← Nederland

Verordening sociaal domein gemeente Kampen 2023 (Kampen)

Verordening sociaal domein gemeente Kampen 2023 De raad van de gemeente Kampen; gelezen het voorstel van het college van 12 december 2023, kenmerk 71144-2023; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet; de artikelen 6, tweede lid, 8, 8a, 8b, 10b, vijfde lid, 41, derde lid, en 47 van de Participatiewet; artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; artikel 4a Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de artikelen 121, 122, 147 en 150 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de Verordening sociaal domein gemeente Kampen 2023 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1. Inleiding verordening sociaal domein gemeente Kampen Hoofdstuk 2. De hulpvraag Hoofdstuk 3. Werk en Participatie Hoofdstuk 4. Gezond en veilig opgroeien Hoofdstuk 5. Wonen in een veilige en gezonde omgeving Hoofdstuk 6. De vorm van de hulp Hoofdstuk 7. Inkomen en schulden Hoofdstuk 8. Afspraken tussen inwoner en gemeente Hoofdstuk 9. Inwonersparticipatie Hoofdstuk 10. Kritiek op de uitvoering Hoofdstuk 11. Kwaliteit, inkoop en aanbesteding Hoofdstuk 12. Begrippen Hoofdstuk 13. Van oud naar nieuw 1.Inleiding verordening sociaal domein gemeente Kampen Deze verordening geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen: Werken en participeren Uitkeringen Schuldhulpverlening Gezond en veilig opgroeien, en Wonen in een veilige en gezonde omgeving 1.1Waarom deze regels? In Kampen vinden we het belangrijk dat: mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan; mensen in ieder geval een minimum inkomen hebben; mensen hun financiën op orde hebben; mensen een huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen; mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zo lang mogelijk zelfstandig en veilig kunnen wonen; en kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien. Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de: Participatiewet (PW), de IOAW, de IOAZ; Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs); Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo); Algemene wet bestuursrecht (Awb); Jeugdwet; en de Gemeentewet. De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Ook dat is in deze verordening geregeld. 1.2Uitgangspunten De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels: zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen te realiseren en knelpunten van inwoners op te lossen; zijn goed te begrijpen; regelen niet meer dan nodig is; houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners; zijn onderling afgestemd op elkaar; respecteren de wettelijke regels, maar geven daar wel een invulling aan die nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen. 1.3Kernwaarden en speerpunten Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het effect van een besluit past bij die doelen. De gemeente betrekt daarbij de volgende kernwaarden: inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de genoemde doelen te realiseren; inwoners zetten zich ervoor in om deze doelen te bereiken; de gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen; bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk); kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, hebben extra hulp nodig om mee te doen aan de samenleving. Naast bovenstaande kernwaarden zijn er in het beleidsplan “Scherp aan de wind” nog 4 speerpunten vastgesteld die in deze van belang zijn. Deze speerpunten zijn: voorkomen van instroom, bevorderen van uitstroom, Preventie en een sterk voorliggend veld; normaliseren. Versterken van de toegang, intake, samenwerken met zorgaanbieders; scherp op maatwerk (hulp op maat voor wie dat echt nodig heeft); sturen op maatwerk. Sterke toegang, vitale inwoners. Daarnaast speelt de Sociale Basis een belangrijke rol. De sociale basis is het geheel aan informele en formele diensten, voorzieningen en relaties in de leefomgeving van mensen die er aan bijdragen dat mensen tot hun recht komen en kunnen floreren. Het betreft het verstrekken van subsidies door het college voor activiteiten die bijdragen aan de bouwstenen en de maatschappelijk resultaten van de sociale basis in de gemeente Kampen gericht op de maatschappelijke opgaven jeugd, structurele ondersteuning en samenwerken in de wijk. Per hoofdstuk wordt aangegeven welke van deze en andere kernwaarden de basis van de regels vormen en welke rol zij spelen. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 12. 1.4Artikel en wet Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze verordening. Maar niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet daarover iets is terug te vinden. Dat verschilt per artikel. Per artikel is aangegeven op welke wettelijke regeling(

  1. en)een artikel is terug te voeren. Soms is een paragraaf of hoofdstuk in zijn geheel gebaseerd op een of meerdere specifieke wettelijke regelingen. Dan is dat aangegeven bij het begin van die paragraaf of hoofdstuk. Waar in deze verordening ‘Gemeentewet’ als grondslag wordt genoemd, wordt daarmee de algemene aanvullingsbevoegdheid van de gemeenteraad bedoeld (art. 121 Gemeentewet) die het mogelijk maakt om aanvullende regels over bepaalde onderwerpen te maken. Bij een aantal artikelen wordt ook de ‘Awb’ genoemd. Bedoeld wordt de Algemene wet bestuursrecht. Deze wordt genoemd als er in de Awb specifieke bepalingen zijn die op het betreffende artikel van toepassing zijn. Dat is bijvoorbeeld zo bij artikel 3.4.11 en 3.4.12 (over subsidies), 6.2 (over geld) en 10.1 t/m 10.3 (over klachten). Daarover heeft de Awb iets bijzonders geregeld. Dit gaat dus verder dan de algemene toepasselijkheid van de Awb op besluiten die op grond van deze verordening worden genomen. 2.De hulpvraag Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan de gemeente hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Hierin beschrijven wij hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de hulpverlening in zijn werk gaat en wat de gemeente van de inwoner verwacht. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen die de inwoner heeft in één keer kunnen worden gesteld en dat er één procedure is. Maar soms geldt voor bepaalde hulpvragen een bijzondere route. Dat wordt dan ook benoemd. Kernwaarden: De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. De gemeente maakt noodzakelijke hulp bereikbaar. De gemeente vraagt niet meer informatie dan nodig is. De gemeente gaat zorgvuldig om met de inwoner. Stap 1: Melding bij de gemeente [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet] 2.1.1Indienen hulpvraag Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. De inwoner kan deze melding schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal doen. Het is ook mogelijk dat iemand anders een melding namens de inwoner doet. Een melding voor bijstand in het levensonderhoud of een IOAW-uitkering kan alleen digitaal worden gedaan via www.werk.nl. De gemeente zorgt ervoor, dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding te doen. 2.1.2Doel en procedure Het doel van de melding is om de hulpvraag met de inwoner te bespreken en te onderzoeken of er hulp nodig is. De gemeente bevestigt de melding per brief of e-mail aan de inwoner en nodigt de inwoner uit voor een gesprek met een medewerker, tenzij dit niet nodig is (zie 2.3.1 lid 3). In de uitnodiging maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Het gesprek is in principe bij de inwoner thuis. De gemeente geeft informatie over de mogelijkheid om in bepaalde gevallen (bij de Wmo of Jeugdwet) binnen 7 dagen na de melding zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (dit noemen we een persoonlijk plan of familiegroepsplan). 2.1.3Gegevens De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek en het daaropvolgende onderzoek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn. Stap 2: Gesprek na de melding [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet] 2.2.1Doel en procedure gesprek Een medewerker van de gemeente maakt zo snel mogelijk nadat de inwoner zich heeft gemeld een afspraak voor een gesprek over de hulpvraag en informeert de inwoner over de gang van zaken bij dat gesprek. De medewerker zet zich ervoor in, dat dit gesprek zo snel mogelijk na de melding plaatsvindt. Het doel van dit gesprek is om een goed beeld te krijgen van het effect dat de inwoner met zijn hulpvraag wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. De gemeente informeert de inwoner en eventueel zijn mantelzorger dat zij gebruik kunnen maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning en/of financiële hulpverlening via Financiën op Koers (FINOK). Daarbij staat het belang van de inwoner centraal. Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is om een goed beeld te krijgen van het effect dat de inwoner met zijn hulpvraag wil bereiken en van de persoonlijke situatie van de inwoner. De medewerker kan afzien van een gesprek als een gesprek niet nodig is en de inwoner daarmee instemt. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs, tenzij de identiteit al bij de medewerker bekend is. Als de inwoner een persoonlijk plan of familiegroepsplan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit bij het gesprek. De inwoner kan iemand (bijvoorbeeld een familielid) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn. 2.2.2Inhoud gesprek De medewerker bespreekt met de inwoner welk effect hij wil bereiken. In het gesprek onderzoekt de medewerker voor zover dat nodig is: de behoefte van de inwoner: wat is er nodig? de persoonlijke situatie en voorkeuren van de inwoner: hoe zien die eruit, hoe kan daarmee rekening worden gehouden en wat betekent dit voor het gewenste effect? de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem? de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden, en hoe kan er met de gemeente worden samengewerkt om de inwoner goed te helpen? welke hulp er gegeven kan worden: is dit hulp-op-maat of een andere voorziening? Kan de voorziening verstrekt worden in ZIN of in pgb? Moet de inwoner een bijdrage in de kosten betalen? Gaat het om Wmo-hulp, dan betrekt de gemeente ook anderen bij het gesprek, als dat nodig is. Het kan dan gaan om deskundigen, iemand die de inwoner vertegenwoordigt, een mantelzorger(
  2. s)of familie. Als de inwoner mantelzorg krijgt, gaat de gemeente na of er maatregelen genomen moeten worden om die mantelzorger te ondersteunen. Gaat het gesprek over jeugdhulp, dan onderzoekt de gemeente in een gesprek tussen deskundigen en de jeugdige of zijn ouders, zo snel mogelijk en voor zover dit nodig is: de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag; het gewenste effect van het verzoek om jeugdhulp; in hoeverre van de jeugdige of zijn ouders verwacht kan worden om zelf, of met ondersteuning van de naaste omgeving, bij te dragen aan een oplossing van de hulpvraag (gebruikelijke hulp); de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening; de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; hoe een eventuele individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; hoe rekening zal worden gehouden met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders; de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze. De gemeente kan gebruik maken van de deskundigheid van een onafhankelijk (bijvoorbeeld medisch) deskundige bij onder andere: vaststelling van de hulpvraag; vaststelling van opgroei- en opvoedingsproblemen, beperkingen, psychische problemen en stoornissen; bepaling van de aard en omvang van de hulp. 2.2.3Verslag na gesprek Zo snel mogelijk na het gesprek maakt de medewerker een verslag van het gesprek en de uitkomsten van het onderzoek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden aan het verslag toegevoegd. Als het gaat om Wmo- of jeugdhulp, dan stuurt de medewerker het verslag naar de inwoner, tenzij de inwoner heeft aangegeven dat niet te wensen. De inwoner ondertekent het verslag en stuurt dit naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het verslag, kan hij dat daarop aangeven. Als de inwoner hulp-op-maat van de gemeente wil ontvangen, kan hij dit aangeven op het ondertekende verslag. De gemeente ziet het verslag dan als een aanvraag. Als het om Wmo-hulp gaat, kan de medewerker ook tijdens het gesprek een verslag maken en daarin aangeven wat er nodig is voor de inwoner. Als de inwoner en de medewerker tijdens het gesprek samen vaststellen welke voorziening er nodig is, dan wordt het door de inwoner ondertekende verslag gezien als een aanvraag. Stap 3: Aanvraag 2.3.1Aanvraag [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb] Na de melding en het onderzoek van de gemeente, kan de inwoner een aanvraag indienen. Het gespreksverslag en een eventueel persoonlijk plan vormen het uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag. De aanvraag kan schriftelijk of digitaal worden ingediend, via de route die de gemeente daarvoor heeft vastgesteld. