Verzamelverordening Inkomensondersteuning, re-integratie en participatie 2023De raad van de gemeente Apeldoorn; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 21 december 2023, nummer 165-2023; gelet op de artikelen 108, 147, 149 en 156 van de Gemeentewet, de artikelen 6, 8, 8a, 8b en 10b van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 35 van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 4a van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, artikel 4:13, titel 4.2, artikelen 4:87 en 4:89 van de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene subsidieverordening van de gemeente Apeldoorn en door de raad vastgestelde (kader)nota’s waarin kaderstellende uitgangspunten zijn geformuleerd voor de gemeentelijke invulling van de Participatiewet, IOAW, IOAZ en het Sociaal Vangnet; gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein d.d. 21 december 2023; overwegende dat het noodzakelijk is om de regels zoals opgenomen in de huidige verzamelverordening te wijzigen in verband met de wetswijziging ‘Uitvoeren Breed offensief”; besluit: vast te stellen de Verzamelverordening Inkomensondersteuning, re-integratie en participatie 2023.’ Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begrippen 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet. 2.In deze verordening wordt verstaan onder: - algemeen geaccepteerde arbeid: alle (tijdelijke) arbeid die maatschappelijk aanvaard is en die niet indruist tegen de integriteit van de persoon; - arbeidsbeperking: een functionele beperking van medische, psychische of sociale aard waardoor de belanghebbende ondersteuning nodig heeft bij de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie; - Awb: Algemene wet bestuursrecht; - Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; - benadelingsperiode: de periode waarop ten gevolge van een verwijtbare gedraging eerder of langer een beroep op bijstand wordt of is gedaan door een belanghebbende; - bijstandsnorm: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onder c, van de PW; - Breed offensief: het pakket aan maatregelen en voorzieningen van de overheid om de arbeidsmarktkansen voor personen uit deze doelgroep te vergroten; - chartale betaling: betaling met contant geld waaronder begrepen betalingen met pin; - college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn; - doelgroep beschut werk personen als bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de PW; - doelgroep loonkostensubsidie: personen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, van de PW; - doelgroep re-integratie: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de PW; - financiële benadeling: het netto bedrag in geval van de PW of het bruto bedrag in het geval van IOAW/IOAZ waarop als gevolg van een verwijtbare gedraging van de belanghebbende, een hoger beroep op bijstand wordt gedaan; - grondslag: de uitkeringsnorm als bedoeld in artikel 5 van de IOAW en IOAZ; - inkomen: het inkomen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de PW. De uitkering die op grond van de PW voor de kosten van levensonderhoud wordt verstrekt, wordt ook tot het inkomen gerekend; - interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; - inwoner: de inwoner van de gemeente Apeldoorn, die als zodanig staat ingeschreven in de Basisregistratie personen en ook feitelijk op dit adres woonachtig is; - IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; - IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; - jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; - maatregel: het verlagen van bijstand en bijzondere bijstand dan wel het tijdelijk of blijvend weigeren van de IOAW/IOAZ-uitkering; - mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; - niet-uitkeringsgerechtigde: een persoon als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de PW die geen uitkering voor levensonderhoud ontvangt op grond van de PW, IOAW of IOAZ maar wel tot de doelgroep re-integratie behoort; - onverwijld: binnen zeven dagen nadat het feit of de omstandigheid zich heeft voorgedaan, dan wel het kenbaar werd of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn voor de belanghebbende; - overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de PW; - persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de PW en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de PW; - Praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; - PW: Participatiewet; - UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersvoorzieningen; - voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; - werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie; - werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de PW met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is; - Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; - Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel1.2Aanvraagformulier Aanvragen en verzoeken zoals in deze verordening vermeld worden schriftelijk ingediend en met gebruikmaking van het daarvoor bestemde formulier, tenzij anders aangegeven. Hoofdstuk2Re-integratie, uitstroombevordering en tegenprestatie Paragraaf1Beleid, evaluatie en algemene bepalingen over voorzieningen Artikel2.1.1Evenwichtige verdeling en evaluatie 1.Het college biedt aan de belanghebbende behorend tot de doelgroep ondersteuning bij de arbeidsinschakeling voor zover deze ondersteuning door het college noodzakelijk wordt geacht. 2.Het college houdt bij het aanbieden van voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van de belanghebbende. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die belanghebbende en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 3.Het college kan voor verschillende soorten voorzieningen een subsidie- of budgetplafond vaststellen. Het college weigert de inzet van de voorziening als dit plafond bereikt is, tenzij in de wet anders is bepaald. Indien een ingesteld plafond bereikt is, biedt het college een andere voorziening als alternatief aan indien dit voor de arbeidsinschakeling noodzakelijk wordt geacht. 4.Het college informeert de raad periodiek over de doeltreffendheid van de inzet van re-integratievoorzieningen. Artikel2.1.2Inzet voorzieningen 1.Het college kan aan de belanghebbende die behoort tot de doelgroep in ieder geval de voorzieningen aanbieden die in deze verordening staan. 2.In aanvulling op het eerste lid houdt het college bij het voorzieningenaanbod ook rekening met: andere voorzieningen die het binnen het gemeentelijk sociaal domein beschikbaar zijn; en jooverige wettelijke regelingen. 3.Indien het aanbieden van een voorziening zoals genoemd in het tweede lid, onder a, naar het oordeel van het college kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling of de maatschappelijke participatie van de belanghebbende, stemt het college dit waar nodig intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de belanghebbende. 4.Het college beoordeelt individueel of de inzet van een voorziening noodzakelijk is voor de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie. Bij de keuze voor de in te zetten voorziening worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: de belanghebbende wordt zo goed mogelijk naar passend werk of maatschappelijke participatie begeleid; betaald werk gaat voor onbetaald werk of inkomensondersteuning door de gemeente; de voorziening is adequaat, waarmee bedoeld wordt: zo licht als mogelijk en zo zwaar als noodzakelijk; een scholingstraject is in beginsel alleen mogelijk voor de belanghebbende van 27 jaar en ouder en als de scholing aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldoet; waar mogelijk worden groepsgewijs ondersteunende voorzieningen aangeboden; er wordt rekening gehouden met de vraag op de arbeidsmarkt; werkgevers worden zoveel mogelijk betrokken bij het re-integratie- en plaatsingsproces en door in te zetten voorzieningen ondersteund bij de indienstneming van de belanghebbende uit de doelgroep. 5.In samenspraak met de belanghebbende stelt het college in het plan van aanpak vast welke voorziening wordt aangeboden. 6.Het college kan ten aanzien van de voorzieningen nadere regels vaststellen. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden en het verstrekken van subsidies. Daarnaast kan het college in beleidsregels een verdere invulling geven over de uitvoering van de voorziening. Artikel2.1.3Weigering en beëindiging voorziening 1.Het college kan een voorziening weigeren als: de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; de belanghebbende onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; de belanghebbende een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling of de maatschappelijke participatie; er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening; of het inzetten van een lichtere voorziening naar het oordeel van het college ook passend en adequaat is voor de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie. 2.Het college kan een voorziening beëindigen als: de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de PW of de artikelen 13 en 37 van de IOAW of IOAZ niet nakomt; de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het gaat om een belanghebbende als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de PW; de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een adequate arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie; de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de belanghebbende die gebruik maakt van de voorziening; de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening; het inzetten van een lichtere voorziening naar het oordeel van het college ook passend en adequaat is voor de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie. Paragraaf2Voorzieningen voor de doelgroep re-integratie Artikel2.2.1Activeringsprogramma gericht op arbeidsinschakeling of scholing 1.Het doel van een activeringsprogramma is het behouden of bevorderen van arbeidsritme, verbetering van de werknemers- en sollicitatievaardigheden of ondersteuning bij de toeleiding naar een baan of scholing. 2.Voor de persoon jonger dan 27 jaar waarvoor de scholingsplicht geldt, kan het college een activeringsprogramma aanbieden gericht op deelname aan uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs. 3.De duur van het activeringsprogramma is afhankelijk van de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Artikel2.2.2Bemiddeling gericht op arbeidsinschakeling 1.Bemiddeling heeft als doel de belanghebbende zonder afstand tot de arbeidsmarkt op een zo kort mogelijke termijn laten uitstromen naar algemeen geaccepteerde arbeid. 2.Bemiddeling wordt in beginsel voor maximaal de duur van een jaar ingezet. Artikel2.2.3Detacheringsbaan 1.Het college kan door detachering zorgen voor toeleiding van een belanghebbende die behoort tot de doelgroep re-integratie naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2.De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3.Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4.Detachering wordt in beginsel voor maximaal de duur van een jaar ingezet. Artikel2.2.4Diagnose-instrument 1.Het diagnose-instrument heeft als doel de afstand tot de arbeidsmarkt te bepalen en de mogelijkheden en belemmeringen voor de arbeidsinschakeling vast te stellen. 2.Voor de belanghebbende jonger dan 27 jaar kan een diagnoseprogramma ingezet worden om de mogelijkheden van scholing te bepalen en de scholingsplicht vast te stellen. Artikel2.2.5Groepsgerichte aanpak of training 1.Een groepsgerichte aanpak of training heeft als doel het verbeteren van vaardigheden die de arbeidsinschakeling bevorderen en de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. 2.De groepsgerichte aanpak of training kan gericht zijn op een specifieke doelgroep, functie of het wegnemen van een gemeenschappelijke belemmering. 3.Een groepsgerichte aanpak of training wordt in beginsel voor maximaal de duur van een jaar ingezet. Artikel2.2.6Individuele re-integratie overeenkomst 1.De belanghebbende uit de doelgroep re-integratie kan het college een gemotiveerd voorstel doen voor een individueel re-integratietraject. 2.Dit traject wordt slechts goedgekeurd indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat door middel van het traject binnen een korte periode tegen aanvaardbare kosten arbeidsinschakeling kan worden bereikt. 3.Het individuele re-integratietraject kan bestaan uit inschakeling van een re-integratiebedrijf, scholing of een combinatie hiervan. 