensen duidelijk kunnen maken, hanteren van alarmeringsapparatuur. Voor elk van de cliënten die vanuit de lokale infrastructuren van de gemeente zoals de sociale wijkteams of specialistenpools, worden aangedragen voor de toegangsprocedure Beschermd Wonen, moet het voor 95% zeker zijn dat deze ook in aanmerking gaat komen voor deze maatwerkvoorziening. Beschermd Wonen is landelijk toegankelijk. Dit betekent dat ook cliënten uit andere gemeenten dan de regiogemeenten in onze regio gebruik kunnen maken van Beschermd Wonen. Als iemand uit een andere regio zich in onze regio meldt voor Beschermd Wonen is het vanzelfsprekend dat nagegaan wordt welke informatie bij de gemeente/regio van herkomst beschikbaar is. Het moment van de melding aan het College als bedoeld in artikel 2.3.2, lid 1 van de wet, geldt als formeel meldingsmoment voor de aanvraag van de maatwerkvoorziening Beschermd Wonen en derhalve als start van de maximaal 6 weken nemende onderzoekstermijn. 5.5.2.Omvang bepalen De gemeente Den Haag bepaalt vanuit haar regierol het (gemiddeld) aantal etmalen per week en de geldigheidsduur van het besluit voor Beschermd Wonen aan de hand van de prognose ten aanzien van de ziekte/aandoening, duur van de beperkingen en de mogelijkheden van de sociale omgeving. De beschikking op de aanvraag om een maatwerkvoorziening ten behoeve van Beschermd Wonen zoals genoemd in artikel 2.3.5. van de wet, wordt gegeven door het College van de gemeente waar de aanvraag is ingediend. Rijswijk heeft het College van B&W van de gemeente Den Haag mandaat verleend ter zake van de beschikking. 5.6Maatschappelijke opvang Kerntaak van de maatschappelijke opvang is het bieden van tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd, gekoppeld aan zorg en begeleiding en/of het verhelpen van een crisis. Cliënten van de maatschappelijke opvang kampen vaak met meerdere, elkaar beïnvloedende problemen. Zo is er vaak sprake van een combinatie van dak- en thuisloosheid, justitieproblematiek, schulden, psychiatrische, somatische en/of verslavingsproblematiek en/of werkloosheid of het ontbreken van zinvolle dagbesteding. Dit maakt de hulpvraag vaak complex en veelomvattend. De cliënten hebben hierdoor vaak te maken met instanties en hulpverleners uit verschillende maatschappelijke sectoren. 5.6.1Toegang maatschappelijke opvang De gemeente Den Haag regelt de toegang tot maatschappelijke opvang voor inwoners van Rijswijk. De consulenten in Rijswijk verwijzen de betreffende inwoners naar het Centraal Coördinatiepunt (CCP). 5.7.Vrouwen- en mannenopvang in het kader van huiselijk geweld Organisaties voor opvang bieden, overal in Nederland, opvang en hulp aan vrouwen, mannen, en hun eventuele minderjarige kinderen, die slachtoffer zijn van huiselijk geweld. De vrouwen, mannen en hun kinderen kunnen tijdelijk in een veilige instelling verblijven. Ze kunnen gebruik maken van basisvoorzieningen als crisis- en reguliere opvang, systeemgericht hulpverlening in de opvang en in de thuissituatie nadat zij de opvang in veiligheid hebben verlaten. 5.7.1Toegang tot vrouwen- en mannenopvang Binnen de vrouwenopvang en mannenopvang worden mishandelde vrouwen, mannen en hun minderjarige kinderen opgevangen en begeleid, die daar op basis van de landelijk gestandaardiseerde criteria voor in aanmerking komen. Er zijn om die reden geen specifieke beleidsregels geformuleerd voor de toegang tot deze opvang. De toeleiding naar vrouwenopvang en mannenopvang wordt uitgevoerd door Stichting Perspektief. Perspektief biedt hulp en opvang in regio Haaglanden aan iedereen die betrokken is bij huiselijk geweld. Stichting Perspektief is één van de landelijk aangewezen aanmeldplaatsen voor advies en intake ten behoeve van de landelijke verdeling van vrouwen en mannen binnen de deze vorm van opvang. 5.8.Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging kan onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wmo 2015 vallen. Afhankelijk van de situatie is er een andere wet aan zet. Wmo 2015 De behoefte aan persoonlijke verzorging kan samenhangen met de behoefte aan begeleiding. Deze verzorging houdt dan geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. De Wmo 2015 regelt de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het ondersteunen van mensen die er niet op eigen kracht of met hulp van hun sociale netwerk in slagen zelfredzaam te zijn of te participeren in de samenleving. De omschrijving van zelfredzaamheid bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen; het voeren van een gestructureerd huishouden. Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten. Het begrip ADL wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. De persoonlijke verzorging van mensen valt binnen deze begripsbepaling. Iemand die als gevolg van beperkingen ADL-verrichtingen niet zelf kan doen, heeft hulp nodig en, als hij zoveel hulp nodig heeft dat het niet verantwoord is dat hij zonder enige vorm van (vrijwel) continu toezicht en hulp leeft, misschien zelfs niet langer thuis kan blijven wonen. Gemeenten zijn op basis van het zorgvuldig onderzoek op grond van de Wmo 2015 gehouden passende ondersteuning te verlenen aan mensen die behoefte hebben aan ondersteuning bij hun zelfredzaamheid en participatie. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen van belang: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning, sociaal contact. Zorgverzekeringswet (Zvw) In de Zvw is bepaald dat mensen aanspraak hebben op verpleging en verzorging zoals verpleegkundigen die plegen te bieden wanneer zij behoefte hebben aan geneeskundige zorg, of een hoog risico daarop. Deze zorg maakt onderdeel uit van het basispakket van verzekerden. De (wijk)verpleegkundige bepaalt de behoefte aan verpleging en verzorging van de verzekerde naar aard, inhoud en omvang. De toevoeging ‘of een hoog risico daarop’ is de basis voor inzet van enkel persoonlijke verzorging, zoals hulp bij het opstaan of het wassen. Bijvoorbeeld bij mensen op een hoge leeftijd die nog niet direct behoefte hebben aan geneeskundige zorg, maar wel een hoog risico hebben hieraan behoefte te krijgen. De (wijk)verpleegkundige heeft nadrukkelijk de ruimte om, op basis van de professionele afweging, persoonlijke verzorging te bieden in een situatie waar nog geen sprake is van dominante