Beleidsregels bijzondere bijstandBeleidsregels bijzondere bijstand gemeente Lochem Het college van de gemeente Lochem, gelet op de Participatiewet, in het bijzonder de artikelen in hoofdstuk 4.1; gelet op de Verordening Sociaal Domein 2024; gelet op de Algemene wet bestuursrecht; besluit vast te stellen: de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Lochem 1. Begripsbepaling In deze beleidsregels wordt verstaan onder: college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Lochem; algemene bijstand: bijstand, die wordt verstrekt voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals kosten van levensonderhoud, die uit het inkomen moeten worden voldaan; bijzondere bijstand: bijstand die bestemd is voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan, die niet kunnen worden voldaan uit het inkomen, de toepasselijke bijstandsnorm of inkomensvoorziening en/of uit het aanwezige vermogen zoals bedoeld in artikel 35 van de Pw; bijstandsnorm: norm zoals bedoeld in artikel 20, 21, 22 (met uitzondering van 22a Kostendelersnorm) en 23 van de Pw; individuele inkomenstoeslag: de toeslag zoals bedoeld in artikel 36 Pw; voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze beleidsregels waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgave, zoals bedoeld in de artikel 5 sub e en 15 van de Pw; draagkracht: het deel van de middelen wat de belanghebbende aan kan wenden om in bijzondere kosten te kunnen voldoen. De draagkracht in relatie tot bijzondere bijstand wordt uitgedrukt in een percentage van het voor de bijzondere bijstand in aanmerking te nemen inkomen. Er wordt in dit verband gesproken van een draagkrachtpercentage; Pw: de Participatiewet; Wlz: de Wet langdurige zorg; Wmo: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Nibud: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting; Woning: een pand dat naar zijn aard bestemd is voor bewoning. 2. Algemene bepalingen Deze beleidsregels hebben betrekking op de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35 van de Pw, ten behoeve van ingezetenen van gemeente Lochem. Als ingezetene wordt aangemerkt degene die zijn woonplaats heeft in de gemeente Lochem. Iemand heeft zijn woonplaats in gemeente Lochem indien: hij staat ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP) op een woonadres in de gemeente Lochem; en hij daar ook feitelijk woonachtig is. Het college kan op grond van bijzondere omstandigheden afwijken van het bepaalde in het vorige lid onder a. 3. Beleid m.b.t. inkomen, vermogen en draagkracht 3.1 Inkomen Tot het inkomen van belanghebbende worden gerekend de middelen, het inkomen en het bijzonder inkomen als bedoeld in de artikelen 31 lid 1, 32 en 33 Pw. De middelen genoemd in artikel 31 lid 2 Pw worden niet als inkomen beschouwd. Bij de vaststelling van het inkomen wordt een verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing gelaten. Inkomsten uit arbeid van ten laste komende kinderen, als bedoeld in artikel 31 lid 2 sub h Pw, worden alleen vrijgelaten, indien het bijzondere bijstand betreft voor een ander in de bijstand begrepen persoon dan het minderjarige kind met inkomsten uit arbeid. Betreft het een aanvraag voor het minderjarige kind zelf, dan moeten deze inkomsten wel worden meegenomen. De definitie van inkomen zoals in dit artikel omschreven, is ook van toepassing op artikel 3.2, 3.3 en 3.6 t/m 3.9 van de Verordening Sociaal Domein 2024: de Individuele Inkomenstoeslag en de Meedoenregeling. Bij de vaststelling van het besteedbaar inkomen wordt het deel dat ingehouden wordt voor schuldeisers op grond van een wettelijke verplichting, een minnelijke schuldregeling (WSNP of MSNP) of loonbeslag buiten beschouwing gelaten. 