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp verleent en welke vorm die hulp dan heeft. Melding en aanvraag worden op hetzelfde moment gedaan als het gaat om een uitkering voor inwoners van 27 jaar of ouder. Het gesprek met een medewerker vindt dan plaats nadat de aanvraag is ingediend. De gemeente kan besluiten dat ook voor bepaalde andere vormen van hulp melding en aanvraag op hetzelfde moment worden gedaan. Inwoners kunnen dan bij de melding direct een aanvraag indienen. Een onderzoek en een gesprek over de hulpvraag zijn dan niet nodig. De gemeente kan bepalen, dat een aanvraagformulier wordt gebruikt voor het indienen van een aanvraag. Een ondertekend gespreksverslag kan ook als aanvraagformulier worden beschouwd. Een aanvraag wordt ingediend bij de gemeente, behalve als het om een aanvraag voor een bijstandsuitkering voor levensonderhoud of een IOAW-uitkering gaat. Die aanvraag wordt digitaal ingediend bij UWV (www.werk.nl). Een voorziening gericht op werk kan door de inwoner of zijn werkgever worden aangevraagd. Er hoeft niet eerst een melding te worden gedaan. Een aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet ingediend zijn binnen 8 weken nadat de inwoner in dienst is gekomen, tenzij op dat moment de noodzaak voor ondersteuning nog niet bekend kon zijn. De werkgever kan bij een aanvraag voor persoonlijke ondersteuning door een jobcoach aangeven of het een aanvraag voor subsidie is of voor begeleiding door een jobcoach namens de gemeente. De gemeente kan ook uit eigen beweging (ambtshalve) beoordelen of een inwoner of werkgever in aanmerking komt voor een voorziening. 2.3.2Aanvraag voor hulp-op-maat [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs, Gemeentewet] Vraagt de inwoner hulp-op-maat, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: de hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken; de inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Dat is bijvoorbeeld zo, als de inwoner gebruik kan maken van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn. De inwoner kan het gewenste effect ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk of met behulp van andere voorzieningen of organisaties; en de hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner. Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld. De hulp-op-maat is niet luxer of duurder dan nodig is en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die nodig is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen. De gemeente kan hulp-op-maat weigeren als een inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor de hulpvraag is veroorzaakt, en hij deze hulpvraag had kunnen voorzien. 2.3.3Advisering [Gemeentewet, Awb] De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat een deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag. 2.3.4Beoordelen aanvraag [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb] Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over: de behoeften van de inwoner; de (on)mogelijkheden van de inwoner; de persoonlijke situatie van de inwoner; de mogelijkheden van het sociale netwerk, de eventuele werkgever, andere organisaties en de gemeente. Gaat het om een aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk, dan doet de gemeente zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 4 weken, onderzoek naar deze gegevens. De gemeente onderzoekt daarbij ook of samenwerking met andere organisaties nodig is, bijvoorbeeld op het gebied van wonen, zorg en onderwijs, zodat eventuele hulp aan de inwoner en de werkgever zo goed mogelijk afgestemd wordt met die organisaties. De uitkomsten van het onderzoek legt de gemeente vast in een verslag. Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente de volgende stappen: Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is. Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke problemen en beperkingen er precies zijn. Stap 3: De gemeente bepaalt welke hulp nodig is en hoe veel. Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, hulp van anderen uit het sociale netwerk en van andere voorzieningen of organisaties, en de eventuele werkgever. Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken. Voor iedere stap geldt, dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in. De gemeente stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt. 2.3.5Beslistermijn [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb] De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo, dan beslist de gemeente binnen 2 weken nadat de aanvraag is ontvangen, en in ieder geval binnen 8 weken na de melding. De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen. Stap 4. Beslissing 2.4.1Inhoud besluit [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb] De gemeente stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt gegeven. Als de gemeente hulp geeft, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven. De gemeente kan de inwoner ook op een andere manier informeren, als de inwoner van de gemeente krijgt, wat hij heeft gevraagd en voor de inwoner duidelijk is wat de gemeente heeft besloten. De gemeente informeert de inwoner en werkgever over een besluit over persoonlijke ondersteuning bij werk of voor wettelijke loonkostensubsidie. Dat geldt ook voor andere voorzieningen bij het werk, die genoemd worden in de artikelen 3.4.14-16. Gaat het om wettelijke loonkostensubsidie, dan bepaalt de gemeente daarbij ook of de inwoner hoort bij de groep die in aanmerking kan komen voor loonkostensubsidie (de doelgroep), als dit nog niet eerder is vastgesteld. Geeft de gemeente hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is; wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt; hoe en door wie de hulp wordt gegeven, en welke andere voorzieningen voor de inwoner van belang kunnen zijn. Geeft de gemeente hulp in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: waarvoor het pgb bedoeld is en welk effect daarmee bereikt moet worden; welke kwaliteitseisen er gelden voor de besteding van het pgb; hoe hoog het pgb is en hoe dit berekend is; wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt; hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt; en welke andere voorzieningen voor de inwoner van belang kunnen zijn. Geeft de gemeente hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: voor welk doel het geld wordt gegeven; wanneer het geld wordt betaald; hoe vaak het geld wordt betaald; en welke voorwaarden en verplichtingen er gelden. De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten. 2.5 Uitzonderingen 2.5.1 Jeugdhulp via arts e.a. [Jeugdwet] De gemeente zorgt ervoor dat de jeugdige jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jeugdige doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder. De gemeente stuurt over de jeugdhulp een besluit per brief naar de inwoner, als de jeugdige of zijn ouders daar om vragen. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf. 2.5.2Spoedeisende gevallen [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs] In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure, als dat nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente: het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen; het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp; het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning; schuldhulpverlening; of het verstrekken van een voorschot op een uitkering die nog niet is toegekend. 3.Werk en Participatie De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een uitkering worden geholpen bij het vinden van passend werk, als zij kunnen werken. Welke hulp dat kan zijn wordt in dit hoofdstuk beschreven. De hulpmiddelen die worden ingezet heten voorzieningen. Deze voorzieningen moeten op een goede manier worden verdeeld over verschillende doelgroepen. Hoe de voorzieningen worden verdeeld wordt vooral bepaald door de kansen op betaald werk van de inwoners en hun persoonlijke situatie. Dit hoofdstuk gaat ook over de tegenprestatie die de gemeente van de inwoner kan vragen en over meedoen aan activiteiten in de samenleving voor inwoners met een beperking. Het is belangrijk dat deze inwoners ook volwaardig kunnen meedoen en dat hun positie in de samenleving sterker wordt. Kernwaarden: De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. Collectieve voorzieningen gaan voor individuele voorzieningen. De inwoner wordt zo goed mogelijk naar passend werk of participatie geleid. Betaald werk gaat voor onbetaald werk en inkomensondersteuning van de gemeente. De gemeente stemt de hulp af op de inwoner en maakt de aansluiting tussen uitkering en werk gemakkelijker. Iedereen doet mee aan de samenleving. 3.1Doelgroep [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente helpt inwoners om werk te vinden of te behouden, of om de kans op werk te vergroten. Het gaat om inwoners voor wie de gemeente verantwoordelijk is op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Pw, maar in het bijzonder om de volgende groepen: inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden; inwoners die geen hulp kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per hulpvraag beoordeelt de gemeente of er hulp wordt gegeven; jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen diploma’s hebben. De gemeente helpt hen een passende opleiding of passend werk te vinden, of leidt hen naar hulpverlening of zorg. 3.2Samenwerking [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente werkt samen met UWV, IMpact, regiogemeenten en andere organisaties om inwoners te helpen passend werk te vinden. De gemeente zorgt ervoor dat werkgevers ondersteund worden als zij inwoners die onder de doelgroep van de gemeente vallen, werk willen aanbieden. 3.3Budget [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan voor de verschillende soorten voorzieningen een budgetplafond vaststellen, als dat nodig is om de financiële risico’s voor de gemeente te beperken. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat de gemeente aan een bepaalde soort voorziening per kalenderjaar kan uitgeven. Als dit budgetplafond bereikt is, verstrekt de gemeente geen voorziening meer waarvoor dit budgetplafond geldt, tenzij in de wet anders is bepaald. Een budgetplafond moet voorafgaand aan het kalenderjaar worden vastgesteld en bekendgemaakt. 3.4Voorzieningen – werk [PW, IOAW, IOAZ] Doel van de hulp van de gemeente is dat de inwoner voor een langere periode betaald of onbetaald werk vindt dat bij hem past of dat de inwoner werk kan behouden. De gemeente kan hulp aanbieden in de vorm van voorzieningen (diensten, geld of goederen). Voorzieningen kunnen worden gegeven aan inwoners uit de doelgroep, maar ook aan werkgevers die deze inwoners aan werk helpen. Doel van de inzet van voorzieningen is om de inwoner te helpen voor een langere periode aan het werk te komen of aan het werk te houden. De gemeente kan voorwaarden en verplichtingen verbinden aan de voorzieningen. De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. Als dit het geval is beoordeelt de gemeente welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Dit doet de gemeente in overleg met de inwoner en de eventuele werkgever. Daarbij betrekt de gemeente in ieder geval het volgende: de persoonlijke situatie van de inwoner, waaronder zorgtaken en beperkingen; de positie op de arbeidsmarkt, waaronder behaalde opleidingen en arbeidsverleden; dat de voorziening niet leidt tot verdringing op de arbeidsmarkt; dat de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed; dat de voorziening aansluit bij andere voorzieningen in en buiten het sociaal domein; en met wettelijke verplichtingen. In een trajectplan legt de gemeente vast welke hulp de inwoner krijgt en wat van belang is voor die hulp. Ook wordt vastgelegd welke afspraken er met de inwoner worden gemaakt over de hulp en over eigen acties van de inwoner om dichterbij werk te komen. Voor inwoners met een grote kans op betaald werk wordt meestal andere hulp ingezet dan voor inwoners met een kleine kans op betaald werk. Uitgangspunt is, dat de gemeente de goedkoopste voorziening aanbiedt die geschikt is om de inwoner een betere positie op de arbeidsmarkt te geven. De gemeente kan besluiten een bepaalde voorziening niet aan te bieden, als: de inwoner of werkgever niet voldoet aan de voorwaarden die voor de voorziening gelden; de inwoner of werkgever onvoldoende meewerkt om dat te kunnen beoordelen; de inwoner een beroep kan doen op een voorziening via een andere organisatie of regeling of als ondersteuning een verantwoordelijkheid van de werkgever is; de voorziening volgens de gemeente niet nodig is om de positie op de arbeidsmarkt te verbeteren of om werk te vinden of te behouden; of als de kosten van een bepaalde voorziening niet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten daarvan. 3.4.1Sociale activering [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk verwijzen naar zinvolle activiteiten die de inwoner dichterbij betaald werk brengen. Dit heet sociale activering. Vrijwilligerswerk bij een andere organisatie kan zo’n voorziening zijn. Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. 3.4.2Scholing [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden of daarvoor subsidie geven, als die scholing: aansluit bij de vaardigheden van de inwoner; en de kans op werk vergroot, of de inwoner voor een langere periode betaald werk oplevert. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing. De scholing duurt niet langer dan nodig is. 3.4.3Werkervaringsplaats [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk, een werkervaringsplaats aanbieden. Het doel van een werkervaringsplaats is om inwoners met behoud van uitkering op een werkplek werkervaring op te laten doen of te leren functioneren in een werkomgeving. De werkervaringsplek wordt vastgelegd in een plan van aanpak dat de gemeente in overleg met de inwoner maakt. Met de werkgever wordt schriftelijk afgesproken welk doel de werkervaringsplaats heeft, wat de werkzaamheden zijn en hoe de begeleiding plaatsvindt. 