medische problematiek. De (wijk)verpleegkundige bepaalt op basis van het criterium van behoefte aan geneeskundige zorg, of een hoog risico daarop, de aard, inhoud en omvang van de zorg zoals verpleegkundigen die plegen te bieden. De zorg maakt onderdeel uit van het basispakket van alle verzekerden. Bijvoorbeeld: het bieden van zorg aan ouderen, mensen met een lichamelijke handicap of mensen met een chronische ziekte zoals diabetes en multiple sclerose. HOOFDSTUK6.Maatwerkvoorzieningen Materieel Dit hoofdstuk gaat over materiele maatwerkvoorzieningen die ingezet kunnen worden om de beperkingen die de inwoner ervaart in de zelfredzaamheid en/of participatie te compenseren. We onderscheiden de volgende materiele voorzieningen: woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen. 6.1.Woonvoorzieningen Woonvoorzieningen hebben als doel beperkingen, die het normale gebruik van de woning in de weg staan, te compenseren. Met behulp van woonvoorzieningen kunnen personen met beperkingen zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen. In deze paragraaf volgt een toelichting op het verschil tussen roerende en onroerende woonvoorzieningen, normaal gebruik van de woning, bijzondere woonsituaties, de verstrekkingsvorm van de voorziening en een aantal begrippen die bij de beoordeling van de noodzaak van een voorziening een rol spelen. 6.1.1Roerende woonvoorzieningen Onder roerende woonvoorzieningen wordt verstaan: woonvoorzieningen die niet nagelvast aan het huis vast zitten en dus verplaatsbaar zijn. Hierbij kun je denken aan bijvoorbeeld een toiletstoel, tillift of een badplank. 6.1.2Onroerende woonvoorzieningen Bij onroerende woonvoorzieningen gaat het om bouwkundige of technische woningaanpassingen. De voorziening zit nagelvast aan het huis. Bijvoorbeeld een douchezitje aan de muur, elektrische deuropeners, een traplift of het verbreden van toegangsdeuren. Roerende voorzieningen zijn veelal voorliggend op onroerende woonvoorzieningen, bijvoorbeeld een toiletstoel in plaats van het realiseren van een tweede toiletvoorziening op de slaapetage. Voor het aanbrengen van bouwkundige of woontechnische voorzieningen aan de eigen woning dient de eigenaar een offerte aan te leveren. De gemeente heeft voor bouwkundige of woontechnische voorzieningen een contract met een aanbieder afgesloten. De hoogte van het persoonsgebonden budget is het bedrag van de goedkoopste door het college geaccepteerde offerte. Indien de aanpassing hoger uitvalt, zijn de kosten voor de eigenaar van de woning. 6.1.3Normaal gebruik van de woning Zoals gezegd hebben woonvoorzieningen als doel beperkingen, die het normale gebruik van de woning in de weg staan, te compenseren. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het verzorgen van een baby en het zich verplaatsen in de woning, tuin of balkon. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutisch baden. Als uit onderzoek blijkt dat client beperkingen en belemmeringen ervaart in het gebruik van zijn woning dient de consulent een programma van eisen op te stellen welke woonvoorzieningen noodzakelijk zijn zodat de client langdurig in de woning kan blijven wonen. 6.1.4Woningsanering Als sprake is van aantoonbare medische beperkingen ten gevolge van bijvoorbeeld astma of allergie, zolang de allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of de bouwtechnische staat van de woning, waardoor vervanging van vloerbedekking of gordijnen noodzakelijk is, kan hiervoor een financiële tegemoetkoming in de kosten worden verstrekt. Aangetoond moet worden dat de medische beperkingen ontstonden na het leggen van de vloerbedekking en niet al aanwezig waren ten tijde van het leggen van de vloerbedekking. Alleen als de sanering niet verwijtbaar is, kan hiervoor een voorziening worden verstrekt. De gemeente vraagt zo nodig een extern medisch advies met betrekking tot de noodzaak van de woningsanering. In principe worden alleen de slaapkamer en de woonkamer gesaneerd. Woningsanering in de Wmo heeft betrekking op overgordijnen in de woonkamer, overgordijnen in de slaapkamer, vitrage woon- en slaapkamer, vloerbedekking woonkamer, vloerbedekking slaapkamer. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met afschrijving van de te vervangen gordijnen, vitrage en vloerbedekking op de volgende wijze: leeftijd tot 2 jaar : vergoeding van 100% van het normbedrag leeftijd tot 4 jaar : vergoeding van 75% van het normbedrag leeftijd tot 6 jaar : vergoeding van 50% van het normbedrag leeftijd tot 8 jaar : vergoeding van 25% van het normbedrag leeftijd ouder dan 8 jaar : geen vergoeding i.v.m. economische afschrijving. Het resterende bedrag of de hogere kosten komen voor rekening van de cliënt. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat alle benoemde aanpassingen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Cliënt heeft naderhand geen recht meer op toekenning van een voorziening die tijdens de initiële afweging tot pakket van eisen behoorde. Bedragen zijn op basis van Nibudprijzen, zoals genoemd in de Nibud Prijzengids 2022-2023. 6.1.5Bezoekbaar huis Als de cliënt in een Wlz-instelling woont, kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van ouders) bezoekbaar gemaakt worden vanuit de Wmo. De gemeente waarin de Wlz-instelling zich bevindt en de persoon zijn hoofdverblijf heeft, is verantwoordelijk voor het bezoekbaar maken van een woning. Het bezoekbaar maken van een huis, gaat dan om: het kunnen bereiken van de woonruimte; het kunnen bereiken van de woonkamer; het kunnen uitvoeren van toiletgang. De gemeente Rijswijk biedt geen ondersteuning in de vorm van maatwerk-woonvoorzieningen in het kader van logeerbaar maken van een woning. 6.1.6Overige situaties rond woonvoorzieningen In een aantal situaties wordt na onderzoek geen maatwerkvoorziening geboden, omdat er in die situaties sprake is van een dusdanig bijzondere woonsituatie dat die niet valt onder de ondersteuning in het kader van de Wmo. In deze paragraaf wordt ook nader in gegaan op woonsituaties met een derde belanghebbende zoals een verhuurder of Vereniging van Eigenaren. 