VTH-beleidsplan (2024-2027) gemeente CranendonckInleiding Voor u ligt het Vergunning-, Toezicht- en Handhavingsbeleid 2024-2027 (lees verder: VTH- beleidsplan) van de gemeente Cranendonck. In dit beleidsplan geven wij duidelijkheid over de wijze van vergunningverlening, toezicht op het naleven van de vergunning en de handhaving van regels over het bouwen, het gebruik van gebouwen en de openbare ruimte. Dit zijn de wettelijke Vergunnings-, Toezichts-, en Handhavingstaken (verder: VTH-taken). Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet (lees verder: Ow) in werking. Hierdoor verandert de wettelijke grondslag voor de VTH-taken. Dit beleidsplan geeft weer hoe wij op een eenduidige werkwijze tot een optimale inzet van onze beschikbare middelen willen komen om zo de doelen te bereiken die in dit beleid worden genoemd. Het biedt verder een belangrijke basis voor het jaarlijks opstellen van het Uitvoeringsprogramma voor Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (verder: Uitvoeringsprogramma VTH). In het Uitvoeringsprogramma VTH worden de prioriteiten, doelen, activiteiten en methoden uit dit beleid op operationeel niveau beschreven. Het Uitvoeringsprogramma is dan ook een concreet actieplan voor het betreffende jaar. Vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn voor de overheid in relatie tot inwoners en bedrijven belangrijke instrumenten. Initiatiefnemers willen graag hun initiatieven en ideeën kunnen realiseren, terwijl omwonenden en andere belanghebbenden willen dat hun belangen worden beschermd. Door middel van voorliggend VTH-beleidsplan kan de gemeente Cranendonck transparant zijn over wat we doen, waarom we het doen, welke keuzes we maken bij het uitvoeren van onze VTH-taken en hoe we dit hebben georganiseerd. Vanwege de ontwikkelingen op het gebied van het Omgevingsrecht, zoals de inwerkingtreding van de Ow en de Wet kwaliteitsborging (verder: Wkb), verandert er de komende jaren veel in de werkwijze van de VTH-taken. Om deze redenen is dit VTH-beleidsplan een dynamisch document dat tussentijds kan worden aangepast indien de veranderende wet- en regelgeving hierom vraagt. Daarnaast is het VTH-beleidsplan afgestemd met verschillende interne- en externe partijen als politie, Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (VRBZO) en Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (Odzob). Het VTH-beleidsplan is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck (college van B&W) en ter kennisname naar de gemeenteraad van de gemeente Cranendonck (gemeenteraad) en de Provincie Noord-Brabant gestuurd. De “BIG 8” In dit beleid volgen wij de systematiek van de BIG 8-cyclus uit de Wet VTH. Met de komst van de Ow zal de Wet VTH worden opgenomen in afdeling 18.3 van de Ow. Deze nieuwe afdeling biedt de grondslag voor de kwaliteitsbevordering van de uitvoering en de handhaving. De verschillende stappen in de cyclus van de “BIG 8” vormen samen het VTH-beleid en het Uitvoeringsprogramma. Ook geven de stappen richting aan de systematiek van doorwerking en evaluatie. In dit beleidsplan wordt de BIG 8-cyclus aan de hand van hoofdstukken weergegeven. Ieder hoofdstuk staat voor een bepaalde stap uit de cyclus. In figuur 1 zijn de hoofdstukken van dit beleid geïllustreerd. De stappen van de BIG 8-cyclus worden op een schematische wijze weergegeven in de leeswijzer. De stappen van de systematiek van de “BIG 8” zullen hieronder nader worden toegelicht. Prioriteiten & doelen: dit zijn de te behalen doelen en gestelde prioriteiten binnen de gemeente Cranendonck. De relevante ontwikkelingen en evaluaties voor dit VTH- beleidsplan worden bekeken. Strategie, programma en organisatie: dit kader bevat een vertaling van de eerder gevormde doelstellingen naar een manier waarop deze worden ingezet bij de uitvoering van de VTH-taken. Dit wordt nader vormgegeven in het Uitvoeringsprogramma. Werkwijze: hierin wordt beschreven op welke wijze de VTH-taken worden geprioriteerd. Dit wordt gedaan aan de hand van een risicoanalyse, zodat kan worden vastgelegd op welke manier de gemeente toetst, toezicht houdt en handhaaft. Uitvoering: dit bevat de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de werkzaamheden in praktijk. Er wordt gekeken naar de wijze waarop de strategie wordt uitgevoerd om aan de gestelde doelstellingen te kunnen voldoen. Dit wordt nader vormgegeven in het Uitvoeringsprogramma. Programmaevaluatie: hier wordt inzicht gegeven in welke middelen er beschikbaar zijn voor het uitvoeren van de VTH-taken. Verder is opgenomen op welke wijze wordt gemonitord en, of de geformuleerde doelen worden behaald. Beleidsevaluatie: het daadwerkelijk evalueren van het beleid gebeurt bij de laatste stap van de cyclus. Hierbij wordt de voortgang van de uitvoering gemonitord. Er wordt beoordeeld of, en in welke mate de doelstellingen worden gehaald. Aan de hand hiervan wordt, indien nodig, bijgestuurd. Figuur 1 BIG 8-cyclus Leeswijzer Deze leeswijzer heeft als doel het duidelijk maken welk onderdeel van de BIG 8-cyclus in welk hoofdstuk van dit VTH-beleidsplan wordt beschreven. De onderstreepte, dikgedrukte woorden zijn onderdeel van de BIG 8-cyclus. De iconen komen bij elk hoofdstuk terug in dit beleid en in de overige documenten van de BIG 8-cyclus. 1. Omgevingsanalyse Ten behoeve van de prioriteiten en doelen voor de komende beleidsperiode beschrijven we in dit hoofdstuk: de verbeterpunten uit de evaluaties van afgelopen beleidsperiode; de relevante ontwikkelingen voor deze beleidsperiode. In het Uitvoeringsprogramma geven we de stand van zaken van deze ontwikkelingen. 2. Missie, visie, doelstellingen en activiteiten De missie in hoofdstuk 2 vloeit voort uit de visiedocumenten van de gemeente. Aan de hand van onze visie bepalen we de strategie op het gebied van VTH voor deze beleidsperiode. Met de uiteengezette doelstellingen/uitgangspunten in hoofdstuk 2 geven we richting aan het programma voor de komende beleidsperiode. Dit programma krijgt vorm in het Uitvoeringsprogramma. Daar wijzen we specifieke acties toe voor dat jaar om de doelstellingen te behalen. We hebben een monitoringstool voor doelstellingen waarin we deze acties opnemen en waarin we de voortgang bijhouden. 3. Risicoanalyse en prioritering In hoofdstuk 3 beschrijven we hoe de risicoanalyse is opgesteld en hoe de prioritering is aangebracht. Door middel van deze risicoanalyse en prioritering wordt onze werkwijze voor de VTH-taken vormgegeven. Daarbij laten we zien wat de top 5 activiteiten voor de komende beleidsperiode op het gebied van de Ow zijn. In het Uitvoeringsprogramma maken we de koppeling tussen de risicoanalyse, de prioritering en de beschikbare en benodigde middelen. 4. Borging uitvoering De beschikbare middelen voor de komende beleidsperiode worden inzichtelijk in hoofdstuk 4. Aan de hand van dit inzicht kan worden gemonitord of de gestelde doelen haalbaar zijn en, of deze moeten worden bijgesteld. In de Uitvoeringsprogramma’s wordt hier voor dat specifieke jaar verder op in gegaan. 5. Evaluatie Met de beleidsevaluatie maken we de beleidscyclus rond. In hoofdstuk 5 van het VTH-beleidsplan wordt de methode voor de evaluatie van het VTH-beleidsplan en het Uitvoeringsprogramma beschreven. Jaarlijks wordt het Uitvoeringsprogramma geëvalueerd, zodat eventueel bij kan worden gestuurd en elke beleidsperiode een evaluatie kan worden uitgevoerd van het VTH- beleidsplan. 6. Strategieën en werkwijzen In hoofdstuk 6 gaan we in op de wijze waarop ons werk wordt uitgevoerd. Dit wordt aangevuld met mogelijke veranderingen onder de Ow en de Wkb. Daarbij wordt aangegeven hoe de risicoanalyse en prioritering doorwerken in de praktijk. Hoofdstuk1– Omgevingsanalyse In dit hoofdstuk evalueren we de vorige beleidsperiode en zullen we ingaan op de verbeterpunten uit de evaluaties. Ook geven we een beschrijving van de juridische, maatschappelijke en organisatorische ontwikkelingen die van invloed zijn op de VTH-werkzaamheden voor deze beleidsperiode. 1.1.Omgevingsanalyse De Omgevingsanalyse richt de blik naar buiten, op de omgeving waarbinnen VTH werkzaam is en beschrijft relevante trends, gebeurtenissen en transities die een invloed hebben op de VTH- werkzaamheden in de komende beleidsperiode. Allereerst in paragraaf 1.1. Omgevingsanalyse met een korte toelichting van de strategie en ambities van de gemeente Cranendonck voor het fysieke domein. In paragraaf 1.2 Ontwikkelingen wordt teruggeblikt en vooruitgekeken naar de relevante ontwikkelingen binnen de teams die de VTH-taken uitvoeren (binnen de gemeente Cranendonck is dit het team Omgeving & Veiligheid, bestaande uit meerdere disciplines). Dat werken we verder uit in de consequenties voor de VTH-werkzaamheden in de Analyse van inzichten in paragraaf 1.3. De gemeente Cranendonck in het kort De gemeente Cranendonck is een gemeente met zes dorpskernen (Budel, Budel-Schoot, Budel- Dorplein, Maarheeze, Soerendonk en Gastel) in een landelijk gebied en maakt deel uit van de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking A2-Samenwerking (verder: GRS). Binnen de GRS werken de gemeente Heeze-Leende, Cranendonck en Valkenswaard sinds 2004 op verschillende onderdelen samen. Deze gemeenschappelijke regeling zorgt voor de uitvoering van taken op het terrein van: Werk en Inkomen (W&I), Administratie en Belasting, Ondersteuning Bestuur en Organisatie, Techniek en Gegevens, Advies en Beleid (Financiën, Control, P&O, Communicatie, Juridische Zaken, Informatiemanagement en Inkoop). De samenwerking is genoemd naar de A2, de weg die de drie gemeenten met elkaar verbindt. De gemeente Cranendonck heeft meerdere faciliteiten te bieden die de gemeente uniek maken zoals het vliegveld Kempen Airport, de Keyport regio, Brainport Eindhoven, het asielzoekerscentrum (AZC), de BRZO Nyrstar, unieke woonmilieus zoals Kamersven, het beschermd dorpsgezicht Budel-Dorplein, een grote verscheidenheid aan natuurgebieden en de samenwerking met België door onder andere de verbinding Budel-Schoot met Hamont. Onze Omgevingsvisie We werken op dit moment aan onze eerste omgevingsvisie. Deze wordt naar verwachting begin 2025 vastgesteld door de gemeenteraad. Een omgevingsvisie beschrijft de maatschappelijke opgaven en de te beschermen kernkwaliteiten van de gemeente. Het beschrijft wat de gemeente, haar inwoners en ondernemers belangrijk vinden voor het gebied waarin zij wonen, werken en recreëren. 1.2.Ontwikkelingen Allereerst wordt teruggeblikt op de verbeterpunten van de afgelopen beleidsperiode. Vervolgens wordt vooruitgekeken en beschreven welke juridische, maatschappelijke en organisatorische ontwikkelingen van invloed zijn op de VTH-werkzaamheden. De evaluatie van ons vorige VTH-beleidsplan Ons vorige beleidsplan voor de fysieke leefomgeving had een looptijd van 2020 tot en met 2023. Het beleid omvatte het kader voor de invullingen van de gemeentelijke taken op het gebied van Vergunningen, Toezicht en Handhaving in brede zin. Net als in dit nieuwe VTH-beleidsplan werd ook in het Uitvoeringsbeleid VTH 2020-2023 gebruik gemaakt van de “BIG 8”. Verder richtte ook dit beleid zich op de keuzes die het college van B&W maakt over de uitvoering van de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van de regels voor de fysieke (leef)omgeving. Het betrof hier de VTH-taken op basis van de Wabo en de aangehaakte omgevingsvergunningen in lokale verordeningen en op basis van de regels die de gemeente zelf stelt. In dit plan golden verschillende uitgangspunten van het zorgen voor een veilige, leefbare en duurzame gemeente waar het prettig is om te wonen, tot het hebben van een voorbeeldfunctie en vangnetfunctie. Deze uitgangspunten zijn onder de Ow niet anders dan onder de Wabo. In het kader van het Interbestuurlijk Toezicht door de provincie en het feit dat het beleid afloopt aan het einde van 2023 zijn we verplicht om nieuw beleid op te stellen. We hebben hierbij de evaluatie uit het Jaarverslag VTH 2022 betrokken en de verbeterpunten opgenomen. Sowieso wordt ons beleid jaarlijks via het Jaarverslag geëvalueerd en eventueel door middel van het Uitvoeringsprogramma bijgestuurd. Zoals hierboven aangegeven vindt de evaluatie middels het Jaarverslag plaats. Hierin wordt geëvalueerd of de, in het Uitvoeringsprogramma VTH opgenomen, taken van het betreffende jaar zijn uitgevoerd en in hoeverre deze activiteiten hebben bijgedragen aan het bereiken van de gestelde doelen zoals deze zijn vastgesteld in het onderliggende VTH-beleid. Naar aanleiding van de voorgaande evaluaties en de uitkomsten hiervan zijn de volgende verbeterpunten geformuleerd: De taken op het gebied van brandveiligheid worden verricht door de VRBZO. Daarmee gepaarde taken zijn uitbesteed aan de constructeur, de bodemadviseur en de brandweeradviseur. De werkvoorraad op dit gebied is voor de gemeente Cranendonck immers te klein om specialisten in vaste dienst te nemen; de gemeenten die deel uitmaken van de GRS zijn voornemens om de samenwerking verder te intensiveren; de deskundigheidsgebieden van de fysische aspecten van de gebouwde ruimte, van gebouwconstructies en installaties. Maar ook constructieve veiligheid, stedenbouw, inrichting openbare ruimte, exploitatie en planeconomie zijn belegd bij een dergelijke marktpartij; de volgende deskundigheidsgebieden zijn belegd bij de Odzob: vergunningverlening, toezicht en handhaving milieu; sloop en asbest; (afval)water; advisering, toezicht en handhaving bodem; groene wetten; bouwakoestiek; geluid; advisering externe veiligheid; luchtkwaliteit; welzijn; infrastructuur; toezicht en handhaving ketentoezicht; buitengewone opsporing milieu; bouwstof. het deskundigheidgebied brandveiligheid is belegd bij de VRBZO; bij de afwezigheid van collega’s of bij een toename van het aantal aanvragen (vergunningen of verzoeken om handhaving) kan waar nodig extra capaciteit worden ingehuurd. Deze verbeterpunten zijn meegenomen in de ontwikkeling van dit beleid. Juridische ontwikkelingen De inwerkingtreding van de Ow en de Wkb vragen de meeste aandacht. Deze twee wetten stellen ons tot uitdagingen op het gebied van werkprocessen, een andere manier van werken en financiën. Te denken valt aan het wegvallen van de bouwkundige toetsing, verschuiving van werkzaamheden naar het voortraject en participatie. Daarnaast speelt ook de Wet Bibob een belangrijke rol in onze werkwijzen. Door een toetsing aan de Wet Bibob kan bij zowel aanvragen omgevingsvergunningen, als bij aanvragen van vergunningen op grond van de “Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Cranendonck” (verder: APV) en bijzondere wetten worden gecontroleerd of de aanvragers niet betrokken zijn bij criminele activiteiten. Verder is het ook belangrijk dat er aandacht is voor de stikstofproblematiek. Cranendonck is omringd door Natura 2000-gebieden. De meeste jurisprudentie op dit onderwerp heeft rechtstreeks gevolgen voor