3.2Vermogen Het vermogen wordt op dezelfde manier vastgesteld als bij de algemene bijstand. Belanghebbende dient een vermogen te hebben dat minder is dan de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 lid 3 Pw. Dit geldt ook voor de Meedoenregeling en de Individuele inkomenstoeslag zoals omschreven in artikel 3.2, 3.3 en 3.6 t/m 3.9 van de Verordening Sociaal Domein 2024. Het vermogen van belanghebbenden, die actueel een uitkering ingevolge de Participatiewet ontvangen, wordt vastgesteld in overeenstemming met het laatst vastgestelde vermogen in het kader van de algemene bijstandsverlening. Er geldt een extra vermogensvrijlating indien er sprake is van uitvaartreservering in natura (niet afkoopbaar) die gereserveerd staat op een aparte rekening of een aparte polis waarvan geen opnames kunnen worden gedaan. Voor de vaststelling van de waarde van auto’s, motoren en caravans (inclusief btw) wordt in beginsel uitgegaan van de koerslijst van de ANWB (verkoopprijzen). Auto’s en motoren die vanwege de ouderdom niet meer voorkomen in de ANWB koerslijst worden niet meegerekend voor het vermogen. In afwijking van het vierde lid kan wel rekening worden gehouden met de waarde van een oudere auto of motor, wanneer het een auto of motor betreft met een historische waarde. Er geldt een vermogensvrijlating op de waarde van een auto van € 4.500, -. In afwijking van het eerste lid blijft het vermogen buiten beschouwing bij de collectieve ziektekostenverzekering en de tegemoetkoming zorgkosten. Vrijlating lopende betaalrekening voor vermogen ter hoogte van eenmaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 3.3Draagkracht Bijzondere bijstand wordt verstrekt onder aftrek van de draagkracht. Geen draagkracht hebben belanghebbenden die, op jaarbasis, een netto-inkomen hebben tot 110% van de voor hen geldende bijstandsnorm (exclusief vakantiegeld) en die geen vermogen hebben boven de voor hen geldende vermogensgrens, zoals bedoeld in artikel 34 lid 3 Pw. Indien de belanghebbende een inkomen heeft welke hoger ligt dan 110% van de geldende bijstandsnorm dan geldt volledige draagkracht. Het eigen vermogen van belanghebbende dient aangewend te worden indien het vermogen van belanghebbende hoger ligt dan de toepasselijke vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Pw. In afzonderlijke regelingen en/of kostensoorten kunnen afwijkende draagkrachtregels worden toegepast. De draagkracht wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn. Uitzondering hierop vormen de doelgroepen pensioengerechtigden, bijstandsgerechtigden en mensen die in de Wajong zitten. Voor deze doelgroepen kan de draagkracht voor een periode van maximaal drie jaar worden vastgesteld. Indien zich in de loop van de vastgestelde draagkrachtperiode ontwikkelingen voordoen die van zodanig belangrijke aard zijn dat hieraan niet kan worden voorbijgegaan (bijvoorbeeld het wegvallen c.q. het ontstaan van inkomstenbronnen) kan in afwijking van het zevende lid herziening plaatsvinden van de draagkracht over het resterende deel van de draagkrachtperiode. Bij elke volgende aanvraag binnen de draagkrachtperiode wordt rekening gehouden met de vastgestelde draagkracht; de vastgestelde ruimte blijft dus gelden. Bij bepaling van de draagkracht wordt rekening gehouden met de eigen bijdrage WLZ. 4. Aanvraag Bijzondere bijstand wordt, ingevolge van artikel 43, in principe op aanvraag verstrekt. Aanvragen voor bijzondere bijstand kunnen worden ingediend uiterlijk binnen zes maanden na de datum waarop de kosten zijn gemaakt. Het is dus mogelijk om met terugwerkende kracht bijzondere bijstand te verlenen. Voorwaarde is in ieder geval dat de noodzakelijkheid van de kosten alsnog kan worden vastgesteld en dat belanghebbende ten tijde van het ontstaan van de kosten niet over voldoende middelen kon beschikken. 