← Nederland

Milieuprogramma Provincie Groningen (Groningen)

Milieuprogramma Provincie GroningenGEDEPUTEERDE STATEN VAN DE PROVINCIE GRONINGEN Aanleiding Wij willen een zo actueel mogelijk Milieuprogramma, waarin weliswaar de beleidslijn voor de komende jaren vaststaat, maar waarin we meebewegen met de wereld om ons heen. We hebben het Milieuprogramma van 2022 dus geactualiseerd, gezien de onderstaande ontwikkelingen: De inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024; Een nieuw bestuur met een nieuw Hoofdlijnenakkoord (Veur Mekoar 2023-2027); Recente wijzigingen in landelijke regelgeving, beleid en jurisprudentie; Voortschrijdend inzicht op basis van uitgevoerde onderzoeken, evaluaties en monitoring. Onderdeel van het Milieuprogramma zijn beleidsregels, zij maken onderdeel uit van het besluit. BESLUITEN: Bijgaand Milieuprogramma incl. de beleidsregels vast te stellen Intrekken vorig Milieuprogramma (vastgesteld 6-7-2022) Voorwoord Voor u ligt het Milieuprogramma. Hierin leest u hoe we als Gedeputeerde Staten in Groningen samenwerken aan een beter milieu: nu en in de toekomst. Hierbij staan een gezonde leefomgeving, een aantrekkelijk vestigingsklimaat en een robuust en veerkrachtig milieu centraal. We richten ons vooral op het verminderen van gezondheids- en veiligheidsrisico’s en geluid- en geurhinder. Zo zetten we stappen naar een duurzame leefomgeving voor zowel de huidige als toekomstige Groningers. Daar waar hinder en milieudruk onvermijdelijk zijn, zetten we in op de meest verregaande maatregelen om zo overlast en milieuverontreiniging tot een minimum te beperken. Wij willen een zo actueel mogelijk programma, waarin weliswaar de beleidslijn voor de komende jaren vaststaat, maar waarin we meebewegen met de wereld om ons heen. We hebben het programma van 2022 dus geactualiseerd, naar aanleiding van de onderstaande ontwikkelingen: de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024; een nieuw bestuur met een nieuw Hoofdlijnenakkoord (Veur Mekoar 2023-2027); recente wijzigingen in landelijke regelgeving, beleid en jurisprudentie; voortschrijdend inzicht op basis van uitgevoerde onderzoeken, evaluaties en monitoring. Dit Milieuprogramma is gebaseerd op de huidige Omgevingsvisie en de geldende landelijke en Europese milieuwetgeving. De Omgevingsvisie bevat het strategische milieubeleid op de lange termijn, en ons Milieuprogramma beschrijft de uitvoering hiervan voor de komende jaren. In de Strategische Milieu-agenda zijn onze ambities voor Groningen op de lange termijn neergelegd. Met het Hoofdlijnenakkoord zetten we de ingezette beleidslijn voort. We hebben er daarom voor gekozen om het Milieuprogramma van 2022 beleidsluw te actualiseren. De nieuwe Omgevingsvisie die in ontwikkeling is kan op een aantal terreinen leiden tot nieuwe of andere ambities en doelen. Een beleidsrijke actualisatie van het Milieuprogramma voorzie ik daarom na de vaststelling van de nieuwe Omgevingsvisie, die eind 2024 wordt verwacht. Het Milieuprogramma geeft inzicht in hoe we als provincie werken aan onze doelstellingen uit de Omgevingsvisie en welke prioriteiten en accenten we daarbij leggen. Wij willen dat Groningen een aantrekkelijke provincie is waar het goed ondernemen, wonen, werken en recreëren is. Om dit te realiseren streven wij naar een schone (gifvrije), gezonde, hinder- vrije, veilige, duurzame en leefbare omgeving voor alle Groningers. Met deze kernwaarden als uitgangspunt, willen we “Brede Welvaart” voor iedereen in Groningen dichterbij brengen. Daarom vormt milieu een onmisbaar onderdeel van onze opgaven, of het nu om de energietransitie, klimaatadaptatie, woningbouw of andere grote opgaven gaat. Een goede milieukwaliteit draagt bij aan een florerende economie, een gezonde leefomgeving en het behoud en verdere ontwikkeling van onze natuur. Ik wil eenieder bedanken voor zijn of haar inzet aan de totstandkoming van dit Milieuprogramma en daag iedereen uit om betrokkenheid te laten zien en mee te helpen de omslag te maken naar een duurzame en leefbare samenleving. Een beter milieu is alleen mogelijk als wij en u hier gezamenlijk naar toe werken. Namens ons college van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen, Tjeerd van Dekken Gedeputeerde Milieu Hoofdstuk1Inleiding Het Milieuprogramma van de provincie Groningen gaat over het beschermen en verbeteren van de milieukwaliteit van de fysieke leefomgeving. De provincie Groningen draagt bij aan het verbeteren van het milieu via de wettelijke milieutaken en aanvullend beleid, gericht op onze provincie. Uitdaging is om met de uitvoering van dit Milieuprogramma de milieukwaliteit te versterken, zonder daarbij de andere grote opgaven, zoals bijvoorbeeld die van de energietransitie en de woningbouw, uit het oog te verliezen. Dit doet de provincie samen met andere overheden en maatschappelijke partners, zoals bijvoorbeeld de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD), de Veiligheidsregio (VRG), de Groninger Natuur- en Milieufederatie (GNMF) en de Stichting Bedrijven Eemsmond (SBE). Het Milieuprogramma vormt het kader voor de uitvoering van wettelijke taken, beleid en ambities van Gedeputeerde Staten. 1.1Aanleiding In de Omgevingsvisie hebben Provinciale Staten hun beleid op strategisch niveau verwoord: “Wat willen we als provincie op de lange termijn in Groningen bereiken?” Dit Milieuprogramma is de tactische uitwerking daarvan: “Hoe gaan we dat doen en volgens welke planning gaat we dat doen?” We hebben de afgelopen jaren grote stappen gezet in het realiseren van de doelen uit de Omgevingsvisie. Met het Milieuplan 2017-2020, het Milieuprogramma zoals vorig jaar vastgesteld, en andere beleidstukken, zoals de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl en Meerjarenprogramma Bodem en Ondergrond hebben we een stevige basis gelegd voor effectief en gebiedsgericht milieubeleid. Dit heeft geleid heeft tot het in stand houden of verbeteren van de milieukwaliteit in onze provincie. Waar dat nog niet gebeurd is zijn we op weg om onze doelen te realiseren. Dit Milieuprogramma bevat maatregelen om, naast onze nog te behalen doelen, ook nieuwe milieuopgaven te realiseren. Dit Milieuprogramma bouwt voort op het Milieuplan 2017-2022 dat het tactische kader vormde voor de uitvoering van ons beleid en het Milieuprogramma van vorig jaar. Voor ons milieubeleid geldt dat we werken volgens de Mondriaan beleidscyclus (zie afbeelding 1). Dit houdt in dat beleidskeuzes zijn gebaseerd op monitoring en evaluatie en het analyseren van trends en ontwikkelingen en de strategische keuzes die we als bestuur op basis hiervan maken. Het milieubeleid zoals dat is uitgevoerd vanaf 2017 is in de eerste helft van 2020 als noodzakelijke stap in een beleidscyclus geëvalueerd. De uitkomsten van deze evaluatie zijn meegenomen in het Milieuprogramma dat wij vorig jaar hebben vastgesteld. Actualisatie Milieuprogramma Om meerdere redenen is het nodig of wenselijk om voor 1 januari 2024 een beleidsluwe actualisatie door te voeren van het Milieuprogramma: De Omgevingswet treedt defintief per 1-1-2024 in werking. Alhoewel het Milieuprogramma tekstueel al anticipeert op de Omgevingswet, verliest een aantal beleidsregels haar grondslag of verandert de grondslag ervan. Ook zijn een aantal beleidsregels met een meer normatief karakter opgenomen als regels in de Provinciale OmgevingsVerordening die per 1-1-2024 geldt. Een aantal beleidsregels met een meer normatief karakter zijn opgenomen in de omgevingsverordening. Het Hoofdlijnenakkoord handhaaft de ingeslagen weg op het gebied van milieu, maar noemt enkele bestuurlijke prioriteiten (asbest, financiële zekerheid en energietoezicht). Deze moeten een plaats krijgen in het Milieuprogramma. Wijzigingen in landelijke regelgeving, beleid en jurisprudentie (o.a. BBT, ZZS) en ontwikkelingen, bijv. op het gebied van lucht, gezondheid en geur en financiële zekerheidsstelling. Voortschrijdend inzicht op basis van uitgevoerde onderzoeken, evaluaties en monitoring, bijvoorbeeld t.a.v. de beleidsregels: Doorwerking van beleid naar uitvoering (Vergunningverlening Toezicht en Handhaving (VTH)) is gebaat bij duidelijkheid, vindbaarheid, draagvlak en uitvoerbaarheid. Hieraan is veel aandacht besteed in het Milieuprogramma van vorig jaar. Juist hierdoor heeft dit geleid tot reacties vanuit de uitvoeringspraktijk (met name de ODG). Voor een aantal beleidsregels geldt dat aanpassing tot een betere uitvoering leidt. Ook bijvoorbeeld de in het afgelopen jaar uitgevoerde onderzoeken, monitoring en evaluaties op het gebied van externe veiligheid, zware metalen, Gezondheids Effect Screening (GES), omgevingswaarden en ons stiltebeleid zijn aanleiding om te actualiseren, maar ook externe onderzoeken zoals de Bouwstenenvisie Circulaire Economie en VTH en het RIVM-onderzoek naar Tata-Steel. Tenslotte heeft de bestuurlijke agenda MTH (Milieu, Toezicht en Handhaving) van het IPO met name voor circulaire economie en gezondheid nieuwe input voor beleid opgeleverd. Denk hierbij aan financiële zekerheidstelling, afvalpreventie en experimenteerruimte in het kader van circulaire economie. In de Strategische Milieu-Agenda1Op 7 juni 2021 hebben Gedeputeerde de Strategische Milieu-Agenda vastgesteld (SMA). Op 29 september 2021 hebben Provinciale Staten deze agenda als vertrekpunt gemarkeerd voor de nieuwe Omgevingsvisie, aangezien de Agenda onze milieu-ambities op lange termijn bevat. De SMA vormde tevens het vertrekpunt voor de geactualiseerde vigerende Omgevingsvisie voor onderdelen die niet integraal van aard waren. Waar ontwikkelingen afwijken van de Omgevingsvisie, zetten we SMA in als strategische milieukader om bestuurlijke afwegingen te maken. hebben we ons toekomstbeeld voor de lange termijn neergelegd

(2040). Hiertoe hebben we een uitgebreide omgevingsanalyse uitgevoerd naar de staat van het milieu en de opgaven waar we voor staan. Dit vormt de basis voor de wijze waarop we het strategische milieubeleid concretiseren in de nieuwe Omgevingsvisie. Op basis van de uitkomsten van deze analyse hebben een aantal onderwerpen verder onderzocht of gaan we nog onderzoeken. De maatregelen die hiermee zijn verbonden hebben we, voor zover ze betrekking hebben op milieu-onderwerpen en nog niet zijn uitgevoerd, opgenomen in dit programma. Het gaat om de volgende onderwerpen: Schone Lucht Akkoord verduurzaming chemiesector en zeer zorgwekkende stoffen milieugebruiksruimte, omgevingswaarden en normering omgevingsveiligheid Voor de belangrijkste conclusies uit de evaluatie van het eerdere Milieuplan en de Strategische Milieu-agenda verwijzen we naar bijlage 1. Monitoring Belangrijk onderdeel van effectief en efficiënt milieubeleid is een goede monitoring. Doel van de Milieumonitor is inzicht te geven in de milieukwaliteit binnen de provincie en aan de hand daarvan het effect van ons beleid te duiden. We hebben in de vorige beleidsperiode stevig ingezet op beleids- monitoring als onderdeel van de beleidscyclus. Deze manier van monitoring zetten wij voort en optimaliseren we waar mogelijk. Voor veel van onze beleids- doelstellingen zijn indicatoren geselecteerd, die wij monitoren. We willen de monitor uitbreiden, waarbij we ook nieuwe indicatoren ontwikkelen. We willen ons in deze beleidsperiode meer gaan richten op aansluiting bij andere beleidsvelden en integrale thema’s, zoals Circulaire Economie, klimaat en op belangrijke onderwerpen zoals Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). 1.2Positie, reikwijdte en werkingsduur Milieuprogramma Dit Milieuprogramma vormt het tactische, meerjarige kader voor de uitvoering van ons beleid. Denk daarbij aan bijvoorbeeld de prioritering van ons milieubeleid, gebiedsgerichte normen, beleidsregels voor het verlenen van een vergunning en de inzet van instrumenten om deze doelen te realiseren. Dit alles zetten we stevig neer als kader voor onze eigen besluitvorming en die van de Omgevingsdienst Groningen (ODG). Het bovenliggend strategisch beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie en de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl. Voor de ondergrond is een op dit thema gericht strategisch beleidsstuk opgesteld, de Nota Ondergrond. Het Milieuprogramma bevat geen landelijke wetgeving. Het bevat de invulling van de beleids- en beoordelingsruimte die wij als provincie hebben op basis van de Omgevingswet en sectorale wetgeving. De uitvoering van ons beleid ligt voor een groot deel bij de Omgevingsdienst Groningen (ODG) als het gaat om vergunningverlening, toezicht en handhaving (de zogenaamde VTH-taken) en projecten. De kennis die de ODG heeft en ervaringen zij opdoet op uitvoeringsniveau vormen via monitoring en rapportages weer input voor de actualisatie en evaluatie van dit programma. Zo wordt een sluitende beleids- cyclus gerealiseerd. De doorwerking van ons beleid vindt plaats in onder andere het jaarlijkse VTH-jaarprogramma inclusief opdracht aan de ODG. Hierin komen onze jaarlijkse accenten naar voren als het gaat om VTH. Met het in werking treden van de Omgevingswet is het beleid, dat doorwerkt naar gemeenten en waterschappen, in de Omgevingsverordening geland. Periodiek wordt over de uitvoering van het Milieuprogramma en het VTH-jaarprogramma verantwoording afgelegd aan GS en aan Provinciale Staten via de Planning & Control-cyclus (P&C cyclus). Het Milieuprogramma bevat beleid en maatregelen op het gebied van milieu. Milieu is een breed begrip en heeft vaak overlap met andere onderwerpen. Het thema duurzaamheid is een thema met een eigen Aanpak dat naast de reguliere milieuthema’s wordt opgepakt. Duurzaamheid betreft immers niet alleen Planet (het milieu) maar ook People en Profit. Deze drie thema’s komen in veel provinciale programma’s terug. Andere thema’s zoals klimaat, energie, stikstof, ontgrondingen, wegen en vaarwegen, natuur en water hebben ook hun eigen beleidskader/-programma. Deze thema’s vallen dan ook buiten de scope van dit programma. Dat geldt tevens voor het thema bodem en ondergrond: het Meerjarenprogramma Ondergrond en Bodem 2020-2025. We hebben er echter voor gekozen, in verband met de directe verbondenheid met de andere milieuthema’s en milieuwetgeving, om aan dit thema wél een hoofdstuk te wijden, met als doel om meer samenhang te realiseren tussen de verschillende thema’s. Zie voor het overzicht van welke thema’s/beleidsvelden binnen de scope van de actualisatie van het Milieuprogramma vallen, tabel 1. Tabel 1. Reikwijdte thema’s in dit Milieuprogramma Beleidsveld Wet-en regelgeving, richtlijnen en kaders Taken belegd bij Milieu algemeen (bedrijven en gebieden, lucht, geluid, omgevingsveiligheid, afval, Circulaire Economie, duisternis en stilte, geur) Omgevingswet en daarbij behorende AMvB's, uitvoeringsregels, richtlijnen en handreikingen, Omgevingsverordening, Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl Provincie en ODG Bodembescherming, nazorg en ondergrond Omgevingswet, Besluit activiteiten leefomgeving, Besluit kwaliteit leefomgeving en Nota Ondergrond. Nazorg: Wet milieubeheer Provincie en ODG Luchtvaart: geluid en omgevingsveiligheid Wet luchtvaart, Regelgeving Burgerluchthavens en Militaire Luchthavens (RBML)'' Provincie Vuurwerk: omgevingsveiligheid Vuurwerkbesluit (opslag vuurwerk = Omgevingswet) Provincie De doorwerking van het Milieuprogramma in uitvoeringskaders zoals bijvoorbeeld VTH-strategieën, werkinstructies, procesbeschrijvingen e.d., bedoeld voor de uitvoering van beleid, maken geen deel uit van dit Milieuprogramma. Deze kaders geven richting aan hoe ons beleid moet worden uitgevoerd in de dagelijkse praktijk van bijvoorbeeld vergunningverlening en toezicht. Werkingsduur Het Milieuprogramma stellen wij vast voor onbepaalde tijd, waarbij het programma in principe tweejaarlijks actualiseren, tenzij het nodig is om eerder, zoals nu, of later te actualiseren. Dit betekent dat wij flexibel kunnen inspelen op actuele ontwikkelingen, wetswijzigingen en bestuurlijke keuzes. Op dit moment is ook een nieuwe, integraal afgestemde, Omgevingsvisie in de maak. De nieuwe visie kan leiden tot een herijking van het strategische milieubeleid. Dit kan leiden tot andere prioriteiten als het gaat om de thema’s waar we een provinciaal belang zien, maar waar we in beginsel niet voor aan de lat staan. Het Milieuprogramma zal dan beleidsrijk worden geactualiseerd. 