4.Bij inschakeling van een re-integratiebedrijf worden de rechten en plichten vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen het college, de belanghebbende en het re-integratiebedrijf. Het traject start niet eerder dan dat deze overeenkomst is vastgelegd. Artikel2.2.7Ondersteuning leer-werktraject 1.Het college kan ondersteuning aanbieden bij een leer-werktraject met als doel schooluitval te voorkomen. 2.Voor deze vorm van ondersteuning komt in aanmerking: de persoon van 16 en 17 jaar van wie de leerplicht of kwalificatieplicht nog niet is geëindigd; of de persoon van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie heeft behaald. Met een startkwalificatie wordt bedoeld: een havo-, vwo- of mbo2-diploma. 3.De ondersteuning is gericht op extra begeleiding op of naar een leer-werktraject. Artikel2.2.8Overige vergoedingen 1.Het college kan aan de belanghebbende uit de doelgroep re-integratie een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke kosten die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling en die het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden. 2.Er bestaat geen aanspraak op een vergoeding als bedoeld in het eerste lid indien een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die als passend en toereikend kan worden aangemerkt. Artikel2.2.9Participatieplaats 1.Het college kan een participatieplaats aanbieden aan de belanghebbende van 27 jaar of ouder die een uitkering ingevolge de PW, IOAW of IOAZ ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is. 2.De participatieplaats bestaat uit het verrichten van onbeloonde additionele werkzaamheden met behoud van uitkering. De voorwaarden en verplichtingen die hiervoor gelden staan omschreven in artikel 10a van de PW. 3.De duur van de participatieplaats bedraagt maximaal twee jaar. Deze periode kan maximaal twee jaar worden verlengd als daarbij wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden. 4.De premie zoals bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de PW, bedraagt € 50,- per periode van zes maanden, mits de belanghebbende in die periode voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Artikel2.2.10Participatievoorziening beschut werk 1.Het college biedt aan de belanghebbende uit de doelgroep de voorziening beschut werk aan, indien door het UWV beoordeeld is dat de belanghebbende uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. 2.Het aantal jaarlijks te realiseren dienstbetrekkingen wordt vastgesteld op het aantal dienstbetrekkingen waarvoor de gemeente middelen ontvangt van het rijk. 3.De datum van het (positief) advies van het UWV is in beginsel bepalend voor de volgorde van het aanbod van de voorziening beschut werk. 4.Het college wijst een organisatie aan die optreedt als werkgever van de persoon in beschut werk. 5.Om beschut werk mogelijk te maken en te laten voortduren, zet het college waar nodig de volgende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; uitsplitsing van taken; of aanpassingen in de werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 6.Het college kan tijdelijk een andere voorziening of een voorziening binnen het gemeentelijk sociaal domein aanbieden aan de belanghebbende: van wie de dienstbetrekking nog niet is gestart omdat het aantal te realiseren dienstbetrekkingen in dat kalenderjaar al is bereikt; bij wie tijdens het dienstbetrekking is gebleken dat de voorziening beschut werk tijdelijk niet passend is. Artikel2.2.11Persoonlijke ondersteuning bij werk doelgroep re-integratie 1.Het college kan aan de belanghebbende behorend tot de doelgroep re-integratie persoonlijke ondersteuning bij het vinden en behouden van werk in de vorm van jobcoaching of interne werkbegeleiding aanbieden indien de belanghebbende: een arbeidsbeperking heeft; een afstand tot de arbeidsmarkt heeft en de persoonlijke ondersteuning vanwege een in de persoon gelegen belemmering naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor de arbeidsinschakeling. 2.Persoonlijke ondersteuning als bedoeld in het eerste lid wordt toegekend overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 3. Bij die beoordeling is het bepaalde zoals vermeld in artikel 2.1.2, eerste tot en met vijfde lid, mede van toepassing. Artikel2.2.12Proefplaats 1.Het college kan de belanghebbende uit de doelgroep re-integratie met een uitkering op grond van de PW toestemming verlenen om met behoud van uitkering op een proefplaats bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden te verrichten. 2.Het doel van de proefplaats is de arbeidsinschakeling van de belanghebbende te bevorderen. 3.Toestemming voor een proefplaats wordt verleend indien: de belanghebbende, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; de werkzaamheden van de belanghebbende niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de belanghebbende, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing voor minimaal zes maanden zonder proeftijd in dienst zal nemen. 4.Het college weigert de toestemming als bedoeld in het eerste lid indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor die dienstbetrekking. 5.De duur van de proefplaats is bedraagt maximaal twee maanden. Deze termijn kan met maximaal vier maanden worden verlengd indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is. 6.Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode zoals genoemd in het vijfde lid buiten beschouwing gelaten. 7.Het college kan de belanghebbende op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen zoals genoemd in paragraaf 3. Artikel2.2.13Scholing 1.Het college kan de belanghebbende uit de doelgroep re-integratie een scholingstraject aanbieden voor zover de scholing naar het oordeel van het college noodzakelijk is om de stap te zetten naar passend werk. 2.Het scholingstraject: is gericht op arbeidsinschakeling of op het behalen van een startkwalificatie op de arbeidsmarkt; is beroepsgericht; en duurt niet langer dan nodig is. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op de belanghebbende jonger dan 27 jaar die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen, tenzij naar het oordeel van het college sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Artikel2.2.14Sociale activering 1.Het college kan activiteiten in het kader van sociale activering aanbieden aan de belanghebbende uit de doelgroep re-integratie met een afstand tot de arbeidsmarkt. 2.Het doel van sociale activering is een eerste stap op weg naar reguliere arbeid te zetten. Indien arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, heeft het tot doel zelfstandige maatschappelijke participatie mogelijk te maken. 3.Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4.Sociale activering richting arbeidsinschakeling wordt in beginsel voor de duur van maximaal een jaar ingezet. Aan sociale activering richting maatschappelijke participatie is in beginsel geen maximale duur verbonden. Artikel2.2.15Tegenprestatie 1.Het college kan een belanghebbende uit de doelgroep re-integratie met een afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen. 2.Indien reeds activiteiten worden verricht in het kader van het plan van aanpak als bedoeld in artikel 2.1.2, vijfde lid, wordt geen tegenprestatie opgedragen. 3.Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. 4.Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende; de persoonlijke situatie, individuele omstandigheden, talenten, wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen bij de bepaling of een tegenprestatie kan worden opgedragen. 5.Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt; niet strijdig zijn met de doelstelling(
- en)van het plan van aanpak en de toeleiding naar de arbeidsmarkt ondersteunen dan wel in ieder geval niet in de weg staan. 6.Vrijwilligerswerk dat voldoet aan de voorwaarden van een tegenprestatie, zoals bedoeld in de wet en in deze verordening, wordt aangemerkt als een tegenprestatie. 7.Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vaststellen waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 8.De duur en omvang van de tegenprestatie worden bepaald in het plan van aanpak. 9.De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal vier uur per week gedurende maximaal drie maanden. 10.De tegenprestatie kan binnen een periode van twaalf maanden maximaal viermaal worden opgedragen voor een periode zoals bepaald in het negende lid. 11.Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende mantelzorg verricht en voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is. Artikel2.2.16Uitstroompremie 1.Het college kan een uitstroompremie toekennen aan de inwoner met een langdurig minimuminkomen die voor een periode van ten minste drie maanden is uitgestroomd naar betaald werk. 2.Onder een inwoner als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: de uitkeringsgerechtigde die direct voorafgaand aan de werkaanvaarding gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 36 maanden recht had op een uitkering ingevolge de PW, IOAW of IOAZ; de niet-uitkeringsgerechtigde die het jaar voorafgaand aan de werkaanvaarding een individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen. 3.Onder uitstroom naar betaald werk wordt, voor de toepassing van dit artikel, verstaan: het door werkaanvaarding verkrijgen van een inkomen hoger dan de bijstandsnorm. 4.De hoogte van de uitstroompremie bedraagt: € 350,- voor een alleenstaande; € 450,- voor een alleenstaande ouder; € 500,- voor gehuwden. Deze bedragen zijn gelijk aan de hoogte van de individuele inkomenstoeslag. 5.Mits aan de voorwaarden is voldaan, wordt de uitstroompremie toegekend: aan de voormalig uitkeringsgerechtigde: ambtshalve drie maanden na de werkaanvaarding; aan de niet uitkeringsgerechtigde: op aanvraag. De aanvraag wordt vanaf de vierde maand, maar uiterlijk vóór de zevende maand na werkaanvaarding ingediend. 6.Geen recht op de uitstroompremie bestaat als: de inwoner binnen een periode van 12 maanden voorafgaand aan de uitstroom naar betaald werk al een uitstroompremie heeft ontvangen; de uitkeringsgerechtigde de inlichtingenplicht heeft geschonden met betrekking tot de werkaanvaarding of de daaruit ontvangen inkomsten. Artikel2.2.17Werkervaringsplek 1.Het college kan aan de belanghebbende die behoort tot de doelgroep re-integratie een werkervaringsplek gericht op arbeidsinschakeling aanbieden, indien de belanghebbende: nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid en waarbij het voor de belanghebbende belangrijk is om arbeidsvaardigheden te verwerven; actief is geweest op de arbeidsmarkt, maar door persoonlijke of economische omstandigheden het werk is kwijtgeraakt en waarbij het voor de belanghebbende belangrijk is om arbeidsvaardigheden in stand te houden. 2.Het doel van een werkervaringsplek is het aanleren en ontwikkelen van werknemersvaardigheden, het opdoen van werkervaring, het opdoen of behouden van werkritme en het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3.Een werkervaringsplek wordt in beginsel gedurende maximaal 36 uur per week en voor de duur van zes maanden aangeboden. 4.Het college plaatst de belanghebbende uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 5.In de schriftelijke overeenkomst met de werkgever wordt het leerdoel, de omvang en inhoud van de werkzaamheden en de begin- en einddatum van de werkervaringsplek vastgelegd. Artikel2.2.18Werkgeversvergoeding 1.Het college kan aan de werkgever een incidentele vergoeding verlenen indien dit naar het oordeel van het college vanwege bijzondere omstandigheden noodzakelijk is voor de arbeidsinschakeling van de belanghebbende uit de doelgroep re-integratie en het verstrekken van een overige voorziening als bedoeld in paragraaf 3, onder C of D daarin niet of onvoldoende voorziet. 2.Het college stelt de hoogte van de werkgeversvergoeding en de eventueel daaraan verbonden voorwaarden vast op grond van de individuele omstandigheden. De vergoeding voorziet in de goedkoopst adequate en kwalitatief verantwoorde oplossing. 3.De kosten van de werkgeversvergoeding moeten opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van de arbeidsinschakeling. Artikel2.2.19Werkstage 1.Het college kan de belanghebbende een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als de belanghebbende: behoort tot de doelgroep re-integratie; en nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. 2.Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3.Het college plaatst de belanghebbende uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4.In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: het doel van de werkstage, en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. 