6.1.6.1Hoofdverblijf Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven, of; zal staan ingeschreven, of; het feitelijke woonadres als de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven. De gemeente waar de woning staat, dient ondersteuning te bieden, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een maatwerk-woonvoorziening in de vorm van een verhuizing en (her) inrichting, wanneer dit niet anderszins kan worden opgelost, behoort tot de ondersteuning van de vertrekgemeente. De CRvB oordeelt dat het college uitsluitend personen moet compenseren die in de betreffende gemeente woonplaats hebben. Een persoon kan niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd zijn woonplaats hebben. De vraag waar iemand zijn woonplaats heeft, is afhankelijk van concrete feiten en omstandigheden. Doorgaans zal een bewoner van een Wlz-instelling woonplaats hebben in de gemeente waar de Wlz-instelling staat. Deze gemeente is dan verantwoordelijk voor het compenseren (ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285). In het kader van het bezoekbaar maken is geen ruimte om het wonen in een gewone woning op een lijn te stellen met verblijf in een Wlz-instelling (ECLI:NL:CRVB:2007:BA5310). 6.1.6.2Twee hoofdverblijven Bij uitzondering kan er sprake zijn van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen maatwerkwoonvoorzieningen getroffen worden, niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Bovendien mag van ouders verwacht worden dat zij voorzieningen die gedeeld kunnen worden, ook daadwerkelijk delen, denk aan roerende voorzieningen, zoals een inklapbare tillift. 6.1.6.3Woning ongeschikt voor hele jaar bewoning Het college biedt geen maatwerk-woonvoorziening wanneer sprake is van een dusdanig bijzondere woonsituatie dat die niet valt onder de ondersteuning in het kader van de Wmo. Hier gaat het om woonsituaties die niet bestaan uit een permanent zelfstandig woonverblijf, zoals hotels en pensions, kamerverhuur en tweede woningen. 6.1.6.4Aard van de gebruikte materialen & achterstallig onderhoud Een maatwerk-woonvoorziening wordt niet verstrekt als de belemmeringen het gevolg zijn van de aard van de gebruikte materialen. Ook als de belemmeringen voortkomen uit achterstallig onderhoud van de woning of het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de daaromtrent geldende wettelijke eisen, kan niet worden overgegaan tot ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening (ECLI:NL:CRVB:2003:AM5445). Hierop wordt een uitzondering gemaakt als de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de woningeigenaar te doen wegnemen en met oog op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdbestek geen uitzicht was op opheffing van die gebreken (CRvB 03-07-2013, nr. 11/4346 WMO). 6.1.6.5Van adequate naar inadequate woning Géén individuele maatwerkvoorzieningen worden verstrekt indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en de cliënt verhuist van een adequate naar een inadequate woning, tenzij er een belangrijke reden bestaat voor de verhuizing. 6.1.6.6Verhuizen naar eerste woning Bij de eerste verhuizing van een onzelfstandige woonruimte naar een zelfstandige woonruimte (hieronder wordt verstaan: een woonruimte met een eigen toegang, die door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat het huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3880), zijn de kosten voor eigen rekening van de cliënt. Een tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt dan niet toegekend. 6.1.6.7Woonvoorzieningen in een algemene ruimten De volgende woonvoorzieningen kunnen in ieder geval in algemene ruimten worden toegekend: het verbreden van toegangsdeuren; het aanbrengen van elektrische deuropeners; de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang tot de woning; drempelhulpen en vlonders voor zover die niet algemeen gebruikelijk zijn; een opstelplaats voor een rolstoel of een vervoersvoorziening bij de toegangsdeur van het woongebouw. 6.1.6.8Derde belanghebbende: VVE of verhuurder Als een client woningeigenaar is en deel uitmaakt van een Vereniging van Eigenaren (VVE) vragen we aan de cliënt om eerst bij de VVE na te vragen of zij de aanpassing willen realiseren. Als duidelijk is dat de VVE de aanpassing niet wil bekostigen en aanbrengen, heeft de gemeente een compensatieplicht en kan de gemeente de voorziening plaatsen zonder toestemming van de VVE. (art. 2.3.7. lid 1 Wmo). Wel moet de VVE gehoord worden bij het voornemen tot plaatsen. Het wachten op de Algemene Ledenvergadering is niet noodzakelijk om de aanvraag in behandeling te nemen, gelet op het feit dat toestemming geen vereiste voor toekenning vormt. Ook indien de client de woning huurt, zal de woningeigenaar (de verhuurder) als derde belanghebbende tijdens de besluitvormingsprocedure volgens het principe van hoor en wederhoor gehoord worden. 6.1.7Doelgroepwoningen Een locatie die bestemd is voor doelgroepen (bijvoorbeeld woonservicelocatie) moet door de verhuurder bouwtechnisch geschikt gemaakt worden voor de verhuur aan de doelgroep. Als van toepassing zal het aanpassen van doelgroepengebouwen gebeuren conform de afspraken zoals die door het college gemaakt zijn of worden met de (toekomstige) eigenaar van deze woningen. De labeling van doelgroepwoningen en het bouwbesluit zijn hiervoor de uitgangspunten. Doelgroepenwoningen zijn woningen of een zelfstandig deel van een woning waar service wordt verleend en die qua inrichting specifiek is gebouwd voor een bepaalde doelgroep. Denk hierbij aan: Serviceflats Aanleunwoningen, vaak aan/in of nabij een verzorgingshuis, niet zijnde een Wlz-woning ADL-woningen; levensloopbestendig, zogenaamde ‘MIVA’-woningen (mindervalidewoning), in ieder geval rolstoel toe- en doorgankelijke woningen en dus als zodanig aangemerkt. Een ADL-woning is via een alarm-intercomsysteem direct verbonden met een hulppost: de ADL-eenheid in de buurt. Fokus-woningen. Dit zijn volledig aangepaste, gelijkvloerse woningen. De Fokuswoningen liggen verspreid in een woonwijk of appartementengebouw en zijn van buiten niet als Fokuswoning herkenbaar. De woning wordt gehuurd van een woningcorporatie en Fokus verleent ADL-assistentie op afroep en aanwijzing. Wlz-instellingen: verzorgingshuis, verpleeghuis, gezinsvervangend tehuis De verschillende termen voor doelgroepenwoningen worden door elkaar gebruikt. Het gaat er uiteindelijk om welk ‘label’ aan een betreffend gebouw wordt toegekend. Veelal zijn senioren- of 55+-woningen zonder