1.3Rolopvatting, samenwerking en optimalisatie beleidsdoorwerking Als middenbestuur staan we aan de lat voor de zwaardere milieubelastende activiteiten, waaronder de Seveso2Seveso is de Europese naam voor wat de voormalige Nederlandse BRZO bedrijven waren, genoemd naar de plaats Seveso, waar een chemische ramp heeft plaatsgevonden.-inrichtingen en voor de regionale milieukwaliteit. We implementeren rijksbeleid en geven uitvoering aan wet- en regelgeving, waarbij we de samenwerking zoeken met andere provincies en bevoegde overheden. We zijn ons bewust van onze verantwoordelijkheid als provincie en pakken deze ook op. De keuzes die we hebben, betreffen vooral onze rolopvatting, taakstelling, intensiteit en kwaliteit waarmee we onze taak uitvoeren. Binnen onze rol op het gebied van VTH is deze keuze vooral gericht op prioriteit, intensiteit en kwaliteit. Binnen onze rol als regisseur, ontwikkelaar en stimulator hebben we meer ruimte om te opereren. Daarbinnen definiëren we onze eigen ambities en voeren we programma’s uit met inzet van menskracht, middelen en, steeds vaker, externe stakeholders. Europese en nationale kaders geven hiervoor de richting en we zijn gebonden aan afspraken over de uitvoering met andere overheden en andere provincies in Inter Provinciaal Overleg (IPO)-verband. Wij werken daarin intensief samen met andere provincies, of het nu over regionale samenwerking gaat in het kader van de Seveso-inrichtingen of landelijke afstemming in IPO-verband. Er is een bestuurlijke IPO-agenda Ruimte en Leefomgeving, waarvan milieuonderdeel uitmaakt. Deze agenda richt zich op de doorontwikkeling van provinciaal milieubeleid in IPO-verband en vormt daarmee een belangrijk kader voor onze rolopvatting als het gaat om milieu. Tegelijkertijd vormt de agenda de inhoudelijke richting voor verdere beleidsontwikkeling en de uitvoering hiervan. Er zijn vijf programmalijnen. We dragen ambtelijk bij aan de programmalijnen Circulaire economie en afval en Gezondheid. De agenda zal de komende tijd handvatten opleveren, die zowel kunnen worden gebruikt in nieuwe beleidsvorming als in de doorwerking van ons beleid. Om onze ambities en doelstellingen te realiseren hanteren we instrumenten die bij de door ons gekozen rolopvatting horen. Bij het thema milieu wordt het meest gebruik gemaakt van de rollen faciliteren en stimuleren, regisseren en reguleren. In het laatste geval stellen we (aanvul- lende) eisen aan initiatiefnemers, gemeenten, burgers en onszelf. Dat doen we bijvoorbeeld in de vorm van beleidsregels (zie verder in deze paragraaf). Daarnaast hebben we een regisserende rol als het gaat om de samenwerking met gemeenten, waterschappen en andere stakeholders in de vorm van gebiedsgericht beleid. Het regisseren komt dan tot uiting in samenwerking bij onderzoek, monitoring en het gezamenlijk ontwikkelen van beleid en instrumenten zoals bijvoorbeeld de Hinderapp (zie ook hoofdstuk gezondheid) en gebiedsgerichte milieunormen. Regionale afstemming De Omgevingswet verplicht ons VTH-werkzaamheden op de schaal van de ODG op elkaar af te stemmen en dat daarvoor één of meer overlegorganen in te stellen. Wij werken voor het werkgebied van de ODG daarin samen met de provincie Drenthe, het Openbaar Ministerie, de waterschappen en politie als het gaat om de afstemming van bestuurs- en strafrechtelijke handhaving. Aanvullend hierop nemen we deel aan het casusoverleg Noord-Nederland, waarbij we samen met de provincie Drenthe, Friesland, politie, Openbaar Ministerie en Omgevingsdiensten casuïstiek bespreken en kennis en informatie uitwisselen. We nemen deel aan het regie-overleg3Bevoegde gezagen overleg van de Omgevingsdienst Seveso-Noord waarin we samen met provincies Friesland en Drenthe de uitvoering van VTH-taken bij Seveso-inrichtingen bespreken. Tenslotte werken we bij de uitvoering van ons vuurwerkbeleid en wet- en regelgeving samen met noordelijke en landelijke partners. Doorwerking beleid met beleids- en rechtstreeks werkende regels. Regelgeving draagt bij aan de doorwerking van ons beleid naar besluiten op het gebied van vergunningverlening en handhaving. Beleidsregels bevatten regels voor de manier waarop een bestuursorgaan gebruik maakt van een bestaande bevoegdheid. Een beleidsregel kan: een instructie geven voor de inhoud van de bestuurlijke belangenafweging; aangeven op welke wijze die afweging tot stand zal komen; bepalen op welke wijze feiten worden vastgesteld die ten grondslag zullen worden gelegd aan een besluit; aangeven hoe bepaalde wettelijke voorschriften zullen worden uitgelegd. De beleidsregels zijn themagewijs opgenomen in bijlage 3. Regels met algemene strekking en doorwerking naar derden (op terreinen waar voor de provincie regelruimte
  1. is)zijn als algemene, instructie- en beoordelingsregels opgenomen in de Omgevingsverordening. Dat betekent dat deze beleidsregels zijn ingetrokken. De ODG voert het beleid van de provincie voor een belangrijk deel uit, vooral door middel van VTH- taken maar bijvoorbeeld ook door de uitvoering van projecten. Het VTH-jaarprogramma bevat aspecten voor de optimalisatie van ons VTH-uitvoeringsbeleid. Er vindt regelmatig nadere afstemming plaats over de doorwerking van het beleid naar de uitvoering. 1.4Opbouw Milieuprogramma en leeswijzer Het instrument programma is één van de zes kern-instrumenten onder de Omgevingswet en is het meest geschikte beleidsinstrument om invulling te geven aan milieubeleid als het gaat om de inspanningen die we als provincie zelf verrichten. Programma’s maken de doelen uit de Omgevingsvisie concreet door inzicht te geven in de samenhang en prioritering van uit te voeren maatregelen. Ze vormen dus de schakel tussen onze ambities en onze inspanningen. In hoofdstuk 2 worden de financiële en organisatorische consequenties van dit Milieuprogramma en daarbij behorende risico’s behandeld. In hoofdstuk 3 zijn de kaders (wet- en regelgeving en beleid) waarbinnen we als provincie opereren en onze rol invullen samengevat. Ons beleid dat gericht is op bedrijven in het algemeen en ook ons gebiedsgerichte beleid, is verwoord in hoofdstuk 4. De hoofdstukken hierna zijn thematisch. De opbouw van de themahoofdstukken is zodanig dat eerst de ambities en doelen uit de Omgevingsvisie zijn vermeld, waarna we aangeven hoe wij die doelen verder invulling geven in de vorm van: nadere concretisering van de doelen uit de Omgevingsvisie; hoe we de doelstelling monitoren of gaan monitoren; beschrijving van onze rol als provincie en de in te zetten instrumenten; welke maatregelen we uitvoeren om de doelen te halen. Onze ambities en doelstellingen behalen we door het uitvoeren van maatregelen, die zijn gekoppeld aan onze rol en instrumenten. Omdat wij doorwerking naar de uitvoering belangrijk vinden, hebben wij ervoor gekozen om de maatregelen gedetailleerd uit te werken in tabellen. Hierin geven we ook aan met wie we samenwerken, wanneer de maatregelen zijn gepland en het voorziene eindproduct. Deze tabellen hebben we opgenomen in een separate Milieumaatregelentabel, dit om flexibel in te kunnen spelen op ontwikkelingen. Onze doelstellingen en beleidsaccenten werken door naar beleidsregels voor milieubelastende activiteiten. De beleidsregels hebben betrekking op VTH. Ook hier wordt per thema naar verwezen voor overzichtelijkheid en eenduidigheid. Hoofdstuk2:Programma-uitvoering 2.1Inleiding In lijn met de Mondriaan beleidscyclus hebben we in dit programma de ambities en doelen uit H20 en 21 van de Omgevingsvisie programmatisch uitgewerkt. Programmatisch betekent in dit geval: conform bestuurlijke prioriteiten en daarbij behorende uitvoering van maatregelen. De maatregelen hebben in een aantal gevallen ook financiële gevolgen. In lijn met de P&C-cyclus zijn daarvoor de daarbij behorende middelen gereserveerd en ingezet. Bestaande middelen en daarbij behorende organisatie zijn niet bepalend voor het bestuurlijke ambitieniveau. Ook zullen we, ter voorbereiding op de nieuwe Omgevingsvisie, een aantal maatregelen en onderzoeken uit de Strategische Milieu-agenda (SMA) uitvoeren. Koers houden We zetten het vigerende milieubeleid en daarmee het tactisch beleid uit het Milieuprogramma, dat we vorig jaar hebben vastgesteld, voort. We willen de bestaande milieukwaliteit en het huidige basisbeschermingsniveau handhaven. Dit betekent verdere uitvoering van het hierop gerichte beleid voor bijvoorbeeld de klassieke milieuthema’s: ondergrond en bodem, geur, geluid, en complexe milieubelastende activiteiten. Voor deze onderwerpen geldt in sommige gevallen ook dat de beleidsdoelen nog niet zijn gerealiseerd en de bestaande inspanningen moeten worden voortgezet. Het huidige functiegebouw en daarbij behorende middelen zijn grotendeels gestoeld op het waarborgen van deze continuïteit en zijn gebaseerd op de periodieke evaluatie van het functiegebouw. Speerpunt voor de doorwerking van ons beleid is een adequate uitvoering van zowel wettelijke taken als beleidsaccenten door de Omgevingsdienst Groningen. Duurzame ontwikkeling Voor duurzame Ontwikkeling is een nieuwe Aanpak opgesteld met als doel om duurzaamheid naar een hoger niveau te tillen. Deze is opgesteld vanuit het principe dat duurzaamheid voor alle beleidsthema's een belangrijk onderdeel is. In Q4 2023 is deze door GS vastgesteld. Kern van de aanpak is minimaal te voldoen aan de duurzaamheidsdoelstellingen van de EU en het Rijk en om vanuit onze invloed te werken aan het behalen van Brede Welvaart. De Sustainable Development Goals dienen om daar concreet invulling aan te geven. In 2023 zijn de eerste stappen gezet. De aanpak gaat per 2024 van start. Omgevingsvisie De Omgevingsvisie bevat een aantal strategische keuzes die op korter termijn om uitvoering vragen. In bepaalde gevallen is dat in de vorm van onderzoek en het opzetten van registratie en monitoring. In andere gevallen gaat het om het organiseren van noodzakelijk inhoudelijke kennis en deskundigheid. Het gaat met name om de thema’s: (potentieel) Zeer Zorgwekkende Stoffen, omgevingsveiligheid, het Schone Lucht Akkoord, gebiedsgericht beleid, gezondheid en circulaire economie en afval. De strategische keuzes vragen om extra middelen die zowel een incidenteel als structureel karakter hebben. Deze inspanningen lopen voor een groot deel al, maar zetten we in dit Milieuprogramma voort. Tenslotte vragen lokale stapeling (hotspots), de actualisatie van vergunningen en het verminderen van bestaande hindersituaties om een intensivering van inspanningen op korte termijn. 2.2Analyse Om de financiële en organisatorische consequenties van het Milieuprogramma scherper in beeld te krijgen is geanalyseerd wat dit financieel per maatregel betekent en welke maatregelen daarbij prioriteit hebben op basis van hun onderlinge afhankelijkheid en urgentie. Vervolgens is naar het bestaande functiegebouw en de resultaatsgebieden voor het jaar 2024 gekeken om te beoordelen of de intensivering van beleid binnen de huidige formatie en functiegebouw kan worden uitgevoerd. Er is er gekeken naar beschikbare budgetten. Een analyse naar de mogelijke consequenties voor de Omgevingsdienst Groningen wordt, inclusief de bestuurlijke opdracht naar aanleiding van moties M61 en M75, in 2024 uitgevoerd. Financiële en organisatorische consequenties Voor de uitvoering van dit Milieuprogramma zijn we uitgegaan van de huidig beschikbare inzet en middelen. Voor 2024 tot en met 2027 zijn jaarlijkse middelen gereserveerd voor de uitvoering van het Milieuprogramma. Uitvoering Milieuprogramma en Hinderapp De maatregelen die vallen onder de actualisatie Milieuprogramma passen binnen de begroting 2024 opgenomen middelen. Ten behoeve van de uitvoering van het programma is voor 2024 EUR 300.000 beschikbaar en voor 2025 t/m 2027 jaarlijks EUR 200.000. Voor de uitvoering van de Hinderapp (zie ook hoofdstuk Gezondheid) is voor 2024 EUR 140.000 (+ EUR 52.975 Specifieke UitKering (SPUK) Schone Lucht Akkoord i.v.m. fasering looptijd Hinderapp) aan provinciale middelen gereserveerd en voor 2025 EUR 100.000 (+ EUR 126.673 SPUK Schone Lucht Akkoord tevens i.v.m. fasering looptijd Hinderapp). Bij bovengenoemde middelen is nog geen rekening gehouden met mogelijk extra benodigde capaciteit en middelen op basis van de uit te voeren analyse van het Milieuprogramma door Omgevingsdienst en specifiek naar aanleiding van moties M61 en M74 van november 2023. Wij gaan deze analyse in het eerste kwartaal van 2024 uitvoeren. Eventuele financiële- en capaciteits-consequenties hiervan zullen worden meegenomen in de Perspectiefnota 2024. Asbest: Wij willen de kans bieden voor meervoudig ruimtegebruik en het opwekken van hernieuwbare energie waarbij er tevens kansen liggen voor het opruimen van de asbestdaken. Het budget wat hiervoor beschikbaar is voor 2023 moet beschikbaar blijven voor 2024. Derhalve zullen wij hiervoor in de Jaarrekening 2023 een overboekingsvoorstel doen. Dit zal dan worden afgewogen tegen de dan geldende criteria. Impuls omgevingsveiligheid: Wij willen de kennisdeling en -overdracht op het gebied van externe veiligheid een verdere impuls geven. Het budget wat hiervoor beschikbaar is voor 2023 moet beschikbaar blijven voor 2024. Dit betreft een decentrale uitkering en de restant middelen 2023 blijven beschikbaar voor dit doel in 2024. Minder toezicht/regelgeving goed functionerende bedrijven: In 2022 is onderzocht, op basis van het toen geldende Coalitieakkoord, of en hoe goed functionerende bedrijven kunnen worden ontlast in controle en regelgeving. In 2024 laten wij hiertoe een pilot uitvoeren bij vijf provinciale bedrijven, waaronder 2 Seveso-inrichtingen. Hiertoe is een krediet van EUR 50.000, -- beschikbaar. Op basis van de resultaten van de pilot zullen wij besluiten over de verdere implementatie. Leges: Specifiek voor milieu geldt dat er met de invoering van de Omgevingswet een volledig nieuwe grondslag is ontstaan. Het is namelijk zo dat met de invoering van de Omgevingswet milieuleges kunnen worden geheven, wat eerder niet (meer) kon. De aangepaste legesverordening met bijbehorende tarieventabel is gelijk met de Ow in werking getreden. De leges zullen opgeteld een geschatte opbrengst van € 400.000, - opleveren. In de begroting 2024 is een bedrag opgenomen van € 362.400, - aan kosten voor vergunningverlening die met de legesopbrengsten naar waarschijnlijkheid kunnen worden gedekt. 