5.Een werkstage wordt voor minimaal drie en maximaal zes maanden aangeboden. Paragraaf3Specifieke bepalingen doelgroep Breed Offensief A.Administratief proces loonkostensubsidie Artikel2.3.1Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie 1.Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de PW, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een belanghebbende die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2.Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de belanghebbende, aan de werkgever en de belanghebbende. 3.Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de PW. Dit gebeurt door middel van de Praktijkroute. Indien de aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, onder b, van de PW, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie eveneens bepaald door middel van de Praktijkroute. 4.Het college stelt binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de PW. 5.Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht. B.Procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Artikel2.3.2Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1.Het college kan persoonlijke ondersteuning bij het vinden of behouden van werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking of met een in de persoon gelegen belemmering als bedoeld in artikel 2.2.11, eerste lid, onder b. 2.Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning en overige voorzieningen zoals bedoeld in het eerste lid gelden de volgende voorwaarden: de belanghebbende behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij voortgezet speciaal onderwijs of praktijkonderwijs heeft genoten; de belanghebbende kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; de werkgever biedt een dienstbetrekking aan die naar het oordeel van college voldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de belanghebbende, gelet op zijn afstand tot de arbeidsmarkt en zijn mogelijkheden en belemmeringen; het betreft geen voorziening of taak waarvoor de werkgever op grond van Arbo-wetgeving verantwoordelijk is; het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en de kosten van de voorziening(
- en)zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk. 3.De bepalingen zoals genoemd in artikel 2.1.2, eerste tot en met vijfde lid, zijn hierbij mede van toepassing. Artikel2.3.3Aanvraagprocedure bij persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1.Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij het vinden en behouden van werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de belanghebbende of zijn werkgever. 2.Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 3.Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen als de beoordeling van de aanvraag dit vereist. 4.Het college bepaalt na overleg met de belanghebbende, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening het meest adequaat kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 5.Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de belanghebbende, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, van de PW. Artikel2.3.4Inhoud beschikking bij persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; de duur en intensiteit van de ondersteuning; de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is of kan zijn, waaronder de wijze waarop de belanghebbende integraal kan worden ondersteund. C.Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk Artikel2.3.5Doel en vormen van persoonlijke ondersteuning bij werk 1.Persoonlijke ondersteuning bij het vinden en behouden van werk kan worden aangeboden in de vorm van jobcoaching of interne werkbegeleiding. 2.Jobcoaching heeft als doel dat de belanghebbende uit de doelgroep wordt begeleid in het vinden of behouden van werk waarin hij uiteindelijk zonder deze voorziening bij een werkgever werkzaam kan zijn. Dit betekent dat de belanghebbende aan het einde van de jobcoachingsperiode zelfstandig zijn werk kan uitvoeren. Daarnaast kan jobcoaching gericht zijn op de begeleiding van de werkgever met als doel de directe collega’s van de belanghebbende en zijn directe leidinggevende zodanig te coachen dat zij na afloop zelfstandig de begeleiding kunnen verzorgen. 3.Interne werkbegeleiding is gericht op de begeleiding op de werkplek door een collega die getraind is in het begeleiden van werknemers met een arbeidsbeperking. De focus ligt alleen op de werkplek en niet ook op andere leefgebieden, zoals bij jobcoaching. Deze vorm wordt ingezet als er vooral behoefte is aan constante begeleiding op de werkplek en minder aan ondersteuning op andere leefgebieden. 4.Jobcoaching of interne werkbegeleiding kan worden verricht door: een jobcoach die werkzaam is bij het werkleerbedrijf; een externe jobcoach, werkzaam bij een externe organisatie of als zelfstandig ondernemer; een interne jobcoach, werkzaam in een dienstbetrekking bij de werkgever of ingehuurd door de werkgever; een interne werkbegeleider, een werknemer in dienst bij de werkgever. Artikel2.3.6Voorziening persoonlijke ondersteuning bij werk 1.Het college kan persoonlijke ondersteuning bij het vinden en behouden van werk in de vorm van jobcoaching in natura toekennen door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstbetrekking bij of in opdracht van het werkleerbedrijf. 2.Het college kan persoonlijke ondersteuning bij het vinden en behouden van werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3.Samenloop van interne en externe jobcoaching is in beginsel niet mogelijk. 4.De in het eerste en tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in een reguliere dienstbetrekking. Artikel2.3.7Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk 1.De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij het vinden en behouden van werk moet binnen twaalf weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van de dienstbetrekking de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2.Bij een aanvraag die na afloop van de in het eerste lid genoemde periode wordt ingediend en waarbij door het college is vastgesteld dat er recht op deze voorziening bestaat, wordt de persoonlijke ondersteuning in beginsel maximaal vier weken met terugwerkende kracht toegekend. Hierbij is de datum van ontvangst van de aanvraag bepalend. 3.Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. Artikel2.3.8Kwaliteitseisen jobcoaching 1.De jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij het vinden en behouden van werk verzorgt, is vakbekwaam en voldoet aan de eisen zoals vermeld in dit artikel. 2.De jobcoach als bedoeld in het eerste lid heeft: een afgeronde hbo-opleiding of een relevante afgeronde opleiding op mbo niveau 4; waarbij er wordt beschikt over een werk- en denkniveau waarmee de jobcoach in staat is in complexe situaties zelfstandig te opereren en zich theorie, visie en methodiek eigen te maken om de belanghebbende adequaat te kunnen begeleiden bij het vinden en behouden van werk; en een opleidingsmodule voor jobcoach gevolgd waarvoor een diploma of certificaat is behaald; en relevante ervaring in de praktijk binnen de organisatie. 3.De externe jobcoach toont met een bewijsstuk aan dat hij door het UWV is erkend op grond van de ‘Beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2019’. Bij toekomstige wijziging van genoemde beleidsregel dient altijd te worden voldaan aan de eisen zoals vermeld in het meest actuele erkenningskader. 4.Het college kan de kwaliteitseisen voor jobcoaches, waaronder jobcoaches voor specifieke doelgroepen, in nadere regels uitwerken. Artikel2.3.9Inzet, duur en intensiteit jobcoaching 1.De in te zetten jobcoaching wordt door het college vastgesteld op basis van het verwachte aantal benodigde begeleidingsuren per jaar aan de hand van de volgende begeleidingsregimes: Regime Traject 1 jaar Traject 2 jaar Traject 3 jaar I. licht maximaal 20 uur per jaar maximaal 10 uur per jaar maximaal 5 uur per jaar II. midden maximaal 40 uur per jaar maximaal 30 uur per jaar maximaal 20 uur per jaar III. zwaar maximaal 52 uur per jaar maximaal 40 uur per jaar maximaal 30 uur per jaar Deze begeleidingsuren zijn inclusief reistijd, voorbereidingswerkzaamheden en andere tijdsinvesteringen. 2.Jobcoaching wordt in beginsel toegekend voor de duur van een jaar en met ingang van de eerste dag van de dienstbetrekking, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.3.7, tweede lid. 3.De maximale duur van jobcoaching bedraagt drie jaar. Per periode van zes maanden wordt geëvalueerd of jobcoaching nog langer noodzakelijk is. 4.In afwijking van het vierde lid kan jobcoaching voor een langere periode worden ingezet indien dit naar het oordeel van het college op grond van de individuele omstandigheden van de belanghebbende noodzakelijk is. 5.Het college biedt jobcoaching door of in opdracht van het werkleerbedrijf met voorrang aan. 6.Het college kan ten aanzien van jobcoaching nadere regels vaststellen. Artikel2.3.10Jobcoaching in natura 1.Het college kan, ambtshalve of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. 2.Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 2.3.2 tot en met 2.3.9 van overeenkomstige toepassing. Artikel2.3.11Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 1.Het college kan op aanvraag subsidie verlenen aan de werkgever voor het organiseren van jobcoaching. 2.Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 2.3.2 tot en met 2.3.9 worden verleend als: de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de belanghebbende behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en de belanghebbende voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3.Het college hanteert voor jobcoaching een maximumtarief per uur dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. 4.Het college kan in beleidsregels in ieder geval uitwerken: aan welke eisen het coachingsplan moet voldoen; welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren; hoe de continuïteit van de jobcoaching geborgd dient te zijn; en hoe de evaluatie van de jobcoaching plaatsvindt. 5.Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach mede: ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs. 6.Het college kan onverschuldigd verleende subsidie voor jobcoaching terugvorderen op de grondslag van artikel 4:57 van de Awb. Artikel2.3.12Interne werkbegeleiding 1.Het college kan een subsidie verlenen aan de werkgever voor de meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding indien het gaat om een belanghebbende uit de doelgroep die voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding. 2.De subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend indien de interne werkbegeleiding de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat en de meerkosten reëel en aangetoond zijn. 3.De wijze waarop de subsidie wordt verleend en onder welke voorwaarden wordt door het college in nadere regels vastgesteld. 4.Het college kan onverschuldigd verleende subsidie voor interne werkbegeleiding terugvorderen op de grondslag van artikel 4:57 van de Awb. D.Specifieke bepalingen overige voorzieningen Artikel2.3.13Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1.Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan de belanghebbende uit de doelgroep die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. 2.Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: de belanghebbende kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3.De vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. Uitgangspunt is dat de vervoersvoorziening in natura wordt verstrekt. Indien dat niet mogelijk of passend is, kan een vergoeding in geld worden verstrekt. 4.De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt maximaal het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 5.Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel2.3.14Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap 1.Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. 2.Het college kan in nadere regels uitwerken hoe de omvang van de noodzakelijke intermediaire activiteit wordt bepaald. Artikel2.3.15Specifieke voorwaarden meeneembare voorziening 1.Het college kan een meeneembare voorziening toekennen als dit voor de belanghebbende uit de doelgroep noodzakelijk is voor het vinden of behouden van werk. 2.Onder een meeneembare voorziening als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: een voorziening of hulpmiddel waarvan de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aangetoond of aannemelijk is gemaakt en niet tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie. 3.De meeneembare voorziening kan in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. 