Cranendonck. Maatschappelijke/ruimtelijke ontwikkelingen Als gemeente krijgen wij te maken met een reeks ingrijpende maatschappelijke ontwikkelingen, zoals klimaatverandering en klimaatadaptatie, de stikstofproblematiek en de woningbouwopgave. In de onze gemeente hebben we 6 kernen met daarnaast het AZC en de opvanglocaties. Ook aan het AZC en de opvanglocaties wordt aandacht besteed. De VTH-werkzaamheden worden daardoor complexer en daarmee wellicht ook belangrijker. Door deze ontwikkelingen staat de gemeente voor allerlei organisatorische en financiële vraagstukken. Dit heeft invloed op de manier van (samen)werken op het gebied van VTH. De gemeente is zich hiervan bewust en probeert door middel van dit VTH-beleid hierop in te spelen. Organisatorische ontwikkelingen Binnen de onze gemeente hebben zich verschillende organisatorische ontwikkelingen voorgedaan. Te beginnen met ontwikkelingen rondom digitalisering. Er is geleerd hybride te werken, mede gezien coronamaatregelen. In het kader van hybride werken wordt er veel gebruik gemaakt van Microsoft Teams, zowel intern als extern. Daarnaast is er het een en ander gewijzigd in de afdelingen. De eerdere afdelingen, te weten Leefomgeving en Burgers & Bedrijven, zijn gewijzigd. Team Omgeving & Veiligheid ziet nu toe op VTH. Hierbinnen vallen vergunningen (zowel onder de Ow als onder de APV en bijzondere wetten), toezicht en handhaving, veiligheid en ruimtelijke ordening. Binnen dit team wordt in zijn algemeenheid nauw met elkaar samengewerkt. Daar waar de situatie vraagt om met een andere discipline samen te werken is dit mogelijk. Wat betreft het contact tussen vergunningen, toezicht en handhaving is dit vooral erg nauw in het kader van bouwcontroles en controles in strijd met de ruimtelijke ordening, gelet op eventuele legalisatietrajecten. Ook op het moment dat er overtredingen zijn inzake bouwactiviteiten en strijdigheden met de ruimtelijke ordening is het contact tussen vergunning, toezicht en handhaving. Het contact tussen APV/bijzondere wetten en toezicht en handhaving is vooral erg nauw met betrekking tot evenementen. Ook is dit een integraal VTH-beleidsplan, waar de VTH-taken vanuit de Ow in meegenomen worden. Dit vraagt om een integrale blik op de fysieke leefomgeving. Al deze ontwikkelingen zijn van invloed op de doelstellingen die voor de komende periode worden gesteld. In hoofdstuk 2 wordt hier nader op ingegaan. 1.3.Analyse van inzichten De ontwikkelingen, zoals opgenomen in de vorige paragraaf, zijn alle van invloed op de organisatie. In deze paragraaf richten we ons specifiek op de te verwachten ontwikkelingen die direct invloed hebben op de VTH-werkzaamheden. De impact van de juridische ontwikkelingen De inwerkingtreding van de Ow en de Wkb, beide juridische ontwikkelingen, heeft een impact op de VTH-werkzaamheden. Deze impact wordt hieronder nader toegelicht. Ow De impact van de Ow voor de VTH-werkzaamheden is o.a.: de vergunning van rechtswege vervalt; de behandeltermijn van de meeste vergunningen is nog maar 8 weken. Zelfs bij een bindend advies van de gemeenteraad geldt, in de meeste gevallen, een termijn van 8 weken; het uiteindelijke omgevingsplan (hierna: Op) (vast te stellen voor eind 2031) vraagt waarschijnlijk participatie en afweging bij de planvorming; door participatie bij OPA’s en BOPA’s wordt er nog meer maatwerk gevraagd bij vergunningverlening. Hierdoor wordt de afweging en motivering nog belangrijker dan in het verleden; gedrag- en cultuurverandering, dit mede ingegeven door de uitgebreidere participatie bij de besluitvorming bij zowel het Op als in de vergunningsprocedure. Dit vraagt een andere manier van denken en werken van de ambtelijke organisatie. Deze is in het verleden al binnen onze gemeente ingezet, maar wordt nu actief gevraagd van de onze organisatie. Het denken van “nee, tenzij”, naar “ja, mits”, zal in de toekomst worden voortgezet; transparantie van informatievoorziening, omdat alle digitale informatie op één plek te vinden is. Het huidige juridische instrumentarium voor toezicht en handhaving blijft hetzelfde onder de Ow. Door de komst van de Wkb verandert er voor toezicht en handhaving wel het een en ander qua inhoud van het werk. Verderop in dit hoofdstuk en in hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de Wkb. Doordat de vergunning van rechtswege vervalt onder de Ow is het mogelijk dat wij in gebreke wordt gesteld en hierdoor te maken krijgt met de Wet dwangsom en beroep. Bij niet tijdig beslissen kan immers op grond van artikel 4:17 in samenhang met artikel 6:2 Algemene wet bestuursrecht (lees verder: Awb) beroep worden ingesteld bij de rechtbank. Bij deze ingebrekestelling kan worden aangegeven dat een dwangsom wordt verbeurd als binnen 14 dagen nog geen besluit is genomen. Gelijktijdig met het oplopen van de dwangsom kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank om daar het nemen van een besluit af te dwingen. Daarnaast introduceert de Ow een aantal kerninstrumenten (in de tabel hieronder zijn de kerninstrumenten en de toepassing voor gemeenten weergeven1Iplo – ‘De 6 kerninstrumenten van de Omgevingswet’.). De exacte invulling en consequenties van deze kerninstrumenten worden de komende jaren duidelijk en dan krijgt VTH een nadrukkelijke rol in de monitoring en evaluatie hiervan. Ook nadat de kerninstrumenten zijn ontwikkeld, blijven het dus dynamische documenten, waarin uitvoering en visie- en planvorming constant met elkaar in gesprek zijn om de kerninstrumenten op een passende manier in te zetten. Kerninstrument Gemeente Omgevingsvisie Gemeentelijke omgevingsvisie Programma Actieplannen en overige programma's (vrijwillige en verplichte programma's Decentrale regels Omgevingsplan Algemene rijksregels Niet van toepassing Omgevingsvergunning Omgevingsvergunning Projectbesluit Niet van toepassing Figuur 2 kerninstrumenten Ow (bron: Iplo) Wkb Het doel van de Wkb is het verbeteren van de kwaliteitsborging voor het bouwen en het versterken van de positie van de bouwconsument. De wet gaat in per 1 januari 2024 voor bouwwerken in gevolgklasse 1 en geldt in eerste instantie voor grondgebonden woningen, kleine bedrijfspanden en kleine infrastructurele werken. Voor verbouwingen zal deze wet gelden vanaf 1 januari 2025. De aanvragen die worden ingediend voor gevolgklasse 1 zal door ons alleen juridisch worden getoetst. De technische toets zal worden uitgevoerd door een externe kwaliteitsborger. In de praktijk zal dit betekenen dat het technisch toetsen van bouwplannen en het toezicht houden tijdens bouwprojecten in veel gevallen door een marktpartij wordt uitgevoerd. De Wkb heeft dus gevolgen voor de werkvoorraad van vergunningverlening en toezicht voor activiteiten waar een bouwtechnische toets nodig is. Uiteraard betekent de Wkb niet alleen het verdwijnen van taken, maar er komen ook nieuwe (administratieve) taken bij. Gedurende deze beleidsperiode zal extra aandacht worden besteed aan het monitoren van deze veranderingen. Indien uit de monitoring blijkt dat het beleid, de werkwijzen en/of werkafspraken niet meer aansluit(
- en)bij de praktijk zal dit tussentijds worden aangepast. Op dit moment is de impact van de Wkb nog erg onduidelijk. Wat duidelijk is, is dat de technische toets van de externe partijen gemonitord dienen te worden. Ook als tijdens de bouw door de marktpartij afwijkingen worden geconstateerd zullen wij als gemeente daarop moeten acteren. Hoeveel werk dat zal gaan opleveren en, of onze processen aangepast moeten worden, zal het komend jaar duidelijk worden. Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (verder: Wet Bibob) De Wet Bibob is een (preventief) bestuursrechtelijk instrument dat kan worden ingezet als er ernstig gevaar dreigt dat bijvoorbeeld een vergunning wordt misbruikt. De bevoegde overheidsinstantie kan de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning intrekken. Zo wordt voorkomen dat de overheid criminele activiteiten faciliteert. Bovendien wordt de concurrentiepositie van betrouwbare ondernemers beschermd. De overheidsinstantie kan, om de mate van gevaar te bepalen, advies aanvragen bij het Landelijk Bureau Bibob (hierna: LBB). Op 1 oktober 2022 is de gewijzigde Wet Bibob (tweede tranche) (verder: de gewijzigde Wet Bibob) in werking getreden. De wetswijziging van de Wet Bibob tweede tranche (verder: de wetswijziging) is een vervolg op de wetswijziging Wet Bibob. Het wetsvoorstel leidt onder andere tot een verruiming van de bevoegdheden tot informatiedeling tussen het LBB en tussen overheden onderling. Zo wordt er een tipfunctie tussen overheden onderling geregeld en kunnen overheden via het nieuwe Bibob-register bij het LBB navragen of eerder een gevaar is gesignaleerd over personen die betrokken zijn bij een vergunning, subsidie, overheidsopdracht of vastgoedtransactie. Overheden krijgen zelf ook toegang tot dit register om hun eigen gevaarsconclusie te registeren. Verder leidt de gewijzigde Wet Bibob tot een uitbreiding van het toepassingsbereik van de Wet Bibob, bijvoorbeeld op het gebied van vastgoedtransacties en aanbestedingen. De “Beleidsregel Wet Bibob gemeente Cranendonck” wordt volgend jaar herzien na invoering van de Ow en Wkb. De herziening vindt plaats in Dommelstroom-verband om gelijk op te trekken en Bibob in de regio gelijk toe te passen. Stikstof Stikstof is een kleur- en reukloos gas dat op zichzelf niet gevaarlijk is. Echter, door verbindingen met andere gassen ontstaan stikstofemissies die schadelijk kunnen zijn voor mens en natuur. De stikstofuitstoot is met name een probleem in de Natura 2000-gebieden, omdat we deze gebieden willen beschermen en stikstof in veel gevallen niet goed voor de natuur is. Dit zijn gebieden die moeten voldoen aan Europese richtlijnen om zo de biodiversiteit te waarborgen. Rondom Cranendonck liggen 3 Natura 2000-gebieden. De regelgeving met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, vanaf 2024 wordt ook deze wet opgenomen in de Ow. De provincie is het bevoegd gezag op het gebied van de Wet natuurbescherming. Dit wil zeggen dat zij vergunningsaanvragen voor natuurvergunningen behandelt en toeziet op naleving van deze wet. Desondanks heeft de stikstofproblematiek ook gevolgen voor de vergunningverlening bij de gemeente. Stikstofemissie door concrete projecten onder de Ow zal zijn invloed doen gelden via het vergunningenstelsel van artikel 5.1 lid 1 Ow. Als een bouwproject afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is daarvoor, naast een omgevingsvergunning voor de OPA bouwen (artikel 5.1 lid 1 sub a Ow) en een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zelf, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Degene die bouw- en sloopwerkzaamheden verricht, moet altijd adequate maatregelen treffen (zoals werktuigen minder stationair laten draaien) om de stikstofemissie te beperken (artikel 7.19a, Besluit bouwwerken leefomgeving (verder: Bbl). Dat geldt alleen voor een van de volgende gevallen: voor het bouwen is een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit nodig; voor het bouwen is een bouwmelding nodig; voor het slopen is een melding nodig omdat er meer dan 10 m3 aan afval vrijkomt. Informatie over maatregelen die de stikstofemissie beperken, moet naar het bevoegd gezag worden toegestuurd. In dit verband is nadrukkelijk niet vereist om voor de gemeente inzichtelijk te maken hoe een individueel bouwproject voor depositie zorgt op een specifiek Natura 2000-gebied. Er hoeft in dit verband dus geen locatiespecifieke stikstofberekening te worden toegezonden. De gemeente beoordeelt na de ontvangst van een melding of een vergunningaanvraag of er adequate maatregelen worden getroffen om de stikstofemissie te beperken. Als dat niet het geval is, kan handhavend worden opgetreden of kunnen in twijfelsituaties maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften worden gesteld. De technische vergunning voor de bouwactiviteit (artikel 5.1 lid 2 Ow) ziet op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en de duurzaamheid en bruikbaarheid van het bouwwerk (artikel 5.20 Ow). Het ligt niet voor de hand dat stikstof op deze aspecten een (grote) rol zal spelen. Tot slot De Ow brengt veel veranderingen met zich, maar dat geldt niet voor de invloed van stikstof op het verlenen van vergunningen voor bouwprojecten. Het beschermingsniveau van Natura 2000- gebieden onder de Ow wijzigt niet. Dat betekent dat het verkrijgen van de benodigde vergunningen voor een bouwproject onder de Ow niet moeilijker of makkelijker wordt. Het proces wordt alleen anders. In ieder geval blijft bouwen en stikstof ook onder de Ow een ongemakkelijke combinatie. Daarnaast zorgt de stikstofproblematiek voor langere trajecten bij met name agrarische vergunningverlening. Jurisprudentie volgt elkaar snel op waardoor ondernemers hun aanvragen tussentijds aanpassen. Om de stikstofproblematiek aan te pakken heeft het Rijk verschillende beëindigingsregelingen voor veehouderijen opengesteld. Indien veehouderijen uit Cranendonck zich aanmelden voor deze regelingen zorgt dit voor een toename van het aantal intrekkingsverzoeken, controles, sloopmeldingen en mogelijk nieuwe vergunningen. 