2.3Uitvoeringsrisico’s en beheersmaatregelen Dit Milieuprogramma is opgesteld in een periode met veel ontwikkelingen, zowel Europees als landelijk op het gebied van milieu Er is bovendien veel publieke aandacht voor bedrijven met grote impact op het milieu en de gezondheid en uitdagingen in de uitvoering van provinciale milieutaken. Dit vergroot het spanningsveld tussen beleid en uitvoering en vraagt daarmee om meer anticipatievermogen van om snel en effectief te kunnen inspelen op zowel beleidsmatige ontwikkelingen als mogelijke knelpunten in de uitvoering. We geven daarom prioriteit aan het verder ontwikkelen van een risicogerichte benadering in het doorlopen van de beleidscyclus. Er zijn verschillende impact-/risicoanalyses die hiertoe kunnen bijdragen, maar die nog niet in samenhang worden ingezet. Voor dit Milieuprogramma hebben we op basis van de bestaande inzichten uit het vorige Milieuprogramma nieuwe ontwikkelingen en signalen vanuit de uitvoering geduid. Duiding Het meest voorname en structurele risico is dat de realisatie van de bestuurlijk gevoelige maatregelen achterblijft of geen doorwerking krijgt naar besluiten. Hierbij valt te denken aan onvoldoende of vertraagde doorwerking naar vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Hierdoor kunnenhinder en milieudruk in het algemeen toenemen, maar ook op korte termijn bestuurlijke risico's ontstaan als bestuurlijke dossiers niet conform ambitieniveau en beleidsregels worden behandeld. Dit risico wordt beheerst door de onderliggende risico’s te minimaliseren/mitigeren. De grootste onderliggende risico’s, op zowel korte en lange termijn, zijn complicaties die verband houden met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en gebrek aan structureel en incidenteel benodigde capaciteit binnen de ODG en de provincie. Structureel als het gaat om de adequate uitvoering van wettelijke taken en de doorwerking van beleid. Incidenteel als het gaat om de benodigde kennis en capaciteit voor een goede uitvoering van nieuwe taken en opgaves. Grote transities zoals de energietransitie en circulaire economie vragen niet alleen om meer capaciteit maar vaak ook om andersoortige inhoudelijke expertise en competenties. Bovendien brengen deze opgaves mogelijk nieuwe veiligheids- en gezondheidsrisico's met zich mee. Ontwikkelingen die hiermee verband houden, zullen de komende periode hoogstwaarschijnlijk een toename aan complexe aanvragen tot gevolg hebben. Dit zou kunnen leiden tot een herprioritering binnen de ODG, waardoor de capaciteit en kennis, nodig voor de uitvoering van beleid en maatregelen, onder druk komt te staan. Deze ontwikkelingen zorgen daarmee voor een toename van bestuurlijke risico's. Met name de actualisatie van vergunningen kan hierdoor in het gedrang komen en daarmee adequaat toezicht. Bovendien bestaat ook het risico dat adviezen, als onderdeel van maatregelen in opdracht van de provincie, niet meer kunnen worden geleverd door de ODG. Landelijk wordt door middel van het interbestuurlijk programma VTH geïnvesteerd in adequate uitvoering van wettelijke taken, met name door invulling te geven aan bovenstaande randvoorwaarden. Echter, voor goede doorwerking van beleid naar uitvoering moet VTH meer worden ingezet om op een verantwoorde manier om te gaan met de beschikbare milieugebruiksruimte. Zo kunnen we beter anticiperen op knelpunten in de uitvoering en voorkomen we dat de milieukwaliteit verslechtert en negatieve gezondheidseffecten in Groningen toenemen. Conclusie Het voorliggende Milieuprogramma kan binnen de huidige begrote middelen worden uitgevoerd. Echter, na duiding van de uitkomsten van de analyse van het vorige Milieuprogramma kunnen de volgende bestuurlijk gevoelige maatregelen onder druk komen te staan: de milieumonitoring in de Staat van Groningen de Hinderapp het Schone Lucht Akkoord (potentieel) Zeer Zorgwekkende Stoffen de financiële risico’s van afvalbedrijven de inwerkingtreding van de Omgevingswet de bouwstenen voor de nieuwe Omgevingsvisie (o.a. omgevingswaarden en omgevingsveiligheid) Naar aanleiding van de actualiteit rondom de milieubelastende bedrijven, hebben we de uitvoering van de volgende algemene maatregelen als risicovol beoordeeld: doorwerking van landelijk en provinciaal beleid naar actuele vergunningen; vergroten van inzicht in de impact van bedrijven op de milieukwaliteit in onze provincie; meer focus bij vergunningverlening, toezicht en handhaving op gezondheid omwonenden en ecologische effecten. Binnen de bestaande middelen is nog geen rekening gehouden met bovenstaande ontwikkelingen en risico's. Het vraagt om een nadere analyse van deze risico's in relatie tot de structureel en incidenteel benodigde middelen zowel bij de provincie als de ODG om te zorgen dat: De kerntaken op het gebied van VTH op adequate wijze worden uitgevoerd: Deze analyse wordt in het eerste kwartaal van 2024 uitgevoerd in lijn met de strekking van moties M61 en M75. De financiële consequenties hiervan worden meegenomen in een advies voor de perspectiefnota 2024. De beleidsaccenten uit dit Milieuprogramma naar behoren kunnen worden uitgevoerd door zowel provincie las ODG: Dit onderdeel wordt meengenomen in bovenstaande analyse en advies perspectiefnota. Zowel de provincie als de ODG in staat zijn adequaat uitvoering te geven aan de deze taken binnen de kaders van de nieuwe Omgevingsvisie: Op basis van bovenstaande analyses wordt verkend hoe we een structurele risicobenadering vanuit de nieuwe Omgevingsvisie kunnen ontwikkelen. Hoofdstuk3:De kaders In dit hoofdstuk schetsen we kort de juridische en beleidsmatige kaders, waarbinnen het provinciaal tactische milieubeleid van dit Milieuprogramma is opgesteld. Ook geven we aan welke algemene kaders gelden voor de uitvoering. 3.1Wet- en regelgeving Waar het mondiale milieubeleid vooral richtinggevend is, is het Europese beleid maatgevend voor het nationale en dus ook voor het provinciale milieubeleid. Het nationaal milieubeleid vertaalt Europees beleid naar nationale wetgeving en beleid. Naast algemene/overkoepelende wet- en regelgeving, bestaan er diverse sectorale wetten, die zien op onderdelen van het milieu- domein4Denk bijvoorbeeld aan de Wet luchtvaart, de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit, de Wet geluidhinder, het Vuurwerkbesluit, het Besluit risico’s zware ongevallen etc.. Onderstaand zijn alleen de algemene kaders kort toegelicht. De Omgevingswet vormt het voornaamste wettelijk milieukader. Met het in werking treden van de Omgevingswet verandert er ook veel op het gebied van omgevingsvergunningen. Zo spreken vanaf 2024 van milieubelastende activiteiten (mba's). Ook m.b.t. RIE4-bedrijven en Seveso-inrichtingen geldt straks dat een mba wordt vergund (Seveso-inrichtingen heten dan wel zo maar de mba is het exploiteren van een Seveso-inrichting). 3.2Beleidskaders De Omgevingsvisie omvat de strategische keuzes die aan de hand van de opgaven en de provinciale milieubelangen in beeld zijn gebracht. Waar van toepassing houdt dit Milieuprogramma hier rekening mee. In de visie zijn de ambities en doelstellingen op milieugebied door Provinciale Staten vastgesteld en zij vormen daarmee het strategische kader voor de verdere uitwerking in dit geactualiseerde Milieuprogramma. De Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl bevat het integrale beleid voor de Eemsdelta. Het is de gebiedsgerichte uitwerking van de Omgevingsvisie naar het gebied Eemsmond-Delfzijl. In dit Milieuprogramma is rekening gehouden met het beleid en hierin zijn de doelstellingen en normen zoals verwoord in de Structuurvisie uitgewerkt naar beleidsregels. Voor milieu-onder- werpen die niet specifiek worden benoemd in de Structuurvisie geldt onverminderd het Milieu- programma. De Structuurvisie is in 2021 geëvalueerd5De Structuurvisie wordt niet herzien, maar geïntegreerd in de nieuwe Omgevingsvisie.. Hoofdconclusie was: “Houd de werkwijze en samenwerking van de huidige visie in stand om het nawerk van de huidige visie te begeleiden en gebruik deze voor de planvorming voor nieuwe ontwikkelingen ”. De Nota Ondergrond is een geactualiseerde visie op het gebruik van de ondergrond in onze provincie en als zodanig een thematische uitwerking van de Omgevingsvisie. In onze provincie vinden verschillende activiteiten plaats in de diepe en ondiepe ondergrond. Het doel van de Nota Ondergrond is om een heldere afweging te kunnen maken bij het beoordelen van activiteiten in de ondergrond. Het Meerjarenprogramma Ondergrond en Bodem 2020-2025 vormt het tactisch beleidskader waarmee wij invulling geven aan de strategische keuzes die zijn gemaakt in de Omgevingsvisie en de Nota Ondergrond en licht de keuzes en maatregelen toe. Ook in de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl en in het Bodemconvenant 2015-2020 (via IPO) zijn afspraken opgenomen over bodem en ondergrond. Ons vertrekpunt bij het realiseren van het beleid is het streven naar 'Brede Welvaart'. De Sustainable Development Goals liggen in het verlengde van het realiseren van 'Brede Welvaart' en sluiten nauw aan bij de opgaves waar Groningen voor staat. Op deze manier dragen we bij aan ruimtelijke kwaliteit, gezondheid, de verduurzaming van de industrie, circulaire economie, de water- en de natuuropave. Deze doelen en onderliggende targets zorgen, behalve voor meer samenhang in ons provinciale beleid, ook voor een duidelijke samenhang met het beleid van bijvoorbeeld het Rijk, gemeenten, waterschappen en andere landen. Vanuit milieu dragen we bij aan de SDG's voor zowel People, Planet en Profit door te werken aan onderstaande doelen en targets, hiermee verbeteren we de brede Welvaart in Groningen: Brede Welvaart nu: Gezondheid en Milieu: SDG 3 - goede gezondheid en welzijn > target 3.9: Tegen 2030 in aanzienlijke mate het aantal sterfgevallen en ziekten verminderen als gevolg van gevaarlijke chemicaliën en de vervuiling en besmetting van lucht, water en bodem. Brede Welvaart nu: Ruimtelijke kwaliteit: SDG 11 - Duurzame steden en gemeenschappen> target 11.6: Tegen 2030 de nadelige milieu-impact van steden per persoon reduceren, ook door bijzondere aandacht te besteden aan de luchtkwaliteit en aan het gemeentelijk en ander afvalbeheer. Brede Welvaart later: Economisch Kapitaal: SDG 9 - Industrie innovatie en infrastructuur > target 9.4; Tegen 2030 de infrastructuur moderniseren en industrieën aanpassen om hen duurzaam te maken, waarbij de focus ligt op een grotere doeltreffendheid bij het gebruik van hulpbronnen en van schonere en milieuvriendelijke technologieën en industriële processen. SDG 12 Circulaire productie en consumptie > target 12.4; Tegen 2020 komen tot een milieuvriendelijk beheer van chemicaliën en van alle afval gedurende hun hele levenscycli en de uitstoot aanzienlijk beperken in lucht, water en bodem om hun negatieve invloeden op de menselijke gezondheid en het milieu zoveel mogelijk te beperken en > target 12.5: Tegen 2030 de afvalproductie aanzienlijk beperken via preventie, vermindering, recyclage en hergebruik. Brede Welvaart later: Natuurlijk Kapitaal: SDG 6 - Schoon water en sanitair > target 6.3: Tegen 2030 de waterkwaliteit verbeteren door verontreiniging te beperken, de lozing van gevaarlijke chemicaliën en materialen een halt toe te roepen en de uitstoot ervan tot een minimum te beperken waarbij ook het aandeel van onbehandeld afvalwater wordt gehalveerd en recyclage en veilige hergebruik wereldwijd aanzienlijk worden verhoogd. SDG 14 - Leven in het water > target 14.1: Tegen 2025 de vervuiling van de zee voorkomen en in aanzienlijke mate verminderen, in het bijzonder als gevolg van activiteiten op het land, met inbegrip van vervuiling door ronddrijvend afval en voedingsstoffen. 3.3Operationeel beleid Bij de doorwerking van wettelijke taken en beleid naar VTH hebben we uitvoeringskaders vast- gesteld. Dit geeft vergunningverleners, toezichthouders en handhavers duidelijkheid wanneer welke strategieën, protocollen en evt. handreikingen moeten worden gebruikt bij het realiseren van onze doelstellingen. Ook geeft het derden en belanghebbenden meer inzicht welke eisen we stellen aan bijvoorbeeld vergunningsaanvragen en welke algemene regels er gelden voor het beschermen van onderdelen van het milieu. Met het inwerkingtreden van de Omgevingswet wordt de Omgevingsverordening onder meer aangevuld met regels inzake geurbelasting en het toepassen van BBT. De Omgevingsverordening bevat decentrale regelgeving op provinciaal niveau, die doorwerkt naar gemeenten, waterschappen en bevat ook direct werkende regels die gelden voor eenieder. Zij omvat o. a. regels over milieu: denk aan externe veiligheid, radioactief- en gevaarlijk afval, duurzame energie, gesloten stortplaatsen en nazorg, bodemrisico’s en bodemsanering, intensieve veehouderij, milieubeschermingsgebieden en stilte en duisternis. Daarnaast wordt meer aandacht gevraagd voor de bescherming van de duisternis en stilte. Waar doelstellingen uit dit Milieuprogramma doorwerken naar de Omgevingsverordening, geven we dit aan. De Kwaliteitsverordening VTH regelt de kwaliteit van de door onszelf en in opdracht van ons uitgevoerde vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) van het omgevingsrecht. Samen met het kabinet werken gemeenten en provincies aan het verbeteren van de uitvoering van het omgevingsrecht. De verbeterpunten zijn terug te brengen tot drie hoofdpunten: De kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken, Het verbeteren van de afstemming strafrecht-bestuursrecht en De bevoegdheidsverdeling tussen overheden, interbestuurlijk toezicht en bestuurlijke drukte De provincie Groningen en de Groninger gemeenten ontwikkelen samen uniform beleid voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving van uitbestede taken aan de Omgevingsdienst Groningen: Uitvoerings- en handhavingstrategie. De accenten uit ons Milieuprogramma en onze wettelijke taken vormen de basis voor het VTH-jaarprogramma. Hierin geven we aan wat er jaarlijks nodig is om ons beleid te realiseren door middel van de inzet van VTH. Het vormt daarmee ook de basis voor de opdrachtverstrekking aan de ODG. De ODG voert nu naast het basistakenpakket voor ons ook het milieutakenpakket, het bouwtakenpakket en het RIE4- en Seveso-takenpakket uit. Voor de uitvoering van de zogenaamde Brzo- en RIE-4-taken wordt jaarlijks in samenwerking met de provincies Drenthe en Friesland een werkprogramma opgesteld. Over de uitvoering van het programma wordt jaarlijks