Beleidsregels van de provincie Noord-Holland inzake de toepassing van de in artikel 13.5 van de Omgevingswet en artikel 4.5 van de Omgevingswet juncto artikel 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen bevoegdhedenGedeputeerde Staten van Noord-Holland Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht Overwegende dat: Gedeputeerde Staten gelet op het bepaalde in artikel 13.5 en artikel 4.5 van de Omgevingswet in de in artikel 8.5 en 8.6 van het Omgevingsbesluit aangewezen gevallen, voor zover zij ten aanzien van de daar genoemde activiteiten bevoegd gezag zijn, het voorschrift aan een omgevingsvergunning kunnen verbinden, dat degene die een activiteit verricht financiële zekerheid stelt dan wel de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid bij maatwerkvoorschrift kunnen opleggen; Gedeputeerde Staten bij het toepassen van deze bevoegdheid een doorslaggevend gewicht toekennen aan het beginsel ‘de vervuiler betaalt’; Gedeputeerde Staten het van belang achten dat consistent en transparant is, welke eisen daarbij aan de hoogte en de vorm van de te stellen zekerheid gesteld worden; Gedeputeerde Staten bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet streven naar een uitvoerbare implementatie van de met de Omgevingswet in te voeren regeling over financiële zekerheidstelling; Besluiten: vast te stellen Beleidsregels van de provincie Noord-Holland inzake de toepassing van de in artikel 13.5 van de Omgevingswet en artikel 4.5 van de Omgevingswet juncto artikel 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen bevoegdheden (Beleidsregels financiële zekerheid Omgevingswet) Paragraaf1.Algemene bepalingen Artikel1.Begripsomschrijvingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: BBT-conclusies: document met de conclusies over best beschikbare technieken, vastgesteld in overeenstemming met artikel 13, vijfde en zevende lid, van de richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L 334); berekende bedrag: het bedrag dat: overeenkomstig dat met toepassing van de methodiek Berenschot is bepaald; of overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.10, tweede lid, aanhef en onder b tot en met d, of lid 3, van het Omgevingsbesluit is bepaald; bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat met toepassing van de in artikel 13.5 van de Omgevingswet en artikel 4.5 van de Omgevingswet juncto artikel 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen bevoegdheden de verplichting tot stellen van een financiële verplichting kan opleggen, met inbegrip van de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort; Concern: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een daar in functioneel opzicht mee gelijk te stellen samenwerkingsverband van ondernemingen; drempelbedrag: het bedrag, genoemd in artikel 3, eerste lid; financiële risico: het risico dat het bevoegd gezag gemaakte herstelkosten of nalevingskosten niet kan verhalen; geboden beschermingsniveau: een beschermingsniveau voor de leefomgeving geboden door de maatregelen conform de best beschikbare technieken als beschreven in de BBT-conclusies of de maatregelen die het bevoegd gezag met toepassing van artikel 8.30, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving aan de omgevingsvergunning heeft verbonden of gaat verbinden; handreiking: de meest recente versie van de “Handreiking financiële zekerheid ingevolge artikel 13.5 van de Omgevingswet”; herstelkosten: de kosten die het bevoegd gezag maakt bij het herstel van schade aan de fysieke leefomgeving als gevolg van de activiteit, als bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, aanhef en onder b, en vierde lid, van de Omgevingswet; kostencomponenten: de kostencomponenten van de methodiek Berenschot; majeure risico activiteit: het exploiteren van een Seveso-inrichting of een ippc-installatie als bedoeld in 8.6, tweede lid, aanhef en onder e of f, van het Omgevingsbesluit; methodiek Berenschot: de methodiek, beschreven in hoofdstuk 3 van de handreiking; nalevingskosten: de kosten die het bevoegd gezag maakt voor het nakomen van verplichtingen die op grond van de omgevingsvergunning gelden voor degene die de activiteit verricht, als bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, aanhef en onder a, en vierde lid van de Omgevingswet; vastgestelde bedrag: het berekende bedrag na aftrek van de eventueel daarop te betrekken matiging als bedoeld in artikel 6. Artikel2.Reikwijdte Deze beleidsregels zijn van toepassing: op aanvragen om omgevingsvergunning en omgevingsvergunningen waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn; indien Gedeputeerde Staten bevoegd zijn om maatwerkvoorschriften te stellen. Paragraaf2.Bepalen van het bedrag en de juridische van de zekerheidstelling Artikel 2a. Bestaande situaties 1. De artikelen 3 tot en met 7 van deze paragraaf zijn niet van toepassing voor zover financiële zekerheid wordt gesteld: voor het nakomen van verplichtingen die op grond van de omgevingsvergunning gelden indien degene die de activiteit verricht, al in gebreke is bij het nakomen van die verplichtingen; of ter dekking van de aansprakelijkheid van degene die de activiteit verricht voor al bestaande schade aan de fysieke leefomgeving. 2. In een geval als bedoeld in het eerste lid, geldt, voor zover van toepassing in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 8.8 en 8.10, tweede lid, onder a, van het Omgevingsbesluit, voor het bepalen van het bedrag waarvoor zekerheid wordt gesteld als uitgangspunt de totale hoogte van: de nalevingskosten; of de herstelkosten. 3. Indien sprake is van een geval als bedoeld in het eerste lid, bepaalt het bevoegd gezag in het vergunningvoorschrift over financiële zekerheid dat het bedrag waarvoor zekerheid wordt gesteld, per kalenderjaar wordt aangepast conform de ontwikkeling van de CBS-inputprijsindex Grond-, weg- en waterbouw (2020=100), deelgebied 4312 Bouwrijp maken van terreinen. Artikel3.Toets aan het drempelbedrag (uitgangspunt 1) 1.Indien sprake is van een geval als bedoeld in artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit, maakt het bevoegd gezag in ieder geval van de in artikel 13.5, eerste lid, of artikel 4.5 van de Omgevingswet opgenomen bevoegdheid gebruik, indien de som van de kosten van afvoer en verwerking van de stoffen die op grond van de omgevingsvergunning of op grond van een rechtstreeks werkende bepaling bij of krachtens de Omgevingswet aanwezig mogen zijn, groter of gelijk is aan € 100.000. 2.De in het eerste lid bedoelde kosten van afvoer en verwerking worden berekend: aan de hand van de toepasselijke normbedragen in het tabblad tarieven van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (www.lma.nl); door uitsluitend rekening te houden met de kosten van afvoer en verwerking van stoffen, niet met de eventuele opbrengst van die stoffen. 3.Indien het in het eerste lid bedoelde drempelbedrag niet wordt overschreden, kan het bevoegd gezag van de in artikel 13.5 of artikel 4.5 van de Omgevingswet opgenomen bevoegdheid gebruik maken indien specifieke feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven. 4.Van de in het vorige lid bedoelde feiten en omstandigheden is in ieder geval sprake indien degene die de activiteit verricht: onvoldoende blijk geeft van een op beheersing van de relevante risico’s gerichte bedrijfsvoering; of, de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften of de op milieubelastende activiteiten van toepassing zijnde algemeen verbindende voorschriften onvoldoende naleeft. Artikel4.De methodiek Berenschot (uitgangspunt 2) 1.Indien geen sprake is van een geval als bedoeld in artikel 8.10, tweede lid aanhef en onder b tot en met d, en lid 3, van het Omgevingsbesluit, een ontgrondingsactiviteit of een wateractiviteit, bepaalt het bevoegd gezag de hoogte van de stellen financiële zekerheid bepaald aan de hand met een berekening met de methodiek Berenschot en door op de bij uitgangspunt 3 beschreven wijze rekening te houden met de in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit opgenomen criteria. 2.Indien de toepassing van de methodiek Berenschot leidt tot een uitkomst waarbij de som van de drie kostencomponenten geringer is dan het in het volgende lid genoemde bedrag, wordt het in dat lid genoemde bedrag als uitkomst van de toepassing van de methodiek Berenschot beschouwd. 3.Gelet op de bij het toepassen van bestuursdwang redelijkerwijs te verwachten kosten bedraagt het in het vorige lid bedoelde bedrag: € 100.000 indien de in artikel 13.5, eerste lid, van de Omgevingswet opgenomen bevoegd gebruikt kan of dient te worden in verband of mede in verband met een majeure risico activiteit; € 50.000 in alle andere gevallen. Artikel5.Invulling van de in artikel 8.8 van de Omgevingswet genoemde criteria (uitgangspunt 3) 1.Ten aanzien van het in artikel 8.8, aanhef en onder a, van het Omgevingsbesluit genoemde criterium (draagkracht) gaat het bevoegd gezag overeenkomstig de in hoofdstuk 4 van de handreiking daarvoor beschreven werkwijze na, of degene die de activiteit verricht gedurende tenminste de eerste vijf jaar waarin het te stellen voorschrift over financiële zekerheid van kracht kan zijn, in staat is om zelf de nalevingskosten en de herstelkosten te dragen of deze aan het bevoegd gezag te vergoeden. 2.Het bevoegd gezag houdt met de in artikel 8.8, aanhef en onder b en c (de aanwezigheid en de aard van de stoffen en maximaal verwachte schade), van het Omgevingsbesluit genoemde criteria rekening door toepassing van de methodiek Berenschot. 3.Ten aanzien van het in artikel 8.8, aanhef en onder d, van het Omgevingsbesluit genoemde criterium (technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen) houdt het bevoegd gezag uitsluitend rekening met de technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen: die niet reeds betrokken zijn in de toepassing van de methodiek Berenschot; die een hoger dan geboden beschermingsniveau bieden; waarvan de effectiviteit geborgd is gedurende een incident of een verstoring van de bedrijfscontinuïteit, waaronder een faillissement. 4.Het bevoegd gezag houdt met het in artikel 8.8, aanhef en onder e, van het Omgevingsbesluit genoemde criterium (verhouding tussen het risico op schade aan de leefomgeving en de kosten van het stellen van de financiële zekerheid) rekening door: de in artikel 3 beschreven toets aan het drempelbedrag; en, door na te gaan of de kosten van het stellen van een financiële zekerheid hoger zijn dan 5 % van het berekende bedrag, voor zover degene die de activiteit verricht voldoende maatregelen heeft getroffen om de kans op schade aan de leefomgeving zo gering mogelijk te houden. Van voldoende maatregelen is in ieder geval geen sprake indien een lager beschermingsniveau voor de leefomgeving geboden wordt dan het geboden beschermingsniveau. 5.Het bevoegd gezag houdt met het in artikel 8.8, aanhef en onder f, van het Omgevingsbesluit genoemde criterium (nalevingsgedrag) rekening door: na te gaan of degene die de activiteit verricht, een compliance management strategie heeft ingevoerd die qua inhoud, navolging, evaluatie en bijstelling daarvan in voldoende mate daadwerkelijk bijdraagt aan een verkleining van het risico op schade; en voor zover dit niet het geval is, na te gaan in welke mate de overtredingen van degene die de activiteit verricht, redelijkerwijs kunnen duiden op een verhoogd risico op schade aan de leefomgeving. Artikel6.Weging van de in artikel 8.8 van de Omgevingswet genoemde criteria (uitgangspunt 3, vervolg) 1.Indien het bevoegd gezag bij het gebruik van de in artikel 13.5, eerste lid, of artikel 4.5 van de Omgevingswet opgenomen bevoegdheid rekening houdt met de in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit genoemde criteria, kan dit overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden aanleiding geven tot een matiging van in totaal maximaal 25 % van het berekende bedrag. 2.Het bevoegd gezag besluit in ieder geval niet tot de in het eerste lid bedoelde matiging indien: geen sprake is van een ingevoerde compliance management strategie als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder a; of, de overtredingen van degene die de activiteit verricht, redelijkerwijs kunnen duiden op een verhoogd risico op schade aan de leefomgeving. 3.De in het eerste lid bedoelde matiging bedraagt ten hoogste: 25 % van het berekende bedrag indien degene die de activiteit verricht, gelet op het bepaalde in artikel 5, eerste lid, gedurende de eerste vijf jaar waarin het te stellen voorschrift over financiële zekerheid van kracht kan zijn, redelijkerwijs in staat kan worden geacht om zelf de nalevingskosten en de herstelkosten te dragen of deze aan het bevoegd gezag te vergoeden; 20 % van het berekende bedrag indien de technische en bedrijfsorganisatorisch veiligheidsmaatregelen als bedoeld in artikel 5, derde lid, aanhef en onder a tot en met c, het risico op schade aan de fysieke leefomgeving in significante mate beperken; 20 % van het berekende bedrag indien de kosten van het stellen van een financiële zekerheid hoger zijn dan 5 % van het berekende bedrag en degene die de activiteit verricht, voldoende maatregelen heeft getroffen als bedoeld in artikel 5, vierde lid, aanhef en onder b. Artikel7.Randvoorwaarden ten aanzien van de te stellen financiële zekerheid (uitgangspunt 4) 1.Van voldoende zekerheid als bedoeld in artikel 8.9, tweede lid, van het Omgevingsbesluit is in ieder geval geen sprake indien de financiële zekerheid niet voldoet aan het in de volgende leden gestelde eisen. 2.De hoogte van de te stellen financiële zekerheid is tenminste gelijk aan de hoogte van het vastgestelde bedrag. 3.De financiële zekerheid moet tijdig gesteld zijn in die zin, dat: indien de activiteit in verband waarmee zij gesteld moet zijn nog niet is gestart, de financiële zekerheid uiterlijk gesteld moet worden op het moment waarop de activiteit aanvangt; indien de activiteit in verband waarmee zij gesteld moet worden reeds gestart is, de financiële zekerheid uiterlijk gesteld moet worden op het moment waarop het vergunningvoorschrift op grond waarvan zij gesteld moet worden, in werking treedt. 4.De rechtspersoon waartoe het bevoegd gezag behoort kan de kosten als bedoeld in artikel 13.5, vierde lid, van de Omgevingswet in verband waarmee de financiële zekerheid is gesteld, op zijn eerste schriftelijke aanzegging en zonder vertraging verhalen rechtstreeks op de financiële zekerheid. Enig doen of nalaten door degene die de activiteit verricht, beperkt de feitelijke en juridische mogelijkheden voor dit kostenverhaal niet. 5.Het in het vorige lid bedoelde kostenverhaal blijft nog tenminste twee jaar mogelijk vanaf het moment waarop degene die de financiële zekerheid stelt, de daarmee gemoeide kosten niet meer betaalt. Het bepaalde in dit lid is niet van toepassing als het bepaalde in artikel 8.11, derde of vierde lid, van het Omgevingsbesluit van toepassing is. 6.De partij waarbij door degene die de activiteit verricht de financiële zekerheid gesteld wordt, beschikt: over een kredietwaardigheid van 1, 2 of 3 volgens de systematiek van de ‘credit quality steps’ van de European Banking Authority, of een daaraan gelijkwaardige kredietwaardigheid; ten behoeve van het inroepen van de zekerheid door het bevoegd gezag over een correspondentieadres in Nederland. 