service labeling) geen doelgroepenwoningen. Dit zijn woningen die zich richten op een specifieke groep bewoners, maar geen specifieke faciliteiten (service) bieden. Het is dus van belang goed na te gaan hoe het woongebouw ‘bekend staat’ bij de woningeigenaar. Onderverdeling doelgroepenwoning In onderstaande tabellen staat weergegeven hoe de doelgroepenwoningen te definiëren, te weten rollator- of rolstoelgeschikt en welke specifieke kenmerken hiertoe behoren. Verdeling type woning naar rollator- en rolstoelgeschiktheid: Type woning Rollator-geschikt Rolstoel-geschikt Serviceflat X Aanleunwoningen X ADL-woningen X Specificaties rollator-rolstoelgeschiktheid, per aanpassing/voorziening: Basis-uitrustingsniveau voor doelgroepwoningen Rollator-geschikt Rolstoel-geschikt Gelijkvloerse woning of alle ADL functies wonen, koken, slapen, wassen, op één verdieping X X Woning op begane grond of bereikbaar met lift X X Toegangspad tot wooncomplex geschikt met rollator, dus geen hoge drempels en losse tegels, etc. X X Toegangspad tot wooncomplex en woning min. 1.20 m breed met een maximale helling van 1:12 X Alle deuren in het wooncomplex zijn met een rollator doorgankelijk, wat ook betekent elektrische deuropeners X X Alle gemeenschappelijke deuren en voordeuren van de woning hebben een minimale dagmaat van 85 cm. X X Alle deuren in de woning zijn doorgankelijk met een rollator (ongeveer 80 cm. dagmaat) X X Alle deuren in de woning hebben een minimale dagmaat van 85 cm. X Voldoende manoeuvreerruimte voor een rollator, zowel in de algemene ruimte als in de keuken, toilet, natte cel, slaapkamer. X X Voldoende manoeuvreerruimte voor een rolstoel, zowel in de algemene ruimte als in de keuken, toilet, natte cel en slaapkamer. X Geen niveauverschillen van meer dan 2 cm. in/om de woning, dus ook niet om de buitenruimtes te betreden (zoals balkon en tuin). X X Vlakke douchevloer aanwezig (evt. naast bad) X X Bedieningselementen (zoals doorspoelsysteem toilet, kranen, lichtschakelaars) bereikbaar vanuit rolstoel X Er dient een bergingsruimte aanwezig te zijn, incl. geaarde wandcontactdoos, geschikt voor het stallen van een elektrische rolstoel/ scootmobiel X Maatwerkvoorzieningen om te komen tot beschreven basisuitrustingsniveau worden niet verstrekt. Er wordt verwacht dat de woningen in deze complexen bruikbaar zijn voor deze doelgroepen en deze voorzieningen dus aanwezig. 6.1.8Woonvoorzieningen in eigendom of in bruikleen en onderhoud ervan Deze paragraaf geeft aan wanneer roerende en onroerende woonvoorzieningen in eigendom of bruikleen worden verstrekt en hoe het onderhoud en reparatie geregeld is. 6.1.8.1Verstrekkingsvorm Roerende woonvoorzieningen waarvan de kosten van transport en reiniging voor herverstrekking niet opwegen tegen de kosten van verstrekking van een nieuwe voorziening, zullen in eigendom worden verstrekt. Alle roerende voorzieningen waarvan de kosten lager zijn dan € 500,- zijn na verstrekking eigendom van de aanvrager. De aanvrager is vervolgens zelf verantwoordelijk voor het onderhoud en reparatie van deze voorzieningen. Als de kosten van de roerende voorziening hoger zijn dan € 500,-, wordt de voorziening bruikleen versterkt. En is de gemeente verantwoordelijk voor het onderhoud, reparatie en verzekering van de voorzieningen, mits geen sprake is van nalatigheid van de cliënt. Trapliften, tillilften, deurdrangers, scootmobielsafes en drempelhulpen die niet algemeen gebruikelijk zijn, worden altijd in bruikleen (natura) verstrekt. Deze zijn her-inzetbaar waardoor kapitaalvernietiging kan worden voorkomen. Voor roerende woonvoorzieningen geldt voor de voorzieningen waarvoor een contract bestaat tussen de leverancier en de gemeente: de prijs op basis van de bedragen en de kortingspercentages die de gemeente heeft afgesproken met de gecontracteerde leveranciers, eventueel verhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie. Voor roerende woonvoorzieningen geldt voor de voorzieningen waarvoor geen contract met een leverancier is afgesloten: de kostprijs op basis van de door het college geaccepteerde offerte. Hulpmiddelen waarvan de kosten van transport en reiniging voor herverstrekking niet opwegen tegen de kosten van verstrekking van een nieuw hulpmiddel, zullen in eigendom worden verstrekt. 6.1.8.2Onderhoud en reparatie Het college vergoedt de kosten van onderhoud en reparatie van woonvoorzieningen die in bruikleen worden verstrekt. De hoogte van het onderhoud en reparatie is gebaseerd op het contract tussen gemeente en leveranciers van het lopende jaar. Onroerende woonvoorzieningen in natura worden eigendom van de cliënt, ongeacht de hoogte van de aanschafprijs van de voorziening, of ze blijven eigendom van de gemeente (bij de woonvoorzieningen in bruikleen). In de beschikking wordt opgenomen wie eigenaar is van de woonvoorziening en wie verantwoordelijk is voor onderhoud, reparatie en verzekering. Wanneer voorzieningen in het verleden in eigendom zijn verstrekt en er geen lopend Zin- onderhoud toegepast wordt, kan de cliënt een factuur indienen voor onderhoud/reparatie. De maximale hoogte van de vergoeding is opgenomen in de beschikking of gelijk aan het maximale bedrag van het zin onderhoud van het lopend kalenderkaar. Als cliënt de voorziening zelf heeft aangeschaft zonder dat de gemeente een beschikking hiervoor heeft afgegeven dient client reparatie en onderhoud zelf te bekostigen. Kosten voor verwijderen van woningaanpassingen vallen niet onder de Wmo. Woonvoorzieningen die in bruikleen zijn verstrekt, kunnen wel worden verwijderd. Dan worden de schroefgaten gevuld en eventuele schade rondom de schroefgaten bijgesmeerd. Eigen bijdrage Als de maatwerkvoorziening gerealiseerd wordt in een woongebouw waarvan de woning van cliënt onderdeel uitmaakt en het toe- en/of doorgankelijk maken van het woongebouw betreft, is er geen eigen bijdrage verschuldigd voor de voorziening die in de algemene ruimte van het woongebouw wordt geplaatst. 6.2Primaat van Verhuizen De gemeente gaat uit van het primaat van verhuizen. Dit betekent dat wanneer verhuizen in de situatie van de aanvrager de goedkoopst compenserende oplossing is, verhuizen voor gaat op het aanpassen van de woning en aanpassingen in algemene ruimten van het wooncomplex van de woning. 