5. Wijze van verstrekken De bijzondere bijstand wordt in beginsel “om niet” (zonder terugbetaalverplichting) verstrekt. Dit sluit echter niet uit dat in bepaalde gevallen de bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht wordt verstrekt of teruggevorderd. Bijzondere bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien: het bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen betreft; redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Onder korte termijn wordt verstaan een periode van maximaal 12 maanden; de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft; De bijstand die in de vorm van een renteloze geldlening wordt verleend, moet in beginsel worden terugbetaald. De aflossingstermijn van een renteloze geldlening wordt in principe vastgesteld op 3 jaar. Indien er na maximaal 36 maanden nog een restant bestaat, dan wordt dit omgezet in bijstand om niet. Belanghebbende moet dan wel aan de voorwaarden voldaan hebben, dat hij de vastgestelde maandelijkse aflossingsbedragen volledig heeft afbetaald. Van lid 4 kan worden afgeweken als blijkt dat: belanghebbende op korte termijn een aanzienlijk hoger bedrag kan aflossen; of indien hij in de eerste drie jaar nalatig is geweest met het aflossen van de geldlening; of wanneer belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kan worden verweten met betrekking tot het ontstaan of voortduren van de situatie welke tot het verstrekken van bijstand in de vorm van een geldlening heeft geleid. De looptijd wordt in dit geval langer aangezien belanghebbende het volledige bedrag moet aflossen. Bij het bepalen van de hoogte van de aflossing van de renteloze lening wordt, indien dit wettelijk wordt vereist, rekening gehouden met de beslagvrije voet. Het aflossingspercentage bedraagt maximaal 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag, tenzij wettelijk een afwijkend percentage is vastgesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a, Pw. Bij een inkomen boven de bijstandsnorm wordt de aflossing verhoogd met 50% van deze meerinkomsten. 6. Uitbetaling De individuele bijzondere bijstand kan alleen worden verleend voor daadwerkelijk gemaakte kosten, waarvoor betalingsbewijzen moeten worden overlegd. Als het betalingsbewijs geen factuur betreft, moet de factuur alsnog achteraf worden overgelegd. Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van hetgeen in lid 1 bepaald. De uitbetaling kan rechtstreeks aan de leverancier geschieden. Bijzondere bijstand kan in natura worden verstrekt. 7. Terugvordering Het college kan de verstrekte bijzondere bijstand terugvorderen indien deze: Niet volledig is besteed aan het doel waarvoor deze is toegekend; Is besteed aan een ander doel dan waarvoor deze is toegekend. Wanneer de verplichting tot terugbetaling van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening, zoals bedoeld in artikel 5, niet of onvoldoende wordt nagekomen, wordt de bijzondere bijstand teruggevorderd op grond van artikel 58 lid 2 Pw. Nadere regelgeving is te vinden in hoofdstuk 8 van de beleidsregels Werk en Inkomen 2021: Terugvordering en Verhaal. 8. Algemeen noodzakelijke bestaanskosten 8.1 Bijzondere bijstand voor jongeren 18-21 jaar Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten aan jongeren van 18 tot 21 jaar wordt verleend indien en voor zover de jongere geen beroep kan doen op zijn ouders omdat: de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of de jongere redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders niet te gelde kan maken. De jongere bedoeld onder lid 1 b wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken indien: de ouder of ouders zijn overleden of in het buitenland wonen; de jongere in het kader van de Jeugdwet buiten het gezin is geplaatst; er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de jongere zelf geen verandering kan worden gebracht. Hiertoe dient een indicatie te worden gegeven door een hulpverlenende instantie. De noodzakelijke kosten van bestaan van de alleenstaande jongere, alleenstaande ouder of gehuwde van 18 tot 21 jaar worden gelijkgesteld aan de toepasselijke inkomensvoorziening Pw voor alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde van 21 jaar of ouder. In afwijking van lid 3, wordt voor jongeren van 18 tot 21 jaar die in een inrichting verblijven, de noodzakelijke kosten van bestaan gelijkgesteld op het normbedrag voor jongeren van 18 tot 21 jaar. De bijzondere bijstand wordt waar mogelijk, op grond van paragraaf 6.5 Pw verhaald. Daarmee wordt voorkomen dat de beslissing tot bijstandsverlening afbreuk doet aan de ouderlijke onderhoudsplicht. 