7.De financiële zekerheid is uitsluitend gesteld naar Nederlands recht. Uitsluitend de Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot de zekerheid. 8.Een incident, een continuïteitsprobleem – met inbegrip van faillissement, surseance van betaling of een daarmee gelijk te stellen situatie – of een herstructurering van degene die de zekerheid dient te stellen of het concern waartoe hij behoort: verkleint de kans op succesvol verhaal van de in het vierde lid bedoelde kosten op de gestelde financiële zekerheid niet; en, heeft niet tot gevolg dat de financiële zekerheid niet meer voldoet aan de niet meer aan de in het tweede tot en met zevende lid daaraan gestelde eisen. Paragraaf3.Invoering Omgevingswet Artikel8.De jaren 2024 en 2025 Gereserveerd (nader uit te werken pilotfase) Artikel9.Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na publicatie in het Provinciaal Blad. Artikel10.Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels financiële zekerheid Omgevingswet provincie Noord-Holland Haarlem, 19 december 2023Gedeputeerde Staten van Noord-Holland,A.T.H. van Dijk, voorzitterM.J.H. van Kuijk, provinciesecretaris Namens Gedeputeerde Staten van Noord-HollandM.J.H. van Kuijk, provinciesecretarisHandreiking financiële zekerheid ingevolge artikel 13.5 van de Omgevingswet Definitief, augustus 2023 1. Inleiding 1.1. Aanleiding Tot 9 november 2009 was het Besluit financiële zekerheid milieubeheer van kracht. Met dit besluit konden bevoegd gezagen in bepaalde gevallen aan de houder van een milieuvergunning de verplichting opleggen om financiële zekerheid te stellen voor ‘de nakoming van vergunningverplichtingen’, ‘de aansprakelijkheid voor schade aan de bodem’ of ‘het beheer van afvalstoffen na beëindiging van de activiteiten in die inrichting”. Met het stellen van een financiële zekerheid wordt een (al dan niet: eventuele) toekomstige betaling van een geldsom verzekerd.1In de zin van zekergesteld. Het hoeft niet te gaan om een verzekering in de zin van een verzekeringsovereenkomst. De categorieën van gevallen waarin de verplichting tot zekerheidsstelling opgelegd kon worden, waren: Inrichtingen, aangewezen in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer waarbij sprake is van een aanvaardbaar risico dan wel een tijdelijk verhoogd of hoog risico op verontreiniging van de bodem als bedoeld in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (informatiecentrum Milieuvergunningen, uitgave 2001); Inrichtingen waarop paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing was, indien de schade voortvloeit uit brand of ontploffing. Inrichtingen waarin chemicaliën zijn opgeslagen met een opslagcapaciteit van meer dan 10 ton, voor zover deze chemicaliën vallen onder de werking van de CPR (Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke stoffen) – richtlijn 15–2, indien de schade voortvloeit uit brand of ontploffing. Inrichtingen waarin gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn opgeslagen met een opslagcapaciteit van meer dan 400 kg, voor zover deze gewasbeschermingsmiddelen of biociden vallen onder de werking van de CPR (Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke stoffen) – richtlijn 15–3, indien de schade voortvloeit uit brand of ontploffing. Stuwadoorinrichtingen, waar stoffen die bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten zijn ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet uit zeeschepen worden op- of overgeslagen, indien de schade voortvloeit uit brand of ontploffing. Inrichtingen waarin vloeibare aardolieproducten met een vlampunt kleiner dan 100 °C zijn opgeslagen, met een opslagcapaciteit van meer dan 10 ton, indien de schade voortvloeit uit brand of ontploffing. Inrichtingen waarop categorie 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit van toepassing is (afvalbeheer) en de kosten van beheer van afvalstoffen meer dan € 10.000,- bedragen. Per 9 november 2009 werd het Besluit financiële zekerheid milieubeheer ingetrokken. In de Nota van Toelichting van het intrekkingsbesluit2Zie Staatsblad 2009, 406 klinkt door dat sterk getwijfeld werd aan het nut van het besluit: “De kans dat het bevoegd gezag werkelijk voor de kosten voor het herstel van milieuschade opdraait, die voorheen gedekt werden door financiële zekerheid op basis van het Besluit financiële zekerheid, lijkt klein. Het Besluit financiële zekerheid is op 1 mei 2003 in werking getreden. In de 6 jaar tijd dat het besluit in werking was, hebben zich – voorzover bekend – geen milieuschadegevallen voorgedaan, waarbij voor het herstel van de milieuschade een beroep is gedaan op de financiële zekerheid die op basis van het Besluit financiële zekerheid in de Wm-vergunning was opgelegd.” In de daaropvolgende jaren hebben bevoegde gezagen diverse malen substantiële kosten moeten maken om (al dan niet: dreigende) schade aan de leefomgeving ten gevolge van milieubelastende activiteiten te herstellen. Landelijke bekendheid kregen onder meer de opruimkosten van de brand bij Chemie-Pack in Moerdijk en het saneren van het bedrijfsterrein van het failliete Thermphos in Vlissingen. Daarnaast blijkt uit een quickscan van IPO dat bevoegde gezagen van 2015 tot en met najaar 2018 tenminste € 24 miljoen aan kosten hebben moeten maken om schade aan de leefomgeving ten gevolge van afvalverwerkingsactiviteiten weg te nemen.3https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/brieven/2019/01/18/bijlage-1-bij-brief-ipo-quickscan-financiele-zekerheidstelling/bijlage-1-bij-brief-ipo-quickscan-financiele-zekerheidstelling.pdf Al met al reden om op grond van de Omgevingswet bevoegde gezagen de bevoegdheid te geven om van bedrijven voor zogenoemde majeure risico activiteiten4Bedoeld is: het exploiteren van een Seveso-inrichting als bedoeld in artikel 3.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het exploiteren van een ippc-installatie als bedoeld in artikel 3.72 van het Besluit activiteiten leefomgeving. en bepaalde afvalverwerkingsactiviteiten5Zie artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit. een financiële zekerheid te verlangen. 1.2. Het instrument financiële zekerheid in de Omgevingswet Na inwerkingtreding van de Omgevingswet kan het bevoegd gezag in bepaalde gevallen aan omgevingsvergunningen een voorschrift te verbinden, op grond waarvan degene die een specifieke activiteit verricht, een financiële zekerheid moet stellen: voor het nakomen van verplichtingen die op grond van de omgevingsvergunning voor hem gelden (denk bijvoorbeeld aan: het uitvoeren van onderhoud of het laten keuren van installaties); of, ter dekking van zijn aansprakelijkheid voor schade aan de fysieke leefomgeving (denk bijvoorbeeld aan: bodemherstel) ten gevolge van die activiteit. Voor bepaalde, in artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit genoemde, vergunningvrije activiteiten kan de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid via een maatwerkvoorschrift opgelegd worden. Worden de op grond van de omgevingsvergunning geldende verplichtingen niet nageleefd of ontstaat schade aan de fysieke leefomgeving? Dan kan het bevoegd gezag bestuursdwang toepassen zodat de verplichtingen worden nagekomen of de schade wordt hersteld te herstellen. Als de overtreder geen verhaal biedt (bijvoorbeeld ten gevolge van faillissement) kan het bevoegd gezag de bestuursdwangkosten vervolgens geheel of gedeeltelijk verhalen op de gestelde financiële zekerheid.6Ook de kosten die het bevoegd gezag maakt om dreigende milieuschade te voorkomen, kunnen verhaald worden op een gestelde zekerheid, mits die milieuschade dreigt omdat een 'op grond van de omgevingsvergunning geldende verplichting niet wordt nageleefd' (zie artikel 13.5, eerste lid, aanhef en onder a, en vierde lid van de Omgevingswet). Het bevoegd gezag kan het te verhalen bedrag invorderen bij dwangbevel.7Zie artikel 13.5, vierde lid, van de Omgevingswet In deze handreiking wordt gesproken over nalevingskosten en herstelkosten. Nalevingskosten zijn kosten die het bevoegd gezag maakt ‘voor het nakomen van verplichtingen die op grond van de omgevingsvergunning’ voor de vergunninghouder gelden.8Zie artikel 13.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.Herstelkosten zijn kosten diehet bevoegd gezag maakt bij het herstel van ‘schade aan de fysieke leefomgeving als gevolg’ van de activiteit in verband waarmee de zekerheid gesteld is.9Zie artikel 13.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet. De hoofdregel luidt dat bestuursdwangkosten, en dus ook de nalevingskosten en herstelkosten, ten laste komen van de overtreder.10Zie artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht. Wel moet de beschikking waarmee de last onder bestuursdwang is opgelegd, aankondigen dat de bestuursdwangkosten ten laste van de overtreder worden gebracht. Als die overtreder samenvalt met ‘degene die de activiteit verricht’ als bedoeld in artikel 13.5 van de Omgevingswet, kan het bevoegd gezag de herstelkosten en nalevingskosten bij dwangbevel verhalen op de gestelde financiële zekerheid. Zie verder het stappenplan opgenomen in Bijlage 4. De regeling over financiële zekerheid is verder uitgewerkt in afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit: het bevoegd gezag kan voor de in artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit aangewezen activiteiten de verplichting tot het stellen van een financiële zekerheid opleggen; het bevoegd moet voor de in artikel 8.6 van het Omgevingsbesluit aangewezen activiteiten aangewezen die verplichting opleggen. Op grond van de “kan-bepaling” van artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit zijn de volgende afvalverwerkende activiteiten aangewezen: Artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit, aanhef en onder: Afvalverwerkende activiteit d. het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.40d van het Besluit activiteiten leefomgeving; e. het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in artikel 3.41, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; f. het exploiteren van een zuiveringsvoorziening voor het zuiveren van ingezameld of afgegeven afvalwater, bedoeld in artikel 3.41, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; g. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; h. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van ongevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; i het exploiteren van een ippc-installatie voor het tijdelijk opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, be- doeld in artikel 3.78, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving; j. het exploiteren van een ippc-installatie voor het ondergronds opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving; k. het exploiteren van een ippc-installatie voor de destructie of het verwerken van kadavers of dierlijk afval, bedoeld in artikel 3.81 van het Besluit activiteiten leefomgeving; l. het exploiteren van een ippc-installatie voor het storten van afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; m. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; n. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalvoorziening, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving; o. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of het nuttig toepassen van afvalstoffen in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in artikel 3.87 van het Besluit activiteiten leefomgeving; p. het demonteren van ingezamelde of afgegeven autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen, bedoeld in artikel 3.152 van het Besluit activiteiten leefomgeving; q. het voorbehandelen van ingezameld of afgegeven rubberafval of kunststofafval voor verdere recycling, bedoeld in artikel 3.159 van het Besluit activiteiten leefomgeving; r. het voorbehandelen van ingezameld of afgegeven metaalafval voor verdere recycling, bedoeld in artikel 3.163 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en s. het verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.184 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor vergunningvrije, in artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit genoemde, activiteiten geldt, dat de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid met een maatwerkvoorschrift opgelegd kan worden: in artikel 2.13, vijfde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn daartoe de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften van (onder meer) afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing verklaard. 11Op grond van artikel 4.5, eerste lid, van de Omgevingswet kunnen onderwerpen worden aangewezen waarvoor het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen of voorschriften aan een omgevingsvergunning kan verbinden. In artikel 2.13, vijfde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn vervolgens de in afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit opgenomen regels over financiële zekerheid aangewezen. Voor het stellen van maatwerkvoorschriften over financiële zekerheid, geldt dus niet artikel 13.5 van de Omgevingswet als formeel-wettelijke grondslag. Ten behoeve van de leesbaarheid wordt in deze handreiking alleen gesproken over vergunningvoorschriften over de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid. Als het gaat om vergunningvrije, in artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit genoemde, activiteiten, worden dan ook maatwerkvoorschriften bedoeld. Op grond van de “moet-bepaling” van artikel 8.6 van het Omgevingsbesluit zijn de volgende activiteiten van majeure risicobedrijven aangewezen: Artikel 8.6 van het Omgevingsbesluit, aanhef en onder: Majeure risicobedrijven e. het exploiteren van een Seveso-inrichting als bedoeld in artikel 3.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving; f. het exploiteren van een ippc-installatie als bedoeld in artikel 3.72 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Is een activiteit zowel in artikel 8.5 als in artikel 8.6 aangewezen, dan is alleen artikel 8.6 van toepassing, zo volgt uit artikel 8.6a van het Omgevingsbesluit. 