door de ODG en Brzo-Noord gerapporteerd en geadviseerd. Voor de ondergrond en bodem zijn deze vastgelegd in het MJP ondergrond en bodem. Maatregelen die wij als provincie zelf uitvoeren zijn opgenomen in dit Milieuprogramma. Hoofdstuk4:Algemene doelstellingen en maatregelen 4.1Inleiding In dit algemeen geldende hoofdstuk en in de volgende thematische hoofdstukken vertalen we de ambities en doelen uit de Omgevingsvisie naar onze uitgangspunten en prioriteiten voor de komende jaren. Ook geven we inzicht in welke instrumenten we gaan inzetten, welke rollen we vervullen en welke maatregelen om onze doelen te halen daarbij horen. Op deze manier geven we inzicht in hoe ons beleid doorwerkt naar de uitvoering. Ambities, doelen en doorwerking die gelden voor specifieke thema’s komen in de desbetreffende themahoofdstukken aan de orde. In onderstaand overzicht hebben we onze algemene doelstellingen uit de Omgevingsvisie, aangevuld met bestuurlijke accenten, uitgewerkt naar maatregelen en/of beleidsregels. Onze doelstellingen richten zich op: (Milieu-)compartimenten die essentieel zijn voor de kwaliteit van leven en gezondheid van mens en dier en een voorwaarde zijn voor ecologische vitaliteit en diversiteit zoals bodem, lucht en water; Bronnen die verontreiniging en hinder veroorzaken, zoals bijvoorbeeld milieubelastende activiteiten, vervoer/wegen. Onze focus ligt op gebiedsniveau (gebiedsgericht milieubeleid), bedrijfsniveau, (milieubeleid bedrijven) en ketenniveau (systeemgericht). Maatschappelijk doel Omgevingsvisie We streven naar een schoon, gezond, veilig, hindervrij en circulair Groningen voor alle inwoners. Daartoe proberen we milieudruk en -hinder te voorkomen dan wel zo veel mogelijk te beperken. Daarbij leggen we nadruk op de volgende principes uit onze Omgevingsvisie: We hanteren zoveel mogelijk het voorzorgsbeginsel, waarbij we milieu, gezondheid en veiligheid aan de voorkant meenemen in onze besluitvorming. Bestaande milieubelasting en hinder hebben onze prioriteit, We willen voorkomen dat milieu- verontreiniging door afwenteling toeneemt. Als er wel sprake is van milieuschade en hinder, mag deze niet later naar andere plekken zoals bijvoorbeeld lucht, bodem of water of op de gezondheid worden afgewenteld. Als dit wel het geval is, dan alleen tijdelijk, waarbij het principe: ‘de vervuiler betaalt’ geldt. We stimuleren koplopers die durven te innoveren en zijn streng voor achterblijvers. We zijn open en transparant in ons beleid, we laten ons beleid op een integrale en consequente manier doorwerken en doen dit in samenwerking met alle betrokken publieke- en private belanghebbenden. 4.2Gebiedsgericht beleid De provincie Groningen staat de komende jaren, net als de rest van Nederland, voor een groot aantal opgaven die vaak gebiedsgericht moeten worden opgepakt. De specifieke problematiek en/of kansrijkheid van de verschillende landschapstypen, om ontwikkelingen in te passen, staan centraal in het gebiedsgerichte werken. We maken effectief gebruik van onze kaderstellende rol in samenspraak met gemeenten, waterschappen en andere partners zoals de GGD en de Veiligheidsregio. Daar waar behoefte bestaat van gemeenten en regio’s zullen we faciliteren indien gewenst, regisseren we en reguleren we daar waar nodig.In het laatste geval stellen we (aanvullende) eisen aan initiatiefnemers, gemeenten, burgers en onszelf. Voor het Eemsdeltagebied is met de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl het eerste gebiedsgerichte kader neergelegd voor ontwikkelingen in het gebied en de bescherming van het milieu en de leefomgeving. Samen met belanghebbenden in het gebied hebben we vooral gekeken naar de stapeling (cumulatie) van milieueffecten. Op deze manier hebben we de beschikbare milieugebruiksruimte voorbestaande- en mogelijke nieuwe activiteiten inzichtelijk gemaakt. Algemene ambitie Structuurvisiegebied Eemsmond-Delfzijl Wij willen negatieve milieueffecten en effecten van economische ontwikkelingen voor natuur en leefomgeving beperken, een veilige omgeving realiseren en een goede kwaliteit van water, lucht, geluid, stilte en duisternis, bodem en landschap bereiken. Dit is essentieel voor de kwaliteit van leven en de gezondheid van mens en dier en een voorwaarde voor ecologische vitaliteit en diversiteit. Waar nodig vormen we gebiedsspecifiek milieubeleid om economische ontwikkelingen en majeure opgaves te realiseren binnen aanvaardbare normen en kaders. Door op deze manier gebiedsgerichte accenten te leggen, gebaseerd op de kwaliteiten van een gebied, geven we richting aan keuzes en afwegingen maken als het gaat om nieuwe initiatieven.6Evaluatierapportages Milieuplan en structuurvisie Eemsmond-Delfzijl. We zien meervoudig ruimtegebruik als instrument om door middel van ruimtelijke ordening onze doelen te realiseren op plekken waar de (milieu-)gebruiksruimte beperkt is. Bij grootschalige (industriële) activiteiten met veel milieudruk streven we ruimtelijke concentratie van deze activiteiten na. We zien voordelen van dit beleid (zoals in de Eemsdelta), omdat dit de rest van de provincie ontlast van milieudruk. In deze gebieden is er vaak sprake van cumulatie als het gaat om milieubelastende activiteiten door zowel provinciale als gemeentelijke bedrijven, wegverkeer, windparken etc. Samen met gemeenten, waterschappen, bedrijven en burgers werken we aan een veilige en gezonde leefomgeving en richten ons daarom op gebieden en locaties waar de milieukwaliteit meer aandacht vraagt. Waar ons beleid doorwerkt naar gemeenten, bijvoorbeeld op het gebied van geur en geluid in het Structuurvisie gebied, hebben we instructieregels opgenomen in de Omgevingsverordening. Doelstelling Wij vergroten ons inzicht in de opeenstapeling van last en druk op de omgeving, om zo nodig maatregelen te kunnen nemen. Het huidige regionale basisbeschermingsniveau houden we zoveel mogelijk intact. Dit is van provinciaal belang. We gaan monitoren: het totaal aantal blootgestelden, gehinderden en (ernstig) gehinderden op jaarbasis voor de thema’s luchtkwaliteit, geur en geluid. 7De contouren van de gezondheidskaarten (kunnen) wijzigen door de tijd heen, dit in combinatie met het aantal blootge- stelden/geur-/geluidsgevoelige (Basis Administratie Gemeente (BAG)) objecten. BAG objecten worden gebruikt voor de monitoring van een totaal aantal gehinderden in een bepaalde gemeente/gebied/provincie. Maatregelen: Wat gaan we doen? We intensiveren de samenwerking met regionale partners; De komende periode ligt onze focus daarbij op kennisuitwisseling op het gebied van externe veiligheid en gevaarlijke stoffen. Prioriteit: we verkennen in 2024 de meerwaarde van een kennisplatform omgevingsveiligheid. We ontwikkelen een gebiedsgerichte aanpak om op een verantwoorde en transparante manier om te gaan met ontwikkelingen met significante milieu impact. Prioriteit: we doen in 2024 onderzoek naar beschikbare milieugebruiksruimte en de vorming van ontwikkelprincipes om gebiedsgericht accenten te leggen in ons beleid. We zetten in op innovatieve projecten als het gaat om het meten en monitoren van milieukwaliteit en gezondheid. We geven daarbij prioriteit aan het analyseren van de impact van uitstoot van gevaarlijke stoffen op de gezondheid en de natuur. Prioriteit: In 2024/2025 verkennen we of ons onderzoek naar zware metalen in het Eems-Dollard gebied actueel is en of het wenselijk en haalbaar is rondom het bedrijventerrein Oosterhorn periodiek metingen te verrichten. We onderzoeken samen met onze regionale partners of we op basis van bovenstaande onderzoeken en metingen gebiedsgerichte normen of omgevingswaarden moeten vaststellen. Hierbij leggen we de focus op de uitstoot van bedrijven en het effect hiervan op de lokale luchtkwaliteit in relatie tot bodem- en waterkwaliteit. Prioriteit: in het kader van de nieuwe Omgevingsvisie ontwikkelen we waar nodig en wenselijk omgevingswaarden en nemen deze op in de Omgevingsverordening. 4.3Milieubeleid bedrijven Bij het verbeteren van de milieukwaliteit in Groningen geven we, naast een gebiedsgerichte aanpak, in de volle breedte bij alle bedrijven waar wij het bevoegd gezag voor zijn prioriteit aan het verminderen van milieuverontreiniging, risico's en hinder. We verwachten van bedrijven dat zij zich tot het uiterste inspannen om afwenteling van hun activiteiten op de maatschappij te voorkomen. We zorgen daarbij voor duidelijke en heldere kaders, zodat bedrijven weten waar zij aan moeten voldoen en welke milieugebruiksruimte beschikbaar is voor initiatieven. We zijn voor circa 150 bedrijven het bevoegd gezag voor VTH. Dit zijn de "complexe bedrijven": bedrijven waarbinnen milieubelastende activiteiten plaatsvinden en die al dan niet de status van Seveso-inrichting hebben. Het zijn dus bedrijven die ofwel risicovol ofwel complex zijn en waarbij een gecoördineerde en integrale aanpak wenselijk is. Het zijn vaak bedrijven waar zowel veiligheid, luchtkwaliteit, geluid, geur en energiegebruik een rol kunnen spelen. Bij deze bedrijven zijn we ook verantwoordelijk voor de overige activiteiten onder de Omgevingswet, niet zijnde milieutaken. Tenslotte geven we prioriteit aan een ketengerichte aanpak van milieucriminaliteit en intensiveren ons toezicht op activiteiten met een groot risico op overtredingen en relatief grote milieugevolgen. Doorwerking Er is landelijk veel aandacht voor de taakuitvoering van omgevingsdiensten als het gaat om bedrijven met grote milieu-impact. Denk daarbij aan het rapport van de commissie van Aartsen, het rapport Industrie en Omwonenden van de onderzoeksraad voor de Veiligheid, de berichtgeving en adviezen rondom Tata-steel, Chemours en Chemelot en natuurlijk de uitstoot van bedrijven op het Eems-Dollard estuarium en het Waddengebied. De problematiek rondom de impact van sommige bedrijven op de gezondheid van omwonenden en de milieukwaliteit vraagt landelijk, maar ook in Groningen om meer aandacht en inzet. Hoewel er meer behoefte is aan landelijke en regionale uniformiteit in de uitvoering en handhaving, vraagt een effectieve aanpak ook om een goede doorwerking van strategisch en gebiedsgericht beleid naar diezelfde uitvoering. Op deze manier kunnen we adequaat anticiperen op uitdagingen en opgaves die op ons afkomen. De komende periode geven we daarom prioriteit op het vergroten van inzicht in de milieubelasting en hinder in onze provincie d.m.v. onderzoek. Het gaat daarbij zowel om cumulatie/stapeling (hotspots) van milieubelasting en hinder, maar ook om de beschikbare milieugebruiksruimte voor bedrijvigheid en andere opgaves in onze provincie. Deze onderzoeken geven concrete aanknopingspunten om invulling te geven aan het voorzorgsbeginsel uit de Omgevingswet. We anticiperen daarmee op risico's voor de gezondheid van omwonenden en natuur- en milieukwaliteit en vertalen deze aanpak naar actuele vergunningen met scherpe normen. Met de Omgevingswet verschuiven er taken en bevoegdheden van Rijk en provincies naar gemeenten. In sommige gevallen ontstaan hierdoor lacunes in het basisbeschermingsniveau. Bijvoorbeeld in de overdracht van bodemtaken en lozingen. De Omgevingswet biedt evenwel ook meer beleidsruimte om provinciale accenten te leggen en maatwerk in vergunningen op te nemen. Dit kan bijvoorbeeld op basis van omgevingswaarden en het voorzorgsbeginsel. De komende periode analyseren we de risico's en kansen die de Omgevingswet met zich meebrengt. Waar mogelijk beperken we deze risico's door gebruik te maken van de beleidsruimte van de nieuwe wet. Zo leggen we de basis voor gebiedsgerichte samenwerking en een betere doorwerking naar vergunningen, toezicht en handhaving om Groningen gezond, schoon en veilig te houden. Maatregelen: wat gaan we doen? We onderzoeken in 2024 welke methodes en 'best practises' relevant en bruikbaar zijn om tot een integrale risicoanalyse en -benadering te komen. Op basis van de nieuwe Omgevingsvisie ontwikkelen we een integrale risicoanalyse en -benadering met een advies aan Provinciale Staten over sturingsfilosofie, doorwerking, prioritering, middelen en organisatorische consequenties op de middellange termijn. We onderzoeken op basis van de risicoparagraaf in H2 welke kennis en capaciteit op korte termijn zowel bij de provincie als bij de ODG noodzakelijk is om onze rol als bevoegd gezag en beleidsvormend bestuursorgaan naar behoren uit te kunnen voeren. We onderzoeken de mogelijkheden die de Omgevingswet biedt om ons beleid beter en sneller te laten doorwerken naar actuele vergunningen d.m.v. beleidsregels en algemene regels in de Omgevingsverordening. Doelstellingen We kiezen voor ambitieuze en scherpe milieunormen en stellen als dat nodig is strenge voor- schriften aan de bedrijfsvoering van grote industriële bedrijven. Maatregelen: Wat gaan we doen? We geven we prioriteit aan het oplossen van sanerings- en hindersituaties en het voorkomen van nieuwe hinder en milieudruk. Prioriteit: we analyseren op basis van de kaart met hotspots welke bronnen op significante wijze bijdragen aan stapeling van hinder en milieudruk en stellen op basis hiervan een plan van aanpak op. We geven prioriteit aan de uitvoering van het interbestuurlijk programma versterking VTH-stelsel (IBP), de doorontwikkeling van ons Bibob-beleid8Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur en het toezicht op energiebesparende maatregelen bij inrichtingen en milieubelastende activiteiten die onder onze bevoegdheid vallen. 4.3.1Seveso/RIE-4/RIE-5-bedrijven Risicovolle (Seveso/RIE-4)9Complexe chemiebedrijven die werken met milieuverontreinigende stoffen. Daarom vallen zij onder categorie 4 van de Richtlijn Industriële Emissies. bedrijven hebben onze bijzondere aandacht, vanwege de potentiële impact op de omgeving als het gaat om omgevingsveiligheid. Daarom sluiten we ook aan bij de Landelijke Aanpak Toezicht (LAT) Risicobeheersing Bedrijven. Voor de uitvoering van de VTH- taken bij deze bedrijven hebben we met de provincies Friesland en Drenthe de uitvoeringsorganisatie Seveso-Noord opgericht. In 'de Noordelijke maat' is de gezamenlijke kwaliteitstandaard voor VTH vastgelegd. Wij hebben ingestemd met de IPO-ambitie van de excellente uitvoering en dragen financieel bij aan de landelijke projecten van BRZO+. Omdat in Groningen aardbevingen door gaswinning voorkomen zijn in het Meerjarenprogramma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen onderzoeken naar de impact van aardbevingen op risicovolle bedrijven opgenomen. Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken en de afspraken in het Meerjarenprogramma zullen we, waar nodig risicobeperkende maatregelen treffen. Daarnaast hebben RIE-510RIE5 valtonder cat. 5. van bijlage I van de RIE. Het gaat om installaties voor afvalbeheer bedrijven onze bijzondere aandacht. Doelstelling Bij bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen geven we prioriteit aan het toezicht houden op de veiligheidsvoorzieningen en de veiligheidsbeheersystemen. 