1.4.Algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij besluitvorming zijn wettelijke regels en ongeschreven recht van toepassing. Een deel van die regels staat in de Awb, maar er is ook 'ongeschreven recht'. Het ongeschreven recht is de Algemene beginselen van behoorlijk bestuur (hierna: Abbb). Bij elk besluit dat wij nemen, moeten wij ons houden aan de Abbb’s. Beginselen voor verschillende fases van het proces Een bestuursorgaan moet zich tegenover burgers en bedrijven houden aan een aantal gedragsregels. Deze staan los van de gewone procedurevoorschriften bij het nemen van een besluit. Bij de Abbb’s onderscheidt men beginselen voor: zorgvuldige voorbereiding; fair play-beginsel; verbod van détournement de procedure; draagkrachtige en kenbare motivering; rechtszekerheid; rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel; gelijkheidsbeginsel; verbod van détournement de pouvoir; materiële zorgvuldigheid; evenredigheidsbeginsel (willekeurverbod). Toelichting op de beginselen Proces van voorbereiding en besluitvorming Zorgvuldige voorbereiding Bij de voorbereiding van een besluit moet het bevoegd gezag alle relevante factoren en omstandigheden opsporen. Deze moeten allemaal meespelen bij het nemen van de beslissing. Het bevoegd gezag moet de feiten en de belangen weten. Dit staat in artikel 3:2 van de Awb. Bij een aanvraag gaat het bevoegd gezag na of ze al het nodige weet. Als dat niet zo is, moet de aanvrager ontbrekende informatie alsnog aanleveren. Nadat het bevoegd gezag alle feiten en belangen kent, weegt ze de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af. Dat staat in artikel 3.4, eerste lid van de Awb. De rechter kan bij tekortkoming opdragen alsnog de feiten en belangen verder te onderzoeken. Daarna moet het bevoegd gezag een nieuw besluit nemen. Fair play beginsel (verbod op vooringenomenheid) Het bevoegd gezag besluit zonder vooringenomenheid of partijdigheid. Dit staat in artikel 2.4 van de Awb. Het bevoegd gezag mag de burger geen mogelijkheden om voor zijn belang op te komen ontnemen. Dit mag ook niet door een overigens volgens de letter van de wet toegestane handelswijze. Het bevoegd gezag moet elke schijn van partijdigheid vermijden. Verbod op détournement de procedure Het bevoegd gezag mag geen besluit nemen met een procedure die niet voor dit besluit bestemd is. Het mag ook geen besluit nemen met gebruik van een procedure, die niet past bij het besluit. De gebruikte procedure moet kloppen met de wet. Motivering en inrichting van besluiten Motiveringsbeginsel Een besluit rust op een draagkrachtige motivering. De motivering moet het besluit dragen en moet het besluit kunnen verklaren. De feiten moeten kloppen en de motivering moet logisch en begrijpelijk zijn. Dat staat in artikel 3.47 van de Awb. Mogelijke motivering bij een beschikking: Het wettelijk voorschrift of voorschriften waarop de beschikkingsbevoegdheid rust. De toegepaste wettelijke regeling mag niet in strijd zijn met hoger recht. De interpretatie van de voorschriften moet correct zijn. Beleidsregels. Daarvoor geldt hetzelfde als voor de voorschriften. Rechtszekerheidsbeginsel De procedures moeten zo zijn opgeschreven dat ze duidelijk zijn voor de burger. Procedures mogen dus niet zo zijn dat je ze op verschillende manieren kunt uitleggen. Ook mag de overheid niet achteraf een procedure aanpassen. Inhoud van besluiten Rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel Dit beschermt de burger tegen onzekerheid en tegen willekeur van de kant van de overheid. Iemands rechtspositie moet voldoende veilig zijn. Op onverwachte, onberekenbare, wijze aantasten van iemands rechtspositie mag niet. Dit betekent vooral dat het bevoegd gezag het geldende recht toepast. Een bestuursorgaan mag besluiten niet met terugwerkende kracht wijzigen ten nadele van de betrokken burger. De wetgever mag geen wetten met terugwerkende kracht vaststellen. Het vertrouwensbeginsel verlangt dat bestuursorganen gewekt vertrouwen niet mag beschamen. Ambtenaren kunnen door wat ze zeggen of doen verwachtingen wekken. Die verwachtingen moet de overheid daarna waarmaken. Het vertrouwen moet wel gerechtvaardigd zijn. Gelijkheidsbeginsel Gelijke gevallen worden gelijk behandeld en ongelijke gevallen ongelijk naar de mate waarin zij verschillen. Dit volgt uit artikel 1 van de Grondwet. Verbod van détournement de pouvoir Een bestuursorgaan mag een bevoegdheid alleen gebruiken voor het doel waarvoor ze de bevoegdheid kreeg van de wetgever. Dit verbod bevat: overheid gebruikt haar bevoegdheden alleen voor het algemeen belang (dus niet vanwege persoonlijke motieven); en binnen het algemeen belang alleen voor die specifieke doeleinden die de wetgever voor ogen heeft gehad. Dit staat in artikel 3:3 van de Awb. Materiële zorgvuldigheid Overheidsmaatregelen mogen zo min mogelijk schade veroorzaken. Het is soms onvermijdelijk dat belangen van individuen schade ondervinden door maatregelen voor het algemeen belang. Het bestuursorgaan moet alle relevante factoren in de besluitvorming betrekken. Evenredigheidsbeginsel Dit beginsel kijkt naar de gevolgen van een besluit. Uit een besluit kunnen lasten voortvloeien. Deze mogen niet onevenredig zwaar zijn in vergelijking met het belang dat het besluit dient. De verhouding tussen het effect en het middel moet in balans zijn. Dit staat in artikel 3:4 lid 2 van de Awb. Als een besluit van de overheid voor iemand onevenredig nadelig is dan moet de overheid dit nadeel goed maken. Dit kan door iets in ruil voor het nadeel terug te geven. De overheid kan hier ook een vergoeding voor geven. Gevolgen van niet voldoen aan de regels Als de overheid niet aan de regels voldoet kunnen burgers en bedrijven daar bezwaar tegen maken. Ze moeten wel aantonen dat de overheid zich niet aan de beginselen houdt. De rechter gebruikt de Abbb om te toetsen of de overheid het goed heeft gedaan. De rechter kan besluiten dat het anders moet. 1.5.Hardheidsclausule Het college van B&W is bevoegd om af te wijken van de beleidsregels uit dit VTH-beleidsplan, in ieder geval wanneer de beleidsregels voor één of meerdere belanghebbende(
- n)gevolgen zouden hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen of als sprake is van urgentie en/of zwaarwegende planologische of maatschappelijke belangen. Het gaat dus om uitzonderingsgevallen, waarbij na afweging van de betrokken belangen gemotiveerd kan worden afgeweken van de beleidsregels. Hoofdstuk2– Missie, visie, doelstellingen en activiteiten In dit hoofdstuk zal nader worden ingegaan op onze missie, visie en doelstellingen voor de komende beleidsperiode (2024-2027). Aan de hand van deze missie, de evaluaties van het vorige beleid en de eerder benoemde ontwikkelingen wordt in onze visie aangegeven hoe hier met VTH invulling aan wordt gegeven. De visie wordt in paragraaf 2.2 verder uitgewerkt in doelstellingen. Deze visie en doelstellingen geven richting aan de komende beleidsperiode. De activiteiten die worden uitgevoerd om onze doelen te bereiken, worden per thema uiteengezet in paragraaf 2.2. Het monitoren van deze activiteiten wordt nader uiteengezet in het Uitvoeringsprogramma VTH en wordt geëvalueerd in het Jaarverslag. 2.1.Missie en visie De doelen die wij bij de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving stellen, zijn enerzijds gebaseerd op de taakveld specifieke analyse van inzichten en probleemanalyses met de daarin opgenomen risicoanalyses (zie de bijlagen). Anderzijds zijn de doelen afgeleid uit de uitgangspunten van onze visie op VTH. De uitgangspunten van de onze gemeente zijn als volgt uiteengezet: VTH-taken VTH zijn geen doelen op zich, maar leveren een bijdrage aan de met de wet- en regelgeving beoogde doelen. Het zijn instrumenten die bijdragen aan een veilige, leefbare en duurzame omgeving waar het prettig is om te wonen, te werken en te verblijven. Eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven De primaire verantwoordelijkheid voor de naleving van regels en vergunningsvoorwaarden ligt bij burgers en bedrijven dan wel de partijen die namens hen optreden. Zij moeten hierin nadrukkelijk hun eigen verantwoordelijkheid nemen. Voorbeeldfunctie van de gemeente Als vanzelfsprekend hebben wij een voorbeeldfunctie. Dit uit zich bijvoorbeeld in het toezicht en het handhavend optreden bij overtredingen. Het toezicht op gemeentelijke eigendommen en locaties, die niet aan de eisen van de wet- en regelgeving voldoen, voeren wij op dezelfde wijze uit als in reguliere gevallen. Hiermee wordt gezorgd dat de geloofwaardigheid van het beleid niet in het geding komt. Bij handhavend optreden tegen de eigen gemeente of andere overheden wordt de “Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingswet” (verder: LHSO) niet toegepast, met oog op het voorkomen van onnodige wederzijdse publieke kosten als naleving ook op een andere wijze bereikt kan worden. Bij handhaven tegen de eigen gemeente of andere overheden wordt de portefeuillehouder betrokken. Vangnetfunctie van de gemeente De gemeente heeft een (publiekrechtelijke) vangnetfunctie voor de naleving van de wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving. Doelmatige invulling van de gemeentelijke VTH-taken De gemeente ziet er, ten aanzien van haar vangnetfunctie, op een doelmatige wijze, op toe dat de verantwoordelijkheid wat betreft de VTH-taken voldoende wordt genomen. Hierbij is een proactieve en oplossingsgerichte houding met een gerichte aanpak bestaande uit een doordachte mix van instrumenten van belang. Preventieve instrumenten hebben een duidelijke voorkeur boven repressieve instrumenten, met als insteek om repressieve handhaving te voorkomen en (spontane) naleving van de regels te bevorderen. Repressief handhaven zal echter in bepaalde gevallen noodzakelijk blijven. Uiteindelijk zal dit leiden tot een betrouwbare gemeente en een beter naleefgedrag van de wet- en regelgeving. Prioriteiten De gemeente Cranendonck wil en kan (alleen al om capacitaire redenen) niet altijd en overal op de naleving van alle regels toezien. De gemeentelijke inspanning concentreert zich daarom op prioriteiten. Dit uit zich in verschillende niveaus van toetsing bij vergunningverlening en een daarop afgestemd niveau van toezicht. Ook betekent dit dat de meldingen en klachten inzake onderwerpen met de hoogste prioriteit met voorrang worden opgepakt en sommige problemen niet of niet direct worden aangepakt.2Conform de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behandelt de gemeente Cranendonck handhavingsverzoeken altijd. Bij signalen, meldingen en klachten zal worden beoordeeld of acuut ingrijpen noodzakelijk is. Mocht dat niet het geval zijn, dan zullen betrokkenen daarover worden geïnformeerd. De signalen, meldingen en klachten kunnen wel worden gebruikt om de informatiepositie over de problematiek op te bouwen. Deze informatie kan (op termijn) alsnog aanleiding zijn om handhavend op te treden. Voor onze prioriteiten verwijzen wij naar de prioriteitenlijst in bijlage 1 en 2. Onze missie Samen werken aan een gemeente Cranendonck die continue in ontwikkeling is. Ambitieus, op zoek naar kansen en toekomstgerichtheid. Wij zetten in op het samen maken van plannen, het opstellen van beleid en het steeds meer samenwerken met onze inwoners. Kenmerkend voor zijn onze vitale gemeenschappen: de mensen kennen elkaar, voelen zich betrokken en hechten waarde aan de kwaliteit van hun leefomgeving. Onze visie Het Team Omgeving & Veiligheid zet zich in voor het behouden en versterken van de fijne, rustieke leef- en woonomgeving. Het ‘eigene’ van elke kern moet zoveel mogelijk blijven bestaan. De markt doet zijn werk en de gemeente intervenieert vooral functioneel door scherp te anticiperen op kansen en ontwikkelingen, door te faciliteren, door partijen bij elkaar te brengen en door de sociale cohesie te versterken. Voor wat betreft ‘wonen’ focust de gemeente zich op beter tegemoetkomen aan de wensen van met name jongeren en ouderen. De financiële basis om deze zaken te kunnen realiseren ligt hoofdzakelijk bij het duurzaam door ontwikkelen van onze economie en het beter benutten van de recreatieve mogelijkheden in de verschillende kernen. Bij dat laatste is het van belang dat het rustieke en groene karakter van Cranendonck behouden blijft. Kernwaarden Binnen de onze gemeente gelden verschillende kernwaarden. Deze kernwaarden dragen bij aan de uitvoering van de doelstelling en de realisatie hiervan. Daarnaast hebben deze kernwaarden ook impact op de manier waarop wij (samen)werken binnen de fysieke leefomgeving. De kernwaarden hebben betrekking op de volgende onderdelen: vitaliteit: in het kader van flexibiliteit en wendbaarheid, maar juist ook in het kader van de gezondheid en fitheid van de werknemers; duurzaamheid: dit is gericht op de langere termijn (duurzame oplossingen, resultaten en het leren & ontwikkelen). We hebben de ruimte om flexibel in te spelen op vragen uit de omgeving. samenwerken: samen met anderen de activiteiten richten op een gemeenschappelijk doel. Hierbij stellen wij het gezamenlijke resultaat op de eerste plaats en hier zetten wij ons volledig voor in. vertrouwen: in het kader van betrouwbaar en integer zijn (naar jezelf, maar ook naar anderen). Hierbij gaan wij uit van de goede bedoelingen van anderen en rekenen wij erop dat mensen doen wat ze zeggen. 2.2.Doelstellingen en activiteiten De hoofddoelstelling op het terrein van de Ow is het waarborgen van een veilige fysieke humane leefomgeving.3Afdeling 1.3 Ow (Stb 2016, nr. 156, p. 2-3). De accenten voor VTH liggen primair op het waarborgen en waar mogelijk het verbeteren van enerzijds een (fysiek) veilige leefomgeving en anderzijds een leefbare leefomgeving. 2.2.1. Kwaliteitseisen Om deze doelstelling te realiseren zijn er in de relevante wet- en regelgeving diverse voorschriften opgenomen en hebben o.a. gemeenten diverse VTH-taken toegewezen gekregen. Het is belangrijk dat de kwaliteit van deze taak goed is geregeld. Om dit te bereiken heeft de wetgever zogenaamde kwaliteitscriteria in het leven geroepen. De kwaliteitscriteria zijn bedoeld om de uitvoering van de VTH-taken te professionaliseren, eenduidiger te maken en de gewenste kwaliteit en continuïteit in de organisatie te borgen. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de kwaliteitseisen ten aanzien van personele middelen en de “Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht 2023” die van kracht is voor de gemeente Cranendonck. Deze verordening vervangt de verouderde “Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht 2018”. 2.2.2. Doelstellingen VTH-beleidsplan Doelstellingen – Wat willen we bereiken? Hoofdactiviteiten – Wat gaan wij daarvoor doen? 1. Het VTH-beleidsplan en hierbij relevante wet- en regelgeving dienen een basis te vormen voor besluitvorming. De diepgang van toetsing van aanvragen sluit aan bij prioriteit. 2. Het VTH-beleidsplan vormt de basis voorprofessionele VTH. VTH-medewerkers passen VTH-strategieën correct toe; er wordt voldaan aan de VTH-kwaliteitscriteria. 3. Het verkleinen van de kloof tussen beleiden uitvoering. Vergunningverleners, toezichthouders en juristen: Betrekken bij het opstellen van beleid; dragen het beleid zowel intern als extern uit. 4. Informeren over de werkwijze inzake hetoppakken van klachten en meldingen door toezicht en handhaving. De behandeling van klachten en meldingen (over VTH-overtredingen o.a. geluidsoverlast, illegale bebouwing zonder formeel verzoek om handhaving) vindt plaats conform de vastgestelde prioriteitenlijst. Het gaat hierbij niet over de meldingen in het kader van meldingsplichtige activiteiten; de prioriteiten zijn per onderwerp vastgelegd; capaciteit en middelen inzichtelijk maken. 5. Innovatie, maatwerk en dienstverleningvormen de kern van VTH. In gesprek gaan met overtreder, informele aanpak gaat voor procedurele aanpak. Bij het handhavingsverzoek wordt de behandeling echter wel vormgegeven doorde formele procedure; aanpak gericht op vermindering overlastmeldingen; meedenken in oplossingen; inwoner staat centraal. 6. Er is sprake van een goede afstemming tussen vergunningverlening, toezicht en handhaving waarbij de scheiding tussen vergunningverlening, toezicht en handhaving gewaarborgd is. Gebiedsgericht werken met afstemming V, T en H. 7. Versterken integrale samenwerking. Tijdig betrekken van interne en externe partners; integrale controles uitvoeren. 8. Borgen van afspraken en processen, zowel intern als extern. Opstellen procesbeschrijvingen; volledigheid dossiers; TH-applicatie. 