1.3. Doel en opzet van deze handreiking Deze handreiking is opgesteld voor de bevoegde gezagen, omgevingsdiensten en hun medewerkers die de in het Omgevingsbesluit opgenomen regeling over financiële zekerheid uitvoeren. De handreiking beschrijft stap-voor-stap hoe bevoegde gezagen om kunnen gaan met hun bevoegdheid tot het opleggen van de verplichting tot het stellen van een financiële zekerheid. De handreiking is daarbij vooral toegespitst op de majeure risico activiteiten en afvalverwerkende activiteiten. De handreiking is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 beschrijft hoe het bevoegd gezag aan de hand van artikel 8.5 (de “kan-bepaling”) en artikel 8.6 (de “moet-bepaling”) van het Omgevingsbesluit kan nagaan of een verplichting tot het stellen van een financiële zekerheid opgelegd moet of kan worden. Is een activiteit aangewezen op grond van artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit, dan kan het bevoegd gezag met de in hoofdstuk 2 beschreven toets aan het drempelbedrag nagaan of het opleggen van de verplichting opportuun is. Hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 beschrijven hoe de hoogte van het bedrag van de te stellen financiële zekerheid bepaald kan worden. In hoofdstuk 3 is daartoe voor de majeure risico activiteiten en de afvalverwerkende activiteiten een door Berenschot ontwikkelde methodiek opgenomen. In hoofdstuk 4 is beschreven hoe het bevoegd gezag voor de op grond van artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit aangewezen gevallen aan de hand van de in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit opgenomen criteria kan bepalen of het berekende bedrag voor (vaak: tijdelijke) matiging in aanmerking komt. Hoofdstuk 5 beschrijft hoe het bevoegd gezag vervolgens de vorm van de te stellen financiële zekerheid kan beoordelen. Hiertoe bevat hoofdstuk 5 een aantal randvoorwaarden voor de te stellen financiële zekerheid. Uitgangspunt is, dat de te stellen zekerheid ‘voldoende zekerheid’12Zie artikel 8.9, tweede lid, van het Omgevingsbesluit. moet bieden, ook bij bijvoorbeeld in geval van faillissement of surseance van betaling van de vergunninghouder. Hoofdstuk 5 bevat verder een compacte beschrijving van veel voorkomende vormen van zekerheidsstelling. Hoofdstuk 6 behandelt het voorschrift in de omgevingsvergunning of het maatwerkvoorschrift waarmee de verplichting tot het stellen van de financiële zekerheid wordt opgelegd. Het hoofdstuk bevat onder andere een checklist en bouwstenen voor het voorschrift. De handreiking gaat vergezeld van het excelbestand “Afwegingskader zekerheidstelling”. Dit excelbestand is een hulpmiddel bij het uitvoeren van de in de handreiking beschreven beoordelingen. Het in het excelbestand is als volgt opgebouwd: het eerste werkblad bevat een inleidende tekst en de samenvatting van de op de andere werkbladen gemaakte afwegingen; in het tweede werkblad is beschreven hoe afweging 1 gemaakt kan worden. Met afweging 1 wordt bepaald of de verplichting tot zekerheidstelling aan de orde is; met afweging 2 wordt het bedrag (de waarde) van de zekerheidstelling bepaald. Deze afweging is beschreven in het derde en vierde werkblad. Het derde werkblad bevat een rekenmodule. Met de informatie in het vierde werkblad wordt aan de hand van criteria uit artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit getoetst of het uitgerekende bedrag aangepast kan worden; het vijfde werkblad bevat een tabel met tarieven voor de verwerking van afvalstoffen. 1.4. Beleidsuitgangspunten De in deze handreiking beschreven aanpak bevat uitgangspunten die de bevoegde gezagen in hun beleid kunnen opnemen. Dit zijn: de toets aan een drempelbedrag, waarmee het bevoegd gezag voor de activiteiten die aangewezen zijn via artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit, kan bepalen of het opportuun is om de verplichting op te leggen; het gebruik van de door Berenschot ontwikkelde methodiek om bij majeure risico activiteiten en afvalverwerkende activiteiten te berekenen voor welk bedrag de financiële zekerheid gesteld moet worden en het daarbij hanteren van minimumbedragen (€ 50.000 indien de zekerheid gesteld moet worden in verband met een afvalverwerkende activiteit en € 100.000 indien de zekerheid gesteld moet worden in verband met een majeure risico activiteit); de wijze waarop de in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit genoemde criteria afgewogen worden en wanneer zo’n afweging kan leiden tot een (vaak: tijdelijke) matiging van het met de methodiek Berenschot berekende bedrag waarvoor de zekerheid gesteld moet worden; de randvoorwaarden waaraan een te stellen financiële zekerheid dient te voldoen. De beleidsuitgangspunten zijn verder toegelicht in bijlage 2. Deze bijlage bevat een concepttekst voor de beleidsregels die het bevoegd gezag kan vaststellen over de wijze waarop het de regeling over het opleggen van de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid uitvoert. 1.5. Gebruikte afkortingen De afkortingen die gebruikt worden in de handreiking hebben de volgende betekenis: Bal: besluit activiteiten leefomgeving; Bkl: Besluit kwaliteit leefomgeving; fize: financiële zekerheid; Ob: Omgevingsbesluit; Ow: Omgevingswet. 2. De voorbereiding 2.1. Inleiding De onderstaande figuur bevat een schematisch overzicht van de stappen waarmee het bevoegd gezag kan bepalen of het mogelijk, zinvol en redelijk is om een verplichting tot het stellen van een financiële zekerheid op te leggen aan degene die de activiteit verricht. Voor de activiteiten die geregeld worden in de Omgevingswet zijn er – voor wat betreft het instrument financiële zekerheid - drie mogelijkheden: het is niet mogelijk om degene die de activiteit verricht, de verplichting om een financiële zekerheid te stellen op te leggen (die activiteit is niet aangewezen in artikel 8.5 of 8.6 van het Omgevingsbesluit); het bevoegd gezag moet die verplichting opleggen (de activiteit is aangewezen in artikel 8.6 van het Omgevingsbesluit). In dat geval moeten de vorm en de hoogte van de te stellen zekerheid bepaald worden. In paragraaf 2.3. De voor de verdere besluitvorming nodige informatie wordt stilgestaan bij de informatie die daarvoor nodig is; het bevoegd gezag mag die verplichting opleggen, maar hoeft dat niet te doen (de activiteit is aangewezen in artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit). In dat geval moet het bevoegd gezag beoordelen of het zinvol en redelijk is om inderdaad die verplichting op te leggen. Over die afweging gaat de volgende paragraaf. 2.2. Toets aan het drempelbedrag Met een toets aan een drempelbedrag kan het bevoegd gezag bepalen of het zinvol en redelijk is om bij activiteiten die aangewezen zijn in de “kan-bepaling” van artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit een financiële zekerheid te eisen. Let op: de toets aan het drempelbedrag wordt dus niet uitgevoerd bij activiteiten die aangewezen zijn in de “moet-bepaling” van artikel 8.6 van het Omgevingsbesluit. Het bevoegd gezag heeft daar immers niet de keuze om de verplichting tot zekerheidstelling niet op te leggen. Bij deze toets wordt berekend hoeveel afvoer en verwerking kost van de hoeveelheden stoffen die aanwezig mogen zijn in verband met de activiteit, wanneer die stoffen als afvalstof afgevoerd zouden moeten worden13Stoffen die bij het opruimen van de gevolgen van een incident afgevoerd moeten worden, zullen vaak als afvalstof aangemerkt worden. Dit, omdat als gevolg van het incident onzekerheid kan ontstaan over de samenstelling van de stoffen.. Dit gebeurt door de toepasselijke normbedragen14Zie tabblad 5 (“Tarieven”) van het afwegingskader. te vermenigvuldigen met de op grond van de omgevingsvergunning toegestane hoeveelheden stoffen15het gaat om de maximaal vergunde hoeveelheid die op enig moment aanwezig mag zijn in de insluitsystemen (dat wil zeggen: in tanks, loodsen en installaties).: Is de uitkomst daarvan lager dan het drempelbedrag van € 100.000, dan kan het bevoegd gezag concluderen dat de kosten van financiële zekerheidsstelling en de uitvoeringskosten van de verplichting voor het bevoegd gezag (bijvoorbeeld: het periodieke nalevingstoezicht) niet opwegen tegen het risico op schade. Let op: kan in verband met meerdere activiteiten de verplichting tot het stellen van een financiële zekerheid opgelegd worden? Dan wordt het drempelbedrag berekend door rekening te houden met alle afvalstoffen die aanwezig mogen zijn gelet op die activiteiten. Het bevoegd gezag kan gelet op specifieke feiten en omstandigheden in individuele gevallen een andere afweging maken: bijvoorbeeld in situaties waarin de bedrijfsvoering onvoldoende is toegespitst op beheersing van de relevante risico’s of als de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften16of op milieubelastende activiteiten van toepassing zijnde algemeen verbindende voorschriften. onvoldoende worden nageleefd.17Dergelijk naleefgedrag kan immers het risico op schade aan de leefomgeving verhogen. Of als op voorhand duidelijk is dat de activiteit of opgeslagen afvalstoffen toch aanzienlijke schade aan de leefomgeving kunnen veroorzaken of nalevingskosten met zich mee kunnen brengen, ondanks het feit dat de kosten van afvoer en verwerking niet boven het drempelbedrag uitkomen. Denk daarbijook aan situaties waarbij het bevoegd gezag maatregelen moet treffen om de risico’s voor de leefomgeving beheersbaar te houden. Dat kan zich voordoen bij (al dan niet: dreigende) incidenten, maar ook bij failliete bedrijven waarbij de boedel geen geld heeft voor de noodzakelijke bemensing of voorzieningen. Of aan situaties waarbij hoge saneringskosten voor oppervlaktewater of bodem kunnen ontstaan. Deze toets aan het drempelbedrag is een invulling van het in artikel 8.8, aanhef en onder e, van het Omgevingsbesluit bedoelde criterium: de verhouding tussen het risico op schade18het gaat om schade “die kan voortvloeien uit de door de activiteit veroorzaakte nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving”, aldus artikel 8.8, aanhef en onder c en d, van het Omgevingsbesluit. van een bepaalde omvang en de daarmee gemoeide kosten van het stellen van financiële zekerheid. Zie voor dit, en de andere in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit genoemde criteria, hoofdstuk 4. De criteria van artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit. 2.3. De voor de verdere besluitvorming nodige informatie Voor de verdere besluitvorming over de verplichting tot financiële zekerheidsstelling is informatie nodig: Checklist A is specifiek toegespitst op informatie die nodig is om voor majeure risico activiteiten en afvalverwerkende activiteiten de verwachte hoogte van de door het bevoegd gezag te maken nalevings- en herstelkosten te berekenen; Checklist B geeft aan welke overige informatie nodig is. Checklist A: Informatie nodig voor de berekening van de verwachte nalevings- en herstelkosten bij majeure risico activiteiten en afvalverwerkende activiteiten Nodig voor Informatie Berekening van de verwachte nalevings- en herstelkosten (hoofdstuk 3) Maximale hoeveelheid 19 het gaat telkens om de maximaal vergunde hoeveelheid die op enig moment aanwezig mag zijn in een insluitsysteem (dat wil zeggen: een tank, loods of installatie). vergunde afvalstoffen (in ton) Maximale hoeveelheid vergunde ZZS (in ton) Maximale hoeveelheid vergunde andere stoffen (in ton) Per vergunde stof de mate waarin sprake is van: bodembedreigende eigenschappen toxiciteit en aquatoxiciteit drijflaagvormende eigenschappen persistente eigenschappen brandbaarheid en explosiegevaar Per vergunde stof: de wijze waarop deze wordt opgeslagen Volume van de insluitsystemen Aanwezigheid en specificatie (opvangvolume, minimale opvangduur) van vloeistofdichte en vloeistofkerende voorzieningen Informatie over verkende incidentscenario’s en de beheersing van veiligheidsrisico’s Checklist B: Overige informatie Nodig voor Informatie Afweging van de criteria van artikel 8.8 Omgevingsbesluit (hoofdstuk 4) Uitgebreide, definitieve, jaarrekeningen over de afgelopen vijf boekjaren. Indien nog niet alle jaarrekeningen beschikbaar zijn: de voorlopige jaarrekeningen en een toelichting van de directie daarop. De ‘extra’20 Met ‘extra’ wordt bedoeld: andere maatregelen dan de maatregelen waarmee rekening is gehouden bij de berekening van de verwachte kosten en maatregelen die een hoger beschermingsniveau voor de leefomgeving bieden dan de best beschikbare technieken of maatregelen die het bevoegd gezag met toepassing van artikel 8.30, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving aan de omgevingsvergunning heeft verbonden. technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen die genomen zijn ter voorkoming van schade aan de fysieke leefomgeving. De hoogte van de jaarlijks voor de vergunninghouder terugkerende kosten van de financiële zekerheidsstelling voor het berekende bedrag. De vastgestelde compliance managementstrategie (of een vergelijkbaar document) van vergunninghouder en de periodieke rapportage over de naleving daarvan. De gedurende de afgelopen vijf jaar geconstateerde overtredingen: door toezichthouders van het bevoegd gezag zelf geconstateerd; door andere toezichthouders geconstateerd; De gedurende de afgelopen vijf jaar opgelegde sanctiebesluiten (lasten onder bestuursdwang en dwangsom, bestuurlijke boetes en strafbeschikkingen). Eventueel: informatie uit open bronnen. Beoordelen van de voorgestelde zekerheidsstelling (hoofdstuk 5) Het concept van de overeenkomst waarmee de zekerheid gesteld gaat worden, inclusief bijlagen. Opstellen van het voorschrift (hoofdstuk 6) Is de activiteit in verband waarmee de zekerheid gesteld wordt, al gestart? Zo nee: per wanneer start die activiteit? In hoofdstuk 7 van de Omgevingsregeling is bepaald welke gegevens en bescheiden ingediend worden bij een aanvraag om omgevingsvergunning. Daarbij is voor de volgende activiteiten expliciet aangegeven dat een bewijs van (het stellen van een) financiële zekerheid ingediend moet worden: stortplaats baggerspecie als bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder a of b en 3.85, van het Bal, zie artikel 7.76, 7.77 van de Omgevingsregeling; winningsafvalvoorziening als bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder c, en 3.85, eerste lid, van het Bal, zie artikel 7.79 van de Omgevingsregeling. Ook bij behandeling van aanvragen om omgevingsvergunning ten aanzien van andere, in artikel 8.5 of 8.6 van het Omgevingsbesluit aangewezen, dient – wanneer het bevoegd gezag daar expliciet om vraagt – de aanvrager gelet op artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht aan te geven, of en hoe financiële zekerheid gesteld is of gaat worden. Zie verder tevens artikel 16.56 van de Omgevingswet. 