6.2.1Beoordeling primaat van verhuizen Aan het opleggen van het verhuisprimaat zijn echter wel strenge eisen verbonden. De gemeente moet namelijk goed onderzoeken of het primaat van verhuizen aan een cliënt mag worden opgelegd. Hiervoor is in elke casus een belangenafweging noodzakelijk waarmee de gemeente de verschillende belangen zorgvuldig moet afwegen en op basis daarvan dient te beoordelen of het opleggen van het primaat van verhuizen een compenserende voorziening is in een bepaald geval. Binnen deze belangenafweging dienen de navolgende zaken aan bod te komen: De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen Volkshuisvestelijke factor Woning moet binnen medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn Sociale omstandigheden Afstemming met andere voorzieningen Werksituatie Verandering in woonlasten Wooncomfort Is de cliënt huurder of eigenaar van de woning? De wil van de cliënt om te verhuizen 6.2.2Grens beoordeling primaat van verhuizing De beoordeling of cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning vindt in ieder geval plaats indien: de kosten van een door het college te verstrekken bouwkundige of woontechnische woonvoorziening(
- en)van de door de cliënt bewoonde woning meer bedragen dan €10.000,-- Als cliënt op advies van de gemeente moet verhuizen en de client verhuisd ook daadwerkelijk, kan hij in aanmerking komen voor de tegemoetkoming verhuis-, en inrichtingskosten. Dit bedraagt maximaal €2.500. Deze kosten worden achteraf op declaratiebasis vergoed. 6.2.3Beschikbaar stellen bedrag indien mensen niet willen verhuizen Indien het verhuisprimaat wordt toegepast en de cliënt niet wenst te verhuizen, wordt de cliënt de mogelijkheid geboden van een tegemoetkoming tot maximaal 2.500,- onder de voorwaarde dat de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt uitgevoerd conform de aanwijzingen van het college. 6.3.Vervoer Een vervoersvoorziening is een voorziening die een aanvrager in staat stelt zich lokaal te verplaatsen. Als een cliënt een probleem ervaart op het gebied van zelfredzaamheid en participatie in relatie tot het vervoer kan daarvoor gezocht worden naar een oplossing. Er wordt onderzocht in hoeverre men zelf in de vervoersbehoefte kan voorzien, hulp kan inschakelen van het eigen netwerk of gebruik kan maken van een algemene voorziening. In heel uitzonderlijke situaties zal een financiële tegemoetkoming vervoerskosten verstrekt kunnen worden. In het gesprek tussen de gemeente en de cliënt wordt overlegd voor welke verplaatsingen op welke afstanden de beperkingen ondervonden worden en hoe deze het beste zijn op te lossen. De verplaatsingen moeten passen in het kader van het leven van alledag. De vervoersvoorziening is niet bedoeld om te reizen naar bijvoorbeeld een sociale werkplaats of verplaatsingen in het kader van een betaalde baan. Voor alle soorten vervoersvoorzieningen geldt dat oneigenlijk gebruik daarvan niet is toegestaan. Ook woon-werkverkeer valt niet onder de Wmo 2015, daarvoor blijven werkgever en werknemer gezamenlijk verantwoordelijk. Alle buitenregionale vervoersdoelen (afstanden verder dan 25
- km)vallen buiten de reikwijdte van de Wmo 2015. Daarvoor wordt door het Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys is een vervoerssysteem voor bovenregionaal vervoer en valt buiten de verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders. 6.3.1.Wmo-vervoerspas/Regiotaxi Bij beperkingen op het gebied van (auto-, openbaar) vervoer ligt het primaat bij de Wmo-vervoerspas. Met een Wmo-vervoerspas kan iemand gebruik maken van de Regiotaxi met een gereduceerd tarief. Het hebben van een laag inkomen is geen reden om in aanmerking te komen voor de Wmo-vervoerspas. De Regiotaxi is een vraagafhankelijk collectief vervoerssysteem van deur tot deur en van deur tot halte en vice versa. Reizigers kunnen een rit aanvragen waarbij de gewenste vertrektijd en de herkomst en bestemming aan de Regiotaxi worden doorgegeven. De Regiotaxi voert de rit uit waarbij rekening wordt gehouden met een marge van vertrek en een maximale omrijtijd. De kortste route wordt in rekening gebracht. Als een inwoner zich niet meer zelfstandig kan verplaatsen en/of niet met het regulier Openbaar Vervoer (OV) kan reizen, dan kan de inwoner een indicatie krijgen voor een Wmo vervoersvoorziening en wordt door de gemeente een Wmo-vervoerspas verstrekt. Reizigers die de beschikking hebben over een Wmo-vervoerspas kunnen tegen het gereduceerd tarief reizen. Het reizen tegen een gereduceerd tarief is mogelijk tot een maximaal aantal kilometers per jaar Uitzonderingen op het aantal kilometers zijn mogelijk op basis van individueel te bepalen noodzaak. Uitgangspunt is dat maximaal 1500 kilometers per jaar worden toegekend. Het college kan in individuele gevallen afwijken van het maximum van 1500 km per jaar. Reizigers betalen een opstaptarief en een bedrag per gereden kilometer. De tarieven zijn opgenomen in bijlage 6. De reiziger met een Wmo-vervoerspas kan gedurende de reis een loophulpmiddel, rolstoel of scootmobiel meenemen in het vervoer. Ook kan een medereiziger (tegen het OV-tarief) of een begeleider (gratis, mits medisch gezien noodzakelijk) meereizen. Voor begeleiding kan een OV-begeleidingskaart worden aangevraagd bij de NS. Als een andere vervoersvoorziening (bijvoorbeeld scootmobiel) in het huishouden aanwezig is of vanuit de Wmo is toegekend, wordt maximaal 50% van het aantal kilometers toegekend. Vervoer voor medische behandelingen In principe gaat vervoer voor medische behandelingen via de Zvw. De Zvw heeft een overzicht met behandelingen of situaties waarbij vervoer vanuit de Zvw te regelen is: nierdialyses die worden ondergaan in een instelling. behandelingen bij kanker met chemotherapie, immuuntherapie of radiotherapie. als iemand zich uitsluitend per rolstoel kan verplaatsen. bij zeer beperkt gezichtsvermogen (slechtziendheid), dat verplaatsing zonder begeleiding niet mogelijk is. wie jonger dan 18 jaar is, en gebruik maakt van verzorging vanwege complexe somatische (lichamelijke) problematiek, of een lichamelijke handicap. als iemand is aangewezen op geriatrische revalidatiezorg. De Wmo biedt de mogelijkheid om vervoer aan te bieden voor medische behandelingen als er echt geen vervoersvoorziening vanuit de Zvw mogelijk is. En als