2.2.3. Doelstellingen VTH-beleidsplan 2024-2027 In het voorgaande Uitvoeringsbeleid VTH stonden de volgende thema’s centraal: veiligheid & (handhaving) openbare orde, leefbaarheid/woon-, leef-, werkklimaat, dienstverlening, uitvoeringskwaliteit, financiën. In de onderstaande tabellen zijn voor de komende 4 jaar voor VTH en veiligheid per thema de doelstellingen (zie kolom: doelen) opgenomen. Per doelstelling zijn de activiteiten aangegeven om deze doelen te realiseren (zie kolom: uitvoering). De activiteiten worden verder uitgewerkt in de jaarlijkse Uitvoeringsprogramma’s. Uiteraard is het de ambitie om gedurende deze beleidsperiode alle doelen te realiseren. 2.2.3.1. Thema veiligheid & (handhaving) openbare orde Het thema veiligheid heeft betrekking op het (brand)veilig gebruik en de veiligheid van bouwwerken, open erven en terreinen en de openbare ruimte in de onze gemeente om zodoende een veilige leefomgeving te waarborgen en bevorderen. 1. Thema veiligheid & (handhaving) openbare orde Doelen Uitvoering 1.1 Waarborgen brand- en constructieve veiligheid van bouwwerken met een hoge prioriteit. Bij vergunningaanvragen (maatgevende onderdelen m.b.t.) constructieve- en brandveiligheid van bouwwerken met hoge prioriteit, (laten) controleren dan wel na (laten) rekenen. Bij toezicht op deze vergunningen aandacht op dezelfde accenten leggen. 1.2 Integraal risicogericht toezicht door debrandweer in samenwerking met de bouwtoezichthouder. De VRBZO adviseert over vooraf afgesproken (categorieën) bouwwerken en houdt tijdens de realisatiefase van deze bouwwerken minimaal 2 keer (op vooraf afgesproken momenten) integraal toezicht met de bouwtoezichthouder. 1.3 Waarborgen brandveilig gebruikgebouwen. Alle categorie B & C bedrijven/instellingen worden opgenomen in het controlebestand van de VRBZO, zijn in het bezit van een gebruiksvergunning of hebben een gebruiksmelding ingediend en worden periodiek door de VRBZO (risicogericht) gecontroleerd volgens de afgesproken toezichtfrequentie. 1.4 Waarborgen van de veiligheid op bedrijventerreinen en de veiligheid van en nabij bedrijfsgebouwen. Inventariseren en stapsgewijs (bij voorkeur projectgewijs) vanuit het Op aanpakken/waarborgen van de veiligheid bij bedrijventerreinen en de veiligheid van en nabij bedrijfsgebouwen. Het gaat dan voornamelijk om het aanpakken en voorkomen van risicovolle situaties. 1.5 Waarborgen dat geen bewoning plaatsvindt in panden die niet bestemd/ geschikt zijn voor bewoning. Inventariseren op basis van Landelijke Aanpak Adreskwaliteit en stapsgewijs aanpakken van (onveilige) illegale bewoning en kamerverhuur. 1.6 Bevorderen van (het gevoel van) veiligheid bij de inwoners. Intensieve samenwerking met de politie. Het uitvoeren van toezichts- en handhavingsacties samen met andere partners. 1.7 Tegengaan van brandgevaar (zowel in de woonomgeving als in de natuur). Strikte handhaving van de naleving van het verbod afvalstoffen te verbranden en vuur te stoken. Om te zorgen dat gebruikers van het buitengebied het milieu niet te zwaar belasten, wordt er samengewerkt met het team van Samen sterk in Brabant (SSiB). Regionale thema’s Naast de doelen rondom het thema veiligheid zijn er rondom dit thema ook doelen opgenomen in het Integraal Veiligheidsplan (IVP) 2023-2026. In het IVP zijn de doelstellingen afgestemd met het Regionaal Veiligheidsplan (RVP) 2023-2026 en de samenwerking van District Dommelstroom4Onder district Dommelstroom wordt verstaan: zes gemeenten (Cranendonck, Geldrop-Mierlo, Heeze-Leende, Nuenen, Son en Breugel en Valkenswaard), het OM en de politie.. De belangrijkste prioriteiten uit het IVP zijn COA Budel, aanpak ondermijning, rampenbestrijding en crisisbeheersing, Bibob, digitale veiligheid, zorg en veiligheid en mensenhandel. Een aantal van deze doelstellingen komen ook terug in het RVP omdat de aanpak van deze thema’s het meest succesvol is als deze regionaal worden aangepakt. Binnen het RVP worden thema’s die regio overstijgend zijn geprioriteerd. De thema’s die regionaal zijn vastgesteld, maar ook direct betrekking hebben op onze gemeente: Regionale prioriteiten Thema’s Doelen Uitvoering/actie 1 Zorg en veiligheid (waaronder ook huiselijk geweld, kindermishandeling, personen met onbegrepen gedrag en jeugd) Het investeren in een sterkere verbinding tussen de domeinen zorg en veiligheid.“Jeugd” blijft hierbij een specifieke doelgroep. Een bundeling van kracht en door secuur te kijken naar overleggen en waar mogelijk samen te voegen; Gezamenlijke afsprakenmaken over de toepassingvan de Wet Tijdelijk Huisverbod. 2 Digitale veiligheid Een weerbare samenleving met minder cyberslachtoffers; Aandacht voor het verschuiven van criminaliteit naar het digitaal domein; Schade van een cyberaanval beperken. Het organiseren van betere cybergevolgbestrijding; Gezamenlijke acties uitvoeren m.b.t. weerbaarheid van de doelgroepen jeugd, senioren en MKB (bijvoorbeeld voorlichtingscampagnes). 3 Maatschappelijke onrust (incl. polarisatie en radicalisering) Het ondersteunen van de sociale cohesie; Het bewaren van een goede openbare orde. Nauwere samenwerkingtussen partners (zoals samenwerking tussen verschillende politiedistricten) binnen de regio; Stevigere lokale netwerken,zoals de samenwerking tussen politie, gemeent eetc.; Investeren in kennis en awareness; Zerotolerance voor geweld tegen ambtsdragers, hulpverleners, journalisten etc.; Het opstarten van bondgenootschappen voor hetzelfde doel: inclusie en veiligheid; Met aandachtsfunctionarissen afspraken maken om acties die voortvloeien uit het regionale beleid samen op te pakken; De openbare orde wordt gehandhaafd indien deze wordt verstoord, bijvoorbeeld middels het inzetten van noodbevoegdheden. 4 Ondermijnende criminaliteit Conformeren aan de Brabantse Norm Weerbare Overheid, voor een weerbare overheid. Het vergroten vanactiegerichtheid; Zichtbare interventies en uitbouwen van samenwerking; Het versterken van de informatiepositie. 5 Mensenhandel Het voorkomen van jonge slachtoffers (vooral bij seksuele en criminele uitbuiting) in het kader van mensenhandel. Het vergroten van inzicht op arbeidsuitbuiting en meer aandacht voor inwoners in een kwetsbare positie etc.; Met aandachtsfunctionarissen mensenhandel afspraken maken om acties die voortvloeien uit het regionale en lokale beleid mensenhandel samen op te pakken. Naast de in de tabel uiteengezette acties, geldt als overkoepelende actie dat voor de aanpak van alle prioriteiten preventie van groot belang is. Hiervoor is het van belang om gezamenlijke afspraken te maken over mediastrategie op het gebied van veiligheid onder andere door middel van het maken van een communicatiekalender. De nadere uitwerking van deze doelstellingen zal in het Uitvoeringsprogramma vorm worden gegeven. 2.2.3.2. Thema leefbaarheid/woon-, leef-, werkklimaat Het thema leefbaarheid/woon-, leef-, werkklimaat heeft betrekking op het waarborgen en bevorderen van de kwaliteit van de leefomgeving alsmede het behoud van natuur- en cultuurhistorische waarden. 2. Thema leefbaarheid/w oon-, leef-, werkklimaat Doelen Uitvoering 2.1 In stand houden van (archeologische) monumenten en objecten/gebieden met cultuurhistorische waarde. Tijdig ingrijpen bij overtredingen om schade te beperken aangezien beschadiging van deze monumenten en objecten/gebieden vaak onomkeerbaar is. Daarnaast willen we verstoring en ontsiering van deze bouwwerken voorkomen door adequaat op eventuele klachten te reageren. 2.2 Behoud waardevolle houtopstanden envoorkomen van onnodige aantasting van beschermde gebieden. Door middel van bescherming in het omgevingsplan of met inachtneming van hetgeen dat is opgenomen in de APV. Tijdig ingrijpen bij overtredingen om schade te beperken aangezien werkzaamheden zoals het rooien van houtopstanden onomkeerbaar is. Daarnaast is beschadiging aan beschermde gebieden vaak onomkeerbaar. 2.3 Voorkomen van bedrijfsmatige activiteiten/gebruik, waar dit (op basis vanhet Op) niet is toegestaan. Voorkomen en bestrijden van handelen instrijd met de regels in het Op. 2.5 Bevorderen van een schoneleefomgeving voor de inwoners. Alert reageren op meldingen, observeren, inventariseren en waar mogelijk ingrijpen. 2.6 Tegengaan van overlast en hinder in dewoonomgeving als bedoeld in de daarop van toepassing zijnde regels in de APV. Alert reageren op meldingen, observeren, inventariseren en waar mogelijk ingrijpen bij overlast en hinder 2.2.3.3. Thema dienstverlening Het thema dienstverlening heeft betrekking op het waarborgen en bevorderen van de manier waarop (in communicatie, snelheid en service) de gemeentelijke organisatie met belanghebbenden en derden omgaat. 3. Thema dienstverlening Doelen Uitvoering 3.1 Besluitvorming op vergunningaanvragen binnen de wettelijke termijnen. Er wordt een beperkt aantal ingebrekestellingen ontvangen wegens het te laat beslissen op een ontvangen aanvraag. 3.2 Het proces van (omgevings-) vergunningen constant evalueren en indien noodzakelijk aanpassen. Aanvragers binnen 14 werkdagen schriftelijk informeren over de te volgen procedure en termijnen. 3.3 Besluitvorming op handhavingsverzoeken binnen wettelijketermijnen. Verzoeken om handhaving binnen de redelijke termijn van 8 weken afhandelen dan wel binnen de verdaagde beslistermijn. 3.4 Behoorlijke afhandeling klachten van inwoners over overtredingen. Dit naar maatstaven van de Nationale Ombudsman. De spelregels van de Ombudsman zijn vastgelegd in een protocol (Helder handhaven), dat gehanteerd wordt bij handhavingsverzoeken en klachten. 3.5 Vergemakkelijken van de monitoring. Verbeteren van interne processen middels Powerbrowser. 3.6 Burgerparticipatie. Wij betrekken de inwoners zoveel als mogelijk bij thema’s die zich hiervoor lenen. 2.2.3.4. Thema uitvoeringskwaliteit diensten & producten Het thema uitvoeringskwaliteit van diensten & producten heeft betrekking op het waarborgen en bevorderen van de kwaliteit van producten, opdat zij voldoen aan juridische doelen (zoals geformuleerd in de relevante wet- en regelgeving en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur) en bijdragen aan de omgevingsdoelen. Dit wordt ook wel aangeduid als de inhoudelijke kwaliteit. 4. Thema uitvoeringskwaliteit diensten & producten Doelen Uitvoering 4.1 Borging uitvoeringskwaliteit van afgehandelde vergunning- en handhavingszaken. Ieder kalenderjaar interne kwaliteitscontroles houden waarbij steekproefsgewijs minimaal vijf in het betreffende kalenderjaar afgehandelde vergunningen en handhavingszaken worden beoordeeld middels een audit door een medewerker (die niet betrokken is geweest bij de afhandeling van de zaak). 4.2 Uniforme afhandeling van VTH-zaken. Actualiseren van werkprocessen en protocollen, door ze jaarlijks te screenen op actualiteit. 4.3 90% van de bezwaar- en beroepschriften m.b.t. vergunningverlening is ongegrond. Zorgdragen voor een gedegen juridische kwaliteit van vergunningenbesluiten (o.a. door actueel houden en borgen van kennis/opleiding, hanteren van checklists). 4.4 90% van de bezwaar- en beroepschriften m.b.t. toezicht enhandhaving is ongegrond. Zorgdragen voor een gedegen juridische kwaliteit van handhavingsbesluiten (o.a. door actueel houden en borgen van kennis/ opleiding, hanteren van checklists). 4.5 Waarborgen continuïteit van diensten enproducten. De kwaliteitscriteria m.b.t. kritieke massa geactualiseerd houden en waar nodig verder uitwerken. Waar nodig acties ondernemen om te (blijven) voldoen aan deze criteria. 4.6 Zichtbaarheid en creëren van bewustwording van handhavend optreden. Toezichthouders controleren naar aanleiding van meldingen/klachten en handhavingsverzoeken, alsook als zij zelfsituaties constateren. Indien een overtreding wordt geconstateerd kan de overtreder worden aangeschreven. 4.7 Borging inhoudelijke kwaliteit: producten en diensten voldoen aan relevante wet- en regelgeving en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Door het toepassen van een 4-ogen principe wordt de kwaliteit van de producten en diensten gewaarborgd. Daarnaast wordt er gewerkt met gestandaardiseerde brieven en formats. Deze zijn kwalitatief, juridisch en communicatief getoetst. 2.2.3.5. Thema financiën Het thema Financiën heeft betrekking op de inzet van middelen in relatie tot de kwaliteit van de geleverde diensten en/of producten. 5. Thema financiën Doelen Uitvoering 5.1 Inzicht in de kosten van (de op basis van de gestelde doelen uit te voeren activiteiten m.b.t.) VTH. Wij willen hierbij kostendekkend zijn. De benodigde en beschikbare financiële en personele middelen voor de op basis van de gestelde doelen uit te voeren activiteiten inzichtelijk maken. Doelen en activiteiten voor VTH op een overzichtelijke wijze opnemen in de (programma)begroting en waar nodig budget aanvragen/bijstellen. 2.3.Prioritering Onze gemeente – zoals alle Nederlandse gemeenten – niet over voldoende personeel en financiële middelen om het beoordelen van aanvragen voor vergunningen, het afhandelen van meldingen en alle handhavingstaken volledig zelf uit te voeren of uit te laten voeren. Daarom is het noodzakelijk om een verantwoorde prioritering aan te brengen in de Vergunning-, Toezicht- en Handhavingstaken en -doelen: welke taken krijgen voorrang op anderen. Voor iedere bestuursperiode van vier jaar bepalen wij de prioriteiten aan de hand van een prioriteringssystematiek voor VTH. Via dit systeem worden de negatieve effecten van en kans op overtreding van de regelgeving in beeld gebracht. Vervolgens prioriteren wij op grond van de beschermde belangen in combinatie met de overtredingskans. In deze prioritering zijn nadrukkelijk ook de onderwerpen opgenomen, waarmee de Cranendonckse inwoner in de dagelijkse praktijk te maken krijgt. Het betreft zaken die spelen in het fysieke domein en waarop dikwijls de regels van de APV van toepassing zijn. Jaarlijks wordt de prioritering vertaald in het Uitvoeringsprogramma. Daarin wordt ook bepaald hoe de aanwezige capaciteit binnen de gemeente ingezet moet worden. Bij de jaarlijkse evaluatie van het VTH-Beleidsplan en het Uitvoeringsprogramma VTH controleren wij of de prioritering bijgesteld moet worden. Bijvoorbeeld omdat overtredingen vaker voorkomen en/of een groter effect hebben dan verwacht. Uiteraard spelen ook de politieke context en maatschappelijke ontwikkelingen hierbij een rol. Vergunningverlening Voor vergunningverlening is aan de hand van de risicoanalyse in bijlage 1 in kaart gebracht welke vormen van vergunningverlening prioriteit hebben. De zaken aangemerkt met prioriteit 1 krijgen bij de vergunningverlening de meeste aandacht en worden op het hoogste niveau getoetst. Bij de vergunningenstrategie (hoofdstuk 4) wordt hier nader op ingegaan. Door de inwerkingtreding van de Wkb5Per 1 januari 2024 treedt de Wkb inwerking voor categorie 1 en naar alle waarschijnlijkheid per 1 januari 2025 voor de overige categorieën. verandert de rol voor het gemeentelijk bouwtoezicht op het gebied van het Bbl. Deze wet bewerkstelligt namelijk een gedeeltelijke privatisering van het bouwtoezicht. Daarnaast worden de aansprakelijkheid en waarschuwingsplicht van de aannemer verhoogd. Wel blijft er voor de gemeente een rol op het gebied van de planologische toets en de toetsen rondom de onderwerpen stikstof, flora- en fauna, welstand, monumenten, kap, uitvoeren van werken of werkzaamheden, milieu etc. en blijft de gemeente aan zet voor gevolgklasse 2 en 3 en verbouw van gevolgklasse 1. Toezicht & handhaving Voor toezicht en handhaving zijn de prioriteiten aan de hand van de systematiek (beschreven in bijlage 2) in kaart gebracht. Ook zijn de hieruit naar voren gekomen prioriteitenlijsten in de bijlagen uiteengezet. De toezichts- en handhavingstaken op het gebied van de openbare orde spelen een grote rol. De meldingen en klachten met onderwerpen met een hoge prioriteit pakken wij met voorrang op. Bij het stellen van doelen is ook zoveel mogelijk ingehaakt op deze prioriteiten. Deze prioritering betekent ook dat andere (lager geprioriteerde) zaken minder aandacht krijgen of niet (direct) worden opgepakt. Bij de toezichts- en handhavingsstrategie (hoofdstuk 4) wordt hier verder op ingegaan. 