3. Berekenen van de minimale hoogte van de te stellen financiële zekerheid 3.1. Inleiding De minimale hoogte van de te stellen financiële zekerheid wordt berekend door een aantal stappen te doorlopen. Dit gebeurt per activiteit in verband waarmee de financiële zekerheid gesteld moet worden. De stappen worden in de volgende paragrafen toegelicht. Er zijn twee manieren waarop de minimale hoogte van het bedrag berekend wordt: voor een aantal activiteiten bepaalt artikel 8.10 lid 2 Omgevingsbesluit hoe dat bedrag berekent met worden. Het gaat bijvoorbeeld om storten van bepaalde afvalstoffen en om het opslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk e.d. Zie ook 8.10 lid 3 Omgevingsbesluit; Voor de overige activiteiten schrijft het Omgevingsbesluit de wijze van berekening niet voor. Voor deze activiteiten wordt de in 2016 door Berenschot in opdracht van I&W ontwikkelde methodiek21Berenschot, 22 november 2016 gebruikt. Deze ‘methodiek Berenschot’ is in deze handreiking op een aantal punten aangepast om toegepast te kunnen worden voor afvalverwerkende bedrijven. Beide manieren komen aan bod in de in dit hoofdstuk beschreven stappen. De onderstaande figuur bevat een totaaloverzicht van die stappen: 3.2. Stap 1. In verband met welke activiteiten moet de financiële zekerheid gesteld worden? Stap 1. In verband met welke activiteit moet de financiële zekerheid gesteld worden? Is het één van de volgende activiteiten? En, voor zover van toepassing: ziet de zekerheid op nakoming van de daarbij genoemde verplichting? Toepasselijke volgende stap Het storten van afvalstoffen op een stortplaats, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder a of b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van een stortplaats waar alleen baggerspecie wordt gestort. Nakomen voorschriften over bovenafdichting van een stortplaats als bedoeld in artikel 8.48 lid 4 Bkl. Indien ja: ga naar stap 2. Indien nee: ga naar stap 3. Het storten van baggerspecie op een stortplaats waar alleen baggerspecie wordt gestort, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder a of b, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Nakomen van de voorschriften over het zo nodig aanbrengen van een geohydrologisch isolatiesysteem of een afdeklaag op de gestorte baggerspecie na het beëindigen van de stortwerkzaamheden. Het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalvoorziening, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving. het nakomen van de voorschriften die op grond van paragraaf 8.5.2.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving aan de omgevingsvergunning worden verbonden; en het nakomen van regels als bedoeld in paragraaf 8.2 van de Wet milieubeheer. Het opslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theater- verbruik, bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, onder c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3.2.1. Toelichting stap 1 Voor sommige activiteiten is in artikel 8.10 lid 2 en lid 3 van het Omgevingsbesluit beschreven hoe de hoogte van het bedrag van de te stellen financiële zekerheid bepaald moet worden. Deze activiteiten zijn genoemd in de eerste kolom. Voor de eerste drie is daarbij ook het doel van de te stellen financiële zekerheid (de verplichting voor nakoming waarvan de zekerheid wordt gesteld) aangegeven. 3.3. Stap 2. Bepaal de hoogte van de te stellen financiële zekerheid op de voorgeschreven wijze Stap 2. Bepaal de hoogte van de te stellen financiële zekerheid op de in artikel 8.10 lid 2, aanhef en onder b tot en met d, en lid 3 van het Omgevingsbesluit voorgeschreven wijze Artikel 8.10 Omgevingsbesluit Activiteit en doel van de financiële zekerheid Wijze waarop de hoogte bepaald moet worden Lid 2, aanhef en onder b Storten van afvalstoffen op een stortplaats m.u.v. stortplaats waar alleen baggerspecie wordt gestort. Betreft nakomen voorschrift bovenafdichting. Financiële zekerheid = maximaal € 2,27 per gestorte ton afvalstoffen Lid 2, aanhef en onder c Storten van baggerspecie op stortplaats waar alleen baggerspecie gestort wordt. Betreft nakomen voorschriften geohydrologisch isolatiesysteem of afdeklaag. Financiële zekerheid = maximaal € 1,00 per ton gestorte droge afvalstoffen Lid 2, aanhef en onder d Opslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theaterverbruik. Financiële zekerheid bedraagt tenminste € 5 miljoen. Bepaal of dat voldoende is door na te gaan welke kosten het bevoegd gezag moet maken bij een reëel scenario: waarin verplichtingen die in verband met de omgevingsvergunning voor deze activiteit gelden, niet worden nageleefd; waarin het over moet gaan tot herstel van schade aan de fysieke leefomgeving als gevolg van deze activiteit, waarvoor degene die de activiteit verricht, aansprakelijk is. Neem het scenario met de hoogste kosten als uitgangspunt voor de hoogte van de te stellen financiële zekerheid. Lid 3 Storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalvoorziening. Betreft het nakomen van voorschriften op grond van paragraaf 8.5.2.6. Bkl en regels als bedoeld in paragraaf 8.2 Wm. De berekening van de hoogte is gebaseerd op de criteria uit Beschikking nr. 2009/335/EG van de Commissie. 3.3.1. Toelichting stap 2: storten of verzamelen van winningsafval De richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën (PbEG L 110) (hierna: richtlijn beheer winningsafval) bevat bepalingen ten aanzien van het beheer van afval, van winningsindustrieën (mijnbouw). Het gaat hierbij onder meer om materialen die moeten worden verwijderd om toegang te krijgen tot het mineraal, zoals bovengrond, deklaag en afvalgesteente of residuen die achterblijven nadat de mineralen grotendeels uit het erts zijn gehaald. In artikel 14 van de richtlijn beheer winningsafval is voorgeschreven dat, voordat wordt begonnen met werkzaamheden waarbij winningsafvalstoffen in de afvalvoorziening worden gebracht, een financiële zekerheid wordt gesteld. Deze verplichting moet ervoor zorgen dat er voldoende middelen beschikbaar zijn om aan de vergunningvoorschriften te voldoen en om de afvalvoorziening na sluiting op een veilige manier achter te laten, ook bij bijvoorbeeld een faillissement van de vergunninghouder. Daarbij moet de zekerheidsstelling ook de kosten kunnen dekken voor rehabilitatie van het land dat door de afvalvoorziening is aangetast. De vorm waarin de financiële zekerheid wordt gesteld, is in de richtlijn niet voorgeschreven. Denkbaar zijn bijvoorbeeld een bankgarantie of deelname in een waarborgfonds, of een andere gelijkwaardige voorziening. De richtlijn voorziet in de mogelijkheid voor de Europese Commissie om ten aanzien van een aantal onderwerpen uitvoeringsregels vast te stellen. De Europese Commissie heeft onder meer met de Beschikking nr. 2009/335/EG van de Commissie van 20 april 2009 inzake technische richtsnoeren voor het stellen van de financiële zekerheid overeenkomstig Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën (PbEG 2009 L 101) (hierna: de Beschikking). In de Beschikking is bepaald welke informatie en rekenmethodiek moet worden gebruikt bij de berekening van de financiële zekerheid (artikel 1, eerste lid, van de Beschikking): de verwachte effecten van de afvalvoorziening op het milieu en de gezondheid van de mens; de definitie van de rehabilitatie, met inbegrip van het gebruik achteraf, van de afvalvoorziening; toepasselijke milieunormen en -doelstellingen, met inbegrip van de fysische stabiliteit van de afvalvoorziening, minimale kwaliteitsnormen voor de bodem en de waterreserves en de maximale emissie van verontreinigende stoffen; de technische maatregelen die nodig zijn om milieudoelstellingen te halen, met name maatregelen die voor de stabiliteit van de afvalvoorziening moeten zorgen en de milieuschade moeten beperken; de maatregelen die nodig zijn om de doelstellingen gedurende en na de sluiting te halen, met inbegrip van sanering van de bodem, eventueel nodige behandeling en monitoring na de sluiting en, indien van toepassing, maatregelen om de biodiversiteit te herstellen; de geraamde tijdschaal van effecten en de vereiste beperkende maatregelen; een raming van de kosten die moeten worden gemaakt voor bodemsanering, sluiting en de periode na de sluiting, met inbegrip van de monitoring of behandeling van verontreinigende stoffen na de sluiting. Deze handreiking bevat geen verdere beschrijving van de wijze waarop aan de hand van bovengenoemde criteria de hoogte van de te stellen financiële zekerheid bepaald kan worden. Voor inwerkingtreding van de Omgevingswet (onder de vigeur van de Wabo) bepaalde artikel 4.10 lid 2, aanhef en onder g, van de Regeling Omgevingsrecht dat de aanvrager in of bij een aanvraag die betrekking heeft op een afvalvoorziening aantoont dat “financiële zekerheid is of wordt gesteld, voor het nakomen van de voorschriften die ingevolge het Besluit beheer winningsafvalstoffen aan de vergunning worden verbonden, alsmede voor het nakomen van paragraaf 8.2 van de Wet milieubeheer, en dat het bedrag waarvoor de zekerheid in stand wordt gehouden is berekend overeenkomstig beschikking nr. 2009/335/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 april 2009 inzake technische richtsnoeren voor het stellen van de financiële zekerheid overeenkomstig Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën (PbEU L 101).” Tot nu toe kent (het concept van) de Omgevingsregeling geen vergelijkbare verplichting voor de aanvrager. 3.3.2. Toelichting stap 2: vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik Artikel 8.10 lid 2, aanhef en onder d, van het Omgevingsbesluit schrijft voor het opslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theaterverbruik een minimale hoogte van € 5 miljoen voor. Indien nodig, kan een hoger bedrag voorgeschreven worden. Hierna wordt beschreven aan de hand van welke twee typen scenario’s bepaald kan worden, of het voorschrijven van een hoger bedrag nodig is. Het eerste scenario gaat uit van de situatie dat het bevoegd gezag kosten moet maken omdat degene die de activiteit verricht, een voorschrift dat verbonden is aan de omgevingsvergunning voor de activiteit niet naleeft, zie artikel 13.5 lid 1 aanhef en onder a en lid 4 van de Omgevingswet. In de praktijk gaat het om het wegnemen van risico’s voor de fysieke leefomgeving, voor zover op grond van een vergunningvoorschrift verplicht is, zonder dat (
- al)sprake is van schade aan de fysieke leefomgeving (het tweede scenario ziet daarop). Bijvoorbeeld door het treffen van beheersmaatregelen op de locatie waar de activiteit verricht wordt (zoals het laten uitvoeren van essentieel onderhoud van veiligheidsvoorzieningen) of het afvoeren en verwerking van risicovolle (afval)stoffen. Het tweede scenario gaat uit van de situatie waarin het bevoegd gezag kosten moet maken om de schade aan de fysieke leefomgeving als gevolg van de activiteit te herstellen. Bijvoorbeeld de kosten van afvoer van tijdens een incident ontstaan, met asbest verontreinigd, afval of puin. De uitgangspunten voor de scenariokeuze zijn: Kies een realistisch scenario. Welke situaties zijn redelijkerwijs voorstelbaar? Stel bij het bepalen van het eerste scenario bijvoorbeeld de volgende vraag: de naleving van welke vergunningvoorschriften kan onder druk komen te staan als zich een faillissement aandient? En is dat dan zo ernstig, dat het bevoegd gezag moet ingrijpen? Ga bij het bepalen van het tweede scenario uit van de beschrijving van mogelijke ongewone voorvallen22Binnen de Omgevingswet valt een zwaar ongeval als bedoeld in artikel 3, onderdeel 13, van de Seveso-richtlijn ook onder het begrip ‘ongewoon voorval’. die bij de aanvraag ingediend wordt (zie artikel 7.41 van de Omgevingsregeling). Als de maatregelen die het bevoegd gezag moet treffen, vooral bestaan uit de afvoer en verwerking van risicovolle (afval)stoffen en/of sanering van bodem en water, kunnen de kosten daarvan bepaald worden door stap 3 te doorlopen. 3.4. Stap 3: Bepaal de hoogte van de te stellen financiële zekerheid met behulp van de ‘methodiek Berenschot’ Met de ‘methodiek Berenschot’ worden aan de hand van een aantal aannames en bedrijfsgebonden kenmerken de als gevolg van een incident te maken nalevingskosten en herstelkosten berekend. De methodiek is niet opgesteld om voor alle denkbare incidenten een 'dekkend' bedrag uit te rekenen, maar als hulpmiddel om het mogelijk te maken dat ook bij een ernstig incidentscenario tenminste een deel van de kosten gedekt kunnen zijn door een gestelde financiële zekerheid. In de meeste gevallen is dat bedrag voldoende zijn om ook de 'opruimkosten' bij een faillissement zonder incident te dekken. De nalevingskosten en herstelkosten van een faillissementsscenario sec worden dus niet berekend. Ook worden bepaalde typen herstelkosten niet meegenomen in de berekening, terwijl die vaak wel op de gestelde zekerheid verhaald kunnen worden. Denk bijvoorbeeld aan het herstel van ecologische waarden aangetast of verdwenen zijn door het niet-nakomen van een verplichting of door schade als bedoeld in artikel 13.5 lid 1 onder a respectievelijk b van de Omgevingswet. Door toepassing van de methodiek houdt het bevoegd gezag bij het bepalen van het bedrag van zekerheidstelling rekening met een aantal van de in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit genoemde criteria: de aanwezigheid en aard van stoffen die nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen hebben (artikel 8.8, aanhef en onder a, van het Omgevingsbesluit); de maximaal te verwachten schade die kan voortvloeien uit de door de activiteit veroorzaakte nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (artikel 8.8, aanhef en onder c, van het Omgevingsbesluit); de technisch en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen die genomen zijn ter voorkoming en beperking van de hiervoor bedoelde schade aan de fysieke leefomgeving (artikel 8.8, aanhef en onder d, van het Omgevingsbesluit). Zie voor de criteria van artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit ook hoofdstuk 4 van deze handreiking. De methodiek Berenschot gaat omwille van de transparante toepasbaarheid uit van een zekere vereenvoudiging van de werkelijkheid. Dit blijkt uit een aantal aannames. Bijvoorbeeld over de tariefstelling en de mate waarin bodemverontreiniging kan optreden. Maar ook over de aanname dat in de meeste incidentscenario’s maar één insluitsysteem betrokken is bij het incident. De methodiek wordt toegepast per relevante activiteit. Dit is de in artikel 8.5 of 8.6 van het Omgevingsbesluit aangewezen activiteit in verband waarmee zekerheidstelling voorgeschreven kan of moet worden. Dit is voor de in artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit aangewezen activiteiten een aanpassing van de methodiek Berenschot: in de oorspronkelijke versie van die methodiek wordt de methodiek toegepast op de hele inrichting, in één keer. Omdat de Omgevingswet het inrichting-begrip loslaat (behalve bij Seveso-inrichtingen), wordt de berekening met de methodiek per relevante, in artikel 8.5 en 8.6 van het Omgevingsbesluit aangewezen, activiteit uitgevoerd. De door de methodiek berekende nalevings- en herstelkosten zijn een optelsom van drie kostencomponenten: kostencomponent 1, de kosten van afvoer en verwerking van afval en andere stoffen met negatieve effecten voor de fysieke leefomgeving; kostencomponent 2, de kosten van saneren van de bodem; en kostencomponent 3, de kosten van zuiveren en saneren van verontreinigd oppervlakte water. Voor elke kostencomponent is in deze handreiking een beslisboom opgenomen die altijd doorlopen wordt, per vergunde activiteit in verband waarmee de verplichting tot het stellen van een financiële zekerheid opgelegd gaat worden. Of elke kostencomponent een bijdrage levert aan de hoogte van de te stellen zekerheid, hangt af van de feitelijke situatie: waar en hoe mag de vergunde activiteit verricht worden? 