3.4.4Proefplaatsing [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een inwoner toestemming geven om bij wijze van proef tijdelijk te werken bij een werkgever. De proefplaatsing duurt 2 maanden en is met behoud van uitkering. Deze termijn kan worden verlengd met nog eens 4 maanden als dat nodig is om een goed beeld te krijgen van de mogelijkheden van de inwoner. Het doel van de proefplaatsing is om werkgevers te helpen te beoordelen of de inwoner geschikt is voor een bepaalde functie. De gemeente geeft alleen toestemming voor een proefplaatsing, als: de gemeente verwacht, dat de inwoner geschikt is voor de functie; de gemeente verwacht, dat de proefplaatsing de kans op betaald werk vergroot; de inwoner niet eerder in die functie heeft gewerkt; de werkgever vooraf verklaart dat de inwoner aansluitend aan de proefplaatsing een arbeidsovereenkomst van minstens zes maanden kan krijgen, zonder proeftjid, als hij geschikt is voor die functie. Proefplaatsing is niet mogelijk, als de gemeente verwacht dat de inwoner ook zonder proefplaatsing wordt aangenomen voor de functie. Bij ziekte van de inwoner tijdens de proefplaatsing, wordt de maximale periode van de proefplaatsing met het aantal ziektedagen verlengd. 3.4.5Participatieplaats [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een inwoner die algemene bijstand, een IOAW- of IOAZ-uitkering ontvangt en weinig kans heeft op werk een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht. De inwoner kan na iedere 6 maanden voor een premie in aanmerking komen. De premie is maximaal 10% van de bijstandsnorm voor gehuwden (volgens artikel 21 onderdeel b Pw). Het bedrag wordt naar boven afgerond op hele euro’s. Als de inwoner in deeltijd werkt, wordt de premie naar evenredigheid verlaagd. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. De gemeente beoordeelt dit. 3.4.6Beschut werk [PW] De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan, als is vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het rijk jaarlijks moet realiseren, gerealiseerd wordt. De inwoner die nog geen beschutte werkplek kan krijgen omdat het voorgeschreven aantal beschutte werkplekken in één jaar al is gerealiseerd, heeft voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij in aanmerking kunnen komen voor een beschutte werkplek. Zolang er nog geen geschikte werkplek voor de inwoner beschikbaar is, kan het wel zijn dat die andere personen voorgaan. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken, een veilige werkplek te bieden. De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken: aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; uitsplitsing van taken; aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen: arbeidsmatige dagbesteding vrijwilligerswerk; of verwijzen naar andere zinvolle activiteiten voor de samenleving of werk. 3.4.7Detacheringsbaan [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een inwoner via een andere organisatie laten werken bij een werkgever. Dit heet detachering. Die detachering wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de werkgever en de detacheringsorganisatie en in een overeenkomst tussen de detacheringsorganisatie en de inwoner. Het doel van een detacheringsbaan is om de inwoner betaald werk aan te bieden en werkervaring op te doen. 3.4.8Hulp bij een leer-werktraject PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een jongere die een leer-werktraject nodig heeft om de stap richting werk te zetten, hulp aanbieden die nodig is voor het volgen van een leer-werktraject. Het moet gaan om jongeren: van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Met startkwalificatie wordt bedoeld: een HAVO-, VWO- of MBO2-diploma. 3.4.9Loonkostensubsidie buiten de wettelijke doelgroep [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt tijdelijk loonkostensubsidie geven, als de werkgever niet in aanmerking komt voor de wettelijk geregelde loonkostensubsidie en ook geen beroep kan doen op andere financiële bijdragen voor het in dienst nemen van die inwoner. De subsidie is bedoeld voor het in dienst nemen van inwoners die naar verwachting niet op eigen kracht betaald werk kunnen vinden. De subsidie is ervoor bedoeld om lagere arbeidsproductiviteit te compenseren en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners te vergoeden. De subsidie is maximaal 50% van de loonkosten voor de verwijzenduur van de arbeidsovereenkomst, maar voor maximaal 12 maanden. De subsidie kan worden verlengd tot maximaal 24 maanden. De werkgever moet de subsidie aanvragen voor de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst. De gemeente bepaalt hoe de subsidie wordt uitbetaald. 3.4.10Wettelijke loonkostensubsidie [PW, IOAW, IOAZ, Awb] De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. Het gaat dan om inwoners, die in het doelgroepenregister voor de banenafspraak staan, omdat UWV dat heeft bepaald, of omdat de gemeente heeft vastgesteld, dat ze dit minimumloon niet kunnen verdienen (via de zgn. ´praktijkroute´). Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor lagere productiviteit. De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. De gemeente past bij het aanvragen, beoordelen en uitbetalen van loonkostensubsidie het werkproces toe dat landelijk is afgesproken (het preferente werkproces). 3.4.11Vaststellen loonwaarde bij wettelijke loonkostensubsidie [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente onderzoekt hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft). Dit onderzoek wordt door een deskundige uitgevoerd en is gebaseerd op kennis van werknemers met verminderde loonwaarde. De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van de productiviteit van de inwoner op de werkplek en de mogelijkheden om daarmee een deel van het wettelijk minimumloon te verdienen. De gemeente stelt de loonwaarde zo snel mogelijk nadat de aanvraag voor loonkostensubsidie is ontvangen vast. 3.4.12Persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij het werk aanbieden, als de werknemer door een arbeidsbeperking het werk niet goed kan uitvoeren. De ondersteuning wordt gegeven door een interne werkbegeleider of een jobcoach. Een werkbegeleider wordt ingezet als de behoefte aan begeleiding groter is dan de normale begeleiding die de werkgever moet bieden en deze begeleiding kan worden geboden door een medewerker. Een jobcoach wordt ingezet als er bij de werknemer of werkgever behoefte is aan methodische ondersteuning die specifieke kennis vraagt en die gericht is op het kunnen uitvoeren van werk dat bij de werknemer past. Daaronder valt ook de begeleiding naar ander werk of naar een opleiding. De gemeente kan ook andere voorzieningen aanbieden die een werknemer met een arbeidsbeperking nodig heeft om het werk goed te kunnen doen. Het gaat om de voorzieningen die genoemd zijn in de artikelen 3.4.15 tot en met 3.4.18. Persoonlijke ondersteuning en andere voorzieningen bij het werk kunnen pas worden aangeboden, als de werkgever de inwoner een arbeidsovereenkomst aanbiedt van minstens 6 maanden, met een minimale omvang van 12 uur per week. 3.4.13Jobcoach [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een jobcoach aanbieden die werkzaam is bij de gemeente of wordt ingehuurd door de gemeente. De gemeente kan de werkgever ook subsidie geven voor het zelf organiseren van een jobcoach. De gemeente beslist of een jobcoach wordt ingezet vanuit de gemeente, of dat de werkgever dit zelf organiseert. Een jobcoach moet voldoen aan een aantal kwaliteitseisen. De jobcoach: beschikt minimaal over Hbo-werk- en denkniveau; heeft een opleiding tot jobcoach afgerond; is geregistreerd in het Register Loopbaancoach (voormalig Noloc Jobcoach) of het NVS-Beroepenregister voor jobcoaches en/of is werkzaam bij een organisatie die een Blik op werk of Oval Keurmerk heeft of een jobcoach-erkenning heeft van het UWV; heeft werkervaring als jobcoach; heeft specifieke kennis over werknemers met een arbeidsbeperking, de regionale arbeidsmarkt (ontwikkelingen) en de regionale sociale kaart; houdt zijn kennis en vaardigheden bij en investeert in na- en bijscholing. De gemeente kan een uitzondering maken op de kwaliteitseisen uit het tweede lid, als de werknemer al een jobcoach heeft. Uitgangspunt is wel dat de jobcoach alsnog binnen een jaar aan de eisen voldoet. De omvang van de in te zetten jobcoaching is afhankelijk van de noodzaak, en wordt onderverdeeld in verschillende begeleidsingsregimes: Lichte inzet: jaar 1, 6%, jaar 2, 3% en jaar 3 en daaropvolgende jaren 3% van het aantal overeengekomen werkuren Gemiddelde inzet: jaar 1, 10%, jaar 2, 5%, jaar 3 en daaropvolgende jaren 3% van het aantal overeengekomen werkuren Intensieve inzet: jaar 1, 15%, jaar 2, 7,5%, jaar 3 en daaropvolgende jaren 6% van het aantal overeengekomen werkuren. De gemeente kan de werkgever subsidie geven voor het zelf organiseren van jobcoaching, als: de jobcoaching bestaat uit een individueel trainings- of inwerkprogramma waarin de werknemer systematisch begeleid wordt om zijn werk goed te kunnen doen, en dit is vastgelegd in een coachingsplan; de omvang en kwaliteit van de jobcoaching aansluiten bij wat de werknemer nodig heeft; er voldoende zekerheid is dat jobcoaching plaatsvindt zolang dat nodig is; de werknemer schriftelijk heeft ingestemd met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. De gemeente kan een maximumtarief per uur vaststellen voor het subsidiëren van jobcoaching. Dat tarief moet voldoende zijn voor de werkgever om de jobcoaching zelf te organiseren. De gemeente zorgt ervoor dat voor werkgevers duidelijk is welk tarief dat is. 3.4.14Interne werkbegeleiding [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan de werkgever een subsidie geven voor de extra kosten die verbonden zijn aan de begeleiding van een werknemer met een arbeidsbeperking door een medewerker. De gemeente kan de werkgever een training aanbieden om medewerkers in staat te stellen werknemers met een arbeidsbeperking goed te begeleiden bij hun werk. 3.4.15Persoonlijke ondersteuning bij beperking in motoriek [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan voor de inwoner met een beperking in de motoriek, persoonlijke ondersteuning bij het werk aanbieden die deze beperking aanvult of opheft, zodat de inwoner zijn werk goed kan doen. De gemeente kan de ondersteuning zelf aanbieden of daarvoor een subsidie geven aan de werkgever. 3.4.16Meeneembare voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan de inwoner met een arbeidsbeperking een meeneembare (verplaatsbare) voorziening aanbieden die nodig is om het werk goed te kunnen doen. De meeneembare voorziening wordt aan de inwoner uitgeleend. In bijzondere gevallen kan de gemeente de voorziening aan de werknemer in eigendom geven. 3.4.17Werkplekaanpassingen [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan in overleg met de werkgever de werkplek van een inwoner aanpassen als dit nodig is om het werk goed te kunnen doen. 3.4.18Vervoersvoorzieningen [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een vervoersvoorziening aanbieden aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar de werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan door de gemeente zelf worden georganiseerd of in de vorm van een vergoeding voor de kosten worden verstrekt. Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding sluit de gemeente aan bij het gebruikelijke tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. De goedkoopste passende voorziening wordt vergoed. De gemeente brengt een reiskostenvergoeding van de werkgever in mindering op de vervoersvoorziening. 3.4.19Uitstroompremie [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan eenmalig een uitstroompremie van € 500,00 toekennen aan een inwoner die een aaneengesloten periode van 12 maanden/jaren een uitkering heeft gehad, betaald werk krijgt voor minimaal 6 maanden en die daardoor geen recht meer heeft op een uitkering. De premie kan worden aangevraagd vanaf de 7e maand na de start van het werk en moet binnen 18 maanden worden aangevraagd. Bij verhuizing van de inwoner tijdens de periode van 6 maanden uit het eerste lid, blijft de gemeente verantwoordelijk voor uitbetaling van de uitstroompremie. 3.4.20Extra voorzieningen en vergoedingen [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om inwoners te helpen aan het werk te gaan of te blijven of om de kans op werk te vergroten. De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk. 3.4.21Vernieuwende projecten [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan afwijken van de bepalingen uit dit hoofdstuk, als dat nodig is om met een experiment te onderzoeken of inwoners sneller of voor een langere periode aan het werk gaan of beter de stap naar werk kunnen zetten. De duur van zo’n afwijking van de verordening is ten hoogste 3 jaar. Deze periode kan worden verlengd, als de verordening vanwege een succesvol experiment wordt gewijzigd. De duur kan dan worden verlengd tot aan het moment waarop de aangepaste verordening in werking treedt. 3.5Tegenprestatie 3.5.1Doel van de tegenprestatie [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving. De gemeente legt inwoners met een grote kans op werk pas een tegenprestatie op in bijzondere situaties. Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving als reactie op de inspanningen van de gemeente voor de inwoner. 3.5.2Inhoud van de tegenprestatie [PW, IOAW, IOAZ] De werkzaamheden die als tegenprestatie kunnen worden opgedragen: passen bij een plan van aanpak en/of bij de persoonlijke ontwikkeling van de inwoner; zijn geen werkzaamheden die als betaald werk worden gedaan binnen de organisatie waarvoor de inwoner de tegenprestatie uitvoert; leiden niet tot verdringing van werknemers bij dezelfde organisatie; zijn activiteiten die het algemeen belang dienen. 