11Bron: Omgevingsvisie provincie Groningen 2021 We gaan monitoren: het aantal inspecties en overtredingen bij Seveso-inrichtingen; naleefgedrag ten aanzien van Seveso-inrichtingen. Maatregelen: Wat gaan we doen? We hanteren scherpe milieunormen, strenge voorschriften en intensief toezicht bij Seveso-inrichtingen en milieubelastende activiteiten die op significante wijze bijdragen aan stapeling van milieudruk en hinder. Prioriteit: in 2024/2025 monitoren we de effectiviteit van de Landelijke Handhaving Strategie Omgevingsrecht (LHSO) en de bestuurlijke boete. We zetten in op excellente uitvoering van VTH-taken bij Seveso-inrichtingen. Prioriteit: we voeren in 2024/2025 een actualisatie toets bij Seveso-inrichtingen uit. 12Dit is afgesproken in de Meerjarenagenda van de zes Seveso-omgevingsdiensten en de provincies. In de Meerjarenagenda wordt beschreven wat verstaan wordt onder excellente uitvoering op de onderdelen vergunningverlening, toezicht, handhaving, samenwerking en beleidsontwikkeling en wetgeving 4.3.2Vergunningverlening Door middel van regelgeving leggen we op provinciaal niveau accenten in onze vergunningverlening op basis van onze doelstellingen. Zowel Provinciale Staten als wij als wij kunnen respectievelijk direct werkende regels en beleidsregels vaststellen om te zorgen dat ons beleid goed tot uiting komt in onze besluitvorming. De beleidsregels in dit Milieuprogramma, beschrijven hoe we als Gedeputeerde Staten invulling geven aan de beoordelingsruimte die de Omgevingswet biedt. Beleidsregels binden alleen ons als Gedeputeerde Staten en geen derden, maar ze werken via vergunningverlening, maatwerk, toezicht en handhaving wel door naar derden. De regels die Provinciale Staten hebben vastgesteld in de Omgevingsverordening geven zowel instructie aan ons als Gedeputeerde Staten als aan gemeenten over welke aspecten altijd moeten worden meegenomen in de vergunningverlening. Deze regels werken verplichtend naar zowel ons, gemeenten als bedrijven. Een deel van de beleidsregels richt zich op specifieke thema's zoals bijvoorbeeld ZZS. Een ander deel is generiek. Met de Omgevingswet verandert ook de vergunningverlening voor milieu. Nieuw element is het heffen van leges voor milieubelastende activiteiten. Het stelt ons in staat doelgerichter te sturen op de inzet van capaciteit en kennis voor complexe aanvragen in het kader van de Omgevingswet. Maatregelen: Wat gaan we doen? We ontwikkelen samen met de ODG een afwegingskader voor vergunningverlening. Zo zorgen we dat onze beleidsintenties goed aansluiten bij het gebied, een opgave of een keten. 4.3.3Actualisatie vergunningen Vergunningen met scherpe voorschriften en normen dragen bij aan het beschermen van milieu en gezondheid. Zij moeten echter wel actueel zijn om deze bescherming te kunnen bieden en daarmee dus ook tegelijkertijd nieuwe ontwikkelingsruimte voor nieuwe bedrijven creëren. Niet alle Groningse bedrijven beschikken over actuele vergunningen. Doelstelling We streven naar een actueel vergunningenbestand (volgens Europese, landelijke en provinciale beleidskaders) per 1 januari 2027, waarbij we vergunningen programmatisch actualiseren. De Omgevingsdienst voert jaarlijks een actualisatie toets uit op basis van veranderde wet- en regelgeving, Omgevingsverordening en beleidsregels uit dit Milieuprogramma. Actualisatie gebeurt risicogericht en op termijn door middel van het afwegingskader, waarbij de volgende criteria een rol spelen: bedrijven met een significante bijdrage aan cumulatie van hinder (geur, geluid) en milieudruk (regionale aandachtspunten/gebiedsgericht beleid); bedrijven met een significant risicoprofiel in relatie tot externe veiligheid; bedrijven die Zeer Zorgwekkende Stoffen produceren, bewerken en uitstoten; bedrijven waarbij we financiële en milieurisico’s willen verminderen door het opnemen van financiële zekerheidstelling in de vergunning; bedrijven waar significante milieuwinst te behalen is door voorschrijven van strenge(
  2. re)kant van de Beste Beschikbare Technieken (BBT)-range op basis van de vaststelling nieuwe BBT-conclusies en BREF’s; 13BAT Reference documents en is een uitwerking van de IPPC-richtlijn van de Europese Unie. ‘BAT’ staat dan weer voor Best Available Techniques oftewel Beste Beschikbare Technieken. gebieden en bedrijfslocaties waar sprake is van een tekort aan milieugebruiksruimte; bedrijven met een significante bijdrage aan lokale concentraties fijnstof; bedrijven met een significante bijdrage aan depositie stikstof; bedrijven waarbij sprake is van afwijkende klachtenpatronen in de vorm van bijvoorbeeld toenemende of andersoortige14Bijvoorbeeld: er is al geurhinder, maar ook opeens veel grof stof of bromtonen. hinder; ongebruikte vergunde ruimte. We gaan dit monitoren door: het aantal actuele vergunningen op basis van de criteria in bovenstaand overzicht Maatregelen: Wat gaan we doen? We geven prioriteit aan de actualisatie van vergunningen op basis van de bovenstaande criteria, waarbij we op termijn gebruik maken van het te ontwikkelen afwegingskader voor de vergunningverlening. We onderzoeken de ruimere mogelijkheden van de Omgevingswet om milieuwinst te behalen door vergunningen ambtshalve te reviseren. 4.3.4Beste beschikbare technieken (BBT) Een belangrijk middel bij het verminderen van uitstoot door de combinatie van scherpe, ambitieuze normen en een innovatieve aanpak is ons BBT-beleid. In Europees verband worden technische eisen gesteld aan de uitstoot van milieuverontreinigende stoffen en hinder veroorza- kende activiteiten. Dit is vastgelegd in de zogenaamde BBT-conclusies en BREF's en de daarbij horende emissieniveaus.15Associated Emission Levels: https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toelichting-milieubelastende-activiteiten/vergunning-milieubelastende-activiteit/bbt-met/ Deze emissieniveaus vormen een bandbreedte op basis waarvan een emissiegrenswaarde kan worden vastgelegd in de vergunning. Deze grenswaarde vertegenwoordigt de maximale uitstoot voor een bepaald emissiepunt en vormt daarmee de basis voor controleverplichtingen. We willen de uitstoot van gevaarlijke en luchtverontreinigende stoffen zoveel mogelijk bij de bron voorkomen en verminderen. Op deze manier dragen we zowel bij aan de lokale, als de regionale luchtkwaliteit. Dit doen we onder meer door emissiegrenswaarden in de vergunning vast te leggen een zo laag mogelijke uitstoot op basis de onderkant (= meest strenge kant) van deze BBT-bandbreedte realiseert. BBT beperken zich niet tot deze officiële documentatie maar kunnen ook bestaan uit de actuele meest doeltreffende technieken, die economisch en technisch haalbaar zijn. We schrijven voor ZZS, luchtverontreinigende stoffen, grof stof, geur veroorzakende stoffen en geluid in principe de onderkant van BBT voor. Bij ZZS kunnen we in sommige gevallen maatregelen eisen die strenger zijn dan (de onderkant van) de bandbreedte die BBT vertegenwoordigt. Doelstelling Wij kiezen in eerste instantie voor de ambitieuze kant van de bandbreedte voor milieunormen die de wet- en regelgeving ons biedt. Wij gaan dit monitoren door: het aantal bedrijven met een emissiegrenswaarde dat voldoet aan de onderkant van BBT. Zo realiseren we door een integrale beoordeling de grootst mogelijke bescherming van het milieu. Als er meerdere aspecten (ZZS, luchtkwaliteit, geur, stikstof, etc ). een rol spelen bij het opstellen van voorschriften, dan geldt altijd dat primair wordt gekozen voor het minimaliseren van gezondheidseffecten voor de mens. Hiermee sluiten we aan bij het gedachtegoed van de Omgevingswet, waarin het belang van de gezondheid evenveel gewicht wordt toebedeeld als het milieu in algemene zin. 16Omgevingswet, artikel 4. 22, lid 1b, lid 2b Bovendien is dit een concrete invulling van onze verplichtingen in het kader van het Schone Lucht Akkoord (SLA). Ons beleid voorziet erin dat indien het bedrijf aantoont dat toepassing van de strengste kant van BBT niet haalbaar is of integraal bezien niet doelmatig is, een andere keuze kan worden gemaakt. Ook bij het opstellen van de milieu-effect rapportage vragen we initiatiefnemers onderzoek te doen naar de onderkant van BBT. Bij significante verslechtering van de milieukwaliteit in een bepaald gebied kunnen we eisen stellen die strenger zijn dan de onderkant van BBT.17De motivering van deze beleidsregels volgt uit Kamerstukken II 2003/04, 29711, 3, p. 11, waarin is aangegeven dat het bevoegd gezag als het gaat om de toepassing van de beste beschikbare technieken verplicht is steeds die keuzes te maken die - integraal beoordeeld - de grootst mogelijke bescherming van het milieu bieden. Maatregelen: wat gaan we doen? We verkennen de mogelijkheden om de onderkant van BBT bij projecten, VTH-trajecten en m.e.r.-procedures ook toe te passen voor andere milieucompartimenten. We verkennen de nieuwe mogelijkheden die de Omgevingswet biedt om beleid te vormen dat naast de onderkant van BBT, ook vanuit het preventiebeginsel en gezondheidsbescherming de uitstoot door bedrijven verder te vermindert. We ontwikkelen een emissiepunten registratiesysteem waarin ons BBT-beleid aan de basis staat. 4.3.5Zeer Zorgwekkende Stoffen en andere gevaarlijke stoffen Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) zijn stoffen die gevaarlijk zijn voor mens en milieu omdat ze bijvoorbeeld de voortplanting belemmeren, kankerverwekkend zijn of zich in de voedselketen ophopen. Het minimaliseren van de uitstoot van ZZS is onderdeel van een grote en ingewikkelde opgave, aangezien: de stoffen die als ZZS worden aangemerkt zowel in aantal als in volume nog steeds toenemen; de stoffen zich blijven verspreiden in water, bodem en lucht; de diversiteit van ZZS in het milieu neemt daarmee toe, en risico’s van cumulatieve blootstelling aan verschillende ZZS en de accumulatie (ophoping) van stoffen bij mensen en andere organismen toenemen. 18Raad voor de Leefomgeving: Rapport greep op gevaarlijke stoffen paragraaf 2.2 De beheersing van de risico’s van ZZS vraagt om een proactieve en integrale aanpak. Mens en natuur worden immers via verschillende routes blootgesteld aan deze stoffen: via de lucht, het water, voedsel en producten. Het is daarmee een bevoegdheid- en thema-overstijgend onderwerp. Naast de stoffen die door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) als ZZS zijn beoordeeld, beschouwen we ook potentieel ZSS (pZZS) en zogenaamde ”opkomende“ stoffen als (mogelijk) gevaarlijke stoffen.18 19Raad voor de Leefomgeving: Rapport greep op gevaarlijke stoffen deel II - hoofdstuk 1 Vanuit het voorzorgsbeginsel nemen we daarom maatregelen om verspreiding van en blootstelling aan deze stoffen zoveel mogelijk te voorkomen. Immers, ook beneden de wettelijke norm (MTR) kunnen bijvoorbeeld bij de blootstelling aan ZZS negatieve gezondheidseffecten optreden. Dit risico bestaat ook bij pZZS, als deze stoffen na onderzoek over dezelfde eigenschappen als ZZS blijken te beschikken. Deze effecten nemen bij sommige combinaties van stoffen nog verder toe als men aan verschillende ZZS wordt blootgesteld. 20Raad voor de Leefomgeving: Rapport greep op gevaarlijke stoffen paragraaf 2.2 Doelstellingen We geven prioriteit aan het verminderen en voorkómen van de uitstoot van gevaarlijke stoffen en in het bijzonder ZZS via de lucht, bodem en (grond)water en door de recycling van afval om hiermee blootstelling van mens en natuur zoveel mogelijk te beperken. We willen, ondanks de minimalisatieplicht voor individuele uitstoot van ZZS, de aanwezigheid van ZZS in het milieu en de kans op blootstelling toenemen en streven daarom naar een uitstoot zonder noemenswaardige blootstelling en uiteindelijke een nulemissie. We gaan monitoren: de emissie en aanwezigheid van ZZS in de verschillende milieucompartimenten en blootstelling aan ZZS en andere gevaarlijke stoffen (nader te bepalen welke en op welke wijze). Maatregelen. Wat gaan we doen? We inventariseren welke bedrijven een ZZS-significante impact hebben op het milieu en nemen de uitkomsten mee in een advies aan Provinciale Staten inzake prioritering en middelen ten behoeve van het verminderen van deze impact. We leggen prioriteit op kennisontwikkeling om een goede gesprekspartner te kunnen zijn en te blijven naar bedrijven, gemeenten en ODG. We continueren het al lopende PFAS-bronnenonderzoek in de provincie Groningen. Op die locaties waar een verdenking van een PFAS-verontreiniging in bodem/grondwater is, doen we (veld)onderzoek om te bezien of deze verontreiniging aanwezig is en zo nodig worden er bodemsaneringsmaatregelen uitgevoerd. Toelichting Zeer Zorgwekkende Stoffen Bedrijven moeten zich continu inspannen om de uitstoot tot een nulemissie terug te brengen. Hierbij richten we ons in eerste instantie op bronmaatregelen zoals vervanging van ZZS door minder schadelijke stoffen. Indien uitstoot van ZZS onvermijdelijk is dan leggen we strenge eisen op zoals toepassing van de onderkant van de BBT en/of andere maatregelen die bijdragen aan minimalisatie. Dit betekent echter niet dat we de mogelijke risico’s van blootstelling aan deze stoffen uit het oog verliezen. Daarom streven we bij het uitvoeren van deze maatregelen naar een zo laag mogelijke bijdrage van deze uitstoot aan de achtergrondconcentraties (immissie), met name waar er sprake zou kunnen zijn van significante blootstelling aan meerdere ZZS. Bij de beoordeling van maatregelen leggen we naast nadruk op persistentie (moeilijk biologisch afbreekbaar), ook nadruk op de risico’s inzake bio-accumulatie (opeenhoping in organismen). Hoe meer van deze stoffen zich ophopen in het milieu en daarmee ons voedsel en ons lichaam hoe groter de kans dat dit tot hormoonverstoring, onvruchtbaarheid, kanker en erfelijke afwijkingen leidt. Om de inspanningen te kunnen beoordelen, die een bedrijf verricht om de uitstoot van ZZS zo snel en zo effectief mogelijk te minimaliseren, gebruiken we de kosteneffectiviteit referentiewaarden voor ZZS van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.21potentieel Zeer Zorgwekkende stoffen: stoffen die in de procedure verkeren voor registratie onder REACH en waarvan het vermoeden bestaat dat zij als zeer zorgwekkend kunnen worden aangemerkt, maar waarover nog onvoldoende informatie beschikbaar voor is. Opkomende stoffen zijn stoffen waarvan wordt vermoed dat ze nadelige effecten kunnen hebben voor water of bodem, maar waarvoor nog geen norm is vastgesteld. Bron: Rli: rapport ‘greep op gevaarlijke stoffen’. Dit is een manier om te bepalen of de maatregelen die een bedrijf moet treffen om de uitstoot te verminderen proportioneel zijn ten opzichte van de te maken kosten. Omdat we willen voorkomen dat er ondanks minimalisatie sprake is van een totale toename van de aanwezigheid van ZZS, kunnen we eisen dat een bedrijf zich extra inspant om een nul-emissie te realiseren. Dit is mogelijk doordat het bedrijf meer kosten moet maken om deze uitstoot te minimaliseren dan wat voor deze branche wettelijk is voorschreven. Tenslotte hanteren we een ketengerichte benadering bij het minimaliseren van emissies van ZZS en het principe dat hergebruik van (p)ZZS houdende stromen binnen de inrichting de voorkeur heeft boven