4.Het college kan in nadere regels in ieder geval uitwerken hoe de noodzaak en de meerwaarde in werksfeer worden bepaald en onder welke voorwaarden de meeneembare voorziening kan worden verleend. Artikel2.3.16Specifieke voorwaarden werkplekaanpassing 1.Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen als dit voor de belanghebbende uit de doelgroep noodzakelijk is voor het vinden of behouden van werk. 2.Onder een werkplekaanpassing als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: een niet meeneembare voorziening op of rond de werkplek, waarvan de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aangetoond of aannemelijk is gemaakt en niet tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie. 3.Het college kan in nadere regels in ieder geval uitwerken hoe de noodzaak en de meerwaarde in werksfeer worden bepaald en onder welke voorwaarden de werkplekaanpassing kan worden verleend. Hoofdstuk3Maatregelen (afstemming) en handhaving Artikel3.1Toepassing van de maatregel 1.Een maatregel wordt vastgesteld op een percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd. 2.De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm of grondslag. 3.In afwijking van het tweede lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de PW; of de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 4.De maatregel kan niet meer bedragen dan de norm, grondslag of bijzondere bijstand waarop belanghebbende recht zou hebben gehad gedurende de periode waarop de maatregel betrekking heeft indien er geen grond voor een maatregel zou zijn geweest. 5.De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende uitkeringsnorm. 6.In afwijking van het vorige lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd voor zover de uitkering of grondslag nog niet betaalbaar is gesteld en de maatregel niet eerder ingaat dan de datum waarop de maatregelwaardige gedraging zich voordeed. 7.Indien de opgelegde maatregel niet of niet geheel kan worden uitgevoerd als gevolg van de beëindiging van de uitkering, kan het nog niet uitgevoerde deel van de maatregel alsnog ten uitvoer worden gelegd indien de belanghebbende binnen een termijn van zes maanden opnieuw bijstand, bijzondere bijstand voor levensonderhoud of een IOAW/IOAZ-uitkering ontvangt. Artikel3.2Afzien van het opleggen of matigen van een maatregel 1.Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden. 2.Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel of de hoogte of duur van een maatregel matigen, indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel3.3Samenloop van gedragingen 1.Als sprake is van één gedraging of samenloop van meerdere gedragingen die schendingen opleveren van meerdere in dit hoofdstuk genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel wordt uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel is vastgesteld. 2.Er is sprake van samenloop van meerdere gedragingen als twee of meer gedragingen tegelijkertijd worden geconstateerd en de gedragingen binnen een periode van 30 dagen plaats hebben gevonden. Artikel3.4Gedragingen op grond van de PW Gedragingen van de belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17, tweede lid, 18 en 55 van de PW niet of onvoldoende worden nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. Tweede categorie: het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de PW; het in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel een onderzoek naar de geschiktheid van scholing of opleiding; het onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van de geboden re-integratie-instrumenten, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige maatschappelijke participatie, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de re-integratievoorziening of het uit Rijks kas bekostigd onderwijs. Derde categorie: gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren; het niet of in onvoldoende mate meewerken aan het opstellen en evalueren van een plan van aanpak; het niet naar vermogen verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder; het onvoldoende nakomen van een nadere verplichting gericht op arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 55 PW. Vierde categorie: het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid of 55 van de PW, gedurende de zoektijd, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de PW; het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de PW; Vijfde categorie (geüniformeerde verplichtingen van artikel 18, vierde lid, PW): het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; geen uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij één of meerdere uitzendbureaus; niet naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere gemeente te verhuizen; niet bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; niet bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken dat er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan; het niet behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag; geen gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling; niet meewerken aan een onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Zesde categorie: het zich zeer ernstig misdragen tegen de met de uitvoering van de PW belaste personen en instanties. Artikel3.5Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van de belanghebbende waardoor of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. Tweede categorie: het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 13, tweede lid IOAW of artikel 13, tweede lid IOAZ; het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid; het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in deze verordening voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de re-integratievoorziening. Derde categorie: gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren; het niet naar vermogen verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder. Vierde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; het onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van de geboden re-integratie-instrumenten, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige maatschappelijke participatie, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de re-integratievoorziening. Vijfde categorie: het niet aanvaarden van aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid; het door eigen toedoen verliezen van een inkomen uit of in verband met arbeid, waarbij sprake is van verwijtbare werkloosheid en de werkgever op grond van het Burgerlijk Wetboek vanwege dringende redenen het arbeidscontract mocht beëindigen of het arbeidscontract op eigen verzoek is beëindigd zonder zwaarwegende redenen. Zesde categorie: het zich zeer ernstig misdragen tegen de met de uitvoering van de IOAW en/of IOAZ belaste personen en instanties. Artikel3.6Hoogte en duur van de maatregel De maatregel die het college kan opleggen bij de gedragingen in de vastgestelde categorieën wordt vastgesteld op: 5% gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; 10% gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; 20% gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie; 30% gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie; 100% gedurende een maand bij gedragingen van de vijfde categorie; 100% gedurende een maand als er bij een gedraging van de zesde categorie sprake was van fysiek geweld tegen personen en/of materiële zaken; 75% gedurende een maand als er bij een gedraging van de zesde categorie sprake was van mondelinge of schriftelijke bedreigingen geuit tegen de met de uitvoering van de PW, IOAW en/of IOAZ belaste personen en instanties; 50% gedurende een maand bij iedere andere vorm van zeer ernstige misdraging als bedoeld in de zesde categorie. Artikel3.7Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Indien door een verwijtbare gedraging eerder, langer of voor een hoger bedrag een beroep op bijstand wordt gedaan, wordt een maatregel opgelegd wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening van het bestaan. 2.Voor het vaststellen van de maatregel worden de hoogte en de duur van de financiële benadeling in aanmerking genomen. 3.De hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald aan de hand van de hoogte van de financiële benadeling per maand en wordt vastgesteld op: 10% bij een financiële benadeling tot 50% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; 30% bij een financiële benadeling van 50% tot 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; 100% bij een financiële benadeling vanaf 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 4.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald aan de hand van de periode waarin deze benadeling plaatsvindt en wordt vastgesteld op: een maand bij een benadelingsperiode tot drie maanden; twee maanden bij een benadelingsperiode van drie tot zes maanden; drie maanden bij een benadelingsperiode van zes maanden of langer. 5.Indien de hoogte van de financiële benadeling niet kan worden vastgesteld, geldt als uitgangspunt een maatregel van 30% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Indien de benadelingsperiode niet kan worden vastgesteld, wordt de maatregel in beginsel opgelegd voor de duur van een maand. 6.Indien door een verwijtbare gedraging eerder, langer, of voor een hoger bedrag een beroep op bijzondere bijstand wordt gedaan, kan de bijzondere bijstand worden verlaagd. De verlaging bedraagt maximaal het bedrag waarvoor als gevolg van de verwijtbare gedraging een (hoger) beroep op bijzondere bijstand wordt gedaan. In geval van periodieke bijzondere bijstand wordt de duur van de maatregel vastgesteld met toepassing van het vierde lid Artikel3.8Verrekening maatregel PW 1.Het college verrekent de maatregel voor een gedraging in de vijfde categorie als bedoeld in artikel 3.4, vijfde lid, over de maand van oplegging en de daaropvolgende twee maanden. In de eerste en tweede maand bedraagt de verrekening 35% en in de derde maand bedraagt de verrekening 30%. 2.Op verzoek van de belanghebbende is volledige verrekening in de maand van oplegging mogelijk. 3.Als sprake is van een maatregel vanwege het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid vindt geen verrekening plaats als bedoeld in het eerste lid. Artikel3.9Recidive 1.Als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging, niet zijnde een gedraging van artikel 3.4, vijfde lid, wordt de hoogte dan wel de duur van de maatregel verdubbeld. 2.Als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na toepassing van het vorige lid, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging, niet zijnde een gedraging van artikel 3.4, vijfde lid, wordt de duur van de maatregel, als bedoel in het eerste lid nogmaals verdubbeld. 3.Als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd in verband met een gedraging van artikel 3.4, vijfde lid, opnieuw schuldig maakt aan een gedraging van de vijfde categorie, bedraagt de maatregel 100% gedurende twee maanden. 4.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na toepassing van het vorige lid opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van artikel 3.4, vijfde lid, bedraagt de maatregel telkens 100% gedurende drie maanden. Artikel3.10Handhavingsplan Het college stelt periodiek een plan op met daarin het te voeren beleid op het gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de PW, IOAW en IOAZ en de te verwachten resultaten. Hoofdstuk4Inkomensondersteuning en participatievoorzieningen Sociaal Vangnet Paragraaf1Inkomensondersteuning Artikel4.1.1Aanvullende begripsbepalingen In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van deze verordening, wordt in deze paragraaf verstaan onder: - peildatum: de datum waarop de inwoner de individuele inkomenstoeslag aanvraagt; - referteperiode: een periode van 36 aaneengesloten volle kalendermaanden direct voorafgaand aan de peildatum. Artikel4.1.2Individuele inkomenstoeslag 1.Er is sprake van een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de PW als het inkomen gedurende de referteperiode niet hoger was dan 100% van de bijstandsnorm. 2.Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar voor: gehuwden: € 500,-; een alleenstaande ouder: € 450,-; een alleenstaande: € 350,-. a.Deze bedragen worden niet jaarlijks geïndexeerd. 3.Als één van de gehuwden op grond van artikel 11 of 13, eerste lid, van de PW, geen recht heeft op een individuele inkomenstoeslag, wordt de rechthebbende echtgenoot voor de hoogte van de individuele inkomenstoeslag aangemerkt als alleenstaande of alleenstaande ouder. 