3.5.3Duur en omvang tegenprestatie [PW, IOAW, IOAZ] De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht duurt maximaal 12 maanden en maximaal 20 uur per week of 260 uur per kwartaal. Na afronding van de tegenprestatie legt de gemeente 6 maanden lang geen nieuwe tegenprestatie op. 3.5.4Voorwaarden tegenprestatie [PW, IOAW, IOAZ] Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met de volgende factoren: de mogelijkheden en de persoonlijke situatie van de inwoner; de persoonlijke wensen van de inwoner; de positie van de inwoner op de arbeidsmarkt, zoals de duur van de werkloosheid; of de inwoner vrijwilligerswerk doet of activiteiten die maatschappelijk zinvol zijn; en of de inwoner al deelneemt aan voorzieningen van de gemeente gericht op werk. De gemeente legt in ieder geval geen tegenprestatie op als de inwoner mantelzorg verleent en dit niet te combineren is met de tegenprestatie. De gemeente legt geen tegenprestatie op als er geen geschikt werk beschikbaar is voor de inwoner. In dat geval beoordeelt de gemeente binnen 6 maanden opnieuw of er geschikt werk beschikbaar is dat kan worden opgedragen aan de inwoner. 3.6 Dagbesteding en begeleiding 3.6.1 Een ingevulde dag hebben (dagbesteding) [Wmo] De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking onvoldoende in staat zijn om de dag goed in te vullen, hulp-op-maat kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden uit deze verordening (zie de artikelen 2.3.2 en 5.1 van deze verordening). De hulp-op-maat houdt in dat inwoners mee kunnen doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere begeleide groepsactiviteiten voor een of meer dagdelen per week. 3.6.2Hulp bij deelname aan de samenleving [Wmo] De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die hulp nodig hebben om veilig de dag door te komen, hulp-op-maat kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden uit deze verordening. (zie de artikelen 2.3.2 en 5.1 van deze verordening). De hulp-op-maat houdt in dat inwoners begeleid worden. De begeleiding kan een-op-een of in een groep plaatsvinden. Het betekent, dat de begeleider helpt bij de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. De begeleider kan ook helpen bij vaak terugkerende activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over. 3.7 Meedoen aan de samenleving 3.7.1 Verplaatsen in en om de woning [Wmo] De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking niet voldoende kunnen verplaatsen in en om de woning, hulp-op-maat kunnen krijgen. De hulp-op-maat houdt in dat de inwoner een voorziening (bijvoorbeeld een rolstoel) kan krijgen die geschikt is voor dagelijks zittend gebruik door de inwoner. De inwoner moet wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 2.3.2 en 5.1 van deze verordening. 3.7.2Verplaatsen dichtbij huis [Wmo] De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking in hun mobiliteit onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, hulp-op maat kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 2.3.2 en 5.1 van deze verordening. De hulp-op-maat houdt in dat inwoners geholpen worden bij het vervoer dicht bij huis zodat ze mee kunnen doen aan het leven van alledag. Die hulp kan bijvoorbeeld bestaan uit het aanbieden van: de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer; een scootmobiel; of het gebruikmaken van een ander vervoermiddel. Het moet gaan om: het zich verplaatsen in de eigen wijk. het zich verplaatsen in de woonomgeving; of het vervoer naar de plek waar de inwoners deelnemen aan een activiteit van de gemeente om de dag in te vullen. [Wmo] 3.7.3Omvang hulp-op-maat voor vervoer Te verstrekken hulp-op-maat voor vervoer ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie stelt de inwoner in staat zich lokaal te verplaatsen met een omvang van maximaal 1500 kilometer per jaar. 4.Gezond en veilig opgroeien Kinderen en tieners in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van hun ouders, de jeugdigen zelf en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door de gemeente. Deze hulp wordt zo vroeg mogelijk aangeboden, om het beroep op dure, gespecialiseerde hulp te beperken. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jeugdigen en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop. Met jeugdigen bedoelen we in deze verordening kinderen en tieners tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 waren en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Kernwaarden: De jeugdige moet gezond en veilig kunnen opgroeien. De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de jeugdige en zijn ouders gaan voor. De gemeente stemt de hulp af op de jeugdige en zijn ouders en zorgt voor goede aansluiting met andere hulp. Vrij toegankelijke hulp gaat voor hulp-op-maat. [Jeugdwet] 4.1Uitgangspunten bij het bieden van hulp Bij het bieden van hulp houden de gemeente en de jeugdhulpverlener rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en de ouders. Alle hulp is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en hun sociale netwerk. De gemeente betrekt de wensen van de jeugdige en zijn ouders bij de keuze welke jeugdhulp wordt ingezet. Pleegouders kunnen voor hulp in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht. Als het nodig is kan de pleegzorgorganisatie extra hulp vragen aan de gemeente. Als het gewenste effect van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met hulp die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp door het Centrum voor jeugd en gezin (CJG) of door een jeugdwelzijnsorganisatie. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan wordt een individuele voorziening (hulp-op-maat) ingezet. 4.2Overige voorzieningen De gemeente zorgt ervoor dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken zijn de volgende vormen van overige voorzieningen beschikbaar: basishulp: begeleiding en verzorging van jeugdigen met een verstandelijke beperking; gezinscoaching; gezinsondersteuning; ambulante opvoedhulp; informatie en (opvoed)advies; jeugdgezondheidszorg (maatwerkdeel); online hulpverlening; schoolmaatschappelijk werk; voorlichting, cursussen en trainingen. eze hulp is vrij toegankelijk. De jeugdige of zijn ouders heeft hiervoor geen verwijzing of een besluit van de gemeente nodig. De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden. Waar mogelijk biedt de gemeente jeugdhulp op vrijwillige basis. 4.3Individuele voorzieningen (hulp-op-maat) De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar : begeleiding individueel; begeleiding groep; persoonlijke verzorging; specialistische diagnostiek en behandeling; vervoer van de jeugdige van een naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden; verblijf; spoedzorg met en zonder verblijf; pleegzorg; forensische zorg; gesloten jeugdzorg. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De jeugdige of zijn ouders heeft daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig. 5.Wonen in een veilige en gezonde omgeving Inwoners met een beperking en/of met psychische en/of psychosociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om deze inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor problemen bij het normale gebruik van hun woning, bij hun normale dagelijkse activiteiten en bij het voeren van een huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die de gemeente op grond van de Wmo aan deze inwoners kan geven, zoals hulp-op-maat (maatwerkvoorziening). Kernwaarden: Inwoners met een beperking moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen in hun eigen omgeving. De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. Collectieve voorzieningen gaan voor individuele voorzieningen. De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. De gemeente maakt de noodzakelijk hulp bereikbaar. [Wmo] 5.1Uitgangspunten De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. De inwoner kan voor hulp-op-maat (maatwerkvoorziening) in het kader van de Wmo in aanmerking komen als voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 en van dit hoofdstuk. Voor hulp op maat op basis van de Wmo moet de inwoner onder de doelgroep van de Wmo vallen. Dit betekent dat de inwoner een beperking, een langdurige psychisch probleem en/of een psychosociaal probleem heeft, én: hierdoor niet goed voor zichzelf kan zorgen; en/of hierdoor hulp nodig heeft bij het voeren van een huishouden; en/of niet voldoende kan meedoen in de maatschappij. Ook als de inwoner opvang nodig heeft kan de inwoner daarvoor hulp-op-maat op grond van de Wmo krijgen. De gemeente kan niet altijd hulp-op-maat geven. De gemeente geeft geen hulp, als de hulp niet langdurig nodig is; de inwoner zijn beperkingen zelf kan oplossen of verminderen door zijn dagelijks leven anders te organiseren, bijvoorbeeld bij de huishoudelijke taken; de inwoner gebruik kan maken van een andere wettelijke regeling of een andere voorziening, van eigen kracht of van zijn sociale netwerk; de inwoner de voorziening zelf al heeft gerealiseerd of aangeschaft voordat hij zich bij de gemeente heeft gemeld óf nadat hij zich bij de gemeente heeft gemeld voor hulp, maar voordat een besluit is genomen. Dit is anders als de gemeente daarvoor toestemming heeft verleend. de aanvraag ziet op een voorziening die aan de inwoner al eerder is verstrekt op grond van een wettelijke regeling. Het moet dan gaan om een voorziening waarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Dit geldt niet als: de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; de inwoner (gedeeltelijk) tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; de eerder verstrekte voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag van de inwoner; de voorziening een therapeutisch doel heeft; de inwoner onvoldoende meewerkt zodat de gemeente niet kan vaststellen of de voorziening noodzakelijk is of als gestelde doelen hierdoor niet bereikt kunnen worden. de voorziening niet grotendeels op de inwoner is gericht. 5.2 Zelfstandig en veilig wonen 5.2.1 Geschikte woning De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat (woonvoorziening) kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is. De inwoner moet wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 2.3.2 en 5.1 en in dit artikel. Als de woning van de inwoner niet of slechts tegen hoge kosten (meer dan € 10.000,-) aangepast kan worden, dan zal de gemeente van de inwoner verwachten dat hij verhuist naar een geschikte(
  3. re)woning, als deze beschikbaar is. De huidige woning wordt dan niet door de gemeente aangepast. De gemeente zorgt dan voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten. Er wordt geen vergoeding toegekend als sprake is van een algemeen gebruikelijke verhuizing. Veel verhuizingen kunnen als algemeen gebruikelijk worden beschouwd los van de beperkingen die men heeft. Een algemeen gebruikelijke verhuizing kan een verhuizing van het ouderlijk huis naar een zelfstandige woonruimte zijn, of bijvoorbeeld een verhuizing van senioren naar een senioren woning. Er moet wel altijd gekeken worden of een verhuizing in het individuele geval ook algemeen gebruikelijk is. De tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt gezien als een woonvoorziening. De verhuiskostenvergoeding is een vast geldbedrag om de inwoner tegemoet te komen in de kosten van verhuizing en inrichting. Een verhuiskostenvergoeding heeft voorrang op andere woonvoorzieningen, behalve als, in de situatie van de inwoner, een verhuiskostenvergoeding niet de goedkoopst compenserende voorziening is. De gemeente verstrekt niet altijd hulp-op-maat in de vorm van een woonvoorziening. De gemeente geeft geen hulp-op-maat in de volgende situaties: de beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt. de inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een woonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning of een onzelfstandige woning waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen. de inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een complex voor ouderen, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte. het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden. de inwoner is verhuisd vanuit: een woonruimte die niet bestemd is om daar het hele jaar te wonen; of vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning. de inwoner verhuist naar: een Wlz-instelling of andere zorginstelling; een woning die niet geschikt is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daarvoor vooraf schriftelijke toestemming heeft verleend. de inwoner heeft zijn hoofdverblijf niet in de aan te passen woning. de inwoner is verhuisd terwijl hiervoor geen aanleiding bestond op grond van zijn beperkingen en er was geen belangrijke reden voor verhuizing. 5.2.2Een schone en leefbare woning De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als hij zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden als gevolg van een beperking. De inwoner moet wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 2.3.2 en 5.1 van deze verordening. De hulp op maat houdt in dat de inwoner de voorziening ´hulp bij het huishouden I´ of ´hulp bij het huishouden II´ aangeboden krijgt. Hulp bij het huishouden I bestaat uit schoonmaakhulp. Deze hulp maakt alleen schoon. Hulp bij het huishouden II wordt ingezet voor schoonmaakhulp, waarbij ook aandacht wordt besteed aan het aanbrengen van structuur in de huishouding. Voordoen en samenwerken zijn belangrijke elementen hierbij. Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de hulp-op-maat ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke zorg voor deze kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen. 5.2.3Beschermd wonen De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner van Nederland hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van beschermd wonen als hij deze woonvorm nodig heeft als gevolg van complexe psychische of psychosociale problemen en hierdoor 24 uur zorg in de nabijheid nodig heeft en de hulpvraag niet kan worden uitgesteld. Diegene moet, afgezien van het vereiste van inwonerschap, ook voldoen aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 2.3.2 en 5.1 van deze verordening. Beschermd wonen kan worden ingezet als dit iemand helpt om zichzelf weer te kunnen handhaven in de samenleving. Beschermd wonen kan hierbij nodig zijn om: zijn zelfstandigheid te vergroten en hem beter mee te laten doen in de samenleving; het psychosociale functioneren te verbeteren; een psychiatrisch ziektebeeld te stabiliseren; maatschappelijke overlast te voorkomen; of ervoor te zorgen dat iemand geen gevaar voor zichzelf of zijn omgeving zal zijn. Een persoon kan alleen in aanmerking komen voor de voorziening beschermd wonen in de gemeente Kampen als beschermd wonen in de gemeente Kampen voor die persoon het meest kansrijk is. De gemeente onderzoekt in welke gemeente of regio beschermd wonen voor persoon de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van iemand. Daarbij bekijkt de gemeente of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van de hulp-op-maat naar verwachting vergroten, zoals een sociaal netwerk welke een positieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van iemand, en/of bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs van iemand en/of lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten. De gemeente kijkt ook of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van de hulp-op-maat naar verwachting verkleinen, zoals een sociaal netwerk welke een negatieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van iemand, en/of actuele criminele activiteiten van iemand en/of maatregelen die opgelegd zijn. 5.2.4Maatschappelijke opvang De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner van Nederland hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang, als iemand de thuissituatie heeft verlaten en deze opvang nodig is omdat hij zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving als gevolg van psychische of psychosociale problemen. Afgezien van het vereiste van inwonerschap, moet wel voldaan zijn aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 2.3.2 en 5.1 van deze verordening. Een persoon kan alleen in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang in de gemeente Kampen als de opvang in de gemeente Kampen voor die persoon het meest kansrijk is. De gemeente onderzoekt in welke gemeente of regio maatschappelijke opvang voor een persoon de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van iemand. Daarbij bekijkt de gemeente of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van de maatschappelijke opvang naar verwachting vergroten, zoals een sociaal netwerk welke een positieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van iemand, en/of bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs van iemand en/of lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten. De gemeente kijkt ook of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van de hulp-op-maat naar verwachting verkleinen, zoals een sociaal netwerk welke een negatieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van iemand, en/of actuele criminele activiteiten van iemand en/of maatregelen die opgelegd zijn. 5.3 Mantelzorg 5.3.1 Ondersteuning mantelzorger De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven, hulp-op-maat kunnen krijgen als het voor een korte periode niet meer lukt om de mantelzorg vol te houden en de mantelzorg niet overgenomen kan worden door vrijwilligers of anderen uit het sociale netwerk van de inwoner. De hulp-op-maat houdt in dat de mantelzorg wordt overgenomen door een professional. 5.3.2Mantelzorgwaardering De gemeente Kampen waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners van de gemeente Kampen. De gemeente stelt jaarlijks een mantelzorgwaardering vast. Het doel van de mantelzorgwaardering is om een blijk van waardering aan de mantelzorgers te geven. De mantelzorgers van inwoners uit de gemeente Kampen komen in aanmerking voor de mantelzorgwaardering. Dit betekent dat wanneer de mantelzorger buiten de gemeente Kampen woont, maar zorgt voor een inwoner uit de gemeente Kampen, ook in aanmerking komt voor de mantelzorgwaardering. De mantelzorgwaardering bestaat uit een bloemetje, activiteiten rond de Dag van de Mantelzorg en een financiële waardering van € 100,-. Jonge mantelzorgers tot 18 jaar ontvangen een Kampen Kadobon van € 15,-. Voor het bloemetje komen alleen mantelzorgers in aanmerking die zelf ook in de gemeente Kampen wonen. 5.3.3Voorwaarden en aanvraagprocedure mantelzorgwaardering De volgende voorwaarden zijn van toepassing bij het aanvragen van een mantelzorgwaardering: de mantelzorger heeft minstens 3 maanden, acht uur per week zorg aan een naaste verleend; de mantelzorger biedt de zorg onbetaald en niet vanuit een vrijwilligersorganisatie; de zorgvrager is woonachtig in de gemeente Kampen; de mantelzorger kan 1 aanvraag indienen; per adres wordt 1 bloemetje verstuurd. Alleen de mantelzorger kan de mantelzorgwaardering aanvragen. In geval van een jonge mantelzorger kan een van de ouders/verzorgers de waardering, namens de jongere, aanvragen. De mantelzorgerwaardering kan alleen worden aangevraagd door het invullen van het vastgestelde aanvraagformulier. De mantelzorgwaardering kan van 1 januari tot en met 31 december worden aangevraagd. De mantelzorger kan de mantelzorgwaardering 1 keer per kalenderjaar aanvragen. De aanvraagdatum bepaalt over welk jaar de mantelzorgwaardering wordt aangevraagd. De mantelzorgwaardering wordt binnen 8 weken na aanvraag uitgekeerd. De mantelzorgwaardering kan worden geweigerd als deze niet aan de in deze regeling gestelde voorwaarden en vereisten voldoet en als een vermoeden bestaat van fraude. De gemeente registreert enkel de noodzakelijke gegevens van de mantelzorger en controleert of er sprake is van meerdere aanvragen per mantelzorger. De gegevens worden gebruikt om de mantelzorger te benaderen voor de activiteiten rondom de Dag van de Mantelzorg en voor het opnieuw aanvragen van een mantelzorgwaardering in het volgende jaar. De gegevens worden verwijderd in geval deze niet meer nodig zijn. 6.De vorm van de hulp De hulp die de gemeente geeft is in principe ‘in natura’: de gemeente zorgt ervoor dat er hulp wordt ingezet. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld hulp in de huishouding), maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). In bepaalde gevallen kan de hulp in de vorm van geld worden gegeven (inkomenstoeslag) of als een persoonsgebonden budget. In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de gemeente de hulp geeft. Ook is geregeld wanneer de gemeente een financiële bijdrage van de inwoner kan vragen. Kernwaarden: De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoner. De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. Collectieve voorzieningen gaan voor individuele voorzieningen. De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. De gemeente maakt de noodzakelijke hulp bereikbaar. 6.1Hulp in natura [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet] De inwoner die hulp van de gemeente krijgt, ontvangt in principe hulp in natura (een dienst of een product), tenzij in de wet anders is bepaald. Gaat het om een product, dan wordt dit in bruikleen of in eigendom verstrekt. De leverancier informeert de inwoner over alles wat van belang is om te weten over de dienst of het product. Voor producten die in natura worden verstrekt, geldt: de gemeente zorgt ervoor dat de leverancier van een product de inwoner voldoende helpt om het product goed te kunnen gebruiken. de gemeente zorgt ervoor dat de zorgorganisatie die het product beschikbaar stelt de wettelijke bepalingen over de garantie naleeft. 6.2Hulp in geld [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb] De inwoner die hulp van de gemeente krijgt ontvangt hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald. Hulp in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Alleen als in de wet of in deze verordening anders is bepaald en dit aansluit bij de persoonlijke situatie van de inwoner, dan moet het geld wel worden terugbetaald. De gemeente zorgt ervoor dat zij de betaling aan de inwoner doet binnen zes weken nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de betaling. De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven, tenzij het doel van de betaling alleen maar op een andere manier kan worden bereikt. Dan kan de gemeente het geld op een andere manier, in een andere vorm betalen of aan een andere persoon betalen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een betaling aan een leverancier of een betaling in contant geld, als de inwoner geen bankrekening heeft. De gemeente kan beslissen om het geld niet te betalen maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen (vordering), als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. De gemeente kan een besluit nemen om betalingen te doen, zonder dat de inwoner daar met een brief over wordt geïnformeerd, als bij de overboeking voldoende duidelijk wordt gemaakt waarom de betaling wordt gedaan. 6.3Persoonsgebonden budget [Jeugdwet, Wmo] 6.3.1Voorwaarden In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om Wmo-hulp of jeugdhulp gaat en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen. De inwoner moet gemotiveerd aangeven waarom hij een pgb wil ontvangen in plaats van hulp-op-maat in natura. Daarnaast moet degene die het pgb beheert pgb-vaardig zijn en moet de door het pgb ingekochte zorg van goede kwaliteit zijn. De inwoner moet alle informatie aan de gemeente geven die nodig is. Hieronder valt bijvoorbeeld het doorgeven wie namens de inwoner zijn belangen behartigt of op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd. De inwoner doet dit in een pgb-(budget)plan. De inwoner levert bij de aanvraag voor hulp-op-maat één of meer offertes van leveranciers aan. In deze offerte(
  4. s)moet staan hoe hoog de kosten van de dienst of het product zijn. Het tarief dat in de offerte staat mag niet hoger zijn dan wat gebruikelijk is voor die dienst of product. De offerte bevat tenminste de volgende onderdelen: de activiteiten of het product, het tarief, de tijd en indien van toepassing de frequentie van de zorg, en tenslotte de effecten die de inwoner wil bereiken. De offerte maakt onderdeel uit van het pgb-(budget)plan. 6.3.2Wanneer is een PGB niet mogelijk [Jeugdwet, Wmo] Een pgb is niet mogelijk: als de inwoner het pgb (budget)plan niet of onvolledig heeft ingevuld; als de inwoner weigert het pgb (budget)plan desgevraagd te bespreken met de gemeente of na voor zo’n gesprek te zijn opgeroepen zonder geldige reden niet verschijnt; als de inwoner, of indien de inwoner jonger is dan 18 jaar, één van zijn ouders of voogdensurseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard; als ten aanzien van de inwoner of, indien de inwoner jonger is dan 18 jaar, één van zijn ouders of voogden , de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; als de inwoner verwijtbaar onder toezicht staat of een bewindvoerder heeft tenzij de bewindvoerder of iemand anders het volledige beheer van het pgb op zich neemt. Onder verwijtbaar wordt verstaan dat de persoon handelingen heeft verricht of keuzes heeft gemaakt die ertoe hebben geleid dat toezicht of bewindvoering noodzakelijk is; de gemeente niet instemt met een of meer aspecten van het pgb-plan; als naar het oordeel van de gemeente niet voldoende aannemelijk is dat met het pgb wordt voorzien in toereikende ondersteuning van voldoende kwaliteit; voor sociaal-recreatief vervoer als de inwoner in deze behoefte kan voorzien door gebruik te maken van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer; als de voorziening een kilometerbudget voor de (rolstoel)taxi betreft; de uitvoerder van de ondersteuning dezelfde (rechts)persoon is die het pgb beheert, tenzij dit, gezien de situatie van de inwoner, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding van het pgb is omgeven, naar het oordeel van de gemeente aanvaardbaar is; als degene die het pgb beheert voor de inwoner een band heeft met de zorgleverancier /zorgverlener waardoor er sprake zou kunnen zijn van belangenverstrengeling; als aan de inwoner eerder een pgb is verleend en de inwoner zich niet gehouden heeft aan de bij de verlening van dat eerdere pgb opgelegde verplichtingen en voorwaarden; naar verwachting niet de gestelde gebruiksduur compenserend is; voor zover het pgb is bestemd voor vakantie / verblijf in het buitenland als maatwerkvoorziening in de Wmo. Een pgb, in het kader van de Jeugdwet, is niet mogelijk als het besteed wordt in het buitenland en het gaat om meer dan 13 weken per jaar of een aaneengesloten periodelanger dan zes weken. Dit geldt niet als de gemeente hiervoor vooraf expliciet toestemming geeft. De eventuele besteding in het buitenland wordt dan meegenomen in het pgb-plan; het pgb bedoeld is ter compensatie van een overbelaste mantelzorger. Voor respijtzorg kan een andere maatwerkvoorziening worden aangevraagd; voor bemiddelings- of administratiekosten, coördinatie of kosten voor voortgezette diagnostiek. 