8.2 Bijzondere bijstand i.v.m. het niet ontvangen van de alleenstaande ouderkop Aan de alleenstaande ouder als bedoeld in de Pw, die vanwege het hebben van een toeslagpartner geen aanspraak kan maken op de alleenstaande ouderkop, kan aanvullend bijzondere bijstand worden verstrekt ter hoogte van de alleenstaande ouderkop. Aan deze verstrekking kunnen nadere verplichtingen worden verbonden die er toe strekken dat de noodzaak voor deze verstrekking op de kortst mogelijke termijn wordt opgeheven. 9. Woonkosten 9.1 Woonkostentoeslag bij een huurwoning onder de maximale huurgrens. De Wet op de huurtoeslag geldt als voorliggende voorziening. De woonkosten bij een huurwoning bestaan uit: de per maand geldende rekenhuur als omschreven in artikel 5, van de Wet op de huurtoeslag. In gevallen waar de belanghebbende geen aanspraak kan maken op de huurtoeslag, kan bijzondere bijstand worden verstrekt ter hoogte van de huurtoeslag. Bij de bepaling of belanghebbende in aanmerking komt voor woonkostentoeslag wordt er rekening gehouden met voorzienbaarheid van de situatie en de reservering van vermogen of reserveringsmogelijkheden. 9.2 Woonkostentoeslag boven de maximale huurgrens bij een huurwoning In het geval de woonkosten boven de maximale huurgrens liggen, kan voor de duur van maximaal een jaar een woonkostentoeslag worden toegekend. Aan de verlening van woonkosten wordt de verplichting verbonden, dat de belanghebbende alles in het werk stelt om goedkopere woonruimte te verkrijgen. De woonkostentoeslag kan met maximaal een jaar worden verlengd, als de belanghebbende er niet in is geslaagd goedkopere woonruimte te verkrijgen, ondanks voldoende inspanningen daartoe. De draagkracht van belanghebbende wordt gesteld op al het meerdere inkomen boven de al van toepassing zijnde bijstandsnorm in afwijking op artikel 3.3, lid 4 van deze beleidsregel. Wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college onvoldoende inspanningen heeft verricht om passende woonruimte te verkrijgen, kan de woonkostentoeslag worden beëindigd dan wel verlenging van de woonkostentoeslag worden geweigerd. Van de belanghebbende wordt in ieder geval verwacht dat hij Ingeschreven is als woningzoekende; Consequent en adequaat reageert op elke beschikbare woning met een huur lager dan de huurgrens, ongeacht de aard of ligging van de woning. Voor het berekenen van de woonkostentoeslag wordt gebruik gemaakt van de rekentool van Schülinck. Wanneer er sprake is van aantoonbaar tekortschietend besef en/of voorzienbaarheid dan wordt de woonkostentoeslag niet toegekend of ingetrokken. 9.3 Woonkostentoeslag bij een eigen woning Woonkostentoeslag aan woningeigenaren kan worden toegekend aan woonkosten boven of onder de maximale huurgrens. Tot de woonkosten worden gerekend: De hypotheekrente; Het eigenaarsdeel onroerendzaakbelasting; De premie voor de opstalverzekering; De erfpachtcanon; De omslagheffing voor huiseigenaren (waterschapslasten); Vaste bedragen voor de kosten van groot onderhoud. Wanneer de belanghebbende aan wie woonkostentoeslag is toegekend naderhand over dezelfde periode een teruggave van de Belastingdienst ontvangt, bepaalt het college welk bedrag van belanghebbende moet worden teruggevorderd. Het uitgangspunt hierbij is dat het terugvorderingsbedrag maximaal het bedrag van de teruggave van de Belastingdienst