4.Voor de toepassing van dit artikel is de situatie op de peildatum bepalend. Paragraaf2Participatievoorzieningen Sociaal Vangnet Artikel4.2.1Aanvullende begripsbepalingen In aanvulling op en in afwijking van artikel 1, tweede lid, van deze verordening wordt in deze paragraaf verstaan onder: bijstandsnorm: de voor de inwoner van toepassing zijnde bijstandsnorm zonder vakantietoeslag. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm; inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 31 en 32 van de PW zonder vakantietoeslag. De uitkering op grond van de PW wordt ook tot het inkomen gerekend. Bij gehuwden en samenwonenden wordt uitgegaan van het gezamenlijke inkomen; inwoner: de inwoner als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van deze verordening van 18 jaar en ouder en met een laag inkomen; kind: het kind dat jonger is dan 18 jaar en: in het gezinsverband van de inwoner leeft; in de Basisregistratie Personen ook op het adres van de inwoner staat ingeschreven; waarvoor de inwoner kinderbijslag ontvangt; en waarvan de ouders over een laag of laag besteedbaar inkomen beschikken. Een pleegkind waarvoor de inwoner op grond van de Jeugdwet een pleeggeldvergoeding ontvangt, wordt met een kind gelijkgesteld; laag inkomen: een inkomen dat niet hoger is dan 120% van de bijstandsnorm; laag besteedbaar inkomen: het vrij te laten bedrag dat overblijft voor de kosten van levensonderhoud indien sprake is van een wettelijke schuldsaneringsregeling of een schuldregeling via de afdeling Realisatie Sociaal. De inkomensgrens zoals genoemd bij ‘laag inkomen’ is hierbij niet van toepassing; Artikel4.2.2Reikwijdte en doelstelling participatievoorzieningen 1.Het college kan participatievoorzieningen verstrekken aan de inwoner of het kind die bestemd zijn voor de bevordering van maatschappelijke participatie. 2.De in het eerste lid genoemde participatievoorzieningen kunnen bestaan uit: een tegoed voor sportieve, culturele, recreatieve en andere maatschappelijke activiteiten dat vrij besteed kan worden bij de deelnemende organisaties en bedrijven; een kidstegoed: een tegoed voor kinderen uit de doelgroep bestemd voor de aanschaf van artikelen die de participatie op school of in de maatschappij bevorderen; een financiële tegemoetkoming voor zwemlessen voor kinderen van 4 tot 18 jaar bestemd voor het behalen van zwemdiploma A en B; een tegemoetkoming ter hoogte van 50% van het verbruikt verplicht eigen risico als bedoeld in artikel 1 van de Zorgverzekeringswet; een vergoeding van de verschuldigde leges voor een toegekende gehandicaptenparkeerkaart; 3.Het college stelt nadere regels en beleidsregels vast over de uitvoering van de participatievoorzieningen, waaronder in ieder geval regels over: de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de voorzieningen; de peildata voor het vaststellen van het inkomen en de leeftijd van kinderen; de ingangsdatum en de looptijd van de voorzieningen; de hoogte van de tarieven en de tegoeden; de wijze van aanvragen en de vorm waarin de voorzieningen worden verstrekt. Hoofdstuk5Noodfonds Artikel5.1De voorziening en de aanvraag 1.Het noodfonds wordt beheerd door het college en wordt hierbij bijgestaan door een adviescommissie. 2.Het noodfonds is bedoeld voor inwoners met een inkomen op het sociaal minimum die vanwege onverwachte kosten in een financiële noodsituatie verkeren. Zij kunnen een aanvraag indienen voor een financiële tegemoetkoming van in beginsel maximaal € 2.000,-. Ook kunnen zij om borgstelling vragen voor het sluiten van een lening bij de Stadsbank. De borgstelling wordt in beginsel verleend voor maximaal € 3.000,-. 3.Bij de beoordeling van de aanvraag is niet alleen de draagkracht van de aanvrager van belang, maar ook diens betalingscapaciteit. 4.Het college wijst een aanvraag in beginsel af als: er in het kalenderjaar een eerdere aanvraag voor het noodfonds is toegekend; een beroep op een andere voorziening mogelijk is; het een bijdrage van fiscale aard betreft; de financiële noodtoestand is veroorzaakt door verwijtbaar gedrag van de aanvrager. 5.Het college hoort de adviescommissie over de aanvraag en neemt binnen vier weken na de aanvraagdatum een besluit. Artikel5.2De adviescommissie 1.De adviescommissie bestaat uit vijf leden, waarvan minimaal twee leden werkzaam zijn bij een externe maatschappelijke organisatie. De voorzitter en secretaris zijn medewerkers van de gemeente Apeldoorn. 2.Het college wijst de leden aan en beslist over de samenstelling van de commissie. 3.De commissie vergadert zo vaak als de voorzitter of minimaal twee leden dit nodig vinden. 4.De commissie is bevoegd, in voorkomende gevallen, advies in te winnen bij daartoe naar haar oordeel in aanmerking komende deskundigen. 5.De commissie besluit niet tot een advies als er minder dan drie leden aanwezig zijn bij de vergadering. 6.Alle adviezen worden met volstrekte meerderheid van stemmen genomen, waarbij een minderheidsstandpunt zal worden verwoord. Bij staken van stemmen beslist de stem van de voorzitter. 7.De secretaris heeft in de vergadering van de commissie een raadgevende stem. Artikel5.3Het noodfonds voor kinderen 1.Het college kan een incidentele bijdrage verlenen ten behoeve van een kind dat in een schrijnende noodsituatie verkeert. 2.Onder een kind bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: het kind zoals genoemd in artikel 4.2.1, onder d. 3.Het noodfonds wordt beheerd door het college. 4.Het college kan in nadere regels bepalen op welke wijze en onder welke criteria een bijdrage uit dit noodfonds wordt verleend. Hoofdstuk6Schuldhulpverlening Artikel6.1Beslistermijn beschikking De beschikking als bedoeld in artikel 4a van de Wgs wordt afgegeven binnen de maximale termijn zoals genoemd in het derde lid van dat artikel. De termijn begint te lopen na het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wgs. Hoofdstuk7Bestuurlijke geldschulden Artikel7.1Reikwijdte, betalingstermijn en wijze van betaling 1.Dit artikel is van toepassing op bestuursrechtelijke geldschulden binnen de PW, Bbz 2004, IOAW, IOAZ, de Wet inburgering, Wmo, de Wet op de Lijkbezorging en het Burgerlijk Wetboek. 2.In afwijking van het bepaalde in artikel 4:87 van de Awb geschiedt de betaling van een bestuursrechtelijke geldschuld binnen 31 dagen nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt. 3.Naast girale betaling, zoals geregeld in artikel 4:89 van de Awb, is chartale betaling mogelijk in alle gevallen dat de schuldenaar betaalt aan het bestuursorgaan. Hoofdstuk8Slotbepalingen Artikel8.1Nadere regels en beleidsregels Onverminderd het bepaalde in deze verordening kan het college ten behoeve van de uitvoering van deze verordening regels vaststellen. Deze regels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van nadere regels. Beleidsregels geven aan hoe het college met een bepaalde bevoegdheid omgaat. Met nadere regels worden bepaalde regels of onderdelen die in de verordening op hoofdzaken zijn benoemd, verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze regels te maken wordt begrensd door de wet. Artikel8.2Innovatie en experimenten 1.Het college kan van de bepalingen in deze verordening afwijken wanneer experimenten ter bevordering van de participatie en re-integratie daartoe aanleiding geven. 2.De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste drie jaar. 3.Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van deze verordening kan de periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot aan het moment van inwerkingtreding van de bijstelling. Artikel8.3Maatwerk Het college kan, gelet op alle omstandigheden, in het individuele geval ten gunste van de inwoner afwijken van deze verordening indien het afwegingskader hiertoe noodzaakt. Bij het toepassen van maatwerk maakt het college gebruik van de Waardendriehoek. Artikel8.4Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening indien de toepassing tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel8.5Onvoorziene omstandigheden Het college beslist in gevallen waarin de verordening niet voorziet. Artikel8.6Intrekken oude verordeningen en overgangsrecht 1.De Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ 2018 wordt ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. 2.De belanghebbende die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van hoofdstuk 2 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ 2018 en die beëindigd moet worden op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ 2018 voor de duur: van twaalf maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening; of dat deze is toegekend, indien die periode korter is dan de periode als genoemd onder a. 3.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ 2018 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4.Op bezwaarschriften gericht tegen een besluit op grond van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ 2018 wordt beslist met inachtneming van de oude verordening. Artikel8.7Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 juli 2023. 2.In afwijking van het eerste lid treden de volgende bepalingen ingang van 1 januari 2023 in werking: artikel 2.2.16, zevende lid; artikel 4.1.2, vijfde lid; artikel 4.2.1, onderdeel g; artikel 4.2.2, tweede lid, onder f. 3.De in het tweede lid genoemde bepalingen worden met ingang van 1 januari 2025 ingetrokken. 4.Deze verordening wordt aangehaald als: Verzamelverordening Inkomensondersteuning, re-integratie en participatie 2023. Aldus besloten in de openbare vergadering van 21 december 2023De raad voornoemd,S.M. Stam waarnemend raadsgriffier A.J.M. HeertsvoorzitterToelichting Verzamelverordening Inkomensondersteuning, re-integratie en participatie Algemeen De gemeente is op grond van de PW verantwoordelijk voor de ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de inkomensondersteuning van een grote groep inwoners. Vanuit het oogpunt van eenduidigheid, vereenvoudiging en vindbaarheid zijn verschillende onderwerpen binnen de PW en de wetten en regelingen die daarmee samenhangen sinds 1 januari 2018 ondergebracht in een verzamelverordening. Daarmee heeft deze verordening ook betrekking op regels op grond van de IOAW, IOAZ en de Wgs. Daarnaast is het participatiebeleid dat voortvloeit uit de autonome bestuursbevoegdheid op grond van de Gemeentewet en de regelgeving ten aanzien van het noodfonds in deze verordening opgenomen. Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht die de gemeenteraad heeft gekregen: het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar taken op het gebied van onder andere re-integratie en handhaving (verlaging van de uitkering) wordt neergelegd. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers: daar waar de individuele omstandigheden van de belanghebbende bepalend zijn, bijvoorbeeld bij het aanbieden van een passende re-integratievoorziening, staat het verlenen van maatwerk voorop. Daarmee heeft de verordening met name op het gebied van re-integratie (hoofdstuk 2) de status van een beleidskader. Waar nodig zal het college deze kaders verder uitwerken in nadere regels, beleidsregels en/of uitvoeringsrichtlijnen. Met ingang van 1 juli 2023 is de PW aanzienlijk gewijzigd. Onder de noemer “Breed offensief” heeft de wetgever diverse maatregelen getroffen om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. In de wet “Wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (Uitvoeren Breed offensief”)” is het juridisch raamwerk rondom deze maatregelen neergelegd. De wijzigingen in hoofdstuk 2 van deze verordening zijn dermate omvangrijk dat ervoor gekozen is om de verordening met ingang van genoemde datum opnieuw vast te stellen. In verband daarmee zijn ook de begripsbepalingen in hoofdstuk 1 gewijzigd en is in hoofdstuk 8 een specifiek artikel over het verlenen van maatwerk opgenomen. Voor het overige is de verordening een voortzetting van hetgeen al was bepaald in de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2018. De verzamelverordening is onderverdeeld in acht hoofdstukken. Enkele hoofdstukken zijn verder onderverdeeld in paragrafen, als dat gelet op de omvang of de diversiteit bijdraagt aan het overzicht. Dit geldt met name voor hoofdstuk 2, Re-integratie, uitstroombevordering en tegenprestatie. Zowel de inhoudelijke bepalingen als de indeling van het hoofdstuk is gebaseerd op de modelverordening van de VNG, al is dit uiteraard aangepast naar de situatie in Apeldoorn. Toelichting per artikel Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begrippen Dit artikel bevat een aantal begripsbepalingen, waarbij het uitgangspunt is dat de begrippen die niet nader worden omschreven, dezelfde betekenis