andere vervoersdiensten (zoals voorheen de particuliere vervoersdienst) niet voldoen. Vervoer naar ziekenhuis voor medische behandeling valt namelijk onder het criterium van de Wmo van ‘deelnemen aan activiteiten van alle dag’. Vandaar dat dit is opgenomen in het schema ‘Afbakening Wmo 2015 en andere wetten’ van Schulinck. Het is echter niet de bedoeling dat als de Zvw geen vervoersvoorziening biedt, het automatisch door de Wmo wordt geregeld. Het is namelijk mogelijk om binnen de Zvw via de hardheidsclausule alsnog vervoer voor medische behandelingen aan te vragen binnen de Zvw. Dat is het geval als iemand voor de behandeling van een langdurige ziekte of aandoening voor langere tijd vervoer nodig heeft. Deze mogelijkheid staat dus bekend als de 'hardheidsclausule'. De cliënt neemt hiervoor contact op met zijn Zvw. (Hardheidsclausule bij vervoer (Zvw) | Verzekerde zorg | Zorginstituut Nederland) Wordt de aanvraag voor vervoer voor medische behandelingen ondanks de hardheidsclausule, alsnog afgewezen bij de Zvw? Dan kan vanuit de Wmo de vervoersvoorziening voor de medische behandelingen worden verstrekt. In Rijswijk willen we het dan wel noodzakelijk maken dat de cliënt een afwijzing op de hardheidsclausule laat zien. Zo kan hij namelijk aantonen dat hij er alles aan heeft gedaan om via de Zvw de vervoersvoorziening aan te vragen. 6.3.2.Fietsvoorzieningen Een fiets is een algemeen gebruikelijke voorziening en wordt niet door de gemeente verstrekt. Er zijn fietsen, zoals de driewielfiets en een duofiets, die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met een beperking en alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht. Een fiets met lage instap, fiets met hulpmotor of elektrische fiets zijn niet speciaal ontworpen voor mensen met een beperking en worden in de reguliere handel verkocht. Daarom worden deze fietsen in beginsel als algemeen gebruikelijk beschouwd, ook al zijn de aanschafkosten hoger dan van een normale fiets. Uitzonderingen zullen beoordeeld worden door de gemeente. Bij een pgb wordt een percentage opgenomen voor onderhoud en reparatie. Dit wordt op declaratiebasis uitgekeerd. 6.3.3.Scootmobiel Een scootmobiel is een open buitenwagen, geschikt voor korte afstanden en voor personen met een zeer beperkte loopafstand. Wanneer client niet in staat is van een (elektrische) fiets, snorfiets, brommer etc gebruik te maken, kan een scootmobiel verstrekt worden. Dit is bedoeld voor vervoer op de korte en middellange afstanden. Daarnaast wordt beoordeeld of de scootmobiel (brand)veilig gestald kan worden en beschut is tegen wind en regen. Het gaat hierbij om de goedkoopst adequate oplossing. Bij een pgb wordt een percentage opgenomen voor onderhoud en reparatie. Dit wordt op declaratiebasis uitgekeerd. 6.3.4.Gesloten buitenwagen/brommobiel Een gesloten buitenwagen is een overdekt voertuig dat niet harder dan 45 km rijdt en waarvoor aparte (verkeers)regels gelden. De gesloten buitenwagen dient onderscheiden te worden van de brommobiel, die eveneens niet harder dan 45 kilometer rijdt, maar waarvoor geen aparte verkeersregels gelden. De brommobiel is niet specifiek voor gehandicapten bedoeld en wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd. Een gesloten buitenwagen wordt door de aanvrager vaak als gewenste oplossing voor het vervoersprobleem beschouwd, maar is meestal niet de goedkoopst adequate oplossing. Alleen als op basis van (medisch) advies is vastgesteld dat geen van de andere (voorliggende) voorzieningen voldoet, kan een gesloten buitenwagen worden overwogen. 6.3.5.Auto-aanpassingen Als een cliënt zonder autoaanpassingen geen gebruik kan maken van zijn auto en het collectief vervoer niet voldoet, kan overwogen worden of een autoaanpassing wordt vergoed. De cliënt moet wel over een eigen auto beschikken. Bij autoaanpassingen aan de eigen auto wordt beoordeeld of het specifiek voor mensen met een beperking bedoelde voorzieningen betreft die meer kosten dan gebruikelijke autoaanpassingen. Bij verstrekking van autoaanpassingen is het daarom redelijk om van de aanvrager te verlangen dat hij aantoont dat de aan te passen auto de investering nog waard is, dus naar verwachting nog minimaal 7 jaar mee kan. De cliënt dient een bewijs van de autokeuring te overleggen, waarin dit is vastgesteld. Indien sprake is van een autoaanpassing gelden de te declareren kosten voor onderhoud en reparatie alleen voor de autoaanpassing en niet voor de rest van de auto. Boven € 4.000 dient de aanpassing door de cliënt verzekerd te worden tegen diefstal en vandalisme. 6.4.Rolstoelvoorziening Een rolstoelvoorziening is een voorziening waarmee de aanvrager zich zittend in en om de woning kan verplaatsen. De rolstoel moet langdurig noodzakelijk zijn (ten minste 6 maanden). Wanneer een rolstoel voor kortere tijd nodig is, kan de aanvrager een rolstoel lenen. Wij onderscheiden de volgende rolstoelvoorzieningen: handmatig voortbewogen rolstoel; elektrisch voortbewogen rolstoel; aanpassingen aan de rolstoel. Met aanpassingen wordt bedoeld: extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten, maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt. Accessoires zijn doorgaans niet noodzakelijk, maar wenselijk en worden daarom niet vergoed. Voor rolstoelen geldt dat voor kortdurend gebruik een beroep kan worden gedaan op de uitleenservice van de zorgverzekeraar. 6.4.1Sport(rolstoel)voorziening Wanneer het voor de cliënt zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport, kan een tegemoetkoming in de kosten voor de sportvoorziening worden verstrekt (hoofdstuk 8). Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander sporthulpmiddel. De aanvrager moet aantonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening. Verwacht mag worden dat de levensduur van een sportvoorziening minimaal drie jaar is. De tarieven voor tegemoetkoming voor sport(rolstoel)voorzieningen zijn opgenomen in bijlage 6. Kosten voor het feitelijk kunnen bezoeken van of deelnemen aan activiteiten, zoals entreegelden of lidmaatschapsbedragen komen niet voor vergoeding in aanmerking. 