6.3.3Hoogte en tarief PGB De hoogte van het pgb is gelijk aan de hoogte van de offerte of het pgb-(budget)plan dat de inwoner aanlevert. Er geldt wel een maximumbedrag. Dat is het bedrag dat de gemeente zou betalen aan een gecontracteerde leverancier voor de hulp die nodig is (hulp in natura-tarief). Dit maximumbedrag is besproken met de inwoner en is vastgelegd in het gespreksverslag. Wanneer de offerte hoger is dan dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet. Als de gemeente geen afspraken heeft gemaakt met een leverancier over het inkopen van de hulp in natura die de inwoner nodig heeft, dan geldt er geen maximumbedrag voor het pgb. De hoogte van het pgb is dan gelijk aan het bedrag dat genoemd is in de offerte of in het pgb budgetplan. Alleen in uitzonderlijke situaties zal hiervan sprake zijn. Als de inwoner meerdere offertes heeft gekregen voor hulp die hij nodig heeft, moet de inwoner de offerte kiezen die de goedkoopst compenserende voorziening biedt. Voorwaarde is wel, dat de offertes binnen het maximum bedrag vallen waarmee het effect kan worden bereikt dat nodig is. Uitzonderingen op bovenstaande regels zijn: gaat het om een pgb in plaats van hulp in natura die per jaar, per traject of per etmaal door de gemeente betaald wordt, dan gaat de gemeente uit van het bedrag dat de hulp in natura kost, omgerekend naar de periode waarop het pgb betrekking heeft. Dat bedrag is dan het maximumbedrag voor het pgb; bij hulp-op-maat in de vorm van beschermd wonen wordt de hoogte van het pgb voor beschermd wonen, inclusief dagbesteding beschermd wonen, bepaald op basis van een naar aard en omvang oplopend budget en bedraagt het pgb maximaal 100% van de maximale kostprijs van de voorziening in natura. De maximale PGB tarieven zijn neergelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp van de gemeente Kampen. De inwoner mag geen vast maandloon overeenkomen of een andersoortige afspraak maken op basis waarvan uitbetaling door de SVB aan de dienstverlener plaatsvindt zonder voorafgaande verplichting van de inwoner tot overlegging aan de SVB van een door de inwoner goedgekeurde factuur of specificatie van ingezette zorg; De hoogte van het PGB uitgevoerd door iemand uit het sociale netwerk (informele hulp) van de inwoner is: maximaal het wettelijk minimumjeugdloon (inclusief vakantietoeslag) per uur, als de hulp wordt uitgevoerd door iemand jonger dan 21 jaar; het uur- en dagdeeltarief van de hoogste periodiek begeleiding FWG 30 van de voor de bepaalde periode geldende cao VVT, plus vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren per uur gedurende maximaal 40 uur per week of dagdeel, als de hulp wordt uitgevoerd door een hulp van 21 jaar of ouder. Voor deeltijd verblijf/ logeeropvang (als er geen sprake is van een dienstbetrekking) kan een inwoner de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand ontvangen voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 2ab lid 1 onder a van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 of artikel 8ab lid 1 onder a van de Regeling Jeugdwet, tenzij op basis van het PGB-plan van de inwoner kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming. Om voor de tegemoetkoming in aanmerking te kunnen komen moet de inwoner een verklaring hebben als bedoeld in artikel 2ab lid 3 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 of artikel 8ab lid 3 van de Regeling Jeugdwet die is goedgekeurd door de gemeente en door de SVB. gaat het om een pgb voor hulp bij het huishouden, dan wordt afgeweken van het bovenstaande voor wat betreft de hoogte van het pgb en het tarief dat verstrekt wordt aan iemand uit het sociale netwerk van de inwoner. 6.3.4Hoogte PGB Hulp bij het huishouden Er wordt onderscheid gemaakt in twee soorten maatwerkvoorzieningen behorend bij hulp bij het huishouden, te weten: huishoudelijke werkzaamheden: HH-1; huishoudelijke werkzaamheden + organisatie van het huishouden: HH-2. De hoogte van het PGB voor een maatwerkvoorziening HH-1 in de vorm van een PGB bedraagt per uur maximaal het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de bepaalde periode geldende cao VVT, plus vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. De hoogte van het PGB voor een maatwerkvoorziening HH-2 in de vorm van een PGB is maximaal gelijk aan het PGB voor hulp bij het huishouden-1 vermeerderd met 1,79% conform het procentuele verschil tussen HH-1 en HH-2 in Zorg in natura. Wordt de hulp geleverd door een informele hulp jonger dan 21 jaar dan is de hoogte van het PGB voor HH-1 en HH-2 maximaal het wettelijk minimumjeugdloon (inclusief vakantietoeslag) per uur. 6.3.5Hoogte PGB voor hulpmiddelen die bij ZIN alleen in bruikleen worden verstrekt De hoogte van het ZIN-tarief is het tarief dat de gemeente betaalt om de voorziening te verstrekken. Wordt een voorziening in bruikleen verstrekt, dan betaalt de gemeente iedere maand een huurbedrag aan de leverancier van het product. In het geval een inwoner een PGB wil ontvangen voor een voorziening die bij ZIN alleen in bruikleen wordt verstrekt, is de hoogte van het PGB maximaal gelijk aan het huurbedrag per maand x de afschrijvingstermijn van de soort voorziening zoals deze in dit besluit is vastgelegd. 6.3.6Binnen afschrijvingstermijn nieuw PGB Als de inwoner een met het PGB aangeschafte voorziening binnen de afschrijvingstermijn niet meer gebruikt omdat deze niet meer compenserend is (onder andere ten gevolge van gewijzigde medische omstandigheden) en een nieuw PGB wordt toegekend: wordt de restwaarde van de voorziening verrekend met een nieuw toe te kennen PGB; wordt bij een eventueel nieuw toe te kennen PGB het PGB voor instandhoudingkosten voor de nog niet verstreken termijn verrekend met de nieuw toe te kennen instandhoudingkosten. 6.3.7Hoogte PGB voor woningaanpassing De hoogte van een PGB voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing (inclusief onderhoudskosten) wordt vastgesteld op basis van het bedrag zoals vermeld in de door de gemeente geaccepteerde offerte. Blijkt na de gereedmelding van de woningaanpassing dat de kosten van de woningaanpassing hoger of lager uitvallen dan de geaccepteerde offerte, dan past de gemeente de hoogte van het PGB aan aan de werkelijke kosten. Hierbij blijft gelden dat alleen de goedkoopst compenserende kosten worden vergoed. De woningeigenaar moet na voltooiing van de werkzaamheden in het kader van bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen, maar uiterlijk binnen 15 maanden na het verlenen van het PGB, aan de gemeente laten weten dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid. Deze gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen waaronder het PGB is verleend. De gereedmelding is, indien nodig, tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van het PGB. Het PGB wordt vastgesteld en betaald op basis van de door de gemeente geaccepteerde offerte en de conform het programma van eisen uitgevoerde werkzaamheden. Daarbij kunnen de volgende kosten in aanmerking worden genomen: de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening; de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991; het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom, met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald voor de leden van NL ingenieurs en BNA in DNR 2011. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen; de kosten voor het toezicht op de uitvoering, als dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; de leges, voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; de door de gemeente (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing. 6.3.8Verantwoording en uitbetaling pgb De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. Voor dat verslag kan de gemeente een formulier verplicht stellen. Als een inwoner hulp op maat in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de hulp uitbetaald die geleverd is. 6.4Wat is de bijdrage in de kosten? [Wmo] De inwoner betaalt een bijdrage in de kosten voor Wmo-hulp-op-maat (maatwerkvoorziening) als die hulp in natura of als pgb wordt gegeven. De inwoner betaalt een bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening of een pgb zolang de inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verleend. Voor de volgende voorzieningen geldt dat de bijdrage in de kosten nooit hoger is dan de kostprijs van die voorziening: algemene voorzieningen waarbij geen sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie; hulpmiddelen; woningaanpassingen. De bijdrage in de kosten van ondersteuning vanuit de Wmo wordt door het CAK vastgesteld en geïnd. Gaat het om de kosten van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan betalen de onderhoudsplichtige ouders, of degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over de minderjarige inwoner, de bijdrage. Dat geldt ook voor de ouder tegen wie een vaderschapsactie is ingesteld en de rechter dit verzoek heeft afgewezen (artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek), en voor degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een minderjarige inwoner. De inwoner betaalt geen bijdrage in de kosten: als de inwoner of de partner/echtgenoot al een bijdrage in de kosten van WLZ-zorg moet betalen; als de gemeente verwacht dat het opleggen van een bijdrage kan leiden tot mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding en ontwikkeling van een minderjarige door de ouder(artikel 1.1 van de Jeugdwet). Dit besluit wordt genomen na advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk, de Raad voor de Kinderbescherming of het meldpunt ‘Veilig thuis’; voor een (sport)rolstoel; voor collectief taxi-vervoer. In het collectief vraagafhankelijk vervoer betaalt de inwoner wel een reizigersbijdrage per rit. De hoogte van de reizigersbijdrage (de ritprijs) is gelijk aan het tarief van het reguliere busvervoer in Noord-West Overijssel; voor een inwoner die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, met uitzondering van woningaanpassingen. 6.5Kostprijs voorziening De kostprijs van hulp-op-maat wordt op de volgende manier bepaald: door een aanbesteding; of na het raadplegen van leveranciers (marktconsultatie); of in overleg met de gecontracteerde leverancier of door middel van een offerte van de leverancier. Voor het bepalen van de kostprijs van voorzieningen wordt bij de kostprijs opgeteld de noodzakelijke kosten die aan de voorziening zijn verbonden (zoals onderhoud, reparatie en verzekering). De kostprijs van een voorziening in natura (ZIN), niet zijnde een financiële tegemoetkoming, is gelijk aan de prijs waarvoor de gemeente Kampen de voorziening in natura betrekt van een gecontracteerde aanbieder, inclusief eventuele instandhoudingskosten, eventuele verzekeringen en depotbeheer. De kostprijs van de ondersteuning vanuit het PGB is gelijk aan het bedrag van het PGB. De ZIN-tarieven die de gemeente voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo – zijnde levering van diensten – betaalt aan gecontracteerde leveranciers van die voorzieningen zijn vastgesteld door de gemeente. Deze tarieven zijn opgenomen in de Conversietabel Wmo. Deze tabel is te vinden op de website van de gemeente Kampen onder “Inkoop zorg”. De ZIN-tarieven die de gemeente voor voorzieningen jeugdhulp – zijnde levering van diensten – betaalt aan gecontracteerde leveranciers van die voorzieningen zijn vastgesteld door het bestuur van het Regionaal Serviceteam Jeugd IJsselland. Deze tarieven zijn te vinden in het document “bijlage 2 tarieven en overige specifieke voorwaarden”. Dat document is te vinden op de website van het Regionaal Serviceteam Jeugd IJsselland onder “Documenten”. 7.Inkomen en schulden De gemeente heeft een financieel vangnet voor inwoners die te weinig inkomen en vermogen hebben om de dagelijkse kosten te betalen: een maandelijkse bijstandsuitkering. Deze inwoners en andere inwoners met een lastige financiële situatie kunnen bij de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en tegemoetkomingen aanvragen. In dit hoofdstuk worden belangrijke extra’s geregeld. Voor een aantal extra’s wordt een inkomensgrens genoemd. Dit is geen harde grens, maar een uitgangspunt (kompas) bij het beoordelen van aanvragen. Inwoners die in een vergelijkbare financiële situatie zitten als inwoners met een inkomen onder de inkomensgrens, kunnen vaak ook geholpen worden. Dat beoordeelt de gemeente per situatie. Daarnaast geven we enkele basisregels voor de hulp die de gemeente kan bieden bij een schuldenprobleem. Kernwaarden: De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. De gemeente zet zich in voor het voorkomen van armoede en schulden De gemeente zorgt voor een financieel vangnet. De gemeente stemt de hulp af op de inwoner De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoner. Iedereen doet mee aan de samenleving. 