recycling binnen een andere inrichting als dit verdere emissies beperkt. Toelichting potentieel Zeer Zorgwekkende Stoffen (pZZS) Naast ZZS kennen we ook de potentieel Zorgwekkende Stoffen pZZS. Dit zijn stoffen die mogelijk voldoen aan de ZZS-criteria maar waarvan dit nog niet zeker is. Er ontbreken nog gegevens of een (Europese) evaluatie van de beschikbare gegevens moet nog plaatsvinden. Zij brengen dus mogelijk ook risico’s met zich mee. Het beoordelingsproces van de schadelijkheid ervan kan bijvoorbeeld langdurig zijn en in de tussentijd kan hierdoor structurele milieu- en gezondheids- schade ontstaan. Daarom beschouwen we een pZZS als een ZZS als er wetenschappelijk wordt aangetoond dat deze over een of meer eigenschappen van een ZZS beschiktken. Op deze manier kunnen we bedrijven verplichten om meteen maatregelen te treffen om de uitstoot van deze stoffen te minimaliseren. Maar ook voordat er wetenschappelijk is aangetoond dat er sprake is van een ZZS, hanteren we bij gebruik en uitstoot van pZZS een individuele beoordeling, waarna op grond van de zorgplicht die bedrijven hebben, tijdelijk maatwerk kan worden toegepast. Bovenstaande principes zijn en/of worden verder uitgewerkt naar beleidsregels voor de uitstoot en verwerking van pZZS en andere gevaarlijke stoffen. Op basis hiervan kunnen we (tijdelijk) maatwerkvoorschriften in de vergunning opnemen en de uitstoot van deze stoffen zoveel mogelijk te beperken totdat vaststaat dat deze stoffen veilig zijn. 4.3.6Toezicht en handhaving We onderschrijven de conclusies en adviezen uit de rapportage ‘Provinciale grip op Groningse bedrijven met grote risico’s voor hun omgeving’. Dit betekent dat we de samenwerking met de inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Veiligheidsregio intensiveren en Provin- ciale Staten informeren. In lijn met het landelijk beleid voor Seveso-bedrijven, leggen we zo veel mogelijk verantwoordelijkheid bij deze bedrijven, bijvoorbeeld door onderzoeks-, monito- rings- en meetverplichtingen voor te schrijven in vergunningen. Zo bevorderen we samen met bedrijven transparantie over uitstoot en milieukwaliteit en innovatie als het gaat om het verder verminderen en voorkomen van milieu-effecten. De komende beleidsperiode gaan we ten behoeve van verdere optimalisatie van de milieube- leidscyclus zorgen voor betere ontsluiting, beheer, afstemming en harmonisatie in het uitvoerings- en handhavingsbeleid voor alle VTH-taken. Vooral de inzet van toezicht om te beoordelen of de vergunning moet worden geactualiseerd, is daarbij een belangrijk speerpunt. Voor de “grijze” milieuwetgeving, is dat al voor een groot deel in voorbereiding in de vorm van de Uniforme Uitvoering- en Handhavingsstrategie. Wij vinden het belangrijk dat er duidelijke en uitvoerbare kaders zijn voor de handhaving van overtredingen. Daarom hebben we voor alle onderdelen van dit Milieuprogramma de Landelijke Handhaving Strategie Omgevingsrecht van toepassing verklaard. We gaan daarmee van een drie- naar een twee stappen strategie en hebben daarmee ook een kader voor het inzetten van het nieuwe instrument: de bestuurlijke boete vastgesteld. Op deze manier kan er sneller en effectiever worden ingegrepen bij overtredingen op milieu gebied. Voor de “blauwe” en “groene” wetgeving geldt apart toezicht- en handhavingsbeleid. Voor de overige kleursporen geldt dat hoofdconclusie van deze evaluatie is om nieuw uitvoerings- en handhavingsbeleid vast te stellen en om daarbij zo goed mogelijk aan te sluiten bij het vigerende uitvoerings- en handhavingsbeleid voor de “grijze” wetgeving. Doelstelling We geven prioriteit aan de uitvoering van toezicht en handhaving bij 38 majeure Seveso- bedrijven ten opzichte van de overige bedrijven waarvoor wij bevoegd gezag zijn. Immers, deze bedrijven hebben de grootste milieu-impact. Veiligheid en emissies naar de lucht zijn hierbij de belangrijkste aandachtspunten. Maatregelen: Wat gaan we doen? We gaan de prioriteiten uit dit programma meenemen in de risicoanalyse voor toezicht als onderdeel van een integrale risicoanalyse; Er wordt onderzocht hoe goed functionerende bedrijven kunnen worden ontlast in controle en regelgeving. Hoofdstuk5:Gezondheid 5.1Inleiding Een goede gezondheid is een belangrijke voorwaarde voor een prettig leven. Mensen kunnen er zelf invloed op uitoefenen, bijvoorbeeld door gezonde voeding en voldoende beweging. Maar er ligt ook een taak voor de overheid om negatieve gevolgen voor de gezondheid door milieubelasting te verminderen of te voorkomen. Denk daarbij aan luchtverontreiniging, bodemverontreiniging, geluidhinder van wegverkeer en geurhinder door bedrijven. We noemen deze aanpak gezondheidsbescherming, dat is iets anders dan gezondheidsbevordering. Denk bij dit laatste namelijk aan het stimuleren van gezonder leven. De provincies werken aan een gezonde en veilige leefomgeving en maken onder meer gebruik van het VTH-instrumentarium om te zorgen dat dit beleid goed wordt uitgevoerd. In IPO-verband werken we met andere provincies samen in het kader van de programmalijn Gezonde Leefomgeving. Hierbij ligt de prioriteit op geur, geluid en een goede positionering van gezondheid(bescherming) bij planvorming, vergunningverlening en andere omgevingsprocessen. We maken daarbij gebruik van het inspiratiekader Gezonde Leefomgeving en andere instrumenten en onderzoeken. Daarnaast speelt gezondheid als programmalijn ook een cruciale rol in het Nationaal Programma Groningen (NPG), als randvoorwaarde voor het bereiken van 'Brede Welvaart'. Gezondheid zorgt voor meer samenhang in het milieubeleid en verbindt milieubeleid op strategisch niveau met andere beleidsvelden zoals leefbaarheid, sociaaleconomisch-, ruimtelijk- en natuurbeleid. Het thema gezondheid is grotendeels geïntegreerd in het reguliere milieubeleid voor de onderdelen geur, lucht en geluid, maar ook in de andere milieuthema's zitten elementen verwerkt die direct of indirect invloed hebben op de gezondheid van inwoners van provincie Groningen. Tabel 2 Samenvatting milieuthema's uit Milieuprogramma in relatie tot het thema Gezondheid MILIEUTHEMA RELATIE MET GEZONDHEID Geur Als mensen geuroverlast ondervinden leidt dit naast hinder ook tot aangepast gedrag zoals ramen dicht houden of niet meer buiten zitten. Ook stress­gerelateerde effecten zoals hoofdpijn en verhoogde bloeddruk komen voor. Er is bij geur zelden sprake van giftige (toxische) effecten. De hinder wordt in sterke mate bepaald door de (on­)mogelijkheden van het hebben van invloed, serieus genomen worden en gehoord worden en snel en zinvol contact kunnen hebben met de veroorzaker. Lucht Luchtkwaliteit is een bepalende factor als het gaat om gezondheid en biodiversiteit. De Nederlandse luchtkwaliteit valt binnen de Europese normen. Toch overlijden jaarlijks 11.000 Nederlanders vroegtijdig door luchtverontreiniging. Naast de bloot­ stelling aan fijnstof en stikstofdioxide leiden ook ZZS tot negatieve gezondheidsef­ fecten. Steeds meer aandoeningen worden gerelateerd aan langdurige blootstelling. Geluid Een hoge blootstelling aan geluid kan leiden tot hinder en slaapverstoring, maar ook tot stressreacties, concentratieverlies en uiteindelijk tot gezondheidseffecten zoals hoge bloeddruk en hart­ en vaatziekten. Stilte en duisternis Groningen is één van de weinige provincies waar je nog echte stilte en duisternis kunt ervaren. Het kunnen beleven van stilte en duisternis zijn belangrijke voor­ waarden voor mens en dier om gezond te kunnen leven. Bodem en ondergrond De kwaliteit van de bodem heeft grote invloed op het welzijn van mensen, dieren en planten. De ondergrond levert bijvoorbeeld schoon drinkwater en ons voedsel komt uit de bodem. Bodem en ondergrond zijn essentieel voor een gezonde toekomst van ons allemaal en spelen een belangrijke rol in het behalen van de klimaatdoelstel­ lingen. Afval Bij de productie en consumptie van goederen komt afval vrij. Het verwerken van afval kan geur­ en geluidhinder en ook luchtverontreiniging veroorzaken. Het produ­ ceren van consumptiegoederen en de verwerking van afval veroorzaken bovendien uitstoot van broeikasgassen. Tijdens recycling kunnen gevaarlijke stoffen in producten terechtkomen, die zich ophopen in het menselijk lichaam. Tenslotte heeft zwerfafval een negatief effect op onze gezondheid (beleving). Omgevings­ veiligheid Bedrijven vormen, naast het vervoer van gevaarlijke stoffen, het belangrijkste risico op zware ongevallen. Een explosie, brand of gifwolk heeft direct een grote invloed op onze gezondheid. Ook de beleving van (on­)veiligheid bij de ontvangers (omwo­ nenden) is van belang. Hoe veiliger men zicht voelt, des te gezonder men zich voelt, bijvoorbeeld door de afwezigheid van stress. 5.2Onze rol en instrumenten Wij hebben een regulerende rol op basis van onze provinciale bevoegdheid en verantwoordelijkheid als het gaat om gezondheidseffecten door luchtverontreiniging, geur, geluid en andere factoren. Daarnaast hebben we een regisserende en faciliterende rol, bijvoorbeeld voor gemeenten en de GGD. Het gaat daarbij om bewustwording en samenwerking op het gebied van gezondheid. Wij maken daarbij gebruik van de adviesrol van de GGD. Verder kijken we vanuit onze regierol bij relevante provinciale plannen naar de effecten van luchtverontreinigende stoffen, geur en geluid op milieu en gezondheid. Daarbij hechten we veel waarde aan m. e r. -. procedures. Afgelopen jaren hanteerden we de Gezondheid Effect Screening (GES) bij het beoordelen van plannen het opstellen van gezondheidskaarten en uitvoeren van ons beleid. Inmiddels heeft de GGD GHOR Nederland de GES-methodiek ingetrokken en ook de commissie MER geeft aan dat het instrument GES niet meer aansluit bij de brede invulling die wordt gegeven aan de gezonde leefomgeving. Na de GES methodiek te hebben geëvalueerd hebben we besloten, deze niet meer te gebruiken als instrument. Wij gebruiken de beoordeling op individueel niveau waarbij we bestaande wetenschappelijk vastgestelde dosis-effectrelaties voor luchtverontreiniging, geur en geluid hanteren. 5.3Ontwikkelingen Een aantal landelijke en provinciale ontwikkelingen is van invloed op het thema gezondheid. Vooral het grotere belang dat aan gezondheid wordt toegekend. Met de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving een belangrijke doelstelling. Hiermee wordt onze rol meer gebiedscoördinerend. , We krijgen meer ruimte en instrumenten om regionale accenten te leggen op het thema gezondheid. Landelijk krijgt gezondheid ook beleidsmatig een steeds prominentere plek. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) noemt drie belangrijke opgaven voor een gezonde leefomgeving: vermindering van de milieu-gerelateerde ziektelast verleiden tot een gezonde leefstijl door een gezond ingerichte leefomgeving het vergroten van het gezondheidspotentieel van kwetsbare groepen Het Nationaal Milieubeleidskader (NMK), dat streeft naar ‘Brede Welvaart’, stelt dat steeds de gezondheidswinst van maatregelen in beeld moet worden gebracht om de basis voor een gezonde leefomgeving te versterken. 5.4Onze doelstellingen en monitoring Wij zien geur- en geluidhinder als een belangrijke oorzaak van negatieve gezondheidseffecten. Luchtverontreiniging blijft daarnaast ook van groot belang, vooral door de aard van de gezondheidseffecten. Denk daarbij aan long, hart- en vaatziekten, neurologische- en psychische aandoeningen. De concentraties zijn weliswaar laag en vaak ver onder grenswaarden, maar een toename van concentraties en daarmee van gezondheidseffecten willen we voorkomen. Om met name gevoelige groepen zoals kinderen en ouderen te beschermen. Daarbij is ook gezondheidswinst te behalen onder de grenswaarde. Voor alle drie de thema’s kan nog meer gezondheidswinst bereikt worden, denk aan een toename van de milieudruk door nieuwe ontwikkelingen. We leggen daarom prioriteit op het verminderen van stapeling (cumulatie) van verschillende bronnen van milieubelasting en hinder. Immers, naarmate er sprake is van gezondheidseffecten door verschillende bronnen, kan er ook een toename van gezondheidseffecten optreden die verder gaat dan het effect per afzonderlijke bron. Doelstelling We willen gezondheidseffecten door verontreiniging en hinder voor de burger voorkomen en verminderen. We geven hierbij prioriteit22Om tot prioritering in beleid te komen is onderzocht hoeveel mensen bloot staan aan verschillende vormen van milieubelasting waarvoor de provincie het bevoegd gezag is en welke gezondheidseffecten dit heeft. aan het verminderen van de gezondheidseffecten door milieubelasting op de volgende thema’s: geuroverlast van bedrijven, geluid van wegverkeer en luchtverontreiniging. We monitoren dit door: het totaal aantal gehinderden/blootgestelden aan geur van provinciale bedrijven en geluid van provinciale wegen in de provincie Groningen; de gezondheidskaarten lucht, geur en geluid. Maatregelen: Wat gaan we doen? Actualisatie milieu- en gezondheidsbeleid We dragen bij aan het agenderen van het thema milieu- en gezondheid bij de vorming van de nieuwe Omgevingsvisie, de grote transitie-opgaven, de omgevings- en intaketafels in het kader van de Omgevingswet en de andere beleids- en uitvoeringstrajecten. Prioriteit: we zetten in op een intensievere samenwerking met de GGD in het kader van beleids- en planvorming, onderzoek en VTH. We onderzoeken of en hoe we de stapeling van verschillende vormen van milieudruk en hinder kunnen koppelen aan negatieve gezondheidseffecten in de hotspots bij omwonenden. Prioriteit: analyse methodologie onderzoekrapport Tata Steel en andere onderzoeken van RIVM. Hinderapp We gaan de bestaande Hinderapp door ontwikkelen tot een gezamenlijk leefbaarheidsplat- form, waarbij ook ruimte is voor luchtkwaliteit en hinder door houtrook. Dit draagt bij aan de doelen van het Schone Lucht Akkoord (SLA). Hoofdstuk6:Afval en Circulaire Economie 6.1Inleiding Recycling en hergebruik van afval spelen een belangrijke rol in de transitie naar een circulaire economie. Daarom gaat dit hoofdstuk over de ambities, doelstellingen en maatregelen voor zowel Circulaire Economie (hierna CE) als afval, bezien vanuit het milieuperspectief. Hierbij richten onze doelen zich op afval en hoe milieubeleid bijdraagt aan een veilige en gezonde transitie naar een duurzame en bio-based CE. CE loopt als opgave dwars door andere beleidsterreinen heen. Hiermee is de onderlinge samenhang tussen milieu, economie en duurzaamheid zowel nu als straks belangrijk voor het realiseren van onze doelstellingen. Het doel van CE is om de diverse kringlopen te sluiten. Daarmee worden grondstoffen steeds opnieuw ingezet, in plaats van gewonnen, gebruikt en afgedaan. Zo wordt uitputting van grond- stoffen voorkomen en tegelijkertijd de uitstoot van CO2 verminderd. Maar dit vraagt meer dan enkel hergebruik of recycling van grondstoffen, zoals ook het nadenken over de noodzaak van het produceren van bepaalde producten. In een circulaire economie streef je volgens dit model naar een zo laag mogelijke R-score.23R-ladder: https://www r. vo. nl/onderwerpen/r-ladder Vanuit het milieu dragen we hieraan bij, door waar mogelijke ruimte te bieden aan innovatieve oplossingen, maar tegelijkertijd ook zorg te dragen voor bescherming van het milieu. CE en afval worden vaak met elkaar in verband gebracht, een logisch verband. In de huidige lineaire economie komt bij de productie en consumptie van goederen afval vrij. Het verwerken hiervan kan geur- en geluidhinder en ook luchtverontreiniging veroorzaken. Dat is nadelig voor de gezondheid. Ondanks de inspanningen op het gebied van CE zal het 'traditionele' afval nog lang blijven bestaan. Sommige afvalstoffen kunnen nog niet volledig gerecycled worden en dan is de enige mogelijkheid om deze te storten of te verbranden. Afvalverwerking kan ook financiële risico's met zich meebrengen. De kosten die voortkomen uit een faillissement van een afvalverwerkend bedrijf en het 'opruimen' van afval komen vaak ten laste van de provincie en daarmee van de maatschappij. 