is. De draagkracht van belanghebbende wordt gesteld op al het meerdere inkomen boven de al van toepassing zijnde bijstandsnorm in afwijking op artikel 3.3, lid 4 van deze beleidsregel. Indien mogelijk moet er eerst gebruik gemaakt worden van een voorliggende voorziening zoals de nationale hypotheekgarantie en de hypotheekrenteaftrek. Voor het berekenen van de woonkostentoeslag wordt gebruik gemaakt van de rekentool van Schülinck. Verstrekking van de woonkostentoeslag vindt in eerste instantie plaats voor een periode van maximaal één jaar. Aan de verlening van woonkosten wordt de verplichting verbonden, dat de belanghebbende alles in het werk stelt om goedkopere woonruimte te verkrijgen. De woonkostentoeslag kan met maximaal één jaar worden verlengd, als de belanghebbende er niet in is geslaagd goedkopere woonruimte te verkrijgen, ondanks voldoende inspanningen daartoe. Wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college onvoldoende inspanningen heeft verricht om passende woonruimte te verkrijgen, kan de woonkostentoeslag worden beëindigd dan wel verlenging van de woonkostentoeslag worden geweigerd. Met de inspanningsverplichting wordt bedoeld: belanghebbende moet de woning te koop zetten voor een passende prijs en op zoek naar een passende woning. Hierbij zijn de voorwaarden van toepassing zoals benoemd in artikel 9.2, lid 12 en lid 13. Van de belanghebbende wordt in ieder geval verwacht dat hij Een makelaar heeft ingeschakeld; Zijn woning via een advertentie te koop aanbiedt (in krant, op een specifieke, vrij toegankelijke website voor het aanbieden van koopwoningen, e.d.); Aantoonbaar actief op zoek is naar nieuwe woonruimte; Een reële vraagprijs stelt, waarbij de WOZ-waarde als uitgangspunt geldt; De vraagprijs zo nodig naar beneden bijstelt, waarbij 80% van de WOZ-waarde nog acceptabel wordt geacht. De inspanning wordt in ieder geval onvoldoende geacht, wanneer de belanghebbende Uitsluitend een makelaar heeft ingeschakeld, zonder dat de makelaar verdere marktgerichte activiteiten onderneemt; Een feitelijk bod weigert, ook al is dit bod onder zijn vraagprijs; Zijn vraagprijs niet naar beneden bijstelt; Een goedkopere beschikbare woning weigert. In bijzondere gevallen kunnen wij afwijken op persoonlijke gronden. 9.4 Waarborgsom en administratiekosten Bijzondere bijstand voor de waarborgsom en administratiekosten is mogelijk, indien de noodzaak voor de verhuizing niet voorzienbaar was voor de belanghebbende. De waarborgsom wordt verstrekt in de vorm van een geldlening. 9.5 Eerste huurkosten Bijzondere bijstand voor de huur voor de eerste volledige maand en eventueel de onvolledige voorafgaande maand is mogelijk indien de noodzaak voor de verhuizing niet voorzienbaar was voor de belanghebbende. In het geval van statushouders, die zich in het kader van de taakstelling voor huisvesting in Lochem vestigen, wordt in ieder geval gesteld dat er omstandigheden zijn om bijzondere bijstand te verstrekken. 10. Kosten in verband met ziekte en ondersteuning 10.1 Collectieve zorgverzekering Belanghebbenden met een netto maandinkomen tot en met 130% van de geldende bijstandsnorm, exclusief vakantiegeld, kunnen deelnemen aan de collectieve zorgverzekering van de door het college aangewezen zorgverzekeraar. De vermogensgrens is niet van toepassing. De peildatum voor deze inkomenstoets is de datum van de aanvraag. Het college levert een bijdrage in de premie van de door het college aangewezen zorgverzekeraar. Deze bijdrage wordt als korting verrekend. 