6.5.Voorzieningen mee naar buitenland Het is toegestaan om het hulpmiddel mee te nemen en buiten Nederland te gebruiken als hiervoor een verzekering is afgesloten. Kosten voor reparatie/repatriëring van de voorziening vanuit in het buitenland zijn voor eigen rekening; de client checkt hiervoor zelf zijn (reis)verzekering. Bij verdwijning van de voorziening in het buitenland is aangifte bij de politie verplicht om in aanmerking te kunnen komende voor een vervangende voorziening. Is aangifte niet mogelijk of is aangifte niet gedaan, dan zijn de kosten voor de vervangende voorziening voor rekening van de cliënt. In de beschikking of de bruikleenovereenkomst van de voorziening is opgenomen wat de voorwaarden zijn om de voorziening mee te kunnen nemen naar het buitenland. HOOFDSTUK7.Regels voor een persoonsgebonden budget (Pgb) Als de inwoner recht heeft op een maatwerkvoorziening kan hij/zij kiezen voor Zorg in Natura (ZiN) of voor een Persoonsgebonden Budget (pgb). Met een pgb kan een inwoner de ondersteuning of de voorziening zelf inkopen, bij een zorgaanbieder/-verlener of leverancier naar keuze. Dat is een wettelijk keuzerecht. Onder sommige voorwaarden kan dat ook iemand zijn uit het netwerk van de inwoner. Bij ZiN wordt de ondersteuning door de gemeente geregeld. De aanbieder, die een contract heeft afgesloten met de gemeente levert de ondersteuning en regelt de (financiële) administratie daaromheen. Bij een pgb bepaalt de inwoner zelf wie de zorgverlener wordt. De inwoner sluit met één of meerdere aanbieders zorgovereenkomsten af en houdt zelf de administratie bij. De inwoner moet zelf (of met ondersteuning van iemand in het netwerk of een gemachtigde) een goede administratie bijhouden en moet verantwoording afleggen bij de SVB over de besteding van het pgb. Daarnaast heeft de inwoner de verantwoordelijkheid om de hulp te coördineren en werkgeverstaken uit te voeren. Wanneer de inwoner kiest voor een pgb, dan verwachten we dat hij/zij ‘pgb-vaardig’ is. Dat wil zeggen dat hij goed op de hoogte is van de rechten en plichten van een pgb-houder. Daarnaast weet de aanvrager welke ondersteuning hij nodig heeft en waar hij kwalitatief goede ondersteuning kan vinden. Tot slot is de inwoner in staat om een sollicitatiegesprek met een zorgaanbieder te voeren en kan hij duidelijke instructies geven aan de hulp. Het pgb moet worden besteed aan een maatwerkvoorziening waarmee de in het ondersteunings-plan gestelde doelen kunnen worden behaald. 7.1Voorwaarden voor het verkrijgen van een pgb 1.De inwoner moet kunnen motiveren waarom hij of zij een pgb nodig heeft; 2.De inwoner (of iemand in het eigen netwerk) kan het pgb beheren en kan budgethouderstaken uitvoeren – Inwoner is dus pgb-vaardig; 3.De gekochte zorg moet van goede kwaliteit, veilig, doeltreffend en inwonergericht zijn; 4.Als het pgb duurder is dan het zorg in natura aanbod, dan dient de inwoner de meerkosten zelf te betalen. 5.Het pgb dient in Nederland besteed te worden. Er bestaat geen recht op pgb voor zover het is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij het college hier vooraf expliciet toestemming voor verleent, zie ook paragraaf 5.15; Daarnaast dient de consulent de inwoners volledig, objectief en begrijpelijk voor te lichten over het pgb. Verder moet hij of zij op de hoogte worden gesteld van de gevolgen van de keuze voor een pgb. 7.2Formele en informele zorgverleners In de verordening is opgenomen dat onder formele zorg wordt verstaan de zorg die geleverd wordt door een niet door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder, maar wel voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen van de gemeente zoals geformuleerd bij gecontracteerde zorg. Een zorgaanbieder die hier niet aan voldoet wordt gezien als informele zorgaanbieder waarbij een informele tarief wordt toegepast. Indien tijdens het onderzoek de cliënt de wens heeft uitgesproken om zijn ouders of gezinsleden in te willen zetten, kan een pgb alleen verstrekt worden als die persoon boven gebruikelijke hulp levert. Voor het vaststellen van de hoeveelheid ondersteuning die ouders/gezinsleden redelijkerwijs zonder betaling bieden is de richtlijn Gebruikelijke hulp van toepassing (zie bijlage 2). Ten aanzien van het inzetten van het sociaal netwerk of mantelzorgers kan eventueel een pgb worden verstrekt, met de voorwaarde dat de mantelzorger aangeeft dat de zorg voor hem niet te zwaar wordt. Naast de gebruikelijke hulp kan een cliënt of zijn pgb-vertegenwoordiger de mantelzorger een vergoeding verlenen met een pgb. 7.3Verantwoordelijkheden van de budgethouder Als een cliënt voor een pgb kiest, is hij ook de budgethouder. Uitgangspunten (vaardigheden) die nodig zijn om met het pgb om te gaan, zijn: het overzien van de eigen situatie en het hebben van een duidelijk beeld van de zorgvraag; op de hoogte zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb; het in staat zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; het kunnen communiceren en afspraken te kunnen maken en vastleggen met officiële instanties (SVB, gemeente, zorgverzekeraar e.d.); zelfstandig kunnen handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; het kunnen maken en vastleggen van afspraken en dit verantwoorden aan verstrekkers van het pgb; kunnen beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; het kunnen coördineren van de inzet van zorgverleners waardoor de zorg kan doorgaan bij verlof en ziekte; kunnen aansturen en aanspreken van zorgverleners op het functioneren; het hebben of weten te vinden van kennis over werk- en opdrachtgeverschap; het afleggen van verantwoording aan de gemeente over het pgb en de kwaliteit van de geleverde maatwerkvoorziening; degene die ingeschakeld wordt voor hulp is verantwoordelijk voor het doorgeven van loongegevens aan de belastingdienst. Indien de cliënt niet in staat is om zelf het pgb te beheren, dient een pgb-vertegenwoordiger te worden aangesteld. De volgende voorwaarden worden aan de vertegenwoordiger gesteld: De vertegenwoordiger moet een familielid zijn tot en met maximaal de 2e graad of een aantoonbare relatie hebben tot de budgethouder; De budgethouder geeft aan wie de gemachtigde pgb-vertegenwoordiger is die namens de budgethouder optreedt; De pgb-vertegenwoordiger dient aan dezelfde voorwaarden te voldoen als de budgethouder en dient zich ervan te vergewissen dat de zorg feitelijk en kwalitatief goed wordt verleend; De pgb-vertegenwoordiger kan niet ook aanbieder van zorg zijn. Een dergelijke