Verordening nadeelcompensatie Coevorden 2024Besluit van de raad van de gemeente Coevorden tot vaststelling van de Verordening nadeelcompensatie Coevorden 2024 (Verordening nadeelcompensatie Coevorden 2024) De raad van de gemeente Coevorden; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, bijlagenr. 1895 gelet op de artikelen 108 en 149 van de Gemeentewet, titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 15.1 van de Omgevingswet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening nadeelcompensatie Coevorden 2024 Artikel1.Toepassingsbereik 1.Deze verordening heeft betrekking op aanvragen om schadevergoeding als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarvan de aanvrager stelt dat die wordt veroorzaakt door een bestuursorgaan van de gemeente. 2.Deze verordening heeft geen betrekking op aanvragen om schadevergoeding waarop een bijzondere regeling van toepassing is. Artikel2.Heffen recht Voor het in behandeling nemen van de aanvraag om schadevergoeding wordt een recht van € 300,- geheven. Artikel3.Aanvraag 1.De aanvrager van schadevergoeding maakt bij voorkeur gebruik van een door het bestuursorgaan vastgesteld (elektronisch) formulier. 2.In aanvulling op artikel 4:127 van de Algemene wet bestuursrecht bevat een aanvraag mede: als het schade betreft wegens winst- of inkomstenderving: jaarrekeningen over het jaar waarin schade is geleden en voor zover van toepassing de drie daaraan voorafgaande jaren en de aanslagen vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting over die drie jaren. als het schade betreft wegens gederfde huurinkomsten: een afschrift van de huurovereenkomst of gebruiksovereenkomst en een eigendomsakte. als het schade betreft wegens gederfde inkomsten verkoop bedrijf of onroerende zaak: een kopie van de eigendomsakte van de onroerende zaak, dan wel een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. een bankrekeningnummer waarop de eventueel toegekende schadevergoeding gestort kan worden. Artikel4.Adviescommissie 1.Het bestuursorgaan wint slechts advies in bij een adviescommissie voor zover dat naar zijn oordeel noodzakelijk is om op de aanvraag om schadevergoeding te kunnen beslissen. 2.Advies als bedoeld in het eerste lid wordt niet ingewonnen indien het bestuursorgaan dat niet nodig acht om op de aanvraag te kunnen beslissen. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien: de aanvraag naar het oordeel van het bestuursorgaan kennelijk ongegrond is, omdat zich kennelijk een weigeringsgrond voordoet als bedoeld in artikel 4:126, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht; de schade kennelijk niet kan worden toegerekend aan een door het bestuursorgaan genomen besluit of verrichte handeling; de aanvraag naar het oordeel van het bestuursorgaan voldoende gelijkenis vertoont met andere aanvragen waarvoor al advies is uitgebracht; de aanvraag naar het oordeel van het bestuursorgaan vanwege de omvang van de schade kennelijk ongegrond is, hetgeen het geval is wanneer de schade kennelijk minder bedraagt dan € 500,- voor particulieren of € 1000,- voor bedrijven, of naar het oordeel van het bestuursorgaan in de gemeentelijke organisatie voldoende deskundigheid voor de beoordeling van de aanvraag aanwezig is. 3.Een adviescommissie bestaat uit een of meer deskundigen. 4.Een adviescommissie kan worden benoemd als: vaste commissie, waarbij de leden door burgemeester en wethouders voor een termijn van maximaal vier jaar worden benoemd met de mogelijkheid tot herbenoeming voor maximaal vier jaar, of tijdelijke commissie voor advisering met betrekking tot een of meer aanvragen, door het bestuursorgaan dat de aanvragen behandelt. Artikel5.Procedure externe adviescommissie 1.Als advies wordt ingewonnen bij een externe adviescommissie, informeert het bestuursorgaan de aanvrager en belanghebbenden hierover en wordt de in dit artikel beschreven procedure gevolgd. 2.De externe adviescommissie organiseert één of meerdere hoorzittingen om het bestuursorgaan en de aanvrager in de gelegenheid te stellen om de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen respectievelijk de aanvraag toe te lichten. Het bestuursorgaan, de aanvrager en de overige betrokken bestuursorganen en belanghebbenden worden eveneens in de gelegenheid gesteld om hun standpunt over de aanvraag kenbaar te maken. 3.De externe adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop de adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager en het bestuursorgaan uit voor de plaatsopneming. 4.Ten behoeve van de taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak, wordt door de externe adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt. 5.Van de hoorzitting en de plaatsopneming als bedoeld in het tweede en vierde lid wordt een verslag gemaakt door de externe adviescommissie. Het verslag vormt onderdeel van het uit te brengen advies. 6.Alvorens een advies uit te brengen zendt de externe adviescommissie binnen twaalf weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan het bestuursorgaan, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden. De adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met ten hoogste vier weken verlengen. 