6.2Onze rol en instrumenten Afvalstromen beperken zich niet tot provinciale en nationale grenzen. De Europese Kaderrichtlijn Afval vormt het Europese kader voor het Landelijk AfvalbeheerPlan (LAP3), waar vooral afvalpreventie en afvalbeheer centraal staan. Onze taken op het gebied van afval zijn voornamelijk wettelijke taken. Om deze taken en ons beleid uit te voeren maken wij gebruik van het VTH-instrumentarium en ruimtelijke ordening. Vanuit ons economisch beleid richten we ons vooral op het stimuleren en faciliteren van duurzame (circulaire) economische groei, hierbij worden onder meer subsidies ingezet. De transitie naar CE vraagt om een andere rolopvatting die in staat is om te anticiperen op regionaal niveau, waarbij beleid enerzijds ruimte biedt voor experimenten en innovatie en deze stimuleert en anderzijds de risico’s voor milieu en gezondheid beheerst. Daarmee verandert echter de rol van de provincie: van een grotendeels regulerende en stimulerende rol op het gebied van respectievelijk afval en CE naar een regisserende rol, waarbij reguleren en stimuleren ondersteunend zijn. Waar we kunnen zetten we ons in om partijen met elkaar te verbinden om duurzame innovatie te stimuleren en zo de transitie te versnellen. 6.3Ontwikkelingen In het Milieuplan 2017-2020 was CE benoemd als ‘ontwikkelthema’. In de afgelopen beleidsperiode zijn de ontwikkelingen op het gebied van CE echter in een stroomversnelling gekomen. Op Europees en nationaal niveau is er veel aandacht voor CE (Nederland circulair in 2050; 50% in 2030)24Leeg. Als het gaat om milieuaspecten zijn daarbij met name de opvolger van het LAP 3, namelijk het Circulair Materialen Plan (CMP) en de programmalijn Circulaire Economie en Afval (CEA) van belang. Met het CMP werkt de Rijksoverheid aan de verdere integratie van economisch en milieubeleid om de transitie te versnellen, door enerzijds meer ruimte voor experimenten en innovatie te creëren en anderzijds door specifieke regels voor CE om risico’s te beheersen. Het IPO werkt met de programmalijn CEA aan dezelfde versnelling op provinciaal en beleidsmatig niveau door CE beter in de Omgevingsvisies te laten landen, onderlinge kennisuitwisseling te stimuleren en kaders te ontwikkelen voor VTH. Zowel het CMP als de programmalijn CEA hebben tot doel om landelijk de uitvoering van VTH-taken op het gebied van CE te harmoniseren. Belangrijk onderdeel hiervan vormt de Bouwstenen Visie CE VTH waarin 3 niveaus worden beschreven: basis, faciliteren en stimuleren. Het bestuurlijke streven is om minimaal het zogenaamde basisniveau van de Bouwstenenvisie in het milieubeleid op te nemen. Tenslotte is het nu mogelijk om in het kader van de Omgevingswet financiële zekerheid op te leggen aan afvalverwerkingsbedrijven. We hebben hiertoe ook, zoals overeengekomen in IPO-verband, een set van beleidsregels toegevoegd aan de beleidsregels in bijlage 3. In 2024 start een pilot om aan de hand van een IPO verband opgestelde handreiking en genoemde beleidsregels bij een drietal afvalverwerkingsbedrijven financiële zekerheid te stellen. De uitkomsten van de pilot vormen input voor specifiek beleid en de opdracht aan de ODG voor de komende jaren als het gaat om prioriteiten, capaciteit en beleidsaccenten. Omdat financiële zekerheid per vergunning geregeld moet gaan worden, is vooralsnog niet voorzien dat het halfjaarlijkse onderzoek door de ODG, en het benutten daarvan bij het ramen van het weerstandsvermogen, op korte termijn kan worden afgebouwd. 6.4Onze doelstellingen en monitoring Doelstellingen We geven prioriteit aan de transitie naar een groene (bio-based) economie, waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van groene grondstoffen. Dit doen we door ruimte te bieden aan innovatieve bedrijven die deze transitie versnellen. In ons beleid zetten we daarom in op gesloten kringlopen en waardeketens, bio-based chemie en een hoogwaardige en efficiënte verwerking van afvalstoffen. We gaan monitoren: Aan de hand van het uitvoeren van een nulmeting en het opstellen van een monitoringsraamwerk, de hoeveelheden afval in onze provincie Maatregelen: Wat gaan we doen? We implementeren het basisniveau van de Bouwstenenvisie CE en VTH in ons beleid voor afval en verkennen met de ODG welke werkzaamheden in 2024 en verder nodig zijn om hieraan invulling te geven. De vergroening van de industrie kent belangrijke raakvlakken met een duurzame verwerking van grond- en afvalstoffen en tevens met de uitfasering van ZZS. We gaan daarom zoveel mogelijk uit van ketenbenadering. We zien circulaire economie als uitgangspunt voor duurzame economische ontwikkeling, waarbij de mogelijk schadelijke effecten af te wentelen op de plaats van de productie, verwerking en gebruik zoveel mogelijk worden beperkt. Oftewel: de transitie naar CE mag geen extra milieudruk en -hinder opleveren, maar moet juist gezondheidswinst opleveren. We zetten daarom in op het doelmatige beheer van afval, waarbij we door middel van onze beleidsregels toezien op het registreren van informatie over ZZS. Met name de ontdoener van het afval beschikt over de meeste informatie over bijvoorbeeld de aanwezigheid van ZZS. Op deze manier kunnen andere partijen in de keten voorkomen dat er onnodig verontreiniging van de lucht, bodem/grondwater en oppervlakte- en drinkwater optreden en zorgdragen voor een nuttig gebruik van afvalstoffen. 25Leeg Doelstellingen We streven naar minder afval en zetten daarom in op afvalpreventie door bedrijven te verplichten hier concreet invulling aan te geven. We monitoren: de hoeveelheid afval die onze eigen organisatie produceert. We gaan het volgende monitoren: Aan de hand van het uitvoeren van een nulmeting en het opstellen van een monitoringsraamwerk, de hoeveelheden afval in onze provincie De hoeveelheid afval die als secundaire grondstof binnen Groningen wordt ingezet. Maatregelen: Wat gaan we doen? We zetten in op een ketengerichte aanpak om afval te verminderen en hergebruik en recycling te stimuleren door ruimte te geven aan experimenten. We baseren ons daarbij op de Bouwstenenvisie CE en VTH. We onderzoeken de haalbaarheid van een monitoringsraamwerk voor afval, zodat we beter inzicht krijgen in afvalstromen en de risico's en kansen op het gebied van CE in Groningen. Samen met gemeenten bevorderen we afval als grondstof door het makelen van grondstoffen tussen bedrijven mogelijk te maken. Hiervoor hebben we circulairbizz.nl ontwikkeld. Hiermee wordt op het niveau van bedrijventerreinen inzicht gegeven hoeveel afvalstromen er vrijkomen (o.b.v. LMA gegevens). Op basis van dit inzicht verkennen we gemeenten en bedrijven op welke terreinen we onze samenwerking intensiveren. We onderzoeken of we subsidiebeleid kunnen ontwikkelen om de verwijdering van asbestdaken in het kader van verduurzaming van agrarische daken kunnen stimuleren. Doelstelling We willen de maatschappij niet opzadelen met de gevolgen van faillissementen, calamiteiten, verontreiniging en hinder. Daarom streven we naar een veilige, duurzame en schone eindverwerking, waaronder het voorkomen van bodemverontreiniging door stortplaatsen en calamiteiten bij de tijdelijke opslag van afvalstoffen. We gaan dit monitoren door: de hoeveelheid en soorten afval die in Groningen worden verwerkt; de uitstoot die vrijkomt bij deze verwerking; de hoeveelheid afval met een negatieve restwaarde. We monitoren: de totale oppervlakte asbestbedekking op daken Maatregelen: Wat gaan we doen? We starten de pilot financiële zekerheidstelling, waarbij we de bestaande handreiking en beleidsregels in de praktijk toetsen. De uitkomsten hiervan gebruiken we om ons beleid en de uitvoering hiervan verder vorm te geven. We stimuleren gemeenten naar aanleiding van de uitkomsten van de bovenstaande pilot ook financiële zekerheidstelling op te leggen. We werken met gemeenten samen zodat door een goede ruimtelijke ordening verontreiniging en hinder door afvalbedrijven tot een minimum beperkt wordt. Hoofdstuk7:Omgevingsveiligheid 7.1Inleiding Omgevingsveiligheid gaat over de beheersing van de risico’s voor de burger van risicobronnen in zijn leefomgeving. De focus is gericht op het voorkomen van directe sterfte door zware ongevallen bij risicobronnen zoals luchtvaart, scheepvaart, spoor- en wegverkeer, kerncentrales, aardbevingen (gaswinning), en transport, productie en opslag van gevaarlijke stoffen. We verminderen het risico van zware ongevallen zowel door goede ruimtelijke ordening als door veiligheidsmaatregelen bij de bron. Bedrijven vormen voor ons beleidsterrein, naast het vervoer van gevaarlijke stoffen, het belangrijkste risico op zware ongevallen. Bedrijven die grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen opslaan produceren en/of bewerken vallen onder de Seveso-inrichtingen. 7.2Onze rol en instrumenten We zijn als bevoegd gezag verantwoordelijk voor de VTH-taken voor een aantal belangrijke risicovolle activiteiten in Groningen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om productie- en opslag- bedrijven met gevaarlijke stoffen, windturbines, opslag van waterstof en het transport van gevaarlijke stoffen via de kanalen en de (spoor) wegen. Voor andere risicobronnen zijn gemeenten of het Rijk het bevoegd gezag. We hebben ook invloed op de risico's inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen door middel van het provinciale Basisnet. We hebben daardoor vooral een regulerende en regisserende taak. Dit komt onder andere tot uiting in onze wettelijke taak als coördinerend bevoegd gezag voor de VTH-taken voor Seveso-inrichtingen en risicovolle industriële bedrijven (met RIE-4 installaties). De andere bevoegde organen zijn de gemeenten als opdrachtgever van de Veiligheidsregio (VRG), de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Rijkswaterstaat (RWS) en de waterschappen. Ook hebben we een regisserende rol bij het toetsen van omgevingsplannen en adviseren we bij grote (infrastructurele) projecten. We hebben instructieregels voor gemeentelijke omgevingsplannen in de omgevingsverordening opgenomen. Ten slotte nemen we een stimulerende rol aan om risico’s van bedrijven voor de leefomgeving te beperken, bijvoorbeeld door samenwerking met gemeenten in de betere voorbereiding op calamiteiten. 7.3Ontwikkelingen De opgaves waar Groningen de komende jaren voor staat, hebben grote consequenties voor de omgevingsveiligheid in onze provincie. Denk daarbij aan de grondstoffen- en energietransitie met de groeiende industrie en de combinatie met windturbines, het gebruik van waterstof en zogenaamde waterstofdragers als bijvoorbeeld ammoniak. Ook het Deltaplan met haar woningbouwopgave en bijvoorbeeld uitbreiding van infrastructuur en vervoersbewegingen in onze provincie zullen impact hebben op omgevingsveiligheid. Impactanalyse omgevingsveiligheid Om in beeld te krijgen welke gevolgen al deze ontwikkelingen zullen hebben voor onze beleidsvorming en taakuitvoering, hebben we een impactanalyse omgevingsveiligheid laten uitvoeren. Hiermee zijn trends en ontwikkelingen in beeld gebracht die impact kunnen hebben op omgevingsveiligheid in onze provincie. Conclusie is dat deze ontwikkelingen inderdaad een grote impact hebben op de fysieke leefomgeving en de veiligheid in brede zin. Ze vragen daarom om een sterke kennisinfrastructuur op het gebied van omgevingsveiligheid binnen de provincie Groningen waarin aandacht is voor een veilige (en gezonde) fysieke leefomgeving. Dit is de basis voor verdere ontwikkeling van gebiedsgericht beleid dat ons en gemeenten de juiste handvatten biedt om de toename van risico's te beperken en te beheersen. Op basis van onze doelstellingen en de speerpunten uit de impactanalyse onderzoeken we of we ons strategisch beleid voor omgevingsveiligheid moeten herijken, en daarmee onze werkzaamheden voor de Risicokaart en het provinciale Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen moeten wijzigen. Met de modernisering van het omgevingsveiligheidbeleid zijn aandachtsgebieden geïntroduceerd. Er zijn voor risicovolle activiteiten aandachtsgebieden voor brand, explosie en gifwolk aangewezen.26Voor groepsrisico zijn aandachtsgebieden in de plaats gekomen. Het bevoegd gezag moet rekening houden met het aantal aanwezigen binnen een aandachtsgebied. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Vaak zijn daar aanvullende maatregelen nodig. Het bevoegd gezag bepaalt de benodigde beschermende maatregelen binnen een aandachtsgebied. De norm van het plaatsgebonden risico (PR) blijft gelijk en daarmee ook het basisbeschermingsniveau. Deze aandachtsgebieden worden opgenomen in het Register Externe Veiligheid (REV). Dit register is voor iedereen toegankelijk. Om een tijdelijke lacune in de Omgevingwet te vullen, hebben we in de omgevingsverordening het aantal veiligheidszones uitgebreid van drie naar vier. 7.4Onze doelstellingen en monitoring Het zorg dragen voor een aantrekkelijke, veilige en leefbare provincie Groningen zit integraal vervlochten in ons milieu-, ruimtelijke ordenings-, water- en mobiliteitsbeleid Duurzaam, aantrekkelijk, leefbaar en veilig zijn belangrijke doelen bij onze afwegingen en beleidskeuzes. Bedrijfs- en transportactiviteiten in de onder- en bovengrond kunnen effecten hebben op de veiligheid van onze inwoners, het landschap en het milieu. Doelstellingen We streven er naar onze leefomgeving nog veiliger in te richten en daarmee de veiligste provincie van Nederland te worden voor huidige en toekomstige risicobronnen, omliggende activiteiten en omwonenden. We streven naar het concentreren van risicovolle activiteiten, waarbij we de bundeling van risicobronnen willen bevorderen, om hun gezamenlijke ruimtebeslag zoveel mogelijk te beperken. We willen bedrijven die bulkhoeveelheden gevaarlijke stoffen opslaan, gebruiken en/of produceren bij voorkeur vestigen op bovenregionale bedrijventerreinen als onderdeel van ons concentratie beleid. We willen de veiligheid rond provinciale wegen en kanalen blijven waarborgen. Wij willen de veilige omgang met gevaarlijke stoffen borgen en met onderzoek, kennisdeling en samenwerking bijdragen aan nieuwe mogelijkheden voor duurzame “veiligheidswinst”. We willen gaan monitoren: We gaan de mate van veiligheid in onze provincie monitoren op basis van de indicatoren die de Omgevingswet ons biedt; De stapeling van risico's, die samenhangen met het vervoer van gevaarlijke stoffen via en milieubelastende activiteiten, in onze provincie. Maatregelen: Wat gaan we doen? We gaan ons strategische beleid inzake omgevingsveiligheid op basis van de SMA en de impactanalyse omgevingsveiligheid herijken. We geven daarbij prioriteit aan de ontwikkeling van een methode om de cumulatie van veiligheidsrisico's af te wegen en te monitoren. We intensiveren onze samenwerking met gemeenten en andere partners met als doel de vorming van gebiedsgericht beleid. Prioriteit: de ontwikkeling van een (regionale) kennisinfrastructuur op het gebied van veiligheid en de energietransitie en analyse en gebruik aandachtsgebieden. We gaan op basis van de impact analyse omgevingsveiligheid onderzoeken of we ons provinciale basisnet moeten herijken; Hoofdstuk8:Lucht 8.1Inleiding Luchtkwaliteit is bepalend voor het functioneren van water, bodem, mens, dier en plant. De stoffen die worden uitgestoten naar de lucht beïnvloeden niet alleen het milieu, maar ook de gezondheid en het ecosysteem. Daarom is het belangrijk om de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoveel mogelijk te reduceren. Op deze manier versterken we de veerkracht van het milieu en verminderen we de kwetsbaarheid voor klimaatverandering. De belangrijkste bronnen van luchtverontreiniging in de provincie zijn wegverkeer, industrie, intensieve veehouderij, energiecentrales en houtstook door particuliere huishoudens. De provincie Groningen volgt de lijn van het landelijke luchtbeleid, dat zich voornamelijk richt op bronmaatregelen in de verschillende sectoren die tot doel hebben de effecten van luchtverontreiniging op de gezondheid van inwoners te beperken. Als kan worden voorkomen dat stoffen in de atmosfeer terecht komen dan kunnen ze geen risico vormen in de lucht, water of bodem. 8.2Onze rol en instrumenten We hebben verschillende rollen als het gaat over luchtkwaliteit. We zijn bevoegd gezag bij bedrijven die vallen onder de Richtlijn Industriële Emissies (voorheen IPPC richtlijn) en onder de Omgevingswet. Het VTH-instrument is zeer belangrijk als het gaat om emissies naar de lucht bij de bedrijven. In het kader van het Akkoord (SLA) hebben we de plicht om tweejaarlijks onze gegevens over de uitstoot van verkeer op provinciale wegen aan te leveren bij het RIVM ten behoeve van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Deze gegevens vormen een belangrijke informatiebron om de impact van stikstofdioxide en fijnstof in heel Nederland in kaart te brengen. Het RIVM brengt deze in opdracht van het ministerie van IenW in kaart door middel van metingen en berekeningen voor de jaarlijkse monitoring luchtkwaliteit. In het SLA hebben we afgesproken om gegevens aan te leveren met betrekking tot de monitoring van gezondheidswinst door emissiereductie bij binnenlandse bronnen. Daarnaast hebben we vanuit het SLA een faciliterende en stimulerende rol als het gaat om de gezamenlijke opgave met gemeenten en andere partners in onze provincie. We delen kennis, monitoren luchtkwaliteit en adviseren over beleid dat bijdraagt aan het verbeteren van de lucht- kwaliteit. Daarbij vertalen we de doelen en ambities uit het SLA door naar eigen beleid op het gebied van gezondheid, industrie, landbouw, inkoop en mobiliteit. We hebben een regisserende rol als het gaat om luchtkwaliteit in onze provincie bij lokale bronnen. Het adviseren bij omgevingsplannen en het toetsen en adviseren bij andere initiatieven waarbij luchtkwaliteit een rol speelt, zoals bij grote infrastructurele projecten valt hier ook onder. Tenslotte hebben we de taak om de bevolking te informeren bij het optreden van matige of (zeer) ernstige smog en in uitzonderlijke gevallen een regisserende rol bij het nemen van maatregelen bij het optreden van zeer ernstige smog. 27Groningen beschikt over een draaiboek smog. Hierin staat wat er moet gebeuren als zich in de provincie smog voordoet, hoe daarover informatie wordt verstrekt, op welke wijze voorlichting en gedragsadvisering aan de bevolking verloopt en wie eventueel tijdelijke maatregelen treft. Tevens vraagt de smogregeling per provincie nadere concretisering om in situaties van smog snel en adequaat te kunnen handelen 8.3Ontwikkelingen Europa zet met nieuw beleid in op het aanscherpen van de luchtkwaliteitseisen en het vergroten van de sturingsmogelijkheden van regionale en lokale overheden. Naast CO2-emissie reductie, staan de Zero Pollution Ambition en de Strategie Duurzame Chemische Stoffen centraal in het verbeteren van de luchtkwaliteit. Op deze manier werkt de EU toe naar de WHO-advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie en andere doelen zoals het verbeteren van de biodiversiteit en duurzame ontwikkeling. De nadruk ligt daarbij op richtlijnen en kaders die tot doel hebben handvatten te bieden ter voorkoming van uitstoot en verontreiniging aan de bron, het zogenaamde bronbeleid. 8.4Onze doelstellingen en monitoring We willen een goede luchtkwaliteit in onze provincie en proberen ervoor te zorgen dat er geen onacceptabele effecten optreden voor mens en natuur. Hierbij staat het realiseren van gezondheidswinst voor onze inwoners centraal. Het is daarom ook onze ambitie om samen met onze partners de luchtkwaliteit in Nederland permanent te verbeteren. Dat doen we door toe te werken naar substantiële reductie van de gezondheidsschade door luchtverontreiniging in 2030. De grootste gezondheidsschade door luchtverontreiniging wordt veroorzaakt door stikstofdioxide en fijnstof. In onze provincie hebben we in vergelijking met de rest van Nederland een relatief goede luchtkwaliteit. We zitten overal onder de wettelijke grenswaarden en op veel plekken voldoen we al aan de concentraties die de Europese Commissie voorstelt als toekomstige grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide. Deze concentraties fijnstof en stikstofdioxide komen overeen met het meest ambitieuze tussendoel (genaamd IT4) van de WHO. Toch hebben we als provincie slechts beperkt invloed op de concentraties fijnstof en stikstofdioxide in de buitenlucht. Het overgrote deel van de concentraties fijnstof en stikstofdioxide komt namelijk van buiten de provincie- en zelfs landsgrenzen aanwaaien. Hierdoor ligt er een zogenaamde 'deken aan “fijnstof en stikstofdioxide” over de provincie Groningen en Nederland. Ons beleid is daarom vooral gericht op het beperken van de lokale en regionale concentratietoename door emissies van fijnstof en stikstofdioxide in onze provincie. Hiermee zorgen we ervoor dat de luchtkwaliteit goed blijft en beperken we de gezondheidsrisico's door luchtverontreiniging. Tevens is dit onze bijdrage aan het (inter)nationaal luchtbeleid om ervoor te zorgen dat de concentraties in Nederland en onze buurlanden zoveel mogelijk in de richting van de WHO-advieswaarden kunnen dalen. Doelstelling We hebben ons met deelname aan het SLA geconformeerd aan de volgende doelstellingen en ambities uit het Akkoord: het doel om landelijk in 2030 gemiddeld minimaal 50% gezondheidswinst ten opzichte van 2016 te behalen voor de negatieve gezondheidseffecten afkomstig van binnenlandse bronnen; het streven naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit om gezondheidswinst voor iedereen in Nederland te realiseren waarbij wordt toegewerkt naar de advieswaarden van de WHO voor stikstofdioxide en fijn stof in 2030; het onderschrijven van de ambitie om in de sectoren (weg)verkeer, inclusief mobiele werk- tuigen, landbouw, scheepvaart, industrie en huishoudens een dalende trend in te zetten van emissies van stikstofdioxide en fijn stof naar de lucht; erkennen dat éénieder verantwoordelijk is voor de eigen bijdrage aan de doelstelling en dat partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van het Akkoord. Maatregelen, wat gaan we doen? Uitvoering van het SLA-akkoord. Prioriteit: we verkennen hoe we het SLA (verder) kunnen implementeren in ons milieubeleid en andere beleidsvelden, zoals bijvoorbeeld het Mobiliteitsplan, de Regionale Energie Strategie en de Klimaatagenda We stimuleren gemeenten deel te nemen aan het SLA en/of projecten die tot doel hebben de lokale luchtkwaliteit te verbeteren. We intensiverende samenwerking met gemeenten om samen actief te sturen op het beperkt houden van de lokale bijdrage aan luchtverontreiniging in een gebied. We doen vanuit het SLA mee met de Pilot Hoog blootgestelde gebieden en gevoelige groepen.28De pilot concentreert zich op de Eemsdelta-regio. Dit is nu nog (grotendeels) een gebied met een lage blootstelling van fijnstof en stikstofdioxide Echter is hier een omvangrijke gebiedsontwikkeling in voorbereiding. Door deelname vergroten we ons inzicht in:-De gezondheidseffecten van de lokale bijdrage aan de achtergrondconcentraties van fijn stof, stikstofdioxide door bedrijvigheid en andere bronnen;-concrete maatregelen die gezondheidswinst kunnen realiseren en de gezondheid in het nu relatief laag blootgestelde gebied kunnen waarborgen en kunnen voldoen aan Europese luchtkwaliteitseisen. Doelstelling We streven ernaar zoveel mogelijk de nieuwe WHO-advieswaarden te benaderen voor fijnstof en stikstofdioxide, binnen de kaders van het Schone Lucht Akkoord. We monitoren: De uitstoot van industriële bedrijven in Groningen volgens de E-PRTR registratie. De jaargemiddelde concentraties fijnstof en stikstofdioxide in Groningen De bevolkingsgewogen concentraties stikstofdioxide en fijnstof. We monitoren met behulp van de gezondheidsindicatoren van het Schone Luchtakkoord en bestaande dosis-effect relaties: De gezondheidswinst in de Provincie Groningen door de SLA-maatregelen. Maatregelen, wat gaan we doen? We gaan de uitstoot per bedrijf monitoren, zodat we ons beleid beter kunnen vertalen naar vergunningverlening. Daarbij geven we prioriteit aan uitstoot van ZZS naar de lucht. We onderzoeken op basis van de uitstoot van bedrijven en andere bronnen of we omgevingswaarden en beleid(sregels) kunnen ontwikkelen met als doel de lokale bijdrage aan luchtverontreinigende stoffen zoveel mogelijk te beperken. We anticiperen of wijzigingen in wet- en regelgeving door de ruimte die de Omgevingswet biedt, te benutten om zoveel mogelijk de huidige luchtkwaliteit in Groningen te handhaven te verbeteren. Hoofdstuk9:Geur 9.1Inleiding Geurhinder kan gevolgen hebben op de fysieke en mentale gezondheid. Als mensen geuroverlast ondervinden leidt dit naast hinder ook tot een veranderde beleving van de woonomgeving en aangepast gedrag zoals ramen dicht houden en niet meer buiten zitten. Ook stress-gerelateerde effecten zoals hoofdpijn en verhoogde bloeddruk kunnen voorkomen. Er is bij geur zelden sprake van giftige (toxische) effecten omdat de meeste stoffen al bij hele lage concentraties te ruiken zijn. De hinderbeleving wordt versterkt door de (on-)mogelijkheden van het hebben van invloed, serieus genomen worden en gehoord worden en/of snel en zinvol contact kunnen hebben met de veroorzaker. Geurhinder kan veroorzaakt worden door verschillende bronnen zoals intensieve veehouderij, wegverkeer, houtkachels en vuurkorven, maar bijvoorbeeld ook door industrie. De geurhinder in de provincie kenmerkt zich door enkele opvallende knelpuntlocaties door bedrijven/industrie waar de overlast hardnekkig is. 9.2Onze rol en instrumenten Voor geur hebben we een regulerende rol als het gaat om de VTH-taak van een aantal bedrijven met een significante geurbelasting in de omgeving. Voor de overige bronnen is de gemeente vaak bevoegd gezag. We voorkomen nieuwe hinder door het voldoende scheiden van geur veroorzakende bronnen en inwoners. Ruimtelijke ordening is hier als instrument geschikter voor dan de omgevingsvergunning. We hebben daarnaast een regisserende en een faciliterende rol op het gebied van gebiedsgericht geurbeleid, zoals in het Structuurvisiegebied Eemsmond-Delfzijl. We adviseren in het kader van ruimtelijke ordening over geur en toetsen omgevingsplannen op dit punt, om zo gebieden met woon- en bedrijfsfuncties zoveel mogelijk ruimtelijk te scheiden. Ook hebben we eigen geurbeleid opgesteld, waarbij de doorwerking via beoordelingsregels en een uniforme methodiek om omgevingswaarden voor industriële geur vast te stellen is opgenomen in de Omgevingsverordening. 9.2.1Provinciaal geurbeleid Het landelijke geurhinderbeleid is in 1994 door het toenmalige ministerie van VROM beschreven in de Herziene Nota Stankbeleid en in aanvulling daarop in de brief "Rijksbeleid Geur' uit 1995. Het beleid richt zich op het verminderen van de emissie en de blootstelling aan geur. Het doel is het voorkomen van nieuwe geurhinder, bestaande geurhinder terug te dringen en de ernstige hinder geheel uit te bannen. Als algemene doelstelling voor geurhinder werd gesteld dat in 2000 niet meer dan 12% van de bevolking gehinderd en in 2010 niemand meer ernstig gehinderd mag zijn. De instrumenten om dit te bereiken verschillen per sector. Voor de landbouwsector zijn normen voor geur vastgelegd in de Wet geurhinder veehouderijen. Voor de industrie en bedrijven is dit niet het geval; provincies en gemeenten hebben een grote beleids- vrijheid om eigen geurhinderbeleid te voeren. Daarnaast is om de geurhinder door bedrijven te beheersen veel geregeld via Europese regels voor toepassing van BBT in BREF’s en BBT-conclusies waar in alle gevallen aan voldaan moet worden. We onderschrijven de doelstellingen van het landelijk beleid. Hierin wordt gestreefd naar 12% gehinderden en 0% ernstig gehinderden. Die corresponderen met een milieugezondheidskwaliteit voor industriële geur van respectievelijk H=-1 en H=-0,5 op geurgevoelige objecten zoals woningen of andere plekken waar mensen langdurig verblijven. Eerder gebruikten we de GES-methodiek. Die werd ingezet om o.a. de blootstelling aan geurbelasting door industriële bronnen uit te drukken in een milieugezondheidskwaliteit middels een GES-score die correspondeerde met een percentage (ernstig) gehinderden. In 2022 heeft GGD GHOR Nederland het instrument ‘Gezondheid Effect Screening’ terugtrokken omdat deze methode niet meer voldoet in de huidige GGD-praktijk. Hierdoor drukken wij de geurbelasting op basis van de (ongewijzigde) dosis-effect relatie geur ook niet langer uit in een GES-score maar in een hedonisch gewogen geurbelasting. 29De hedonische waarde is een maat voor de (on)aangenaamheid van een geur. Een hedonisch gewogen geurconcentratie betreft een geurconcentratie op basis van hedonisch gecorrigeerde geurconcentratie van alle betrokken geurbronnen (ouE(H) /m3). Voor onaangename geuren kent dit een schaal van -0,5 tot -4 en wordt vaak afgekort als bv. H=-0,5. Onze beleidsdoelen ten aanzien van Industriële geurbelasting blijven ondanks deze wijzing in methodiek hetzelfde. Op basis van de bestaande dosis-effect relatie voor geur - die ook de GES metho

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.