dubbelrol is in strijd met boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Bij twijfel of dit aan de orde is, kan de consulent vragen om een VOG van de hulpverlener en/of het VNG matrixregister raadplegen; De pgb-vertegenwoordiger mag geen financiële relatie hebben tot de hulpverlener in verband met mogelijke belangenverstrengeling. In uitzonderlijke gevallen (alleen bij 1e of 2e graad familie) kan hiervan worden afgeweken, wanneer dit, gezien de situatie van de cliënt, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden. Indien er geen geschikte onbetaalde bemiddelaars, tussenpersonen of belangenbehartigers beschikbaar zijn, er geen passende Zorg In Natura kan worden geboden en er met een pgb wel passende zorg kan worden ingekocht, mag een bewindvoerder of wettelijk vertegenwoordiger als pgb-vertegenwoordiger worden aangesteld. De pgb- vertegenwoordiger dient zich ervan te vergewissen dat niet alleen de financiën van het pgb bewaakt moeten worden, maar ook de kwaliteit van de zorg. 7.4Weigeringsgronden voor het verstrekken van een pgb Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren: voor zover de kosten van het betrekken van de diensten hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6 lid 5 van de wet). Wel is het mogelijk dat de cliënt zelf de meerkosten betaald als de wensen van de cliënt de kosten hoger maken dan de kosten voor de maatwerkvoorziening; Verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer (dan is het beëindigen ipv weigeren) plaats als: op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de budgethouder en/of zijn pgb-vertegenwoordiger problemen zal hebben bij het omgaan met een pgb; er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een pgb in het verleden; er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking. als het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d en e van de wet. Er zijn dan onjuiste gegevens verstrekt of er wordt niet voldaan aan het doel waar het pgb voor is bedoeld; voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was; als er een ernstig vermoeden is dat de budgethouder of de pgb- vertegenwoordiger problemen zal hebben met het omgaan met een pgb. Dan wordt overwogen of een pgb wel de juiste leveringsvorm is voor de maatwerkvoorziening. Het college verstrekt geen pgb als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, zoals een situatie waarbij acute opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, Het college kan een tijdelijke maatwerkvoorziening verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 3.2.6. of de aanvraag van cliënt. Het college verstrekt geen pgb voor zover deze is bedoeld voor bemiddelings- of administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het pgb, of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de pgb-beheerder. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een pgb-aanbieder die fraude heeft gepleegd. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een zorgverlener indien er twijfels zijn over de integriteit van de zorgverlener, wat zich in ieder geval voordoet indien de zorgverlener: betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen; verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest; bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom; er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de pgb-aanbieder en/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de pgb-aanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie. Situaties waarbij het risico groot is dat het pgb niet besteed wordt aan het daarvoor bestemde doel: de budgethouder/pgb-vertegenwoordiger handelingsonbekwaam is; de budgethouder/pgb-vertegenwoordiger niet over voldoende organisatie - en regelvermogen en verantwoordelijkheidsbesef beschikt; de budgethouder/pgb-vertegenwoordiger als gevolg van dementie, een verstandelijke handicap of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht heeft in de situatie; er sprake is van verslavingsproblematiek bij de budgethouder/pgb-vertegenwoordiger er sprake is van schuldenproblematiek bij de budgethouder/pgb-vertegenwoordiger er is sprake van een situatie waarin het pgb wordt besteed aan een persoon die tot de leefeenheid van de cliënt behoort en die de hulp op zich moet nemen, maar daartoe niet in staat is vanwege (dreigende) overbelasting; er eerder misbruik/fraude gemaakt is (van het pgb) door de budgethouder/ pgb- vertegenwoordiger. Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een pgb niet gewenst is. Deze situaties vereisen altijd een individuele afweging. In deze situaties kan een pgb worden geweigerd. Om een pgb af te wijzen op contra-indicaties, moet er enige feitelijke onderbouwing zijn waarop het afwijzingsbesluit is gebaseerd. De onderbouwing wordt in de beschikking vermeld (artikel 10 van de Verordening Wmo 2022). 7.5Kwaliteitseisen van dienstverlening De gemeente stelt als voorwaarde aan de kwaliteit van dienstverlening dat: degene die uit het sociaal netwerk begeleiding of zorg verleent, die zorg en begeleiding kan verlenen naar de eisen die in het budgetplan staan vermeld (informele zorgverlener); de inzet van deze professionele zorgverleners (formele zorgverlener) aantoonbaar effectief en doelmatig is; de professionele zorgverleners (formele zorgverlener) die door middel van een pgb betaald worden in het bezit zijn van een gelijkwaardige kwalificatie als professionele zorgverleners die Zorg in Natura (ZIN) bieden. Nadat de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is toegekend, controleert de gemeente de kwaliteit en de dienstverlening die uitgevoerd wordt door middel van het pgb (artikel 16, 17 en 18 van de Verordening Wmo 2022). Gedurende het jaar kan de gemeente o.a. een steekproef houden bij de budgetbeheerder of de pgb-vertegenwoordiger door bijvoorbeeld een huisbezoek en/of een administratieve controle uit te voeren (rechtmatigheid) en de inhoudelijke zorgverlening en ondersteuningsvraag met de budgetbeheerder te bespreken (doelmatigheid). Als onrechtmatig of ondoelmatig gebruik van het pgb wordt geconstateerd, kan het college besluiten om voorwaarden te stellen aan voortzetting van het pgb of het verstrekken van het pgb te heroverwegen en eventueel te beëindigen. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. 7