7.De aanvrager, het bestuursorgaan, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het concept advies schriftelijk hierop te reageren. 8.In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het bestuursorgaan, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken. 9.In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het bestuursorgaan. Artikel6.Belanghebbenden 1.Bij de toepassing van artikelen 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht worden de belanghebbenden betrokken. 2.Als belanghebbenden worden naast de aanvrager voor zover van toepassing aangemerkt: degene die de activiteit verricht en met wie een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.3c, eerste lid, van de Omgevingswet is gesloten, en, als sprake is van een schadeveroorzakend besluit naar aanleiding van een aanvraag, zoals geregeld in artikel 13.3d van de Omgevingswet, de aanvrager van dat besluit of degene die de toegestane activiteit verricht, tenzij: de schadevergoeding redelijkerwijze voor rekening behoort te blijven van het bestuursorgaan, of de schadevergoeding voldoende op een andere manier is verzekerd. Artikel7.Uitbetaling Bij gehele of gedeeltelijke toewijzing van een aanvraag om schadevergoeding, wordt de toegewezen schadevergoeding uiterlijk betaald twee weken na het onherroepelijk worden van het besluit op de aanvraag om schadevergoeding. Artikel8.Aanvraag voorschot 1.Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen, vooruitlopend op de beslissing op een aanvraag om schadevergoeding, een voorschot verlenen als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld. 2.Indien vanwege de aanvraag het advies van een adviescommissie wordt ingewonnen, wordt deze commissie geraadpleegd alvorens tot het al dan niet uitkeren van een voorschot wordt besloten. Artikel9.Intrekking oude regeling De Procedureverordening planschade Coevorden 2016 wordt ingetrokken. Artikel10.Overgangsrecht Onverminderd hetgeen in het vorige artikel is bepaald, wordt een verzoek om schadevergoeding waarop het recht van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing is, conform de Procedureverordening planschade Coevorden 2016 afgehandeld. Artikel11.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening nadeelcompensatie Coevorden 2024. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 30 januari 2024.De raad voornoemd,De voorzitter, R. Bergsma De griffier,M. Lucassen Toelichting Algemeen Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (hierna: “de Ow”) in werking getreden, waaronder de nadeelcompensatieregeling van hoofdstuk 15. Gelijktijdig is de nadeelcompensatieregeling van titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: “de Awb”) in werking getreden. In die regeling worden bestaande regelingen voor nadeelcompensatie in verschillende wetten en buitenwettelijke regelingen samengevoegd en geharmoniseerd. Titel 4.5 van de Awb voorziet in een algemene regeling in de Awb van de vergoeding (of tegemoetkoming) van schade door rechtmatig overheidshandelen. Daarbij kan worden gedacht aan verzoeken wegens winst- of inkomstenderving, gederfde huurinkomsten, of de lagere opbrengst bij de verkoop van een bedrijf of een onroerende zaak. Normaal maatschappelijk risico Vooropgesteld wordt dat de overheid niet verplicht is om iedere schade die zij in de rechtmatige uitoefening van haar publieke taken veroorzaakt, in zijn geheel te vergoeden. Dat overheidsingrijpen voor sommige burgers en ondernemingen nadelige gevolgen kan hebben, is namelijk onvermijdelijk. Tot op zekere hoogte moeten deze gevolgen dus worden geaccepteerd. Dit is het normaal maatschappelijk risico (hierna: ‘nmr’). Burgers die door rechtmatig overheidsoptreden schade lijden die uitgaat boven het nmr en in vergelijking tot anderen onevenredig zwaar worden getroffen, kunnen desgevraagd schadevergoeding ontvangen ingevolge artikel 4:126 van de Awb. De hoogte van de schadevergoeding moet in zo’n geval redelijk zijn. De schadevergoeding dekt dus niet vanzelfsprekend de volledige schade. Een deel van de schade zal altijd voor eigen rekening blijven. De Verordening De gemeente Coevorden heeft er in navolging van het model van de VNG (Model Verordening nadeelcompensatie (nieuw model, mei 2021)) voor gekozen om nadeelcompensatie uit te werken in een verordening en niet in een beleidsregel. Reden hiervoor is dat het heffen van een recht bij wettelijk voorschrift moet geschieden ingevolge artikel 4:128, eerste lid, van de Awb en dat het wenselijk is dat de adviescommissie een solide basis krijgt. In de Verordening Nadeelcompensatie is dan ook het heffen van een recht en het instellen van een adviescommissie geregeld. Er is gekozen voor één gezamenlijke verordening en niet voor twee of meer afzonderlijke beleidsregels om de procedurele aspecten inzake nadeelcompensatie te regelen, zodat de regels makkelijker vindbaar en toegankelijk zijn. Artikelsgewijs De bepalingen van de “Verordening nadeelcompensatie Coevorden 2024” worden hierna voorzien van een toelichting. Artikel 1. Toepassingsbereik Eerste lid Deze verordening heeft betrekking op aanvragen om schadevergoeding vanwege rechtmatige overheidsdaad. Het gaat om nadeelcompensatie als bedoeld in titel 4.5 van de Awb en afdeling 15.1 