2.4.Uitvoeringsorganisatie 2.4.1. Inleiding Volgens artikel 13.9 van het Ob moet de gemeente haar uitvoeringsorganisatie zo inrichten dat ze aan bepaalde eisen voldoet. Kortgezegd komt dit neer op het regelen van een scheiding van functies, de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de organisatie ook buiten kantooruren en de beschrijving van werkprocessen, procedures en bijbehorende informatievoorziening. Omdat er waarde wordt gehecht aan het feit dat onze werknemers beschikken over de meest actuele kennis wordt ook aandacht besteed aan opleidingen. In deze bijlage worden al deze zaken toegelicht. 2.4.2. Scheiding van functies Het verlenen van omgevingsvergunningen en het toezicht op het naleven hiervan wordt gescheiden uitgevoerd. Hierdoor zijn vergunningverleners niet betrokken bij het toezicht op vergunningen waarvan zij de voorschriften hebben opgesteld. 2.4.3. Bereikbaarheid en beschikbaarheid van de organisatie De gemeentelijke organisatie en de uitvoeringsdiensten moeten ook buiten de gebruikelijke kantooruren bereikbaar en beschikbaar zijn voor toezicht en handhaving. Bereikbaar voor het melden van acute klachten en beschikbaar voor het behandelen van incidenten. Om dit te waarborgen zijn er verschillende (piket)regelingen. 2.4.4. Milieu, evenementen en bedrijven De Odzob is 24 uur per dag bereikbaar via het telefoonnummer van de MilieuKlachtenCentrale. Tijdens kantoortijd zet de MilieuKlachtenCentrale de klacht direct door naar de klachtenmedewerker van de Odzob. Buiten kantoortijd wordt het klachtenteam opgeroepen: Wanneer een bedrijf een vermelding heeft dat een klachtenmedewerker buiten kantoortijd moet worden opgeroepen. Bijvoorbeeld bij een horecabedrijf waar eerder klachten over zijn geweest; bij een melding over een ongewoon voorval; bij 3 milieuklachten binnen 1 uur of bij 5 milieuklachten gedurende 24 uur met vermoedelijk dezelfde oorzaak. De MilieuKlachtenCentrale verzorgt ook de intake van de meldingen over geluidsoverlast van evenementen. Medewerkers van het Team Omgeving & Veiligheid, die tijdens een evenement aan het werk zijn, kunnen deze klachten online inzien en de klachten direct afhandelen. Bij een evenement waar geen toezicht plaatsvindt, neemt het Team Omgeving & Veiligheid de melding de volgende werkdag in behandeling. 2.4.5. Klachten en meldingen Klachten over onveilige of kapotte zaken in de openbare ruimte kunnen gemeld via de app. De melding komt dan direct bij de juiste werknemer terecht. Hierbij kan gedacht worden aan gaten in de weg, omgewaaide bomen, kapotte lantaarnpalen, kapotte speeltoestellen, etc. Ook meldingen van woonoverlast of eenvoudige verkeersproblemen kunnen gemeld worden. Bij woonoverlast kan gedacht worden aan: burenlawaai, overbevolking en bouwvallige, onveilige en/of sterk vervuilde percelen/woningen. 2.4.6. Grote incidenten en rampen Voor rampen, crises en grote incidenten heeft de gemeente een crisisplan (regionaal crisisplan vanuit de VRBZO). Vanuit de meldkamer dan wel de plaats incident kan ervoor gekozen worden om op te schalen naar de GRIP structuur. Er zijn collega’s (Officier van Dienst/ Adviseur Openbare Orde) op hard piket (Piket Veiligheid) die 24 uur per dag en 7 dagen per week opgeroepen kunnen worden. Samen met andere operationele diensten kan de collega beslissen dat er wordt opgeschaald en op dat moment kunnen lokale en/of districtelijke collega’s uit de crisisorganisatie worden opgeroepen. Dit zijn interne collega’s dan wel collega’s van omliggende gemeenten die getraind zijn om hun functie tijdens een crisis uit te oefenen. Ook vanuit de VRBZO en crisiscommunicatie is er een piketgroep, ook zij staan op hard piket. 2.4.7. Beschrijving werkprocessen, procedures en informatievoorziening Processen en procedures zijn vastgelegd en geïntegreerd in de VTH-applicatie (Powerbrowser). Voor de invoering van nieuwe wetten en regelgeving worden deze aangepast. Ook de informatievoorziening op de website wordt hierop aangepast. 2.4.8. Opleidingen In de kwaliteitscriteria is vastgelegd welke kennis en vaardigheden VTH-medewerkers moeten bezitten om de gewenste kwaliteit van uitvoering te leveren. Er is blijvende aandacht om medewerkers te laten voldoen aan de kwaliteitscriteria. Hiervoor is opleidingsbudget beschikbaar. Voor de Ow is een separaat opleidingsplan gemaakt om de medewerkers van voldoende kennis en vaardigheden te voorzien. 2.5.Methodiek evalueren en monitoring Door monitoring van de resultaten en voortgang van de uitvoering van het VTH-beleidsplan houden we zicht op de mate van doelrealisatie (effectiviteit). De monitoringsresultaten worden weergegeven in het Jaarverslag en gebruiken wij voor bijsturing van de operationele cyclus en voor input op de beleidsevaluatie. Naar aanleiding van de uitkomst van monitoring en evaluatie kan het VTH-beleidsplan, indien noodzakelijk, worden bijgesteld. Ook veranderingen in de publieke opinie kunnen een rol spelen bij het aanpassen van dit beleid. Dit is dus van belang voor eventuele bijsturing en de verantwoording aan onze raad en inwoners. Daarnaast wordt in het Jaarverslag ook het Uitvoeringsprogramma VTH geëvalueerd. 2.5.1 Indicatoren In bijlage 3 is per doelstelling aangegeven welke indicator wij hanteren en de daarvoor benodigde gegevens om de voortgang van de doelrealisatie te meten. Richtlijnen voor monitoring Als richtlijnen bij de monitoring wordt aangehouden: Niet voor elke indicator hoeft een 100%-controle plaats te vinden, maar kan volstaan worden met een steekproef van minimaal 5 cases; alle indicatoren worden gescoord in hetzelfde kalenderjaar (gelijklopend met het jaarlijkse Uitvoeringsprogramma); aantallen worden niet door middel van een steekproef vastgesteld, maar volledig in kaart gebracht; wellicht ten overvloede: de monitoring heeft alleen betrekking op de taken die binnen de reikwijdte van dit beleid vallen. 2.5.2 Verantwoording en verslaglegging Monitoring van bovenstaande indicatoren vindt ieder jaar plaats. Dit gebeurt tijdens overleggen tussen verschillende betrokken partijen, zoals de Odzob en de VRBZO en wordt in het Jaarverslag vastgelegd. In de gesprekken met de betrokken partijen en uit de diverse systemen wordt gekeken of de indicatoren en/of doelstelling zijn gehaald. Er wordt gekeken of en in welke mate de in het beleidskader opgenomen doelstellingen worden gehaald. De (eind)resultaten van de monitoring worden in het Jaarverslag opgenomen. Dit Jaarverslag wordt door college van B&W vastgesteld en ter kennisgeving aan de raad gezonden. In het voorgaande Jaarverslag is aangegeven dat voor de monitoring een splitsing wordt gemaakt in twee kolommen. Hierin worden de mogelijke capaciteit en de gerealiseerde taken met elkaar vergeleken. Indien uit de monitoring van de indicator(
- en)blijkt dat de voortgang van de doelstelling onvoldoende of niet gerealiseerd wordt, wordt hiervoor een verklaring opgenomen in het Jaarverslag. Indien nodig worden verbetermaatregelen voorgesteld. In het Jaarverslag over deze komende periode wordt ingegaan op het effect van de verbetermaatregelen. Hoofdstuk3– Risicoanalyse en prioritering Dit hoofdstuk staat in het teken van keuzes maken en prioriteiten stellen. Dit gebeurt aan de hand van een prioriteitstelling waar een risicoanalyse (kans x effect = risico)6Kans wordt uitgedrukt in waarschijnlijkheid, effect is vaak de impact. De hoogste prioriteit wordt gegeven aan de gevallen waar de kans zeer waarschijnlijk is dat het effect een grote impact heeft. aan ten grondslag ligt. Hiermee maken we keuzes ten aanzien van de inzet van capaciteit en middelen. Er zal namelijk nooit voldoende capaciteit zijn om alle VTH-taken uitputtend uit te voeren. Om de medewerkers zo effectief mogelijk in te zetten, is bepaald welke activiteiten binnen de gemeente worden uitgevoerd, welke een hoge prioriteit hebben en welke een lagere prioriteit. Deze afweging vindt plaats door toepassing van een risicomodel. Het model biedt de mogelijkheid om op basis van een risicoschatting en prioritering de inzet te bepalen. De inzet op activiteiten met een lage prioriteit is minder dan op activiteiten met een hoge prioriteit. Hierbij kan gedacht worden aan de diepgang van toetsing van een vergunningaanvraag of een toezichtmoment, de bezoekfrequentie van toezicht. Handhavingsverzoeken worden altijd in behandeling genomen, ongeacht de onderwerpen in de prioriteit. Er dient binnen 8 weken of binnen de verdaagde termijn een besluit te volgen. Uit jurisprudentie blijkt dat handhavingsbeleid er niet toe mag leiden dat tegen overtredingen met een lage prioriteit nimmer wordt opgetreden. Prioriteitstelling is echter wel toegestaan om in het kader van doelmatige handhaving onderscheid te maken in de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de handhavingstaak. Het afzien van handhaving kan echter niet uitsluitend onder verwijzing naar de prioriteitstelling, alleen onder bijzondere omstandigheden mag van handhaving worden afgezien. Het bestuursorgaan dient een afweging te maken om te kijken of het ondanks de prioritering toch moet optreden. Het resultaat van die afweging kan zijn dat van handhaving wordt afgezien, gelet op het karakter van het overtreden voorschrift, het daarbij betrokken algemene belang en de belangen van de verzoeker. Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel het volgende: Stel dat er een verzoek om handhaving is gedaan en naar aanleiding hiervan moet handhavend worden opgetreden door middel van een sanctiebesluit, dan levert dat op zichzelf geen strijd op met het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van de gevallen waar niet om handhaving is verzocht.7 ABRvS, 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1982. 3.1.Uitleg risicoanalyse en prioritering Voor alle relevante activiteiten die in het kader van de Ow worden uitgevoerd, is een risicoschatting gemaakt. Dit risico is bepaald volgens een vaste methodiek, waarbij verschillende beoordelingscriteria in acht zijn genomen, te weten: Fysieke en sociale veiligheid; leefomgeving; financiën; natuur/stadsschoon; volksgezondheid; bestuurlijk imago. De score wordt bepaald door voor elke activiteit een inschatting te maken van het effect op ieder criterium als gevolg van overtreding van deze activiteit. Geprobeerd is om het stellen van prioriteiten zoveel mogelijk te objectiveren. Dat gebeurt door het afzetten van effect tegen kans en door het kiezen van (effect)criteria die aansluiten op de gemeentelijke praktijk. Dat er altijd een subjectief element zal zijn in de uiteindelijk vast te stellen prioriteiten, wordt veroorzaakt door politieke keuzes en hoort als zodanig bij het democratisch proces. Zowel voor effect als voor kans wordt een score toegekend. Het product van de scores voor kans en effect (kans x effect) levert wederom een score op. Hoe hoger dat getal is, des te meer prioriteit. De omvang van het risico in cijfers is niet alleen bepalend voor de prioriteit. Het kan namelijk zijn dat het belang/negatieve effect van bepaalde activiteiten groot is terwijl de overtredingskans klein is. Deze activiteiten scoren in de uitkomst van de risicoanalyse daardoor gemiddeld of zelfs laag, maar kunnen voor degene die de VTH-taken uitvoeren of zelfs voor het college of bestuur toch een hoge prioriteit krijgen door bijvoorbeeld de maatschappelijke impact van het belang/negatieve effect van de hierboven genoemde activiteiten. Om die reden zijn de activiteiten geprioriteerd op grond van de beschermde belangen en de overtredingskans De prioritering is sturend voor onze inzet. In hoofdstuk 6 is de werkwijze voor het prioritair werken nader uiteengezet. Ook voor deze paragraaf wordt verwezen naar de prioriteitenlijst zoals deze is opgenomen in de bijlagen. 3.2.Milieutaken De VTH-taken op milieugebied en sloopactiviteiten (inclusief asbest) worden door de Odzob uitgevoerd en zijn niet meegenomen in deze risicoanalyse. Jaarlijks wordt voor de uitvoering van de milieutaken een apart werkprogramma voor de Odzob opgesteld, dat als bijlage onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsprogramma. De evaluatie van deze milieutaken staat in de laatste termijnrapportage van de Odzob, welke als bijlage onderdeel uitmaakt van het Jaarverslag. De evaluatie van de kwaliteitscriteria VTH voert de Odzob zelfstandig uit. 3.3.VRBZO De VRBZO voert voor onze gemeente diverse VTH-taken uit. Hierbij gaat het om wettelijk verplichte taken en gemeentelijke taken die collectief aan de VRBZO zijn opgedragen, omdat het voor de VRBZO efficiënter is om deze regionaal op te pakken in plaats van afzonderlijk per gemeente. Wij kunnen de afdeling Handhaving en Naleving van de VRBZO vragen om tot onder andere een brandveiligheidsinspectie of VRBZO-inspectie over te gaan. Bij de brandveiligheidsinspecties wordt alleen gekeken naar o.a. brandoverslag, vluchtwegen. Een VRZBO-inspectie richt zich op externe veiligheid in de breedste zin van het woord. Wat als er brand uitbreekt? Wat kunnen dan de gevolgen zijn voor de leefomgeving (breder dan alleen brandoverslag)? Zijn er tanks of silo’s in de buurt die kunnen ontploffen? Etc. Ook heeft de VRBZO een adviserende rol bij omgevingsvergunningen en evenementenvergunningen. Hoofdstuk4– Borging en uitvoering 4.1.Financiële en personele middelen Om de VTH-taken die zijn voortgevloeid uit de Ow te kunnen uitvoeren en de beleidsdoelen te realiseren, zijn financiële en personele middelen nodig. De uitvoering van dit beleid en specifiek de activiteiten voor het behalen van de doelstelling en de nieuwe prioriteiten vragen ook om financiële en personele middelen. De inzet van middelen wordt jaarlijks toegelicht in het Uitvoeringsprogramma. 