3.4.1. Kostencomponent 1: de kosten van afvoer en verwerking van afvalstoffen Stap 3.a. Kostencomponent 1: de kosten van afvoer en verwerking van (afval)stoffen Wat wordt uitgerekend? Hoe wordt het uitgerekend? Met kostencomponent 1 worden de kosten van de verwijdering en verwerking van afval berekend. Dit gebeurt door uit te rekenen wat het kost om: het insluitsysteem met het grootste vergunde werkvolume (Qmax) als afval af te voeren en te verwerken; en Kosten afvoer en verwerking = Verwerkingstarief (ton) x vergunde hoeveelheid (ton) het insluitsysteem met het grootste vergunde werkvolume van ZZS als afval af te voeren en te verwerken (indien ZZS aanwezig mogen zijn). Neem vervolgens het hoogste van de uitgerekende bedragen als uitgangspunt voor kostencomponent 1. Toelichting bij kostencomponent 1 Insluitsysteem In navolging van de methodiek Berenschot wordt hier de volgende definitie van ‘insluitsysteem’ gehanteerd: de grootste tank, loods, hal of installatie binnen de inrichting waarin de relevante milieugevaarlijke stof mag worden opgeslagen of verwerkt. Zekerheidstelling in verband met meerdere activiteiten? Wordt de verplichting om zekerheid te stellen in de omgevingsvergunning opgenomen in verband met meer dan één activiteit? En is eenzelfde vergunde hoeveelheid voor kostencomponent 1 bij meer dan één activiteit relevant? Neem in dat geval de kosten van verwijdering en verwerking van die stofhoeveelheid maximaal één keer mee bij de berekening van het bedrag van de zekerheidsstelling. Stoffen Bij de aanvraag wordt een beschrijving aangeleverd van de grondstoffen, hulpmaterialen, andere stoffen en – voor zover relevant – afvalstoffen die binnen de inrichting gebruikt worden of aanwezig zullen zijn. Mag het grootste insluitsysteem voor meer dan één stof gebruikt worden (al dan niet gelijktijdig)? Neem dan de stof met het hoogste verwerkingstarief als uitgangspunt. Zekerheidstelling in verband met meerdere activiteiten? Als in verband met meerdere activiteiten in één omgevingsvergunning zekerheidstelling wordt voorgeschreven, telt een vergunde hoeveelheid in kostencomponent 1 maar één keer per omgevingsvergunning mee. Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) 23ZZS zijn stoffen die aan de criteria voldoen zoals genoemd in artikel 57 van de REACH-verordening (EG 1907/2006). Indien meerdere ZZS aanwezig zijn, wordt uitgegaan van de ZZS met het grootste insluitsysteem. Verwerkingstarief Kies het meest passende verwerktarief in de tabel met normtarieven, opgenomen in het laatste tabblad van het excelbestand met het afwegingskader. 'Transformeer' bij de berekening van a. niet-afvalstoffen naar afvalstoffen met vergelijkbare samenstelling en hanteer daar het toepasselijke verwerkingstarief voor. Dit is een aanpassing van de methodiek Berenschot. De methodiek schrijft namelijk voor dat bij berekening van a. altijd een verwerkingstarief van € 340 per ton wordt gehanteerd. Levert een stof – zelfs als deze ‘getransformeerd’ is naar afvalstof – bij verwijdering en verwerking geld op? Neem de positieve opbrengst dan niet mee in de berekening van kostencomponent 1. Enerzijds omdat een positieve opbrengst geheel of gedeeltelijk ten gunste van de vergunninghouder kan komen. Anderzijds omdat als gevolg van een incident onzekerheid over de exacte stofsamenstelling kan ontstaan. Dit kan in de weg staan aan het daadwerkelijk realiseren van een positieve opbrengst.24 Een faillissement volgend op een incident kan de situatie nog verder compliceren. Bij faillissementen zullen curatoren geneigd zijn om stoffen met een positieve waarde zelf af te laten voeren, zodat de opbrengst ten gunste van de boedel komt. Werkvolume25 Met ‘werkvolume’ wordt bedoeld: het werkvolume als bedoeld in PGS 29:2021grootste insluitsysteem De methodiek Berenschot gaat ervan uit dat bij de scenario’s waarschijnlijk niet meer dan één insluitsysteem betrokken is bij een incident. Daarom staat bij het berekenen van de omvang van kostencomponent 1 het grootste insluitsysteem centraal. Uit de aanvraag blijkt wat het werkvolume van het grootste insluitsysteem is. Let op: het werkvolume in m3 moet omgerekend worden naar de inhoud in tonnen (van de zwaarste stof die in het betreffende insluitsysteem opgeslagen mag zijn). Geen insluitsysteem? In plaats van insluitsystemen kan het ook gaan om stoffen die in bijvoorbeeld bulten opgeslagen worden. Overige nuancering ten opzichte van Berenschot Voor afvalverwerkingsbedrijven hanteert de oorspronkelijke methodiek Berenschot als uitgangspunt dat de omvang van kostencomponent 1 bepaald wordt op basis de gehele vergunde stofhoeveelheid, niet enkel die van het grootste insluitsysteem. Dat uitgangspunt wordt in deze handreiking niet overgenomen omdat het onderscheid tussen afvalverwerkingsbedrijf en andere typen bedrijven in de praktijk lastig te maken kan zijn. Zeker ook omdat de Omgevingswet het begrip inrichting loslaat. 3.4.2. Kostencomponent 2: de kosten van saneren van de bodem Stap 3.b. Kostencomponent 2: de kosten van saneren van de bodem De omvang van deze kostencomponent wordt alleen berekend als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: Voorwaarde Toelichting de aanwezigheid van een intrinsiek bodembedreigende stof is vergund; Zijn er meerdere intrinsiek bodembedreigende stoffen vergund? Ga dan uit van het insluitsysteem met het grootste vergunde werkvolume. Dit is een aanpassing van de methodiek Berenschot. De methodiek neemt alle bodembedreigende stoffen in beschouwing. die stof loogt uit of kan naar z'n aard in de bodem doordringen; er zijn geen voorzieningen getroffen die verhinderen dat die stof in de bodem kan doordringen of uitlogen. Houd, indien relevant, ook rekening met verontreinigd bluswater. Dat kan ervoor zorgen dat de stof toch wegstroomt en in de bodem doordringt of uitloogt. Een voorziening is alleen relevant als zij groot genoeg is en zich op de juiste locatie bevindt om de bodembedreigende stof die vrijkomt, op te vangen. Voldaan aan alle drie de voorwaarden? Nee. Dan is de omvang van kostencomponent € 0. Ja. Ga verder met het berekenen van de omvang van deze kostencomponent. I. Zijn er voorzieningen getroffen die de bodemindringing of uitloging van de stof qua diepte beperken (maar niet voorkomen)? Zo nee, ga door met de volgende vraag. Zo ja: Wat wordt uitgerekend? Hoe wordt het uitgerekend? Bepaal het aantal kubieke meter grond dat gesaneerd moet worden. m3 = oppervlakte verontreinigde bodem x 0,5 meter Bereken de saneringskosten. Saneringskosten = m3 x € 75 De omvang van kostencomponent 2 is voltooid. II. Zijn er geen voorzieningen getroffen die bodemindringing of uitloging van de stof qua diepte beperken? Zo ja: Wat wordt uitgerekend? Hoe wordt het uitgerekend? Bepaal het aantal kubieke meter grond dat gesaneerd moet worden. m3 = oppervlakte verontreinigde bodem x 5,0 meter Bereken de saneringskosten Saneringskosten = m3 x € 75 plus een stelpost ad € 165.000 De omvang van kostencomponent 2 is voltooid. Toelichting bij kostencomponent 2 Zekerheidstelling in verband met meerdere activiteiten? Wordt de verplichting om zekerheid te stellen in de omgevingsvergunning opgenomen in verband met meer dan één activiteit? En is eenzelfde insluitsysteem voor kostencomponent 2 bij meer dan één activiteit relevant? Neem in dat geval de kosten van bodemsanering als gevolg van uitstroom uit dat insluitsysteem maximaal één keer mee bij de berekening van het bedrag van de zekerheidsstelling. Als in verband met meerdere activiteiten in één omgevingsvergunning zekerheidstelling wordt voorgeschreven, telt in kostencomponent 2 een bodemsanering als gevolg van uitstroom uit één bepaald insluitsysteem maar één keer mee. Intrinsiek bodembedreigende stof Met het stoffenschema en de stoffenlijst in Bijlage 2 van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming26 https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/nrb/publicaties/nrb-2012/(hierna: de NRB) kan bepaald worden welke van de stoffen die aanwezig mogen zijn, intrinsiek bodembedreigend zijn. Doordringbaarheid van de stof in de bodem Bepaal overeenkomstig de stappen 2 en 3 van het Stoffenschema in Bijlage 2 van de NRB of de stof als zodanig of door uitloging kan indringen in de bodem. Vloeistofdichte bodemvoorzieningen Een dergelijke bodemvoorziening voorkomt dat de bodembedreigende stof in de bodem doordringt: de stof wordt opgevangen door een vloeistofdichte vloer of lekbak. 27Met vloeistofdichte voorzieningen worden hier een voorziening bedoeld waardoor ook bij een ernstig incident de stof niet in de bodem zal doordringen. Daarmee wijkt de inhoud van het begrip ‘vloeistofdichte voorziening’ af van de invulling die daaraan in de NRB gegeven wordt. De capaciteit van de voorziening moet voldoende zijn. Aaneengesloten bodemvoorziening of elementenbodemvoorziening Dergelijke bodemvoorzieningen beperken de mate waarin een bodembedreigende stof indringt in de bodem. Een voorbeeld van een dergelijke voorziening is een onder het maaiveld als zodanige bodemvoorziening aangelegde kleilaag. In het model Berenschot wordt aangenomen dat bij aanwezigheid van zo’n bodemvoorziening de bodem maximaal tot 0,5 meter ontgraven moet worden. Ontbreekt een dergelijke voorziening (en is ook geen vloeistofdichte bodemvoorziening aanwezig) dan wordt in het model aangenomen dat de bodem tot maximaal 5,0 meter ontgraven moet worden. Saneringskosten per kubieke meter Voor ontgraven en saneren van verontreinigde grond wordt een tarief aangehouden van €75,- per kubieke meter. Dit is een optelsom van het gemiddelde tarief voor de ontgraving en verwerking van vervuilde grond dat de richtlijn herstel en beheer (water)bodemkwaliteit vermeldt. In de praktijk zullen de kosten voor bodemsanering afhankelijk zijn het type grond en van de toegepaste saneringstechniek, maar om redenen van eenvoud en praktische bruikbaarheid wordt een gemiddeld tarief gehanteerd. Aangenomen wordt dat dit tarief een groot deel van de saneringskosten zal dekken. Stelpost € 165.000 Bij ontbreken van mitigerende maatregelen zal vaak grondwatersanering nodig zijn. Er zijn vele technieken beschikbaar voor de zuivering van grondwater, maar deze laten zich op hoofdlijnen verdelen in horizontale en verticale onttrekking van grondwater. In de praktijk zullen de kosten voor de zuivering van grondwater bepaald worden door de toegepaste techniek, maar omwille van eenvoud en toepasbaarheid wordt uitgegaan van de kosten van een relatief eenvoudige zuiveringsinstallatie voor verticale onttrekking met een beperkte diepte. Er wordt hiervoor een stelpost aangehouden van €165.000,- die bestaat uit de kosten voor aanleg en instandhouding. De stelpost is gebaseerd op de kengetallen die worden genoemd in de Richtlijn herstel en beheer (water)bodemkwaliteit.28 https://www.bodemrichtlijn.nl/Bibliotheek/bodemsaneringstechnieken 3.4.3. Kostencomponent 3: de kosten van zuiveren en saneren van verontreinigd oppervlaktewater Stap 3.c. Kostencomponent 3: de kosten van zuiveren en saneren van verontreiniging van oppervlaktewater De omvang van deze kostencomponent wordt alleen berekend als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: Voorwaarde Toelichting Het bevoegd gezag dat de omgevingsvergunning verleent, is bevoegd tot het treffen van maatregelen tot herstel van verontreiniging van oppervlaktewater. Het bevoegd gezag dat de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid heeft opgelegd, kan de nalevings- of herstelkosten verhalen op die zekerheid. Maar het moet dan wel gaan om nalevings- of herstelkosten die gemaakt zijn als gevolg van de activiteit in verband waarmee de zekerheid is gesteld. de locatie van de activiteiten staat in (in)direct contact met het oppervlaktewater; Hiervan is sprake als bij lekkage of bluswerkzaamheden het oppervlaktewater door afvloeiing of via een waterafvoerleiding verontreinigd kan raken. Wordt uitstroom (bijvoorbeeld: bij tankfalen of brand) in het oppervlaktewater verhinderd omdat de verontreiniging altijd tijdig ingesloten wordt, dan wordt niet aan deze voorwaarde voldaan. de aanwezigheid van een intrinsiek waterbezwaarlijke stof is vergund; Zie de H-zinnen H-400 tot en met H-420 van de CLP-verordening. Behoort een stof tot deze categorieën, dan is die stof waterbezwaarlijk. uit de met (de meest recente versie van) Proteus29 zie https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/applicaties-modellen/applicaties-per/vergunningverlening/vergunningverlening/proteus/ uitgevoerde MRA een MSI van gelijk aan of groter dan 0,1 komt. Met de applicatie Proteus kan de impact van een onvoorziene lozing op het aquatisch milieu beoordeeld worden. De impact wordt uitgedrukt op de milieuschade-index (MSI). Een MSI van kleiner van 0,1 wordt aanvaard geacht. Voldaan aan alle drie de voorwaarden? Nee. Dan is de omvang van kostencomponent € 0. Ja. Ga verder met het berekenen van de omvang van deze kostencomponent. I. Vormen uitgestroomde (onopgeloste) stoffen een drijflaag? Zo nee, ga door met de volgende vraag. Zo ja: Wat wordt uitgerekend? Hoe wordt het uitgerekend? Bereken de saneringskosten. Bepaal het uitstroomvolume in Proteus. Reken dit om naar kilogrammen stofuitstroom. Vermenigvuldig 10 % van gewicht aan stofuitstroom met de saneringskosten ad € 10.000 per kilogram. Saneringskosten = 10 % gewicht aan stofuitstroom (
- kg)x € 10.000 Ga verder met de vraag: ‘III. Zijn de uitgestroomde stoffen biologisch afbreekbaar met een hoog biochemisch zuurstofverbruik (BZV-stoffen)?’. II. Zijn de uitgestroomde stoffen aquatoxisch? Zo nee, ga door met de volgende vraag. Zo ja: Wat wordt uitgerekend? Hoe wordt het uitgerekend? Bereken de saneringskosten. Bepaal het uitstroomvolume in Proteus. Reken dit om naar kilogrammen stofuitstroom. Vermenigvuldig 10 % van gewicht aan stofuitstroom met de saneringskosten ad € 1.000 per kilogram. Saneringskosten = 10 % gewicht aan stofuitstroom (