hebben als in de van toepassing zijnde wetgeving. Artikel 1.2Aanvraagformulier Het verzoek wordt schriftelijk ingediend middels een door het college vastgesteld (digitaal) formulier, tenzij anders is bepaald. Gehuwden en/of samenwonenden moeten gezamenlijk een verzoek indienen en aan de voorwaarden voldoen. Het verzoek wordt gelijkgesteld met een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb . De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn. Hoofdstuk 2 Re-integratie, uitstroombevordering en tegenprestatie Paragraaf 1Beleid, evaluatie en algemene bepalingen over voorzieningen Artikel 2.1.1Evenwichtige verdeling en evaluatie Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de PW, moet de gemeenteraad in de verordening aangeven onder welke voorwaarden welke personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de PW, en werkgevers van deze personen, in aanmerking komen voor in de verordening omschreven voorzieningen en hoe deze rekening houdend met omstandigheden, zoals de zorgtaken, het feit dat die persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort of gebruik maakt van de voorziening beschut werk, of een andere structurele functionele beperking heeft, evenwichtig over deze personen worden verdeeld. Hierin ligt besloten dat ook rekening wordt gehouden met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven. Het college heeft de verantwoordelijkheid voor het bieden van ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. Hoewel belanghebbenden aanspraak kunnen maken op ondersteuning, is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals de belanghebbende dat mogelijk zouden willen zien. Bij het vaststellen van de ondersteuning zal altijd inzicht verkregen worden wat de mogelijkheden en de belemmeringen van de belanghebbende zijn. Op grond van artikel 8a van de PW dient er voldoende aanbod van re-integratievoorzieningen te zijn, maar het college heeft daarbij te maken met beperkte middelen, terwijl de vraag naar ondersteuning afhankelijk is van een veelheid aan sociaaleconomische factoren. Bij de inzet van ondersteuning wordt rekening gehouden met de aanpalende regelingen die beschikbaar zijn voor de doelgroep binnen het sociale domein. Het vierde lid draagt het college op om de raad periodiek over de doeltreffendheid van de inzet van re-integratievoorzieningen te informeren. Hierbij wordt zoveel als mogelijk aangesloten bij de bestaande cyclus van informeren van de raad, zoals de Meerjaren programmabegroting (MPB), Tussenrapportage (Turap) en de Monitor Sociaal, tenzij er aanleiding is om de raad tussentijds te informeren. Artikel 2.1.2 Inzet voorzieningen De PW schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college moet aanbieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Dit artikel regelt enkele zaken die te maken hebben met de inzet van voorzieningen. Het gaat dan om alle voorzieningen, dus ook om voorzieningen die niet expliciet in deze verordening zijn opgenomen. Ondersteuning bij de arbeidsinschakeling is immers breder dan enkel het inzetten van voorzieningen. Zo kan in sommige gevallen worden volstaan met een concreet advies of een gerichte doorverwijzing naar een andere instantie. Ook is het mogelijk dat voorzieningen worden ingezet die vanwege de onderzoeks- en experimentfase (nog) niet in de verordening zijn opgenomen. Daarnaast regelt dit artikel in het tweede en derde lid de afstemming binnen het gemeentelijke sociale domein. Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, van de PW dienen er regels opgenomen te worden over de samenwerking binnen het gehele sociale domein als dat nodig is voor een integrale ondersteuning van de persoon (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Het gaat zowel om de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk. Het is belangrijk om hier bij de inzet van voorzieningen rekening mee te houden en dit te benoemen in het plan van aanpak. Deze bepaling biedt ook een grondslag voor het uitwisselen van de noodzakelijke informatie binnen het sociaal domein om tot de integrale aanpak te kunnen komen. De uitgangspunten die het college bij het inzetten van voorzieningen hanteert, volgen uit de kadernota Maatschappelijke ontwikkeling. Daarbij is het van belang dat maatwerk en aandacht voor duurzame uitstroom mede bepalend kan zijn voor de keuze van de inzet van een re-integratievoorziening. In het zesde lid wordt aan het college bevoegdheden gegeven om nadere regels te stellen voor de uitvoering van deze verordening. Artikel 2.1.3Weigering en beëindiging voorziening. Het eerste lid geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet limitatief, omdat er voor een aantal voorzieningen ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die voorzieningen. Ook zal het college bij de beoordeling van het recht op een voorziening de in artikel 2.1.1 opgenomen verdeling over verschillende doelgroepen in acht moeten nemen. Het betreft hier een “kan-bepaling”, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie al dan niet op zijn plaats is. Hoewel het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met de specifieke omstandigheden die kunnen vragen om individueel maatwerk te leveren. Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen het dat kan doen. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de PW wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de PW is verleend. De PW voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Eventuele terugvordering van de belanghebbende of de werkgever dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. Paragraaf 2Voorzieningen voor de doelgroep re-integratie Artikel 2.2.1Activeringsprogramma gericht op arbeidsinschakeling of scholing Een activeringsprogramma kan bestaan uit: voorlichting, sollicitatietrainingen, tijdelijke werkzaamheden met behoud van uitkering waarbij in het kader van de arbeidsontwikkeling lichte productiewerkzaamheden worden verricht, bemiddeling en eventuele werkstages of leerwerkplekken. De voorziening kan worden ingezet als een belanghebbende werkritme moet opdoen of behouden. Daarnaast kan het programma als doel hebben de toeleiding naar uit ’s rijks kas bekostigd onderwijs. Tevens kan het worden ingezet als diagnose-instrument om de capaciteiten, competenties en werkhouding beter in beeld te brengen of de opleidingsmogelijkheden en wensen van een belanghebbende vast te stellen. Artikel 2.2.2Bemiddeling gericht op arbeidsinschakeling Directe bemiddeling kan voor de belanghebbenden zonder afstand tot de arbeidsmarkt als voorziening worden ingezet. Een cursus of scholing kan hiermee samengaan. Het doel van bemiddeling is om na een korte actie uitstroom te bereiken. Vandaar dat de maximale duur van deze voorziening in beginsel op een jaar is gesteld. Bij deze voorziening moet een gerede kans aanwezig zijn dat een baan kan worden gevonden voor een belanghebbende. Artikel 2.2.3 Detacheringsbaan De PW biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep re-integratie een dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen vormgegeven worden. Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. De werkgever biedt een dienstverband volgens voorwaarden die in een cao zijn vastgelegd. De werkgever kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de wijze waarop de beoogde werkervaring wordt verkregen. In het derde lid is bepaald dat de werknemer uitsluitend wordt geplaatst als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Plaatsing is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing. Artikel 2.2.4Diagnose-instrument In de meeste gevallen zal voordat tot de inzet van re-integratievoorzieningen wordt besloten een diagnose worden gesteld. Eventueel kan na een zelf verricht onderzoek besloten worden alsnog advies van derden in te winnen. Artikel 2.2.5Groepsgerichte aanpak of training Waar mogelijk wordt een groepsgerichte aanpak en/of training ingezet als voorziening. De belangrijkste motivatie hiervoor ligt in de kosten-baten afweging. Een groepsgerichte aanpak kan gericht zijn op een specifieke doelgroep, maar kan ook gericht zijn op het wegnemen van een gemeenschappelijke belemmering. Daarnaast kan gedacht wordt aan een training die gericht is op een specifieke functie. Artikel 2.2.6Individuele re-integratie overeenkomst In het geval een belanghebbende zelf duidelijke ideeën heeft hoe het snelste kan worden gere-integreerd, bestaat de mogelijkheid van het afsluiten van een Individuele Re-integratie Overeenkomst (IRO). Een belanghebbende kan zelf een voorstel van een traject indienen. Het college beoordeelt dit verzoek en toetst of het traject bijdraagt aan een succesvolle re-integratie. De tijd die ermee is gemoeid en de investering die het vergt, worden hierbij afgewogen. Indien een ander traject naar het oordeel van het college betere mogelijkheden biedt op uitstroom, dan kan afwijzend worden beslist op het verzoek van de belanghebbende. Het traject kan bestaan uit het inschakelen van een re-integratiebedrijf, maar ook het volgen van scholing behoort tot de mogelijkheden. Artikel 2.2.7Ondersteuning bij leer-werktraject Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel 7, derde lid, onder a, van de PW. In artikel 10f van de PW is bepaald dat het college onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en aan personen van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de PW, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van de PW. Artikel 2.2.8Overige vergoedingen Het college kan ter stimulering van de arbeidsinschakeling besluiten kosten te vergoeden voor activiteiten die daartoe bijdragen. Voorwaarde daarbij is dat het om zeer bijzondere omstandigheden moet gaan. Hieruit volgt al dat de kosten per definitie individueel bepaald zijn en ook heel divers kunnen zijn. Een limitatieve opsomming is daarom moeilijk te geven. Ter illustratie kan gedacht worden aan de situatie dat een belanghebbende voor een bepaald onderzoek of training voor zijn arbeidsinschakeling op korte termijn naar een instantie moet reizen. Wanneer hij hier zelf niet in kan voorzien en geen aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening of een andere voorliggende voorziening, kunnen de kosten op grond van artikel worden vergoed. Artikel 2.2.9 Participatieplaats Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de PW). Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de PW), ongeacht het aantal werkomgevingen waar de participatieplaats wordt geboden. Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de PW). Zo niet, dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als het college concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de PW). 36 Maanden na de start op een participatieplaats vindt opnieuw een beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de PW), met de mogelijkheid om deze met 12 maanden te verlengen. De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de PW). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de PW). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de PW. Er is gekozen voor een premie van per periode van zes maanden. Artikel 2.2.10 Participatievoorziening beschut werk Het college is op grond van artikel 10b van de PW verplicht om voorziening beschut werk aan te bieden aan de belanghebbende die daarop is aangewezen. Deze verplichting geldt totdat het door het ministerie vastgestelde aantal te realiseren dienstbetrekkingen is bereikt (tweede lid). Voor wat betreft de plaatsingsvolgorde is de datum van het advies van het UWV leidend, al zal daar in uitzonderingssituaties vanwege bijzondere omstandigheden van afgeweken kunnen worden. In de wetenschap dat het aanbieden van een dienstbetrekking beschut werk afgestemd wordt op de persoonlijke eigenschappen en omstandigheden van de belanghebbende, dient dit een vorm van maatwerk te zijn die niet altijd direct tot plaatsing op een geschikte werkplek zal (kunnen) leiden. Daarbij kan de inzet van een aantal ondersteunende voorzieningen noodzakelijk zijn (vijfde lid). Wanneer het aantal beschutte werkplekken in een kalenderjaar al is bereikt, bestaat de mogelijkheid dat plaatsing in een dienstbetrekking om die reden (nog) niet mogelijk is. Daarnaast kan het voorkomen dat tijdens de dienstbetrekking blijkt dat de voorziening beschut werk vanwege persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende tijdelijk niet passend is. In deze situaties kan het college tijdelijk andere voorzieningen aanbieden (zesde lid). Daarbij kan het zowel gaan om voorzieningen uit deze verordening als om voorzieningen uit andere regelingen binnen het sociaal domein. Hiermee wordt tevens uitvoering gegeven het ‘Simpel Switchen in de Participatieketen’. Artikel 2.2.11Persoonlijke ondersteuning bij werk doelgroep re-integratie Het college kan persoonlijke ondersteuning bij het vinden en behouden van werk aanbieden aan de belanghebbende met een arbeidsbeperking. De doelgroep is door het college verruimd met de belanghebbende met een in de persoon gelegen belemmering, waardoor ook die belanghebbende in aanmerking kan komen voor de genoemde voorziening. Hierbij kan gedacht worden aan de belanghebbende met een psychische kwetsbaarheid, verslavingsproblematiek of ernstige gedragsproblematiek. Het kunnen participeren op de arbeidsmarkt heeft voor veel mensen een belangrijke betekenis. Mensen die te maken hebben met in de persoon gelegen belemmeringen kunnen met de juiste ondersteuning in staat worden gesteld om duurzaam te gaan participeren op de arbeidsmarkt. Artikel 2.2.12Proefplaats Volgens artikel 8a, tweede lid, onder d, van de PW moet in de verordening de voorwaarden worden aangeven waaronder “het college toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”. Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie voor werkgevers tot stand te brengen. Voor de termijn is aangesloten bij de wetgeving die wordt uitgevoerd door het UWV en het door het UWV gevoerde beleid (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 55). Dit artikel geeft hier invulling aan. Voor een toelichting ten aanzien van verdringing wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.2.3. Als het noodzakelijk is om de werkzaamheden uit te voeren, kan het college persoonlijke ondersteuning toekennen aan de persoon op de proefplaats (zevende lid). Artikel 2.2.13Scholing Scholing kan worden aangeboden indien daarbij voldaan wordt aan de in dit artikel genoemde eisen. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de arbeidsinschakeling. Afhankelijk van de individuele omstandigheden en de duur en omvang van de scholing, kan deze voorziening zo nodig ook worden ingezet in combinatie met een andere voorziening. Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen op grond van de PW geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling. Dit is voor de volledigheid opgenomen in het derde lid. Het college kan hiervan afwijken indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Artikel 2.2.14Sociale activering Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Voor belanghebbenden kan sociale activering de eerste stap richting een op werk gericht traject betekenen. Als werk niet haalbaar is, moet worden voorkomen dat deze belanghebbenden buitengesloten raken, zodat zij wel blijven participeren in het maatschappelijke verkeer. Voor een toelichting ten aanzien van verdringing wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.2.3. Artikel 2.2.15 Tegenprestatie De belanghebbende kan worden gevraagd actief deel te nemen aan de samenleving door middel van het naar vermogen verrichten van ‘onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden’ (artikel 9 van de PW). Het gaat hierbij om belanghebbenden met een afstand tot de arbeidsmarkt. Belanghebbenden zonder afstand tot de arbeidsmarkt dienen zich immers volledig te richten op het vinden van werk. Indien de belanghebbende al activiteiten verricht in het kader van een vastgesteld plan van aanpak wordt er geen tegenprestatie opgedragen. Het college moet maatwerk toepassen bij het opdragen van een eventuele tegenprestatie. De mogelijke werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Bij een tegenprestatie gaat het om additionele werkzaamheden, waarmee sprake is van een onderscheid met werkzaamheden die op de reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Indien de belanghebbende vrijwilligerswerk verricht dat voldoet aan de eisen die in de wet en deze verordening aan de tegenprestatie worden gesteld, dan wordt het vrijwilligerswerk als een tegenprestatie aangemerkt. Ook het verrichten van mantelzorg kan hier onder vallen. Voor een toelichting ten aanzien van verdringing wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.2.3. Artikel 2.2.16Uitstroompremie De inwoner met een minimuminkomen die een baan aanvaardt, verliest meestal direct zijn aanspraak op een individuele inkomenstoeslag. Terwijl kort na werkaanvaarding er vaak nog weinig reserves zijn opgebouwd die gebruikt kunnen worden voor de onverwachte kosten waarvoor de individuele inkomenstoeslag wordt verstrekt. De uitstroompremie is bedoeld om te voorkomen dat het verlies van de individuele inkomenstoeslag een belemmering vormt om een baan te aanvaarden en kan daarmee worden beschouwd als een stimulans om werk te aanvaarden. De uitstroompremie kan ook worden verstrekt aan de inwoner die uitstroomt naar betaald werk als zelfstandige, waardoor hij geen beroep (meer) doet op een Bbz uitkering. Omdat toetsing van het inkomen na de eerste drie maanden dan niet mogelijk is, wordt enkel beoordeeld of deze zelfstandige drie maanden na uitstroom uit de uitkering nog geen beroep op bijstand heeft gedaan, mits er ook aan de overige criteria wordt voldaan. Gehuwden ontvangen samen één uitstroompremie voor gehuwden, indien zij door werkaanvaarding van één of beide partners een inkomen verkrijgen hoger dan de gehuwdennorm. Bij de niet-uitkeringsgerechtigde die voorafgaand aan de werkaanvaarding de individuele inkomenstoeslag ontving, is het ambtshalve toekennen van de uitstroompremie niet mogelijk. Om die reden is dan een aanvraag door de inwoner nodig. Voor alleenstaande ouders en voor gehuwden met de volledige zorg voor een of meer ten laste komende kinderen wordt de uitstroompremie in 2023 en 2024 verhoogd met € 200,-. Deze verhoging geldt per gezin, dus ongeacht het aantal kinderen. Deze tijdelijke maatregel is bedoeld om gezinnen met kinderen financieel extra te ondersteunen Artikel 2.2.17Werkervaringsplek Een werkervaringsplek is geen gewone arbeidsovereenkomst. Er is sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dit is overwegend gericht op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de belanghebbende zonder beloning. Het college kan een werkervaringsplek aanbieden voor zover iemand nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. Van langdurige werkloosheid is in beginsel sprake als een belanghebbende gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer een uitkering ontvangt. In de werkervaringsplek kan een belanghebbende wennen aan aspecten als omgaan met gezag, werkritme en samenwerken met collega’s. Een werkervaringsplek kan slechts voor een korte periode als voorziening wordt aangeboden, in beginsel voor de duur van maximaal zes maanden. Voor een toelichting ten aanzien van verdringing wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.2.3 Artikel 2.2.18Werkgeversvergoeding Het college kan een incidentele werkgeversvergoeding verstrekken indien de dit naar het oordeel van college noodzakelijk is en er sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op de situatie van de belanghebbende, maar ook van de werkgever. Besloten is de werkgeversvergoeding vormvrij te houden zodat maatwerk kan worden geboden. Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn kunnen bijvoorbeeld de afwegingen worden betrokken: de kosten van de vergoeding; de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal maanden/jaren/bepaalde tijd/onbepaalde tijd); de omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal uren dat de persoon gaat werken; de motivatie van de persoon; en de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten. Artikel 2.2.19Werkstage De werkstage kan als voorziening worden aangeboden voor de belanghebbende met een afstand tot arbeidsmarkt of de belanghebbende die langdurig niet actief geweest is op de arbeidsmarkt. Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. De werkstage is een soort scholingsvoorziening, en geen arbeidsovereenkomst: niet de arbeid zelf, maar het leren werken staat centraal. De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een belanghebbende de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan de belanghebbende wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s. Voor een toelichting ten aanzien van verdringing wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.2.3. Een werkstage kan slechts voor beperkte duur plaatsvinden. Paragraaf 3 Specifieke bepalingen doelgroep Breed Offensief A Administratief proces loonkostensubsidie Artikel 2.3.1 Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie Dit artikel is een uitwerking van de wettelijke verplichting voor gemeenten om bij verordening te bepalen hoe het administratief proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie is vormgegeven (artikel 8a, eerste lid en tweede lid, onder c, van de PW). Door in de verordening naar het werkproces te verwijzen beoogt de wetgever ervoor te zorgen dat werkgevers, in het kader van transparantie, beter weten waar zij aan toe zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 54-55). Het tweede lid maakt duidelijk dat het rechtssubject van de loonkostensubsidie de werkgever is, ook op het moment dat de werknemer de aanvraag indient. Dit volgt ook uit artikel 10d, eerste lid, van de PW, waarin staat dat de subsidie wordt verleend aan de werkgever. Omdat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hiervoor in aanmerking komen regelt het derde lid dat op het moment dat er een aanvraag binnenkomt met betrekking tot een persoon ten aanzien van wie nog niet is vastgesteld dat deze onder de doelgroep valt de aanvraag mede moet worden gezien als een aanvraag om onder de doelgroep te worden gebracht. De beschikking tot loonkostensubsidie dient op grond van artikel 10d, twaalfde lid, van de PW binnen vijf weken na vaststelling van de loonwaarde te worden genomen. Een accurate loonwaardemeting duurt in de regel acht weken, hetgeen ook een algemeen aanvaarde termijn binnen het preferente proces loonkostensubsidie. B.Procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Artikel 2.3.2Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij het vinden of behouden van werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking of personen die volgens het college daaraan gelijkgesteld kunnen worden vanwege een in de persoon gelegen belemmering. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Het artikel vormt daarmee een aanvulling op de in artikel 2.1.2 opgenomen algemene voorwaarden en uitgangspunten om in aanmerking te komen voor een re-integratievoorziening. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de PW. (
- a)Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep, bedoeld in artikel 7 van de PW, waarbij er voor personen die VSO/PRO-onderwijs hebben genoten een uitzondering wordt gemaakt, waardoor zij ook voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen in aanmerking kunnen komen. (
- b)Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren. (
- c)Om een doelmatige inzet van de re-integratiemiddelen te waarborgen is er een minimale omvang verbonden aan de dienstbetrekking. (d, e,
- f)Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, wordt de voorziening niet verstrekt op grond van deze verordening. (
- g)De aan de voorziening(