van de Ow. Het kan voorkomen dat schade door meerdere overheden wordt veroorzaakt, bijvoorbeeld zowel de gemeente als het waterschap. In deze bepaling wordt verduidelijkt dat de aanvrager in dat geval loket kiest. Het gaat in deze verordening om schade waarvan door de aanvrager wordt gesteld dat die wordt veroorzaakt door een bestuursorgaan van de gemeente. Hierop bestaat een uitzondering. Dat betreft de situatie waarbij de aanvraag om schadevergoeding betrekking heeft op een besluit ter uitvoering van een projectbesluit. Op die situatie is de regeling van artikel 15.8 van de Ow van toepassing. Daarin is geregeld dat het bestuursorgaan dat het projectbesluit heeft vastgesteld het bestuursorgaan is dat de schadevergoeding toekent. Tweede lid Een bijzondere regeling kan bijvoorbeeld een verordening zijn voor een specifiek onderwerp, zoals kabels en leidingen, riolering en wegopbrekingen, of voor een specifiek project binnen de gemeente. Artikel 2. Heffen recht Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om schadevergoeding wordt een recht geheven. De figuur van de heffing is in artikel 4:128 van de Awb geïntroduceerd om te voorkomen dat er al te lichtvaardig wordt overgegaan tot indiening van een aanvraag om schadevergoeding. Het recht bedraagt € 300,-. Als het recht niet wordt voldaan, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld. Bij toewijzen van de aanvraag wordt het toe te kennen bedrag verhoogd met het geheven recht in overeenstemming met artikel 4:129, aanhef en onder c, van de Awb. Artikel 3. Aanvraag Eerste lid De artikelen 4:2 en 4:127 van de Awb bevatten een grondslag voor de aanvraagvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om schadevergoeding. Als niet aan de aanvraagvereisten wordt voldaan kan de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling worden gesteld. In aanvulling hierop is in het eerste lid geregeld dat de gemeente een formulier, bijvoorbeeld elektronisch, opstelt voor het indienen van een aanvraag. De aanvrager maakt bij voorkeur gebruik van dit formulier. Als de elektronische weg is opengesteld moet de aanvrager- indien hij via de elektronische weg een aanvraag wenst in te dienen - van dit formulier gebruikmaken (artikel 2:15 van de Awb). Naast het indienen van een aanvraag via een al dan niet elektronisch formulier kan de aanvrager een aanvraag per brief indienen. Het bestuursorgaan moet indien de aanvraag niet compleet wordt geacht, aangeven bij de aanvrager dat de aanvraag niet compleet is om in behandeling te worden genomen. Het bestuursorgaan kan dan expliciet de termijnen opschorten tot het moment dat wel de stukken zijn ingediend. Tweede lid Hier zijn aanvullende eisen ten aanzien van schadeclaims wegens winst- of inkomstenderving of gederfde huurinkomsten opgenomen, om de aanvraag te kunnen beoordelen. In artikel 4:2 van de Awb is vastgelegd dat een aanvraag wordt ondertekend en ten minste bevat: de naam en het adres van de aanvrager, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd. In artikel 4:127 van de Awb is vastgelegd dat de aanvraag mede bevat: een aanduiding van de schadeveroorzakende gebeurtenis en een opgave van de aard van de geleden of te lijden schade en, voor zover redelijkerwijs mogelijk, het bedrag van de schade of een specificatie daarvan. Verder verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Het gaat hier om gegevens en bescheiden die ten minste worden verstrekt. Het kan wenselijk zijn om dit voor aanvragen om schadevergoeding nader te specificeren. Uiteraard worden alleen gegevens gevraagd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Artikel 4. Adviescommissie Eerste lid Onder de Omgevingswet en titel 4.5 van de Awb is het niet langer verplicht om extern advies in te winnen. Alleen als het nodig is, wordt advies ingewonnen bij een adviescommissie. Binnen de gemeente Coevorden is anno 2024 minder deskundigheid aanwezig dan naar verwachting noodzakelijk is, om (alle) aanvragen om schadevergoeding te kunnen beoordelen. Daarom is denkbaar dat op dit onderwerp regionaal expertise wordt gebundeld, bijvoorbeeld in een regionale adviesorganisatie. Gelet op de beperkte interne deskundigheid anno 2024, zal vaker extern advies worden ingewonnen. Tweede lid In het tweede lid zijn situaties opgenomen waarin het bestuursorgaan kan bepalen dat het inwinnen van extern advies bij een adviescommissie niet altijd noodzakelijk is. Deze opsomming betreft een indicatieve opsomming en laat ruimte voor een nadere invulling door het bestuursorgaan om per geval te beoordelen of het inwinnen van advies nodig is. Sub d ziet op gevallen waarin het schadebedrag zo klein is dat de schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Deze aanvragen hoeven dus niet in behandeling te worden genomen. Aangesloten is bij de bagateldrempel van Rijkswaterstaat: € 500,- voor particulieren of € 1000,- voor bedrijven (zie artikel 3: wetten.nl - Regeling - Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019 - BWBR0010692 (overheid.nl)). Als een adviescommissie wordt ingeschakeld, betekent dit niet automatisch dat deze wordt gevraagd over de hele aanvraag te adviseren. De adviseur(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.