10.2 Medische kosten Medische kosten komen in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. De zorgverzekering (basis en aanvullend) geldt als een voorliggende voorziening. In bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken. Voor eigen bijdragen voor medisch noodzakelijke voorzieningen genoemd in de Zorgverzekeringswet kan wel bijzondere bijstand worden verstrekt. Dit geldt echter niet voor het eigen risico. Bij volledige of gedeeltelijke benutting van het eigen risico kan er wel een beroep worden gedaan op de tegemoetkoming zorgkosten. Het goedkoopste aanvullende pakket (inclusief tandheelkundige verzekering) van de zorgverzekeraar, waarbij belanghebbende op het moment van aanvraag verzekerd is, is van toepassing als passende voorliggende voorziening. Indien redelijkerwijs van belanghebbende niet verwacht kan worden dat hij gebruik maakt van een aanvullende verzekering of omdat hij zich niet aanvullend kan verzekeren als gevolg van opname in het WSNP of het wanbetalersregime zorgpremie, dan is bijzondere bijstand mogelijk. Hetgeen bepaald in dit artikel, is overeenkomstig van toepassing op de volgende artikelen betreffende medische kosten. 10.3 Medische kosten: tandheelkundige kosten De eigen bijdragen en kosten (niet het eigen risico) die rechtstreeks verband houden met een verstrekking op grond van de basisverzekering Zorgverzekeringswet, zoals volledige gebitsprotheses, komen voor vergoeding in aanmerking. De tandverzekering is voorliggend op bijzondere bijstand voor tandheelkundige kosten. We gaan hierbij uit van het tandartspakket Start van de Gemeentepolis. Indien de werkelijke kosten hoger zijn dan de vergoeding van het tandartspakket Start kan tot maximaal € 500,- per gezinslid per kalenderjaar worden aangevuld. Indien belanghebbende geen tandverzekering kan afsluiten vanwege een WSNP-traject of een wanbetalersregeling dan kan bijzondere bijstand worden verleend. De bijzondere bijstand is maximaal € 500,- per gezinslid kalenderjaar. 10.4 Tegemoetkoming zorgkosten Als tegemoetkoming in de zorgkosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt, indien de belanghebbende heeft aangetoond dat hij gedurende het jaar het verplicht eigen risico geheel of gedeeltelijk heeft verbruikt. Belanghebbenden met een netto maandinkomen tot en met 130% van de geldende bijstandsnorm, exclusief vakantiegeld, kunnen een tegemoetkoming in de zorgkosten aanvragen. De vermogensgrens is niet van toepassing. Het bedrag van vergoeding komt overeen met het betaalde eigen risico. Een tegemoetkoming in de zorgkosten kan twee keer per jaar worden aangevraagd op basis van de factuur/facturen van de zorgverzekeraar. De vergoeding is nooit hoger dan de werkelijk gemaakte kosten en kan niet de hoogte van het maximale eigen risico overschrijden. De aanvraag dient te geschieden in het jaar waarop het eigen risico betrekking heeft, tenzij de zorgaanbieder de rekening later heeft ingediend. De aanvraag kan met terugwerkende kracht worden aangevraagd tot maximaal 6 maanden na de datum van het declaratieoverzicht. Indien de belanghebbende aanvullend verzekerd is via de collectieve zorgverzekering en geen eigen risico hoeft te betalen, heeft belanghebbende geen recht op de tegemoetkoming. Indien belanghebbende in het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft inkomenscompensatie heeft ontvangen in verband met arbeidsongeschiktheid in het kader de WAO, WIA, Wajong of WAZ, heeft belanghebbende recht op de tegemoetkoming onder aftrek van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten van het UWV. 10.5 Medische kosten: eigen bijdragen Wmo- of Wlz-voorzieningen Voor zover de aanvrager niet redelijkerwijs gebruik kan maken van de collectieve ziektekostenverzekering kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de eigen bijdragen, voor zover deze door het CAK zijn vastgesteld. 10.6 Begrafenis- of crematiekosten Bijzondere bijstand ten behoeve van begrafenis of crematie kan verleend worden aan de nabestaande van de overledene, voor zover de uitvaartkosten niet uit de nalatenschap voldaan kunnen worden en de nabestaande niet over toereikende middelen beschikt om (zijn aandeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.