7.1Armoedebeleid [PW, Gemeentewet] In deze paragraaf wordt beschreven waar de gemeente rekening mee houdt bij het maken en uitvoeren van beleid om armoede en schulden in de gemeente te voorkomen en tegen te gaan. 7.1.1Wat wil de gemeente? De gemeente wil dat inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving. De gemeente neemt maatregelen om armoede en schulden te voorkomen (preventie). Inwoners zijn in de eerste plaats zelf aan zet als er financiële problemen zijn. Als het inwoners niet lukt om hun problemen zelf op te lossen, kan de gemeente hulp aanbieden. De gemeente wil inwoners graag helpen om zelf een oplossing voor hun problemen te vinden. Dat sluit aan bij het ‘Kamper kompas’. Als er meer hulp nodig is, kan de gemeente meer doen. Dat betekent soms, dat de gemeente de kosten betaalt. Maar het is ook mogelijk dat een inwoner ergens anders terecht kan of de kosten zelf moet betalen. De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of die schulden hebben hulp aan bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen. De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties, bijvoorbeeld in ‘Financiën op Koers’ (FINOK). De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners en organisaties die zijn gericht op het tegengaan van armoede en schulden. De gemeente legt in beleidsregels vast hoe het armoedebeleid voor een bepaalde periode ingevuld wordt. De gemeente spant zich in om het armoedebeleid zo in te richten, dat inwoners met een laag inkomen voldoende ondersteund worden en dat betaald werk krijgen niet leidt tot een armoedeval. De gemeente betrekt bij het maken van het armoedebeleid naast inkomen ook andere leefdomeinen, zoals onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. De gemeente zorgt ervoor dat voorzieningen die per maand of per jaar worden verstrekt, na afloop van die periode op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden. 7.1.2Voor wie is het armoedebeleid bedoeld? Het armoedebeleid is bedoeld voor inwoners met een laag inkomen. Dit zijn de belangrijkste basisvoorwaarden: de inwoner is 18 jaar of ouder. Dit geldt niet voor de kindpakketten zoals beschreven in paragraaf 7.5: en is bij de gemeente Kampen ingeschreven in de Basisregistratie personen; en heeft de Nederlandse nationaliteit of een geldige verblijfstitel als bedoeld in artikel 11 lid 2 en 3 van de Participatiewet. Vreemdelingen die op basis van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, BRP-code 46, in Kampen verblijven, kunnen wel recht hebben op de kindpakketten en de Meedoenbon. Voor hen geldt dat de toetsing op inkomen plaatsvindt op een percentage van de leefgeldnorm, in plaats van de bijstandsnorm. Voor sommige regelingen gelden bijzondere voorwaarden. Het kan zijn dat een inwoner gebruik maakt van een minimaregeling, ook al voldoet hij niet aan alle voorwaarden. Indien noodzakelijk kan er maatwerk worden toegepast. 7.1.3Telt het inkomen en het vermogen mee? De armoederegelingen zijn bedoeld voor inwoners die geen financiële buffer hebben. De gemeente gaat ervan uit dat dat zo is als het inkomen onder een bepaalde grens blijft. Die inkomensgrenzen verschillen per regeling. De hoogte van die inkomensgrenzen hangt ook af van de leef- en woonsituatie. Op de website van de gemeente Kampen is te vinden welke inkomensgrenzen er gelden voor welke voorzieningen. Als een inwoner een hoger inkomen heeft, beoordeelt de gemeente per situatie of het toch nodig is om de inwoner in aanmerking te laten komen. De gemeente betrekt alle omstandigheden erbij. Met inkomen wordt bedoeld: het maandelijkse netto loon of de netto uitkering. Het inkomen vergelijken we met de op dat moment geldende bijstandsnorm zonder rekening te houden met vakantietoeslag. Voor het bepalen van het inkomen van een zzp’er/zelfstandige gaan we uit van de winst-verliesrekening of het inkomen dat bij de belastingaangifte is opgegeven. Inkomsten die voor de algemene bijstand worden vrijgelaten (artikel 31 lid 2 Pw), worden ook voor de armoederegelingen vrijgelaten. De inwoner blijft altijd onder de inkomensgrens, als er loonbeslag op het inkomen ligt, als de inwoner in de Wsnp zit (schuldsanering), of als er een minnelijke schuldregeling loopt (gericht op afbetalen van een schuld). Het vermogen telt meestal ook mee, maar soms is dit anders geregeld. Dan geven we dat aan. Vermogen wordt in ieder geval vrijgelaten als het onder de grens blijft die voor een bijstandsuitkering geldt. Een eigen huis telt niet mee bij het vermogen, behalve als het gaat om kwijtschelding belastingen (voor bijzondere bijstand gelden andere regels.) 7.2Bijzondere bijstand [PW] Bijzondere bijstand is een belangrijk hulpmiddel voor de gemeente om inwoners financieel te helpen. In beleidsregels worden de uitgangspunten beschreven waarmee de gemeente rekening houdt bij het toepassen van de regels over bijzondere bijstand uit de Participatiewet. 7.3Individuele studietoeslag [PW] Studenten met een beperking hebben soms extra hulp nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. In deze paragraaf geeft de gemeente aan voor welke studenten de studietoeslag is bedoeld, welk bedrag toegekend kan worden en hoe dat wordt uitbetaald. 7.3.1Doelgroep Op grond van artikel 36b lid 1 Participatiewet kan een student in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag als hij op de datum van de aanvraag: tot de doelgroep ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van artikel 7 lid 1 onderdeel a Participatiewet behoort; en 18 jaar of ouder is; en recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS); en geen in aanmerking te nemen vermogen op grond van artikel 34 Participatiewet heeft; en door een structurele medische beperking tijdens de studie geen inkomsten kan verwerven Let op: Studenten met een Wajong-uitkering hebben geen recht op de studietoeslag. Voor hen is er een regeling binnen de Wajong. 7.3.2Vaststellen beperking Nadat de student een aanvraag heeft ingediend, onderzoekt de gemeente of de beperking van de student zo groot is dat hij met werk geen inkomsten kan verdienen. De gemeente doet dat aan de hand van gegevens die zij van de student of van andere instanties heeft gekregen. Als die gegevens niet duidelijk genoeg zijn, vraagt de gemeente aan een deskundige om een advies te geven. 7.3.3Hoogte en duur van de toeslag De studietoeslag is 20% van het wettelijk minimumloon en wordt elke maand uitbetaald. Als de student niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de studietoeslag beëindigd. 7.3.4Aanvragen Een student kan de studietoeslag aanvragen met een aanvraagformulier van de gemeente. De gemeente geeft de toeslag voor de duur van de studie/school. De student hoeft dan dus maar één keer een aanvraag in te dienen. 7.4Individuele inkomenstoeslag [PW] Voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen, is de individuele inkomenstoeslag bedoeld. Dat is een extraatje dat jaarlijks kan worden aangevraagd en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven voor welke inwoners de inkomenstoeslag is bedoeld en welke aanvullende voorwaarden er gelden. 7.4.1Doelgroep De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner die in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad rond de bijstandsnorm. De inwoner verliest het recht op individuele inkomenstoeslag in ieder geval niet, als het inkomen over de 36-maandenperiode maximaal € 600,- netto boven de bijstandsnorm uitkomt. 7.4.2Hoogte van de toeslag De individuele inkomenstoeslag is per kalenderjaar: € 475,- voor een alleenstaande; € 600,- voor een alleenstaande ouder; € 660,- voor gehuwden of samenwonenden; € 765,- voor gehuwden of samenwonenden met inwonend kind (ongeacht leeftijd). Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op vijf hele euro’s. Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht op inkomenstoeslag heeft, de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt. 7.5Kindpakket [Gemeentewet] 7.5.1Kindpakket: schoolregeling Wat is het doel van de regeling? Ouders met schoolgaande kinderen maken vaak extra kosten omdat hun kinderen naar school gaan. De schoolkostenregeling zorgt ervoor dat bepaalde kosten worden vergoed voor kinderen uit gezinnen die het nodig hebben. De gemeente kan daarom de kosten vergoeden die deze gezinnen voor hun kinderen maken omdat ze naar school gaan. Het gaat om kosten zoals voor de aanschaf van een fiets, rugtas en schoolboeken. Ouders en kinderen kunnen jaarlijks een keuze maken uit schoolkosten of artikelen die in elk individueel geval nodig zijn. Ouders en kinderen die een fiets, rekenmachine of iets anders willen aanschaffen kunnen dit doen bij een aantal aangesloten ondernemers. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het leerjaar van het kind: schoolregeling max. vergoeding van € 275,- per kind per jaar. Deze vergoeding is voor alle schoolgaande kinderen in het basisonderwijs, die niet in het overgangsjaar zitten; schoolregeling max. vergoeding van € 400, - per kind per jaar. Deze vergoeding is voor alle schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs en MBO en voor kinderen die in het overgangsjaar zitten van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs. Wanneer kom je ervoor in aanmerking? Deze regelingen zijn er voor gezinnen met schoolgaande kinderen die extra financiële ondersteuning nodig hebben, omdat ze een laag inkomen hebben en niet goed financieel rond kunnen komen. Het inkomen is in ieder geval laag, als het onder de 130% van de bijstandsnorm blijft. Er wordt geen vermogenstoets uitgevoerd. Hoe vraag je het aan? In Kampen kunnen ouders en/of verzorgers kunnen zelf, of via een intermediair, een aanvraag doen voor Sport, Cultuur, Zwemmen of School via de website www.samenvoorallekinderen.nl. Een aanvraag kan alleen in het lopende kalenderjaar voor dat jaar gedaan worden. Met terugwerkende kracht over eerdere jaren aanvragen is niet mogelijk. 7.5.2Kindpakket: Zwemfonds Kampen Wat is het doel van de regeling? Het is belangrijk dat alle kinderen kunnen zwemmen. Zwemlessen kosten geld. De kosten van zwemlessen kan de gemeente gedeeltelijk vergoeden vanuit het Zwemfonds. De totale kosten van het zwempakket bedragen € 900,-. De gemeente vergoedt maximaal € 600,- per kind. Wanneer kom je ervoor in aanmerking? De tegemoetkoming is er voor gezinnen met kinderen in de leeftijd van 6 tot 18 jaar die een zwemdiploma willen halen en de kosten niet volledig zelf kunnen betalen. Voor de zwemlessen betaalt de inwoner een eigen bijdrage. De eigen bijdrage voor het zwempakket is € 300,-. Het bedrag betaalt de inwoner in twintig termijnen van € 15,- aan Zwemfonds Kampen. Bij de aanvraag gaat de inwoner akkoord met deze betalingsverplichting. Welke voorwaarden gelden er? Deze regelingen zijn er voor gezinnen met schoolgaande kinderen die extra financiële ondersteuning nodig hebben, omdat ze een laag inkomen hebben en niet goed financieel rond kunnen komen. Het inkomen is in ieder geval laag, als het onder de 130% van de bijstandsnorm blijft. Het vermogen mag niet hoger zijn dan de vermogensgrens uit de Participatiewet (artikel 34 lid 3 Pw). Hoe vraag je het aan? In Kampen kunnen ouders en/of verzorgers kunnen zelf, of via een intermediair, een aanvraag doen voor Sport, Cultuur, Zwemmen of School via de website www.samenvoorallekinderen.nl. Een aanvraag kan alleen in het lopende kalenderjaar voor dat jaar gedaan worden. Met terugwerkende kracht over eerdere jaren aanvragen is niet mogelijk. 7.5.3Kindpakket: Jeugdfonds Sport en Cultuur Wat is het doel van de regeling? Het Jeugdfonds Sport en Cultuur biedt de mogelijkheid aan kinderen om mee te doen aan sportieve of culturele activiteiten. In de gemeente Kampen wordt meedoen aan dergelijke activiteiten als essentieel onderdeel van opgroeien gezien. Daarom wordt de mogelijkheid geboden om via de fondsen mee te doen aan activiteiten. Ouders en kinderen kunnen jaarlijks kiezen van welke activiteit en regeling zij gebruik maken. Er wordt maatwerk toegepast als blijkt dat er meer nodig is in specifieke gevallen. Er kan een keuze gemaakt worden uit onderstaande activiteiten en wordt uitgegaan van genoemde bedragen: Jeugdfonds Sport vergoeding van max. € 300,- per kind Jeugdfonds Cultuur vergoeding van max. € 525,- per kind Zwemfonds vergoeding van max. € 600,- per kind De gemeente vergoedt een sportaanvraag of een cultuuraanvraag. Er wordt maatwerk toegepast als blijkt dat er meer nodig is in specifieke gevallen. Naast sport of cultuur kan een zwemfondsvergoeding aangevraagd worden. De vergoeding voor sport kan niet gebruikt worden om de eigen bijdrage voor zwemlessen te bekostigen. Welke voorwaarden gelden er? Deze regelingen zijn er voor gezinnen met schoolgaande kinderen die extra financiële ondersteuning nodig hebben, omdat ze een laag inkomen hebben en niet goed financieel rond kunnen komen. Het inkomen is in ieder geval laag, als het onder de 130% van de bijstandsnorm blijft. Er wordt geen vermogenstoets uitgevoerd. Hoe vraag je het aan? In Kampen kunnen ouders en/of verzorgers kunnen zelf, of via een intermediair, een aanvraag doen voor Sport, Cultuur, Zwemmen of School via de website www.samenvoorallekinderen.nl. Een aanvraag kan alleen in het lopende kalenderjaar voor dat jaar gedaan worden. Met terugwerkende kracht over eerdere jaren aanvragen is niet mogelijk. 7.6Meedoenbonnen [Gemeentewet] Wat is het doel van de regeling? Het is belangrijk dat iedereen kan sporten of mee kan doen aan activiteiten, ook als er sprake is van een laag inkomen. Met de meedoenbon kan een inwoner kosten om te sporten, mee te doen aan culturele activiteiten, schoolactiviteiten of maatschappelijke activiteiten betalen. In de gemeente Kampen kennen we ruim 140 organisaties bij wie deze bon kan worden verzilverd. De waarde van de meedoenbon is afhankelijk van de leeftijd. Wanneer kom je ervoor in aanmerking? Meedoenbonnen zijn bedoeld voor inwoners met een laag inkomen. Het inkomen is in ieder geval laag, wanneer het onder 120% van de bijstandsnorm is. De Meedoenbon is niet bedoeld voor studenten. Er wordt geen vermogenstoets uitgevoerd. De waarde van de meedoenbon is afhankelijk van de leeftijd: van de inwoner volwassenen in de leeftijd van 18-pensioensgerechtigde leeftijd: € 210,-; volwassenen in de leeftijd vanaf de pensioengerechtigde leeftijd en ouder: € 314,-. Hoe vraag je het aan? De Meedoenbon kan worden aangevraagd met een aanvraagformulier van de gemeente. 