- kg)x € 1.000 Ga verder met de vraag: ‘III. Zijn de uitgestroomde stoffen biologisch afbreekbaar met een hoog biochemisch zuurstofverbruik (BZV-stoffen)?’. III. Zijn de uitgestroomde stoffen biologisch afbreekbaar met een hoog biochemisch zuurstofverbruik (BZV-stoffen)? Zo nee, ga door met de volgende vraag. Zo ja: Wat wordt uitgerekend? Hoe wordt het uitgerekend? De kosten voor noodbeluchting. Doe dit door het aantal uur dat noodbeluchting nodig is te vermenigvuldigen met de kostprijs van noodbelichting per uur. Kosten noodbeluchting = aantal uur x kostprijs per uur Ga verder met de vraag: ‘IV. Zijn de uitgestroomde stoffen persistent, bezinkend en zetten zij zich af op de waterbodem?’. IV. Zijn de uitgestroomde stoffen persistent, bezinkend en zetten zij zich af op de waterbodem? Zo nee: bepaal de totale omvang van kostencomponent 3. Zo ja: Wat wordt uitgerekend? Hoe wordt het uitgerekend? Bepaal de kosten van afvoer en verwerking van verontreinigd slib. Doe dit op basis van de omvang van het effectgebied, de saneringsdiepte en een tarief voor afvoer en verwerking van € 45 per kubieke meter. m3 slib = oppervlakte effectgebied in m2 x saneringsdiepte in m Kosten afvoer en verwerking = m3 slib x € 45 Ga verder met: ‘V. Bereken de totale omvang van kostencomponent 3’. V. Bereken de totale omvang van kostencomponent 3: Kostensoort Toelichting Kosten sanering drijflaagvormende stoffen Per activiteit wordt gekozen voor één van deze twee kostensoorten. Immers, het oppervlaktewater wordt gesaneerd omdat de verontreiniging of drijflaagvormend is of aquatoxisch is. Kosten sanering aquatoxische stoffen Kosten voor noodbeluchting Deze kostensoorten kunnen in combinatie met I en II voorkomen, of in combinatie met elkaar. Kosten voor afvoer en verwerking van slib Totale omvang kostencomponent 3 = kostensoort I + kostensoort II + kostensoort III + kostensoort IV Toelichting bij kostencomponent 3 Zekerheidstelling in verband met meerdere activiteiten? Wordt de verplichting om zekerheid te stellen in de omgevingsvergunning opgenomen in verband met meer dan één activiteit? En is dezelfde oorzaak van verontreiniging van het oppervlaktewater voor kostencomponent 3 bij meer dan één activiteit relevant? Neem in dat geval de kosten die veroorzaakt worden door die verontreinigingsbron maximaal één keer mee bij de berekening van het bedrag van de zekerheidsstelling. Waterbezwaarlijke stoffen Stoffen met een gevaaraanduiding op grond van de CLP-verordening30 Verordening (EG) 1272/2008van H400 tot en met H420 worden hier als waterbezwaarlijk aangemerkt. Aquatoxische stoffen Aquatoxische stoffen zorgen door oplossing in het oppervlaktewater (volumecontaminatie) voor negatieve milieueffecten. Drijflaagvormende stof Drijflaagvormende stoffen zijn stoffen die niet oplossen in water en vanwege hun soortelijk gewicht (<1000kg/m3) niet doordringen in de waterkolom, maar een laag op het water vormen. Persistente stof die bezinkt Stoffen die bezinken en zich gemakkelijk hechten aan de waterbodem, zorgen op die manier voor verontreiniging. De saneringskosten bestaan uit het baggeren (ontgraven) van de waterbodem en het saneren van het verontreinigde slib. Noodbeluchting Noodbeluchting voorkomt massale vissterfte wanneer BZV-stoffen in oppervlaktewater terechtkomen. Correctie op de lozingsformules De uitstroomhoeveelheden die met het Proteus-rekenmodel berekend worden (in het kader van de milieurisicoanalyse), gaan uit van een maximaal te verwachten loss of containment-scenario (een worst case). Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van de te stellen financiële zekerheid wordt echter uitgegaan van een realistisch scenario. Daarnaast hebben bedrijfslocatie in de regel mitigerende maatregelen getroffen en zal vaak een substantieel deel van de verontreiniging door verspreiding en natuurlijke afbraak in de tijd niet worden geruimd: deze factoren hebben een drukkend effect op de saneringskosten. Gelet daarop worden de potentiële saneringskosten berekend door uit te gaan van 10% van de stofuitstroom van de onvoorziene lozing waarmee in Proteus gerekend wordt. Tarieven waterzuivering Drijflaagvormende stoffen moeten door middel van absorptie worden verwijderd uit het watersysteem. De kosten hiervoor worden met name bepaald door de hoeveelheid geloosde stof en in mindere mate de viscositeit. Omwille van eenvoud en toepasbaarheid, wordt alleen gerekend met een kostprijs van €10.000,- per kilogram geloosde stof. Deze kosten zijn inclusief verzamelen, transport, opslag en verwerking. Aquatoxische stoffen moeten door middel van zuivering uit de waterkolom worden verwijderd. Als vuistregel wordt een bedrag van €1.000,- per kilogram aangehouden. Wanneer persistente stoffen zich hechten aan de waterbodem, moet deze worden gesaneerd. De kosten voor het baggeren en transporteren van een verontreinigde waterbodem zijn afhankelijk van de lokale omstandigheden en de toegepaste technieken. Omwille van de eenvoud en toepasbaarheid van het model hanteren we daarom een gemiddeld totaaltarief van €45,- per kubieke meter. 3.4.4. Optellen van de kostencomponenten en correctie voor ‘dubbele’ kosten Stap 3.2. Optellen van de kostencomponenten en de correctie voor ‘dubbele’ kosten Beslisboom Benodigde informatie / toelichting Eén of meer activiteiten? Moet er in verband met maar één activiteit een financiële zekerheid gesteld worden? Dan is de minimale hoogte van de zekerheid de som van de bijdragen van de drie kostencomponenten. Correctie voor ‘dubbele’ kosten Als er meer activiteiten zijn in verband waarmee zekerheid gesteld moet worden, moet beoordeeld worden of bepaalde kosten niet ten onrechte meer dan één keer zijn meegenomen in het totaalbedrag van de te stellen zekerheid. 31 De nalevingskosten zijn de kosten die door het bevoegd zijn gemaakt om naleving af te dwingen als bedoeld in artikel 13.5 lid 4 van de Omgevingswet. De herstelkosten zijn de kosten die door het bevoegd gezag gemaakt zijn om de schade aan de fysieke leefomgeving te herstellen als bedoeld in datzelfde artikel. In de beslisboom wordt eerst per kostencomponent het totaalbedrag aan te stellen zekerheden berekend. 32 De uitsplitsing naar kostencomponent is niet nodig, maar vaak wel overzichtelijker. Men kan er ook voor kiezen om alle kosten die meer dan één keer meegenomen zijn, van het totaalbedrag (de som van de totale bijdragen van alle kostencomponenten) af te halen. Daarna worden daarop de kosten die meer dan één keer zijn meegenomen in dat totaalbedrag, in mindering gebracht: die kosten blijven dus maar één keer meewegen. De uitkomst is de bijdrage van de kostencomponent. Door de bijdrage van elke kostencomponent bij elkaar op te tellen, wordt de totale hoogte van de te stellen financiële zekerheid berekend. Gering bedrag als uitkomst? Ga bij een majeure risico activiteit uit van een bedrag van tenminste € 100.000, ook als toepassing van de methodiek Berenschot leidt tot een lager bedrag. Ga bij een afvalverwerkende activiteit uit van een bedrag van tenminste € 50.000. Vervolg De uitkomst van deze stap is de input voor de in hoofdstuk 4 beschreven afweging. Uitgangspunt: kosten die maar één keer gemaakt worden, wegen maar één keer mee Met de correctie voor ‘dubbele kosten’ wegen kosten die door een bevoegd gezag maar één keer gemaakt (kunnen) worden, uiteindelijk maar één keer mee in de bepaling van de hoogte van de te stellen zekerheid. Ook als die kosten in verband met meerdere activiteiten waarvoor een zekerheid gesteld moet worden, meer dan één keer meetellen. Een voorbeeld: Voor activiteit 1 en activiteit 2 kan allebei via een vergunningvoorschrift de verplichting tot het stellen van een financiële zekerheid opgelegd worden. In verband met beide activiteiten is mag op basis van de omgevingsvergunning (maximaal) 100 ton afval aanwezig zijn. Bij het per activiteit doorlopen van de methodiek Berenschot wordt bij kostencomponent 1 voor beide activiteiten voor het afvoeren en verwerken van dezelfde 100 ton afval ad € 200 per ton een kostenpost van € 20.000 opgenomen. In totaal dus € 40.000. Dat is onnodig, want het bevoegd gezag zal maximaal maar 100 ton laten afvoeren en verwerken en daarbij maar € 20.000 aan kosten maken. Daarom wordt op het totaalbedrag van kostencomponent 1 voor alle activiteiten een bedrag van € 20.000 in mindering gebracht. Gering bedrag als uitkomst? Met de methodiek Berenschot wordt de hoogte van de te stellen financiële zekerheid berekend op basis van de te verwachten kosten van afvoer en verwerking van (afval)stoffen en sanering van bodem en oppervlaktewater, ten gevolge van een faillissement. Blijven na een incident geen of weinig stoffen over en worden geen saneringskosten verwacht, dan resulteert de methodiek in een relatief gering bedrag of zelfs € 0. Toch is denkbaar dat in dergelijke gevallen het bevoegd gezag voor nalevings- of herstelkosten komt te staan. Hiervan kan sprake zijn bij de opslag van explosieve gassen. Daarbij kan zich een incident voordoen waarbij de gassen tot explosie en volledige verbranding komen. Het bevoegd gezag hoeft dan geen kosten te maken voor de afvoer van de gassen of voor sanering ten gevolge van verontreiniging van bodem of oppervlaktewater door die gassen zelf, maar mogelijk wel voor het opruimen van het terrein of afvoer en verwerking van bluswater. Ook is denkbaar dat het bevoegd gezag met bestuursdwang probeert een dergelijk incident te voorkomen. Het is daarom belangrijk dat het bevoegd gezag de nalevings- en herstelkosten toch op een gestelde financiële zekerheid kan verhalen. Het ligt daarom voor de hand om uit te gaan van minimumbedragen: wordt de financiële zekerheid geëist in verband met een majeure risico activiteit, dan kan € 100.000 als minimumbedrag gehanteerd worden; wordt de financiële zekerheid geëist in verband met een afvalverwerkende activiteit, dan kan € 50.000 als minimumbedrag gehanteerd worden; als de financiële zekerheid wordt geëist in verband met zowel een majeure risico activiteit als een afvalverwerkende activiteit, kan € 100.000 als minimumbedrag gehanteerd worden. Een inventarisatie van de redelijkerwijs naar aanleiding van een incident te verwachten nalevings- en herstelkosten kan aanleiding geven tot een hoger bedrag. 4. De criteria van artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit 4.1. Inleiding In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe het bevoegd gezag beoordeelt, of het met de in hoofdstuk 3 beschreven methodiek Berenschot berekende bedrag33of de in paragraaf 3.4.4 onder het kopje ‘Gering bedrag als uitkomst?’ bedoelde minimale bedragen van € 100.00 of € 50.000. matiging behoeft. Afhankelijk van de uitkomst van de beoordeling kan de matiging 20 % of maximaal 25 % van het berekende bedrag bedragen. Bij de beoordeling spelen de in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit een centrale rol. Dit artikel bepaalt dat het bevoegd gezag ‘in ieder geval’ rekening houdt met: de financiële draagkracht van degene die de activiteit verricht; de aanwezigheid en aard van de stoffen die nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen veroorzaken; de maximaal verwachte schade die kan voortvloeien uit door de activiteit veroorzaakte nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving; de technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen die zijn genomen ter voorkoming en beperking van schade als bedoeld onder c; de verhouding tussen het risico op schade als bedoeld onder c van een bepaalde omvang en de daarmee gemoeide kosten van het stellen van financiële zekerheid; de naleving van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; en, de verhouding tussen de criteria, bedoeld onder a tot en met f. Artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit geldt strikt genomen alleen als de financiële zekerheidstelling voorgeschreven kan worden voor een activiteit die aangewezen is via de 'kan'-bepaling van artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit. Maar het ligt voor de hand om ook voor bepaalde activiteiten die aangewezen zijn via de 'moet'-bepaling van artikel 8.6 van het Omgevingsbesluit, rekening te houden met de criteria: Het gaat dan om de activiteiten die niet bedoeld worden in artikel 8.10, tweede lid, onder b, c en d. Voor die activiteiten is in artikel 8.10 immers (dwingend) bepaald hoe de hoogte van de zekerheidstelling bepaald wordt. De in dit hoofdstuk van de handreiking beschreven beoordeling spitst zich toe op de vraag of de volgende criteria van artikel 8.8 aanleiding geven tot matiging van het berekende bedrag: de financiële draagkracht van degene die de activiteit verricht; de technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen, voor zover deze bovenwettelijk zijn; de verhouding tussen het risico op schade als bedoeld onder c van een bepaalde omvang en de daarmee gemoeide kosten van het stellen van financiële zekerheid; de naleving van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. Met de in artikel 8.8 onder b, c en d genoemde criteria wordt ook al rekening gehouden als het bevoegd gezag het bedrag berekent met de in hoofdstuk 3 beschreven methodiek Berenschot. 4.1.1. Maximale matiging van 25 % Rekeninghouden met de resterende criteria van artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit leidt op z'n hoogst tot een matiging van 25 %. In dat geval bedraagt de te stellen zekerheid 75 % van het bedrag dat berekend is met de in hoofdstuk 3 beschreven methodiek Berenschot.34Of, indien van toepassing, de in hoofdstuk 3 genoemde minimumbedragen van € 50.000 indien de zekerheid gesteld moet worden in verband met een afvalverwerkende activiteit of € 100.000 indien de zekerheid gesteld moet worden in verband met een majeure risico activiteit. Er zijn drie redenen voor dit maximale matigingspercentage: Het algemene beginsel 'de vervuiler betaalt' Het bevoegd gezag kent bij de vraag of het met de methodiek Berenschot berekende bedrag voor matiging in aanmerking komt, doorslaggevend gewicht toe aan het algemene beginsel 'de vervuiler betaalt'.35Dit beginsel ligt mede ten grondslag aan de regeling voor de verplichte financiële zekerheidsstelling, zie onder meer pagina 71 van de Nota van Toelichting bij het Omgevingsbesluit, Staatsblad 2018, 290, Dit betekent dat de nu te maken afweging niet tot gevolg kan hebben dat zekerheidstelling niet aan de orde is of zeer aanzienlijk gematigd kan worden. Immers, uit de in hoofdstuk 3 beschreven berekening volgt dat het bevoegd gezag op zou kunnen draaien voor de nalevings- en herstelkosten. Inhoud van bepaalde criteria zijn een 'momentopname' Een aantal van de hier relevante criteria in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit zien op eigenschappen die een bedrijf op het moment van beoordeling heeft en waarop het bevoegd gezag geen (of in ieder geval: geen doorslaggevende) invloed heeft. Het rekening houden met die criteria heeft daardoor het karakter van een momentopname. Dit, terwijl de omgevingsvergunning - en de daarin opgenomen verplichting tot zekerheidstelling - in beginsel voor onbepaalde duur zal gelden. Dit 'tijdelijke karakter' geldt vooral voor de in artikel 8.8 Omgevingsbesluit onder a (draagkracht), d ('bovenwettelijke' technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen) en f (het nalevingsgedrag) genoemde criteria. Een relatief geringe 'kans' op 'opruimkosten' kan niet tot een grote matiging van het bedrag van zekerheidstelling leiden. Het bevoegd gezag kan 'opruimkosten' alleen verhalen op de vergunninghouder of de door hem gestelde zekerheid. Het is voor het bevoegd gezag dus belangrijk, dat een zo groot mogelijk deel van de berekende opruimkosten gedekt worden door de gestelde zekerheid. Ook als de kans dat daadwerkelijk sprake zal zijn van opruimkosten gering is. Daarom kan zo'n geringe kans niet tot gevolg hebben dat het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld, aanzienlijk wordt gematigd. Of, met een voorbeeld: een kans van 0,5 % op opruimkosten van € 1 miljoen betekent niet, dat een bedrijf slechts voor € 5.000 zekerheid moet stellen. Deze redenen maken een maximaal matigingspercentage van 25 % redelijk. 