- en)verbonden kosten kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden tot het afwijzen van de gevraagde voorziening(en), op het moment dat deze kosten in geen verhouding staan tot de maatschappelijke baten die verbonden zijn aan de verstrekking van de voorziening(en). Artikel 2.3.3Aanvraagprocedure bij persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel regelt de aanvraagprocedure voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. Uiteraard is de aanvraagmogelijkheid geen verplichting; het college kan ook zelf ambtshalve – dat wil zeggen zonder aanvraag – beoordelen wat nodig is. In de praktijk zal veelal ook sprake zijn van een ambtshalve beoordeling. Het college zorgt dan zelf voor een goede match met een werkgever, met passende ondersteuning. Het hoeft meestal niet tot een aanvraag te komen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 11). In dit artikel worden de verschillende stappen beschreven die het college moet doorlopen om tot een zorgvuldig onderzocht en onderbouwd besluit te komen. Het artikel vloeit voort uit artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de PW “op welke wijze het college voorzieningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, verstrekt” en onderdeel g “op welke wijze waar nodig voor een persoon als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, of 10d, tweede lid, wordt voorzien in integrale en voortgezette (persoonlijke) ondersteuning”. Bij het onderzoek houdt het college rekening met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en met zijn wensen en die van de werkgever. Als dat nodig is, wint het college een specifiek deskundig oordeel in. In artikel 8a, tweede lid, onder g, van de PW is bepaald dat in de verordening ook moet worden opgenomen op welke wijze wordt voorzien in integrale ondersteuning. In het vijfde lid is daartoe bepaald dat het college tijdens het onderzoek, als dat nodig is, ook voorzieningen uit andere wetten (jeugdhulp, Wmo, schuldhulpverlening, enz.) betrekt bij de afweging en zo komt tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening. Artikel 2.3.4Inhoud beschikking bij persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Een beschikking dient te voldoen aan de eisen die de Awb en de PW daaraan stellen. In dit artikel is bepaald welke concrete informatie minimaal in een beschikking moet worden opgenomen. Het betreft een nadere uitwerking van de wettelijke eisen, die niet afdoet aan de plicht om aan de eisen die rechtstreeks voortvloeien uit de Awb en de PW te voldoen. C.Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk Artikel 2.3.5Doel en vormen van persoonlijke ondersteuning bij werk Persoonlijke ondersteuning bij het vinden en behouden werk omvat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Daarnaast zijn er verschillende vormen van jobcoaching, waarbij voor een belangrijk deel is aangesloten bij de soorten die het UWV hanteert. Dit artikel is ingevoegd voor een beter begrip en leesbaarheid van de verordening. Het vormt daarmee een aanvulling op de VNG-modelverordening re-integratie. Artikel 2.3.6Voorziening persoonlijke ondersteuning bij werk Dit artikel geeft aan op welke wijze het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning in natura en in de vorm van een subsidie (artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de PW). Het college kan een jobcoach via het werkleerbedrijf inzetten, of een jobcoach inhuren en die aan een werkgever toekennen. Ook is mogelijk dat een werkgever zelf een eigen jobcoach in dienst heeft (interne jobcoach) of een jobcoach inhuurt (externe jobcoach). De werkgever kan ook een collega van de werknemer inzetten om hem te begeleiden (interne werkbegeleider). In het artikel worden de verschillende mogelijkheden benoemd. Het derde lid maakt duidelijk dat de persoonlijke ondersteuning ook worden aangeboden op het moment dat er geen sprake is van een reguliere dienstbetrekking. Hierbij kan gedacht worden aan een proefplaatsing of een leer-werktraject. Dit vormt een uitbreiding op de wettelijke basisplicht om deze ondersteuning aan te bieden ten behoeve van opgedragen taken die worden verricht in het kader van een dienstbetrekking bij een werkgever. Artikel 2.3.7Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk Het eerste lid bevat een termijn waarbinnen een aanvraag om persoonlijke ondersteuning in beginsel moet zijn ingediend, gerekend vanaf de datum van indiensttreding. Deze termijn houdt verband met de aard van de voorziening. Persoonlijke ondersteuning bij werk is een voorziening die wordt verstrekt als deze noodzakelijk is voor de persoon om de aan hem opgedragen taken uit te voeren. Bij een aanvraag die pas na het verstrijken van een ruime periode na indiensttreding wordt ingediend, kan de vraag worden gesteld in hoeverre het verstrekken van deze voorziening nog noodzakelijk is, nu men kennelijk al geruime tijd zonder deze persoonlijke ondersteuning de werkzaamheden al heeft verricht. In die situatie rechtvaardigt dat de conclusie dat het verstrekken van persoonlijke ondersteuning op aanvraag in beginsel niet noodzakelijk is, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie. Indien en voorzover het college daarbij vaststelt dat er toch recht op deze voorziening bestaat, regelt het tweede lid dat de voorziening maximaal vier weken met terugwerkende kracht wordt toegekend. Het derde lid bevat de basisaspecten waarmee het college rekening moet houden bij het verstrekken van individuele ondersteuning en benadrukt het belang van het leveren van maatwerk. In artikel 2.3.8 en 2.3.9 is dit verder uitgewerkt. Artikel 2.3.8Kwaliteitseisen jobcoaching Dit artikel is een uitwerking van artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 2, van de PW, waarin de opdracht is neergelegd om in de verordening aan te geven welke kwaliteitseisen het college stelt aan de jobcoach en hoe deze eisen worden gewaarborgd. Dit is relevant omdat kwaliteit en kwaliteitseisen een waarborg (kunnen) zijn voor een goede inzet van de jobcoach. Artikel 2.3.9Inzet, duur en intensiteit jobcoaching Het eerste lid is een uitwerking van de uit artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de PW voortvloeiende verordeningsplicht. Het bepalen van de duur en de intensiteit van de jobcoaching is maatwerk. Onder begeleidingsbehoefte ofwel de intensiteit wordt verstaan we de aard, duur en intensiteit van de begeleiding die de werknemer nodig heeft om te werk te vinden of te behouden. De begeleiding moet ervoor zorgen dat de uitvoering van het werk zo zelfstandig en productief mogelijk gebeurt. Het gaat om systematische begeleiding, die nodig is om de belanghebbende goed en duurzaam in het werk te laten functioneren. Hierbij gaat het ook om de begeleiding van de werkgever en de collega’s, net zoals de bijdrage aan de coördinatie/afstemming met begeleiders in andere levenssferen. De intensiteit van de jobcoaching wordt op basis van een jobcoachplan, waarin is onder andere leer- en ontwikkelpunten zijn opgenomen, vertaald naar te behalen doelen. Er bestaan diverse vormen van begeleiding, die kunnen verschillen in intensiteit: een werknemer kan vanwege de aard van de arbeidsbeperking intensieve ondersteuning nodig hebben, bij functioneren in het werk. Hiervoor is een jobcoach nodig die regelmatig beschikbaar moet zijn. Een jobcoach die direct kan bijvoorbeeld kan ingrijpen bij een noodsituatie. Bij coaching krijgt de werknemer feedback op zijn handelen of gedrag. Bij training draait het om het aanleren van vaardigheden en het onderhouden ervan. De begeleiding kan gericht zijn op de persoon zelf. Het gaat dan om persoonlijke begeleiding. Het doel is bijvoorbeeld om het zelfvertrouwen te vergroten, de persoon of zijn verzorging te versterken, afspraken te leren nakomen of het leren omgaan met regels en gezagsverhoudingen. De begeleiding kan ook gericht zijn op het uitvoeren van een taak of functie. In dat geval is er sprake van functionele begeleiding. Bij functionele begeleiding gaat om het aanleren van taken. De begeleiding kan in tijd variëren. In principe heeft begeleiding tot doel de werknemer zo te coachen/trainen dat hij uiteindelijk een taak of functie zelfstandig kan uitvoeren. Het kost vaak veel tijd om taken aan te leren en/of gedrag te trainen. Het gaat dan ook vaak om langdurige begeleiding. Vooral het aanleren van arbeid gerelateerde sociale vaardigheden kost veel tijd. Factoren in de context van de werknemer kunnen bovendien de duur van de begeleiding beïnvloeden. Het gaat in principe altijd om een maatwerk aanpak aansluitend op de mogelijkheden van de werknemer en werkgever. Jobcoaching is in beginsel een tijdelijke voorziening voor maximaal drie jaar en is gericht op het leren zelfstandig functioneren in een bepaalde functie van personen met een arbeidsbeperking of met een in de persoon gelegen belemmering. Is aansluitend op deze maximale periode, waarbij de inzet en omvang van de jobcoaching halfjaarlijks wordt geëvalueerd, voortzetting van jobcoaching nodig, kan het college de periode op grond van het vijfde lid verlengen. Hierbij kan gedacht kan worden aan tijdelijke problematiek of onbalans in werk- of privésituatie. Dit vraagt per definitie om een maatwerkgerichte beoordeling. Uiteraard kan ook tijdens een toegekende jobcoachperiode (van zes maanden) een situatie ontstaan waarin de toegekende jobcoaching tijdelijk niet of onvoldoende volstaat. Dat vraagt mogelijk om een flexibele en maatwerkgerichte oplossing, waarin tijdelijk afgeweken moet worden van de toegekende jobcoaching. Het college kan dit in nadere regels uitwerken. Hiermee wordt het recht op passende ondersteuning te allen tijde gewaarborgd. Het zesde lid bevat een opdracht aan het college om te stimuleren dat jobcoaching door of via het werkleerbedrijf in natura wordt verstrekt. De naturaverstrekking geeft het college andere sturingsmogelijkheden en ook de efficiency kan hiermee zijn gediend. Dit neemt niet weg dat jobcoaching, binnen de in de verordening gestelde voorwaarden, ook in de vorm van een subsidie kan worden verstrekt. Artikel 2.3.10Jobcoaching in natura Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de PW bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college ook zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning (jobcoaching) in natura. Dit artikel voorziet hierin. Artikel 2.3.11Subsidie voor het organiseren van jobcoaching Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de PW bepaalt onder meer dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning door middel van subsidieverstrekking, waaronder jobcoaching. Dit artikel voorziet hierin. In het tweede lid zijn de randvoorwaarden opgenomen om voor subsidieverlening in aanmerking te komen. Bij de keuze voor deze voorwaarden is, met het oog op het realiseren van een zo uniform mogelijk kader, aansluiting gezocht bij door het UWV gehanteerde voorwaarden op grond van artikel 12 van het Re-integratiebesluit. Het derde lid geeft aan op welke wijze de hoogte van de subsidie voor jobcoaching door het college kenbaar wordt gemaakt. Het college moet er voor zorgen dat de tarieven voor een bepaald jaar vindbaar en kenbaar zijn voor werkgevers en de doelgroep. Dat kan door de tarieven te vermelden op de website van de gemeente of van het werkleerbedrijf. Daarbij is als eis opgenomen dat het door het college vastgestelde tarief toereikend moet zijn om jobcoaching in te kopen. Dit betekent dat het college moet onderzoeken in de markt wat een toereikend tarief is. Het feit dat een persoon of werkgever een beroep wenst te doen op een duurdere jobcoach betekent niet dat het college gehouden is het meerdere te verstrekken. Er is immers een maximumtarief waarvan vaststaat dat dit toereikend is om passende jobcoaching in te kopen. Het vierde lid maakt transparant dat het college de in de verordening gestelde eisen nader kan uitwerken. Met het vijfde lid wordt duidelijk gemaakt dat het college niet alleen subsidie kan verlenen voor jobcoaching die is bedoeld om de persoon in staat te stellen om de aan hem opgedragen taken in het kader van de arbeidsovereenkomst uit te voeren, maar dat de gesubsidieerde jobcoach ook een breder takenpakket kan uitvoeren. Artikel 2.3.12 Interne werkbegeleiding Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de PW in combinatie met artikel 10, derde lid, onder b, van de PW bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning in de vorm van een interne werkbegeleider door middel van subsidieverstrekking. Dit artikel regelt hoe dit mogelijk is. De wijze waarop de subsidie wordt verleend en onder welke voorwaarden wordt in nadere regels vastgesteld. D Specifieke bepalingen overige voorzieningen Artikel 2.3.13Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 1, van de PW bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken. Dit artikel regelt, in aanvulling op de artikelen 2.1.2 en 2.3.2 onder welke voorwaarden dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de vergoeding hiervoor wordt bepaald als het college het vervoer niet zelf (in natura) organiseert. Bij de bepaling van de vergoeding wordt uitgegaan van het reguliere tarief in de markt, waarbij in lijn met artikel 2.1.2 de goedkoopst adequate oplossing het uitgangspunt vormt. Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van zijn werkgever, bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst, wordt door het college in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 2.3.14Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 2, van de PW bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het geval er sprake is van een visuele of motorische handicap. Dit artikel regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie noodzakelijke, voorziening(
- en)verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon. De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 2.1.2 en 2.3.2. Het college kan dit in