4.2.Uitvoeringsprogramma Voor VTH werkt de gemeente het VTH-beleidsplan ieder jaar uit in een Uitvoeringsprogramma. In het Uitvoeringsprogramma worden de prioriteiten, doelen, activiteiten en methoden uit dit beleid op operationeel niveau beschreven. Het Uitvoeringsprogramma is dan ook een concreet actieplan voor het betreffende jaar. Daarbij wordt in het Uitvoeringsprogramma aangegeven hoe de (financiële en personele) middelen in het betreffende jaar worden ingezet en waar eventueel tekorten zijn. Het Uitvoeringsprogramma wordt ter kennisgeving naar onze gemeenteraad gestuurd en wordt aangeboden aan de provincie Noord-Brabant. 4.3.Uitvoering proces De werkwijzen van vergunningverlening, afhandeling van meldingen, toezicht en handhaving zijn vertaald naar specifieke procesbeschrijvingen. Deze werkwijzen worden nader uiteengezet in hoofdstuk 6 en de hierbij behorende bijlagen. De werkwijzen van vergunningverlening, afhandeling van meldingen en toezicht en handhaving zijn geborgd in het werksysteem (Powerbrowser). Deze werkwijzen zijn bekendgemaakt bij alle betrokken medewerkers. Nieuwe medewerkers worden ingewerkt aan de hand van de handleiding en processen in het werksysteem (Powerbrowser). De werkprocessen zijn veranderd ten opzichte van het vorige beleid door de komst van de Ow en Wkb. Deze zullen in de komende beleidsperiode worden gemonitord en worden, waar nodig, aangepast na evaluatiemomenten. 4.4.Afstemming ketenpartners Een goede samenwerking tussen de gemeente en haar partners is van belang. Samenwerking levert kwalitatief sterkere adviezen op die gebaseerd zijn op gedeelde informatie en uitgangspunten. De onderdelen van dit VTH-beleidsplan die gaan over de strafrechtelijke handhaving zijn afgestemd met de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Daarnaast werkt de gemeente samen met andere ketenpartners, zoals de Odzob en de VRBZO 4.5.Kwaliteitsverordening De gemeente Cranendonck heeft in de “Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht 2023” bepaald dat het waarborgen van de gemeentelijke dienstverlening, de uitvoeringskwaliteit van diensten & producten en de financiën ook centraal staat. In deze kwaliteitsverordening is opgenomen welke eisen er worden gesteld aan de uitvoeringsorganisaties en of wij daarvan afwijken. De Ow stelt eisen ten aanzien van de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. Namelijk de kwaliteitscriteria 2.2. Deze kwaliteitscriteria bestaan uit twee elementen: de procescriteria en eisen ten aanzien van de kritieke massa. De kwaliteitscriteria beschrijven de minimale kwaliteitseisen op verschillende indicatoren. Deze indicatoren zijn opleiding, kennis, ervaring, frequentie van uitvoeren en menskracht. Hierbij wordt er onderscheid gemaakt tussen 26 verschillende deskundigheidsgebieden. Aan deze deskundigheidsgebieden zijn vervolgens specifieke activiteiten gekoppeld. De wijze waarop deze deskundigheidsgebieden worden ingevuld zal inzichtelijk worden gemaakt in het Jaarverslag. Vanaf 2024 dient ook de kwaliteitscriteria 2.3 te worden toegepast. In het Jaarverslag wordt geëvalueerd in welke mate er aan de kwaliteitscriteria (2.2 en 2.3) wordt voldaan. Hoofdstuk5– Evaluatie In dit hoofdstuk wordt de methode voor de evaluatie van het VTH-beleidsplan en het Uitvoeringsprogramma beschreven, dit is tevens de laatste stap van de BIG 8-cyclus. Met de beleidsevaluatie wordt de beleidscyclus rond gemaakt. Jaarlijks zal het Uitvoeringsprogramma worden geëvalueerd, zodat er eventueel kan worden bijgestuurd. Het VTH-beleid zal jaarlijks worden geëvalueerd en waar nodig worden aangevuld of aangepast middels een addendum. 5.1.Evaluatie Uitvoeringsprogramma’s Jaarlijks wordt gerapporteerd over de uitvoering van het vastgestelde Uitvoeringsprogramma en geëvalueerd in hoeverre de gestelde doelen zijn bereikt en activiteiten zijn uitgevoerd. Hierbij wordt minimaal beoordeeld of: De voorgenomen activiteiten uit het Uitvoeringsprogramma zijn uitgevoerd; de uitvoering van deze activiteiten uit het Uitvoeringsprogramma hebben bijgedragen aan de voortgang van de beleidsdoelen uit het VTH-beleid; het VTH-beleid (mede op basis van bovenstaande) eventueel dient te worden aangepast. De rapportage en evaluatie worden in een Jaarverslag gedocumenteerd. De resultaten van de evaluatie worden gebruikt voor het Uitvoeringsprogramma van het volgende jaar. 5.2.Evaluatie VTH-beleidsplan Jaarlijks, maar in ieder geval nadat een beleidsperiode verstreken is, wordt het VTH-beleidsplan geëvalueerd. Er wordt dan beoordeeld: Of vastgestelde doelstellingen uit het VTH-beleidsplan zijn bereikt; of het VTH-beleidsplan aangepast moet worden. Ook deze evaluatie wordt gedocumenteerd in het Jaarverslag. De resultaten worden gebruikt voor het eventueel aanpassen van het huidige VTH-beleid voor de volgende beleidsperiode en het Uitvoeringsprogramma van het volgende jaar. Hoofdstuk6– Strategieën en werkwijzen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze, ook wel strategieën, waarop de werkzaamheden omtrent VTH worden uitgevoerd. Dit wordt aangevuld met de mogelijke veranderingen onder de Ow en de Wkb. Daarbij wordt ook aangegeven hoe de eerdergenoemde risicoanalyse en prioritering zullen doorwerken in de praktijk. Binnen de VTH-taken zijn toezicht en handhaving twee losstaande taken, maar vloeit handhaving vaak voort uit de toezichthoudende taken. Voor de uitvoering van onze handhavende taak zijn er verschillende strategieën die hierop toegepast kunnen worden. Handhaven wordt omschreven als “het doen naleven van rechtsregels”. Dat kan goedschiks of kwaadschiks, met respectievelijk preventieve of repressieve maatregelen. Wij maken geen gebruik van preventieve maatregelen. Repressieve maatregelen bestaan uit bestuursrechtelijke of strafrechtelijke sancties. Onder toezicht wordt verstaan het controleren of geldende wet- en regelgeving wordt nageleefd. Ook gaat toezicht vooraf aan het opleggen van sancties en wordt omschreven als: Het verzamelen van informatie bij vermoedens van een overtreding van regels, na bijvoorbeeld een melding of een verzoek om handhaving, of bij uitvoering van structureel, regulier toezicht; het vervolgens beoordelen of er daadwerkelijk sprake is van een overtreding; Om handhaving te effectueren beschikt het bevoegd gezag over verschillende juridische instrumenten. Bekende instrumenten zijn: waarschuwingsbrief; wrakingsbrief; de bestuurlijke strafbeschikking; de last onder dwangsom; de last onder bestuursdwang; het intrekken van de vergunning, of het stilleggen van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. De instrumenten zelf, de procedures en de mogelijkheden voor bezwaar en beroep zijn in wetten en verordeningen verankerd. In hoofdstuk 4 is hier nader op ingegaan. De werkwijze waarop wij de doelen en prioritair werken willen bereiken is vastgelegd in de uitvoeringsstrategieën. De strategieën zijn gebaseerd op landelijke strategieën (gedogen en sanctioneren) en zijn aangevuld met gemeentelijke strategieën. In figuur 3 hieronder is de samenhang tussen de strategieën weergegeven. Ten opzichte van de vorige beleidsplannen zijn de strategieën herzien, mede door de inwerkingtreding van de Ow en Wkb. De komende beleidsperiode gaan we de uitvoering van deze nieuwe strategieën monitoren en evalueren. Indien hiertoe aanleiding is, worden de strategieën herzien. Hieronder zullen de strategieën nader worden uitgewerkt. Figuur 3 uitvoeringsstrategieën (bron: VTH-beleid Zoeterwoude) Het proces en de structuur van de uitvoeringsstrategieën zijn weergegeven in figuur 4 op de volgende pagina (Figuur 4 Totaaloverzicht VTH strategieën (bron: VTH-beleid Zoeterwoude)). Aan de hand van dit figuur worden de strategieën in de bijlagen toegelicht. 6.1.Nalevingsstrategie: Vergunningenstrategie Ow Figuur 5 Schematische weergave vergunningenstrategie (bron: VTH-beleid Zoeterwoude) Uitgangspunt bij vergunningverlening is dat burgers en bedrijven verantwoordelijk zijn voor het indienen van goede en volledige aanvragen. De aanvraag vormt immers de basis voor de te verlenen vergunning. De gemeente houdt zich bij de taakuitvoering aan de algemene beginselen van behoorlijke bestuur. De gemeente heeft de taak om de verschillende belangen vanuit de verschillende disciplines te coördineren. Deze taak is in overstemming met het gedachtegoed dat volgt uit de Ow. Namelijk het kijken naar wat wél kan. Een van “nee, tenzij”, naar “ja, mits” omslag. 6.1.1. Preventiestrategie in het kader van vergunningen Wij willen de kennis en de bewustwording van potentiële initiatiefnemers vergroten. De gemeente wil de aanvrager zoveel mogelijk informeren over de voor hen relevante wet- en regelgeving, betrokken kaders en belangen, en voor welke activiteiten een melding of vergunning nodig is. De potentiële aanvrager moet voldoende inzicht krijgen of een melding of vergunning nodig is of dat er een informatieplicht geldt. Mocht er een meldingsplicht of vergunningplicht zijn, dan dient de aanvrager voldoende informatie te hebben om een volledige melding of aanvraag in te dienen. (Voor de aanvrager is de vergunningencheck van het Omgevingsloket in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (verder: DSO) ook een optie). De wijze waarop wij hier vorm aan zullen geven, wordt opgenomen in het Uitvoeringsprogramma. Daarnaast richt de preventiestrategie zich op het stimuleren van betrokkenen om te voldoen aan de geldende regels. Met het bovenstaande willen wij zoveel mogelijk voorkomen dat achteraf tot actie moet worden overgegaan. 6.1.2. Ow De vergunningplichten komen voort uit hoofdstuk 5 van de Ow. In totaal zijn er 14 verschillende type activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is. In principe is binnen de Ow het college van B&W voor de volgende activiteiten het bevoegde gezag voor de behandeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning: een bouwactiviteit, een omgevingsplanactiviteit die niet van provinciaal of nationaal belang is, een monumentenactiviteit (voor zover het geen enkelvoudige aanvraag met betrekking tot een archeologisch monument betreft) en een milieubelastende activiteit. 6.2.Werkwijze Ow vergunningen 6.2.1.Binnenkomst Vanuit het DSO worden de vergunningaanvragen en meldingen met betrekking tot de Ow ontvangen. Het VTH-systeem is gekoppeld aan het DSO. Via de samenwerkingsmodule kunnen wij bij aanvragen (waarvoor bijvoorbeeld advies of advies met instemming nodig
- is)samenwerken met ketenpartners. Voor de Ow zijn de volgende soorten verzoeken vastgesteld: Aanvraag vergunning; aanvraag omgevingsoverleg; melding; informatie; informatie ongewoon voorval; aanvraag maatwerkvoorschrift; aanvraag gelijkwaardige maatregel; en aanvraag toestemming gelijkwaardige maatregel. Voor zover het niet wettelijk voorgeschreven is, kan de gemeente zelf vragen en aanvraagvereisten bepalen/aanpassen middels toepasbare regels in het DSO. Dit geeft ook de mogelijkheid om de suggestie tot een conceptaanvraag eerder in het proces onder de aandacht te brengen zodat initiatiefnemers vaker voor deze optie kiezen. 6.2.2. Registratie Alle werkzaamheden worden geregistreerd in Powerbrowser waarbij een directe link is met het zaaksysteem Exxellence waar zaken worden opgeslagen en gearchiveerd. 6.2.3. Verkennen Initiatief Voor de initiatiefnemer bestaat de mogelijkheid om het verkennen van een initiatief in te dienen. Hiermee wordt, voordat er een vergunning wordt aangevraagd, nagegaan of de plannen wenselijk en/of haalbaar zijn. De wenselijkheid en/of haalbaarheid wordt getoetst tijdens “verkennen initiatief”. 6.2.4. Conceptaanvraag Binnen onze gemeente kennen we ook nog een conceptaanvraag. Dit wordt zelfs gestimuleerd om zo in het kader van preventie, te zorgen voor een volledige en passende aanvraag voor een omgevingsvergunning. Bij een conceptaanvraag wordt de volledigheid van de aanvraag getoetst. Op het moment dat een conceptaanvraag past binnen het beleid, kan de initiatiefnemer een definitieve aanvraag voor een omgevingsvergunning indienen. Grootschalige plannen die niet passen binnen het Op worden voorgelegd aan de intaketafel. De nog complexere plannen zullen worden voorgelegd aan een “regionale omgevingstafel”. Wanneer er een positief advies van de intaketafel komt, is in gevallen die niet passen binnen het Op een wijziging van het Op nodig of er kan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplan (zowel OPA als BOPA) worden aangevraagd. 6.2.5. Procedure/termijnen Nadat een initiatiefnemer de volledige aanvraag heeft ingediend, geldt een termijn van 8 weken voor de inhoudelijke behandeling van de aanvraag. Dit betreft geen fatale termijn, maar een termijn van orde. Voor de gemeente bestaat de mogelijkheid om de procedure te verlengen met 6 tot 14 weken. Dit geldt ook wanneer de initiatiefnemer meerder activiteiten in één keer indient, oftewel een meervoudige aanvraag. In principe geldt ook dan de standaardprocedure van 8 weken (tenzij er kan worden gesproken van een uitzondering zoals hieronder uiteengezet). De activiteit met de zwaarste procedure bepaalt bij een meervoudige aanvraag welke procedure de gemeente dient toe te passen. Op het moment dat een aanvraag niet compleet is, kunnen wij een verzoek om aanvulling doen. Hierbij wordt de termijn van de behandeling op grond van de Awb stilgelegd, totdat de aanvullingen volledig zijn ingediend. Hieronder is beschreven wanneer de gemeenteraad een advies van instemming moet verlenen. Dit is een uitgebreide lijst, dus voor de meeste afwijkingen is een advies van instemming nodig. Na het doorlopen van de procedure of het verlopen van de termijn wordt er een besluit genomen op de ingediende aanvraag. Tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb staan rechtsmiddelen open. De uitgebreide procedure In sommige gevallen kan in een uitgebreide procedure een termijn van 6 maanden van toepassing zijn, in plaats van de hiervoor gestelde 8 weken. Hier is sprake van in een van de drie hieronder aangegeven gevallen: De gevallen uit artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit (verder: Ob) waarvoor altijd een uitgebreide procedure van toepassing is; het college van B&W kan een uitgebreide procedure van toepassing verklaren op het moment dat daar gegronde redenen voor zijn (artikel 16.65 lid 4 van de Ow). In dit artikel wordt toegelicht dat het bevoegd gezag dit kan bepalen als: Het een activiteit betreft die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving; en waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. In dat geval stelt het college, voorafgaand aan het nemen van het besluit, de aanvrager in de gelegenheid om zienswijze daarover naar voren te brengen. Het college kan beleid opstellen waarin zij activiteiten benoemd waarvoor zij de uitgebreide procedure willen toepassen. De aanvrager kan zelf verzoeken om of instemmen met de uitgebreide