4.2. De criteria en hun onderlinge verhouding Hierna worden de vier te beschouwen criteria behandeld. Dat gebeurt in subparagrafen die elk een tabel met een toelichting bevatten. In de linkerkolom van de tabel is beschreven hoe het criterium toegepast kan worden. In de rechterkolom van de tabel wordt aangegeven welke uitkomst van die toepassing leidt tot welk vervolg. De uitkomst van de toepassing van het criterium kan zijn, dat de vergunninghouder op basis van het toegepaste criterium niet in aanmerking komt voor matiging. Dit betekent niet, dat matiging helemaal niet aan de orde is. Mogelijk geeft de toepassing van ander criterium wel aanleiding tot matiging. Er is één uitzondering hierop: als bij toepassing van het criterium nalevingsgedrag blijkt dat niet aan de in de linkerkolom van de tabel genoemde voorwaarden wordt voldaan, is matiging helemaal niet aan de orde. Aan het criterium nalevingsgedrag wordt dus doorslaggevend gewicht toegekend. Dit, omdat incidenten vaak volledig of in belangrijke mate veroorzaakt worden door niet-naleving van wettelijke voorschriften. De toepassing van de vier criteria kan in twee situaties aanleiding geven tot matiging van het bedrag van de zekerheidstelling. De drie situaties zijn in de onderstaande tabel beschreven. Alle drie de situaties hebben gemeen, dat de toepassing van het criterium van artikel 8.8, aanhef en onder f, van het Omgevingsbesluit (het nalevingsgedrag van de vergunninghouder) tot matiging aanleiding geeft. Situatie Voldaan aan criterium: Percentage f. nalevingsgedrag a. draagkracht d. maatregelen e. verhouding 1. Ja Ja Ja of nee Ja of nee 25 % 2. Nee Ja of nee Ja of nee 20 % 3. Nee Ja of nee Ja of nee Ja of nee 0 % De eerste situatie ziet op gevallen waarbij naast het criterium nalevingsgedrag ook één of meer van de criteria a, d of e van artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit genoemde criterium (aanleiding geeft tot matiging. Als zich in een dergelijk geval een incident voordoet, is de kans dat het bevoegd gezag onverhaalbare nalevings- of herstelkosten moet maken het kleinst.36Hier staat dus niet de kans dat zich een incident voordoet centraal. Het uitgangspunt is de omstandigheid dat zich een incident heeft voorgedaan. Vanuit die omstandigheid is vervolgens de kans dat het bevoegd gezag onverhaalbare nalevings- of herstelkosten moet maken gelet op de financiële draagkracht van de vergunninghouder geringer dan bij situatie 2 of 3. Dat maakt voor deze gevallen het hoogste matigingspercentage opportuun. In situatie twee is die kans groter, omdat de financiële draagkracht van de vergunninghouders geringer is. Dat maakt het lagere matigingspercentage van 20 % opportuun. De derde situatie ziet op gevallen waarbij het criterium nalevingsgedrag geen aanleiding geeft tot matiging. In die gevallen is matiging niet aan de orde. 4.2.1. Het nalevingsgedrag Rekeninghouden met de criteria van artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit f. de naleving van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften Toepassing van het criterium Uitkomst en vervolg De vergunninghouder voldoet tenminste aan één van de volgende voorwaarden: De vergunninghouder heeft een actuele compliance management strategie (CMS) gericht of mede gericht op het verkleinen van het risico op schade aan de fysieke leefomgeving. Ook handelt hij in overeenstemming met de CMS. Er zijn de afgelopen vijf jaar geen overtredingen geconstateerd of de geconstateerde overtredingen duiden niet op een verhoogd risico op schade aan de fysieke leefomgeving. Er is sprake van een nieuw bedrijf. Wordt aan tenminste één van de voorwaarden voldaan? Ja? Ga verder met het volgende criterium. Nee? Ga hieronder verder met toepassing van dit criterium. De vergunninghouder voldoet aan elk van de volgende voorwaarden: er is geen sprake van overtredingen met gevolgen van de categorieën 3 of 4 dan wel gedrag van de categorieën C of D van de interventiematrix uit de Landelijke Handhavingsstrategie37 Zie BIJLAGE 1: Interventiematrix Landelijke Handhavingsstrategie. De tekst van de Landelijke Handhavingsstrategie is te raadplegen op https://www.infomil.nl/onderwerpen/integrale/handhaving/landelijke/. Zie voor een toelichting op de bedoelde categorieën hoofdstuk 3 van de Landelijke Handhavingsstrategie.; de uitkomst van de toets van elk van de overige criteria (a, d en
- e)staat niet aan matiging in de weg; en degene die de activiteit verricht, gaat overtuigende verbetermaatregelen, gericht op verbetering van het nalevingsgedrag, uitvoeren. Wordt aan elk van de voorwaarden voldaan? Ja? Ga verder naar paragraaf 4.3. Nee? Voor matiging bestaat geen aanleiding. De uitkomst van het rekeninghouden met de overige criteria is niet van doorslaggevende invloed. Toelichting bij criterium f. Compliance management strategie Met een ‘compliance management strategie’ wordt een door het bestuur vastgesteld en ingevoerd document bedoeld, waaruit blijkt op welke wijze men het naleven van regelgeving in de organisatie borgt, uitvoert, beoordeelt en bijstelt. De strategie moet in voldoende mate bijdragen aan een verkleining van het risico op schade. Dat betekent ook dat degene die de activiteit verricht, daadwerkelijk overeenkomstig de nalevingsstrategie handelt, de strategie periodiek evalueert en bijstelt. Nieuw bedrijf? Als er geen geconstateerde overtredingen zijn omdat sprake is van een nieuw bedrijf of een nieuwe bedrijfsvestiging, kan het bevoegd gezag zich geen beeld vormen over het nalevingsgedrag en de risico’s daarvan voor schade aan de leefomgeving. In die gevallen geeft dit criterium aanleiding voor een matiging van het bedrag waarvoor de zekerheid gesteld dient te worden. Dit is in overeenstemming met één van de centrale uitgangspunten van de Omgevingswet: vertrouwen. Er is sprake van een nieuw bedrijf als de vergunninghouder of het concern waarvan hij deel uitmaakt gedurende de afgelopen vijf jaar geen milieubelastende activiteit als bedoeld in de Omgevingswet heeft verricht. Relatie met andere criteria De naleving van voorschriften kan dus aanleiding geven voor matiging van het bedrag waarvoor de zekerheid gesteld moet worden. Maar: of en hoeveel het bedrag inderdaad gematigd wordt, hangt ook af de overige criteria. 4.2.2. Het draagkrachtcriterium Rekeninghouden met de criteria van artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit a. de financiële draagkracht van degene die de activiteit verricht Toepassing van het criterium Uitkomst en vervolg Bestaat het bedrijf van de vergunninghouder korter dan 5 jaar? Ja. De vergunninghouder komt tijdelijk (gedurende maximaal 5 jaar) op basis van dit criterium in aanmerking voor matiging. Ga verder met het volgende criterium. Nee. Ga hieronder verder met de toepassing van dit criterium. Beschikt het bevoegd gezag over onvoldoende financiële informatie en weigert de vergunninghouder de benodigde financiële informatie te verstrekken? Ja. De vergunninghouder komt op basis van dit criterium niet in aanmerking voor matiging. Ga verder met het volgende criterium. Nee. Ga hieronder verder met de toepassing van dit criterium. Beoordeeld wordt in hoeverre aannemelijk is dat de vergunninghouder in staat is om de nalevings- en herstelkosten te (blijven) betalen. Dat wordt voorlopig gedaan door een relatief eenvoudige berekening op basis van het eigen vermogen en de gemiddelde winst (of het gemiddelde verlies) over de afgelopen vijf jaar. Zo wordt op basis van historische gegevens berekend of verondersteld kan dat het bedrijf over 5 jaar de 'opruimkosten' kan (blijven) betalen. Bepaal het eigen vermogen (EV) in het afgelopen (meest recent beschikbare) boekjaar; de totale winst (TW) over de afgelopen vijf boekjaren. Reken X uit: X = EV + TW Conclusie: Als X een negatief bedrag is, dan komt de vergunninghouder op basis van dit criterium niet in aanmerking voor matiging. Het is dan niet aannemelijk dat de vergunninghouder in staat is en blijft om de nalevings- en herstelkosten te blijven betalen. Ga verder met het volgende criterium. Als X een positief bedrag is, dan komt de vergunninghouder op basis van dit criterium in aanmerking voor matiging. Ga verder met het volgende criterium. Toelichting bij criterium a. Nieuw bedrijf? Als er geen geconstateerde overtredingen zijn omdat sprake is van een nieuw bedrijf, is de winst over de afgelopen vijf jaar nog niet te beoordelen. In die gevallen geeft dit criterium aanleiding voor een matiging van het bedrag waarvoor de zekerheid gesteld dient te worden. Dit is in overeenstemming met één van de centrale uitgangspunten van de Omgevingswet: vertrouwen. Er is sprake van een nieuw bedrijf als de vergunninghouder of het concern waarvan hij deel uitmaakt gedurende de afgelopen vijf jaar geen milieubelastende activiteit als bedoeld in de Omgevingswet heeft verricht. Financiële informatie Om het draagkrachtcriterium toe te kunnen passen, moeten de bevoegde gezagen beschikken over voldoende financiële deskundigheid Daarnaast zijn financiële gegevens over degene die de activiteit verricht, en eventueel diens concern, nodig. Het ligt voor de hand om met de meest recente financiële gegevens te werken, maar in de praktijk zijn die niet altijd voorhanden: de meest recente jaarrekening is nog niet opgemaakt of nog niet gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. Daar komt bij dat de gedeponeerde versies van jaarrekeningen uiterst beknopt zijn en vaak onvoldoende houvast bieden het draagkrachtcriterium voldoende precies te kunnen toepassen. In het beste geval verstrekt degene die de activiteit verricht zelf de benodigde financiële gegevens aan het bevoegd gezag. Een verplichting om dat te doen, is er op dit moment nog niet. Als het bevoegd gezag niet de beschikking kan krijgen38Bijvoorbeeld: als degene die de activiteit verricht, de gegevens niet wenst te verstrekken en niet aan zijn verplichting tot deponering van de jaarstukken bij de Kamer van Koophandel heeft voldaan. over de voor deze beoordeling benodigde financiële gegevens, kan het er zekerheidshalve van uitgaan dat het draagkrachtcriterium geen aanleiding geeft om over te gaan tot matiging van het bedrag waarvoor de financiële zekerheid gesteld wordt. 4.2.3. De verhouding tussen het risico op schade en de kosten van de zekerheidstelling Rekeninghouden met de criteria van artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit e. de verhouding tussen het risico op schade als bedoeld onder c van een bepaalde omvang en de daarmee gemoeide kosten van het stellen van financiële zekerheid Toepassing van het criterium Uitkomst en vervolg Zijn de jaarlijkse kosten van financiële zekerheidstelling hoger zijn dan 5 % van de hiervoor bepaalde hoogte van de 'opruimkosten'? Nee. De vergunninghouder komt op basis van dit criterium niet in aanmerking voor matiging. Ga verder met het volgende criterium. Ja. Ga hieronder verder met de toepassing van dit criterium. Is de overschrijding van het percentage van 5 % het gevolg is van onvoldoende maatregelen of voorzieningen, ontoereikende compliance of compliancestructuur of het onvoldoende BBT-zijn van het bedrijf, of de financiële situatie van het bedrijf? Ja. Dan komt de vergunninghouder op basis van dit criterium niet in aanmerking voor matiging. Ga verder met het volgende criterium. Nee. De vergunninghouder komt op basis van dit criterium in aanmerking voor matiging. Ga verder met het volgende criterium. Toelichting bij criterium e. Jaarlijkse kosten Het stellen van een financiële zekerheid kost geld. Er zijn afsluitkosten en is zijn vaak jaarlijkse instandhoudingskosten. Het ‘drempelpercentage’ van 5 % heeft betrekking op de jaarlijkse instandhoudingskosten van een zekerheidstelling ter hoogte van het met de met de methodiek Berenschot berekende bedrag. Voldoende maatregelen? Als de kosten van zekerheidstelling als gevolg van onvoldoende naleving, compliancevraagstukken, het treffen van onvoldoende maatregelen of voorzieningen of de financiële situatie van het bedrijf hoger liggen dan 5 %, komt de vergunninghouder niet voor matiging in aanmerking. Van ‘onvoldoende maatregelen of voorzieningen’ is in ieder geval sprake als niet wordt voldaan aan de maatregelen of voorzieningen die bij of krachtens de Omgevingswet voorgeschreven zijn, aan de geldende Unienormen moet worden voldaan of aan BBT. 4.2.4. De technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen Rekeninghouden met de criteria van artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit d. de technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen die zijn genomen ter voorkoming en beperking van schade aan de fysieke leefomgeving Toepassing van het criterium Uitkomst en vervolg Heeft de vergunninghouder bovenwettelijketechnische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen getroffen waardoor de kans op nalevings- en herstelkosten in relevante mate afneemt?39Het gaat dus om technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen met een voor de fysieke leefomgeving hoger beschermingsniveau dan de maatregelen die bij of krachtens de Omgevingswet voorgeschreven zijn, waaraan gelet op de geldende Unienormen moet worden voldaan of BBT zijn. Ja. Dan komt de vergunninghouder op basis van dit criterium niet in aanmerking voor matiging. Ga verder met het volgende criterium. Nee. De vergunninghouder komt op basis van dit criterium in aanmerking voor matiging. Ga verder met het volgende criterium. Toelichting bij criterium d. Relevante veiligheidsmaatregelen Relevant zijn technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen die het risico op nalevingskosten en schade aan de fysieke leefomgeving als gevolg van de activiteit in verband waarmee de zekerheid gesteld moet worden, significant beperken. Technische veiligheidsmaatregelen die al meegenomen zijn bij de berekening van het bedrag waarvoor de zekerheid gesteld moet worden, worden nu niet meegenomen. Technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen De werking van de technische veiligheidsmaatregelen is onafhankelijk van een menselijk beïnvloedingsmoment. Zij hoeven bij een incident dus niet met een menselijke handeling ingeschakeld of geactiveerd te worden om schade aan de fysieke leefomgeving voorkomen of beperken. Voorbeelden van technische veiligheidsmaatregelen zijn brandpreventie-, branddetectie- en brandrepressievoorzieningen en voorzieningen waarmee schade aan de fysieke leefomgeving bij loss-of-containment incidenten voorkomen wordt, mits zij niet door een menselijke handeling ingeschakeld of geactiveerd hoeven te worden als zich een incident voordoet. Een bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregel is voor zijn activiteit juist wel afhankelijk van menselijke handelingen. Dergelijke maatregelen kunnen deel uitmaken van een milieuzorgsysteem waarbij op een gestructureerde wijze de met de activiteit samenhangende risico’s voor de leefomgeving geïdentificeerd en beheerst worden. Maar het kan ook gaan om meer praktische maatregelen die deel uitmaken van de werkwijze, zoals een frequente periodieke visuele controle van bepaalde installaties. Robuustheid van de veiligheidsmaatregelen Alleen veiligheidsmaatregelen die voldoende robuust zijn, worden meegenomen bij toepassing van dit afwegingscriterium. Voldoende robuust betekent dat de effectiviteit van de maatregel geborgd is gedurende een incident en bij een verstoring van de bedrijfscontinuïteit. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn een bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregel waarmee tijdens een incident de schade aan het leefmilieu kan worden beperkt. Maar, als onvoldoende vast staat dat die maatregel tijdens zo’n incident naar behoren werkt, is de maatregel onvoldoende robuust. Datzelfde kan gelden voor fysieke veiligheidsmaatregelen: wanneer een incident tot gevolg kan hebben dat de integriteit van een technische voorziening aangetast is zodat de voorziening niet meer naar behoren werkt, is zij onvoldoende robuust. 4.3. De afweging Het bevoegd gezag houdt op verschillende momenten rekening met de in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit genoemde criteria.40Daarmee geeft het bevoegd gezag invulling aan artikel 8.8, aanhef en onder g, van het Omgevingsbesluit. Voor de vraag of de verplichting tot het stellen van de financiële zekerheid wordt opgelegd, zijn vooral de criteria aard en aanwezigheid van de stoffen (