7.7Hoge zorgkosten De regeling hoge zorgkosten helpt inwoners die tijdelijk of langdurig te maken hebben met hoge zorgkosten. Het effect daarvan is dat iedere inwoner met hoge zorgkosten en een laag inkomen ondersteund wordt. Wanneer kom je ervoor in aanmerking? De regeling hoge zorgkosten geldt voor inwoners met een laag inkomen (maximaal 120% van de geldende bijstandsnorm). Er wordt geen vermogenstoets uitgevoerd. De regeling kan worden aangevraagd indien het verplicht eigen risico van de zorgverzekering (Zvw) voor het betreffende kalenderjaar is verbruikt. Dit moet kunnen worden aangetoond. De hoogte van de bijdrage is gelijk aan die van de Regeling tegemoetkoming arbeidsongeschikten (uitvoering via het UWV). De UWV tegemoetkoming gaat voor op die van de gemeente. Wie van de UWV-tegemoetkoming gebruik maakt, komt niet in aanmerking voor de regeling hoge zorgkosten. Hoe vraag je het aan? De regeling hoge zorgkosten kan (online) worden aangevraagd via een aanvraagformulier van de gemeente. Een aanvraag kan alleen in het lopende kalenderjaar voor dat jaar gedaan worden. Met terugwerkende kracht over eerdere jaren aanvragen is niet mogelijk. 7.8Collectieve zorgverzekering Wat is het doel van de regeling? De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners goed verzekerd zijn tegen medische kosten. Daarom heeft de gemeente een collectieve zorgverzekering (CZM) afgesloten voor inwoners met een laag inkomen bij zorgverzekeraar Zilveren Kruis. Wanneer kom je ervoor in aanmerking? Inwoners die zich verzekeren bij Zilveren Kruis kunnen meedoen met de CZM. De CZM is bedoeld voor inwoners met een laag inkomen. Het inkomen is in ieder geval laag, als het onder de 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm blijft en de inwoner geen goede financiële buffer heeft. De gemeente beoordeelt niet of er een auto, eigen huis of schulden zijn. Kinderen tot 18 jaar zijn gratis meeverzekerd. Er is geen medische (toegangs)toets. Uitgesloten zijn wanbetalers. Dat zijn verzekerden die zes maanden de premie niet betalen. Inwoners die bij een andere zorgverzekeraar verzekerd zijn, moeten overstappen naar Zilveren Kruis om mee te kunnen doen. Ze moeten dan een aanvraag voor de CZM indienen voor 1 januari van het daaropvolgende jaar. Dat is alleen mogelijk in de periode van half november tot 1 januari. Deelname aan de CZM gaat dan in op 1 januari. Inwoners moeten wijzigingen in de gezins- en woonsituatie doorgeven aan Zilveren Kruis én de gemeente. Wijzigingen in het inkomen, waardoor inwoners boven de genoemde inkomensgrens komen, moeten ze doorgeven aan de gemeente. Een inkomen boven de inkomensgrens of een verhuizing naar een andere gemeente in Nederland betekent niet meteen het einde van de verzekering. De verzekering blijft doorlopen in het kalenderjaar, tenzij de inwoner aangeeft dat die eerder beëindigd kan worden. Hoe vraag je het aan? Je vraagt de CZM aan met een aanvraagformulier van de gemeente. Daar horen ook bewijsstukken bij. Inwoners met een bijstandsuitkering kunnen ook met hun verzekeringspolis aan de balie Inkomen en zorg komen. [PW] 7.9Kwijtschelding gemeentelijke belastingen (uitvoering door team belasting en inning) Wat is het doel? De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een laag inkomen niet te zwaar belast worden. Daarom kunnen deze inwoners onder bepaalde voorwaarden kwijtschelding van gemeentelijke belastingen krijgen. Wanneer kun je kwijtschelding krijgen? Kwijtschelding is er voor inwoners die een inkomen hebben dat niet hoger is dan de bijstandsnorm. Daarnaast zijn er enkele andere voorwaarden en wordt er een vermogensgrens gehanteerd. Voor meer informatie verwijzen wij naar de voorwaarden voor de kwijtschelding gemeentelijke beslastingen.. Zie hiervoor https://www.kampen.nl/belastingen-en-heffingen/kwijtschelding. Kwijtschelding kan worden aangevraagd voor: Rioolheffing Afvalstoffenheffing Soms wordt een deel van de belastingen kwijtgescholden. Kwijtschelding is niet mogelijk voor de belastingen voor een eigen bedrijf of een zelfstandig beroep. Hoe vraag je kwijtschelding aan? Je vraagt kwijtschelding aan met een aanvraagformulier van de gemeente (zie: https://www.kampen.nl/belastingen-en-heffingen/kwijtschelding) 7.10Schuldhulpverlening [Wgs] Voorkomen is beter dan genezen Het is beter financiële problemen te voorkomen, dan op te lossen. We vertellen daarom zo goed mogelijk over de hulp die inwoners met een laag inkomen kunnen krijgen. Dit kan financiële steun zijn, maar ook andere vormen van hulp. Zo kan de inwoner bijvoorbeeld hulp vragen bij ‘Financiën op Koers’ (FINOK). Dat is het samenwerkingsverband van Welzijn Kampen, De Kern, MEE, Humanitas en de gemeente. Dit samenwerkingsverband zorgt ervoor dat de vragen bij de juiste medewerker of instantie terecht komen. Het doel van FINOK is om inwoners van Kampen te helpen bij hun thuisadministratie / budgetbeheer en daarmee hun zelfredzaamheid op dit terrein te vergroten[1]. Daarnaast helpt de gemeente inwoners die moeite hebben om financieel rond te komen. Ook zoekt de gemeente naar mogelijkheden om inwoners te bereiken die financiële steun nodig hebben, zowel via de eigen website als door ‘Geldfit’[2]. Ten slotte is er schulddienstverlening[3]. Hiertoe heeft de gemeente Kampen ‘Budget Adviesbureau Deventer’ (BAD) gemandateerd. Naast budgetadvies (hoe omgaan met geld) en budgetbeheer biedt het BAD de mogelijkheid een schuldregeling te onderzoeken. Het BAD maakt dan afspraken met schuldeisers over gehele of gedeeltelijke afbetaling van de schulden. Inwoners ontvangen eventuele hulp in Kampen, zij hoeven hiervoor niet naar Deventer. Deze maatregelen zijn gericht op het versterken van de zelfredzaamheid van inwoners, zodat inwoners zelfstandig een gezonde financiële huishouding kunnen voeren. [1] Zie: https://www.financienopkoers.nl [2] Zie: https://www.geldfit.nl [3] Zie: https://www.kampen.nl/hulp-bij-schulden Waar kun je terecht voor hulp? Inwoners kunnen met vragen over geld en geldproblemen terecht bij de toegangen van het sociaal domein in Kampen: de balie inkomen en zorg in het gemeentehuis, Financiën op Koers (Finok) of het BAD. Nadat de inwoner zich heeft gemeld, bespreekt een medewerker met de inwoner welk effect hij met zijn hulpvraag wil bereiken en wat daartoe nodig is. In het gesprek beoordeelt de medewerker welke hulp mogelijk is. De inwoner bepaalt zelf of van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Hieronder zijn de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen. 7.10.1Samenwerking en toegang De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor schulden. De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt ervoor dat die hulp ook echt beschikbaar is. De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op die regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft. 7.10.2Schuldhulpverlening en budgetbeheer De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van schulden, die hulp zo snel mogelijk krijgt. De hulp die de gemeente geeft, past bij het financiële probleem van de inwoner. Eén van de mogelijkheden die de gemeente kan aanbieden is hulp bij het regelen van de inkomsten en uitgaven (budgetbeheer). Budgetbeheer is erop gericht dat de inwoner orde krijgt in de financiële huishouding en daardoor zijn uitgaven kan betalen. 7.10.3Besluit De gemeente besluit binnen 8 weken of een inwoner schulddienstverlening ontvangt. De gemeente informeert de inwoner die hulp kan krijgen over de manier waarop de hulp wordt gegeven. De gemeente stuurt iedere inwoner die geen hulp kan krijgen een brief waarin staat waarom er geen hulp wordt gegeven. 8.Afspraken tussen inwoner en gemeente Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen. Kernwaarden: De gemeente ziet inwoners als volwaardige partners. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. Collectieve voorzieningen gaan voor individuele voorzieningen De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. De inwoner geeft de informatie die nodig is. 8.1Hoe gaan we met elkaar om? [Gemeentewet, Awb] 8.1.1De rol van de gemeente De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende: voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk; de inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek op het stadhuis of bij de inwoner thuis; de gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie; de website van de gemeente voldoet aan erkende kwaliteitseisen; er zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn; de gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn; de gemeente respecteert de privacy van de inwoner; de gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat niet door de beugel kan. De gemeente zorgt voor het volgende: de inwoner wordt op tijd geïnformeerd over: zijn rechten en plichten; wat er van hem wordt verwacht; welk gedrag niet deugt; wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt. de gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren. de reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij: de ernst van het gedrag; de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en de persoonlijke situatie van de inwoner. de gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet). 8.1.2De rol van de inwoner De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende: de inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf of in zijn sociale netwerk heeft om zijn probleem op te lossen (eigen kracht); als de gemeente hulp verleent werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem; de inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is. De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende: de inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang kan zijn voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend; de gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner; de inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente. Artikel 8.2 Afspraken en verplichtingen 8.2.1 Afstemming op houding en gedrag van de inwoner [PW, IOAW, IOAZ, Awb] De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner. Bij het nemen van een besluit tot het verlagen van een uitkering houdt de gemeente rekening met: de ernst van het gedrag; en de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en de persoonlijke situatie van de inwoner. Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat op de volgende manier doen: telefonisch; in een gesprek met de medewerker op het stadhuis; schriftelijk; via e-mail. 8.2.2Geen verwijtbaarheid en verjaring [PW, IOAW, IOAZ, Awb] De gemeente verlaagt de uitkering niet als het gedrag van de inwoner meer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden of als het gedrag hem niet te verwijten is. 8.2.3Ingangsdatum en periode verlaging [PW, IOAW, IOAZ, Awb] De gemeente verlaagt de uitkering vanaf de kalendermaand na de maand waarin de gemeente het besluit tot verlaging aan de inwoner per brief bekend heeft gemaakt. Het is mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(
  5. en)nog niet is uitbetaald. Soms kan de gemeente de uitkering niet of maar voor een deel verlagen omdat deze wordt beëindigd. Dan zal de gemeente het overgebleven deel van de verlaging alsnog opleggen als de inwoner binnen 12 maanden na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen. 8.2.4Berekening verlaging [PW, IOAW, IOAZ, Awb] De verlaging is een percentage van de uitkeringsnorm die van toepassing is op de inwoner. Als de inwoner maandelijks bijzondere bijstand ontvangt, kan de gemeente de bijzondere bijstand verlagen met een percentage van de bijzondere bijstand. Gaat het om eenmalige bijzondere bijstand, dan kan de gemeente die bijstand weigeren als de bijstand nodig is vanwege verwijtbaar gedrag van de inwoner. 8.2.5Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen [PW, Awb] De gemeente verlaagt de uitkering een maand als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet voldoende nakomt. Die verlaging is 100% van de uitkeringsnorm. De verlaging wordt in gelijke stukken verdeeld over de maand van oplegging en de twee daaropvolgende kalendermaanden, als er volgens de gemeente sprake is van bijzondere omstandigheden. 8.2.6Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen [PW, IOAW, IOAZ, Awb] De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm, voor het volgende gedrag: het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak; het niet voldoende meewerken aan het afleggen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b van de Participatiewet; het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie; bij de inwoner die alleenstaande ouder is: het uit houding en gedrag laten blijken geen gebruik te willen maken van een voorziening die de kans op werk kan vergroten, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 40% van de uitkeringsnorm als de inwoner onvoldoende probeert werk te vinden. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag: het niet voldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening; het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken; het niet voldoende leveren van een door de

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.