procedure. Verplichte participatie In de Omgevingsregeling (verder: Or) is opgenomen dat participatie een motiveringsverplichting is bij een aanvraag van een omgevingsvergunning. Bij een aanvraag omgevingsvergunning moet aangegeven zijn of, en zo ja op welke wijze, invulling is gegeven aan participatie. Middels participatie kan inzicht in de belangen van omwonenden en belanghebbenden worden gegeven. Daarnaast moet goed beargumenteerd worden waarom er meer dan de aanvraagvereisten uit de Or nodig zijn, bijvoorbeeld wanneer ambtshalve de uitgebreide procedure van toepassing is verklaard omdat de belangen niet goed in beeld zijn. In de meeste gevallen is participatie niet verplicht. De gemeenteraad kan echter, op grond van artikel 16.55 lid 7 Ow, gevallen aanwijzen waarin participatie van en overleg met derden wel verplicht is, voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een BOPA kan worden ingediend. De gemeenteraad heeft het “Participatiebeleid Omgevingswet, gemeente Cranendonck 2023” (verder: participatiebeleid) vastgesteld waarin wordt ingegaan op de wijze waarop binnen de gemeente als overheid zijnde omgaat met participatie. Advies van de gemeenteraad aan het college van B&W De gemeenteraad heeft de mogelijkheid om zichzelf middels een raadsbesluit als adviseur aan te wijzen voor omgevingsvergunningen voor bepaalde gevallen van BOPA’s, waarvoor het college bevoegd gezag is. Zie artikel 16.15a, aanhef en onder b van de Ow. Er zijn veel verschillende varianten mogelijk van het aanwijzen van gevallen waarin advies verplicht is. De gemeenteraad heeft een lijst met dergelijke BOPA’s vastgesteld waarvoor het college het bevoegd gezag is. Dit is momenteel een zeer uitgebreide lijst waardoor voor veel BOPA’s een advies van de gemeenteraad nodig is. Deze lijst is vastgesteld tijdens de raadsvergadering van 25 april 2023 (collegevoorstel d.d. 14 maart 2023). De gemeenteraad dient om advies te worden gevraagd voor de onderstaande lijst met activiteiten voor een BOPA: het binnen stedelijk gebied toevoegen van meer dan 3 woningen en/of onzelfstandige wooneenheden; het toevoegen van meer dan 2 woningen en/of onzelfstandige wooneenheden buiten stedelijk gebied; plannen die afzonderlijk het aantal woningen of wooneenheden onder 1 en 2 niet overstijgen, doch die, gelet op de aard en/of bestemming en/of afstand tot elkaar, in zodanige samenhang c.q. verbondenheid met elkaar gezien moeten worden dat, zouden zij gezamenlijk zijn ingediend, de onder 1 of 2 genoemde norm zouden overstijgen. de realisatie van een permanente huisvestingslocatie (geclusterde huisvesting) voor meer dan 30 personen op één locatie; het huisvesten van arbeidsmigranten en kwetsbare groepen in recreatieve voorzieningen met meer dan 20% van de standplaatsen; de vestiging, uitbreiding van of het omzetten naar een intensieve veehouderij; het realiseren van ontwikkelingen buiten stedelijk gebied, die gelegen zijn buiten bestaande bouw- en bestemmingsvlakken; het uitbreiden van bestaande en het realiseren van nieuwe, grootschalige (dag- en verblijfs-) recreatiebedrijven en -terreinen in het buitengebied groter dan 0,5 hectare, zoals het oprichten van campings, hotels, golfbanen, vakantie- en recreatieparken; het uitbreiden van bestaande en het realiseren van nieuwe bedrijventerreinen; het uitbreiden of wijzigen van bestaande en het realiseren van nieuwe grootschalige maatschappelijke voorzieningen met een oppervlakte groter dan 1.000m2; zoals scholen, religieuze voorzieningen, multifunctionele accommodaties (waaronder gemeenschapshuizen) en gezondheidscentra; het uitbreiden van bestaande en het realiseren van nieuwe sportvoorzieningen met een oppervlakte van meer dan 1.000m2, zoals sportparken, sporthallen en zwembaden; het realiseren van een antenne installatie met een hoogte van meer dan 10m; het aanleggen van zonneweides met een oppervlakte van meer dan 1.000m2; het realiseren van één of meerdere windturbine(s); het wijzigen/uitbreiden van bestaande en het realiseren van nieuwe opvangvoorzieningen voor asielzoekers en/of vluchtelingen en/of statushouders; overige onvoorziene ontwikkelingen die naar verwachting van het college politie of maatschappelijk gevoelig zijn. In afwijking van hetgeen bepaald in voorgaand lijst hoeft de gemeenteraad niet om advies te worden gevraagd als: op voorhand duidelijk is dat de aanvraag om omgevingsvergunning op andere gronden dan strijd met het omgevingsplan geweigerd moet worden; de aanvraag om omgevingsvergunning past binnen een door de gemeenteraad vastgestelde gebiedsvisie, projectonderbouwing, kavelpaspoort of daarmee gelijk te stellen document; de aanvraag om omgevingsvergunning past binnen een, in het tijdelijk deel van het omgevingsplan opgenomen, wijzigingsbevoegdheid. Bij enkelvoudige aanvragen geldt het voorgaande niet, het bevoegd gezag (de gemeente) beslist dan zelf op de enkelvoudige aanvraag. Dat betekent niet dat afstemming en samenwerking met andere bestuursorganen wordt uitgesloten. 6.2.6. Advies en instemming De gevallen waarvoor advies en/of instemming benodigd zijn, zijn uiteengezet in afdeling 4.2 van het Ob. Advies De Ow en het Ob schrijven voor dat het bevoegd gezag in bepaalde gevallen om advies moet vragen voor het beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. Daarnaast kunnen overheden de verplichting om advies te vragen opnemen in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening. Het ontvangen advies dient meegenomen te worden in het uiteindelijke besluit. Er kan van dit advies worden afgeweken, mits dit zorgvuldig wordt gemotiveerd. Instemming Soms is er voor het nemen van een besluit instemming nodig van het adviesorgaan. Het gegeven advies moet worden beschreven in het conceptbesluit. Het adviesorgaan moet vervolgens instemmen met het concept besluit. Pas daarna kan de omgevingsvergunning in het definitieve besluit worden verleend. De instemming kan alleen worden gegeven of geweigerd op dezelfde gronden als op basis waarvan een vergunningverlener dit mag doen. Advies van een ander bevoegd gezag Bij meervoudige aanvragen kan sprake zijn van magneetactiviteiten. Deze activiteiten hebben als het ware een magnetische werking en zijn bepalend voor welke bestuursorgaan bevoegd gezag is. Het gaat om de situatie waarbij één van die activiteiten niet bij de gemeente kan worden neergelegd. De andere activiteiten in de vergunningaanvraag gaan dan mee naar het andere bevoegde gezag (de provincie of het Rijk). Bij activiteiten waarvoor de provincie of het rijk bevoegd gezag is, wordt het college van B&W om advies gevraagd. Bij meervoudige aanvragen kan het college van burgemeester en wethouders dus om advies met instemming (art. 4.10 Ob) worden gevraagd. Het college krijgt hiervoor een voorgenomen beslissing toegestuurd (ontwerpbesluit) en moet daarover binnen 4 weken een advies geven. Een voorbeeld is de IPPC- installatie, een milieubelastende activiteit. Vanwege de complexiteit en de gemeentegrensoverschrijdende milieueffecten zijn Gedeputeerde Staten (GS) bevoegd gezag. Wanneer bijvoorbeeld een aanvraag wordt ingediend voor een IPPC-installatie, waarvoor GS bevoegd gezag zijn, in combinatie met een bouwactiviteit, waarvoor het college bevoegd gezag zijn, trekt de IPPC-installatie als een magneet de bouwactiviteit naar zich toe en zijn GS bevoegd gezag voor de gehele aanvraag.8 Omgevingswet VTH 55, ‘Wat is een magneetactiviteit’, Mr. dr. J.H.G. van den Broek. 6.3.Beoordelingskader Ow 6.3.1.Algemene Maatregel(
- en)van Bestuur (AMvB) De belangrijkste beoordelingskaders van de Ow voor het verlenen van vergunningen en het afhandelen van meldingen zijn de volgende AMvB’s: Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Toepassingsbereik Het Bbl bevat samen met het Bal, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Het Bkl is daarentegen meer gericht op de regels waar de overheid zich aan dient te houden om een veilige en gezonde leefomgeving te kunnen garanderen. Het Ob bevat regels voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving (burgers, bedrijven en overheid). Het gaat om regels over het bevoegd gezag voor vergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering. Het Ob bevat dus geen beoordelingscriteria voor vergunningverlening. Figuur 6 de 4 AMvB’s van de Ow (bron: Staatsblad 2018, 290) Bbl Het Bouwbesluit wordt door de inwerkingtreding van de Ow vervangen door het Bbl. In het Bbl zijn technische bouwvoorschriften opgenomen. Het Bbl bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Daarnaast bevat het Bbl ook regels over asbestverwijdering en mobiel puinbreken. Bovendien staat in het Bbl aangegeven of voor de bouwactiviteit een vergunningplicht of meldingsplicht noodzakelijk is of dat deze vergunningvrij zijn. De Wkb wijst kwaliteitsborgers aan die de bouwtechnische beoordeling van een bouwwerk toetsen aan het Bbl. Hiermee wordt het deel van de bouwtechnische beoordeling (in de eerste fase van de Wkb gedeeltelijk) ondergebracht bij private kwaliteitsborgers. De hoofdstukken van het Bbl zijn gegroepeerd rondom een bepaalde activiteit. Verder geven deze hoofdstukken eisen betreffende algemene bepalingen, bestaande bouw, nieuwbouw, verbouw, verplaatsing en functiewijziging, gebruik, en bouw- en sloopwerkzaamheden. De onderwerpen veiligheid, gezondheid, duurzaamheid, bruikbaarheid, toegankelijkheid en bouwwerkinstallaties, zijn voor zover van toepassing, als afdelingen terug te vinden. Verder neemt het Bbl ook nieuwe maatwerkregels met zich mee, zoals BENG9De BENG-eisen gelden voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. BENG staat hierbij voor “Bijna Energieneutrale Gebouwen”., milieuprestatie (MPG10Er wenst te worden opgemerkt dat de gemeente Cranendonck dit al heeft geïmplementeerd in de huidige werkwijze.) en bruikbaarheid. Binnen onze gemeenten werken we nu ook al met maatwerkvoorschriften om een goede kwaliteit van de leefomgeving na te streven. Gemeenten mogen straks in het Op voor aan te wijzen gebieden hogere eisen stellen aan energie- en milieuprestatie dan het Bbl voorschrijft. Verder worden bestaande instrumenten omgezet in maatwerkvoorschriften, zoals bij de melding brandveilig gebruik, aanschrijving bestaande bouw en bouw- en sloopveiligheid. Bovendien komen er specifieke zorgplichten in het Bbl. Bal Het Activiteitenbesluit komt met de invoering van de Ow te vervallen en de milieuvoorschriften worden voortaan opgenomen in het Bal. Dit besluit bevat algemene Rijksregels voor (milieubelastende) activiteiten in de leefomgeving. Naast de inhoudelijke algemene regels voor milieubelastende activiteiten, lozingsactiviteiten, wateronttrekkingsactiviteiten, mijnbouwactiviteiten, beperkingengebied activiteiten, het bieden van gelegenheid tot zwemmen en baden, en activiteiten die cultureel erfgoed betreffen, zijn bijzondere aandachtspunten: de reikwijdte van de rijksregels, de specifieke zorgplichten, de inzet op maat van doel- en middelvoorschriften en de inzet van maatwerken en gelijkwaardigheid als instrumenten voor flexibiliteit. Uit het Bal vloeien vergunningplichten voort waarvoor de gemeente bevoegd gezag is, deze plichten hebben betrekking op de milieubelastende activiteiten. In totaal zijn er rond de 100 gevallen die onderverdeeld zijn in de volgende activiteiten: activiteiten die bedrijfstakken overstijgen; complexe bedrijven; dienstverlening, onderwijs en zorg; transport, logistiek en ondersteuning daarvan; nutssector en industrie; agrarische sector; sport en recreatie; en defensie en mijnbouw. Zowel de vergunningverlening als het toezicht op deze activiteiten worden voor ons uitgevoerd door de Odzob. Bij binnenkomst gaan aanvragen, meldingen en dergelijke direct naar de Odzob. Na afronding van de besluitvorming komt de zaak terug bij de gemeente ter archivering. Uitsluitend waar hulp van de gemeente nodig is, is contact. Anders niet. Onder de Ow hebben wij de zogenaamde “behandeldiensten” ingesteld. Bkl In het Bkl staan regels voor het Rijk en voor decentrale overheden. De regels gaan over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en monitoring. De omgevingswaarden, die moeten zorgen voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, staan in het Bkl en volgen vooral uit Europese of andere internationale verplichtingen. Bijvoorbeeld over luchtkwaliteit. De instructieregels hebben betrekking op het uitvoeren van taken en het gebruik van instrumenten. De decentrale overheden moeten deze instructieregels van het Rijk volgen. Per instrument is er een hoofdstuk met instructieregels, bijvoorbeeld het instrument Omgevingswaarden, diverse programma’s (o.a. waterbeheerprogramma, stroomgebiedbeheerplan, beheerplan Natura 2000), Op, Waterschapsverordeningen, Omgevingsverordeningen, Omgevingsvergunningen, projectbesluiten, etc. Die instructieregels gaan onder meer over normen en regels voor externe veiligheid, geluid en geur van activiteiten en erfgoed. Wat betreft omgevingsvergunningen, is ook een hoofdstuk met beoordelingsregels opgenomen in het Bkl. Het gaat om activiteiten waarvoor het Rijk een vergunningplicht heeft geregeld, zoals voor omgevingsplanactiviteiten, bouwactiviteiten, milieubelastende activiteiten en rijksmonumentenactiviteiten. De beoordelingsregels geven aan wanneer het bevoegd gezag de vergunning kan verlenen of weigeren. Het bevoegd gezag dient deze beoordelingsregels bij het beoordelen van een aanvraag dan ook te volgen. De beoordelingsregels staan per activiteit geordend. 