- b)en maximaal verwachte schade (
- c)bepalend. Beide criteria liggen ten grondslag aan de in hoofdstuk 2 beschreven toets aan het drempelbedrag en beide criteria maken deel uit van de in hoofdstuk 3 beschreven methodiek om de hoogte van de te stellen financiële zekerheid te berekenen. Voor de wijze waarop aan die criteria getoetst wordt, wordt dan ook naar deze beide hoofdstukken verwezen. De criteria draagkracht (a), technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen (
- d)en verhouding tussen het risico op schade en de kosten van de financiële zekerheidsstelling (
- e)en de naleving van voorschriften (
- f)kunnen vervolgens leiden tot matiging van de hoogte van de te stellen financiële zekerheid.41Bij de in hoofdstuk 2 beschreven methodiek voor het bepalen van de hoogte van de te stellen financiële zekerheid wordt ook gekeken naar technische veiligheidsmaatregelen. Hier, in hoofdstuk 5, zijn de eventuele overige technische veiligheidsmaatregelen relevant. Onderstaand schema geeft aan hoe aan deze vier criteria getoetst wordt: De afweging van de criteriadraagkracht (a), technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen (
- d)en verhouding tussen het risico op schade en de kosten van de financiële zekerheidsstelling (
- e)en de naleving van voorschriften (
- f)Beslisboom Toelichting De criteria van artikel 8.8, aanhef en onder a, d en e, van het Omgevingsbesluit Dit zijn de volgende in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit genoemde criteria: draagkracht (a), technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen (
- d)en verhouding tussen het risico op schade en de kosten van de financiële zekerheidsstelling (e). Naleving van voorschriften (
- f)Het criterium naleving van voorschriften (genoemd in artikel 8.8, aanhef en onder f, van het Omgevingsbesluit) kan alleen aanleiding samen met minimaal één van de andere hier genoemde criteria aanleiding geven tot matiging van het bedrag waarvoor financiële zekerheid gesteld moet worden. Bepalen van de hoogte van het bedrag waarvoor zekerheid gesteld wordt De weging van de criteria resulteert in: handhaving van het berekende bedrag waarvoor zekerheid gesteld moet worden; matiging van dat bedrag; of tijdelijke matiging van dat bedrag. Onderlinge samenhang van de criteria De uitkomst van de toets aan het criterium naleving van voorschriften weegt relatief zwaar, zo volgt uit de beschreven wijze van toetsing aan de vier criteria. In onderstaande tabel is aangegeven wanneer het bedrag ter hoogte waarvan de zekerheid gesteld dient te worden, gematigd kan worden. De toepassing van de vier criteria kan in twee situaties aanleiding geven tot matiging van het bedrag van de zekerheidstelling. De drie situaties zijn in de onderstaande tabel beschreven. Alle drie de situaties hebben gemeen, dat de toepassing van het criterium van artikel 8.8, aanhef en onder f, van het Omgevingsbesluit (het nalevingsgedrag van de vergunninghouder) tot matiging aanleiding geeft. Situatie Voldaan aan criterium: Percentage f. nalevingsgedrag a. draagkracht d. maatregelen e. verhouding 1. Ja Ja Ja of nee Ja of nee 25 % 2. Nee Ja of nee Ja of nee 20 % 3. Nee Ja of nee Ja of nee Ja of nee 0 % De eerste situatie ziet op gevallen waarbij naast het criterium nalevingsgedrag ook één of meer van de criteria a, d of e van artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit genoemde criterium (aanleiding geeft tot matiging. Als zich in een dergelijk geval een incident voordoet, is de kans dat het bevoegd gezag onverhaalbare nalevings- of herstelkosten moet maken het kleinst.42Hier staat dus niet de kans dat zich een incident voordoet centraal. Het uitgangspunt is de omstandigheid dat zich een incident heeft voorgedaan. Vanuit die omstandigheid is vervolgens de kans dat het bevoegd gezag onverhaalbare nalevings- of herstelkosten moet maken gelet op de financiële draagkracht van de vergunninghouder geringer dan bij situatie 2 of 3. Dat maakt voor deze gevallen het hoogste matigingspercentage opportuun. In situatie twee is die kans groter, omdat de financiële draagkracht van de vergunninghouders geringer is. Dat maakt het lagere matigingspercentage van 20 % opportuun. De derde situatie ziet op gevallen waarbij het criterium nalevingsgedrag geen aanleiding geeft tot matiging. In die gevallen is matiging niet aan de orde. Het bevoegd gezag kan in bepaalde gevallen aanleiding zien voor een tijdelijke matiging. Dit speelt vooral bij het in artikel 8.8, aanhef en onder e, van het Omgevingsbesluit genoemde criterium: de verhouding tussen het risico op schade en de kosten van de zekerheidsstelling. Wanneer de kosten van de zekerheidsstelling dermate hoog zijn dat enige matiging redelijk lijkt, kan het bevoegd gezag voor tijdelijke matiging kiezen zodat degene die de activiteit verricht, tijd krijgt om zijn bedrijfsvoering af te stemmen op de kosten van de zekerheidsstelling. Bij tijdelijke matiging loopt het matigingspercentage periodiek – bijvoorbeeld: per kalenderjaar – af en loopt het bedrag waarvoor zekerheid gesteld moet worden dus op. Dit moet opgenomen zijn in de voorschriften over de financiële zekerheidsstelling. 5. Beoordeling van de vorm van de te stellen financiële zekerheid 5.1. Inleiding Het bevoegd gezag stelt in een vergunningvoorschrift of maatwerkvoorschrift de vorm van de te stellen financiële zekerheid vast. De uiteindelijke keuze voor een specifieke vorm van financiële zekerheid is het resultaat van de afweging van twee belangen: het belang van de vergunninghouder om de voor hem minst belastende vorm van zekerheid te stellen en het belang van het bevoegd gezag (het hebben of verkrijgen van voldoende zekerheid). Alhoewel het bevoegd gezag rekening bij het vastleggen van de vorm van de zekerheid in het vergunningvoorschrift of maatwerkvoorschrift rekening moet houden met de voorkeur van de vergunninghouder, kan het belang van het bevoegd gezag zwaarder wegen. Dit volgt uit het vet weergeven deel van de tekst uit artikel 8.9 lid 2: "Het bevoegd gezag houdt (…) in ieder geval rekening met: a. de voorkeur van degene die de activiteit verricht voor een specifieke vorm van financiële zekerheid, als die vorm voldoende zekerheid biedt; (...)" Vaak kunnen vergunninghouder en bevoegd gezag tijdens het vooroverleg hun belangen al uitwisselen en verkennen of overeenstemming over de vorm van de zekerheid bereikt kan worden. Vindt het vooroverleg niet plaats? Of wordt daarin niet gesproken over de zekerheidstelling? Dan kan het bevoegd gezag in de ontwerpvergunning zelf de juridische vorm en de hoogte van de zekerheidstelling opnemen. Daar kan de vergunninghouder dan met zijn zienswijze over de ontwerpvergunning op reageren. In dit deel van de handreiking wordt beschreven aan de hand van welke criteria uiteindelijk beoordeeld kan worden, welke vorm van zekerheid acceptabel is. Schematisch kan die beoordeling als volgt worden weergegeven: Let op: Het beoordelen van een financiële zekerheid vraagt bijzondere juridische en financiële expertise. Het is van belang dat die expertise beschikbaar is tijdens het vergunningverleningsproces (inclusief het vooroverleg daarover), maar ook voor de fase van nalevingstoezicht en handhaving en op het moment dat daadwerkelijk kosten verhaald gaan worden op de gestelde financiële zekerheid. Het gaat bij juridische expertise in het bijzonder om kennis van: ondernemingsrecht (om concernverbanden te kunnen duiden); verzekeringsrecht (om te beoordelen of een specifieke verzekering als financiële zekerheid kan dienen); de rechtsfiguren bankgarantie, borgtocht, hypotheekrecht en pandrecht (om te beoordelen of dergelijke instrumenten als financiële zekerheid kunnen dienen). Het gaat bij financiële expertise in het bijzonder om kennis van de wijze waarop de kredietwaardigheid van ondernemingen beoordeeld kan worden. Als een pandrecht of hypotheekrecht als financiële zekerheid wordt voorgesteld, dan is ook expertise nodig om de waarde van het onderpand te kunnen beoordelen. 5.2. Algemene informatie over enkele vormen van financiële zekerheid 5.2.1. Bankgarantie en borgtocht Een bankgarantie is een overeenkomst waarbij de garantiesteller (vaak: een bank of andere financiële instelling) toezegt een in die overeenkomst vastgesteld bedrag te zullen betalen aan de begunstigde (hier: de gemeente of provincie43Financiële zekerheid wordt niet gesteld ten gunste van het bevoegd gezag (het bestuursorgaan burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten), maar ten gunste van de publiekrechtelijke rechtspersoon waar dat bestuursorgaan deel vanuit maakt (de gemeente of provincie). Omdat deze handreiking niet op het stellen van financiële zekerheid in verband met wateractiviteiten (waarvoor het dagelijks bestuur van de waterschappen en in bepaalde gevallen de Minister van Infrastructuur en Waterstaat bevoegd gezag zijn) ziet, worden waterschappen en de Staat hier niet genoemd als partijen ten gunste van wie een zekerheid gesteld kan worden.) indien een derde partij (hier: degene die de activiteit in verband waarmee de zekerheid wordt gesteld) bepaalde verplichtingen niet nakomt. Een borgtocht is een overeenkomst waarbij de borg (vaak: een bank of andere financiële instelling, maar eventueel ook een moedermaatschappij) zich tegenover een schuldeiser (hier: de gemeente of de provincie) verbindt tot nakoming van een verbintenis (het betalen van een in de overeenkomst vastgesteld bedrag) indien de schuldenaar (hier: de vergunninghouder) bepaalde verplichtingen niet is nakomt. 5.2.2. Hypotheekrecht en pandrecht Een schuldeiser met een hypotheekrecht of een pandrecht heeft het recht om bij voorrang boven andere schuldeisers zich te verhalen op de opbrengst van een onderpand om zo zijn schulden betaald te krijgen uit de opbrengst van dat onderpand. Hypotheekrecht en pandrecht lijken sterk op elkaar, maar hebben één belangrijk verschil: een hypotheekrecht kan alleen gevestigd worden op registergoederen (dat zijn goederen die overdracht of vestiging van bijvoorbeeld een eigendomsrecht door de notaris ingeschreven moeten worden in de daarvoor bestemde openbare registers). Onroerende zaken (zoals: grond en bouwwerken) zijn de bekendste voorbeelden van registergoederen, maar ook sommige roerende zaken (zoals bij het kadaster te boek gestelde schepen en geregistreerde vliegtuigen) en sommige vermogensrechten (zoals zakelijke genotsrechten, erfpacht, vruchtgebruik, erfdienstbaarheid, appartementsrecht en recht van opstal); een pandrecht kan alleen gevestigd worden op niet-registergoederen. Bijvoorbeeld op vorderingen, vrachtwagens, kantoormeubilair en machines (voor zover die laatste geen onroerende zaak zijn), aandelen of obligaties. 5.2.3. Verzekering Een verzekering is een overeenkomst tussen een verzekerde en een verzekeraar waarmee de verzekerde tegen betaling van een premie de financiële gevolgen van een bepaald risico probeert af te dekken. Een verzekering kan ook afgesloten worden om de financiële gevolgen van schade aan de fysieke leefomgeving af te dekken. Een milieuschadeverzekering is daar een voorbeeld van. Als verzekering wordt voorgedragen als financiële zekerheid als bedoeld in artikel 13.5 van de Omgevingswet zijn er de volgende aandachtspunten: het bevoegd gezag moet niet alleen kosten van herstel van schade aan de leefomgeving kunnen verhalen op de financiële zekerheid, maar ook kosten voor de naleving van verplichtingen die gelden in op grond van de omgevingsvergunning. Dat kan bijvoorbeeld gaan om onderzoeksverplichtingen die op zichzelf niet altijd als ‘schade aan de leefomgeving’ aan te merken zijn en dus niet noodzakelijkerwijs onder de dekking van een verzekering vallen. een verzekering keert doorgaans aan de begunstigde uit – veelal: de verzekerde – en niet aan het bevoegd gezag. Als dat het geval is, kan het bevoegd gezag niet overeenkomstig artikel 13.5 lid 4 van de Omgevingswet rechtstreeks de gemaakte kosten op de gestelde zekerheid zelf verhalen. Als de verzekerde dan ook nog failliet is of in surseance van betaling verkeert, neemt de kans dat het bevoegd gezag de kosten succesvol kan verhalen nog verder af. 5.2.4. Fonds Tankstationhouders hebben de stichting Collectieve Financiële Zekerheidsfonds opgericht om financiële zekerheid te stellen voor ongedekte schade aan het milieu in geval van een faillissement. Denkbaar is, dat andere ondernemingen ook een dergelijk waarborgfonds oprichten dat kan dienen als financiële zekerheid zoals bedoeld in artikel 13.5 van de Omgevingswet. Een dergelijke stichting kan alleen aangemerkt worden als adequate financiële zekerheid indien: de governance van de stichting zo is ingericht dat het bestuur onafhankelijk kan opereren ten opzichte van de deelnemende ondernemingen; de stichting op eerste aanzegging van het bevoegd gezag tot vergoeding van de door het bevoegd gezag gemaakte kosten overgaat; de stichting voldoende financiële middelen heeft; de stichting de financiële risico’s adequaat beheerst en voldoende verzekerd heeft; en (of), de aan de stichting deelnemende bedrijven voldoende draagkrachtig zijn om de risico's van de deelnemende bedrijven te dragen. In het algemeen geldt: hoe meer deelnemers een fonds heeft, hoe beter de risico's gespreid worden. 5.2.5. Concerngarantie Bijlage 4 bevat een juridisch advies over de bruikbaarheid van een concerngarantie als financiële zekerheid. Daarin wordt onder meer afgeraden om de zogenoemde 403-verklaring als financiële zekerheid te accepteren. Geconcludeerd wordt, dat een zogenoemde contractuele concerngarantie mogelijk wel een aanvaardbare vorm van zekerheidstelling kan zijn. 5.3. Randvoorwaarden waaraan de te stellen financiële zeke