6.3.2. Invoeringsbesluit/Bruidsschat Het Invoeringsbesluit zorgt voor het overgangsrecht en voor het intrekken of wijzigen van andere besluiten. Het overgangsrecht regelt de overgang van de oude regelgeving naar het nieuwe stelsel van de Ow. Denk hier bijvoorbeeld aan wat de status is van besluiten onder het oude recht. Procedures die onder het oude recht zijn gestart, worden verder afgehandeld onder de Ow. De wijze waarop wordt bepaald in het overgangsrecht. De bruidsschat is een bijzonder onderdeel van het overgangsrecht. Dit is een set met regels die het Rijk over heeft gedragen aan decentrale overheden bij de inwerkingtreding van de Ow. Deze regels zijn onderdeel van het tijdelijke deel van het Op (Op van rechtswege). Deze regels kunnen door de gemeente op elk moment worden aangepast of geschrapt. Op het moment dat het Op (nieuwe stijl) door de gemeente formeel wordt vastgesteld, komt de bruidsschat te vervallen. In principe heeft de gemeente na de inwerkingtreding van de Ow acht jaar de tijd (tot 2031) om alle keuzes met betrekking tot de bruidsschat te maken. Specifiek voor vergunningen en ontheffingen uit de oude regelgeving is er overgangsrecht: Als een vergunning voor een activiteit onder het nieuwe systeem verplicht blijft, is dit een OPA op grond van de Ow; als er geen vergunningplicht meer is, zijn de oude vergunningvoorschriften maatwerkvoorschriften. Het overgangsrecht is van toepassing op zowel vergunningplichten uit de rijksregelgeving als uit decentrale regelgeving. Voor vergunningen is het overgangsrecht geregeld in artikel 4.13 en 4.14 van de Invoeringswet Ow. 6.3.3. Op Met de inwerkingtreding van de Ow worden de verschillende bestemmingsplannen van iedere gemeente vervangen door het tijdelijk deel van het Op voor het gehele grondgebied. Het Op heeft een bredere reikwijdte en een andere opzet: van conservatief naar gericht op ontwikkelmogelijkheden. Het Op voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast kan het ook andere regels bevatten over activiteiten. Het gaat dan om activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. In het tijdelijke deel van het Op zijn onder andere de bestaande bestemmingsplannen, beheers- verordeningen en wijzigings- en uitwerkingsplannen opgenomen (een volledig overzicht is opgenomen in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Ow). Na de inwerkingtreding van de Ow hebben gemeenten 8 jaar de tijd om één gebiedsdekkend Op vast te stellen. De gemeente bepaalt (deels) zelf welke algemene regels, informatie- meldings- of vergunningplichten ze opneemt in het Op. Het Invoeringsbesluit regelt welke regels er van het rijk aan gemeenten worden overgedragen. Verder zullen gemeenten hun regels over de fysieke leefomgeving uit andere (gemeentelijke) verordeningen opnemen in het Op, zoals regels uit de APV die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Ook de bruidsschatregels zijn overgegaan in het tijdelijk deel van het Op. Het college heeft tot 1 januari 2032 de tijd gekregen voor het opstellen van een nieuw Op. Tot die tijd zijn alle bestemmingsplannen en beheerverordeningen opgenomen in het tijdelijke Op. Bij de ontwikkeling van het nieuwe Op worden keuzes gemaakt over de invulling/voortzetting van de bruidsschatregels. De Odzob is als ketenpartner aangesloten. Figuur 7 opbouw Op (bron: VNG) Welstand De gemeente Cranendonck kent een welstandstoets aan de hand van de gemeentelijke welstandsnota. In deze nota staan de welstandscriteria. De welstandskaarten geven weer voor welke gedeelten van de onze gemeente eisen van welstand gelden. Een groot gedeelte van de gemeente is welstandsvrij. De plannen die binnen het welstandsgebied liggen worden voorgelegd bij de A2-adviescommissie (voorheen de erfgoedcommissie en de welstandcommissie). Het advies van deze commissie wordt in de hoofdregel overgenomen, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid hiervan. In het geval dat een bouwplan binnen de grenzen van een beeldkwaliteitsplan (bkp) valt, wordt de aanvraag aan dit plan getoetst. Met de komst van de Ow worden de regels voor een welstandstoets opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van de bruidsschat. De regels gaan daarmee deel uitmaken van het tijdelijk deel van het Op. Op grond van artikel 4.19 Ow, kan de gemeenteraad beleidsregels opstellen als regels over het uiterlijk van bouwwerken uitleg behoeven. Dit betreft dan de Welstandsnota van de gemeente Cranendonck. 6.3.4. Omgevingsregeling (Or) In de Or staat welke informatie een aanvrager van een omgevingsvergunning moet aanleveren bij zijn aanvraag. Dit zijn de aanvraagvereisten. Het hoofdstuk met aanvraagvereisten bestaat naast een algemeen deel dat van toepassing is op elke aanvraag, ook uit een deel met specifieke regels per activiteit. Voorbeelden van deze aanvraagvereisten zijn: een beschrijving van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd; het telefoonnummer van de aanvrager; het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Verder bevat de Or een praktische uitwerking van een aantal regels uit het Bal en het Bbl, bijvoorbeeld voor emissies van dierenverblijven of duurzaamheid van gebouwen. Ook bevat de Or meet- en rekenmethoden. Voor gemeenten betreft het de methoden die moeten worden gebruikt om besluiten te motiveren met betrekking tot het Op, vergunningaanvragen en projectbesluiten. Bijvoorbeeld of een aanvraag voldoet aan de luchtkwaliteitsnorm. 6.4.Omgevingsvergunningen De activiteit bouwen wordt met de invoering van de Ow, middels artikel 5.1, gescheiden in een technisch en ruimtelijk deel. Dat resulteert in twee soorten activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning aangevraagd moet worden, namelijk de OPA en de bouwactiviteit. De verschillende omgevingsvergunningen worden hieronder toegelicht. 6.4.1. Omgevingsvergunning voor de (technische) bouwactiviteit Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit zoals bedoeld in paragraaf 2.3.2 van het Bbl en/of het bouwwerk niet valt onder de Wkb, dan wordt de bouwtechniek van het bouwwerk, op basis van het Bbl, beoordeeld door de gemeente. Paragraaf 2.3.2 van het Bbl regelt de vergunningplichtige bouwactiviteiten. Onder de reikwijdte van de term bouwwerken met een dak en dus van dit artikel vallen bijvoorbeeld bijhorende bouwwerken, overkappingen voor auto’s, transistorhuisjes, een duiventil of een hondenhok.11Nota van toelichting Bbl (Stb. 2022,145). Dit betreft bouwwerken met en zonder dak. Artikel 2.25 Bbl luidt bijvoorbeeld als volgt: “Artikel 2.25 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit: bouwwerken met een dak) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten geldt voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een gebouw of ander bouwwerk met een dak en dat gebouw of andere bouwwerk: niet op de grond staat; hoger is dan 5 m; bij meer dan een bouwlaag, is voorzien van een verblijfsgebied op de tweede bouwlaag of hoger; is voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; of als gevolg van de bouwactiviteit een hoofdgebouw wordt.” 6.4.2. Omgevingsvergunning voor de OPA Een OPA is een activiteit die voldoet aan de regels in het Op, maar waar toch een vergunningplicht voor geldt. Het ruimtelijk bouwen, het in stand houden en het gebruiken van een bouwwerk is in het Op geregeld. De gemeente regelt in het Op voor welke OPA een omgevingsvergunning nodig is. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de locatie van het bouwwerk, de bebouwingsoppervlakte of het uiterlijk. Er zijn diverse OPA’s die hieronder uiteengezet zullen worden gezet. Binnenplanse en buitenplanse OPA’s Onder OPA worden de activiteiten verstaan die passen binnen de beoordelingsregels van het Op en waarvoor in het Op een vergunningplicht is opgenomen. BOPA’s daarentegen, wijken (op onderdelen) af van het Op. Voor dit type aanvragen is het dan nodig om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit aan te vragen. Ook voor deze aanvragen geldt in principe de standaardprocedure van 8 weken. In sommige gevallen kan de uitgebreide procedure van toepassing worden verklaard. Verleende vergunningen moeten binnen 5 jaar nadat deze onherroepelijk is geworden, zijn verwerkt in het Op. Uitzondering hierop is een BOPA die bestaat uit het in stand houden van een bouwwerk, niet overeenstemt met een functie van een locatie en een tijdelijke vergunning, zo bepaalt artikel 4.17 Ow.12 Deze verplichting zal op 1 januari 2032 opgelegd worden. Het wijzigen van het Op is een bevoegdheid van de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft hierbij de bevoegdheid om het college van B&W te delegeren in hiervoor aangewezen gevallen. Ook voor dit onderdeel heeft de gemeenteraad een lijst vastgesteld met hierheen de gevallen waarvoor het college gedelegeerd is. OPA voor het bouwen van een bouwwerk Een beoordeling van een aanvraag OPA die bestaat uit bouwen, ziet onder andere toe op de juridische aspecten van een bouwwerk. Voorheen was dit de bestemmingsplantoets, nu is dit de beoordeling aan het Op. De vergunningvrije OPA’s met betrekking tot het bouwen van een bouwwerk zijn omschreven in artikel 22.26 van de bruidsschat. De gemeente bepaalt (deels) zelf in welke mate ze ook de OPA’s die bestaan uit bouwen vergunningvrij, meldingsplichtig of vergunningplichtig maakt. Dit gaan wij in de aankomende jaren bepalen. OPA voor het slopen van een bouwwerk De sloopactiviteit heeft vaak een relatie tot andere activiteiten zoals eronder uiteengezet, denk hierbij aan het volgende: Een sloopactiviteit gaat in veel gevallen samen met een bouwactiviteit; is het bouwwerk dat wordt gesloopt een rijksmonument? Dan gelden voor het slopen de regels voor de rijksmonumentenactiviteit; de gemeente kan in het Op extra regels stellen. Bijvoorbeeld ter bescherming van een stads- en dorpsgezicht. Of om te voorkomen dat open ruimten in bebouwing ontstaan. OPA voor monumenten, beschermd stads- of dorpsgezichten, overig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Bij aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten, wordt beoordeeld of er geen onomkeerbare schade wordt toegebracht aan gemeentelijk cultuurhistorisch erfgoed. De gemeente Cranendonck kent wat betreft het beoordelingskader verschillende regelingen. Voorheen werden de stads- en dorpsgezichten in de bestemmingsplannen gewaarborgd. Ook kent de gemeente een welstandsnota met bijbehorende kaart, een beschermd dorpsgezicht kaart en als laatste maakt de gemeente ook gebruik van een erfgoedkaart of een beschermd dorpsgezicht kaart. Dit is nu allemaal geregeld in het Op. Ook de bruidsschat bevat daarnaast aanvraagvereisten met betrekking tot het ontsieren, slopen of veranderen van monumenten. Het betreft monumenten of beschermde stads- en dorpsgezichten. Overige omgevingsplanactiviteiten (bruidsschat) De bruidsschat bevat aanvraagvereisten en beoordelingsregels voor onder andere de volgende vergunningplichtige activiteiten. Deze activiteiten kunnen gekoppeld zijn aan lokale verordeningen en regelingen: omgevingsplanactiviteit: Plaatsen van voorwerpen op (of aan) de weg; omgevingsplanactiviteit: Aanleggen of veranderen weg; en omgevingsplanactiviteit: Kappen van bomen of vellen van houtopstanden. 6.4.3. Omgevingsplanactiviteit voor een handelingen met betrekking tot een rijksmonument Een rijksmonumentactiviteit kan worden gezien als een aanvulling op de omgevingsplanactiviteit voor monumenten en betreft een activiteit “inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht”. Onder rijksmonumenten worden monumenten en archeologische monumenten verstaan die volgens de Erfgoedwet in het rijksmonumentenregister zijn ingeschreven. De regels over de rijksmonumentenactiviteit en over cultureel erfgoed staan in de Ow, het Bkl, het Bal, het Bbl, de Or, het overgangsrecht van de Invoeringswet Ow en het Op van rechtswege (via de bruidsschat). Onder beschermde rijksmonumenten worden monumenten of archeologische monumenten verstaan die in het rijksmonumentenregister staan ingeschreven, maar waarvoor de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) het ontwerp besluit tot aanwijzing als rijksmonument al naar de eigenaar heeft gestuurd. Artikel 13.7 Bal bevat een specifieke zorgplicht om beschadiging en vernieling aan een rijksmonument te voorkomen. Een bouwactiviteit die van invloed is op, of een rijksmonument betreft, is dan ook een rijksmonumentactiviteit. De A2-adviescommissie (voorheen de erfgoedcommissie en de welstandcommissie) adviseert onder andere de gemeente Cranendonck wanneer er wijzigingen (gaan) plaatsvinden in of aan monumenten. Verder hebben wij een eigen adviseur erfgoed. Daarnaast moet ook de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) om advies worden gevraagd bij een ingrijpende activiteit. Bij desbetreffende activiteiten dient de “Erfgoedverordening Cranendonck 2017” in acht te worden genomen. 6.4.4. Milieubelastende activiteiten Een milieubelastende activiteit wordt gezien als een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Denk hierbij aan: een opslag van mest, grond, baggerspecie of koolstofdioxide in de bodem; lozing van afvalwater op oppervlaktewater; geluid; de opslag van gevaarlijke stoffen; of het uitbaten van een SEVESCO of IPPC-installatie. In hoofdstuk 3 van het Bal zijn de milieubelastende activiteiten waarvoor algemene regels aangewezen en is bepaald in welke gevallen er daarnaast een vergunningplicht geldt. Het gaat in totaal om circa 100 gevallen. In de bruidsschat zijn tevens een aantal vergunningplichtige milieubelastende activiteiten opgenomen die zijn geland in het tijdelijk Op. Dit betreft activiteiten zoals: verwerken polyesterhars; installeren gesloten bodemenergiesysteem; het kweken van maden van vliegende insecten; opslaan propaan of propeen; tanken met LPG; antihagelkanonnen; biologische agens; genetisch gemodificeerde organismen; opslaan dierlijke meststoffen; lozen in de bodem (Vangnetvergunning); en lozen in schoonwaterriool (Vangnetvergunning). 6.4.5. Maatwerkvoorschriften De mogelijkheid tot maatwerkvoorschriften wordt geboden middels het Bal en het Bbl. Er kan worden gesproken van twee typen maatwerkvoorschriften: gekoppeld aan vergunning, dan is een maatwerkvoorschrift een vergunningvoorschrift; een separaat maatwerkbesluit (los van een vergunning). Met een maatwerkvoorschrift kan de gemeente afwijken van algemene regels. De gemeente kan met maatwerkvoorschriften bijvoorbeeld: algemene regels nader invullen of aanvullen; eisen opstellen die strenger of minder streng zijn dan de algemene regels; en afwijken van een verbod in algemene regels. Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift gebruiken voor bijvoorbeeld onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden of het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het maatwerkvoorschrift kan ambtshalve worden opgesteld of op verzoek. In paragraaf 4.3.2 van de Ow zijn algemene uitgangspunten die zaken als veiligheid en het beschermen van de gezondheid in het kader van maatwerkvoorschriften waarborgen. Daarnaast zijn er ook specifieke uitgangspunten, zoals toegankelijkheid van bouwwerken voor mensen met een functiebeperking en het toepassen van de best beschikbare technieken. Maatwerkvoorschriften zijn niet onbeperkt mogelijk. Beoordelingsregels voor vergunningen en de eisen aan vergunningvoorschriften gelden vaak ook voor maatwerkvoorschriften. De mogelijkheden zijn aangeduid in het Bal en Bbl. 6.4.6. Gelijkwaardige maatregel Uit artikel 4.7, eerste lid, van de Ow blijkt dat middels een voorgeschreven maatregel (zoals een technische bouw eis in het Bbl) toestemming kan worden verleend om in plaats daarvan een gelijkwaardige maatregel te treffen. Hiermee worden de regels waaruit een vergunningplicht voortvloeit bedoeld. Wat belangrijk is, is dat de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Wat betreft maatregelen op het gebied van omgevingsveiligheid dient het doel te zijn, het beschermen van mensen in gebouwen tegen de effecten van een van buiten komende brand of explosie. Bijvoorbeeld een opvanggeul voor uitstromende brandbare vloeistoffen die soms gelijkwaardig of beter beschermd dan een brandwerende gevel (wat eigenlijk de technische eis is). De gelijkwaardige regel wordt opgenomen als extra voorschrift